Bijlage 2a TOELICHTING BP Fietspad Craijensteijn, Sliedrecht.pdf
Tekst van het document
4.5.2
Broedvogels
Waarnemingen NDFF: diverse struweel-, bos- en watervogels. Verspreidingsgegevens: diverse struweel-, bos- en watervogels. Tijdens het veldonderzoek zijn verschillende broedvogels waargenomen. Dit zijn algemeen voorkomende soorten in Nederland zoals meerkoet, wilde eend, koolmees, merel, tjiftjaf, kauw en stadsduif. Tijdens het veldonderzoek zijn geen nesten van broedvogels waargenomen in het projectgebied. Zowel in de watergangen als in de bomen en in de groenstroken/grasvelden/perken zijn geen nesten waargenomen. In de tuinen bij verschillende huizen zijn nesten voor mezen en andere tuinvogels waargenomen.
rps.nl Ref.: 1905136A02-R19-1065 | 22 november 2019 Pagina 15 van 24
Het projectgebied is geschikt als leefgebied voor verschillende algemene broedvogels. In en langs de watergangen kunnen watervogels, zoals eenden en meerkoeten, broeden en in de groenstroken, bomen en struiken kunnen respectievelijk bos- en struweelvogels tot broeden komen.
4.6
Reptielen
Waarnemingen NDFF: geen beschermde reptielen gemeld. Verspreidingsgegevens: geen beschermde reptielen gemeld. Tijdens het veldonderzoek zijn geen beschermde reptielen waargenomen. Ook zijn geen verblijfplaatsen van reptielen waargenomen zoals broeihopen. Het projectgebied ligt buiten het bekende verspreidingsgebied van soorten zoals ringslang, gladden slang en levendbarende hagedis. Voorkomen van beschermde reptielen wordt uitgesloten.
4.7
Amfibieën
Waarnemingen NDFF: geen beschermde amfibieën gemeld. Verspreidingsgegevens: bruine kikker, meerkikker, kleine watersalamander, rugstreeppad en gewone pad. Tijdens het veldonderzoek zijn geen amfibieën waargenomen. De temperatuur van het water en de lucht was dermate laag dat amfibieën de winterverblijfplaats hebben opgezocht of aan het verkruipen zijn naar de winterverblijfplaats. De watergangen langs de weg zijn geschikt voor verschillende amfibieën, met een smalle oeverbegroeiing en weinig tot geen waterplanten aanwezig. Verder is het projectgebied voor gewone pad geschikt door de aanwezigheid van groenstroken en perken waarin gewone pad kan overwinteren onder de strooisellaag en zich in de grond kan ingraven. Voor zwaar beschermde amfibieën zoals heikikker, poelkikker en kamsalamander is geen geschikt leefgebied aanwezig. Door de afwezigheid van helder en licht stromend water met een kleine sliblaag is het uitgesloten dan zwaar beschermde soorten kunnen voorkomen in het projectgebied. Rugstreeppad In de huidige situatie is het projectgebied niet geschikt als leefgebied voor rugstreeppad. Ten tijde van de uitvoering van graafwerkzaamheden, waarbij goed vergraafbare grond aanwezig is, is het niet uit te sluiten dat rugstreeppad richting het projectgebied trekt.
4.8
Vissen
Waarnemingen NDFF: geen beschermde vissen gemeld. Verspreidingsgegevens: grote modderkuiper. Tijdens het veldonderzoek zijn tiendoornige stekelbaars, driedoornige stekelbaars en snoek gevangen. Dit zijn algemeen in Nederland voorkomende soorten. Beschermde vissoorten zoals grote modderkruiper zijn niet aangetroffen in de watergangen. De watergangen zijn amper tot niet begroeid en er zijn weinig tot geen waterplanten aanwezig. Daarnaast ligt er in de watergangen veel zwerfvuil en organisch materiaal zoals takken en bladeren. Verder zijn verschillende kroossoorten aanwezig. De aanwezige omstandigheden zijn niet geschikt voor beschermde soorten die helder, licht stromend en nutriënten-arm water nodig hebben. Zwaar beschermde soorten worden hierdoor uitgesloten. rps.nl Ref.: 1905136A02-R19-1065 | 22 november 2019 Pagina 16 van 24
Grote modderkruiper Uit verspreidingsgegevens komt naar voren dat het projectgebied binnen het bekende verspreidingsgebied van de grote modderkruiper ligt. Grote modderkruipers komen voor in stilstaande watergangen met een niet stinkende sliblaag van ongeveer 30 centimeter dik. Op meerdere plekken is de sliblaag meer dan 40 centimeter dik. De sliblaag stinkt en er zit veel organisch materiaal en zwerfvuil in. Het water is stilstaand. Daarnaast komen weinig tot geen waterplanten voor en de oeverbegroeiing is minimaal. Gezien het voorgaande wordt aanwezigheid van grote modderkruiper in de watergangen in het projectgebied uitgesloten.
4.9
Ongewervelde diersoorten
Waarnemingen NDFF: geen beschermde ongewervelde diersoorten gemeld. Verspreidingsgegevens: platte schijfhoren. Tijdens het veldonderzoek zijn geen beschermde ongewervelde diersoorten waargenomen. Algemeen voorkomende soorten zoals bootsmannetjes, larven van juffers en libellen en groot koolwitje zijn wel waargenomen. Platte schijfhoren Uit verspreidingsgegevens komt naar voren dat het projectgebied binnen het bekende verspreidingsgebied van de platte schijfhoorn ligt. Platte schijfhoorn komt voor in licht stromend en helder en nutriëntenarm water met veel waterplanten. De watergangen in het projectgebied hebben stilstaand water, zijn troebel en hebben weinig tot geen waterplanten. Waardoor het ongeschikte omstandigheden voor platte schijfhoorn zijn. Hierdoor is het voorkomen van platte schijfhoorn in het projectgebied uitgesloten. Door de afwezigheid van geschikt biotoop en de afwezigheid van geschikte waardplanten wordt het voorkomen van andere beschermde ongewervelde diersoorten ook uitgesloten in het projectgebied.
rps.nl Ref.: 1905136A02-R19-1065 | 22 november 2019 Pagina 17 van 24
5
EFFECTANALYSE
De voorgenomen ruimtelijke ingreep kan effecten hebben op aanwezige beschermde soorten. Indien negatieve effecten aan de orde zijn, zowel op de korte (tijdens de uitvoering) als op de lange termijn (na de uitvoering), zijn zij in dit hoofdstuk beschreven. De soortgroepen grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, vogels, algemene amfibieën en rugstreeppad kunnen van de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten ondervinden. In dit hoofdstuk wordt beschreven welke negatieve effecten dit zijn. In hoofdstuk 6 zijn voorzorgsmaatregelen beschreven om negatieve effecten te voorkomen. De effectanalyse is gebaseerd op de verstrekte globale informatie over de uit te voeren werkzaamheden. Wanneer de uit te voeren werkzaamheden en de uitvoeringsperiode bekend zijn, is een herziening van de effectanalyse aan de orde.
5.1
Grondgebonden zoogdieren
Bij het uitvoeren van de werkzaamheden kunnen grondgebonden zoogdieren tijdelijk negatieve effecten ondervinden. Delen van hun leefgebied worden tijdelijk ongeschikt, dan wel verstoord. Hierbij kunnen voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van algemene muizensoorten, egels en andere algemene grondgebonden zoogdieren vernield of beschadigd raken en individuen worden gedood. Voor deze grondgebonden zoogdieren blijft in de directe omgeving voldoende leefgebied beschikbaar, waar deze ten tijde van de uitvoering naar toe kunnen trekken. Voor algemene grondgebonden zoogdieren geldt een vrijstelling van overtreding van verbodsbepalingen via een provinciale verordening van de provincie Zuid-Holland. Mits voldaan wordt aan het naleven van de zorgplicht, is voor deze soorten een ontheffingsaanvraag niet nodig. Na de werkzaamheden ontstaat een nieuwe situatie waar grondgebonden zoogdieren kunnen voorkomen waardoor op lange termijn geen negatieve effecten verwacht worden op de soortgroep.
