Bijlage 1. Statuten Stichting OPOPS.pdf
Tekst van het document
Statuten Stichting OPOPS STATUTENWIJZIGING Ter uitvoering van het besluit worden de statuten geheel gewijzigd en luiden zij met ingang van een januari tweeduizend twintig als volgt: ARTIKEL 1. BEGRIPSBEPALINGEN In deze statuten wordt verstaan onder: a. gemeenteraad: de gemeenteraden van de gemeenten Papendrecht, Sliedrecht b. het college van bestuur: het bestuur van de stichting; c. de raad van toezicht: de interne toezichthouder van de stichting; d. de stichting: Stichting Openbaar Primair Onderwijs Papendrecht en Sliedrecht e. de scholen: de scholen ressorterend onder de stichting f. de Wet: de Wet op het primair onderwijs (WPO); g. bevoegd gezag: het bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1 van de Wet, zijnde de stichting; h. leidinggevende: de functionaris die belast is met de leiding van één of meerdere scholen van de stichting als bedoeld in artikel 29 lid 1 van de WPO; i. het directieberaad: adviserend overleg van het college van bestuur met de leidinggevenden van de scholen; j. (G)MR: de (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad van de stichting; k. MR een medezeggenschapsraad die is verbonden aan een school; l. l schriftelijk: bij brief, telefax of e-mail, of bij boodschap die via een ander gangbaar communicatiemiddel wordt overgebracht en op schrift kan worden ontvangen; m.
CAO-PO: collectieve arbeidsovereenkomst voor leidinggevenden en overige medewerkers het primair onderwijs of een daarvoor in de plaats gekomen regeling; n. CAO bestuurders PO: de collectieve arbeidsovereenkomst gericht op bestuurders in het primair onderwijs of een daarvoor in de plaats gekomen regeling. ARTIKEL 2. NAAM EN ZETEL 1. De stichting draagt de naam: Stichting Openbaar Primair Onderwijs Papendrecht en Sliedrecht 2. De stichting heeft zijn zetel in de gemeente Papendrecht. 3. De stichting is opgericht voor onbepaalde tijd. ARTIKEL 3. DOEL EN MIDDELEN 1. Het doel van de stichting is het in stand houden en het geven van openbaar onderwijs in de school casu quo scholen die onder haar gezag vallen met inachtneming van artikel 46 van de Wet. 2. Om het doel te verwezenlijken kan de stichting gebruik maken van alle middelen die daaraan dienstbaar zijn. 3. De stichting ziet erop toe, dat in de scholen onderwijs wordt gegeven overeenkomstig de wettelijke verplichtingen en in overeenstemming met de doelstellingen van het openbaar onderwijs. 4.
De stichting ziet erop toe, dat het openbaar onderwijs dat wordt verzorgd door de stichting in stand gehouden scholen, bijdraagt aan de ontwikkeling van de leerlingen met aandacht voor de godsdienstige, levensbeschouwelijke en maatschappelijke waarden zoals die leven in de Nederlandse samenleving en met onderkenning van de betekenis van de verscheidenheid van die waarden. De
door de stichting in stand gehouden openbare scholen zijn toegankelijk voor alle kinderen zonder onderscheid van godsdienst en levensovertuiging. 5. Het onderwijs wordt gegeven met eerbiediging van ieders godsdienst of levensbeschouwing. 6. De stichting heeft tot doel een zo hoog mogelijk kwaliteitsniveau van de scholen in breedste zin te bevorderen, zodat het onderwijs zo goed mogelijk aansluit bij de ontwikkeling van de kinderen en het voortgezet onderwijs. ARTIKEL 4. BEVOEGD GEZAG De stichting oefent alle taken en bevoegdheden uit die ingevolge de Wet berusten bij het bevoegd gezag. ARTIKEL 5. ORGANISATIE VAN DE STICHTING 1. De stichting wordt bestuurd door het college van bestuur, bestaande uit een door de raad van toezicht te bepalen aantal van maximaal twee natuurlijke personen. 2. De stichting kent een raad van toezicht, die toezicht houdt op het beleid van het college van bestuur, het functioneren van het college van bestuur en de algemene gang van zaken binnen de stichting. 3. Ten aanzien van elke door de stichting in stand gehouden school stelt het bestuur een leidinggevende aan als bedoeld in de Wet. ARTIKEL 6. BESTUUR; BENOEMING, SCHORSING EN ONTSLAG, BELET EN ONTSTENTENIS 1. De leden van het college van bestuur worden benoemd door de raad van toezicht voor de periode gedurende welke hun aanstelling bij de stichting van kracht is.
De raad van toezicht benoemt de voorzitter van het college van bestuur. Indien het college van bestuur slechts uit een persoon bestaat, is deze persoon automatisch voorzitter. 2. De leden van het college van bestuur zullen hun werkzaamheden voor de stichting verrichten op basis van een aanstelling, waarbij de aanstellingsvoorwaarden worden vastgesteld door de raad van toezicht, met inachtneming van hetgeen bepaald in CAO bestuurders PO. De uit de aanstellingsvoorwaarden voortvloeiende hoogte van de bezoldiging en onkostenvergoedingen worden in de jaarrekening verantwoord. 3. Bij de samenstelling van het college van bestuur wordt, onverminderd het in de volgende leden bepaalde, gelet op de diverse facetten die de aandacht van het college van bestuur vragen, waarbij het college van bestuur in ieder geval wordt samengesteld op basis van algemene bestuurlijke kwaliteiten, affiniteit met de doelstelling van de stichting en met een spreiding van deskundigheden en achtergronden. De aandachtspunten met betrekking tot gevraagde deskundigheid binnen het college van bestuur worden in algemene zin vastgesteld door de raad van toezicht in een profielschets.
