BIJLAG~3.PDF
Tekst van het document
Emphasis Ruimtelijke Ordening en Juridisch Advies Mr. P.J.A. Engelvaart
Bestemmingsplan Hoogspanningsverbindingen Rivierdijk 42,Gemeente Sliedrecht Toelichting
Datum:
24 september 2024
In opdracht van:
Gemeente Sliedrecht
1
INHOUDSOPGAVE
1.
INLEIDING
3
1.1.
INLEIDING
3
1.2.
LIGGING EN BEGRENZING VAN HET PLANGEBIED
3
2.
PROJECTBESCHRIJVING
4
2.1.
GESCHIEDENIS
4
2.2.
BESTAANDE SITUATIE
5
2.3.
NIEUWE SITUATIE
8
2.4.
GELDEND BESTEMMINGSPLAN
8
3.
BELEID EN REGELGEVING
10
3.1.
LANDELIJK (RIJKS-) RUIMTELIJK BELEID
10
3.2.
PROVINCIAAL BELEID
13
3.3.
GEMEENTELIJK BELEID
14
4.
ONDERZOEK EN BEPERKINGEN
16
4.1
MILIEU
16
4.2.
WATER
16
4.3.
BODEM
18
4.4.
NATUUR
19
4.5.
CULTUURHISTORIE
21
4.6.
GELUID
21
4.7.
LUCHT
22
4.8.
EXTERNE VEILIGHEID
22
4.9
GEZONDHEID
24
5.
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
26
6.
MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID
27 2
1. INLEIDING 1.1. INLEIDING Sliedrecht is een gemeente in de provincie Zuid-Holland met ongeveer 25.000 inwoners. De gemeente werkt samen met de omliggende Drechtsteden maar heeft door de jaren heen haar eigen karakter weten te behouden. De ligging aan de Merwede, de kleine haven en de sociale verbondenheid maken van Sliedrecht een prettige gemeente om te wonen. Groot genoeg voor voorzieningen en bedrijvigheid op stadsniveau maar klein genoeg voor dat eigen karakter. Binnen de gemeente liggen drie hoogspanningsverbindingen, waarvan twee 380 kV verbindingen. Via een uitkoopregeling van het rijk kunnen eigenaren van woningen die onder de hoogspanningsleiding zijn gelegen zich uit laten kopen. Diverse burgers hebben in Sliedrecht van deze regeling gebruik gemaakt. Volgens de uitkoopregeling dient de woonbestemming van deze panden planologisch verwijderd te worden. Dit bestemmingsplan voorziet daarin. Reeds eerder is voor een aantal adressen in de gemeente Sliedrecht het bestemmingsplan Hoogspanningsverbindingen vastgesteld waarmee ook andere woonfuncties onder hoogspanningsverbindingen zijn wegbestemd. Het perceel Rivierdijk 42 is in eigendom van de gemeente Sliedrecht. Ook hier is het in verband met de aanwezigheid van de hoogspanningsleiding vereist om de woonbestemming planologisch te verwijderen, alleen dan wordt voldaan aan de uitkoopregeling van het rijk.
Het perceel met de aanwezige opstal is goed bruikbaar voor andere doeleinden. In dit bestemmingsplan worden nieuwe functies mogelijk gemaakt in de vorm van een bestemming 'Gemengd'.
1.2. LIGGING EN BEGRENZING VAN HET PLANGEBIED Het projectgebied ligt aan de Rivierdijk 42 aan de oostzijde van de gemeente. De ligging van het plangebied binnen de gemeente is weergegeven op afbeelding 1.
AFBEELDING 1: LIGGING PLANGEBIED BINNEN SLIEDRECHT, LOCATIE IS MET RODE CIRKEL AANGEDUID
3
2. PROJECTBESCHRIJVING 2.1. GESCHIEDENIS Sliedrecht ontstond ooit als nederzetting op moerasachtige gronden op de zuidoever van de Merwede, in de huidige polder Crayenstein op het Eiland van Dordt, tegenover het Sliedrecht van vandaag. De naam ‘Sliedrecht’ (destijds Sclidreth) wordt voor het eerst genoemd in een oorkonde van 2 mei 1064. Het gebied overstroomde regelmatig, zodat de landerijen met een vruchtbare laag slib overdekt werden. Het hoge water van de St. Elizabethvloed van november 1421 was echter dermate rampzalig, dat het hele dorp werd weggevaagd. De overlevenden zochten hun heil in Menkenesdrecht, dat op de noordoever van de Merwede was gelegen. Uit dit dorp is het huidige Sliedrecht ontstaan. Vanwege de regelmatig terugkerende hoge waterstanden en overstromingen en omdat de bodem van de polder slechte landbouwgrond was, hebben landbouw en veeteelt nooit een belangrijke rol gespeeld rond Sliedrecht. Het geld werd vooral verdiend in de visserij, vlasbewerking, touwslagerijen en het snijden en drogen van biezen voor het maken van bijvoorbeeld manden, korven en stoelen. Omdat enerzijds landbouw en veeteelt weinig opleverden en anderzijds het gevecht tegen het water steeds belangrijker werd, ontstond een nieuw beroep: de dijkwerker (of 'brijhappers'). Met matten, die waren gemaakt van rijshout, versterkten de ‘brijhappers’ dijken in de omgeving en ver daarbuiten.
Vooral in de achttiende eeuw was deze beroepsgroep erg belangrijk. Hierdoor kwam Sliedrecht tot grote bloei, al werd het wel geplaagd door grote overstromingen in 1658, 1663 en 1672. Door het succes van de dijkwerkers kwamen in Sliedrecht steeds meer aannemers die zich bezighielden met publieke werken als grond- en dijkbewerking. Uit deze succesvolle groep aannemers ontstond uiteindelijk de baggerindustrie. Toen minister Thorbecke in 1862 besloot om de Nederlandse kust voor de grootste schepen toegankelijk te maken, leidde dit tot de bloei van de Sliedrechtse baggerindustrie. De enorme werken aan het Noordzeekanaal, de Nieuwe Waterweg en de havens van Rotterdam en Amsterdam werden met groot succes uitgevoerd. Vanaf 1880 werkten de Sliedrechters in Frankrijk, Spanje en Duitsland en vanaf 1900 over de gehele wereld. Voor Sliedrecht had dit als gevolg dat scheepswerven ontstonden, zowel voor reparatie als nieuwbouw van kleine baggerwerktuigen. Daarnaast breidde de bevolking in Sliedrecht zich snel uit. Sliedrecht was tot het einde van de 18e eeuw een dorp met lintbebouwing langs de Rivierdijk, met een open en uitgestrekt achterland. De dijk vormde de belangrijkste verbinding met de andere rivierdorpen. Eind 19e eeuw werd de spoorlijn aangelegd en het station gebouwd. Aan weerszijden van de spoorlijn kwam de Parallelweg.
De Stationsweg en de Boslaan verbonden de dijk met het station. Deze ontsluitingswegen liepen parallel aan de verkavelingsrichting. Aan de binnenkant van de dijk kwamen kleine buurtjes langs de kavels: de 'stoepen'. Sliedrecht ontwikkelde zich nu ook richting het veengebied.