5.2
Vleermuizen
Foerageergebied en vaste vliegroutes Het kan niet uitgesloten worden dat vleermuizen de watergangen en bomen gebruiken als vliegroute en foerageergebied. Daarnaast worden er meerdere solitaire bomen verwijderd, het verwijderen van solitaire bomen heeft als negatief effect dat de vleermuizen niet meer rond deze bomen kunnen foerageren. Werkzaamheden die uitgevoerd worden tussen zonsondergang en zonsopkomst in de periode aprilnovember, waarbij bouwverlichting wordt ingezet, kunnen negatieve effecten hebben op foeragerende en langsvliegende vleermuizen. In hoofdstuk 6 zijn voorzorgsmaatregelen beschreven om negatieve effecten op deze soortgroep te voorkomen. Op de lange termijn blijft het projectgebied geschikt als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen.
rps.nl Ref.: 1905136A02-R19-1065 | 22 november 2019 Pagina 18 van 24
5.3
Vogels
Vogelsoorten met jaarrond beschermde voortplantings- of verblijfplaatsen In het projectgebied zijn geen voortplantings- of verblijfplaatsen aangetroffen van vogels met jaarrond beschermde voortplantings- of verblijfplaatsen. Ten tijde van de werkzaamheden is het projectgebied tijdelijk minder geschikt als foerageergebied voor vogelsoorten met jaarrond beschermde voortplantings- of verblijfplaats. In de directe omgeving blijft voldoende foerageergebied beschikbaar, waardoor negatieve effecten niet aan de orde zijn. Op de lange termijn zijn geen negatieve effecten op vogelsoorten met jaarrond beschermde voortplantingsof verblijfplaatsen aan de orde doordat foerageergebied in de nieuwe situatie beschikbaar blijft. Broedvogels Ten tijde van de uitvoering van werkzaamheden is het mogelijk dat broedende vogels aanwezig zijn in het projectgebied en/of in de directe omgeving daarvan. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Deze verbodsbepaling geldt te allen tijde, ongeacht het jaargetijde. Om overtreding van deze verbodsbepaling te voorkomen, dienen voorzorgsmaatregelen te worden genomen (zie hoofdstuk 6). Op de lange termijn zijn geen negatieve effecten op broedvogels aan de orde.
5.4
Amfibieën
Algemene amfibieën De werkzaamheden kunnen negatieve effecten hebben op amfibieën. De mate van verstoring is mede afhankelijk van de uitvoeringsperiode. De kwetsbare perioden betreffen de voortplantingsperiode (maartaugustus) en overwinteringsperiode (november-februari). In de omgeving van het projectgebied is voldoende alternatief leefgebied aanwezig waar volwassen exemplaren tijdens de werkzaamheden kunnen vluchten. Eieren, larven of juveniele zijn niet of minder in staat om weg te vluchten, met het uitvoeren van werkzaamheden kunnen exemplaren hiervan worden gedood. Na de werkzaamheden wordt het leefgebied van de amfibieën verkleind doordat gedeeltes van de watergangen worden gedempt. Desondanks blijft voldoende leefgebied voor de amfibieën na de werkzaamheden over, waardoor op lange termijn geen negatieve effecten verwacht worden op de soortgroep. Voor algemene amfibieën geldt een vrijstelling van overtreding van verbodsbepalingen via een provinciale verordening van de provincie Zuid-Holland. Mits voldaan wordt aan het naleven van de zorgplicht, is voor deze soorten een ontheffingsaanvraag niet nodig. Rugstreeppad Bij aanwezigheid van goed vergraafbare grond voor de werkzaamheden, in de periode mei-september, is het mogelijk dat de rugstreeppad het projectgebied koloniseert.
Bij aanwezigheid van tijdelijke waterplassen kan de rugstreeppad het projectgebied gebruiken voor de voortplanting in de periode mei-september. Het wegnemen/vernielen van eieren en vernielen van voortplantingsplaats of rustplaatsen is niet toegestaan. Voorzorgsmaatregelen (zie hoofdstuk 6) dienen genomen te worden om te voorkomen dat het projectgebied geschikt wordt als voortplantingsbiotoop voor rugstreeppad. In de winterperiode graven rugstreeppadden zich in zandlichamen en zandhopen in waardoor winterverblijfplaatsen van deze soort ontstaan. Het verstoren en afgraven van deze zandlichamen en -hopen kan rps.nl Ref.: 1905136A02-R19-1065 | 22 november 2019 Pagina 19 van 24
negatief effect hebben dat padden verstoord worden tijdens de winterperiode. Daarnaast kan bij afgraven van de hopen padden gedood worden.
5.5
Conclusie effectanalyse
Tabel 5.1 toont een overzicht van de hierboven behandelde beschermde soorten en de effecten van de uitvoering van de werkzaamheden op die soorten. tabel 5.1: aangetroffen en te verwachten beschermde en/of bedreigde flora en fauna.
Soort/soortgroep
Vleermuizen
Beschermingsregime* AS, art 3.10 met/zonder vrijstelling vanuit provinciale verordening HRL, art 3.5
Broedvogels
VRL, art 3.1
Vogelsoorten met jaarrond beschermde voortplantings- of verblijfplaats Algemene amfibieën
VRL, art 3.1
Alg. grondgebonden zoogdieren
AS, art. 3.10 met vrijstelling vanuit provinciale verordening
Overtreding verbodsbepalingen
Vervolgstappen
vernielen voortplantingsplaats of rustplaats en doden van individuen
voorzorgsmaatregelen nemen
verstoring van vliegroutes en foerageergebied bij inzet van bouwverlichting opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels vernielen of beschadigen, of nesten van vogels wegnemen foerageergebied tijdelijk minder beschikbaar, geen overtreding van verbodsbepalingen
voorzorgsmaatregelen nemen ten aanzien van bouwverlichting. voorzorgsmaatregelen nemen ter voorkoming van overtreding verbodsbepalingen
doden van individuen, verstoring voortplanting
voorzorgsmaatregelen nemen
niet van toepassing
rps.nl Ref.: 1905136A02-R19-1065 | 22 november 2019 Pagina 20 van 24
6
VOORZORGSMAATREGELEN
Negatieve effecten op beschermde dieren dienen zo veel mogelijk te worden voorkomen. In dit hoofdstuk zijn de voorzorgsmaatregelen opgenomen ter voorkoming van verstoring of schade aan beschermde natuurwaarden. Het nemen van de onderstaande opgenomen voorzorgsmaatregelen is noodzakelijk om een overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, broedvogels, vissen, algemene amfibieën en rugstreeppad te voorkomen. Omdat beschermde soorten door afwezigheid van geschikt leefgebied en biotoop niet worden verwacht hoeft geen vervolgonderzoek gedaan te worden naar soorten en/of soortgroepen.
6.1
Zorgplicht
Voor alle soorten, ongeacht bescherming via natuurwetgeving of niet, geldt te allen tijde de zorgplicht waarbij eenieder voldoende zorg in acht dient te nemen voor de in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Maatregelen die invulling geven aan de algemene zorgplicht zijn: • Werken in één richting, zodat soorten de kans krijgen te vluchten naar een veilige omgeving. • Kort maaien van de aanwezige land- en watervegetatie (<10 cm) voorafgaand aan de start van de werkzaamheden. Hierdoor wordt beschutting voor broedvogels, algemene amfibieën en algemene grondgebonden zoogdieren tijdelijk weggenomen. Vrijkomend maaisel moet worden afgevoerd of geplaatst buiten het werkterrein. • Werken buiten de kwetsbare periode(n) van de beschermde soort(en). • Wanneer soorten (vissen en amfibieën) dreigen achter te blijven bij eventueel het afdammen, dienen deze weggevangen te worden en teruggeplaatst in geschikte biotopen in de directe omgeving waar geen werkzaamheden (meer) plaatsvinden. Dit dient onder toeziend oog van een ter zake kundige ecoloog te gebeuren. • Om vernietiging van het leefgebied te voorkomen vinden werkzaamheden alleen plaats in de watergangen waaraan of waarin gewerkt dient te worden. In de omliggende watergangen en buiten het ingerichte werkterrein is het niet toegestaan werkzaamheden uit te voeren.
