Bijlage 2 - Blaauwberg rapport - Discussienotitie ondernemersfonds Sliedrecht.pdf
Tekst van het document
Voor Sliedrecht spelen verder vier omstandigheden mee:
Er is een VSO-bestuur met een uitgesproken visie op het fonds, in relatie tot de economische visie. En het VSO-bestuur streeft gemeentebrede dynamiek na, met inachtneming van de waarde-opbouw van de afzonderlijke gebieden, maar zonder trekkingsrechten Er zijn drie goed functionerende ‘collectieven’ in winkelgebieden die belangstelling hebben om in Sliedrecht-breed verband op te trekken, tegelijkertijd is er de wens om een beroep op het fonds te kunnen doen voor lange termijnprojecten zoals de revitalisatie van het winkelgebied
Er zijn nog geen gebiedscommissies of verenigingen op de terreinen
De ambitie is om samen verder te komen, niet alleen per gebied. Gebiedsbelangen moeten in het geheel van Sliedrecht zichtbaar worden gemaakt en aangepakt worden, niet als los 22
eiland. De initiatiefnemers willen vanaf het begin voorkomen dat er kolommen ontstaan. Het is dus pionieren. Er zou de komende drie jaar gewerkt kunnen worden met een kwartiermakers periode. We hadden het al over de inzet van ondernemersfondsen om zichzelf periodiek te (laten) evalueren. De inzet voor de eerste evaluatie zou dan zijn om te beoordelen of een fonds bij Sliedrecht past; en om een voorstel aan te dragen voor een meer definitieve governance. Tot die tijd kan met een voorlopige inrichting worden gewerkt. Het fonds wordt zo een echte pilot. Het zou zo kunnen:
1. Een onafhankelijk stichtingsbestuur Er komt een klein stichtingsbestuur dat weliswaar bevoegd is om bestedingen te doen, maarzich concentreert op toezicht en verantwoording. De stichting wordt convenantpartner voorde gemeente en beheert de middelen, inclusief rekening en verantwoording. De stichting houdt toezicht op kwaliteit, transparantie en democratische legitimiteit van de bestedingen. De stichting verschaft tevens de opdracht aan het platform. Het bestuur van de stichting bestaat uit drie onafhankelijke ‘Sliedrechtkenners’ – eventueel van buiten Sliedrecht - die instaat zijn om een pilot te begeleiden
2. Een Platform Ondernemersfonds De huidige stuurgroep wordt een nieuw Platform Ondernemersfonds. In het platform vinden de inhoudelijke discussies plaats. De conclusies van die discussie worden aan het bestuur van het fonds als bestedingsvoorstel aangeboden. In de stuurgroep zit nu al een brede vertegenwoordiging van ondernemersbelangen. Deze kan in de toekomst nog worden uitgebreid met participatie van meer maatschappelijke organisaties. Het platform heeft als doelstelling om zelf plannen te initiëren en ‘bottum-up’ planvorming te stimuleren. De vier prioriteiten uit de Economische Visie worden als rode draad gezien voor de planvorming: Vitale werklocaties en slim ruimtegebruik Innovatie, verduurzaming en digitalisering Arbeidsmarkt en onderwijs Bereikbaarheid Het platform houdt daarbij rekening met de vier prioritaire sectoren uit de Economische Visie: Maritiem-industriële cluster Woonboulevard Zakelijke Dienstverlening Dorpscentrum. Het platform kan desgewenst commissies of werkgroepen instellen die dieper ingaan op een thema, of een specifiek project. Met dit platform is het verband tussen het fonds en de Economische Visie goed geborgd. Rondom de kern van het platform kunnen vertegenwoordigers van gebieden of deelbelangen plaatsnemen. Het platform krijgt verder de volgende opdracht mee: 23
Uitgaan van Sliedrecht brede transparantie en informatie-uitwisseling, daar ook deskundigheid en ondersteuning voor aantrekken en bijeenkomsten voor ondernemers voor organiseren Het ondernemersaandeel in de uitvoering van de Economische Visie zichtbaar maken
Globaal rekening houden met de financiële inbreng van sectoren en gebieden, periodiek inventariseren van lange termijnprojecten in gebieden (revitalisatie of anderszins) die gaan leiden tot een beroep op het fonds, eventuele reserves daarvoor aanleggen
Rekening houden met de bestaande financiële posities in de drie RB-gebieden
Rekening houden met de inhaalslag die nodig is voor ‘schoon, heel en veilig’ op de terreinen
Ook de ‘not for profit’ zichtbaar maken.
