CConstaterende datSliedrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 - toelichting vast te stellen wijziging omgevingsplan.pdf

Besluitvormend - Gemeenteraad Sliedrecht 12 mei 2026, gemeente SliedrechtBij agendapunt: 9: FYS – Wijziging omgevingsplan blok B Burgemeester Winklerplein25.274 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

25

Waterberging in open water Bij waterberging in open water bedraagt de waterberging technisch gezien de ruimte tussen het zomerwaterpeil in de sloot en de bovenzijde van de oever (zie onderstaande figuur). Voor plannen met een toename aan verharding kan de vuistregel van 436 m³ per hectare verharding worden gebruikt bij bui T=10+10% en 664 m³ bij bui T=100+10%. De maatgevende afvoer bedraagt 1,5 l/s/ha. Bij een bui T=10+10% mag het waterpeil in principe maximaal 0,30 meter stijgen. In het gebied Alblasserwaard en Vijfheerenlanden geldt voor die situatie een maximaal toelaatbare peilstijging van 0,20 meter vanwege de beperkte drooglegging in het gebied. Bij een regenbui die eenmaal per 100 jaar kan voorkomen (T= 100+10%) mag het waterpeil stijgen tot de laagste putdekselhoogte op wijkniveau.

Waterberging in kunstmatige bergingsvoorziening In sommige situaties kan waterbergingscompensatie niet plaats vinden in de vorm van open water. Indien het realiseren van open water niet mogelijk is kan hemelwater worden geborgen in een alternatieve kunstmatige bergingsvoorziening. Bij een regenbui die eenmaal per 100 jaar kan voorkomen (T= 100+10%) mag het waterpeil stijgen tot de laagste putdekselhoogte op wijkniveau. De ledigingstijd van het systeem bedraagt maximaal 48 uur. Voor de relatie van het plan ten aanzien van water wordt verwezen naar paragraaf 4.12 en het onderzoek in de bijlagen.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1

Omgevingsvisie Sliedrecht 2021

Met de omgevingsvisie Sliedrecht 2021 (vastgesteld 14 december 2021) zet de gemeente de koers uit naar 2030. De Koers 2030 kent drie hoofduitgangspunten: 1. Evenwichtige ontwikkeling met focus op ruimte, kwaliteit en duurzaamheid. 2. In Sliedrecht zorgen we voor elkaar. 3. Verbinden, organiseren en promoten. Deze uitgangspunten zijn nader uiteengezet langs de volgende thema’s: 1. Werk maken van ruimtelijke vernieuwing. 2. Werk maken van een veilige en inclusieve samenleving. 3. Werken aan een ondernemend en betrokken Sliedrecht. Voor de beoogde ontwikkeling is voornamelijk thema 1 Werk maken van ruimtelijke vernieuwing relevant. Binnen dit thema zijn de volgende ambities geformuleerd: •

Ambitie woningbouw: We zien de woningbouwopgave als katalysator voor ruimtelijke vernieuwing.

•

Ambitie ruimtelijke kwaliteit: We versterken de ruimtelijke kwaliteit door het creëren van groene verbindingen, toegankelijke rivieroevers en leefbare, veilige en groene wijken en bedrijventerreinen.

•

Ambitie duurzaamheid: We zetten serieuze eerste stappen in de grote transitie in het energiedomein op weg naar het einddoel: ‘Sliedrecht energieneutraal’ in 2050.

•

Ambitie bereikbaar en verbonden: Het dorp, de bedrijventerreinen boven de A15 en het gebied boven het spoor worden beter met elkaar verbonden.

TAM-omgevingsplan ontwikkeling Windroos blok B

26

•

Ambitie gemeentelijk vastgoed: Uitgebalanceerd, duurzaam en energieneutraal vastgoed, dat bijdraagt aan de ambities en doelen van de gemeente Sliedrecht.

Doorwerking projectgebied Er is een grote woningbehoefte in de gemeente, alsook in de regio, provincie en landelijk. De groei van het aantal huishoudens neemt het sterkst toe tot 2030. Met de ontwikkeling wordt een nieuw appartementencomplex gerealiseerd met 55 appartementen voor diverse doelgroepen. Tevens geeft de ontwikkeling invulling aan een braakliggend terrein binnen de kern Sliedrecht, waarmee de ontwikkeling gezien kan worden als katalysator voor ruimtelijke vernieuwing. Ook de buurtcentra in de wijken blijven van belang. Hier is ruimte voor detailhandel, horeca en maatschappelijke functies. 3.4.2

Beeldkwaliteit

In het verleden is voor de totaalontwikkeling een beeldkwaliteitsplan (BKP) opgesteld. Voor bouwdeel B is dit beeldkwaliteitsplan nog actueel en van toepassing. Het BKP is als bijlage bij deze toelichting maar ook als bijlage bij de regels toegevoegd. Voor de inhoud wordt dan ook daarnaar verwezen. In de regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen ten aanzien van dit BKP. Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning zal aan dit BKP moeten worden voldaan. 3.4.3

Economische visie Sliedrecht 2021

De detailhandel, horeca en recreatieve voorzieningen in het centrum – met name op het Burgemeester Winklerplein als locatie voor dagelijkse boodschappen en op de Kerkbuurt als locatie voor recreatief winkelen – hebben allereerst een lokale functie, als belangrijke voorziening voor inwoners, maar ook als belangrijke werkgever. Tegelijkertijd dienen beide winkelclusters regionaal aantrekkelijk te zijn om een solide economische basis te hebben. Daarbij gaat de lokale functie verder dan alleen de economische: de vitaliteit van het centrum is van groot belang voor het voorzieningsniveau in het dorp en daarmee de aantrekkelijkheid van Sliedrecht als woon en werkgemeente. De belangrijkste opgave voor beide genoemde winkelgebieden is de ruimtelijke kwaliteit en de transformatie van verouderd incourant vastgoed, op de Kerkbuurt aangevuld met bestrijding van de leegstand. De focus voor detailhandel ligt op de beide winkelgebieden, van waaruit voor elders in woonwijken verspreid liggende winkels wordt gezocht naar kansen voor transformatie naar wonen. Om de economische aantrekkingskracht van het centrum te vergroten is ten slotte inzet nodig op de recreatieve mogelijkheden in en nabij het dorpshart. Instrumenten: •

Collectieve acties en promotie via gezamenlijke ondernemersfondsen. Voor de opzet van nieuwe collectieve inzet is provinciale subsidie beschikbaar.

•

Inzet op ruimtelijke kwaliteit, vastgoedtransformatie en leegstandbestrijding in en rondom de winkelgebieden.

•

Met de nieuwe Recreatievisie 2021 worden de recreatieve en toeristische mogelijkheden in het centrum en daaromheen van een basis voor verdere benutting en versterking voorzien, inclusief de daarbij behorende promotie.