4
AFBEELDING 2: HISTORISCHE KAART SLIEDRECHT VAN 1940
In de Tweede Wereldoorlog werd Sliedrecht door zowel Engelse als Duitse bombardementen getroffen. Vooral in de periode 1944-1945 speelde Sliedrecht een belangrijke rol voor het verzet. Vanuit deze gemeente pendelden de zogenaamde line-crossers via de voor de Duitsers moeilijk te controleren Biesbosch naar het inmiddels bevrijde Noord-Brabant. Na de oorlog bloeide de baggerindustrie weer op. Om de eenzijdige economische ontwikkeling te doorbreken, is geprobeerd om andere industrieën aan te trekken, wat succesvol is gebleken. Ondanks het feit dat tegenwoordig enkele baggermaatschappijen niet meer in Sliedrecht gevestigd zijn en binnen de gemeentegrenzen tal van andersoortige bedrijven zijn neergestreken, blijft Sliedrecht voor Nederland en de rest van de wereld nog altijd 'het baggerdorp'.
AFBEELDING 3: HISTORISCHE KAART SLIEDRECHT VAN 1891
2.2. BESTAANDE SITUATIE Op afbeelding 1 was reeds het plangebied van dit bestemmingsplan weergegeven. Hierna wordt ingegaan op de bestaande situatie. Rivierdijk 42 Dit bestemmingsplan beslaat alleen het perceel Rivierdijk 42. Middels een topografische kaart en een luchtfoto is dit nader gevisualiseerd.
5
AFBEELDING 4A: TOPOGRAFISCHE KAART GEBIED RIVIERDIJK; DE LOCATIE IS MET RODE CIRKEL AANGEGEVEN
AFBEELDING 4B: LUCHTFOTO RIVIERDIJK
Het pand Rivierdijk 42 is gelegen op een relatief ruim perceel van 620 m2 op een markante locatie in de bocht van de Merwede. Anders dan de meeste panden is het een relatief recent opgerichte woning waarvan de staat van onderhoud zeer goed is. De woning is in gebruik als eengezinswoning.
6
AFBEELDING 5: IMPRESSIE GEBIED RIVIERDIJK
7
2.3. NIEUWE SITUATIE Het pand Rivierdijk 42 zal, in verband met de hoogspanningsverbinding, een andere bestemming dan wonen gaan krijgen.
2.4. GELDEND BESTEMMINGSPLAN Het plangebied ligt in bestemmingsplan ‘Woongebied 2016’ van de gemeente Sliedrecht dat op 26 januari 2016 door de gemeenteraad is vastgesteld. In dit bestemmingsplan heeft het plangebied de bestemming ‘Wonen-1’. Ook ligt de dubbelbestemming ‘Leiding-Hoogspanningsverbinding’ op het plangebied. Tot slot is er een vrijwaringszone voor zowel de vaarweg als de dijk alsmede een tweetal geluidszones. Verder ligt het plangebied in het gebied waarvoor het bestemmingsplan Parapluherziening parkeernormen van toepassing is. Dat bestemmingsplan is vastgesteld op 15 mei 2018. Het bestemmingsplan voorziet in de lacune van bestemmingsplan die voor 29 november 2014 zijn vastgesteld en die geen parkeernormen bevatten. Het bestemmingsplan “Woongebied 2016” is vastgesteld na 29 november 2014 en bevat wel parkeernormen, maar toch zijn ook voor dat bestemmingsplan de parkeernormen vervangen door de parapluherziening. Tenslotte is het bestemmingsplan Geluidzone Rivierdijk Sliedrecht van toepassing. Dat bestemmingsplan is vastgesteld op 10 februari 2021. Het heeft hierin de functieaanduiding “specifieke vorm van waarde – geluidzone woongebied” Dat betekent dat geen nieuwe woningen of andere nieuwe geluidgevoelige gebouwen mogen worden gebouwd. Ook mogen percelen niet worden gebruikt ten behoeve van nieuwe woningen of nieuwe geluidgevoelige terreinen.
Een geluidgevoelig terrein is in de regels van het bestemmingsplan gedefinieerd als een terrein als bedoeld in artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder. Het voorliggende bestemmingsplan wordt primair opgesteld omdat één van de voorwaarden van de uitkoopregeling van het Rijk is dat de mogelijkheid om ter plekke te wonen, planologisch ongedaan gemaakt moet worden. Voor wat betreft het pand Rivierdijk 42 is het niet binnen de huidige bestemming ‘Wonen-1’ toegestaan om andere functies dan Wonen ter plekke te realiseren.
8
AFBEELDING 6: VERBEELDING BESTEMMINGSPLAN WOONGEBIED 2016, RIVIERDIJK 42
Daarnaast is er een paraplubestemmingsplan van kracht. Via het plan ‘Parapluherziening Parkeernormen’ wordt, kort gezegd, de Parkeernormennota Sliedrecht 2016 van toepassing verklaard op ruimtelijke initiatieven. Als gevolg daarvan moet bij ontwikkelingen worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid zodat parkeeroverlast wordt voorkomen. Voor wat betreft het pand Rivierdijk 42 zal onverkort aan de eisen aan de Parkeernomennota voldaan moeten worden. Dit is geborgd via de algemene regels van dit bestemmingsplan. Tot slot is het bestemmingsplan 'Geluidzone Rivierdijk Sliedrecht van kracht waarmee de geluidzone van de bedrijventerreinen Rivierdijk west en oost wordt vastgelegd. Gezien de functies die dit bestemmingsplan mogelijk maakt is dit bestemmingsplan voor de beoogde ontwikkeling niet relevant.
9
3. BELEID EN REGELGEVING 3.1. LANDELIJK (RIJKS-) RUIMTELIJK BELEID 3.1.1. STRUCTUURVISIE INFRASTRUCTUUR EN RUIMTE 2040 De Nota Ruimte, Nota mobiliteit, de Mobiliteitsaanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving hebben vanaf 13 maart 2012 plaats gemaakt voor de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De SVIR 2040 is de overkoepelende visie van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de basis voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In deze SVIR stelt het Rijk duidelijke ambities voor 2040: Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Hiermee speelt het Rijk in op (inter)nationale ontwikkelingen, terwijl ze ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Deze ambities zijn omgezet naar drie hoofddoelen voor de middellange termijn (2028) waaraan dertien onderwerpen zijn gekoppeld met een nationaal belang: 1. Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door de ruimtelijk-economische structuur te versterken door: a. goede internationaal bereikbare stedelijke regio’s met concentraties van topsectoren en een goed vestigingsklimaat b. energiezekerheid door ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en -transitie c.
ruimte voor het hoofdnetwerk van buisleidingen voor de transport van (gevaarlijke) stoffen (aardgas, C0₂ en aardolie(producten)). d. efficiënt gebruik van de ondergrond 2. Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid door te focussen op de beleidsmix van: a. slim investeren in een sterk hoofdnetwerk spoor-, vaar- en autowegen tussen en rondom stedelijke regio’s en inclusief de achterlandverbindingen b. innoveren voor het verbeteren van de benutting van de huidige capaciteit van het mobiliteitssysteem c. instandhouden van de huidige Rijksinfrastructuur om het functioneren van het mobiliteitssysteem te waarborgen 3. Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving door a. het verbeteren van de milieukwaliteit en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s b. ruimte te houden voor waterveiligheid en (duurzame) zoetwatervoorziening c. ruimte te houden voor cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten d. en voor unieke flora en faunasoorten e. terwijl er rekening wordt gehouden met ruimte voor militaire activiteiten Tenslotte is het dertiende nationale belang de zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle infrastructurele en ruimtelijke besluiten zodat integrale planvorming en besluitvorming op elk schaalniveau mogelijk is.