Pionierswerk stelt eisen aan creativiteit en gevoeligheid van de deelnemers. Daarom is professionele ondersteuning nodig. Het platform kan beschikken over capaciteit en een werkbudget, bijvoorbeeld voor bijeenkomsten en voor het inhuren van specifieke deskundigheid.
3. Een Adviesraad Het is handig om ook een vorm van interne controle te organiseren (zie 2.5). Het bestuur heeft een vaste gesprekspartner nodig om verantwoording aan af te leggen. Hiervoor wordt een compacte Adviesraad samengesteld. De adviesraad bestaat uit tenminste vertegenwoordigers van de VSO en de drie centrumgebieden. Eventueel aan te vullen met personen uit het maatschappelijke vastgoed (sport, zorg, onderwijs). Het fondsbestuur overlegt periodiek met de Adviesraad (1 à 2 maal per jaar) en draagt verantwoording af over de besluitvorming. De Adviesraad is geen dubbeling met het hiervoor genoemde Platform. Hier vindt geen inhoudelijke besluitvorming over plannen plaats. De belangrijkste functie is een vorm van toezicht, om te voorkomen dat het fondsbestuur te ver van ondernemers komt te staan. De Adviesraad krijgt de bevoegdheid om het bestuur ontslaan als er sprake is van aantoonbaar disfunctioneren. 3.4
Hoe werkt het in de praktijk?
Een voorbeeld van hoe bovenstaande werkwijze in de praktijk kan uitpakken: 1. Binnen het Platform wordt een commissie ‘Bereikbaarheid’ ingesteld. Deze commissie komt met een duurzaam mobiliteitsplan voor de bedrijventerreinen inclusief een overzicht van gewenste investeringen (bv. de inzet van collectief busjesvervoer of deelfietsen). 2. De commissie zendt het plan door naar het Platform. Binnen het Platform word enthousiast gereageerd maar worden ook aanvullende vragen en voorwaarden gesteld. 3. De commissie verduidelijkt de plannen, het Platform accordeert de aanvraag en zendt deze door naar het bestuur. 24
4. Het fondsbestuur beoordeelt de plannen op kwaliteit, democratisch gehalte en transparantie. In de meeste gevallen zullen zich hier geen problemen voordoen, het Platform zorgt al voor een goede filter. Niettemin kunnen er altijd vragen en opmerkingen worden geplaatst die het plan beter maken. Het bestuur bewaakt ook de financiële balans binnen het fonds. Zo zou het in dit geval kunnen opmerken dat er eerder dat jaar al flinke investeringen zijn gedaan voor de terreinen (bv. camerabeveiliging). Geen reden om het initiatief niet door te laten gaan, maar wel goed voor het Platform om in ogenschouw te nemen. Mogelijk dat in het resterende deel van het jaar de focus weer iets meer uitgaat naar retail-belangen. 5. Het bestuur geeft akkoord en verzoekt aan de commissie om de plannen tot uitvoering te brengen. Facturen kunnen worden geadresseerd aan het fonds. Het fondsbestuur ‘checkt’ bij iedere betaling of de commissie hiertoe opdracht heeft gegeven. Het zwaartepunt van de plan- én besluitvorming vindt dus plaats binnen het Platform en de door haar ingestelde werkgroepen of commissies. De toets van het bestuur is een extra kwaliteitswaarborg. Het kan overigens voorkomen dat het fondsbestuur een voorstel afwijst of slechts gedeeltelijk toekent. Er zal in dat geval een duidelijke motivatie worden gegeven voor dat besluit, inclusief mogelijkheden om het plan te verbeteren.