Het plan sluit aan op de ambities van de gemeentelijke economische visie: namelijk het Burgemeester Winklerplein versterken als boodschappencluster binnen centrum Sliedrecht. Er is sprake van een passende functie op een passende locatie. 3.4.4

Verkeers- en Mobiliteitsplan Sliedrecht 2035 (VMP)

Het college van de gemeente Sliedrecht heeft begin juli 2024 het nieuwe Verkeers- en Mobiliteitsplan Sliedrecht 2035 (VMP) vastgesteld en voorgelegd aan de gemeenteraad. Het plan richt zich op het verbeteren

TAM-omgevingsplan ontwikkeling Windroos blok B

27

van de bereikbaarheid en verkeersveiligheid in Sliedrecht. Dit gebeurt volgens het STOMP-principe: Stappen, Trappen, Openbaar Vervoer, (deel-)Mobiliteit en Personenauto. Vijf uitgangspunten zijn in het plan leidend: veilig, bereikbaar, duurzaam, inclusief en actief. Een uitwerking van het Verkeers-en mobiliteitsplan is de Nota Parkeernormen 2025. 3.4.5

Water- en rioleringsprogramma Sliedrecht 2024 – 2028

De gemeente Sliedrecht heeft in het Water- en rioleringsprogramma Sliedrecht 2024 – 2028 beschreven hoe er binnen de gemeente omgegaan dient te worden met hemelwater. In dit programma staat dat de gemeente de verplichting heeft om afvloeiend hemelwater in te zamelen en te verwerken, zolang een perceeleigenaar dat redelijkerwijs niet zelf kan. Schoonhouden – Scheiden – Zuiveren Hemelwater is relatief schoon water en dient zo schoon mogelijk te worden gehouden. De gemeente zamelt hemelwater bij voorkeur gescheiden in van huishoudelijk of bedrijfsafvalwater. Wanneer een gemengd rioolstelsel aan vervanging toe is, wordt dit vervangen door een gescheiden rioolstelsel. Het hemelwater wordt vervolgens afgevoerd naar bergings- en infiltratievoorzieningen of naar oppervlaktewater. Om verontreiniging te voorkomen, streeft de gemeente ernaar zo min mogelijk uitlogende materialen toe te passen, zoals lood en zink. Indien hemelwater afkomstig is van verontreinigde oppervlakken, worden passende maatregelen getroffen voordat het water wordt geïnfiltreerd of geloosd op oppervlaktewater. Op deze wijze wordt een negatief effect op de (grond)water- en bodemkwaliteit zoveel mogelijk beperkt. Indien deze maatregelen niet haalbaar of doelmatig zijn, wordt het hemelwater afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI).

Vasthouden – Bergen – Afvoeren Voor de verwerking van hemelwater hanteert de gemeente de trits ‘vasthouden – bergen – afvoeren’. Deze werkwijze geldt zowel voor de openbare ruimte als voor particulier terrein. Hemelwater wordt zoveel mogelijk verwerkt in het gebied waar het valt, met als doel het verminderen van wateroverlast in omliggende gebieden en het bijdragen aan het vasthouden van water ter voorkoming van droogte. De verwerkingsvolgorde is als volgt: 1. Vasthouden en verwerken op het eigen terrein; 2. Bovengronds afvoeren naar lokaal oppervlaktewater of groenvoorzieningen; 3. Ondergronds afvoeren via een hemelwaterstelsel naar lokaal oppervlaktewater of groen. Indien bovenstaande opties niet mogelijk zijn, wordt het hemelwater afgevoerd naar de RWZI, samen met huishoudelijk en bedrijfsafvalwater. Dimensionering van voorzieningen De gemeente treft voorzieningen om overlast en schade door hemelwater te voorkomen. In bestaand stedelijk gebied zijn hemelwatervoorzieningen (of gemengde riolering) in het verleden doorgaans gedimensioneerd op basis van bui 08 uit de Kennisbank Stedelijk Water (19,8 mm/uur). In nieuwe situaties worden voorzieningen gedimensioneerd op bui 09 (29,4 mm/uur) en wordt de bovengrond zodanig ingericht dat ook een bui 10 (35,7 mm/uur) geen overlast of schade veroorzaakt.

TAM-omgevingsplan ontwikkeling Windroos blok B

28

Hinder – Overlast – Schade Hoewel voorzieningen worden afgestemd op de verwachte neerslaghoeveelheden, kunnen er zich altijd zwaardere buien voordoen dan waarvoor de voorzieningen zijn ontworpen. Dit kan leiden tot hinder, overlast of schade door water. Met name op laaggelegen locaties, zoals bij woningen met een vloerpeil onder het straatniveau, is het risico op waterophoping en schade groter. In gevallen van hinder worden geen aanvullende maatregelen genomen. Water op straat zal in toenemende mate voorkomen en wordt beschouwd als een acceptabel gevolg van extreme neerslag. Om overlast zoveel mogelijk te beperken, worden – waar dit mogelijk en doelmatig is – structurele verbetermaatregelen getroffen. Voor de relatie van het plan met het aspect water wordt verwezen naar de waterparagraaf in de bijlagen. Vertaling naar regels De uitgangspunten uit het Water- en Rioleringsprogramma 2024–2028 zijn beleidsmatig richtinggevend, maar binden uitsluitend de gemeente. Omdat deze uitgangspunten ook voor initiatiefnemers moeten gelden, zijn de relevante eisen vertaald in juridisch bindende planregels.

3.4.6

Gemeentelijk geluidbeleid

De gemeente Sliedrecht beschikt over een eigen geluidbeleid, te weten Beleid hogere grenswaarde Wet geluidhinder” d.d. 12 februari 2010. Omdat dit beleid dateert uit 2010, ten tijde van de Wet geluidhinder, is er sprake van een afwijking in terminologie ten opzichte van de huidige wetgeving. Het geluidbeleid stelt eisen bij het verlenen van een hogere waarde. Het beleid stelt onder andere dat bij het verlenen van een hogere waarde gekeken dient te worden naar maatregelen om aan de voorkeursgrenswaarde te kunnen voldoen. Indien de maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn of overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard kan een hogere waarde worden verleend. Gekeken dient te worden naar maatregelen aan de bron, in het overdrachtsgebied of bij de ontvanger. Bij grootschalige ontwikkelingen (meer dan 25 woningen) dient gekeken te worden naar bronnen/of overdrachtsmaatregelen. Als blijkt dat geluid reducerende maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn of de uitvoering ervan stuit op ernstige bezwaren dan kunnen hogere waarden worden vastgesteld met aanvullende eisen om een aanvaardbaar akoestisch klimaat te kunnen waarborgen. De gemeente stelt voor een aanvaardbaar akoestisch klimaat de volgende eisen: •

Geluidluwe zijde per woning per bron bekeken,

•

Geluidluwe buitenruimte per woning,

•

Woningindeling en gebruik van de woningen,

•

Cumulatie bij berekening geluidluwe zijde,

•

Afschermende werking.

Het beleid stelt dus dat iedere woning dient te beschikken over een geluidluwe gevel. Een geluidluwe gevel is een gevel waar de optredende belasting aan 48 dB voldoet (voorkeursgrenswaarde), inclusief aftrek artikel 110g Wet geluidhinder. Een geluidluwe zijde kan ook bestaan uit een bouwkundige maatregel zoals een loggia. Daarnaast dient iedere woning een geluidluwe buitenruimte te hebben. In beginsel ligt deze ruimte niet

TAM-omgevingsplan ontwikkeling Windroos blok B

29

aan de hoogst belaste zijde. Indien deze wel aan de hoogst belaste zijde ligt mag de maximale optredende waarde hier niet meer dan 5 dB boven de voorkeursgrenswaarde liggen. Indien geen geluidluwe buitenruimte mogelijk is, kunnen serres of afsluitbare balkons (loggia’s) worden toegepast. Voor de indeling ligt ten minste een slaapkamer niet aan de hoogst belaste zijde. Conform het geluidbeleid is een gevel geluidluw wanneer wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. Onder de nieuwe Omgevingswet wordt geen voorkeursgrenswaarde meer gehanteerd, in de plaats hiervan is de standaardwaarde opgenomen. In dit rapport is ervan uitgegaan dat er sprake is van een geluidluwe gevel indien aan de standaardwaarde wordt voldaan. Voor een uitwerking van het aspect geluid wordt verwezen naar dit hoofdstuk in deze motivering en naar het onderzoek in de bijlagen. Daar wordt ingegaan op het gemeentelijk geluidbeleid.