De raad van toezicht kan – indien overgegaan moet worden tot de vervulling van een vacature – besluiten tot een aanvulling dan wel een nadere detaillering van de vereiste kwaliteiten en eigenschappen voor de betreffende zetel in het college van bestuur. 4. De benoeming van een lid van het college van bestuur gebeurt op basis van een vooraf openbaar gemaakt profiel. Voor het benoemen van een bestuurder wordt een sollicitatiecommissie ingesteld waarvan in elk geval deel uitmaken: a. een lid dat afkomstig is uit of namens het deel van de GMR dat uit en door het personeel is gekozen, en b. een lid dat afkomstig is uit of namens het deel van de GMR dat uit en door de ouders of de leerlingen is gekozen. De GMR wordt vooraf in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen over de aanstelling of ontslag van de leden van het bestuur en het vaststellen van de competentieprofielen van de leden van het bestuur. 5. Elk lid van het college van bestuur kan te allen tijde worden geschorst door de raad van toezicht met inachtneming van het bepaalde in de CAO-PO. De raad van toezicht neemt het besluit daartoe met algemene stemmen van alle in functie zijnde leden. De schorsing vervalt, indien de raad van toezicht niet binnen drie maanden na de datum van ingang van de schorsing besluit tot opheffing
of verlenging van de schorsing. Een schorsing kan voor ten hoogste drie maanden worden verlengd, ingaande op de datum waarop het besluit tot verlenging van de schorsing werd genomen. Het betrokken lid wordt in de gelegenheid gesteld zich in een vergadering van de raad van toezicht waarin schorsing of verlenging daarvan aan de orde is te verantwoorden. Daarbij kan hij zich doen bijstaan door een raadsman. 6. De raad van toezicht is te allen tijde bevoegd een lid van het college van bestuur te ontslaan met inachtneming van de cao- bestuurders PO. Het betrokken lid van het college van bestuur wordt in de gelegenheid gesteld zich ten overstaan van de raad van toezicht te verantwoorden. Daarbij kan hij zich doen bijstaan door een raadsman. 7. Een lid van het college van bestuur defungeert: a. door zijn overlijden; b. door zijn vrijwillig aftreden (bedanken); c. door zijn ontslag verleend overeenkomstig het bepaalde in de voorgaande leden of op grond van het bepaalde in de wet, en; d. door het verstrijken van de in het eerste lid van dit artikel bedoelde periode; e. als hij toetreedt tot de raad van toezicht. 8. In vacatures in het college van bestuur wordt zo spoedig mogelijk voorzien.
Bij ontstentenis of belet van alle leden van het college van bestuur of van het enige (overgebleven) lid van het college van bestuur wordt het bestuur waargenomen door één persoon, niet uit het midden van de raad van toezicht, die daartoe door de raad van toezicht is of wordt aangewezen. Gaat de raad van toezicht niet binnen zes weken tot een zodanige aanwijzing over dan wordt het bestuur waargenomen door de persoon die daartoe door de gemeenteraad bij gelijkluidend besluit wordt aangewezen, onder de voorwaarde dat deze persoon niet uit het midden van de raad van toezicht afkomstig is ARTIKEL 7. BESTUUR; TAAK, BEVOEGDHEDEN EN BEGROTING 1. Het college van bestuur is belast met het besturen van de stichting. Bij de vervulling van zijn taak richt het college van bestuur zich naar het belang van de stichting. 1. Het college van bestuur zet zich in voor handhaving van het karakter van het openbaar onderwijs. 2. Het college van bestuur kan (indien het college uit twee personen bestaat) onderling vaststellen welk lid met welke taak in het bijzonder zal zijn belast. Een zodanige taakverdeling laat de gezamenlijke verantwoordelijkheid van het college van bestuur voor het gehele bestuur onverlet. 3. Het college van bestuur is voorts belast met de aansturing van de leidinggevenden 4. en de taken en uitoefening van bevoegdheden welke het bestuur als bevoegd gezag zijn toebedeeld. 5.