Mocht dit onverhoopt resulteren in een patstelling tussen Platform en fondsbestuur dan kan de Adviesraad een bemiddelende rol spelen en desnoods ingrijpen. Tenslotte, Sliedrecht gaat een spannend experiment aan en er hangt veel af van pionierskwaliteiten en ondernemerschap. Mocht na anderhalf of twee jaar blijken dat deze ambitie te hoog is dan kan alsnog worden teruggevallen op een meer klassieke trekkingsrechtensystematiek. Tot die tijd moet er alle ruimte zijn om van de hooggestemde ambities iets moois te maken dat past bij Sliedrecht.
3.5
De positie van de drie winkelgebieden
Zoals gemeld verkeren de drie winkelgebieden Kerkbuurt, Winklerplein en Woonboulevard in een bijzondere positie, omdat zij via een reclamebelasting al beschikken over een gezamenlijke financiële positie. Winkelgebied Kerkbuurt hanteert een eenheidstarief in de reclamebelasting van 450 euro per reclame voerend pand. Winkelgebied Burgemeester Winklerplein hanteert een tarief van 350 euro. En de Woonboulevard werkt met een staffel: 1000 euro voor winkels met een WOZwaarde tot 2 ton,1500 euro voor winkels met een WOZ-waarde van 2 ton tot 5 ton, 2000 euro voor winkels met een WOZ-waarde van 5 ton tot 1.5 miljoen en 3000 euro voor winkels met een hogere WOZ-waarde. Voor de winkelgebieden rijzen twee vragen op:
De komst van een ondernemersfonds is een ‘doorontwikkeling’: van een geïsoleerd gebied, gaan de winkelgebieden nu acteren in een omgeving die in z’n geheel beschikt over een financiële positie en een netwerk. Hoe kijken de winkelgebieden aan tegen dit vergrootte speelveld? Komt er een einde aan de reclamebelasting omdat in het fonds mogelijk een gebiedsbudget 25
beschikbaar is dat in plaats van de reclamebelasting kan komen? Voor de Woonboulevard zal dat laatste zeker niet het geval zijn, ook niet op termijn. De Woonboulevard heeft een hoog niveau van financiering, dat kan het ondernemersfonds niet overnemen Technisch is het geen probleem om het ondernemersfonds te combineren met een reclamebelasting. Wel is een belangrijk verschil dat de reclamebelasting alleen door de gebruikers wordt opgebracht, terwijl de OZB wordt gedragen door eigenaren en gebruikers gezamenlijk. Winklerplein Het Winklerplein heeft uit de opbrengst van de Reclamebelasting een budget van € 13.000, - en kiest ervoor om die belasting voorlopig te handhaven. Er komt dus enige tijd een samenloop van ondernemersfonds en reclamebelasting. Die samenloop stelt het Winklerplein in staat om een goede basis te legen voor grotere acties. Kerkbuurt De Ondernemersvereniging Kerkbuurt (OVK) Sliedrecht werkt al vier jaar met een collectieve financiering via een reclamebelasting (RB). De opbrengst wordt gegenereerd door een vast tarief van 450 euro per belastingplichtige zaak. De opbrengst bedraagt ongeveer 40.000 euro. De ervaringen met de gezamenlijke aanpak zijn goed. Er is een centrummanager aangesteld, die zorgt voor een professionele promotie en belangenbehartiging en er zijn diverse gezamenlijke activiteiten en evenementen.