TAM-omgevingsplan ontwikkeling Windroos blok B

30

4

Omgevingsaspecten in de fysieke leefomgeving

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 van de Omgevingswet. De ontwikkeling wordt als het ware getoetst aan de verschillende aspecten uit de fysieke leefomgeving. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is er een bredere kijk op de leefomgeving, onder meer vanuit het oogpunt van milieu, duurzaamheid en gezondheid.

4.1

Stedenbouw

De herontwikkeling van het Burgemeester Winklerplein kent een lange geschiedenis, waarbij diverse plannen zijn gepasseerd. Om de ruimtelijke kwaliteit te borgen, zijn stedenbouwkundige randvoorwaarden door de gemeenteraad vastgesteld. Deze vormen de kaders voor nieuwbouwprojecten, waaronder dit plan. Het document met deze kaders is als bijlage bij deze motivering opgenomen en is tevens als planregel voor welstandtoetsing verbonden aan van het omgevingsplan. Hiermee is geborgd dat de gewenste ruimtelijke kwaliteit gehaald wordt. Het nieuwe gebouw wordt zorgvuldig ingepast in de bestaande stedenbouwkundige structuur van het Burgemeester Winklerplein. Het bouwvolume sluit aan op de belendende bebouwing: maximaal vier bouwlagen aan de zijde van de bestaande woonblokken en een hoogteaccent van maximaal acht bouwlagen aan het plein. Deze opbouw zorgt voor een geleidelijke overgang in schaal en behoudt de menselijke maat. De architectuur volgt het credo “eenheid door diversiteit” en maakt gebruik van warme baksteentinten, conform het beeldkwaliteitsplan. Dichte gevelvlakken en dode plinten zijn uitgesloten; de plint wordt actief ingericht met functies zoals bijvoorbeeld detailhandel, horeca of maatschappelijke voorzieningen, waardoor levendigheid aan het plein wordt gewaarborgd. Achter het gebouw is ruimte gereserveerd voor het parkeren en beperkt groen.

Door deze opzet voldoet het plan aan de stedenbouwkundige randvoorwaarden en versterkt het de identiteit van het Burgemeester Winklerplein als levendig winkel- en verblijfsgebied.

4.2

Verkeer en parkeren

Verkeer en parkeren maakt onderdeel uit van de evenwichtige functietoedeling aan locaties. Naast parkeren voor zowel de auto als de fiets moet aandacht besteed worden aan de verkeersgeneratie en -veiligheid. In deze paragraaf wordt aangegeven hoe met het planvoornemen hier rekening mee wordt gehouden. Een toevoeging of wijziging van functies op locaties zorgt vaak voor een verandering van de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie van een gebied. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto’s en fietsen en wat het effect is op de bereikbaarheid en de verkeersafwikkeling. Er mag geen onaanvaardbaar effect op de omgeving optreden. 4.2.1

Verkeer

Bij nieuwe ontwikkelingen dient de verkeersgeneratie in beeld te worden gebracht. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de gemiddelde parkeernormen en kencijfers in de publicatie “Parkeerkencijfers, basis voor parkeernormering uitgegeven door het CROW (744) in 2024. Zoals opgenomen in de Nota Parkeernormen Sliedrecht 2025 is het projectgebied gelegen in het Centrumgebied. Daarnaast is aangegeven dat de gemeente Sliedrecht gemiddeld 1.637 adressen per vierkante kilometer heeft. Met deze dichtheid is de gemeente volgens het CBS als geheel ‘Sterk stedelijk’ (tussen de 1.500 en 2.500 adressen per km²).

TAM-omgevingsplan ontwikkeling Windroos blok B

31

De verkeersgeneratie van de toekomstige woningen en commerciële functies is berekend in onderstaande tabellen (2.1 en 2.2) De berekeningen zijn uitgevoerd op basis van de CROW-kencijfers. Voor de berekening is uitgegaan van de stedelijkheidsgraad ‘sterk stedelijk’ en de gebiedsindeling ‘centrum’. Daarnaast is uitgegaan van de gemiddelde CROW normen. Dit geeft het meest realistische scenario. De verkeersgeneratie van de toekomstige woningen is weergegeven in tabel 2.1. Tabel 2.1 Verkeersgeneratie toekomstige appartementen (bron: CROW-publicatie 744) Verkeersgeneratie woningen Woningtype

Aantal woningen

CROW norm per woning

Totaal

Koop, appartement, groter dan 100 m2

33

7,2

237,6

Koop, appartement, tussen 75 m2 en 100 m2

22

5,5

121

Totaal

55

358,6

*exclusief vermenigvuldiging met 1,11 (omzetting weekdag naar werkdag)

Uitgaande van het bovenstaande komt de verkeersgeneratie voor de toekomstige appartementen op 358,6 mvt/etmaal. Naast woningen worden er ook commerciële functies mogelijk gemaakt. In dit geval wordt dagelijkse detailhandel (m.u.v. supermarkt), dienstverlening en horeca toegestaan tot 585 m2 bvo. De verkeersgeneratie van de toekomstige functies is weergegeven in tabel 2.2. Tabel 2.2 Verkeersgeneratie toekomstige functies (bron: CROW-publicatie 744) Verkeersgeneratie toekomstige functies Functie Wijkwinkelcentrum (gemiddeld)

m2 BVO

CROW norm per 100 m2 BVO

Totaal

585

63,6

372,1 372,1

De totale verkeersgeneratie voor de toekomstige woningen en de commerciële functies komt gezamenlijk op 730,7 mvt/etmaal. Als gevolg van de ‘bestaande functies’, zoals deze op basis van het geldende (tijdelijk deel) van het omgevingsplan zijn toegestaan is er ook sprake van verkeergeneratie. Deze verkeersgeneratie wordt in mindering gebracht op de totale toekomstige verkeersgeneratie. In tabel 2.3 is de verkeersgeneratie berekend van de voormalige/huidige planologische situatie. Rekening houdende met de omzetting van weekdag naar werkdag (vermenigvuldiging van 1,11) bedraagt de totale verkeersgeneratie voor de sociale huurwoningen 65,93 mvt/etmaal per werkdag. De absolute (planologische) toename in verkeersbewegingen bedraagt hiermee ca. 567 (730,7-163,43) mvt/etmaal.

TAM-omgevingsplan ontwikkeling Windroos blok B

32

Tabel 2.3 Verkeersgeneratie bestaande functies (bron: CROW-publicatie 744) Verkeersgeneratie voormalige/huidige planologische situatie Aantal / m2 BVO

gemiddelde CROW norm

Totaal

Woningen (huis, sociale huur)

22

2,7 per woning

59,4

Apotheek

1

97,5 per apotheek

97,5

Functie

156,9 *exclusief vermenigvuldiging met 1,11 (omzetting weekdag naar werkdag)

Door de (her)ontwikkeling van bedraagt de verkeerstoename ca. 567 mvt / etmaal. Door verschillende éénrichtingswegen zal het extra gemotoriseerde verkeer gelijkmatig worden verdeeld richting verschillende hoofdroutes: •

in noordelijke richting via de Antonie van Leeuwenhoekstraat richting de Thorbeckelaan en vervolgens verder in oostelijke of westelijke richting; en,

•

in zuidoostelijke richting via de Professor Lorentzlaan, de Professor Kamerlingh Onneslaan op de Rembrandtlaan; en,

•

in zuidwestelijke richting via de Professor Lorentzlaan, het Burgemeester Winklerplein op de Rembrandtlaan of richting het noorden op de Simon Stevinstraat.