6.2
Broedvogels
Het verstoren van broedende vogels en het wegnemen of vernielen van eieren is niet toegestaan onder de Wet natuurbescherming. Een vaste broedperiode of -seizoen bestaat niet, de periode en duur van het broeden zijn afhankelijk van de vogelsoort en de weersomstandigheden. Om overtreding van de verbodsbepalingen te voorkomen, dienen de volgende voorzorgsmaatregelen te worden nageleefd: • Voorafgaand aan de start van de werkzaamheden moet het terrein gecontroleerd worden op de aanwezigheid van broedende vogels. • Indien broedende vogels aanwezig zijn, zal in overleg met een ter zake kundige ecoloog worden bepaald welke afstand tot de broedlocatie aangehouden moet worden. • Wanneer geen broedende vogels aanwezig zijn, kan het projectgebied ongeschikt worden gemaakt door het verwijderen van de aanwezige vegetatie. • Wanneer verstoring van broedende vogels en wegnemen of vernielen van eieren niet voorkomen kan worden, dient het werk uitgesteld te worden tot de jonge vogels zijn uitgevlogen en het nest niet meer gebruikt wordt. rps.nl Ref.: 1905136A02-R19-1065 | 22 november 2019 Pagina 21 van 24
6.3
Rugstreeppad
Wanneer zanderig terrein met plassen water tijdens de werkzaamheden niet afgeschermd of opgeruimd wordt, is het mogelijk dat de rugstreeppad dit gebied zal bevolken. Het creëren van geschikt voortplantingsgebied kan voorkomen worden door vorming van plassen (regen)water, in de periode mei-september, in het projectgebied te voorkomen. Daarnaast kan voorkomen worden dat rugstreeppad het gebied kan gaan gebruiken door zo min mogelijk tijdens de werkzaamheden zandhopen aan te brengen. Dit zijn voor rugstreeppadden geschikte leefgebied (bijvoorbeeld als overwinteringslocatie). Indien rugstreeppad ten tijde van de uitvoering toch wordt aangetroffen, dienen de werkzaamheden stil te worden gelegd en dient de begeleidende ecoloog aan te geven welke vervolgstappen (met mogelijke ontheffingsaanvraag) moeten worden genomen.
rps.nl Ref.: 1905136A02-R19-1065 | 22 november 2019 Pagina 22 van 24
7
CONCLUSIE
7.1
Conclusies
Ten behoeve van de voorgenomen werkzaamheden langs de weg Craijensteijn in Sliedrecht is een quickscan in het kader van de Wet natuurbescherming uitgevoerd. Uit deze quickscan komt het volgende naar voren: • Beschermde vaatplanten, mossen en korstmossen, reptielen, vissen en ongewervelde diersoorten zijn niet aanwezig of worden in de huidige situatie niet verwacht op basis van het ontbreken van geschikt biotoop. • Beschermde soorten die verwacht worden in het projectgebied zijn verschillende soorten vleermuizen, grondgebonden zoogdieren, algemene amfibieën, rugstreeppad, vogelsoorten met jaarrond beschermde voortplantings- of verblijfplaats en algemene broedvogels. • Projectgebied is ongeschikt voor beschermde soorten zoals poelkikker, heikikker, platte schijfhoorn, grote modderkruiper en noordse woelmuis. • Ten tijde van de uitvoering van grondwerkzaamheden is het mogelijk dat rugstreeppad het projectgebied koloniseert. Dit is aan de orde bij aanwezigheid van goed vergraafbare bodem en aanwezigheid van tijdelijke waterplassen in de periode mei-september. • De geplande werkzaamheden kunnen negatieve effecten hebben op broedende vogels. • Er hoeft geen vervolgonderzoek uitgevoerd te worden in kader van de Wet Natuurbescherming.
• Er wordt geadviseerd om een ecologisch werkprotocol op te stellen waarin wordt aangegeven waar rekening mee gehouden dient te worden tijdens de werkzaamheden om verstoring, vernieling en opzettelijk doden te voorkomen. • Werkzaamheden dienen uitgevoerd te worden zoals beschreven in hoofdstuk 6 om negatieve effecten op algemene grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, algemene amfibieën, rugstreeppad en broedende vogels te voorkomen. Ten aanzien van het project zijn de werkzaamheden en de uitvoeringsperiode nog niet volledig bekend. Wanneer deze informatie wel bekend is, kan een herziening van de effectanalyse aan de orde zijn.
rps.nl Ref.: 1905136A02-R19-1065 | 22 november 2019 Pagina 23 van 24
8
BRONNEN
Geraadpleegde internetpagina’s: • ndff-ecogrid.nl • www.verspreidingsatlas.nl • www.ravon.nl • www.vleermuis.net • www.bij12.nl • www.wilde-planten.nl • www.blwg.nl
rps.nl Ref.: 1905136A02-R19-1065 | 22 november 2019 Pagina 24 van 24
Bijlage 1. Natuurwetgeving Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. Al enige jaren is sprake van decentralisatie op het gebied van de diverse ‘groene taken’. Met de Wet natuurbescherming is de tendens van decentralisatie formeel bekrachtigd en zijn enkele nieuwe instrumenten toegevoegd. De Wet natuurbescherming moet op termijn (2018) opgaan in de Omgevingswet. De bepalingen en instrumenten uit de Wet natuurbescherming zijn hier al (grotendeels) op voorbereid. Het bevoegd gezag gaat over naar de provincie. Ten aanzien van projecten op nationale schaal blijft de Rijksdienst van Ondernemend Nederland bevoegd gezag. Voor de Wet natuurbescherming zijn ten aanzien van de Soortenbescherming twee richtlijnen en een nationaal beschermingsregime van toepassing: • Vogelrichtlijn; • Habitatrichtlijn; • Nationale soorten. Vogelrichtlijn De Vogelrichtlijn is een Europese richtlijn die in 1979 is vastgesteld en is gericht op de bescherming van vogelsoorten binnen de Europese Unie (EU). De richtlijn verplicht de lidstaten tot de instandhouding van de in het wild levende vogelsoorten op hun grondgebied en heeft betrekking op de bescherming van vogels, hun eieren, nesten en leefgebieden.
De richtlijn draagt tevens zorg voor de extra bescherming van broed- en trekvogels die: • met uitsterven worden bedreigd; • gevoelig zijn voor veranderingen in de leefomgeving; • als bijzonder zeldzaam beschouwd worden; • bescherming nodig hebben vanwege de eisen die ze aan hun habitat stellen. Verbodsbepalingen Artikel 3.1 Lid 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Lid 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Lid 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. Lid 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen.
Habitatrichtlijn De Europese Habitatrichtlijn is complementair aan de Vogelrichtlijn en richt zich op de bescherming van bijzondere planten- en diersoorten (uitgezonderd vogels) en hun leefgebieden. Deze richtlijn is inclusief het Verdrag van Bern (bijlage II) en het Verdrag van Bonn (bijlage I). De in de Habitatrichtlijn genoemde maatregelen zijn gericht op: • het behoud van natuurlijke habitat en ecosystemen; • de bescherming van leefgebieden van bepaalde dieren en planten. Met de richtlijn wordt getracht een Europees ecologisch netwerk tot stand te brengen (Natura 2000), zodat migratie van planten- en diersoorten binnen de EU mogelijk wordt gemaakt. In bijlage I van de Habitatrichtlijn wordt de beschermde habitat genoemd. In bijlage II zijn de planten- en diersoorten genoemd, waarvan de habitat beschermd moet worden om deze soorten in stand te houden. Een aantal van deze soorten heeft een prioritaire status, wat inhoudt dat niet alleen de soort, maar ook de leefomgeving hiervan als beschermd beschouwd moet worden. In bijlage IV worden de soorten genoemd die strikte bescherming genieten. Het is verboden deze soorten te doden, te vangen, te verontrusten of hun habitat aan te tasten. Veel soorten uit bijlage IV zijn ook genoemd in bijlage II. Verbodsbepalingen Artikel 3.5 Lid 1.
Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Lid 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Lid 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Lid 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. Lid 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Nationale soorten De nationale soorten betreffen een bescherming van een lijst met zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers (onderdeel A) en planten (onderdeel B). Het betreffende bevoegd gezag stelt in een verordening vast voor welke van deze soorten de verbodsbepalingen onverminderd gelden en voor welke soorten een vrijstelling geldt.
Verbodsbepalingen Artikel 3.10 Lid 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Houtopstanden De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde "houtopstanden").
Het verbod op het geheel of gedeeltelijk vellen van houtopstanden is niet van toepassing op: • Houtopstanden binnen de grenzen van de bebouwde kom; • Houtopstanden op erven of in tuinen; • Fruitbomen en windschermen om boomgaarden; • Naaldbomen, bedoeld om te dienen als kerstbomen, niet ouder dan 20 jaar; • Kweekgoed; • Uit populieren of wilgen bestaande wegbeplantingen, beplantingen langs watergangen en eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; • Dunnen van een houtopstand; • Uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die bedoeld zijn voor de productie van houtige biomassa welke ten minste eens per tien jaar worden geoogst. En bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid als aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan 2 meter en aangelegd na 1 januari 2013. De herplantplicht van houtopstanden geldt niet voor maatregelen ten behoeve van natuurontwikkelingen (in het kader van het halen van instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden en opgelegde mitigatie of compensatie in het kader van vergunningen of ontheffingen) en het creëren of onderhouden van brandgangen. Provincies kunnen vrijstellingsregels of nadere regels voor een ontheffing voor herplantplicht opstellen. Rode lijsten Op Rode lijsten staan soorten die worden bedreigd in hun voortbestaan.
In Nederland is inmiddels voor negen soortgroepen een Rode lijst gepubliceerd in de Staatscourant: • vogels; • dagvlinders; • zoogdieren; • reptielen en amfibieën; • paddenstoelen; • libellen; • krekels en sprinkhanen; • korstmossen; • zoetwatervissen.
De Rode lijsten komen voort uit het Verdrag van Bern. Dit verdrag vraagt bijzondere aandacht voor soorten die met uitsterven worden bedreigd en kwetsbaar zijn. Rode Lijst soorten genieten geen wettelijke bescherming. Provinciale en gemeentelijke overheden en terreinbeherende instanties worden geacht rekening te houden met de Rode lijsten bij het uitvoeren van beheer en het formuleren van beleid.
Bijlage 2. Foto’s projectgebied
Postbus 75 4140 AB Leerdam Prins Mauritsstraat 17
VERKENNEND BODEM- EN WATERBODEMONDERZOEK
4141 JC Leerdam T +31 88 99 04 800
Reconstructie Craijensteijn Sliedrecht
Ref.: NL202005391.003-R20-392 14 mei 2020
Gemeente Sliedrecht
RPS advies- en ingenieursbureau bv
Contactpersoon
De heer W. Allen
Projectleider
F.J.E. van der Sterre
Adres
Industrieweg 11
Projectnummer
NL202005391.003
3361 HJ SLIEDRECHT
Kenmerk Datum
NL202005391.003-R20-392 14 mei 2020
Versie
Definitief
Handtekening
Handtekening
Akkoord
Akkoord
B.O.J.P. van Dongen (auteur)
F.J.E. van der Sterre (controleur/projectleider)
Dit rapport is vertrouwelijk. Geen enkel deel van dit rapport mag aan derden openbaar worden gemaakt zonder schriftelijke toestemming van RPS advies- en ingenieursbureau bv of van de opdrachtgever. Alleen aan het originele complete rapport kunnen rechten worden ontleend. Dit rapport mag UITSLUITEND in zijn geheel worden gereproduceerd.
rps.nl NL202005391.003-R20-392 | 14 mei 2020 Pagina 2 van 25
RPS advies- en ingenieursbureau bv in Leerdam RPS besteedt veel aandacht aan de uitvoering van zijn werkzaamheden en is hiervoor gecertificeerd volgens:
• • • •
NEN-EN-ISO 9001:2008 en ISO 14001:2004
2001 + 2003
VGM Checklist Aannemers (VCA**) BRL SIKB 1000 (Monsterneming voor partijkeuringen grond; protocol 1001) BRL SIKB 2000 (Beoordelingsrichtlijn voor het SIKB-procescertificaat veldwerk bij milieuhygiënisch (water)bodemonderzoek; protocollen 2001, 2002, 2003 en 2018)
•
BRL SIKB 6000 (Beoordelingsrichtlijn milieukundige begeleiding en evaluatie (water)bodemsanering; protocollen 6001 en 6003)
RPS advies- en ingenieursbureau bv is een onafhankelijk adviesbureau. Uitbesteding van werkzaamheden en/of analyses vindt plaats bij gecertificeerde en/of geaccrediteerde bedrijven (ISO 9001:2008, ISO 14001:2004, RvA-Testen en BRL SIKB 1000, 2000, 6000).
rps.nl NL202005391.003-R20-392 | 14 mei 2020 Pagina 3 van 25
INHOUDSOPGAVE 1 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
INLEIDING ..................................................................................................................... 5 Algemeen ....................................................................................................................... 5 Aanleiding ...................................................................................................................... 5 Doelstelling..................................................................................................................... 5 Toegepaste normen ....................................................................................................... 5 Opbouw rapportage ....................................................................................................... 6
2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7
VOORONDERZOEK ..................................................................................................... 7 Ligging locatie en algemene gegevens ......................................................................... 7 Historische gegevens ..................................................................................................... 7 Eerder uitgevoerde bodemonderzoeken ....................................................................... 7 Poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS) .............................................................................. 8 Achtergrondwaarden ...................................................................................................... 8 Geologie en geohydrologie ............................................................................................ 9 Conclusie vooronderzoek .............................................................................................. 9
3 3.1 3.2 3.3
ONDERZOEKSSTRATEGIE ....................................................................................... 10 Hypothesen .................................................................................................................. 10 Onderzoeksopzet veldwerk .......................................................................................... 10 Onderzoeksprogramma chemisch-analytisch onderzoek ............................................ 11
4 4.1 4.2 4.3
RESULTATEN VELDWERK ....................................................................................... 12 Veldwerk ...................................................................................................................... 12 Lokale bodemopbouw .................................................................................................. 12 Zintuiglijke waarnemingen ........................................................................................... 12
5 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5
CHEMISCH-ANALYTISCH ONDERZOEK ................................................................. 13 Samenstelling analysemonsters .................................................................................. 13 Toelichting toetsingskader ........................................................................................... 14 Toetsingsresultaten grondmonsters ............................................................................ 17 Toetsingsresultaten waterbodemmonsters .................................................................. 20 Interpretatie .................................................................................................................. 20
6 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ....................................................................... 23 Conclusies .................................................................................................................... 23 Toetsing hypothese(n) ................................................................................................. 24 Aanbevelingen ............................................................................................................. 24 Hergebruiksmogelijkheden grond ................................................................................ 24 Slotwoord ..................................................................................................................... 25
BIJLAGEN 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.
Tekeningen met boorpunten Boorprofielen Toetsingskader Analysecertificaten Getoetste analyseresultaten Foto’s van de onderzoekslocatie Bodeminformatie OZHZ Herziene handreiking hergebruik grond PFOA ZHZ (13 juni, 2018)
rps.nl NL202005391.003-R20-392 | 14 mei 2020 Pagina 4 van 25
1
INLEIDING
1.1
Algemeen
Dit rapport behandelt het verkennend (water)bodemonderzoek dat RPS advies- en ingenieursbureau bv (RPS) heeft verricht in opdracht van de gemeente Sliedrecht. Het onderzoek is uitgevoerd langs de Craijensteijn in Sliedrecht (gemeente Sliedrecht). Het onderzoek staat bij RPS geregistreerd onder nummer NL202005391.003.