Het gezamenlijk optrekken heeft de contacten met de gemeente sterk verbeterd en voor een versnelling van onderhoud van en investeringen in de openbare ruimte gezorgd. De vereniging is blij met de rol van coproducent. De OVK verwelkomt de komst van een gemeentebreed ondernemersfonds van harte. De RB werkt goed voor het winkelgebied, maar de vijver voor ideeënvorming is klein. Er wordt uitgekeken naar de dialoog met andere gebieden in Sliedrecht. De OVK steunt het voorstel om de opinievorming en de besluiten te laten plaatsvinden aan een centrale tafel, waar alle partijen samen komen. Er wordt een flinke prikkel van verwacht om bestedingen te doen die niet alleen voor één gebied, maar ook voor Sliedrecht als geheel een effect hebben. De RB blijft gehandhaafd, omdat de Kerkbuurt een veel grotere financieringsbehoefte heeft dan met het Ondernemersfonds gedekt kan worden. Wel leeft de wens om de RB te beperken tot uitsluitend het kernwinkelgebied (geen aanloopstraten meer). En er is een voorkeur om de systematiek te veranderen. Tot op heden is de RB een vast bedrag per zaak (contributiemodel). De voorkeur is om een staffel te ontwerpen op basis van de WOZ-waarde, met gelijkblijvende opbrengst. Deze aanpak staat bekend als het ‘Veldhovens model’ en is stabiel gebleken. De vastgoedwaarde van het huidige RB-gebied is 28.5 mln.
Als je een opbrengst van 40.000 nastreeft, is een tarief nodig van 140 euro per ton WOZ-waarde (geheel door de gebruiker te betalen). Als het gebied verandert (bijvoorbeeld aanloopstraten ontzien), wordt dat bedrag anders. Kerkbuurt zou nog moeten besluiten over een staffel. Dat valt nader uit te rekenen. Een vraag is nog of de OVK zich kan ontwikkelen tot een vereniging voor het hele centrum van Slierecht. Er zijn overal wel kleine allianties, maar een centrum-breed gezicht kan in de toekomst productief zijn. De OVK is bereid om daarover mee te denken, maar er is geen haast mee.
26
Woonboulevard De woonboulevard heeft al een eigen investeringspositie van ongeveer 90.000 euro per jaar vanuit een gebiedsgerichte reclamebelasting (hierna: RB). De bijdrage van de woonboulevard aan het ondernemersfonds bedraagt naar verwachting 37.000 euro. Deze nevenschikking van getallen maakt direct duidelijk dat het gemeentebrede ondernemersfonds geen vervanging is van de reclamebelasting. De woonboulevard heeft gekozen voor een financieringsniveau dat met het fonds onbereikbaar is. De vraag is wel of de opbrengst van de reclamebelasting omlaag zou kunnen met een bedrag gelijk aan de bijdrage aan het fonds. Er zijn twee redenen om daar terughoudend mee te zijn:
Het zijn twee verschillende stromen. De reclamebelasting wordt geheel gedragen door de gebruikers (huurders) van de woonboulevard. Het aandeel in het ondernemersfonds wordt voor 56% (bijna 21.000) betaald door de eigenaren. De huidige betalers van de RB worden dus maar beperkt extra belast
De ambitie is om gebiedsgerichte belangen aan een gemeentebrede tafel zichtbaar te maken en daar ook allianties en coproductie aan te verbinden. De RB-opbrengst blijft daar buiten (tenzij de woonboulevard daar anders over denkt) en staat tot eigen beschikking voorde woonboulevard. Het aandeel van 37.000 euro in de gemeentebrede pot verbindt de woonboulevard dus met de rest van Sliedrecht en zal ook in collectieve afstemming besteed worden.
