Alle verordeningen incl. wijz. 2024 t.o.v. 2023.pdf
Tekst van het document
Geabonneerde vaartuigen waarmede geen gebruik meer wordt gemaakt van gemeentewerken Er bestaat geen aanspraak op restitutie indien het havengeld bij abonnement is geheven en het gebruik of genot van de in artikel 1 genoemde gemeentewerken wordt beëindigd voordat de geldigheidsduur van het abonnement is verstreken. Artikel 11 Vervanging van het vaartuig Indien een vaartuig, waarvoor het havengeld bij abonnement is voldaan, in de loop van het belastingjaar wordt vervangen door een ander vaartuig, wordt op schriftelijke aanvraag van de houder het abonnement geldig verklaard voor het nieuwe vaartuig. Zou voor het nieuwe vaartuig het havengeld hoger zijn dan voor het vaartuig waarvoor het abonnement is afgegeven, dan moet het verschil in havengeld, berekend over een vol jaar of een vol kwartaal, worden bijbetaald. Artikel 12 Tijdelijke vervanging van vaartuigen 1. Indien een vaartuig, waarvoor het havengeld bij abonnement is voldaan, wegens herstelling of onderhoud tijdelijk wordt vervangen door een ander vaartuig is het abonnement tijdens de duur van de werkzaamheden geldig voor het vervangende vaartuig met dien verstande, dat indien het vervangende vaartuig een grotere tonnage resp. oppervlakte heeft dan het vervangen vaartuig, voor het verschil havengeld geheven wordt naar het tarief berekend per reis. 2.
Het bepaalde in het eerste lid is alleen van toepassing, indien de houder van het geabonneerde vaartuig de voorgenomen vervanging, onder opgaaf van de oorzaak van de vervanging, de tijdstippen van aanvang en de vermoedelijke beëindiging daarvan en de plaats waar de herstelling of het
30
onderhoud geschiedt, tenminste een week tevoren schriftelijk meldt aan de havenmeester en zolang niet aan de havenmeester schriftelijk is gemeld, dat de vervanging heeft opgehouden. Artikel 13 Vrijstelling Geen havengeld wordt geheven van: a. Vaartuigen in directe dienst van het rijk, voor zover vrijstellingen krachtens wettelijke voorschriften moet worden verleend; b. Hospitaalvaartuigen, indien daarop de in artikel 1 van het Traktaat van 21 december 1904 (goedgekeurd bij de Wet van 30 december 1905, Staatsblad 383), bedoelde vrijstelling van ten behoeve van de staat geheven havenrechten van toepassing is; c. Roeiboten, behorende, bij vaartuigen, geen pleziervaartuigen of woonschepen zijnde, waarvoor havengeld geheven wordt; d. Vaartuigen, die ten gevolge van ijsgang of andere weersomstandigheden gedwongen zijn langer dan veertien dagen in de haven te verblijven. e. Vaartuigen welke niet langer dan drie achtereenvolgende uren gebruik maken van een speciaal daartoe door de havenmeester aan te wijzen ligplaats, mits deze tijd uitsluitend wordt benut om in de gemeente inkopen te doen of zaken te behandelen, niet laden of lossen en geen passagiers in- of ontschepen; f. Vaartuigen in beheer van de gemeenschappelijke regeling Veiligheidsregio Zuid-Holland, welke zijn ingericht voor de brandbestrijding te water.
Artikel 14 Wijze van heffing De rechten worden geheven bij wege van een gedagtekende kennisgeving, nota of ander schriftuur waarop het gevorderde bedrag is vermeld. Artikel 15 Termijn van betaling 1. De rechten moeten worden betaald op het moment van de uitreiking van de in artikel 14 bedoelde kennisgeving. 2. Ingeval de kennisgeving wordt toegezonden, moeten de rechten worden betaald binnen een maand na dagtekening van de schriftelijke kennisgeving. Artikel 16 Meldingsplicht Elke schipper of gezagvoerder van een vaartuig en elke bewoner van een woonschip is verplicht terstond, nadat het gebruik of genot van de in artikel 1 bedoelde gemeentewerken een aanvang heeft genomen, daarvan melding te maken ten kantore van de havenmeester. Artikel 17 Aanduiding op woonschip Woonschepen moeten aan de buitenzijde voorzien zijn van de naam van het schip, welke duidelijk zichtbaar ter weerszijden van de voorkant van het schip is aangebracht of bij gebreke van een naam van een door de havenmeester op te geven nummer, dat met cijfers van 10 cm hoogte op dezelfde wijze en plaats is aangebracht. Artikel 18 Kwijtschelding Bij de invordering van havengeld wordt geen kwijtschelding verleend. Artikel 19 Inwerkingtreding 1.