Het college van bestuur legt voor de door hem uitgevoerde bestuurlijke taken en bevoegdheden verantwoording af aan de raad van toezicht en draagt zorg voor een goede en tijdige informatievoorziening aan de raad van toezicht, waarbij hij ten minste vier keer per jaar de raad van toezicht informeert over de algemene gang van zaken binnen de stichting. Het college van bestuur is gehouden terstond door de raad van toezicht gevraagde inlichtingen en gegevens te verstrekken. 6. Het college van bestuur stelt jaarlijks, vóór 1 november een concept begroting op. Na de goedkeuring door de raad van toezicht wordt de begroting vervolgens vastgesteld door het college van bestuur. Het college van bestuur zendt binnen twee weken na vaststelling van de begroting, doch uiterlijk voor één februari, een afschrift daarvan aan de gemeenteraad. 7. Indien het college van bestuur de begroting wijzigt, wordt deze wijziging, nadat die is goedgekeurd door de raad van toezicht, ter kennisneming aan de gemeenteraad gezonden. 8. Het college van bestuur stelt een keer in de vier jaar een strategisch beleidsplan op en formuleert hierin concrete doelstellingen voor de scholen die door de stichting in stand worden gehouden, daarbij rekening houdend met de belangen van hen die bij die scholen zijn betrokken en rekening houdend met de eisen die de samenleving aan onderwijs stelt. Het college van bestuur legt
in het jaarverslag verantwoording af over de mate waarin de vastgestelde missie en doelstellingen worden gehaald. 9. Het college van bestuur is bevoegd tot het verrichten van alle rechtshandelingen, daaronder met name ook begrepen het besluiten tot het aangaan van overeenkomsten tot verkrijging, vervreemding en bezwaring van registergoederen, en tot het aangaan van overeenkomsten waarbij de stichting zich als borg of hoofdelijk schuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt of zich tot zekerheidstelling voor een schuld van een ander verbindt. De in dit lid bedoelde besluiten zijn onderworpen aan de voorafgaande goedkeuring van de raad van toezicht. 10. Voorts heeft het college van bestuur voorafgaande goedkeuring van de raad van toezicht nodig voor het nemen van besluiten met betrekking tot: a. het aangaan van financiële verplichtingen en samenwerkingsovereenkomsten welke niet binnen de begroting zijn opgenomen en waarvan het belang meer bedraagt dan een door de raad van toezicht in het reglement van de raad van toezicht vastgesteld en aan het college meegedeeld bedrag; b. de beëindiging van de dienstbetrekking van een aanmerkelijk aantal werknemers tegelijkertijd of binnen een kort tijdbestek; c. ingrijpende wijziging van de arbeidsomstandigheden van een aanmerkelijk aantal werknemers in dienst van de stichting; d.
een aanvraag tot faillissement of van surseance van betaling; e. (het doen van een voorstel tot) opheffing of afsplitsing van (een deel van) door de stichting in stand gehouden scholen; f. het aangaan of verbreken van duurzame samenwerking met een andere rechtspersoon indien deze samenwerking of verbreking van ingrijpende betekenis is voor de stichting of de in stand te houden scholen; g. fusie met een andere stichting, overname of afsplitsing van een deel van de stichting; h. het vaststellen of wijzigen van het strategisch meerjarenplan; 11. Het ontbreken van de goedkeuring van de raad van toezicht uit het voorgaande lid tast de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het college van bestuur niet aan. 9. Tegen de achtergrond van de in het college van bestuur benodigde deskundigheid draagt ieder lid van het college van bestuur zorg voor voortdurende persoonlijke ontwikkeling. Het functioneren van het college van bestuur wordt jaarlijks door de raad van toezicht beoordeeld. ARTIKEL 8. BESTUUR; WERKWIJZE EN BESLUITVORMING 1. In de vergaderingen van het college van bestuur heeft ieder bestuurslid één stem. Alle besluiten van het college van bestuur worden genomen met volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen. Bij staking van de stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend. Indien de stemmen hebben gestaakt, wordt hiervan melding gemaakt aan de raad van toezicht. 2.
Het college van bestuur zal advies inwinnen bij het directieberaad als besluiten de gehele organisatie raken. 3. Daar waar advies en/of instemming vereist zijn vanuit de Wet medezeggenschap op scholen zal het college van bestuur tijdig een voorgenomen besluit voorleggen aan de GMR, dan wel aan een betrokken MR indien de GMR hiertoe niet bevoegd is. 4. Het college van bestuur kan ook op andere wijze dan in een vergadering besluiten nemen, mits alle leden van het college van bestuur in de gelegenheid worden gesteld hun stem uit te brengen en geen van hen zich tegen deze wijze van besluitvorming verzet. Het college van bestuur dat bestaat uit één lid kan buiten vergadering besluiten nemen. Een besluit is alsdan genomen, indien de volstrekte meerderheid van het aantal leden zich vóór het voorstel heeft verklaard. Bij staking van de stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend. 5. Van elk buiten vergadering genomen besluit wordt mededeling gedaan in de eerstvolgende vergadering, welke mededeling in de notulen van die vergadering wordt vermeld.
6. De bijeenroeping van de vergaderingen van het college van bestuur geschiedt schriftelijk op een termijn van ten minste drie werkdagen. Elk lid van het college van bestuur, alsmede de voorzitter van de raad van toezicht, is gelijkelijk bevoegd een vergadering van het college van bestuur bijeen te roepen. 7. Van het verhandelde in de vergaderingen van het college van bestuur wordt een lijst van de door het college van bestuur genomen besluiten bijgehouden. De besluitenlijst wordt vastgesteld in dezelfde of in de eerstvolgende vergadering en ter vaststelling daarvan door de voorzitter van de vergadering ondertekend. 8. De besluitenlijst van het college van bestuur is openbaar tenzij de voorzitter van het college van bestuur beslist dat openbaarheid tegen het belang van de stichting is, een ontoelaatbare inbreuk op de privacy van personen oplevert of openbaarheid vanwege organisatorische redenen niet te realiseren is. 9. Het college van bestuur draagt met inachtneming van de Archiefwet 1995 zorg voor de archiefbescheiden. 10. De vergaderingen van het college van bestuur zijn openbaar voor zover het college van bestuur niet - gemotiveerd per agendapunt - beslist dat openbaarheid tegen het belang van de stichting is of een ontoelaatbare inbreuk op de privacy van personen oplevert.