Om bij de besluitvorming zowel verstedelijking te stimuleren als overprogrammering te voorkomen wordt bij de besluitvorming gebruik gemaakt van de ladder voor duurzame verstedelijking, welke is opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro): De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk
10
maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Van belang is dus om te onderzoeken of de ontwikkeling als een stedelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt. In dit geval en is sprake van een enkele kleinschalige functiewijziging. Dit is geen stedelijke ontwikkeling waardoor de ladder van duurzame verstedelijking niet doorlopen hoeft te worden.
3.1.2. NATIONALE OMGEVINGSVISIE
De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, Maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld. Als alle wensen naast elkaar worden gelegd, ontstaat het volgende beeld. Het kabinet wil een land: dat gezond en klimaatbestendig is, met schone lucht, schoon water en een schone bodem en veel ruimte voor groen en water; • • • • • • •
met een uitstekend functionerende economie, die duurzaam en circulair is. Nauw verbonden met onze buurlanden en de rest van de wereld, als onderdeel van de internationale gemeenschap; waar het goed wonen en werken is. Met aangename en vitale steden en dorpen, en een productief en aantrekkelijk platteland; met uitstekende bereikbaarheid, waar iedereen snel en gemakkelijk van A naar B komt, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en overlast; waar we voldoende ruimte hebben om te kunnen bewegen, ontspannen en tot onszelf te komen; zowel in de stad als daarbuiten. dat veilig is en ons beschermt tegen overstromingen en andere gevaren; waar een goede balans is tussen gebouwde omgeving en open landschap, tussen natuur en cultuur, tussen land en water; dat openstaat voor verandering, en waar de kracht van zijn traditie, cultuur en identiteit wordt weerspiegeld in de inrichting van de leefomgeving.
Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit zijn de ‘nationale belangen’. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenoemde systeem-verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden. De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen. Voor dit bestemmingsplan relevante nationale belangen zijn: • •
Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving.
De belangrijkste keuzes zijn: • •
Duurzame energie inpassen met oog voor omgevingskwaliteit. Ruimte voor overgang naar een circulaire economie.
Toetsing Bij de voorgenomen ontwikkeling zijn geen nationale belangen in het geding. De in de NOVI genoemde
11
nationale belangen worden door de voorgenomen ontwikkelingen niet geschaad.
3.1.3. BESLUIT ALGEMENE REGELS RUIMTELIJKE ORDENING De nationale belangen uit de structuurvisie die juridisch borging vragen zijn opgenomen in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Deze rijksbelangen worden met dit besluit geborgd in bestemmingsplannen en andere ruimtelijke plannen van overheden. Onderwerpen die in dit besluit aan bod komen zijn: rijksvaarwegen, de mainportontwikkeling Rotterdam, kustfundament, grote rivieren, de Waddenzee en het waddengebied, defensie, hoofdwegen en landelijke spoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen, primaire waterkeringen, Natuurnetwerk Nederland, het IJsselmeergebied, erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde en de ruimtereservering voor de parallelle Kaagbaan.
AFBEELDING 7 UITSNEDE VERBEELDING BARRO, KAART ELECTRICITEITSVOORZIENING
De 380kV hoogspanningsverbindingen in het plangebied zijn in het Barro aangemerkt als van rijksbelang. Deze verbindingen zijn dan ook met een dubbelbestemming aangegeven op de verbeelding en opgenomen in de planregels. Met deze regeling in dit bestemmingsplan is geen wijziging beoogd ten opzichte van de bestaande situatie.
3.1.4. REGELINGS SPECIFIEKE UITKERING AANKOOP WONINGEN ONDER EEN
HOOGSPANNINGSVERBINDING Alle voor het publiek toegankelijke plaatsen bij hoogspanningslijnen in Nederland voldoen aan de aanbeveling van de Europese Unie dat het magneetveld daar niet sterker mag zijn dan 100 microtesla.
Er is in Nederland dan ook nergens sprake van een onveilige situatie. Het Rijk erkent echter dat er een maatschappelijke wens is ontstaan om bewoners ook in bestaande situaties waar hoogspanningsverbindingen en woningen zich dichtbij elkaar bevinden, te ontlasten. Het beleid is er daarom op gericht bewoners de mogelijkheid te bieden om hun woning door de overheid te laten aankopen via de zogenaamde ‘Regeling specifieke uitkering aankoop woningen onder een hoogspanningsverbinding’. De uitkoopregeling kent een drietal belangrijke pijlers. Ten eerste is van belang dat het uitkopen op vrijwillige basis gebeurt. Niemand wordt gedwongen om te gaan verhuizen. Ten tweede vindt het uitkopen alleen plaats bij woningen die loodrecht onder een bestaande hoogspanningsverbinding staan. Ten derde moet het aankopen van woningen leiden tot structurele beëindiging van de bewoning op de betreffende locatie. Een aangekochte woning dient derhalve aan het woningaanbod te worden onttrokken.
12
Indien een eigenaar zijn woning wil verkopen dan kan hij zich bij de gemeente melden. De woning wordt getaxeerd en gecontroleerd wordt of aan de voorwaarden wordt voldaan. Vervolgens wordt het bedrag, op basis van de getaxeerde marktwaarde, aan de eigenaar voldaan. De gemeente dient dan binnen vier jaar het planologische regime ter plekke te wijzigen. Op deze wijze wordt het niet mogelijk om ter plekke van de uitgekochte woningen nog te kunnen wonen. Deze regeling is daarmee de aanleiding voor dit bestemmingsplan. Het perceel Rivierdijk 42 is in 2017 gekocht door de gemeente Sliedrecht. Het is vereist dat alsnog het planologisch regime wordt gewijzigd om een gebruik als woning uit te sluiten maar wel gebruiksmogelijkheden op te nemen die zich voldoende verdragen met de aanwezigheid van de hoogspanningsverbindingen en ook overigens voldoen aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening.
CONCLUSIE LANDELIJK RUIMTELIJK BELEID Dit bestemmingsplan past binnen de kaders die het Rijk daartoe stelt.
3.2. PROVINCIAAL BELEID 3.2.1. OMGEVINGSVISIE ZUID-HOLLAND Met het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. De provincie heeft zes richtinggevende ambities geformuleerd in de fysieke leefomgeving. Door in te zetten op de zes ambities wordt bijgedragen aan het sterker maken van Zuid-Holland. Deze ambities zijn: • Naar een klimaatbestendige delta; • Naar een nieuwe economie: the next level; • Naar een levendige meerkernige metropool; • Energievernieuwing; • Best bereikbare provincie; • Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. Deze ambities zijn vertaald in beleidskeuzes voor de fysieke leefomgeving.