De "Verordening havengeld 2023” van 13 december 2022 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor deze datum hebben voorgedaan. 2. Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2024. 3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2024. 4. Deze verordening kan worden aangehaald als de “Verordening havengeld 2024 gemeente Sliedrecht”.
31
Vastgesteld in de openbare vergadering van de raad der gemeente Sliedrecht op 12 december 2023. De griffier,
De voorzitter,
Mr. R.P.A. van Aalst
mr. drs. J.M. de Vries
32
Versie geldig vanaf 1 januari 2024
Verordening hondenbelasting 2024 gemeente Sliedrecht
Verantwoordelijke afdeling
Beheer Openbare Ruimte, team Financiën & Control De getoonde verordeningen zijn een weergave van de actuele situatie. Voor historische informatie hiervan kunt u contact opnemen met de Servicegemeente Dordrecht, onderdeel Documentaire Informatievoorziening, e-mail: gemeente@sliedrecht.nl.
De raad van de gemeente Sliedrecht; gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 14 november 2023; gelet op de artikel 226 van de Gemeentewet; besluit: vast te stellen de Verordening op de heffing en invordering van hondenbelasting 2024. Artikel 1 Belastbaar feit Onder de naam "hondenbelasting" wordt een directe belasting geheven ter zake van het houden van een hond binnen de gemeente. Artikel 2 Belastingplicht 1. Belastingplichtig is de houder van een hond; 2. Als houder wordt aangemerkt degene die onder welke titel dan ook een hond onder zich heeft, tenzij blijkt dat een ander de houder is; 3. Het houden van een hond door een lid van het huishouden wordt aangemerkt als het houden van een hond door de in artikel 232, vierde lid, onderdeel a, van de Gemeentewet bedoelde ambtenaar aan te wijzen lid van dat huishouden. Artikel 3 Vrijstellingen 1. In dit artikel wordt verstaan onder hondenasiel: aan één locatie gebonden ruimte of ruimtes bestemd of gebruikt voor het in bewaring houden van honden die zwervend zijn aangetroffen, dan wel waarvan door de eigenaar permanent afstand is gedaan, welke locatie als inrichting is aangemeld overeenkomstig artikel 3.7, eerste lid, van het Besluit houders van dieren. 2. De belasting wordt niet geheven ter zake van honden: a.
die zijn opgeleid tot en dienen als blindengeleidehond en in hoofdzaak als zodanig door een blind persoon worden gehouden; b. die jonger zijn dan drie maanden, voor zover zij tezamen met de moederhond worden gehouden; c. waarvan de houder in het bezit is van een geldend diploma van de Koninklijke Nederlandse Politiehondenvereniging, mits de houder zich verbindt zijn hond met begeleider, aan wiens bevelen de hond gehoorzaamt, op aanvraag aan de politie ter beschikking te stellen; d. die zijn opgeleid tot en dienen als assistentiehond en in hoofdzaak als zodanig door een gehandicapt persoon worden gehouden; e. die verblijven in een hondenasiel.
33
Artikel 4 Maatstaf van heffing De belasting wordt geheven naar het aantal honden dat wordt gehouden. Artikel 5 Belastingtarief 1. De belasting bedraagt per belastingjaar a. voor de eerste hond € 78,12 ( 75,84); b. voor de tweede hond € 131,16 (127,32); c. voor iedere hond boven het aantal van twee € 209,88 (203,64); 2. In afwijking van het eerste lid bedraagt de belasting voor honden, gehouden in een kennel, per belastingjaar, per kennel € 1.069,44 (1.037,40). Voor de toepassing van de vorige volzin wordt onder kennel verstaan een inrichting als bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, van het Besluit houders van dieren, bestemd en gebruikt voor het fokken van honden voor de verkoop of aflevering van nakomelingen. Artikel 6 Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 7 Wijze van heffing De belasting wordt bij wege van aanslag geheven. Artikel 8 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1. De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. 2.
Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, dan wel het aantal honden in de loop van het belastingjaar toeneemt, is de belasting , respectievelijk de hogere belasting ter zake van het toegenomen aantal honden, verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, respectievelijk de toename van het aantal honden, nog volle kalendermaanden overblijven. 3. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid van dit artikel wordt van de belastingplichtige, die zich in de loop van het belastingjaar in onze gemeente vestigt en die ten genoegen van het college van burgemeester en wethouders aantoont dat hij in de gemeente van herkomst voor dezelfde hond(en) over een bepaald tijdvak van het belastingjaar is of wordt aangeslagen en geen dan wel slechts gedeeltelijk aanspraak op vermindering of ontheffing kan doen gelden, slechts voor het nog resterende gedeelte van het belastingjaar geheven. 4. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, dan wel het aantal honden in de loop van het belastingjaar vermindert, zonder dat in hetzelfde belastingjaar opnieuw belastingplicht intreedt, bestaat aanspraak op ontheffing c.q.
terugbetaling van reeds betaalde belasting voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat belastingjaar verschuldigde belasting als er in dat belastingjaar, na het einde van de belastingplicht respectievelijk de vermindering van het aantal honden, nog volle kalendermaanden overblijven. De aanvraag ter bekoming van deze ontheffing c.q. teruggaaf behoort duidelijk aan te geven de reden van het ophouden van de belastingplicht, alsmede de naam en woonplaats van degene, aan wie de hond eventueel werd overgedaan. 5. Belastingbedragen van minder dan € 10,- worden niet geheven; 6. Voor de toepassing van het vijfde lid wordt het totaal van op één aanslagbiljet verenigde belastingaanslagen aangemerkt als één belastingaanslag. Artikel 9 Termijnen van betaling 7. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald uiterlijk op de laatste dag van de tweede maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld. 8. In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, minder is dan € 20.000, en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen
34
worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke termijnen, waarbij de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 9. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen. Artikel 10 Inwerkingtreding en citeertitel 5. De "Verordening hondenbelasting 2023" van 13 december 2022 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 6. Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2024. 7. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2024. 8. Deze verordening kan worden aangehaald als "Verordening hondenbelasting 2024 gemeente Sliedrecht". Vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Sliedrecht op 12 december 2023. De griffier,
De voorzitter,
Mr. R.P.A van Aalst
mr. drs. J.M. de Vries
35
Verordening leges 2024 gemeente Sliedrecht Verantwoordelijke afdelingen
Dienstverlening, Samenleving en Beheer Openbare Ruimte De getoonde verordeningen zijn een weergave van de actuele situatie. Voor historische informatie hiervan kunt u contact opnemen met de Servicegemeente Dordrecht, onderdeel Documentaire Informatievoorziening, e-mail: gemeente@sliedrecht.nl.
De structuur van de nieuwe legesverordening heeft als gevolg van de nieuwe Omgevingswet zodanige wijzigingen ondergaan dat het praktisch bezien onmogelijk is om een vergelijking van 2024 ten opzichte van 2023 goed inzichtelijk te maken. Om die reden is hiervan afgezien. In het raadsvoorstel zijn de bedragen die gewijzigd zijn toegelicht.
36
Versie geldig vanaf 1 januari 2024
Verordening marktgelden 2024 gemeente Sliedrecht
Verantwoordelijke afdeling
Beheer Openbare Ruimte De getoonde verordeningen zijn een weergave van de actuele situatie. Voor historische informatie hiervan kunt u contact opnemen met de Servicegemeente Drechtsteden, onderdeel Documentaire Informatievoorziening, e-mail: gemeente@sliedrecht.nl.