De hoofdroutes (Thorbeckelaan, Rembrandtlaan en Simon Stevinstraat) kunnen het extra verkeer goed verwerken. Deze verbindingen ontsluiten immers het winkelcentrum Burgemeester Winklerplein met de andere gebiedsontsluitingswegen van Sliedrecht. Conclusie Uit de bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er als gevolg van de beoogde herontwikkeling geen problemen te verwachten zijn ten aanzien van de verkeersafwikkeling. 4.2.2

Parkeren

Om te bepalen wat de effecten zijn op het gebied van parkeren vanwege de toekomstige ontwikkeling kan gekeken worden naar de gemeentelijke parkeernota, met daarin de parkeernormen per functie. De Nota Parkeernormen Sliedrecht 2025 gaat over hoe het fiets- en autoparkeren in ruimtelijke ontwikkelingen moet worden opgelost en welke eisen de gemeente hierbij stelt. Het beleidsuitgangspunt wordt gehanteerd dat de volledige fiets- en autoparkeerbehoefte op eigen terrein moet worden opgelost. Eigen terrein is gedefinieerd als grond waarover de initiatiefnemer kan beschikken ter plaatse van de ruimtelijke ontwikkeling of in de directe nabijheid hiervan (binnen de maximaal acceptabele loopafstand). 4.2.2.1

Autoparkeren

Er is een parkeerbalans opgesteld, de volledige notitie is opgenomen als bijlage 1 bij deze ruimtelijke motivering. Hier wordt dan ook naar verwezen. Op basis van de uitgangspunten van de gemeente parkeernota is een parkeerbalans opgesteld. Tabel 1.5 geeft de parkeerbalans weer van de nieuwe functies in het projectgebied. De totale parkeerbehoefte komt uit op 96 parkeerplaatsen. De parkeerbehoefte die direct voortkomt uit de woningen, 64 parkeerplaatsen, worden op eigen terrein gerealiseerd. Hiermee resteert een parkeerbehoefte van 32 parkeerplaatsen in de openbare ruimte voor de bezoekers en de commerciële voorzieningen. Daarnaast zullen met het plan 2 parkeerplaatsen in de openbare ruimte komen te vervallen, waardoor nog 34 parkeerplaatsen nodig zijn in de openbare ruimte.

TAM-omgevingsplan ontwikkeling Windroos blok B

33

Tabel 1.5 – Parkeerbalans projectgebied

Pro-

Categorie

gramma Woningen

Aan-

Kencijfer

tal Koop, appartement, gro-

33

ter dan 100m² Woningen

Eenheid

Koop, appartement, tus-

Parkeerbehoefte

Wonin-

1,2

39,6

1,1

24,2

gen 22

sen 75m² en 100 m²

Woningen

TOTAAL (eigen terrein)

64

Woningen

Bezoekers

55

Commerci-

Wijkcentrum

585

Wonin-

0,1

5,5

4,5

26,3

gen eel

100

m²

bvo

SUBTOTAAL (openbare ruimte)

32

Te vervallen openbare parkeerplaatsen

2

TOTAAL (openbare ruimte)

34

Opgemerkt wordt dat de 585 m2 bvo aan commerciële functies ook ingevuld kan worden als ‘horeca’. Deze functie heeft op basis van de Nota Parkeernormen Sliedrecht 2025 een parkeerbehoefte van 5,0 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo. De normatieve parkeervraag is hiermee 29,3 parkeerplaatsen. De parkeerbalans is opgenomen in bijlage 3 van de parkeernota in de bijlagen. De 64 parkeerplaatsen voor de bewoners worden dus op eigen terrein opgelost. In de nieuwe situatie is deze resterende parkeerbehoefte in de openbare ruimte het grootst op een zaterdagmiddag, met 32 parkeerplaatsen. Bovendien worden 2 parkeerplaatsen in de openbare ruimte opgeheven voor het realiseren van de in- en uitgang naar het eigen parkeerterrein. Deze extra parkeerruimte is aanwezig in de openbare ruimte. Uit beschikbare parkeerdrukmetingen blijkt dat op zowel momenten mét weekmarkt als zonder weekmarkt er voldoende restcapaciteit aanwezig is binnen de acceptabele loopafstand van 200m van de Windroos. Op de zaterdagmiddag (maatgevende moment voor het project) neemt de parkeerdruk in de openbare ruimte af van 75 parkeerplaatsen tot 41 parkeerplaatsen als geen rekening wordt gehouden met de blauwe zone (en van 83 parkeerplaatsen tot 49 parkeerplaatsen indien wel rekening wordt gehouden met de blauwe zone). 4.2.2.2

Fietsparkeren

In de Nota Parkeernormen Sliedrecht 2025 zijn fietsparkeernormen opgenomen. De fietsparkeernormen zijn gebaseerd op de fietsparkeerkencijfers van CROW. Het uitgangspunt is dat de fietsparkeerbehoefte op eigen terrein wordt opgelost. Dit geldt zowel voor de fietsparkeerbehoefte van vaste gebruikers (bewoners, werknemers, etc.) als van bezoekers. Bij de toepassing van dit uitgangspunt is er nadrukkelijk aandacht voor de praktijk. Met name voor bezoekers geldt dat het niet altijd mogelijk en wenselijk is om hen op eigen terrein te laten parkeren. Concreet worden de volgende eisen voor de toepassing van de fietsparkeernormen gehanteerd: •

Fietsparkeerplaatsen voor vaste gebruikers moeten op eigen terrein zijn aangelegd.

•

Fietsparkeerplaatsen voor bezoekers worden in beginsel op eigen terrein aangelegd. Als dit niet mogelijk of wenselijk is, dan moet door de initiatiefnemer worden onderzocht of het mogelijk is om het bezoekers

TAM-omgevingsplan ontwikkeling Windroos blok B

34

in de openbare ruimte te laten parkeren. Hiervoor wordt in eerste instantie gebruik gemaakt van bestaande fietsparkeerplaatsen. Als deze voorzieningen niet aanwezig zijn of al door andere doel- groepen worden gebruikt, dan wordt op basis van de geldende planologische kaders beoordeeld of de aanleg van nieuwe fietsparkeerplaatsen in de openbare ruimte mogelijk is. Loopafstand vormt hierbij een belangrijk criterium. De kosten voor de eventuele aanleg van nieuwe fietsparkeerplaatsen in de openbare ruimte zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Fietsparkeerbehoefte Functie

Aantal / m2 BVO

fietsparkeernorm

Totaal

Koop, appartement, groter dan 100 m2

33

5,0 per woning

165

Koop, appartement, tussen 75m2 en 100 m2

22

4,0 per woning

88

Appartement bezoekers

55

0,5 per woning

27,5

Commercieel (max. horeca)

585

3 per 100 m2 BVO

17,55

Totaal

299

In bovenstaande tabel is de normatieve fietsparkeerbehoefte berekend, deze komt uit op 299 fietsparkeerplekken. Op de begane grond is inpandig een fietsenberging voorzien welke ruimte biedt aan ca. 253 fietsen. Deze zijn bedoeld voor de bewoners van de appartementen, dus vaste gebruikers. Daarnaast worden er voor bezoekers nog eens ca. 40 openbare fietsparkeerplaatsen voorzien rondom het complex. Hiermee worden er in totaal 293 fietsparkeerplaatsen voorzien, conform huidige tekeningen. De overige 6 benodigde fietsparkeerplekken worden nog in de openbare ruimte toegevoegd.

4.3

Bezonning

Om inzicht te verkrijgen in de gevolgen van de nieuwbouw voor de bezonning bij de percelen van nabijgelegen woningen is in een bezonningsstudie uitgevoerd. De volledige rapportage is opgenomen als bijlage 2. Onderstaand zijn de belangrijkste conclusies vermeld. Er zijn 2 typen bezonningsstudies: gevelopeningenstudie en perceelstudie. In dit geval is een perceelstudie uitgevoerd. Het verschil is hieronder beschreven: •

Gevelopeningenstudie: Voor gevelopeningenstudie is een TNO norm opgesteld, deze hanteren wij normaal gesproken ook. Maar in deze studie zijn er geen gevelopeningen onderzocht, daarom wordt de TNO norm in deze studie dus niet aangehaald.