Toetsing Met name de beleidskeuze gezonde en beweegvriendelijke leefomgeving is voor dit bestemmingsplan van belang. De provincie streeft naar het bevorderen van de gezondheid en het voorkomen van ziektes door het aanbieden van verschillende soorten groen, zoals bos en parken, voor sportieve en recreatieve inspanning en ontspanning. Een leefomgeving die rijk is aan sportief en recreatief beleefbaar groen en water draagt bij aan de gezondheid van de inwoners van Zuid-Holland. In het bestemmingsplan wordt de woonbestemming verwijderd en wordt een passende bestemming Gemengd opgenomen waardoor meerdere functies gebruik mogelijk worden gemaakt. 3.2.2 Omgevingsprogramma Zuid-Holland Op 6 augustus 2021 stelden Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland het Omgevingsprogramma Zuid-Holland vast. Sindsdien is dit programma twee keer gewijzigd, het laatst op 25 augustus 2022. Het Omgevingsprogramma is een uitwerking van de beleidskeuzes in de Omgevingsvisie. Bij het programma behoren 126 kaarten waarop de diverse maatregelen zijn toegelicht. Voor het aspect gezonde en beweegvriendelijke woonomgeving dat hier met name van belang is, is een aantal beleidskeuzes opgenomen in de Omgevingsvisie. Het betreft hier de beleidskeuzes : Beleidskeuzes Lopen
Maatregelen Beleidsuitwerking lopen
13
Sport, recreatie en water- en groenbeleving
Waterrecreatie
Sportief en recreatief aantrekkelijke en beweegvriendelijke leefomngevings
Bevorderen van een sportief en recreatief aantrekkelijke en beweegvriendelijke leefomgeving
Stimuleren groenparticipatie
Groenparticipatie
De keuze voor een gemengde bestemming geeft de mogelijkheid om aan deze beleidskeuzes en maatregelen vorm te geven.
3.2.3. OMGEVINGSVERORDENING ZUID-HOLLAND De Omgevingsverordening vormt de juridische vertaling van de Omgevingsvisie. Op de kaart van de omgevingsverordening zijn ter plekke van het plangebied geen bijzonderheden weergegeven waar rekening mee gehouden dient te worden. In de verordening zelf is, gezien de aard van de ontwikkeling en de ligging in de bebouwde kom, alleen het thema ruimtelijke kwaliteit van belang.
3.2.4. CONCLUSIE PROVINCIAAL RUIMTELIJK BELEID De voorgenomen ontwikkeling is getoetst aan de uitgangspunten en voorwaarden van respectievelijk de omgevingsvisie en de omgevingsverordening. Gebleken is dat de ontwikkeling past binnen het provinciaal beleid.
3.3. GEMEENTELIJK BELEID 3.3.1. OMGEVINGSVISIE SLIEDRECHT De Omgevingsvisie is op 14 december 2021 vastgesteld. Het document bevat de visie van de gemeente Sliedrecht op de fysieke leefomgeving tot 2030. In de visie wordt benoemd dat er gestreefd wordt naar nieuwe groene zones waarin mensen uitgenodigd worden om te bewegen. Het streven naar gezondheid komt ook tot uitdrukking door de uitkoopregeling die sterk gepromoot is binnen de gemeente om zo gezondheidswinst te behalen. Verder is één van de grote wensen om de rivier meer beleefbaar te maken. Een planologische gebruikswijziging voor het pand Rivierdijk 42 kan hier concreet een bijdrage aan leveren. Dit bestemmingsplan past dan ook op meerdere fronten binnen de Omgevingsvisie van de gemeente Sliedrecht.
14
AFBEELDING 8: UITSNEDE VERBEELDING OMGEVINGSVISIE
3.3.2 BESTEMMINGSPLAN WOONGEBIED 2016 Het plangebied ligt in bestemmingsplan ‘Woongebied 2016’ en heeft hierin de enkelbestemmingen ‘Wonen1', en de dubbelbestemming ‘Leiding – hoogspanningsverbinding’. Zoals in paragraaf 2.4 reeds is beschreven, past de ontwikkeling niet in het van kracht zijnde bestemmingsplan waardoor deze planherziening noodzakelijk is.
3.3.3. CONCLUSIE GEMEENTELIJK BELEID Het planvoornemen past binnen de gemeentelijke Omgevingsvisie alsmede andere gemeentelijke beleidsstukken waardoor het gemeentelijk beleid geen belemmering vormt om dit bestemmingsplan vast te stellen.
15
4. ONDERZOEK EN BEPERKINGEN 4.1
MILIEU
4.1.1. Milieu Effect Rapportage In de Wet milieubeheer en in het besluit Milieu effect rapportage (m.e.r.) staan de uitgangspunten van het milieubeleid beschreven. Hierin staat tevens vermeld wanneer er een m.e.r. rapportage moet worden toegepast en of het plan een ontwikkeling omvat die een m.e.r.-(beoordelings)plicht kent. Gelet op het bepaalde in het besluit milieueffectrapportage is beoordeeld of voor de ontwikkeling het opstellen van een milieueffectrapport vereist is. Het ontwikkelen van een park komt niet voor op zowel de C lijst als de D lijst. Een mer beoordeling kan daardoor achterwege blijven. Conclusie Er is geen sprake van aanzienlijke milieueffecten waardoor het opstellen van een milieurapport niet nodig is. 4.1.2. Milieuzonering Bij het opstellen van een ruimtelijk plan voor een bestaand of nieuw te vestigen bedrijfsactiviteit dient rekening te worden gehouden met milieuzonering. Hiermee wordt zorg gedragen voor voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen en milieugevoelige functies zoals wonen. Om dit instrument concreet en hanteerbaar te maken is de brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ uit 2009 van de VNG opgesteld. In deze brochure zijn lijsten met bedrijfscategorieën onderverdeeld in verschillende milieucategorieën met bijbehorende minimale afstanden tot een rustige woonwijk.
Deze minimale afstanden zijn zogenaamde richtafstanden waar soms vanwege specifieke omstandigheden van afgeweken kan worden. In geval van een gemengd gebied mag de richtafstand met één categorie verlaagd worden. Milieucategorie Richtafstand
1 10
2 30
3.1 50
3.2 100
4.1 200
4.2 300
5.1 500
5.2 700
5.3 1.000
6 1.500
Voor wat betreft de Rivierdijk 42 worden hier alleen functies mogelijk gemaakt in milieucategorie 1. Omdat er ter plekke sprake is van het omgevingstype ‘gemengd’ betekent dit dat een afstand van 0 meter aangehouden mag worden. Hierdoor is er ten aanzien van milieuzonering geen probleem. In de omgeving van het plangebied is direct ten westen van het perceel een bedrijfsbestemming gelegen. In de bestaande situatie is deze direct naast de woonbestemming van Rivierdijk 42. De grond ten westen van het perceel heeft de bestemming Bedrijf -2. Hier zijn bedrijfsactiviteiten toegestaan in de milieucategorie 1 en 2. Dat betekent dat hier in de geldende situatie een minimale afstand van 10 meter aanwezig zou moeten zijn tussen bedrijfsbestemming en woning. Aan deze afstand wordt in de bestaande situatie niet voldaan. Doordat de woonbestemming in dit plan wordt opgeheven, verbetert de situatie uit een oogpunt van bedrijven en milieuzonering. In de voorgestelde bestemming wordt geen milieugevoelige bestemming mogelijk gemaakt. Conclusie Het thema milieuzonering is geen belemmering om het bestemmingsplan vast te stellen.