De opgelegde geheimhouding wordt zowel door degenen die bij de behandeling aanwezig waren als door degenen die op andere wijze van het behandelde en van de stukken kennis nemen, in acht genomen, totdat het college van bestuur de geheimhouding opheft. 11. De raad van toezicht kan een bestuursreglement vaststellen waarin nadere bepalingen omtrent de werkwijze en handelsruimte van het bestuur worden gegeven. ARTIKEL 9. TOEZICHT OP HET BESTUUR 1. De gemeenteraad is in geval van ernstige taakverwaarlozing door het college van bestuur of functioneren van het college van bestuur in strijd met de Wet bevoegd zelf te voorzien in het bestuur van de scholen en zo nodig de stichting te ontbinden overeenkomstig het bepaalde in artikel 48 lid 11 van de Wet. 2. De raad van toezicht houdt toezicht op het college van bestuur. Dit geschiedt op de wijze en binnen de kaders als omschreven in deze statuten en de Wet. 3. De raad van toezicht is in ieder geval belast met de taken als omschreven in artikel 17c van de Wet: a. het goedkeuren van de begroting en het jaarverslag en, indien van toepassing, het strategisch meerjarenplan van de stichting; b. het toezien op de naleving door het college van bestuur van wettelijke verplichtingen, de code voor goed bestuur, bedoeld in artikel 171 lid 1 sub a van de Wet, en de afwijkingen van die code; c.
het toezien op de rechtmatige verwerving en de doelmatige en rechtmatige bestemming en aanwending van de middelen van de stichting die zijn verkregen op grond van de Wet; d. het aanwijzen van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek die verslag uitbrengt aan de raad van toezicht, en e. het jaarlijks afleggen van verantwoording over de uitvoering van de taken en de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld onder a tot en met d, in het jaarverslag. 4. De raad van toezicht zal ten minste tweemaal per jaar overleg voeren met de GMR. 5. Verder heeft de raad van toezicht de bevoegdheden en taken die in deze statuten zijn gemeld. ARTIKEL 10. RAAD VAN TOEZICHT; BENOEMING 1. Onverminderd het bepaalde ten aanzien van de gemeenteraad in deze statuten en de Wet is het toezicht op het beleid van het college van bestuur, het functioneren van het college van bestuur en op de algemene gang van zaken in de stichting opgedragen aan een raad van toezicht. De raad
van toezicht bestaat uit een door de raad van toezicht nader te bepalen aantal van minimaal drie en maximaal vijf natuurlijke personen. Een niet voltallige raad van toezicht behoudt zijn bevoegdheid. 2. De leden van de raad van toezicht worden benoemd door de gemeenteraad. Benoeming van de leden van de raad van toezicht geschiedt met inachtneming van een door de raad van toezicht vastgestelde profielschets en werving- en selectieprocedure. In de profielschets worden de noodzakelijke competenties, achtergrond en kwaliteiten van de raad van toezicht en de afzonderlijke leden van de raad van toezicht beschreven. De profielschets en wervingselectieprocedure worden openbaar gemaakt. De GMR wordt vooraf in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen over het vaststellen van de competentieprofielen van de leden van het raad van toezicht. 3. De raad van toezicht doet aan de gemeenteraad een voordracht voor de benoeming van de leden van de raad van toezicht. Voorafgaand wordt hierover aan het college van bestuur advies gevraagd. 4. Ten minste een derde gedeelte, maar geen meerderheid, van de leden van de raad van toezicht wordt benoemd op bindende voordracht van de oudergeleding van de GMR. 5. De in de leden 3 en 4 van dit artikel genoemde voordrachten worden voorbereid door een benoemingsadviescommissie.
In de benoemingsadviescommissie hebben in elk geval twee leden van de raad van toezicht en twee leden van de GMR zitting. De werkwijze van de benoemingsadviescommissie wordt in een door de raad van toezicht vast te stellen reglement nader uitgewerkt. De voordracht wordt opgemaakt met inachtneming van het profiel bedoeld in het tweede lid van dit artikel. Een op voordracht van de oudergeleding van de (G)MR benoemd lid van de raad van toezicht vervult zijn taak zonder mandaat en onafhankelijk van bij de stichting dan wel haar instellingen betrokken deelbelangen. Voorts stelt de raad van toezicht de GMR in de gelegenheid een bindende voordracht te doen voor één lid van de raad van toezicht. De overige leden worden benoemd op voordracht van de raad van toezicht. 6. De raad van toezicht benoemt uit haar midden een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter. De raad van toezicht kan bepalen dat een lid meer in het bijzonder met een specifieke taak zal zijn belast. Een zodanige taakverdeling laat de gezamenlijke verantwoordelijkheid van alle leden van de raad van toezicht onverlet. 7. De leden van de raad van toezicht worden benoemd voor een periode van vier jaar. Aftreden geschiedt volgens een door de raad van toezicht op te stellen rooster van aftreden. Een volgens het rooster van aftreden aftredend lid van de raad van toezicht is onmiddellijk herbenoembaar.