Om de plaats van de woonboulevard in relatie tot de rest van ondernemend Sliedrecht te wegen, kunnen we kijken naar de status quo van de woonboulevard. De Economische Visie merkt over de woonboulevard op: “De Woonboulevard Sliedrecht is een van de grootste woonboulevards van Zuid-Holland en als top-8 speler in Nederland een economische factor van betekenis, die echter nog onvoldoende wordt benut. De uitstraling, inrichting en samenhang van de Woonboulevard behoeven opwaardering, zodat het winkelgebied niet alleen zelf aantrekkelijker wordt, maar via diens bovenregionale functie ook een visitekaartje wordt voor Sliedrecht als geheel. Daarmee bestendigen we de positie van de Woonboulevard Sliedrecht als dé primaire woonboulevard voor de regio Zuid-Holland Zuid. Beschikbare instrumenten:
Inzet ondernemersfonds door winkeliersvereniging voor acties, evenementen, promotie encommunicatie Opwaardering openbare ruimte – met name de Leeghwaterstraat, parallel aan de A15 – voor een duidelijkere samenhang van de Woonboulevard en duidelijker onderscheid met het bedrijventerrein Samenwerking tussen ondernemers en gemeente voor de aanpak van prioritaire locaties die de Woonboulevard nu ruimtelijk onderbreken Inzet van de ROM-D bij eventuele bedrijfsverplaatsingen Subsidie provincie Zuid-Holland voor planvorming bedrijventerreinen.”
Dat zijn stevige opgaven. Je bent er niet met wat aankleding, promotie en bewegwijzering. 90.000 of 127.000 euro per jaar maakt in het licht van deze opgaven het verschil niet: er is een speelveld nodig 27
waarop naar meer middelen, grotere plannen en meer betrokkenheid van bovenliggende partijen (zoals de ROM en de Provincie) gestreefd kan worden. Juist daarin voorziet het gemeentebrede ondernemersfonds: dat fonds gaat een tafel bieden waaraan de woonboulevard veel support kan verzamelen. De typering in de economische visie van de woonboulevard als regionaal fenomeen krijgt wellicht nog een extra betekenis. Zoals het er nu naar uit ziet, beschikken vanaf januari 2024 alle Drechtsteden behalve Papendrecht (maar inclusief Dordrecht) over een ondernemersfonds. Dan wordt het reëel om ook over een vorm van ondernemers gedreven belangenbehartiging in regionaal verband te praten, de functie die de Kamer van Koophandel ooit uitoefende. Dat zou een stevige toename van de lobbykracht betekenen. De woonboulevard geeft zelf aan twee doelen na te streven: meer ‘traffic’ en een versnelling van de broodnodige ‘upgrade’. Van gemeentezijde wordt op de parallel met de Kerkbuurt gewezen. De Kerkbuurt heeft cumulatief 150.000 euro aan reclamebelasting opgebracht. De ruwe schatting is dat de gemeente in diezelfde periode 1 miljoen heeft besteed aan onderhoud en verfraaiing van het gebied, een inspanning die mogelijk werd door het organiserend vermogen en het cofinancieren door de winkeliers.
Dit voorbeeld gaat met nadruk niet over investeringen die de gemeente – vanuit de eigen onderhoudstaken of publieke taken – toch al op korte termijn had moeten doen; daar zou geen ondernemerslobby voor nodig moeten zijn. Het ging om het versnellen van investeringen die pas verder in de toekomst vanuit onderhoud noodzakelijk zouden zijn en om de inzet op een veel hoger kwaliteitsniveau. De ervaring van de Kerkbuurt is op nog een andere manier constructief. De relatie tussen winkeliers en gemeente is sinds de gezamenlijkheid van de reclamebelasting flink geïntensiveerd. Tussen woonboulevard en gemeente is relatie nog in opbouw. Voor dit gebied is kennelijk meer nodig dan alleen een eigen financiële positie. Voor de woonboulevard zijn de opgaven en de bedragen groter dan in Kerkbuurt. En daar is ook een groter speelveld voor nodig. Het wordt een zaak van wat langere adem. Professionalisering in het kader van een ondernemersfonds kan bijdragen aan de continuïteit. Overigens is niet gezegd dat de inzet van de woonboulevard in het ondernemersfonds tot ‘traffic’ en ‘upgrading’ beperkt moet blijven. De boulevard kan alles op tafel leggen, van internet tot camera’s, van parkeren tot marketing; zoals alle partijen dat kunnen doen. De vraag is nu niet aan de orde of de woonboulevard de opbrengst van de reclamebelasting aan het fonds toevoegt.