4.2. WATER Met de ruimtelijke plannen dient rekening te worden gehouden met waterhuishoudkundige aspecten,
16
waarbij naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop staan. Deze integratie van water in de ruimtelijke plannen wordt landelijk ondersteund. Met de Startovereenkomst Waterbeleid 21e eeuw (14 februari 2001) is overeengekomen dat nieuwe ruimtelijke plannen een watertoets dienen te bevatten welke de keuzes ten aanzien van waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Europese Kaderrichtlijn Water De startovereenkomst Waterbeleid is enkele maanden later tot stand gekomen dan de Europese Kaderrichtlijn Water. Deze kaderrichtlijn heeft als doel dat er binnen heel Europa duurzaam wordt omgegaan met water. Waterwet Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden, welke het beheer van oppervlaktewater en grondwater regelt en de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De Waterwet is een samenvoeging van een achttal wetten. Met deze wet zijn het Rijk, waterschappen, gemeenten en provincies beter in staat om wateroverlast, waterschaarste en waterverontreiniging tegen te gaan. In deze wet worden verschillende functies toegekend aan het gebruik van het water (zoals scheepvaart, drinkwatervoorziening, landbouw, industrie en recreatie). Afhankelijk van de functie van het gebruik van het water worden verschillende eisen gesteld aan de kwaliteit en de inrichting van het watersysteem.
Het Nationaal Waterplan (2016-2021) Het Nationaal Waterplan is op 10 december 2015 vastgesteld op basis van de Waterwet. In dit plan staan de volgende ambities centraal: ● Nederland blijft de veiligste delta in de wereld ● Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater ● Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht ● Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement ● Nederlanders leven waterbewust Tegelijk met dit plan is het beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren (2016-2021) vastgesteld, waarin wordt beschreven hoe grote rivieren en kanalen, het IJsselmeergebied, de Zuidwestelijke Delta, de Noordzee en de Waddenzee beheerd moeten worden. Waterbeheerprogramma 2016-2021 In 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016 - 2021 vastgesteld door het bestuur van waterschap Rivierenland. Het waterschap geeft zijn taken ten aanzien van waterbeheer vorm in de drie programma's waterveiligheid, waterketen en watersysteem. Watersysteem is opgesplitst in landelijk gebied, stedelijk gebied en de Kaderrichtlijn water. Op deze manier kan er worden omgegaan met klimaatverandering, de groeiende aandacht voor een circulaire economie, het toenemend gebruik van complexe stoffen, de krimp en groei van de bevolking, de schaarser wordende technische kennis en de veranderende houding van de samenleving.
De hoofdambities zijn het gebied beschermen tegen overstromingen, zorgen voor de juiste hoeveelheid water, zorgen voor goede oppervlaktewaterkwaliteit, schoon en vuil water zoveel mogelijk scheiden, de hoogst mogelijke waarde uit water halen en het beheren van de afvalwaterketen en watersysteem als één geheel. Het programma waterveiligheid heeft betrekking op de bescherming tegen overstroming door waterkeringen te laten voldoen aan de veiligheidsnormen die er gelden. Dit wordt gedaan aan de hand van het meerlaagse veiligheidsprogramma van het Rijk. De eerste laag is gericht op het voorkomen van overstromingen. De tweede laag richt zich op het beperken van de gevolgen van een overstroming en de derde laag richt zich op gevolgbeperking door adequate hulpverlening en zelfredzaamheid. Hierdoor kan er per locatie en situatie worden besloten welke maatregelen er dienen te worden genomen.
17
Het programma watersysteem kan worden verdeeld in drie onderdelen, landelijk gebied, stedelijk gebied en Kaderrichtlijn water. Het programma van landelijk gebied richt zich op voldoende en schoon oppervlaktewater. De inzet is gericht op de juiste hoeveelheid oppervlaktewater van de juiste chemische en ecologische kwaliteit, op de juiste plek en op het juiste moment. Op deze manier kunnen inwoners optimaal wonen, werken en recreëren. Dit wordt gedaan door de focus te leggen op de potentie van de haarvaten en de samenhang tussen stedelijk en landelijk gebied. Daarbij gaat naast de inrichting steeds meer aandacht uit naar beheer en onderhoud. Een goede harmonie met de ruimtelijke inrichting en grondgebruik is essentieel. In het stedelijk gebied ligt er ook nog een opgave voor klimaatadaptatie en piekbeheer. In beide gebieden dient er rekening te worden gehouden met de Europese Kaderrichtlijnen. Het derde programma is gericht op waterketen met water op landelijk, stedelijk en Europees niveau. Nieuwe ontwikkelingen, zoals een circulaire economie, bevolkingskrimp- en groei en klimaatverandering hebben invloed op de waterketen. Hierdoor is er extra aandacht voor communicatie en maatwerk noodzakelijk.
Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. Watertoets De functiewijziging aan de Rivierdijk 42 leidt niet tot extra verharding. Verder zijn er op de Legger wateren geen bijzonderheden te zien voor het plangebied. De Legger waterkeringen van het waterschap is gebruikt om de situering van de waterkeringen vast te leggen in dit bestemmingsplan. Conclusie Vanuit het thema water zijn er geen belemmeringen om het bestemmingsplan vast te stellen.
4.3. BODEM Artikel 8 van de Woningwet bepaalt dat de bouwverordening voorschriften bevat omtrent het tegengaan van het bouwen van een bouwwerk op verontreinigde bodem. Nu er geen sprake is van het bouwen van een bouwwerk, is een bodemonderzoek niet noodzakelijk. Er hoeft thans geen bodemonderzoek uitgevoerd te worden voor wijziging van het bestemmingsplan. Het inventariseren van (potentieel) ernstige gevallen van bodemverontreiniging binnen het plangebied is voldoende voor de bestemmingsplanwijziging. Deze inventarisatie is voor dit perceel niet uitgevoerd. Uit een quickscan door OZHZ (raadplegen bodeminformatiesysteem, historische kaarten en bodemkwaliteitskaart) volgt dat het perceel reeds sinds de 19e eeuw bewoond is, en op het perceel geen historische activiteiten bekend zijn die mogelijk een bodemverontreiniging hebben veroorzaakt. Wel is het perceel onder invloed geweest van de rivier Beneden Merwede en hebben mogelijk in het verleden ophogingen plaatsgevonden op het perceel. Mogelijk heeft dit geleid tot de aanwezigheid een sterke bodemverontreiniging. De locatie maakt dan ook deel uit van de zone 'industrie heterogeen' op de ontgravingskaart.