Herbenoeming is slechts eenmaal mogelijk. De in een tussentijdse vacature benoemde neemt op het rooster de plaats in van degene in wiens vacature hij werd benoemd. Ten aanzien van een tussentijds benoemde is herbenoeming ook slechts eenmaal mogelijk. 8. Een lid van de raad van toezicht kan worden geschorst en ontslagen door de gemeenteraad. De schorsing van een lid van de raad van toezicht vervalt, indien de gemeenteraad niet binnen drie maanden na de datum van ingang van de schorsing besluit tot opheffing of verlenging van de schorsing. Een schorsing kan voor ten hoogste drie maanden worden verlengd, ingaande op de datum waarop het besluit tot verlenging van de schorsing werd genomen. Het betrokken lid wordt in de gelegenheid gesteld zich in een vergadering van de gemeenteraad waarin schorsing of verlenging daarvan aan de orde is te verantwoorden. Daarbij kan hij zich doen bijstaan door een raadsman. 9. Een lid van de raad van toezicht kan worden geschorst door de raad van toezicht. Een dergelijk besluit kan slechts worden genomen met twee/derde meerderheid van stemmen. Het bepaalde in lid 7 tweede zin en verder is vervolgens van toepassing. 10. Disfunctioneren of het niet voldoen aan de in artikel 12 genoemde eisen inzake belangenverstrengeling en onafhankelijkheid kunnen reden zijn voor schorsing en ontslag als bedoeld in de twee vorige leden van dit artikel. 11.
Een lid van de raad van toezicht defungeert: a. door zijn overlijden; b. door zijn vrijwillig aftreden; c. door zijn ontslag verleend overeenkomstig het bepaalde in het zevende lid van dit artikel, en
d. door het verstrijken van de termijn waarvoor hij is benoemd, behoudens zijn eventuele herbenoeming. e. door zijn ontslag verleend door de rechtbank; f. door zijn ontslag hem verleend door de raad van toezicht bij besluit genomen met algemene stemmen van in functie zijnde leden van de raad van toezicht met uitzondering van het betrokken lid van de raad van toezicht; g. als hij het vrije beheer over zijn vermogen verliest; h. als hij lid van het college van bestuur wordt. 12. De raad van toezicht stelt op basis van een door de raad van toezicht vast te stellen reglement de eventuele honorering van leden van de raad van toezicht vast. De hieruit voortvloeiende hoogte van de onkostenvergoedingen worden in de begroting en de jaarrekening verantwoord. 13. De raad van toezicht kan zich voor rekening van de stichting in de uitoefening van zijn taak doen bijstaan door één of meer deskundigen. 14. In vacatures wordt zo spoedig mogelijk voorzien. Een niet voltallige raad van toezicht houdt zijn bevoegdheden. Bij ontstentenis of belet van alle leden van de raad van toezicht of van het enige (overgebleven) lid worden de taken en bevoegdheden van de raad van toezicht waargenomen door de perso(o)n(en) die daartoe door gelijkluidend besluit van de gemeenteraad, al dan niet op verzoek van één of meer belanghebbende(n), is of wordt/en aangewezen. ARTIKEL 11. RAAD VAN TOEZICHT; WERKWIJZE 1.
In de vergaderingen van de raad van toezicht heeft ieder lid één stem. Alle besluiten van de raad van toezicht worden genomen met volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen. Een blanco stem geldt als een niet uitgebrachte stem. Bij staking van stemmen over zaken is het voorstel verworpen. Staken de stemmen bij verkiezing van personen, dan beslist de voorzitter na de leden van de raad van toezicht gehoord te hebben. Indien bij verkiezing tussen meer dan twee personen door niemand een volstrekte meerderheid is verkregen, wordt herstemd tussen de twee personen, die het grootste aantal stemmen kregen, zo nodig na tussenstemming. Staken de stemmen bij deze stemming tussen twee personen, dan beslist de voorzitter na de leden van de raad van toezicht gehoord te hebben. Stemmen bij volmacht is niet toegestaan. 2. De raad van toezicht kan ook op andere wijze dan in een vergadering besluiten nemen, mits alle leden van de raad van toezicht in de gelegenheid worden gesteld hun stem uit te brengen en geen van hen zich tegen deze wijze van besluitvorming verzet. Een besluit is alsdan genomen, indien de volstrekte meerderheid van het aantal leden van de raad van toezicht zich voor het voorstel heeft verklaard. Van elk buiten vergadering genomen besluit wordt mededeling gedaan in de eerstvolgende vergadering, welke mededeling in de 1. Notulen van die vergadering wordt vermeld. 2.
Elk lid is gelijkelijk bevoegd een vergadering van de raad van toezicht bijeen te roepen. 3. De raad van toezicht vergadert ten minste vier keer per jaar. De bijeenroeping van de vergaderingen van de raad van toezicht geschiedt - door de in het voorgaande lid bedoelde persoon schriftelijk op een termijn van ten minste zeven dagen, onder opgave van de te behandelen onderwerpen. In spoedeisende gevallen, ter beoordeling van de voorzitter van de raad van toezicht, kan de termijn van oproeping worden beperkt tot ten minste vierentwintig uur. De vergaderingen van de raad van toezicht worden gehouden ter plaatse binnen Nederland, te bepalen door degene die de vergadering bijeenroept. Indien werd gehandeld in strijd met het hiervoor in dit lid bepaalde, kan de raad van toezicht niettemin rechtsgeldige besluiten nemen, mits de ter vergadering afwezige leden van de raad van toezicht vóór het tijdstip van de vergadering hebben verklaard zich niet tegen de besluitvorming te verzetten. 4. Een lid van de raad van toezicht kan zich door een ander lid van de raad van toezicht ter vergadering schriftelijk doen vertegenwoordigen. Eén lid van de raad van toezicht kan slechts één ander lid ter vergadering vertegenwoordigen.