•

Perceelstudie: Voor onderzoek naar bezonning op percelen is geen landelijke/TNO norm opgesteld. Daarom heeft BRO/Movares een eigen methodiek ontwikkeld om dit toch te kunnen toetsen. In deze methodiek hebben we een logisch onderzoeksgebied bepaald en een normering wanneer er sprake is van een voldoende bezonning.

BRO richtlijn bezonning perceel: Voor een voldoende bezonning hanteren we de volgende richtlijn: Een aaneengesloten gebied van gemiddeld 20% van het onderzoeksgebied (achtertuin) dient tijdens het gemiddelde van alle peilmomenten (zie tabel hiernaast) volledig zon te krijgen. We noemen dit het normgebied. De volgende percelen zijn onderzocht: •

Christiaan Huygensstraat 13, 15, 17, 19;

•

Antonie van Leeuwenhoekstraat 18, 20.

TAM-omgevingsplan ontwikkeling Windroos blok B

35

Alle onderzochte percelen voldoen in zowel de bestaande situatie als in de nieuwe situatie ruim aan de norm van 20% voor een voldoende bezonning. De impact van de ontwikkeling op de achtergelegen percelen, op het gebied van bezonning, is aanvaardbaar omdat de gemiddelde bezonning op deze percelen voldoende is. De percelen aan de Christiaan Huygensstraat 13, 15 en 17 gaan er weliswaar op bezonning op achteruit, maar die afname is aanvaardbaar aangezien zij nog steeds ruim voldoen aan de norm van 20%. De bezonningspercentages zijn in de nieuwe situatie respectievelijk 45,5%, 45,2% en 56,6%. De afnames zijn het grootst in december, wat een maand is waarin mensen doorgaans niet in de tuin verblijven. Dat wil zeggen dat de ontwikkeling een aanvaardbare impact heeft op de bezonning van deze percelen. De percelen aan de Christiaan Huygensstraat 19 en de Antonie van Leeuwenhoekstraat 18 en 20 voldoen ook ruim aan de norm van 20% voor een voldoende bezonning. Bij de percelen Christiaan Huygensstraat 19 en de Antonie van Leeuwenhoekstraat 18 is er sprake van een toename in zonuren. Bij het perceel aan de Antonie van Leeuwenhoekstraat 20 is er sprake van een beperkte afname in zonuren.

4.4

Klimaatadaptatie en duurzaamheid

In 2050 wil de gemeente Sliedrecht energieneutraal en klimaatbestendig zijn. Dit is onder andere beschreven in het ‘Versnellingsprogramma Drechtsteden 100% Aardgasvrij’. Een duurzaam Sliedrecht wordt samen bereikt. Gemeente, bedrijven, inwoners, stichtingen en woningcorporaties dragen allemaal bij. De gemeente Sliedrecht werkt aan een klimaatadaptieve stad. Om de wijken weerbaarder te maken tegen veranderende omstandigheden in het klimaat, zoals hevige regenbuien, zijn maatregelen nodig in de bebouwing en buitenruimte. De gemeente heeft op grond van artikel 2.16 van de Omgevingswet een zorgplicht voor de doelmatige inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater, maar uitsluitend wanneer een perceeleigenaar dit redelijkerwijs niet zelf op het eigen perceel kan verwerken. Om die reden zijn in de planregels bepalingen opgenomen die borgen dat hemelwater primair op eigen terrein wordt verwerkt. Een belangrijke doelstelling bij nieuwbouw is dat het woningbouwplan hemelwater zoveel mogelijk op het eigen terrein vasthoudt, bergt en pas na 24 uur afvoert. Het nieuwbouwplan dient een waterbestendig ontwerp te zijn. Dit plan draagt bij aan deze ambities, aangezien eerder op de locatie de verouderde woningen op gas zijn gesloopt en nu ruimte maken voor duurzame nieuwbouw. De nieuwe woningen zijn volledig aardgasvrij.

Daarnaast wordt in het kader van klimaatadaptatie rekening gehouden met zo min mogelijk verharding en een groene inrichting van het parkeerterrein op het maaiveld. Er zal voorzien worden in voldoende waterberging. Daarnaast wordt de energie van het gebouw duurzaam opgewekt. Voor nieuwe ontwikkelingen geldt dat hemelwatervoorzieningen minimaal worden gedimensioneerd op bui 09 (29,4 mm/uur) en dat bij bui 10 (35,7 mm/uur) geen wateroverlast mag optreden. Dit sluit aan bij het convenant Klimaatadaptief Bouwen van de provincie Zuid-Holland, waarbij de gemeente in het Water- en Rioleringsprogramma Sliedrecht heeft vastgelegd dat dit als richtlijn geldt voor nieuwe ontwikkelingen. Om te voorkomen dat wateroverlast wordt afgewenteld op lagergelegen erven of de openbare ruimte, is in de planregels vastgelegd dat het perceel zodanig moet worden ingericht dat geen toename van overlast optreedt.

4.5

Mer-plicht

4.5.1

Toetsingskader

Onderdeel van de beoordeling of een aanvraag om een wijziging omgevingsplan volledig is, is een toets aan de regels over een milieueffectrapportage op basis van paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling

TAM-omgevingsplan ontwikkeling Windroos blok B

36

11.2 van het Omgevingsbesluit. Of een besluit project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, wordt bepaald op basis van bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V bij het Omgevingsbesluit heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van projecten waarvoor een mer-(beoordelings)plicht geldt. In kolom 4 zijn de besluiten opgenomen waarvoor de mer-(beoordelings)plicht geldt. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is een wijziging van het omgevingsplan. Of er voor het besluit een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een mer-plicht. Anders geldt een mer-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan.

TAM-omgevingsplan ontwikkeling Windroos blok B

37

Tabel 4.1 Onderdeel J11 van bijlage V van het Omgevingsbesluit Kolom 1

Kolom 2

Kolom 3

Kolom 4

Projecten

Gevallen waarin de mer-

Gevallen waarin de mer-

Besluiten als bedoeld in

plicht geldt (artikel 16.43,

beoordelingsplicht geldt

artikel 11.6, derde lid, on-

eerste lid, aanhef en on-

(artikel 16.43, eerste lid,

der c, van dit besluit

der a, van de wet)

aanhef en onder b, van de wet)

J11

Stedelijk ontwikkelings-

Niet van toepassing

project met inbegrip van

Aanleg, wijziging of uit-

Het omgevingsplan

breiding

de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen

Of een project, dat voorkomt in Bijlage V bij het Omgevingsbesluit, aanzienlijke milieueffecten heeft, wordt beoordeeld door het bevoegd gezag. Bij de beoordeling houdt het bevoegd gezag rekening met: a. de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn; b. voor zover relevant: de resultaten van eerder uitgevoerde controles of andere beoordelingen van milieueffecten die op grond van verordeningen, richtlijnen en besluiten als bedoeld in artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zijn verkregen. Een initiatiefnemer die voornemens is een project uit te voeren, deelt dit voornemen zo spoedig mogelijk mee aan het bevoegd gezag (artikel 16.45 Omgevingswet). Deze mededeling kan plaatsvinden door middel van een aanmeldnotitie. 4.5.2

Doorwerking projectgebied

Met dit planvoornemen worden woningbouw en commerciële voorzieningen mogelijk gemaakt. Het betreft een stedelijk ontwikkelingsproject. Voor een stedelijk ontwikkelingsproject is een mer-plicht niet van toepassing (zie tabel 4.1, kolom 2). Er is sprake van aanleg, wijziging of uitbreiding, waarvoor een mer-beoordelingsplicht geldt (zie tabel 4.1, kolom 3). Onderzocht is of er aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Hiertoe is een aanmeldnotitie opgesteld. Deze is opgenomen als bijlage 5. Gezien de bevindingen zoals beschreven in de aanmeldnotitie kan worden geconcludeerd dat er, rekening houdend met: •

de kenmerken van het project;

•

de plaats van het project; en

•

de kenmerken van het potentiële effect;

sprake is van minimale effecten. Bij elk project is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden. De potentiële effecten van het project, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het project, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat deze geen aanzienlijke milieueffecten tot gevolg hebben die het doorlopen van een mer-procedure noodzakelijk maken. In de aanmeldnotitie wordt daarom beschreven dat voor de verdere planvorming geen milieueffectrapportage wordt vereist.