Aangezien de locatie op basis van het huidige bestemmingsplan uit 2016 geschikt wordt geacht voor wonen, wordt verwacht dat mogelijk aanwezige bodemverontreiniging geen belemmering vormt voor de wijziging van het bestemmingsplan naar bestemming gemengd. Voor toekomstige herontwikkeling of specifiek gebruik van het pand is wel bodemonderzoek benodigd. Voorafgaand aan eventuele herontwikkeling of andere grondwerkzaamheden op de locatie dient de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem te worden onderzocht door middel van een verkennend
18
bodemonderzoek conform de geldende richtlijnen. Omdat de bodemkwaliteit op de locatie nog niet is onderzocht kan er sprake kan zijn van sterke verontreinigingen. Afhankelijk van het toekomstige gebruik kan er wel bodemonderzoek nodig zijn voor de ingebruikname van het pand. In hoeverre er daadwerkelijk sprake is van een sterke verontreiniging en of de saneringskosten een belemmering vormen voor de geplande ontwikkelingen op de locatie, is op basis van de beschikbare informatie niet door ons in te schatten. De bestemmingsplanwijziging kan, voor wat de bodem betreft, wel plaatsvinden.
Conclusie Vanuit het thema bodem zijn er geen belemmeringen om het bestemmingsplan vast te stellen.
4.4. NATUUR Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen invloed hebben op de natuur. De Wet natuurbescherming bevat alle regels voor de bescherming van zowel soorten als natuurgebieden. Soortenbescherming De bescherming van in het wild voorkomende planten- en diersoorten is vastgelegd in de Wet natuurbescherming. De Europese Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn zijn voor Nederland geïmplementeerd in deze wet. Op grond van de Wet natuurbescherming gelden diverse verbodsbepalingen, zoals het doden van specifiek aangewezen vogel- en vleermuissoorten. Ten behoeve van dit bestemmingsplan is onderzoek gedaan naar beschermde soorten in het plangebied in de vorm van een quick scan flora en fauna Het onderzoek is uitgevoerd door Breur ecologie en onderzoek d.d. 23-12-2022. Het onderzoeksrapport is als bijlage bij de toelichting van dit bestemmingsplan gevoegd. Het doel van dit ecologisch onderzoek is om antwoord te geven op de volgende vragen: • • •
Zijn beschermde soorten flora en fauna (potentieel) aanwezig in het plangebied? Leidt de geplande ontwikkeling tot een overtreding van de Wet natuurbescherming?
Dienen er vervolgstappen genomen te worden in het kader van de Wet natuurbescherming?
Het onderzoek heeft tot de volgende conclusies geleid: •
•
•
•
Het plangebied biedt potentie voor aanwezigheid van verschillende beschermde soorten, aanvullend onderzoek is nodig naar: ◦ Huismus ◦ Gierzwaluw ◦ Vleermuizen Indien deze soorten inderdaad in het plangebied aanwezig zijn dan dient men een ontheffing aan te vragen in het kader van de Wet natuurbescherming. De potentie voor bovengenoemde soorten is slechts marginaal aanwezig ter plaatse van de overhangende dakpannen aan de kopse gevels. Aanbevolen wordt om gebouwinspectie uit te voeren waarbij de dakpannen worden gelicht aan bij deze kopse zijden. Op basis hiervan kan het mogelijk zijn om potentie voor soorten alsnog uit te sluiten. Het plangebied is geschikt als nesthabitat voor algemene broedvogels. Nesten van deze vogels zijn alleen beschermd wanneer zij in gebruik zijn. Bij het plannen van eventuele sloop- en kapwerkzaamheden wordt daarom aangeraden om rekening te houden met het broedseizoen: grofweg van half maart t/m half juli. Het plangebied is geschikt voor onbeschermde dan wel vrijgestelde soorten (zoals algemene muizensoorten, egel, gewone pad). Het aanvragen van een ontheffing is voor deze soorten niet nodig, wel geldt te allen tijde de zorgplicht (zie aanbevelingen).
19
•
Voor alle soorten flora en fauna (beschermd en onbeschermd) geldt te allen tijde de zorgplicht. Dit betekent dat de initiatiefnemer verplicht is om zorgvuldig te werken en dat onnodige schade aan planten of dieren altijd dient te worden voorkomen.
Natura 2000 gebieden Natura 2000 is een netwerk van Europese natuurgebieden. Deze gebieden zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen. In Nederland zijn deze richtlijnen geïmplementeerd in de Wet natuurbescherming. Nederland heeft ruim 160 Natura 2000-gebieden. Per gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen vastgelegd voor de soorten waarvoor het gebied een belangrijke functie heeft. Activiteiten in Natura 2000-gebieden zijn alleen toegestaan als significant negatieve effecten op de gestelde instandhoudingsdoelstellingen zijn uitgesloten, of als een afweging heeft plaatsgevonden over alternatieven, dwingende redenen van groot openbaar belang en de inzet van compenserende maatregelen. Het projectgebied bevindt zich niet in de directe nabijheid van een gebied dat is aangewezen als Europees Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde beschermde gebied is de Biesbosch dat op ongeveer 0,3 kilometer van het plangebied gelegen is. Andere gebieden zoals de Donkse Laagten en de Boezems Kinderdijk liggen op ruim 6 kilometer afstand. Eventueel verstorende factoren zoals oppervlakteverlies, versnippering, verdroging en verstoring door trilling, licht en geluid zijn, mede gezien de aard van de voorgenomen planontwikkeling, niet te verwachten.
Daarnaast blijkt uit het rapport Gebiedsaanpak stikstof van de provincie Zuid-Holland dat de Donkse Laagten en de Boezems Kinderdijk geen stikstofgevoelige gebieden zijn. De Biesbosch is dit wel het is aannemelijk, mede door de gebruiksfase, dat dit initiatief geen stikstofeffecten op een Natura 2000-gebied veroorzaakt die hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jaar. Er heeft een nader onderzoek plaatsgevonden door RPG consult te Groningen d.d. 19 oktober 2023. Op basis van dit onderzoek is de conclusie dat e voorgenomen activiteiten leiden qua stikstofdepositie niet tot een significante toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden. De toename van stikstofdepositie blijft, met toepassing van intern salderen afgerond onder 0,01 mol/ha/jaar. Dit project heeft derhalve geen vergunningplicht Wet natuurbescherming.
AFBEELDING 9: SITUERING NATURA 2000 T.O.V. PLANGEBIED (IN ROOD)
Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland. Wanneer natuurgebieden en de daarin voorkomende soorten geïsoleerd komen te liggen, bijvoorbeeld door bebouwing en infrastructuur, bestaat het risico dat soorten niet kunnen overleven en het natuurgebied zijn waarde verliest. Door het aaneenschakelen van natuurgebieden wordt een bijdrage geleverd aan het voorkomen van deze achteruitgang van natuur en biodiversiteit. Provincies wijzen de NNN-gebieden aan en deze worden op hun beurt vastgelegd in ruimtelijke plannen van de gemeenten. De ecologische hoofdstructuur is planologisch beschermd met het
20
‘nee, tenzij’-principe. Nieuwe ontwikkelingen zijn niet toegestaan als zij het gebied aantasten, tenzij er geen alternatieven zijn en de ontwikkeling van groot openbaar belang is. Schadelijke effecten op de natuur dienen te worden gecompenseerd. Uit de kaart behorende bij de provinciale omgevingsverordening blijkt dat het dichtstbijzijnde aangewezen gebied, dat niet aangewezen is als Natura 2000-gebied, op ongeveer 300 meter. Het betreft een gebied in het uiterste zuidoosten van de gemeente Sliedrecht dat zich ook uitstrekt naar de gemeente Hardinxveld-Giessendam. Gezien deze afstand, de huidige functie van het gebied en de aard van de ontwikkeling zijn er geen effecten op dit Natuurnetwerk gebied te verwachten. Laat staan dat de instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van dit gebied in het gedrang komt. Het thema ecologie vormt daardoor geen belemmering voor de verlening van de vergunning.