De raad van de gemeente Sliedrecht; gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 14 november 2023; gelet op artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdelen a. en b. van de Gemeentewet; besluit: vast te stellen de Verordening op de heffing en invordering van marktgelden 2024
Artikel 1 Belastbaar feit Onder de naam "marktgelden" wordt een recht geheven voor het: 1. innemen van een standplaats voor het ten verkoop aanbieden of voorradig hebben van goederen op de daarvoor in het "Inrichtingsplan en nadere regels behorende bij de markt" aangewezen tijd en plaats; 2. gebruik maken van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten ten behoeve van reclame- en promotieactiviteiten, verder te noemen reclame-/promotiegeld. Artikel 2 Belastingplicht Het recht als bedoeld in artikel 1 wordt geheven van degene aan wie door het college vergunning is verleend voor het innemen van een standplaats. Artikel 3 Maatstaf van heffing Het recht wordt geheven naar de oppervlakte van de in artikel 1 bedoelde standplaats plus een vast bedrag per markthandelaar voor reclame-/promotiegeld. Dit bedrag wordt verhoogd indien gebruik wordt gemaakt van de elektriciteitsvoorziening. Artikel 4 Belastingtarief 1. Het marktgeld bedraagt voor het innemen van een standplaats, ongeacht de wijze waarop, per m² ingenomen oppervlakte of gedeelte daarvan: a. per dag of gedeelte daarvan €2,35 (2,30) b. per kalendermaand €7,90 (7,70) c. per kalenderkwartaal €18,85 (18,30) d. per kalenderjaar €67,70 (65,70)
37
2. Bij gebruik van de gemeentelijke elektriciteitsvoorziening (direct of indirect) worden de onder 1. vermelde tarieven als volgt verhoogd: a. kleinverbruik (16 ampère) - per marktdag (alleen van toepassing zijnde op meelopers en standwerkers) €4,05 (3,95) - per kalenderkwartaal €47,90 (46,50) b. grootverbruik (krachtstroom) - per kalenderkwartaal €123,40 (119,70) 3. Het onder lid 1., letter a. vermelde tarief wordt per markthandelaar met €2,70 (2,65) per dag verhoogd wegens reclame-/promotiegeld. De onder lid 1., letters b, c. en d. vermelde tarieven worden per markthandelaar met €11,45 (11,15) per maand verhoogd wegens reclame-/promotiegeld. 4. De in dit artikel vermelde bedragen zijn exclusief BTW. Artikel 5 Wijze van heffing De marktgelden worden geheven bij wege van een mondelinge dan wel een gedagtekende schriftelijke kennisgeving, waaronder mede wordt begrepen een stempelafdruk, zegel, nota of ander schriftuur. Artikel 6 Tijdstip van betaling 1. De marktgelden moeten worden betaald ingeval de kennisgeving als bedoeld in artikel 5: a. mondeling wordt gedaan, op het moment van het doen van de kennisgeving; b. schriftelijk wordt gedaan, op het moment van uitreiken van de kennisgeving. 2. De marktgelden moeten worden betaald ingeval de kennisgeving als bedoeld in artikel 5 wordt toegezonden binnen 14 dagen na de dagtekening van de schriftelijke kennisgeving.
Artikel 7 Teruggaaf Indien de belastingplichtige het recht op zijn standplaats opzegt, of als gevolg van langdurige ziekte of ingeval van overlijden, geen gebruik meer kan maken van een standplaats, waarvoor de marktgelden voor ten minste een kalenderkwartaal-eenheid zijn betaald, vindt teruggaaf van de marktgelden plaats naar het aantal volle kalendermaanden, dat nog resteert in die eenheid. Deze teruggaaf wordt verleend op een aanvraag als bedoeld in artikel 242 van de Gemeentewet. Artikel 8 Kwijtschelding Bij de invordering van marktgeld wordt geen kwijtschelding verleend. Artikel 9 Standplaatsvergunning 1. Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een standplaatsvergunning inclusief plaatsen op de wachtlijst of het wijzigen van de vergunning €19,30 (18,75). 2. Het tarief bedraagt voor de handhaving van de inschrijving, per inschrijving per kalenderjaar €11,95 (11,60). Artikel 10 Inwerkingtreding en citeertitel 1. De "Verordening marktgelden 2023" zoals vastgesteld op 13 december 2022 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2. Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2024. 3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2024. 4.
Deze verordening kan worden aangehaald als "Verordening marktgelden 2024 gemeente Sliedrecht".
38
Vastgesteld in de openbare vergadering van de raad der gemeente Sliedrecht op 12 december 2023. De griffier,
De voorzitter,
mr. R.P.A. van Aalst
mr. drs. J.M. de Vries
39
Versie geldig vanaf 1 januari 2024
Verordening op de heffing en invordering van reclamebelasting voor het Winkelgebied Burgemeester Winklerplein van de gemeente Sliedrecht
Verantwoordelijke afdeling
Team Ruimtelijke Ontwikkeling & Economie De getoonde verordeningen zijn een weergave van de actuele situatie. Voor historische informatie hiervan kunt u contact opnemen met de Servicegemeente Dordrecht, onderdeel Documentaire Informatievoorziening, e-mail: gemeente@sliedrecht.nl.