4.6

Geluid – wegverkeer

4.6.1

Toetsingskader

Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. De regels in het Bkl over geluid gaan onder andere over het beheersen van geluid door wegen en spoorwegen en de

TAM-omgevingsplan ontwikkeling Windroos blok B

38

bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. Via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit worden geluidsregels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van (spoor)wegen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. Afdeling 3.5 (artikel 3.18 lid 1) van het Bkl voorziet in het toetsingskader/instructieregels omtrent de beheersing van het geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Geluidgevoelige gebouwen Geluidgevoelige gebouwen zijn aangewezen in artikel 3.20 van het Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat bijvoorbeeld een woon-, onderwijs- of zorgfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid op grond van artikel 4.2 van de Omgevingswet.

Dat doet de gemeente vanuit haar taak ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ (ETFAL). Dit kan de gemeente onder andere bereiken door: •

de ordening van locaties van activiteiten ten opzichte van elkaar; hierbij kan worden gedacht aan de afstand tussen een woning en een bedrijf;

•

het stellen van regels aan activiteiten op een locatie; hierbij kan worden gedacht aan normen voor geluidimmissies of preventieve maatregelen.

4.6.2

Onderzoek

Het planvoornemen betreft het realiseren van een appartementencomplex. Volgens artikel 3.21 van het Bkl is er sprake van een geluidsgevoelig gebouw. Dat betekent dat op de gevel van dit gebouw moet worden voldaan aan de toepasselijke geluidregels voor (spoor)wegen. Er is een akoestisch onderzoek verricht naar de te verwachten optredende geluidbelastingen voor het appartementencomplex vanwege wegverkeerslawaai in het kader van het Bkl. Het akoestisch onderzoek is noodzakelijk omdat het plan is gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van de A15, Rembrandtlaan, Thorbeckelaan, Anthonie van Leeuwenhoekstraat, Simon Stevinstraat, Burg. Winklerplein, Jacob Catsstraat, Christiaan Huygensstraat, Professor Lorentzlaan, Nicolaas Beetsstraat en de Savorin Lohmanlaan. Het volledige rapport is opgenomen als bijlage, onderstaand zijn de belangrijkste conclusies opgenomen. Gemeentewegen De geluidbelasting ten gevolge van de gemeentewegen is maximaal 46 dB waarmee deze aan de standaardwaarde voldoet. Het Besluit kwaliteit leefomgeving legt ten gevolge van deze wegen geen restricties op aan het plan. Rijksweg A15 De standaardwaarde wordt wel, maar de grenswaarde wordt niet overschreden. De geluidbelasting ten gevolge van de rijksweg is maximaal 51 dB. De standaardwaarde wordt op verdieping 3 t/m 7 ter plaatse van de noordgevel overschreden.

De gemeente Sliedrecht dient aan de hand van voorliggend onderzoek een

TAM-omgevingsplan ontwikkeling Windroos blok B

39

afweging te maken om het geluid boven de standaardwaarde toe te staan. In de regels van dit omgevingsplan is daarnaast een voorwaardelijke verplichting opgenomen ten aanzien van de hogere grenswaarde voor geluid. In de voorliggende situatie kan als uitgangspunt worden aangedragen dat de appartementen een braakliggend terrein in de kern opvullen. De A15 is al voorzien van 1-laags ZOAB en een 6 meter hoog scherm. Het aanbrengen van een ander stiller wegdek of hoger scherm om de geluidbelasting ten gevolge van de rijksweg terug te dringen is niet financieel doelmatig en stuit tevens op overwegende bezwaren van uitvoerbare en verkeerskundige aard. Het verder naar achteren verplaatsen van de appartementen om de geluidbelasting verder te reduceren is niet doelmatig. Aangezien de appartementen zich al op ca. 500 meter afstand van de rijksweg bevinden, heeft het vergroten van deze afstand binnen het perceel geen significante invloed op de optredende geluidbelastingen. Het plaatsen van scherm is akoestisch niet verder onderzocht. Om de geluidbelasting op de gevel te verlagen is een geheel gesloten scherm benodigd. Een geheel gesloten scherm is in de praktijk niet uitvoerbaar gezien de bebouwing op de perceelsgrens geplaatst wordt. Er is hierdoor geen ruimte op het eigen perceel waarop een scherm geplaatst zou kunnen worden. Ook is dit stedenbouwkundig niet gewenst.

Gecumuleerd geluid De maximale gecumuleerde geluidbelasting is 52 dB. Mede aan de hand van het gecumuleerde geluid kan het bevoegd gezag beoordelen of en in welke mate het verantwoord is de afwegingsruimte boven de standaardwaarde te benutten. Om een beoordeling van het gecumuleerd geluid te kunnen maken zou gebruik gemaakt kunnen worden van de beoordeling geluidkwaliteit gecumuleerd geluid. Binnen deze methode wordt de optredende geluidbelasting ingedeeld in verschillende classificaties. In tabel 4.2 is de methode voor de beoordeling van de geluidkwaliteit van gecumuleerd geluid opgenomen. In figuur 4.1 is per gevel aangegeven welke kwalificatie geldt. Tabel 4.2 Beoordeling geluidkwaliteit gecumuleerd geluid (bron: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Rm190131acA0)

TAM-omgevingsplan ontwikkeling Windroos blok B

40

Figuur 4.1 Beoordeling geluidkwaliteit gecumuleerd geluid (bron: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Rm190131acA0)

Gezamenlijk geluid en Bbl Het gezamenlijk geluid is maximaal 52 dB. Conform het Besluit bouwwerken leefomgeving worden in deze situatie eisen gesteld aan de minimale gevelgeluidwering. Wanneer de standaardwaarde wordt overschreden, moet voor de nieuwe appartementen worden aangetoond welke geluidwerende maatregelen aan de gevel noodzakelijk zijn om te kunnen voldoen aan het gestelde in artikel 4.103 van het Bbl. De minimaal vereiste geluidwering is het verschil tussen het gezamenlijk geluid en 33 dB. In de rapportage is in tabel 4.3 op pagina 14 en 15 de benodigde karakteristieke geluidwering weergegeven. De vereiste karakteristieke geluidwering is voor alle meetpunten 20 dB. Aangezien er op basis van het Bbl sowieso een karakteristieke geluidwering van minimaal 20 dB wordt vereist vormt dit geen belemmering. Invulling geluidbeleid gemeente Sliedrecht Het gemeentelijk geluidbeleid is beschreven in paragraaf 3.4.6. Indien een geluidbelasting hoger dan de standaardwaarde wordt toegestaan, kan door de gemeente aan deze ontheffing aanvullende voorwaardes worden gesteld. In paragraaf 3.7 van de rapportage is het geluidbeleid van de gemeente opgenomen. Het beleid uit 2010 stelt dat ieder appartement dient te beschikken over een geluidluwe gevel en een geluidluwe buitenruimte. In beginsel ligt deze ruimte niet aan de hoogst belaste zijde.