1.2
Aanleiding
Aanleiding van dit bodemonderzoek zijn de voorgenomen ingrepen ten behoeve van de reconstructie van de Craijensteijn in Sliedrecht. Het onderzoek heeft betrekking op onderstaande voorgenomen ingrepen: 1. (Deels) te dempen watergang zuid van de Craijensteijn (circa 500 m1). 2. Wegberm met een lengte van circa 1.100 m1. 3. Nieuwe ‘inham’ tegenover Ambachtsweer (oppervlakte < 10 m2). 4. Nieuwe doorgang (water) noordwesthoek in ‘blok Touwbaan’ met een oppervlakte van <100 m 2. 5. Nieuwe doorgang (water) noordoosthoek in ‘blok Touwbaan’ met een oppervlakte van < 100 m2. 6. Klein deel te dempen watergang tegenover Koningsweer (< 100 m 1).
1.3
Doelstelling
Het doel van het bodemonderzoek (2 t/m 5) is het bepalen van de milieuhygiënische kwaliteit van de boven- en ondergrond ten behoeve van herinrichting van de rijweg en teneinde te bepalen of dit een belemmering vormt voor het voorgenomen grondverzet. Het doel van het waterbodemonderzoek (1+6) is het bepalen van de milieuhygiënische kwaliteit van de baggerspecie en de vaste bodem. Daarnaast worden de afzetmogelijkheden van de vrijkomende baggerspecie bepaald.
1.4
Toegepaste normen
Voorafgaand aan het bodemonderzoek wordt het vooronderzoek uitgevoerd conform de NEN 5725 (Nederlandse Norm: 'Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek', oktober 2017). Voor het waterbodemonderzoek wordt het vooronderzoek uitgevoerd conform de NEN5717: 2017. Het vooronderzoek wordt uitgevoerd voorafgaand aan het feitelijk onderzoek van de (water)bodem (= veld- en laboratoriumonderzoek). Het bodemonderzoek wordt uitgevoerd conform de NEN 5740+A1 (Nederlandse Norm: ‘Bodem Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond’, april 2016). Het waterbodemonderzoek wordt uitgevoerd conform de NEN 5720 (Nederlandse Norm: ‘Bodem – Waterbodem – strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch onderzoek’, december 2017). De veldwerkzaamheden worden uitgevoerd conform de beoordelingsrichtlijn BRL 2000 (beoordelingsrichtlijn voor het SIKB proces-certificaat veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek) met onderliggende protocollen 2001 en 2003.
rps.nl NL202005391.003-R20-392 | 14 mei 2020 Pagina 5 van 25
1.5 •
•
• •
•
Opbouw rapportage In hoofdstuk 2 is een beeld gegeven van de onderzoekslocatie. Aspecten als ligging, terreininrichting en grondgebruik zijn hierbij toegelicht. Tevens is in dit hoofdstuk duidelijk gemaakt welke bodembelastende activiteiten in het verleden hebben plaatsgevonden. Hoofdstuk 3 beschrijft de onderzoeksstrategie. Hierin zijn de hypothesen gesteld en is een toelichting gegeven op het uitgevoerde veldonderzoek, de wijze van monstername en laboratoriumonderzoek. De resultaten van het veldonderzoek zijn weergegeven in hoofdstuk 4. Bodemopbouw, grondwaterstanden en zintuiglijke waarnemingen zijn in dit hoofdstuk behandeld. De samenstelling van de mengmonsters en de resultaten van het laboratoriumonderzoek zijn weergegeven in hoofdstuk 5. In dit hoofdstuk is tevens een interpretatie van deze resultaten gegeven. In hoofdstuk 6 zijn vervolgens conclusies getrokken naar aanleiding van het veld- en laboratoriumonderzoek en zijn aanbevelingen gedaan.
rps.nl NL202005391.003-R20-392 | 14 mei 2020 Pagina 6 van 25
2
VOORONDERZOEK
2.1
Ligging locatie en algemene gegevens
De onderzoekslocatie aan de Craijensteijn ligt in het zuidwesten van Sliedrecht (gemeente Sliedrecht) en grenst aan verpleeginrichting De Merwebolder. Op basis van de door opdrachtgever aangegeven ingrepen zijn de volgende deellocaties te onderscheiden: 1. (Deels) te dempen watergang zuid van de Craijensteijn (circa 500 m1). 2. Wegberm met een lengte van circa 1.100 m1. 3. Nieuwe ‘inham’ tegenover Ambachtsweer (oppervlakte. < 10 m2). 4. Nieuwe doorgang (water) noordwesthoek in ‘blok Touwbaan’ met een oppervlakte van <100 m 2. 5. Nieuwe doorgang (water) noordoosthoek in ‘blok Touwbaan’ met een oppervlakte van < 100 m 2. 6. Klein deel te dempen watergang tegenover Koningsweer (< 100 m1). In bijlage 1 zijn gedetailleerde tekeningen van de (deel)locaties met de boorlocaties opgenomen.
2.2
Historische gegevens
Bij de Omgevingsdienst Zuid-Holland-Zuid (OZHZ) is navraag gedaan naar beschikbare gegevens over de bodemkwaliteit op de onderzoekslocatie en de naastgelegen percelen. Daarnaast is het bodemloket van het gezamenlijk bevoegd gezag Wet bodembescherming (Wbb) geraadpleegd via www.bodemloket.nl. (Bodembedreigende) activiteiten op de locatie Bij de OZHZ zijn geen gegevens bekend over potentieel bodembedreigende (bedrijfs)activiteiten en/of calamiteiten op de locatie. Daarnaast zijn ook geen gegevens bekend over de aanwezigheid van een (ondergrondse) tank op de locatie. Luchtfoto’s en ander kaartmateriaal Op basis van de beschikbare oude luchtfoto’s en kaartmateriaal (via: www.topotijdreis.nl) heeft de onderzoekslocatie lange tijd een agrarische bestemming gehad. Vanaf begin jaren ’80 is de Merwebolder (zorginstelling) zichtbaar. Eind jaren ’80 is de Craijensteijn doorgetrokken en zijn ten noorden hiervan woningen ontwikkeld. Halverwege de jaren ’90 is opnieuw uitbreiding in westelijke richting zichtbaar. Sinds 1995 is de Craijensteijn verbonden/gekoppeld aan de Parallelweg. Nadien zijn er geen noemenswaardige veranderingen zichtbaar op de locatie. Op de meest recente luchtfoto zijn geen verdachte deellocaties aan te merken. Locatie-inspectie Op 2 maart 2020 heeft de heer P.W.
van Vuuren van RPS een locatie-inspectie uitgevoerd ten behoeve van het berm- en waterbodemonderzoek (deellocaties 1, 2 en 6). Deellocatie 2 betreft een wegberm. Wegbermen kunnen als ‘verdacht’ voor bodemverontreiniging worden beschouwd. Op 12 maart 2020 heeft een medewerker van RPS, de heer B. van Dongen een locatie-inspectie uitgevoerd ten behoeve van het bodemonderzoek (deellocatie 3 t/m 5). Tijdens deze locatieinspectie zijn geen bodembedreigende situaties geconstateerd. Op de onderzoekslocatie zijn geen verdachte deellocaties zichtbaar. In bijlage 6 zijn foto’s van de onderzoekslocatie opgenomen.
2.3
Eerder uitgevoerde bodemonderzoeken
Op de te onderzoeken deellocaties is, voor zover bekend bij de OZHZ en het bodemloket, nog niet eerder een (water)bodemonderzoek uitgevoerd. In de directe omgeving, binnen een straal van 25 m, zijn echter wel enkele bodemonderzoeken bekend. De meesten van deze in de directe omgeving bekende onderzoeken zijn ‘sterk’ verouderd (ruim 20 jaar oud) en worden derhalve niet representatief geacht. Uitzondering hierop is het in 2014 uitgevoerde bodemonderzoek ter plaatse rps.nl NL202005391.003-R20-392 | 14 mei 2020 Pagina 7 van 25
van Sporthal Benedeveer aan de Parallelweg in Sliedrecht (dichtstbijzijnde boringen: 02, 03, S01 en S02) (Verkennend onderzoek Benedenveer te Sliedrecht, IDDS, referentie: 2014035844, d.d. 11-112014). Uit de beoordeling van dit onderzoek blijkt dat de locatie licht tot maximaal matig verontreinigd is. De aangetoonde bodemkwaliteit vormt geen bezwaar voor de herinrichting van de locatie ten behoeve van de realisatie van de nieuwe sporthal.