AFBEELDING 10: SITUERING NATUURNETWERK T.O.V. PLANGEBIED (IN ROOD)
Conclusie Vanuit het thema ecologie zijn er geen belemmeringen om het bestemmingsplan vast te stellen.
4.5. CULTUURHISTORIE Vanaf 1 januari 2012 bevat een ruimtelijk plan volgens het Besluit ruimtelijke ordening verplicht een analyse van de cultuurhistorische waarden. Zo dient beschreven te worden hoe met de aanwezige cultuurhistorische waarden en met de in de grond aanwezige of te verwachten cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. De in het plangebied aanwezige woningen zijn niet als monument aangewezen, en ook anderszins niet cultuurhistorisch waardevol. Ook andere mogelijke cultuurhistorische aspecten, zoals monumentale bomen of ander historisch groen, zijn niet in het plangebied aanwezig. Verder heeft het plangebied in het van kracht zijnde bestemmingsplan geen dubbelbestemming ten aanzien van archeologie. Bij de sloop van de woningen zijn er dan ook geen cultuurhistorische waarden in het geding. Conclusie Vanuit het thema cultuurhistorie is er daarom geen belemmering om het bestemmingsplan vast te stellen.
4.6. GELUID 21
De Wet geluidhinder biedt geluidsgevoelige bestemmingen, zoals woningen bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai, spoorweglawaai en industrielawaai door middel van zonering. Op grond van de Wet geluidhinder zijn normen gesteld met betrekking tot de maximale geluidsbelasting op de gevel van geluidgevoelige bestemmingen. Op grond van de Wet geluidhinder moet aan deze normen worden voldaan indien een geluidgevoelige bestemming binnen een wettelijke geluidszone is gelegen. In het pand Rivierdijk 42 kan ruimte worden gemaakt voor een kleinschalig bedrijf in milieucategorie 1, kleinschalig kantoor of een huisarts/tandarts of iets dergelijks. Dit zijn geen geluidsgevoelige bestemmingen en in redelijkheid is ook geen onaanvaardbare geluidhinder hierdoor op omliggende woningen te verwachten. Hierdoor is akoestisch onderzoek niet noodzakelijk. Conclusie Vanuit het thema geluid zijn er geen belemmeringen om het bestemmingsplan vast te stellen.
4.7. LUCHT De Wet luchtkwaliteit is een onderdeel van de Wet milieubeheer en bevat de belangrijkste wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit. In bijlage II van de Wet milieubeheer zijn voor verschillende stoffen grenswaarden opgenomen. Uit metingen van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit blijkt dat alleen de concentraties stikstofdioxide en fijn stof problemen op kan leveren met de wettelijke grenswaarden in Nederland. Bij de ontwikkeling van ruimtelijke plannen dient er rekening gehouden te worden met het feit dat de initiatieven uitgevoerd kunnen worden als: - de grenswaarden van bijlage II van de Wet milieubeheer niet worden overschreden - de luchtkwaliteit verbetert of ten minste gelijk blijft per saldo - het initiatief niet in betekenende mate invloed op de luchtkwaliteit heeft (concentratie stikstofdioxide of fijn stof) - het initiatief opgenomen is in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Een initiatief draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan luchtverontreiniging, als de hoeveelheid stikstofdioxide en fijn stof met maximaal 3% verhogen. Voor een aantal projecten is getalsmatig een grens aan deze NIBM grens gegeven. Een voorbeeld hiervan is dat bij de bouw van 1500 woningen en 1 ontsluitingsweg het jaarlijks percentage stofdeeltjes omhoog kan gaan.
Om de aanwezige luchtkwaliteit nader te beschouwen is gebruik gemaakt van de NSL monitoringstool voor fijnstof (PM 2,5 en PM10) en stikstofoxide. Uit de monitoringstool blijkt dat het hele plangebied in de laagste categorie scoort zodat gesteld kan worden dat de luchtkwaliteit ter plekke goed is. Dit geldt voor de jaren 2019, 2020 en 2030. Conclusie Het voorliggende plan waarin alleen sprake is van een functiewijziging, staat zover verwijderd van de minimale grens van 1500 woningen, dat gesteld kan worden dat vanuit het thema lucht geen belemmeringen zijn om het bestemmingsplan vast te stellen.
4.8. EXTERNE VEILIGHEID Bij het aspect externe veiligheid gaat het om het mogelijk maken van risicobronnen (zoals inrichtingen, vliegvelden en transport van gevaarlijke stoffen) en aan de andere kant bestemmingen die bescherming nodig hebben. Er wordt gekeken naar de risico’s van de activiteiten voor onder andere omwonenden. Het risico wordt getoetst aan de normen van plaatsgebonden risico en groepsrisico. Daarnaast is het plasbrandaandachtsgebied relevant.
22
Plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon op een bepaalde locatie overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen (als hij onafgebroken en onbeschermd op die locatie zou verblijven). De omvang van het risico is hierbij afhankelijk van de afstand (hoe groter de afstand, hoe kleiner het risico). De norm die hierbij gesteld is, is één op één miljoen per jaar. Deze norm geldt als grenswaarde voor kwetsbare objecten (woningen, gebouwen met opvang voor minderjarigen. ouderen, zieken en gebouwen waar een groot aantal personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig zijn) en als richtlijn voor beperkt kwetsbare objecten (o.a. verspreid liggende woningen, kleinere winkel- en kantoorpanden en sportaccommodaties). Het groepsrisico is de kans dat een groep van 10 of meer personen tegelijk overlijden als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Hierbij is geen norm gesteld, maar een oriëntatiewaarde. Als het groepsrisico toeneemt kan de oriëntatiewaarde overschreden worden. Dit is alleen mogelijk als dit wordt gemotiveerd door de gemeente middels een verantwoordingsplicht. Het plasbrandaandachtsgebied geeft het gebied aan dat een persoon, onbeschermd, als gevolg van de stralingswarmte overlijdt. Voor een aangewezen PAG is de huidige maximale afstand 30 meter.