Indien deze wel aan de hoogst belaste zijde ligt mag de maximale optredende waarde hier niet meer dan 5 dB boven de standaardwaarde liggen. Voor de indeling ligt ten minste één slaapkamer niet aan de hoogst belaste zijde. Uit de rekenresultaten blijkt dat enkel ter plaatse van vier appartementen de standaardwaarde wordt overschreden. Het betreft de appartementen op de 6e en 7e verdieping grenzend aan de noordgevel. Deze appartementen beschikken allen over geluidluwe gevels waaraan ten minste één slaapkamer grenst. De appartementen op de 6e verdieping beschikken over een terras aan de hoogst belaste zijde. De geluidbelasting is hier 1 dB hoger dan de standaardwaarde, waarmee voldaan wordt aan de voorwaarden van het geluidbeleid. Voor de locaties waar de standaardwaarde wordt overschreden, is in de regeling van dit TAM-omgevingsplan een toegestane hogere waarde opgenomen die aansluit bij de berekende waarde. De berekende waarden zijn dusdanig dat deze aanvaardbaar worden geacht. De appartementen op de 7e verdieping beschikken over een geluidluwe buitenruimte.

TAM-omgevingsplan ontwikkeling Windroos blok B

41

Op basis van bovenstaande kan conform het geluidbeleid van de gemeente Sliedrecht een geluidbelasting hoger dan de standaardwaarde toestaan. 4.6.3

Conclusie

Vanuit het milieuaspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.7

Luchtkwaliteit

4.7.1

Toetsingskader

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen ter bescherming van de gezondheid staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl (paragraaf 5.1.4.1). Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: •

Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde.

•

Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit.

•

Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.

Aandachtsgebieden De toetsing en monitoring van de luchtkwaliteit vindt plaats in de aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties NO2 en/of PM10. Aandachtsgebieden voor zowel NO2 als PM10 staan vermeld in artikel 5.51, lid 2 van het Bkl. Aandachtsgebieden voor alleen PM10 zijn aangewezen in artikel 5.51, lid 3 van het Bkl. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen (artikel 5.51 Bkl). CIMLK Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering is het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet komen te vervallen. Sinds 1 januari 2023 vervangt het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) het NSL. Middels dit nieuwe instrument kan de luchtkwaliteit berekend en gemonitord worden onder de Omgevingswet. NIBM De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de Rijksomgevingswaarden voor NO2 en PM10 nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.

Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 van het Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en

TAM-omgevingsplan ontwikkeling Windroos blok B

42

snelle manier of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. 4.7.2

Onderzoek

De gemeente Sliedrecht is opgenomen in artikel 5.51, lid 2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), hiermee is Sliedrecht gelegen in een aandachtsgebied voor zowel NO2 en PM10. Er is een luchtkwaliteitsparagraaf opgesteld. Deze is opgenomen als bijlage, onderstaand zijn de belangrijkste conclusies vermeld. Op basis van de verkeersgeneratie is gekeken naar de effecten van het plan op de luchtkwaliteit. Op basis hiervan kan voor het verkeer de volgende berekening worden gemaakt met de NIBM-tool:

De appartementen en commerciële functies op de begane grond worden gasloos uitgevoerd en opgeleverd zonder haard en rookgaskanaal. Er zullen dus geen emissies van stikstof en/of fijn stof worden uitgestoten als gevolg van het stoken van gasgestookte installaties. Het plan is daarmee niet in betekenende mate (NIBM) van invloed op de luchtkwaliteit. Daarnaast blijkt uit onderstaande uitsneden van de kaart van het CIMLK dat de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied aanvaardbaar is, er wordt ruimschoots voldaan aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Hiervoor is een receptorpunt (x= 112982,22; y= 426082,77) gelegen aan de Rembrandtlaan ten zuiden van het plangebied bestudeerd. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het plan aan de Professor Lorentzlaan in Sliedrecht. 4.7.3

Conclusie

Vanuit het milieuaspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.8

Activiteiten en milieuzonering

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 Omgevingswet) is het van belang dat activiteiten met gebruiksruimte en milieugevoelige activiteiten worden toebedeeld in de fysieke leefomgeving. Dit kan in hoofdzaak op twee manieren: •

menging van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het kan en gewenst is;

•

scheiding van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het moet.

Op deze manier wordt zowel voor ruimte voor bedrijvigheid gezorgd als voor het behoud van bescherming van de woon- en leefomgeving.

TAM-omgevingsplan ontwikkeling Windroos blok B

43

4.8.1

Toetsingskader

Activiteiten met gebruiksruimte en bijbehorende regels Activiteiten met gebruiksruimte zijn activiteiten die een bepaalde mate van milieuruimte nodig hebben. Het gaat om activiteiten die aan specifieke locaties worden toegewezen. De regels voor activiteiten met gebruiksruimte beogen de gebruiksruimte van een activiteit specifiek te begrenzen, zodat een activiteit op een specifieke locatie kan worden verricht zonder onaanvaardbare gevolgen een ander toegestane activiteit in dat gebied. De term ‘activiteiten met gebruiksruimte’ is ook van toepassing op activiteiten die het milieu belasten, maar niet specifiek zijn aangewezen in het Bal. Het uitgangspunt is dat alle activiteiten met gebruiksruimte in meer of mindere mate milieu gerelateerde gebruiksruimte nodig hebben en dus belastend kunnen zijn. Overeenkomstig het Bkl is in de handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering 2024’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) alleen het wonen hiervan uitgezonderd. Dat betekent dat wanneer het om wonen gaat, het niet nodig is om te kijken naar de impact van wonen op het milieu bij het bepalen van de ruimte die voor deze activiteit nodig is. Andersom is wonen wel een gevoelige functie waar rekening mee gehouden moet worden bij het toelaten van (andere) milieubelastende activiteiten.

Handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ (oktober 2024) De handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ van de VNG biedt onder de Omgevingswet een nieuwe systematiek van milieuzonering en vervangt daarmee de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ onder de oude wetgeving. De nieuwe systematiek omvat geen koppeling meer van activiteiten aan milieucategorieën per Standaard Bedrijfsindeling code (SBI-code) en de daarbij behorende richtafstanden. In plaats daarvan wordt getoetst aan concrete, juridisch bindende milieuwaarden voor geluid en geur. De systematiek drijft op inwaartse zonering op basis van geluid en geur. Bij de meeste activiteiten is geluid het maatgevende aspect, slechts een enkele activiteit is geurrelevant. De specifieke regels voor geluid en geur in de handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ gelden aanvullend op de standaard gebiedsgerichte regels in het omgevingsplan van gemeenten. 4.8.2

Onderzoek

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient onderzocht te worden of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij het projectgebied. Met het planvoornemen is sprake van een milieugevoelige activiteit, namelijk een appartementencomplex. Er is een beschouwing gedaan van het aspect milieuzonering. De volledige rapportage is opgenomen als bijlage 8. Milieuzonering zorgt voor ruimte voor milieuhinderlijke (bedrijfs-)activiteiten met behoud van bescherming van de woon- en leefomgeving. Hierbij wordt rekening gehouden met: •

de bescherming van een goed woon- en leefklimaat, en

•

het doelmatig benutten van de fysieke leefomgeving door milieuhinderlijke (bedrijfs-) activiteiten.

Bij de beoordeling is gebruik gemaakt van de handreiking Activiteiten en milieuzonering (VNG, oktober 2024).