2.4
Poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS)
Poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS) zijn chemische stoffen die van nature niet in het milieu voorkomen. De stofgroep bestaat uit ruim 6.000 stoffen. Hiertoe behoren onder meer de stoffen perfluoroctaanzuur (PFOA), perfluoroctaansulfonaat (PFOS) en HFPO-DA (GenX). PFAS zijn stoffen die door mensen zijn gemaakt vanwege hun specifieke eigenschappen, zoals brandwerendheid en vuil- en waterafstotendheid. Ze worden toegepast in allerlei alledaagse toepassingen, zoals verf, blusschuim, pannen, kleding en cosmetica. Inmiddels worden er al meer dan vijftig jaar producten gemaakt en gebruikt waar PFAS in voorkomt. Door het wijdverbreide gebruik en door emissies en incidenten wordt PFAS in Nederland en breder in Europa, inmiddels niet alleen bij puntbronnen, maar diffuus verspreid in het milieu aangetroffen. In heel Nederland zijn de bovengrond en geroerde bodems verdacht op het (diffuus) voorkomen van PFAS. Bron: tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie en website bodemplus FAQ PFAS
Regionaal beleid In november 2017 is door de OZHZ beleid in werking getreden met betrekking tot de mogelijke aanwezigheid van PFOA (perfluoroctaanzuur) in de (water)bodem van de Drechtsteden en omgeving. Dit als gevolg van de jarenlange uitstoot door de fabriek van Chemours (voorheen Dupont) in Dordrecht. Dit beleid is verder uitgewerkt in de “Herziene handreiking toepassing van PFOA houdende grond Zuid-Holland Zuid” (13 juni, 2018). In bijlage 8 is de herziene handreiking opgenomen. Als gevolg van dit beleid is het vanuit zorgbeginsel niet toegestaan vrijkomende grond en/of baggerspecie zonder (aanvullend) onderzoek opnieuw toe te passen of af te voeren naar een verwerkingslocatie. Dit met het oog op het onbedoeld creëren van nieuwe verontreiniging met PFOA buiten de nu verdachte gebieden. In bijlage 1a van de herziene handreiking is de kaart met de verschillende zones volgens OZHZ opgenomen. De huidige onderzoekslocatie ligt op de verwachtingskaart voor PFOA in de bovengrond in de zone 3 (Kernzone rond Chemoursfabriek). In deze zone worden PFOA gehalten tussen 0 en 120 µg/kg verwacht.
2.5
Achtergrondwaarden
Voor het gebied waarbinnen de onderzoekslocatie ligt is een (interactieve) bodemkwaliteitskaart beschikbaar (Interactieve Bodemkwaliteitskaart OZHZ). Hierin zijn gemiddelde en achtergrondwaarden opgenomen die in het gebied voorkomen. De bovengrond van de locatie valt in zone ‘Wonen’ (maximaal licht verontreinigd) en de ondergrond in zone ‘Achtergrondwaarde’ (niet verontreinigd). Wegbermen zijn echter uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart. De bodemfunctiekaart geeft klasse wonen. In de bodemkwaliteitskaart zijn geen gegevens opgenomen over het voorkomen van PFAS. Wel kan met behulp van de kaarten in de handreiking (verwachtingskaart + toepassingskaart) meer inzicht worden verkregen op de te verwachten hoeveelheid PFOA en waar de vrijgekomen grond opnieuw gebruikt mag worden. rps.nl NL202005391.003-R20-392 | 14 mei 2020 Pagina 8 van 25
2.6
Geologie en geohydrologie
Voor een beschrijving van de regionale bodemopbouw en geohydrologie is gebruikgemaakt van de Grondwaterkaart van Nederland (TNO). Lokale bodemopbouw Voor de lokale bodemopbouw wordt verwezen naar paragraaf 4.2. Geohydrologie Het uitgebreide geohydrologische profiel is in tabel 2.1 weergegeven. Tabel 2.1: geohydrologisch profiel onderzoekslocatie laag
diepte (m-NAP)
bodemsamenstelling
slecht doorlatende deklaag
0 - 27
zandige klei, middel fijn tot uiterst fijn
eerste watervoerend pakket
27 - 37
matig grof t/m matig fijn zand
eerste scheidende laag
37 - 88
zandige klei en uiterst fijn t/m matig grof
zand met kleibrokjes
zand
Grondwater De regionale grondwaterstroming is zuidelijk gericht. Zeer lokaal kan de grondwaterstroming afwijken door verschillen in bodemopbouw of door humane bodemverstorende activiteiten. Op basis van de beschikbare grondwatergegevens kan geen uitspraak worden gedaan of er kwel of inzijging optreedt op de onderzoekslocatie. De onderzoekslocatie ligt niet in een grondwaterbeschermingsgebied. Ook vindt er voor zover bekend in de directe nabijheid geen grondwateronttrekking plaats.
2.7
Conclusie vooronderzoek
Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek zijn concrete aanwijzingen naar voren gekomen dat de onderzoekslocatie of een deel ervan mogelijk (licht) verontreinigd is met één of meer stoffen. De (deel)locaties kunnen als ‘verdacht’ voor bodemverontreiniging worden beschouwd (aangezien de locaties in bebouwd gebied liggen en deels wegbermen betreffen). De bodem en waterbodem is ook verdacht op het homogeen voorkomen van een verontreiniging met PFAS. De verdenking op het voorkomen van PFAS komt voort uit het gestelde in het tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie. Gesteld wordt dat de bovenste circa 1,0 m van alle bodems en/of geroerde bodemlagen in Nederland verdacht zijn op het voorkomen van PFAS.
rps.nl NL202005391.003-R20-392 | 14 mei 2020 Pagina 9 van 25
3
ONDERZOEKSSTRATEGIE
3.1
Hypothesen
Het waterbodemonderzoek heeft betrekking op twee deeltrajecten (1 + 6). Beiden hebben een lengte van minder dan 500 m1. Het waterbodemonderzoek wordt uitgevoerd conform de NEN 5720, strategie: “Lintvormig, normale onderzoeksinspanning”. Het bodemonderzoek heeft betrekking op vier verschillende deellocaties (2 t/m 5). Aangezien de locaties zich bevinden in bebouwd gebied en deels wegbermen betreffen, wordt in alle gevallen de onderzoeksstrategie ‘verdacht heterogeen’ aangehouden, zoals beschreven in de NEN 5740+A1. Op de (deel)locaties is beperkt grondverzet voorzien en hier wordt, in afwijking van de NEN 5740 geen grondwateronderzoek uitgevoerd. De bodem tot 1,0 m-mv is tevens verdacht op het voorkomen van PFAS, inclusief GenX. Voor het onderzoek naar PFAS/GenX kan de strategie VED-HO worden gehanteerd. Conform de strategie VED-HO wordt bemonstering en analyse aangehouden van bovenste 50cm en laag boven grondwater.
3.2
Onderzoeksopzet veldwerk
De conform de gekozen onderzoeksstrategieën uit te voeren werkzaamheden zijn weergegeven in tabel 3.1. De werkzaamheden worden uitgevoerd conform de beoordelingsrichtlijn SIKB 2000 met onderliggende protocollen 2001 en 2003. Bij de monstername wordt extra aandacht geschonken aan kleding en schoeisel. Een en ander teneinde contaminatie van de -monsters met PFAS gerelateerde stoffen te voorkomen. Tabel 3.1: overzicht veldwerkzaamheden (deel)locatie strategie lengte (m1)/ oppervlakte (m2) 1 2 3 4
LN VED-HE-L VEP* VED-HE-NL
< 500 m1 1.100 m1 < 10 m2 < 100 m2
waterbodem Tot 0,5 m in vaste bodem slib+vaste bodem bemonsteren 10 steken -
5
VED-HE-NL
< 100 m2
-
6
LN
< 500 m1
10 steken
landbodem
24x 1,0 m-mv 1x 1,0 m-mv 2x 0,5 m-mv 2x 2,0 m-mv 2x 0,5 m-mv 2x 2,0 m-mv -
*) gezien het beperkte oppervlak, wordt deze strategie aangehouden waarbij één boring voldoende is
In tabel 3.1 is de diepte van de boringen aangegeven in meters beneden het maaiveld (m-mv). Het uitkomende bodemmateriaal wordt zintuiglijk beoordeeld op kleur en samenstelling en gedetailleerd weergegeven in profielbeschrijvingen. Grondmonsters worden genomen uit trajecten van maximaal 50 cm. Zintuiglijk verontreinigde bodemlagen worden apart bemonsterd, zodat gerichte analyse van deze lagen mogelijk is. Tijdens het uitvoeren van de veldwerkzaamheden wordt tevens aandacht besteed aan het voorkomen van asbest en asbestgelijkende materialen in de bodem.