Die opbrengst is een ‘verworven positie’, die gewoon in stand blijft. Mocht de woonboulevard zelf besluiten om vanuit efficiency toch voor integratie van beide geldstromen te kiezen (alles in één rekening en verantwoording), dan kan dat gebeuren met behoud van de autonomie over de RB-opbrengst. 3.6
Reflectie op openbare informatieavond en vervolg
De plannen kunnen niet veel gedetailleerder worden gemaakt dan ze hierboven zijn opgeschreven. Het gaat bij een ondernemersfonds niet om planning, maar om dynamiek. Er zijn nieuwe feiten nodig om die dynamiek te onderbouwen. Je kunt, om een voorbeeld te noemen, pas goed naar bestuursleden gaan zoeken, wanneer duidelijk is dat het fonds er inderdaad gaat komen. 28
De contouren van het plan zijn uitgebreid toegelicht op een openbare informatieavond op dinsdag 27 september 2022. Een groep van circa tachtig ondernemers heeft die avond actief meegepraat over de voornemens van de stuurgroep. De sfeer was constructief-kritisch. De meeste Sliedrechtse ondernemers zien het belang in van collectief optrekken. Er zijn daarbij wel kritische vragen gesteld over de uitvoering. We noemen een aantal vragen die aan de orde zijn geweest en voorzien ze van een compact antwoord.
Waarom zouden we niet werken met trekkingsrechten? Veel fondsen werken met een systematiek van trekkingsrechten, ieder gebied een eigen budget. In Sliedrecht is juist de keuze gemaakt voor meer samenhang. Dus niet vooraf al het fonds opknippen in kleine potjes met geld. Maar opereren vanuit één gemeentebrede tafel waar collectief de plannen worden voorbereid. Dit betekent niet dat er geen ruimte is om aandacht te besteden aan de belangen van een specifiek gebied of sector. Het is zelfs heel goed mogelijk dat de eerste initiatieven van het fonds zeer lokaal gebonden zijn. Denk aan camerabeveiliging op de verschillende bedrijventerreinen. Een groot voordeel is dat er schaal kan worden gemaakt, het wiel hoeft niet telkens opnieuw te worden uitgevonden. En er kan meer maatwerk worden betracht. Je kan het ene jaar meer investeren in winkelgebied x, en het daaropvolgende jaar weer meer doen voor centrum y, al naar gelang de behoefte.
Hoe zorg je er voor dat binnen het fonds geen strijd plaats vindt tussen de verschillende deelbelangen? De inhoudelijke besluitvorming binnen het fonds vindt plaats binnen het Platform Ondernemersfonds (zie 3.3.). Het is in de eerste plaats zaak om te zorgen voor goede vertegenwoordiging van de verschillende belangen binnen deze groep. De stuurgroep gaat in de komende periode een eerste stap maken met de ‘bemensing’ van het platform. Deels zullen dat de huidige stuurgroepleden zijn – want dat is al een brede vertegenwoordiging van het bedrijfsleven – en daarnaast zijn er ook aanvullingen denkbaar. De stuurgroep staat open voor suggesties ter aanvulling van dit platform bijvoorbeeld in de categorie maatschappelijk vastgoed.