De raad der gemeente Sliedrecht; gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 14 november 2023; b e s l u i t.: gelet op artikel 227 van de Gemeentewet vast te stellen: De Verordening op de heffing en invordering van reclamebelasting voor het Winkelgebied Burgemeester Winklerplein van de gemeente Sliedrecht 2024 Artikel 1
Definities
Deze verordening verstaat onder: a. reclameobject: een openbare aankondiging in letters, symbolen of kleuren, of een combinatie daarvan, zichtbaar vanaf de openbare weg; b. onroerende zaak: de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ), zijnde een niet-woning; c. jaar: een kalenderjaar; d. openbare weg, zoals bedoeld in, hoofdstuk II van de Wegenwet; e. openbare aankondiging: alle tot het publiek gerichte mededelingen welke erop gericht zijn de belangstelling van het publiek te trekken van hetgeen wordt aangekondigd; Artikel 2
Belastbaar feit
Onder de naam "reclamebelasting" wordt, binnen het gebied zoals nader aangewezen in de bij deze verordening behorende bijlage, een directe belasting geheven ter zake van openbare aankondigingen zichtbaar vanaf de openbare weg. Artikel 3
Belastingplicht
1. De reclamebelasting wordt geheven van de gebruiker van de onroerende zaak waarop en/of waarbij één of meer reclameobjecten worden aangetroffen. 2. Indien de onroerende zaak geen gebruiker kent en op of bij de onroerende zaak één of meer reclameobjecten worden aangetroffen, wordt de verschuldigde belasting geheven van de eigenaar van de onroerende zaak.
40
Artikel 4
Vrijstellingen
De reclamebelasting wordt niet geheven voor openbare aankondigingen: a. die korter aanwezig zijn dan 13 weken en binnen het belastingtijdvak niet worden vervangen, opgevolgd of gecontinueerd door andere openbare aankondigingen; b. die als algemene bewegwijzering waarmee een algemeen belang wordt gediend, kunnen worden aangemerkt; c. die door de gemeente of in opdracht van de gemeente is geplaatst of aangebracht, indien en voor zover de openbare aankondiging geschiedt ter uitvoering van de publieke taak; d. die door (semi-)overheden of culturele, maatschappelijke of daarmee gelijk te stellen lichamen met ideële doelstellingen zijn aangebracht en betrekking hebben op activiteiten die uitsluitend een cultureel, maatschappelijk, charitatief of ideëel belang dienen; e. aangebracht door of namens winkeliersverenigingen of centrummanagement, waarbij het reclameobject uitsluitend bestaat uit een vlag, banier of zuil met de naam van de winkeliersvereniging of het centrummanagement; f. aangebracht op bouwterreinen, voor zover deze opschriften rechtstreeks betrekking hebben op de op dat terrein in uitvoering zijnde bouwwerkzaamheden; g. die door politieke partijen zijn aangebracht en die een ideëel belang dienen; h. bestemd voor de verkoop of verhuur van onroerende zaken, indien deze aanwezig zijn in de onmiddellijke nabijheid van de te verkopen of te verhuren zaak; i.
aangebracht op scholen, zorginstellingen, ziekenhuizen, kerken en moskeeën, en die betrekking hebben op de functie van het gebouw. Artikel 5
Maatstaf van heffing en belastingtarief
1. De reclamebelasting wordt geheven naar een vast bedrag per onroerende zaak. 2. Het belastingbedrag bedraagt € 350 (€ 350) per onroerende zaak.
Artikel 6
Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang
1. De belastingschuld ontstaat bij het begin van het belastingtijdvak. 2. Indien de belastingplicht na het begin van het belastingtijdvak aanvangt, ontstaat de belastingschuld bij de aanvang van de belastingplicht. 3. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak aanvangt, is de reclamebelasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde reclamebelasting als er in dat jaar, na het tijdstip van de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 4. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak eindigt, wordt de aanslag op verzoek van belastingplichtige verminderd met zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde reclamebelasting als er in dat jaar, na het tijdstip van de beëindiging van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
Artikel 7
Belastingtijdvak
Het belastingtijdvak is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 8
Termijnen van betaling
1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald uiterlijk op de laatste dag van de tweede maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld.