rps.nl NL202005391.003-R20-392 | 14 mei 2020 Pagina 10 van 25
3.3
Onderzoeksprogramma chemisch-analytisch onderzoek
Het conform de gekozen onderzoeksstrategieën uit te voeren laboratoriumonderzoek is weergegeven in tabel 3.2. Naast het ‘standaardpakket bodem’ wordt de grond tevens geanalyseerd op PFAS (28 stoffen, conform de advieslijst Bodem+) en GenX. Ook het standaard waterbodempakket voor regionale wateren (lijst A) wordt aangevuld met de analyses PFAS (28 stoffen, conform de advieslijst Bodem+) en GenX. De analyses worden door een RvA-geaccrediteerd milieulaboratorium uitgevoerd conform de geldende richtlijn. Voor analyses op grond en grondwater geldt het AS3000 (Accreditatieschema 3000). AS3000 beschrijft alle kwaliteitseisen vanaf het moment van monsteroverdracht aan het laboratorium tot en met de analyse en rapportage van het laboratorium. Tabel 3.2: laboratoriumonderzoek (deel)locatie bovengrond (0,0-0,5 m-mv)
ondergrond (0,5-2,0 m-mv)
1
-
-
-
-
2
3
3
3
1
4
1
standaardpakket bodem* standaardpakket bodem* standaardpakket bodem* standaardpakket bodem* -
standaardpakket bodem* standaardpakket bodem* standaardpakket bodem* standaardpakket bodem* -
5
1
6
-
1 1 1 -
(waarvan … op PFAS***/GenX -
2x bovengrond 2x ondergrond@ 1x bovengrond 1x ondergrond@ 1x bovengrond 1x ondergrond@ -
waterbodem 2
-
standaardpakket waterbodem** + PFAS***/GenX -
-
-
-
-
-
-
2
standaardpakket waterbodem** + PFAS***/GenX
*) droge stof, barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink (zware metalen), PAK (10 VROM), minerale olie (GC), polychloorbifenylen (PCB’s - som 7). **) droge stof, organische stof (gloeiverlies), lutum, barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, molybdeen, nikkel en zink (zware metalen), PAK (10 VROM), minerale olie (GC), polychloorbifenylen (PCB’s – som 7). ***) 28 stoffen uit de PFAS-advieslijst handelingskader d.d. 12 juli 2019 (Bodemplus) @ ) tot laag boven grondwater
Van alle grond- en waterbodemmonsters wordt afzonderlijk het gehalte van organisch stof en lutum bepaald.
rps.nl NL202005391.003-R20-392 | 14 mei 2020 Pagina 11 van 25
4
RESULTATEN VELDWERK
4.1
Veldwerk
De boor- en bemonsteringswerkzaamheden ten behoeve van het berm- en waterbodemonderzoek zijn uitgevoerd op 2 maart 2020 door de heer P.W. van Vuuren van RPS. De boor- en bemonsteringswerkzaamheden op de deellocaties 3, 4 en 5 zijn uitgevoerd op 23 maart 2020 door de heer J.T.E. Warring van RPS. De werkzaamheden zijn uitgevoerd overeenkomstig tabel 3.1 en onder Kwalibo-erkenning (certificaat K40562/11). In verband met de uit te voeren (water)bodemonderzoeken op de (deel)locatie(s) is bij het Kadaster Klic een graafmelding uitgevoerd. Voorzorgsmaatregelen met betrekking tot kabels en leidingen waren niet noodzakelijk.
4.2
Lokale bodemopbouw
De lokale bodemopbouw kan als volgt worden gekarakteriseerd: • De bodem van 0,0 m-mv tot circa 1,0 m-mv bestaat over het algemeen uit sterk kleiig veen. • De bodem van circa 1,0 m-mv tot maximaal 2,0 m-mv bestaat afwisselend uit zwak kleiig veen of sterk siltige klei. Het freatisch grondwater is aangetroffen op een diepte van gemiddeld 0,20 m-mv. In bijlage 2 zijn de profielbeschrijvingen als boorstaten opgenomen. Opgemerkt wordt dat voor de lokale bodemopbouw en grondwaterpeil is uitgegaan van deellocaties 3, 4 en 5. En dus niet van deellocatie 2 (=wegberm).
4.3
Zintuiglijke waarnemingen
Tijdens de boor- en bemonsteringswerkzaamheden zijn zintuiglijk geen afwijkingen aan de grond geconstateerd. Op basis hiervan zijn geen directe aanwijzingen gevonden die duiden op eventuele bodemverontreinigingen op de locatie. Tijdens het uitvoeren van de veldwerkzaamheden zijn geen asbest en/of asbestgelijkende materialen in de bodem of op het maaiveld waargenomen. Omdat ook uit de bodeminformatie van de omgevingsdienst geen verontreiniging met asbest naar voren is gekomen gaan wij ervan uit dat de (deel)locaties als niet asbestverdacht kunnen worden aangemerkt.
rps.nl NL202005391.003-R20-392 | 14 mei 2020 Pagina 12 van 25
5
CHEMISCH-ANALYTISCH ONDERZOEK
5.1
Samenstelling analysemonsters
De laboratoriumwerkzaamheden zijn uitgevoerd conform de onderzoeksopzet, weergegeven in tabel 3.2. Gezien de gelijkwaardige bodemopbouw is ervoor gekozen om in afwijking van de strategie VED-HE meer deelmonsters per mengmonster samen te stellen. Dit om te voorkomen dat er een verontreinigings(geval) gemist wordt. Met betrekking tot PFAS is in afwijking van de strategie ‘VED-HO’ bemonstering en analyse aangehouden van bovenste 50 cm en de laag tot 1,0 m-maaiveld. Gezien de gelijkwaardige bodemopbouw (van de laag 0,5 tot 1,0 m-mv) verwachten wij dat dit geen invloed heeft (gehad) op de betrouwbaarheid van de (analyse)resultaten. Daarnaast zijn, in verband met het aangetroffen sterk verhoogde gehalte voor de som 7 PCB in het grondmengmonster BG02, extra analyses uitgevoerd. Het betreft een zogenaamde “uitsplitsing” waarbij de deelmonsters van BG02 individueel geanalyseerd zijn op PCB’s. Ten slotte heeft, in verband met de aangetroffen waarden PFOA (150), een her-analyse plaatsgevonden op de grondmengmonsters MMP4+5-og en OG01 om te verifiëren dat het laboratorium de juiste waardes heeft bepaald. Door het laboratorium worden opmerkingen geplaatst met betrekking tot de aard van de artefacten (‘diverse materialen’) en hoeveelheid aangeleverde monstermateriaal van de aangeleverde monsters.