Wat als het geld niet opgaat? Binnen het fonds kan gespaard worden, bijvoorbeeld voor een grote uitgave zoals camerabeveiliging of glasvezel. De opgebouwde reserves worden over de jaargrens heen getild, en ‘verdwijnen’ niet naar de gemeentebegroting of iets dergelijks. Anderzijds is het wel zaak om genoeg dynamiek in de bestedingen te houden. Het fonds is er om het lokale vestigingsklimaat te stimuleren, niet om geld op te potten. De ervaring in andere fondsen is overigens dat er genoeg bestedingsdoelen zijn. Alleen al op het thema ‘energietransitie’ is de opgave dermate groot dat het eerder oppassen is dat het budget niet halverwege het jaar al is opgesoupeerd. De langer bestaande fondsen moeten steeds kritischer kijken naar hun bestedingspatroon. Nieuwe fondsen hebben natuurlijk wel 29
enige tijd nodig om op gang te komen, en dat zal ook in Sliedrecht het geval zijn. In de evaluatie kan worden beoordeeld of er genoeg bestedingen plaatsvinden, en eventueel kan dat leiden tot een ander tariefverzoek aan de gemeente (omlaag of omhoog).
Wat gebeurt er met de Reclamebelasting? De winkeliersverenigingen zijn intensief betrokken bij het traject om te komen tot een gemeentebreed fonds. De besturen erkennen de noodzaak om meer met elkaar op te trekken en samenhang te betrachten. Het fonds biedt hen de mogelijkheden om dat overleg te voeren en plannen te financieren die de hele retail (en heel Sliedrecht) ten goede komen. Denk aan gezamenlijke promotie en regiomarketing. Het fonds wordt als een toevoeging van de infrastructuur gezien, niet als een vervanging van. Een voordeel is daarbij dat de eigenaren gaan meebetalen, wat met de Reclamebelasting niet mogelijk is. De wens is om de Reclamebelasting te continueren zodat de gebieden blijven beschikken over een eigen gebiedsbudget. Als bijvangst van dit onderzoek kijken de besturen nog eens naar de technische inrichting van de Reclamebelasting. Zo oriënteert de Kerkbuurt zich op een doorontwikkeling van een RB als eenheidstarief naar een RB op woz-basis (‘het Veldhovens model’). Die insteek zal leiden tot een gelijkmatigere spreiding van de lasten.
Hoe gaat het in de praktijk werken als ik een plan heb? We hebben op basis van deze vraag paragraaf 3.4 toegevoegd. Ondernemers zijn zeer welkom om hun plannen in te dienen, zij kunnen zich daarvoor melden bij het Platform Ondernemersfonds.
Wat is het voordeel voor ondernemers buiten de winkelcentra en de bedrijventerreinen? Eén van de redenen om te werken met een gemeentebreed budget is mede ingegeven door de belangen van de ‘verspreide bedrijvigheid’. Deze bedrijven hebben minder baat bij specifieke acties in de gebieden maar hebben wel degelijk gedeelde belangen op overkoepelende thema’s zoals bereikbaarheid, energietransitie, arbeidsmarkt, contact met onderwijs, kennis en kunde, et cetera. Die thema’s kunnen met veel meer daadkracht worden opgepakt aan een gemeentebrede tafel. En door niet te werken met harde trekkingsrechten voorkomen we ook dat de verspreide bedrijven als ‘restcategorie’ tussen wal en schip vallen.
Hoe nu verder? Op hoofdlijnen ziet het vervolg er als volgt uit. 1. Aanbieding van de plannen – inclusief het formele verzoek aan college en raad om het ondernemersfonds mogelijk te maken – in oktober. 2. September-december 2022: politieke dialoog met college en raad. Van ondernemerskant wordt dit gesprek gevoerd door de stuurgroep 3. Formeel is het fonds afhankelijk van de vaststelling van de belastingtarieven voor 2023. Dat gebeurt in de laatste raadsvergadering van het jaar 4. Direct na het raadsbesluit kan begonnen worden met het opstellen van de statuten van de Stichting Ondernemersfonds Sliedrecht, het samenstellen van een oprichtingsbestuur en de 30
gang naar de notaris. Hoewel er budget is vanaf 1 januari 2023, kan het inregelen van de stichting nog even duren. De stuurgroep blijft in positie tot er een bevoegd bestuur van de stichting is en tot de contouren van een convenant zichtbaar zijn. In het convenant regelen gemeente en stichting hun onderlinge verhouding, inclusief bepalingen over bevoorschotting van het fonds. Het convenant is plaatsvervangend voor de gemeentelijke subsidieverordening. Van ondernemerskant tekent het bestuur van het fonds het convenant 5. Het bestuur van het convenant regelt de btw-positie en opent een bankrekening. Als het vlot gaat, kan de stichting in maart 2023 operationeel zijn.