5. De voorzitter leidt de vergaderingen. Bij afwezigheid van de voorzitter neemt de plaatsvervangend voorzitter de in dit artikel bedoelde taken over. 6. De voorzitter bepaalt de wijze waarop de stemmingen in de vergaderingen worden gehouden, met dien verstande, dat indien één of meer leden zulks verlangen, stemmingen over personen schriftelijk geschieden. 7. Het door de voorzitter ter vergadering uitgesproken oordeel omtrent de uitslag van de stemming is beslissend. Hetzelfde geldt voor de inhoud van een genomen besluit, voor zover werd gestemd over een niet schriftelijk vastgelegd voorstel. 8. Van het verhandelde in de vergaderingen van de raad van toezicht worden notulen gehouden door de daartoe door de voorzitter aangewezen persoon. De notulen worden vastgesteld in dezelfde of in de eerstvolgende vergadering en door de voorzitter (van de vergadering) ondertekend. 9. De raad van toezicht regelt zijn werkzaamheden en al hetgeen zijn functioneren betreft bij reglement. In ieder geval wordt hierin een regeling voorzien betreffende de wijze van vergaderen en de wijze van besluitvorming. ARTIKEL 12. ONAFHANKELIJKHEID EN BELANGENVERSTRENGELING 1. Elk lid van het college van bestuur of de raad van toezicht is verplicht zijn taak te vervullen zonder mandaat en onafhankelijk van bij de stichting dan wel haar instelling(en) betrokken deelbelangen.
Deze verplichting geldt ook voor leden van de raad van toezicht die zijn benoemd op bindende voordracht van de (G)MR. 2. Een lid van het college van bestuur of de raad van toezicht mag in ieder geval niet: a. als advocaat, gemachtigde of adviseur in geschillen werkzaam zijn ten behoeve van de stichting dan wel ten behoeve van de wederpartij van de stichting; b. als gemachtigde of als adviseur werkzaam zijn ten behoeve van derden tot het aangaan van collectieve arbeidsovereenkomsten met de stichting of in hoedanigheid deelnemen aan het Decentraal Georganiseerd Overleg; c. als gemachtigde of als adviseur werkzaam zijn ten behoeve van derden tot het aangaan van overeenkomsten met de stichting als bedoeld in onderdeel d hierna; d. rechtstreeks of middellijk een overeenkomst aangaan betreffende: i.het aannemen van werk ten behoeve van de stichting; ii.het buiten dienstbetrekking tegen beloning verrichten van werkzaamheden ten behoeve van de stichting; iii.het doen van leveranties aan de stichting; iv.het verhuren van roerende zaken aan de stichting; v.het verwerven van betwiste vorderingen ten laste van de stichting; vi.het van de stichting onderhands verwerven van onroerende zaken of beperkte rechten waaraan deze zijn onderworpen; vii.het onderhands huren van de stichting; e.
deel uitmaken van een (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad behorende tot een door de stichting in stand gehouden school; f. deel uitmaken van een schoolleiding van een vergelijkbare school en/of stichting in de regio; en g. ten aanzien van de leden van de raad van toezicht: in dienst zijn van de stichting; i. een duurzame relatie met iemand die bij de stichting werkzaam is 3. Een lid van de raad van toezicht kan niet tevens lid zijn van het college van bestuur van de stichting en vice-versa. ARTIKEL 13. VERTEGENWOORDIGING 1. Het college van bestuur alsmede ieder lid van het college van bestuur afzonderlijk vertegenwoordigt de stichting, voor zover uit de wet niet anders voortvloeit.
2. Indien sprake is van een tegenstrijdig belang tussen de stichting en één of meer leden van het college van bestuur, wordt de stichting vertegenwoordigd door de voorzitter van de raad van toezicht of een andere door de raad van toezicht aan te wijzen persoon. Die persoon kan ook zijn een lid van het college van bestuur ten aanzien van wie geen tegenstrijdig belang bestaat. Voorts kan de raad van toezicht, onverminderd het in lid 1 en lid 2 bepaalde, bij bestuursreglement - als intern werkend voorschrift – vaststellen voor welke rechtshandelingen de leden van het college van bestuur gezamenlijk zullen optreden indien overgegaan moet worden tot vertegenwoordiging van de stichting. Tegenover wederpartijen van de stichting kan geen beroep worden gedaan op een eventueel handelen in strijd met een dergelijk bestuursreglement. 3. Het college van bestuur kan besluiten tot de verlening van schriftelijke volmacht aan leidinggevenden, alsmede aan derden, om de stichting binnen de grenzen van die volmacht te vertegenwoordigen. ARTIKEL 14. BOEKJAAR, JAARSTUKKEN 1. Het boekjaar van de stichting is het kalenderjaar. 2.
