Bijlage 1A Verordening Werk en Inkomen Sliedrecht 2024.pdf
Tekst van het document
Hoofdstuk 4 Handhaving Artikel 4.1 Fraudepreventie en oneigenlijk gebruik Het college voert een actief preventiebeleid ten aanzien van oneigenlijk gebruik. Onderdeel daarvan is de wijze waarop het college belanghebbenden informeert over de rechten en plichten die aan het ontvangen van bijstand, uitkering of een re-integratievoorziening zijn verbonden en over de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik. Ter controle van het beroep op bijstand of uitkering wordt onder meer gebruik gemaakt van bestandsvergelijking met actuele gegevens en van de samenloopsignalen die daaruit voortkomen. Artikel 4.2 Controle 1. Het college doet stelselmatig onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand of uitkering en kan daarbij onder meer gebruikmaken van huisbezoeken, bestandsvergelijkingen en de samenloopsignalen die daaruit voortkomen. Het college onderzoekt daarnaast overige signalen en tips die relevant zijn voor het recht op bijstand, inkomensvoorziening of uitkering.
2. Het college doet onderzoek naar de reden van de beëindiging van de uitkering en neemt op basis daarvan besluiten met betrekking tot de rechtmatigheid van de uitkering en de wederzijds tussen het college en de belanghebbende resterende verplichtingen en de afhandeling daarvan. 3. De onderzoeken als bedoeld in het eerste en tweede lid kunnen ook uitgevoerd worden met betrekking tot het gebruik van een re-integratievoorziening. Artikel 4.3 Afhandeling geconstateerd oneigenlijk gebruik 1. Het college legt, overeenkomstig de wet, een boete op aan en vordert de eventueel ten onrechte ontvangen bijstand terug van de belanghebbende die onjuiste, onvolledige of in het geheel geen inlichtingen verstrekt die van belang zijn of kunnen zijn voor de hoogte, de duur of de voortzetting van de bijstand of uitkering. 2. Indien een gedraging van belanghebbende als bedoeld in lid 1 leidt tot een dusdanige benadeling, dat hiervoor, overeenkomstig de Aanwijzing Sociale Zekerheidsfraude, aangifte bij het Openbaar Ministerie aan de orde is, worden de bevindingen van het onderzoek naar het Openbaar Ministerie gezonden. Artikel 4.4 [vervallen] Artikel 4.5 Nadere regels Ten aanzien van het bepaalde in dit hoofdstuk kan het college nadere regels stellen.
Hoofdstuk 5 Cliëntenparticipatie Artikel 5.1 Regionale Adviesraad Sociaal Drechtsteden 1. Er is een adviesraad die adviseert aan het college en de gemeenteraad over het beleid betreffende de Participatiewet, algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen. 2. De adviesraad is vertegenwoordigd in de Regionale Adviesraad Sociaal. Artikel 5.2 Taken Regionale Adviesraad Sociaal Drechtsteden 1. De Regionale Adviesraad Sociaal adviseert het Dagelijks Bestuur en het Algemeen Bestuur gevraagd en ongevraagd: a. over alle onderwerpen die het beleid, de uitvoering, de controle, de evaluatie, de dienstverlening en kwaliteit betreffen met betrekking tot het sociaal domein op het gebied van werk en inkomen; onder beleid wordt in dit verband verstaan: verordeningen en beleidsplannen, nadere regels en beleidsregels die regionaal door de GRS worden uitgevoerd. b. bij het ontwikkelen en aanpassen van de informatievoorziening aan de cliënt, zoals voorlichtingsmateriaal. 2. De Regionale Adviesraad Sociaal krijgt tijdig en op verzoek alle informatie die het voor de uitoefening van haar taken nodig heeft. 3. Een advies van de Regionale Adviesraad Sociaal wordt via de directie voor de eerstvolgende, uiterlijk de daaropvolgende vergadering van het Dagelijks Bestuur of Algemeen Bestuur uitgebracht. 4.