TAM-omgevingsplan ontwikkeling Windroos blok B

44

Het plangebied is gelegen in een gemengd gebied met wonen. De locatie is gelegen binnen het centrum van Sliedrecht. Uitwaartse zonering In de directe omgeving bevinden zich meerdere winkels en woningen aanwezig. In de beoogde situatie zullen er commerciële functies worden gerealiseerd in de plint van maximaal 585 m2 bruto vloeroppervlak. Dit wordt naar verwachting onderverdeeld in maximaal vijf verschillende units. In de plint zal zowel horeca als detailhandel (geen supermarkt) plaats vinden. Deze functies hebben voor zowel geur als geluid een functie mengende aanduiding. Aangezien het plangebied is gelegen in het centrum van Sliedrecht kan er van een richtafstand van 0 meter worden uitgegaan omdat het hier een gemengd gebied met functie menging betreft. Er wordt voldaan aan de richtafstanden voor de omliggende woningen is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Inwaartse zonering De beoogde woningen vormen een milieugevoelige activiteit. Op basis van het Omgevingsplan zijn de milieuhinderlijke activiteiten in de omgeving bepaald, zie tabel 4.2 en afbeelding 4.1. Hierbij is uit gegaan van een worst-case scenario van een richtafstand van 10 meter bij de aanduiding FM (functiemenging). In figuur 4.2 zijn de richtafstanden uit tabel 4.3 weergeven. De projectlocatie voldoet aan de vaste afstanden.

Er kan dus geconcludeerd worden dat er gesproken kan worden van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Tabel 4.3 Milieuhinderlijke activiteiten omgeving projectgebied

TAM-omgevingsplan ontwikkeling Windroos blok B

45

Figuur 4.2 Richtafstanden inwaarts

4.8.3

Conclusie

Vanuit het milieuaspect activiteiten en milieuzonering is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.9

Omgevingsveiligheid

4.9.1

Toetsingskader

Het aspect omgevingsveiligheid heeft betrekking op de mogelijkheden om een brand, ramp of crisis te voorkomen, te beperken en te bestrijden. Het beschermen van personen in gebouwen en op locaties in de omgeving van risicovolle activiteiten is cruciaal. Daarnaast is het beperken van schade aan de fysieke leefomgeving bij een ongeval van een risicovolle activiteit van groot belang. De algemene regels van het Rijk hiervoor zijn vastgelegd in het Bkl. Kwetsbare gebouwen en locaties In bijlage VI van het Bkl is onderscheid gemaakt in 3 categorieën ‘gebouwen en locaties’ waarvoor de regels bescherming bieden: 1. Zeer kwetsbaar (alleen gebouwen); 2. Kwetsbaar (gebouwen en locaties); 3. Beperkt kwetsbaar (gebouwen en locaties). Bij het bepalen van de kwetsbaarheid wordt gekeken naar het aantal personen dat gelijktijdig aanwezig is, de duur van hun aanwezigheid, en in hoeverre zij zichzelf in veiligheid kunnen brengen bij een incident. De aanwijzing van bovenstaande categorieën 'gebouwen en locaties' staat in bijlage VI van het Bkl.

TAM-omgevingsplan ontwikkeling Windroos blok B

46

Risicobronnen Risicobronnen zijn activiteiten met externe veiligheidsrisico’s. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen die risicobronnen vormen. Het gaat om de volgende soorten activiteiten: •

Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Bal.

•

Het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor.

•

Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal.

•

Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal.

Naast de hierboven genoemde activiteiten die als risicobronnen worden beschouwd, bevat het Bkl ook instructies voor de volgende risicobronnen: •

Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4).

•

Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5).

•

Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5).

•

Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).

Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico moet in acht genomen worden. De grenswaarden voor het plaatsgebonden risico zijn ruimtelijk vertaald naar afstanden tot gebouwen en locaties. Gebouwen en locaties die als (zeer) kwetsbaar worden beschouwd mogen niet binnen de plaatsgebonden risicocontour 10-6-contour van een activiteit vallen. Groepsrisico, aandachtsgebieden en voorschriftengebieden Het groepsrisico gaat over de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied (artikel 5.15, lid 1 Bkl). Er zijn drie typen aandachtsgebieden (artikel 5.12 Bkl): 1. brandaandachtsgebied; 2. explosieaandachtsgebied; 3. gifwolkaandachtsgebied. Voor beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties binnen een aandachtsgebied moet het bevoegd gezag het groepsrisico verantwoorden. 4.9.2

Onderzoek

De externe veiligheidsrisico’s ten gevolge van activiteiten in de directe omgeving dienen te worden geïnventariseerd. Externe veiligheidsrisico’s kunnen ontstaan door het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen en over transportroutes (weg, spoor en water) en het gebruik of de opslag van gevaarlijke stoffen. Er is een beschouwing externe veiligheid uitgevoerd. De volledige rapportage is opgenomen als bijlage 9, onderstaand zijn de belangrijkste conclusies opgenomen. Met de uitwerking van het aspect externe veiligheid wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken.

TAM-omgevingsplan ontwikkeling Windroos blok B

47

Figuur 4.3 Globale ligging plangebied (rode omlijning) ten opzichte van risicobronnen

Ter plaatse van het projectgebied wordt een appartementencomplex gerealiseerd, bestaande uit 55 woningen en maximaal 585 m² commerciële ruimte op de begane grond. In de huidige situatie is het plangebied onbebouwd. Als gevolg van de planvorming nemen de personenaantallen binnen het plangebied toe. Uitgaande van het kengetal voor wonen van 2,4 personen per woning, met een aanwezigheid van 50% in de dag en 100% in de nachtperiode, nemen de personenaantallen toe met 66 personen in de dag- en 132 personen in de nachtperiode. Voor de commerciële ruimte wordt uitgegaan van een gemiddelde gelijktijdige aanwezigheid van 50 personen in zowel de dag- als de nachtperiode. Uit een inventarisatie is gebleken dat het plangebied binnen het aandachtsgebied ligt van enkele bedrijven. De rijksweg A15 is op meer dan 450 meter van het plangebied gelegen en vormt derhalve geen aandachtspunt. In figuur 4.3 is de globale ligging van het plangebied ten opzichte van de risicobronnen weergegeven. Uit de inventarisatie is gebleken dat het plangebied binnen het gifwolkaandachtsgebied van twee bedrijven is gelegen. Onderstaand worden deze bedrijven kort omschreven. Afvalstoffen Terminal Moerdijk B.V. Aan de Vlasweg 12 te Moerdijk is het bedrijf Afvalstoffen Terminal Moerdijk B.V. gelegen.

Binnen dit bedrijf, dat op circa 20 km van het plangebied ligt, worden gevaarlijke stoffen verwijderd en worden verontreinigde stoffen (grond, afvalwater, etc.) verwerkt. Als gevolg van een incident bij dit bedrijf kan een gifwolk ontstaan. Voor ruimtelijke plannen geldt echter een afkapgrens van 1.500 meter, waardoor deze inrichting niet relevant is voor de planvorming.

TAM-omgevingsplan ontwikkeling Windroos blok B

48

Chemours Netherlands B.V. Binnen het bedrijf Chemours Netherlands B.V., gelegen aan de Baanhoekweg 22 te Dordrecht, worden gevaarlijke stoffen opgeslagen en verwerkt. Dit bedrijf ligt op ruim 3 km van het plangebeid. Als gevolg van een incident bij dit bedrijf kan ook hier een gifwolk ontstaan. Voor ruimtelijke plannen geldt echter een afkapgrens van 1.500 meter, waardoor ook deze inrichting niet relevant is voor de planvorming. Uit bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmeringen oplevert voor de planvorming. Initiatiefnemer zal de toekomstige bewoners daarnaast informeren over de ligging binnen een gifwolkaandachtsgebied. Het aspect externe veiligheid hoeft niet verder beschouwd te worden. 4.9.3

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.sliedrecht.nl/api/v1/meetings/1110/documents/14440