Jaarlijks binnen zes maanden na afloop van het boekjaar van de stichting, behoudens verlenging van deze termijn met ten hoogste vijf maanden door de raad van toezicht op grond van bijzondere omstandigheden, maakt het college van bestuur een jaarverslag (inclusief jaarrekening) op over dat boekjaar. Bij het opmaken van het jaarverslag houdt het college van bestuur rekening met bepaalde in artikel 7 lid 7 (strategisch plan en doelstellingen) en legt het college van bestuur verantwoording af over het bepaalde in artikel 3 lid 3 en 4 (specifieke kenmerken openbaar onderwijs). Bij het opmaken van de jaarrekening houdt het college van bestuur rekening met het bepaalde in artikel 6 lid 2 en 10 lid 11 (bezoldiging en onkostenvergoeding college van bestuur en leden raad van toezicht). 3. Het jaarverslag moet worden goedgekeurd door de raad van toezicht. 4. Het jaarverslag wordt openbaar gemaakt. 5. De raad van toezicht draagt jaarlijks het college van bestuur op de jaarrekening te laten onderzoeken en valideren door een door de raad van toezicht aangewezen registeraccountant. 6. Na de voorafgaande goedkeuring door de raad van toezicht wordt het jaarverslag vervolgens vastgesteld door het college van bestuur. Het college zendt binnen twee weken na vaststelling van de jaarrekening een afschrift daarvan aan de gemeenteraad. 7.
De jaarrekening wordt ondertekend door ieder lid van het college van bestuur en, ten blijke dat de jaarrekening is goedgekeurd, door ieder lid van de raad van toezicht. Indien de ondertekening van één of meer van hen ontbreekt, wordt daarvan onder opgave van reden melding gemaakt. Het college van bestuur zendt de jaarrekening met een verklaring van de registeraccountant omtrent rechtmatigheid en doelmatigheid, vóór één juli ter kennisneming aan de gemeenteraad. 8. Jaarlijks zullen twee gesprekken door het college van bestuur plaatsvinden met vertegenwoordigers vanuit College van B&W van de gemeenten Papendrecht en Sliedrecht om de voortgang binnen de stichting te bespreken. ARTIKEL 15. WIJZIGING VAN DEZE STATUTEN 1. Het college van bestuur is bevoegd de statuten te wijzigen. Het besluit tot statutenwijziging is onderworpen aan de voorafgaande goedkeuring van de raad van toezicht. Het besluit tot statutenwijziging is voorts onderworpen aan de instemming van de gemeenteraad. 2. Het besluit van het college van bestuur tot statutenwijziging wordt genomen in een voltallige vergadering van het college van bestuur.
Is de vergadering van het college van bestuur waarin een besluit tot statutenwijziging aan de orde is niet voltallig, dan zal een nieuwe vergadering worden bijeengeroepen, te houden niet eerder dan twee en niet later dan vier weken na de bedoelde vergadering, waarin het besluit kan worden genomen, ongeacht het aantal aanwezigen. Het besluit wordt genomen met volstrekte meerderheid van stemmen als bedoeld in artikel 8 lid 1. 3. Bij de oproeping tot de vergadering, waarin een voorstel tot statutenwijziging zal worden gedaan, dient zulks te worden vermeld. Tevens dient een afschrift van het voorstel, bevattende de
woordelijke tekst van de voorgestelde wijziging, bij de oproeping te worden gevoegd. De termijn van de oproeping bedraagt in dit geval ten minste twee weken. 4. Een statutenwijziging treedt eerst in werking nadat daarvan een notariële akte is opgemaakt. Elk lid van het college van bestuur is bevoegd deze akte te doen verlijden. 5. Het college van bestuur is verplicht een authentiek afschrift van de wijziging en een volledige doorlopende tekst van de gewijzigde statuten neer te leggen op het kantoor van het door de Kamer van Koophandel gehouden handelsregister. ARTIKEL 16. ONTBINDING EN VEREFFENING 1. Het college van bestuur is bevoegd de stichting te ontbinden. Het besluit tot ontbinding is onderworpen aan de voorafgaande goedkeuring van de raad van toezicht. Het besluit tot ontbinding is voorts onderworpen aan de goedkeuring van de gemeenteraad. Het bepaalde in het tweede lid van artikel 15 van deze statuten is van overeenkomstige toepassing op een besluit van het college van bestuur tot ontbinding van de stichting. 2. Tenzij de raad van toezicht anders besluit, is het college van bestuur met de vereffening belast. 3. De vereffenaars dragen er zorg voor, dat van de ontbinding inschrijving geschiedt in het op het kantoor van het door de Kamer van Koophandel gehouden handelsregister. 4. De raad van toezicht stelt de bestemming van het batig liquidatiesaldo vast.
Een batig liquidatiesaldo na vereffening wordt besteed overeenkomstig de doelstelling van de Stichting, of zal ten goede komen aan een ander algemeen nut beogende instelling met een doelstelling die zoveel mogelijk beantwoordt aan de doelstellingen van de Stichting, een en ander als door de raad van toezicht te bepalen, voor zover hierin niet reeds bij het besluit tot ontbinding is voorzien. 5. Na de ontbinding blijft de stichting voortbestaan voor zover dit tot de vereffening van haar vermogen nodig is. Gedurende de vereffening blijven de bepalingen van deze statuten zoveel mogelijk van kracht. In stukken en aankondigingen die van haar uitgaan, moeten aan de naam van de stichting worden toegevoegd de woorden “in liquidatie”. 6. Na afloop van de vereffening blijven de boeken, bescheiden en overige gegevensdragers van de ontbonden stichting gedurende de door de wet bepaalde termijn onder berusting van de door de vereffenaars aangewezen persoon. Deze persoon is gehouden zijn aanwijzing ter inschrijving op te geven in het in het vierde lid van dit artikel vermelde register. ARTIKEL 17. VRIJTEKENING EN VRIJWARING 1. Definitie Waar in dit artikel wordt gesproken over lid, wordt daaronder begrepen een lid van het college van bestuur of een lid van de raad van toezicht. 2.