Wanneer de directie, het Dagelijks Bestuur of het Algemeen Bestuur afwijkt van het advies van de Regionale Adviesraad Sociaal, wordt dit bij het definitieve voorstel vermeld. 5. De Regionale Adviesraad Sociaal ontvangt op ieder advies een schriftelijke en gemotiveerde reactie van het Dagelijks Bestuur of Algemeen Bestuur.
6. De Regionale Adviesraad Sociaal kan ter uitvoering van haar taken een beroep doen op de deskundigheid bij de Sociale Dienst Drechtsteden, zelfstandig onderzoeken doen of laten doen, interne en externe deskundigen raadplegen, werkgroepen instellen waarin ook niet-leden kunnen deelnemen en activiteiten ontplooien om de betrokkenheid van cliënten te bevorderen. 7. Tot in het eerste lid genoemde onderwerpen horen niet klachten, bezwaarschriften en andere zaken die op individuele cliënten betrekking hebben. 8. De Regionale Adviesraad Sociaal adviseert evenmin over de uitvoering van wettelijke voorschriften voor zover bij de uitvoering geen ruimte is gelaten voor gemeentelijk beleid. Artikel 5.3 Samenstelling 1. De Regionale Adviesraad Sociaal bestaat uit de onafhankelijke voorzitter en minimaal 6 leden en maximaal 12 leden, met ten minste leden uit de lokale cliëntenraden, waarbij iedere lokale cliëntenraad van de Drechtstedengemeenten één lid afvaardigt. Die leden kunnen worden aangevuld met ervaringsdeskundigen. 2.
Van het lidmaatschap en voorzitterschap van de Regionale Adviesraad Sociaal zijn uitgesloten raadsleden van de Drechtstedengemeenten, medewerkers van het Openbaar Lichaam Sociaal, medewerkers van de daarbij aangesloten gemeenten, leden van het Dagelijks Bestuur, leden van het Algemeen Bestuur en personen die op andere wijze bij het bestuur van het Openbaar Lichaam Sociaal of de Drechtstedengemeenten zijn betrokken. 3. Leden van de Regionale Adviesraad Sociaal die in een traject in het kader van arbeidsinschakeling ingevolge de wet, de Wsw, de lOAZ, of de IOAW zitten, of daar in geplaatst worden tijdens hun lidmaatschap, krijgen de gelegenheid dit traject te combineren met een volwaardig lidmaatschap van de cliëntenraad. Bij de inrichting van het traject wordt daarmee rekening gehouden. 4. Voor de leden kunnen plaatsvervangers worden aangewezen. 5. Het Algemeen Bestuur benoemt op basis van een zwaarwegende voordracht van de Regionale Adviesraad Sociaal de leden van de Regionale cliëntenraad. Artikel 5.4 Reglement Het Algemeen Bestuur stelt, onverminderd de artikelen 5.3 en 5.4 een nader reglement voor de Regionale Adviesraad Sociaal
Hoofdstuk 6 Slotbepalingen Artikel 6: Overgangsrecht 1. De Verordening werk en inkomen Sliedrecht vastgesteld op 8 februari 2022 wordt ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van deze verordening per 1 januari 2025. 2. Aanvragen die zijn ingediend vóór inwerkingtreding van deze verordening en waarop nog geen besluit is genomen ten tijde van de inwerkingtreding van deze verordening, worden afgehandeld op grond van deze verordening. 3. Bezwaarschriften die zijn ingediend tegen besluiten genomen op grond van de voorgaande versie van deze Verordening, worden afgehandeld op grond van die eerdere versie van de Verordening Artikel 7 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking per 1 januari 2025, met uitzondering van artikel 2.9 lid 6 en artikel 2.27 lid 1. Deze treden vanaf 1 juli 2024 in werking. Artikel 8 Citeertitel Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als Verordening werk en inkomen Sliedrecht 2024
Vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Sliedrecht op 10 december 2024 De griffier,
De voorzitter,
mr. R.P.A. van Aalst
mr. drs. J.M. de Vries