3.7
Wat vragen we precies aan college en raad?
In de achterliggende pagina’s hebben we een afwegingskader en een voorlopig voorstel geformuleerd dat vooral door de ondernemers moet worden ingevuld. De begintijd van een fonds is altijd een pioniersperiode. Dan komt het op creativiteit aan. Later wordt een fonds zeker ook een gemaksarrangement, al is het zaak altijd alert te blijven op de vraag of de agenda nog klopt, of er voldoende dynamiek is, of de tevredenheid van gebruikers van het fonds voldoende is, of de gebiedsindeling nog klopt. Allemaal zaken voor het gesprek van ondernemers onder elkaar. De rol van de gemeente is beperkt, maar cruciaal. We hebben twee soorten vragen aan de gemeente: immateriële of politieke vragen en materiele of formele vragen. De politieke vragen komen in het politieke discours aan de orde, de formele vragen moeten uiteindelijk in besluittekst terecht komen. Na alle voorgaande tekst kunnen we over beiden kort zijn. Eerst de politieke vragen. Een ondernemersfonds is een gezamenlijke financiële positie van ondernemers, maar het is ook een nieuw stuk ‘civil society’, een maatschappelijk platform, dat kan bestaan op basis van een herenakkoord tussen politiek en initiatiefnemers. Wij vragen aan de Sliedrechtse politiek of het initiatief voor het ondernemersfonds gewaardeerd wordt als een experiment in participatie, ondernemerszelfbestuur en verantwoordelijkheid van ondernemers voor hun omgeving.
Wij vragen ook instemming met de uitgangspunten van non-interventie en non-substitutie. Het is volkomen duidelijk dat het fonds gevoed wordt met publiek geld, dat alleen al daarom college en raad het recht hebben om desgewenst gedetailleerd geïnformeerd te zijn over de bestedingen en ten principale ook kunnen ingrijpen, wanneer problemen daar aanleiding toe zijn. Maar met behoud van deze wettelijke mogelijkheid, is het welslagen van het experiment gediend met abstinentie van de overheid. De ondernemers moeten zelf hun instrument opbouwen. Daar kan hartelijk bij worden samengewerkt met de gemeente, maar de verhouding moet er een zijn van intervisie, niet van supervisie. Het signaal dat de ondernemers te vertrouwen zijn, iets gaan toevoegen aan de stabiliteit en de kwaliteit van het vestigingsklimaat en zich toerusten om een goed gesprekspartnerschap met de overheid aan te gaan, is net zo belangrijk voor een fonds als de feitelijke OZB-heffing en subsidieverlening. 31
Dan de materiele of formele vragen. Puntsgewijs:
We verzoeken college en raad om de geprognosticeerde OZB-opbrengst voor de categorie nietwoningen voor 2023 te verhogen met 75 euro per ton WOZ-waarde, in het tarievenbesluit voor 2023 We verzoeken deze meeropbrengst in 2023 te herberekenen tot een percentage van de totale opbrengst en dat percentage voor de jaren 2024 en verder vast te leggen, zodat de voeding van het fonds automatisch geïndexeerd is We verzoeken college en raad in te stemmen met de oprichting van een Stichting Ondernemersfonds Sliedrecht en deze stichting als contractpartner te beschouwen We verzoeken akkoord te gaan met het regelen van de verhoudingen tussen gemeente en fonds in een convenant, plaatsvervangend voor de subsidieverordening We verzoeken akkoord te gaan met een pilotperiode van vier jaar, waarna aan de hand van een door het fonds zelf te initiëren evaluatie besloten wordt over de verdere toekomst.
32