Wij verwachten dat dit geen invloed heeft (gehad) op de betrouwbaarheid van de analyseresultaten. De samenstelling van de mengmonsters van de boven- en ondergrond en de waterbodemmonsters heeft plaatsgevonden in het laboratorium van Synlab in Hoogvliet. Hierbij is rekening gehouden met de geografische indeling van de onderzoekslocatie, de bodemtypen en informatie zoals weergegeven in hoofdstuk 4. In tabel 5.1 en 5.2 zijn respectievelijk de specificaties voor de grond- en waterbodemmonsters aangegeven. Tabel 5.1: samenstelling grond(meng)monsters nummer nummer diepte (meng)monster boring (m-mv)
analysepakket
onderzoeksdoel
incl. AS3000
deellocatie 2 BG01
01, 02, 07, 17 en
BG02 03-1 04-1 05-1 06-1 08-1 09-1 10-1 11-1 12-1 13-1 BG03 OG01 OG02
OG3
18 03 t/m 06 en 08 t/m 13 03 04 05 06 08 09 10 11 12 13 14, 15, 16, 19 t/m 24 01 t/m 08 09, 13, 15, 16, 19, 20, 21, 23 en 24 10, 11, 12, 14, 17, 18 en 22
0,00 - 0,50 0,00 - 0,55 0,00 - 0,50 0,05 - 0,50 0,00 - 0,50 0,05 - 0,55 0,05 - 0,55 0,05 - 0,55 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,05 - 0,55 0,00 - 0,50 0,00 - 0,55 0,50 - 1,00 0,50 - 1,00
0,50 - 1,00
standaardpakket
bepalen kwaliteit bovengrond (klei)
bodem + PFAS/GenX standaardpakket bepalen kwaliteit bovengrond (zand) bodem + PFAS/GenX PCB’s uitsplitsing mengmonster BG02 PCB’s uitsplitsing mengmonster BG02 PCB’s uitsplitsing mengmonster BG02 PCB’s uitsplitsing mengmonster BG02 PCB’s uitsplitsing mengmonster BG02 PCB’s uitsplitsing mengmonster BG02 PCB’s uitsplitsing mengmonster BG02 PCB’s uitsplitsing mengmonster BG02 PCB’s uitsplitsing mengmonster BG02 PCB’s uitsplitsing mengmonster BG02 standaardpakket bepalen kwaliteit bovengrond (zand) bodem + PFAS/GenX standaardpakket bepalen kwaliteit ondergrond (klei) bodem + PFAS/GenX standaardpakket bepalen kwaliteit ondergrond (zand) bodem + PFAS/GenX standaardpakket bepalen kwaliteit ondergrond (klei) bodem + PFAS/GenX
rps.nl NL202005391.003-R20-392 | 14 mei 2020 Pagina 13 van 25
Vervolg tabel 5.2: samenstelling grond(meng)monsters nummer nummer diepte (meng)monster boring (m-mv) deellocatie 3 MM3-bg 25 0,00 - 0,50 MM3-og
analysepakket
standaardpakket bepalen kwaliteit bovengrond (veen) bodem + PFAS/GenX standaardpakket bepalen kwaliteit ondergrond (veen) bodem + PFAS/GenX
25
0,50 - 1,00
deellocatie 4+5 MM4-bg
26 t/m 29
0,00 - 0,50
MM4-og
28 en 29
1,00 - 2,00
MM5-bg
30 t/m 33
0,00 - 0,50
MM5-og
32 en 33
1,00 - 2,00
MMP4+5-bg
26 t/m 33
0,00 - 0,50
standaardpakket bodem standaardpakket bodem standaardpakket bodem standaardpakket bodem PFAS/GenX
MMP4+5-og
28, 29, 30 en 33
0,50 - 1,00
PFAS/GenX
Tabel 5.2: overzicht waterbodemmonsters nummer samenstelling diepte (meng)monster mengmonster (m-wb) deellocatie 1 MM-SL01tm10 01 t/m 10 0,00 - 1,00 MM-VB01tm10
01 t/m 10
0,63 - 2,07
deellocatie 6 MM-SL11tm20
11 t/m 20
0,00 - 1,00
MM-VB11tm20
11 t/m 20
1,08 - 1,88
5.2
onderzoeksdoel
incl. AS3000
bepalen kwaliteit bovengrond (veen) bepalen kwaliteit ondergrond (veen) bepalen kwaliteit bovengrond (veen) bepalen kwaliteit ondergrond (klei) bepalen concentratie PFAS/GenX in bovengrond bepalen concentratie PFAS/GenX in ondergrond
analysepakket
onderzoeksdoel
incl. AS3000 standaardpakket waterbodem + PFAS/GenX standaardpakket waterbodem + PFAS/GenX
bepalen kwaliteit slib
standaardpakket waterbodem + PFAS/GenX standaardpakket waterbodem + PFAS/GenX
bepalen kwaliteit slib
bepalen kwaliteit vaste bodem
bepalen kwaliteit vaste bodem
Toelichting toetsingskader
Wet bodembescherming Toetsing van de analyseresultaten vindt plaats aan de toetsingswaarden zoals die op 1 juli 2013 van kracht zijn geworden (Circulaire Bodemsanering 2013, Staatscourant 16675, d.d. 27 juni 2013), zie ook ‘Toelichting op het Wbb’ in bijlage 3. De analyseresultaten zijn getoetst met BoToVa (Bodem Toets- en Validatieservice van SIKB-IHW) via de webapplicatie @MIS. Grond In de Wbb wordt onderscheid gemaakt tussen de AW2000-waarde (voorheen: ‘streefwaarde’) en de interventiewaarden. Als actiewaarde (tussenwaarde) voor nader onderzoek geldt ½ maal de interventie- plus de achtergrondwaarde ((AW+I) * ½ ). Hiervoor worden de navolgende coderingen gebruikt in dit rapport: AW2000 T I
= = =
achtergrondwaarde triggerwaarde voor nader onderzoek (voorheen tussenwaarde) interventiewaarde
rps.nl NL202005391.003-R20-392 | 14 mei 2020 Pagina 14 van 25
Dit leidt tot de volgende indeling: • gehalte < AW2000 • gehalte > AW2000 en < T • gehalte > T en < I • gehalte > I
- niet verontreinigd - licht verontreinigd - matig verontreinigd - sterk verontreinigd
Alvorens de analyseresultaten te toetsen worden deze naar standaard bodem omgerekend (organische stof 10% en humus 25%). Voor barium geldt dat per 1 april 2009 wettelijk geen eis meer is vastgesteld. Besluit bodemkwaliteit Toetsing van de analyseresultaten vindt plaats aan de van toepassing zijnde generieke toetsingskaders en normwaarden uit het Besluit bodemkwaliteit (Bbk). Het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) is gebaseerd op een risicobenadering met als uitgangspunt een directe relatie tussen de (chemische) kwaliteit van het gebruik van de bodem. In het Bbk zijn verschillende toepassingsmogelijkheden voor grond en baggerspecie opgenomen met daarbij behorende toetsingskaders. Landbodem (indicatief) De resultaten van het landbodemonderzoek zijn indicatief getoetst aan het generieke toepassingskader voor het toepassen van grond op de landbodem. De toetsing is indicatief omdat de gebruikte onderzoeksinspanning niet overeenkomt met de in het besluit voorgeschreven onderzoeksinspanning voor het hergebruik van grond elders. Waterbodem Voor dit waterbodemonderzoek zijn de volgende toetsingskaders van toepassing: • Toetsingskader voor toepassen van baggerspecie op landbodem. • Toetsingskader voor toepassen van baggerspecie in oppervlaktewater. • Toetsingskader voor het verspreiden van baggerspecie op aangrenzend perceel.
Voor het toetsen van de analyseresultaten aan het Bbk is gebruikgemaakt van het toetsingsprogramma BoToVa. Toetsingskader Per- en Polyfluoralkylstoffen (PFAS) De PFAS zijn in het kader van dit onderzoek getoetst aan zowel de regionaal door de Omgevingsdienst opgestelde normen voor hergebruik als de landelijk geldende normen voor hergebruik. Herziene handreiking toepassing PFOA houdende grond Zuid-Holland-Zuid (OZHZ, 13 juni 2018) De handreiking is van kracht in de regio Zuid-Holland-Zuid en moet gezien worden als tussenstap op weg naar een uiteindelijk op te stellen formeel hergebruiksbeleid, dat door de individuele gemeenteraden in de regio moet worden vastgesteld. Vanuit het zorgplicht beginsel uit de Wbb en het Bbk is het niet toegestaan vrijkomende grond en/of baggerspecie zonder (aanvullend) onderzoek op PFOA opnieuw toe te passen of af te voeren naar een verwerkingslocatie. Dit met het oog op het onbedoeld creëren van nieuwe verontreiniging met PFOA buiten de nu verdachte gebieden. Toepassing of hergebruik van PFOA-houdende grond kan alleen plaatsvinden in zones met een vergelijkbare of hogere concentratie PFOA als de toe te passen grond (stand-still principe). In de