41
2. In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, minder is dan € 20.000,— en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke termijnen, waarbij de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 3. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen. Artikel 9
Kwijtschelding
Bij de invordering van de reclamebelasting wordt geen kwijtschelding verleend. Artikel 10
Inwerkingtreding 1. De Verordening Reclamebelasting Winkelgebied Burgemeester Winklerplein 2023 van 13 december 2022 wordt ingetrokken met ingang van de in lid 4 genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2. Deze regeling kan worden aangehaald als: “Verordening Reclamebelasting Winkelgebied Burgemeester Winklerplein 2024”. 3. Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2024. 4. De datum van ingang van heffing is 1 januari 2024. Vastgesteld in de openbare vergadering van de raad der gemeente Sliedrecht op 12 december 2023. De griffier,
De voorzitter,
42
Bijlage behorende bij de Verordening Reclamebelasting Winkelgebied Burgemeester Winklerplein 2024
43
Versie geldig vanaf 1 januari 2024
Verordening op de heffing en invordering van reclamebelasting voor het Winkelgebied Kerkbuurt van de gemeente Sliedrecht
Verantwoordelijke afdeling
Team Ruimtelijke Ontwikkeling & Economie De getoonde verordeningen zijn een weergave van de actuele situatie. Voor historische informatie hiervan kunt u contact opnemen met de Servicegemeente Dordrecht, onderdeel Documentaire Informatievoorziening, e-mail: gemeente@sliedrecht.nl.
De raad der gemeente Sliedrecht; gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 14 november 2023; b e s l u i t.: gelet op artikel 227 van de Gemeentewet vast te stellen: De Verordening op de heffing en invordering van reclamebelasting voor het Winkelgebied Kerkbuurt van de gemeente Sliedrecht 2024 Artikel 1
Definities
Deze verordening verstaat onder: a. reclameobject: een openbare aankondiging in letters, symbolen of kleuren, of een combinatie daarvan, zichtbaar vanaf de openbare weg; b. onroerende zaak: de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ), zijnde een niet-woning; c. jaar: een kalenderjaar; d. openbare weg, zoals bedoeld in, hoofdstuk II van de Wegenwet; e. openbare aankondiging: alle tot het publiek gerichte mededelingen welke erop gericht zijn de belangstelling van het publiek te trekken van hetgeen wordt aangekondigd; Artikel 2
Belastbaar feit
Onder de naam "reclamebelasting" wordt, binnen het gebied zoals nader aangewezen in de bij deze verordening behorende bijlage, een directe belasting geheven ter zake van openbare aankondigingen zichtbaar vanaf de openbare weg. Artikel 3
Belastingplicht
1. De reclamebelasting wordt geheven van de gebruiker van de onroerende zaak waarop en/of waarbij één of meer reclameobjecten worden aangetroffen.
44
2. Indien de onroerende zaak geen gebruiker kent en op of bij de onroerende zaak één of meer reclameobjecten worden aangetroffen, wordt de verschuldigde belasting geheven van de eigenaar van de onroerende zaak. Artikel 4
Vrijstellingen
De reclamebelasting wordt niet geheven voor openbare aankondigingen: a. die korter aanwezig zijn dan 13 weken en binnen het belastingtijdvak niet worden vervangen, opgevolgd of gecontinueerd door andere openbare aankondigingen; b. die als algemene bewegwijzering waarmee een algemeen belang wordt gediend, kunnen worden aangemerkt; c. die door de gemeente of in opdracht van de gemeente is geplaatst of aangebracht, indien en voor zover de openbare aankondiging geschiedt ter uitvoering van de publieke taak; d. die door (semi-)overheden of culturele, maatschappelijke of daarmee gelijk te stellen lichamen met ideële doelstellingen zijn aangebracht en betrekking hebben op activiteiten die uitsluitend een cultureel, maatschappelijk, charitatief of ideëel belang dienen; e. aangebracht door of namens winkeliersverenigingen of centrummanagement, waarbij het reclameobject uitsluitend bestaat uit een vlag, banier of zuil met de naam van de winkeliersvereniging of het centrummanagement; f. aangebracht op bouwterreinen, voor zover deze opschriften rechtstreeks betrekking hebben op de op dat terrein in uitvoering zijnde bouwwerkzaamheden; g. die door politieke partijen zijn aangebracht en die een ideëel belang dienen; h. bestemd voor de verkoop of verhuur van onroerende zaken, indien deze aanwezig zijn in de onmiddellijke nabijheid van de te verkopen of te verhuren zaak; i.