Vrijtekening De stichting zal een lid niet aansprakelijk stellen voor schade die de stichting lijdt als gevolg van enig handelen of nalaten van een lid in diens hoedanigheid van lid van het college van bestuur respectievelijk lid van de raad van toezicht. 3. Vrijwaring De stichting zal een lid schadeloos stellen voor het bedrag dat dit lid aan een derde dient te vergoeden voor de schade die derden lijden als gevolg van enig handelen en/of nalaten van een lid in diens hoedanigheid van lid van het college van bestuur of lid van de raad van toezicht van de stichting. De stichting zal tot vergoeding overgaan van het bedrag dat een lid gehouden is op grond van een in kracht van gewijsde gegaan rechterlijk of arbitraal vonnis of van een met die derde(n) overeengekomen vaststellingsovereenkomst, mits de verdediging in de desbetreffende procedure door of namens de stichting is gevoerd respectievelijk de desbetreffende vaststellingsovereenkomst is gesloten met de uitdrukkelijke schriftelijke goedkeuring van de stichting en het lid volledige medewerking aan de stichting heeft gegeven bij het voeren van de verdediging respectievelijk de desbetreffende schikkingsonderhandelingen.
4.
Geen vrijtekening en vrijwaring in bepaalde gevallen Aan de in lid 2 van dit artikel omschreven vrijtekening en de in lid 3 van dit artikel opgenomen vrijwaring kan een lid geen rechten ontlenen indien de desbetreffende schade het gevolg is van diens opzettelijk handelen of nalaten. Van een zodanig handelen en/of nalaten is in ieder geval sprake wanneer dat handelen en/of nalaten het gevolg heeft of met dat handelen of nalaten werd beoogd het desbetreffende lid en/of anderen verbonden aan de stichting en/of derden, in welk opzicht dan ook onrechtmatig te bevoordelen. Ook kan een lid van het college van bestuur geen rechten ontlenen aan de in lid 2 van dit artikel omschreven vrijtekening als hij een handeling heeft verricht waarvoor hij eerst goedkeuring van de raad van toezicht nodig had, en die goedkeuring niet heeft gevraagd en gekregen. Aan de in lid 2 omschreven vrijtekening en de in lid 3 omschreven vrijwaring kan een lid geen rechten ontlenen voor zover de schade als bedoeld in dit artikel is verzekerd en wordt vergoed door een verzekeraar. 4.
Definitie schade Onder schade in de zin van dit artikel wordt mede verstaan de over enig te vergoeden bedrag verschuldigde wettelijke rente, de proceskosten welke een lid gehouden is te voldoen en/of de ten behoeve van de verdediging van het lid gemaakte rechtsbijstandkosten, mits deze kosten in redelijkheid zijn gemaakt en in redelijke verhouding staan tot de omvang van de schade. 5. Kosten Kosten door een lid gemaakt voor het voeren van verweer zullen door de stichting worden voorgeschoten tijdens een actie of procedure, mits het betreffende lid zich schriftelijk en onherroepelijk jegens de stichting heeft verbonden tot terugbetaling daarvan indien uit een in kracht van gewijsde gegaan vonnis volgt dat hij geen aanspraak kan maken op de vrijwaring door de stichting. De stichting kan nadere voorwaarden aan de uitbetaling verbinden, zoals het stellen van zekerheid. 6. Geldigheidsduur De vrijtekening en vrijwaring als bedoeld in dit artikel blijven gelden voor een persoon die geen lid meer is en komen ook ten goede aan de erfgenamen of legatarissen van het lid. 7. Wijziging artikel Dit artikel kan zonder toestemming van de personen die aanspraak maken op vrijtekening en vrijwaring gewijzigd worden.
Deze personen kunnen echter aanspraak blijven maken op de bescherming als geboden door dit artikel voor schade als gevolg van handelen of nalaten tijdens de periode dat dit artikel van kracht is. ARTIKEL 18. SLOTBEPALINGEN 1. In alle gevallen waarin de bepalingen van deze statuten in strijd blijken te zijn met de wet, prevaleert de wet. 2. In alle gevallen de stichting betreffende waarin deze statuten niet voorzien, beslist het college van bestuur na goedkeuring van de raad van toezicht. ARTIKEL 19. OVERGANGSBEPALINGEN Per 1 januari 2020 zijn de statuten van Stichting Openbaar Onderwijs Papendrecht, Sliedrecht gewijzigd in verband met wijziging van haar besturingsmodel. Stichting OPOPS kende het zogenaamde mandaatmodel met een toezichthoudend bestuur en een gemandateerd bestuursmanager. Sinds 1 januari 2020 is de overstap gemaakt naar een raad van toezichtmodel met een optimale scheiding tussen de functies bestuur en toezicht. BENOEMDE PERSONEN De personen die door middel van het bepaalde in artikel 19 van deze akte zijn benoemd met ingang van één januari tweeduizend twintig zijn:
• • •
Mevr. Johanna Rozina Reuwer-Verheij, bindend voorgedragen namens de GMR. Dhr. Jasper van Waardenburg, bindend voorgedragen namens de ouders. Dhr. Gé van Strien, bindend voorgedragen namens de ouders.+, in de functie van +.