Er zijn niet alleen veiligheidsnormen voor inrichtingen zoals tankstations of opslagplaatsen voor gevaarlijke stoffen , maar ook voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. De externe veiligheid focust zich op de beheersing van de risico’s van: - gebruik, opslag en productie van gevaarlijke stoffen - BEVI, Besluit externe veiligheid inrichtingen - transport van gevaarlijke stoffen (buisleidingen, over water, wegen en spoorwegen) - Bevt, Besluit externe veiligheid transportroutes - Bevb, Besluit externe veiligheid buisleidingen - gebruik van luchthavens Om de risico’s ten aanzien van veiligheid in kaart te brengen wordt normaal gesproken gebruik gemaakt van de risicokaart. De woning aan de Rivierdijk 42 wordt mogelijk omgezet naar een kleinschalig bedrijf, kleinschalig kantoor of een huisarts/tandarts of iets dergelijks. Dit is vanuit externe veiligheid gezien geen probleem. Transportroute gevaarlijke stoffen Vermelden dat Merwede transportroute voor gevaarlijke stoffen i Uit de risicokaart blijkt dat de Merwede een transport route is voor gevaarlijke stoffen. De VRZHZ ziet graag dat we dit opnemen in het Bestemmingsplan en dat we vermelden dat het nieuwe bestemmingsplan/ de bestemmingsplanwijziging doorgevoerd kan worden ondanks dit gegeven. Vrijwaringszone vaarweg In het Barro zijn een aantal punten opgenomen die van belang zijn voor dit bestemmingsplan.
Zo geldt op grond van artikel 2.1.2 Barro langs rijksvaarwegen een vrijwaringszone. De breedte hiervan is afhankelijk van de CEMT-klasse van de vaarweg. De rivier Beneden Merwede is direct ten zuiden / aan de zuidzijde van het plangebied gelegen. Omdat deze vaarweg veel gebruikt wordt door de beroepsvaart, is deze rivier aangemerkt als CEMT-klasse VIc. Dit betekent, dat de breedte van de vrijwaringszone op grond van artikel 2.1.2 Barro 25 meter bedraagt vanaf de begrenzingslijn van de rijksvaarweg, zoals opgenomen in de legger. Deze vrijwaringszone is op de verbeelding behorende bij dit bestemmingsplan opgenomen Plasanaandachtsgebied Het realiseren van nieuwe verblijfsgebouwen (kwetsbare objecten) in plasbrand aandachtsgebieden binnen 25 meter vanuit de oevers van de Beneden Merwede en Nieuwe Merwede is uitgesloten. Voor wat betreft het plasbrandaandachtsgebied wordt opgemerkt dat het bestemmingsplan binnen die afstand geen nieuwe verblijfsgebouwen toestaat. Dit blijkt uit de bestemmingstoedeling.
23
Aandachtspunt is het realiseren van een eventueel vulpunt voor de brandweer Conclusie Vanuit het thema externe veiligheid zijn er geen belemmeringen om het bestemmingsplan vast te stellen.
4.9
GEZONDHEID
De Rivierdijk 42 ligt tegen de rivier de Merwede aan onder een 380 kV hoogspanningslijn. Op het perceel staat een vrijstaande woning met aanbouw die in goede staat is. Sinds enkele jaren neemt de bezorgdheid toe over een mogelijk nadelig effect van bovengrondse hoogspanningslijnen op de gezondheid van omwonenden en vooral op het ontstaan van leukemie bij kinderen. Het gaat daarbij om mogelijk schadelijke ELF-EM (Extreem Laag Frequente-ElectroMagnetische straling). Gezondheidseffecten en richtlijnen Het ministerie (VROM) heeft eerder in 2008 toegelicht dat bestemmingen waar kinderen (tot 16 jaar) Langdurig kunnen verblijven worden aangemerkt als gevoelig. Het gaat hierbij om woningen, scholen, crèches en kinderopvangplaatsen. In 2021 heeft de minister aangegeven voorzorgsbeleid te blijven voeren om zoveel als redelijkerwijs mogelijk te voorkomen dat kinderen (tot 16 jaar) langdurig worden blootgesteld aan magneetvelden. De voorgestelde bestemmingswijziging 'maatschappelijk' levert geen verwachte gezondheidsproblemen op met uitzondering van maatschappelijke voorzieningen zoals een kinderdagverblijf, een crèche of onderwijs aan kinderen. Er dient vermeden te worden dat kinderen tot 16 jaar langdurig in het elektromagnetische veld verblijven.
Advies Gezondheidsraad: https://www.gezondheidsraad.nl/documenten/adviezen/2018/04/18/hoogspanningslijnen-engezondheid-deel-kanker- bij-kinderen Advies van de GGD Er kan gesteld worden dat een aantal maatschappelijke voorzieningen mogelijk zijn in een pand onder een hoogspanningsleiding indien er sprake is van een beperkte verblijfsduur van de gebruikers van het pand. Wanneer er een aantal dagen per jaar, een aantal uren per dag, gebruik gemaakt word van deze locatie kan dit zeker. De GGD adviseert om bij elke functiewijzing deze ook voor te leggen aan de betrokken arbodiensten. Daarnaast heeft de GGD het volgende advies afgegeven over mogelijke gezondheidsrisico’s. De uitkoopregeling bij wonen onder hoogspanningslijnen is gerelateerd aan het landelijk voorzorgbeleid van de Rijksoverheid met betrekking tot bovengrondse hoogspanningslijnen. Sinds 2005 adviseert de Rijksoverheid om, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen.. Het is een advies aan gemeenten, provincies en netbeheerders. Het advies richt zich op de volgende verblijfplaatsen van kinderen: woningen, scholen, crèches en kinderopvangplaatsen. Toetsing Zowel incidenteel gebruik door kinderen als langdurig gebruik door volwassenen anders dan bewoning zal
24
dus volgens de huidige inzichten niet tot een verhoogd risico op gezondheidseffecten leiden. De GGD verwacht geen gezondheidseffecten voor medewerkers of bezoekers door de locatie van het pand onder de hoogspanningslijn.
25
5. ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID In de Wet ruimtelijke ordening (Wro), in relatie tot artikel 6.2.1. van het Besluit ruimtelijke ordening, is het voor een aantal bouwplannen, wanneer de bouw planologisch wordt mogelijk gemaakt middels een bestemmingsplan verplicht een exploitatieplan op te stellen. Dit gaat onder andere om de volgende bouwplannen: a) de bouw van meerdere woningen; b) de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; c) de uitbreiding van het hoofdgebouw met minimaal 1000 m² of met een of meer woningen; d) de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; e) de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1500 m² brutovloeroppervlakte bedraagt; f) de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1000 m² bruto-vloeroppervlakte. Dit plan maakt geen categorie mogelijk zoals hierboven aangegeven. Gelet hierop bestaat er geen verplichting tot het vaststellen van een exploitatieplan. De gemeente Sliedrecht draagt, als eigenaar van de gronden, alle kosten van de ruimtelijke procedure, inclusief eventuele planschade.
Volgens vaste jurisprudentie is hiermee de economisch-financiële haalbaarheid aangetoond.
26
6. MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID Hetontwerpbestemmingsplan heeft, samen met de bijbehorende stukken, vanaf 21 december 2023 tot en met 31 januari 2024 (zes weken) ter inzage gelegen. Er zijn geen zienswijzen ingediend. Het ontwerpbestemmingsplan is in het kader van het wettelijk vooroverleg aangeboden aan partners van gemeente Sliedrecht. Dit heeft niet geleid tot aanpassing van het bestemmingsplan.
27