aangebracht op scholen, zorginstellingen, ziekenhuizen, kerken en moskeeën, en die betrekking hebben op de functie van het gebouw. Artikel 5
Maatstaf van heffing en belastingtarief
1. De reclamebelasting wordt geheven naar een vast bedrag per onroerende zaak . 2. Het belastingbedrag bedraagt €500 (€ 450) per onroerende zaak.
Artikel 6
Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang
1. De belastingschuld ontstaat bij het begin van het belastingtijdvak. 2. Indien de belastingplicht na het begin van het belastingtijdvak aanvangt, ontstaat de belastingschuld bij de aanvang van de belastingplicht. 3. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak aanvangt, is de reclamebelasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde reclamebelasting als er in dat jaar, na het tijdstip van de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 4. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak eindigt, wordt de aanslag op verzoek van belastingplichtige verminderd met zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde reclamebelasting als er in dat jaar, na het tijdstip van de beëindiging van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
Artikel 7
Belastingtijdvak
Het belastingtijdvak is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 8
Termijnen van betaling
45
1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald uiterlijk op de laatste dag van de tweede maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld. 2. In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, minder is dan € 20.000,— en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke termijnen, waarbij de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 3. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen. Artikel 9
Kwijtschelding
Bij de invordering van de reclamebelasting wordt geen kwijtschelding verleend. Artikel 10
Inwerkingtreding
1. De Verordening Reclamebelasting Winkelgebied Kerkbuurt 2023 van 13 december 2022 wordt ingetrokken met ingang van de in lid 4 genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2. Deze regeling kan worden aangehaald als: “Verordening Reclamebelasting Winkelgebied Kerkbuurt 2024”. 3. Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2024. 4. De datum van ingang van heffing is 1 januari 2024.
Vastgesteld in de openbare vergadering van de raad der gemeente Sliedrecht op 12 december 2023. De griffier,
De voorzitter,
46
Bijlage behorende bij de Verordening Reclamebelasting Winkelgebied Kerkbuurt 2024
47
Versie geldig vanaf 1 januari 2024
Verordening op de heffing en invordering van reclamebelasting voor de Woonboulevard Sliedrecht van de gemeente Sliedrecht
Verantwoordelijke afdeling
Team Ruimtelijke Ontwikkeling & Economie De getoonde verordeningen zijn een weergave van de actuele situatie. Voor historische informatie hiervan kunt u contact opnemen met de Servicegemeente Dordrecht, onderdeel Documentaire Informatievoorziening, e-mail: gemeente@sliedrecht.nl.
De raad der gemeente Sliedrecht; gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 14 november 2023; b e s l u i t.: gelet op artikel 227 van de Gemeentewet vast te stellen: De Verordening op de heffing en invordering van reclamebelasting voor de Woonboulevard Sliedrecht van de gemeente Sliedrecht 2024 Artikel 1
Definities Deze verordening verstaat onder: a. reclameobject: een openbare aankondiging in letters, symbolen of kleuren, of een combinatie daarvan, zichtbaar vanaf de openbare weg; b. onroerende zaak: de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ), zijnde een niet-woning; c. jaar: een kalenderjaar; d. openbare weg, zoals bedoeld in, hoofdstuk II van de Wegenwet; e. openbare aankondiging: alle tot het publiek gerichte mededelingen welke erop gericht zijn de belangstelling van het publiek te trekken van hetgeen wordt aangekondigd. Artikel 2
Belastbaar feit
Onder de naam "reclamebelasting" wordt, binnen het gebied zoals nader aangewezen in de bij deze verordening behorende bijlage, een directe belasting geheven ter zake van openbare aankondigingen zichtbaar vanaf de openbare weg. Artikel 3
Belastingplicht
1. De reclamebelasting wordt geheven van de gebruiker van de onroerende zaak: a. die in gebruik is als detailhandel en/of horeca,
48
b. niet zijnde een benzinestation of detailhandel gericht op autoverkoop of -reparatie, c. waarop en/of waarbij ten minste één reclameobject wordt aangetroffen. 2. Indien de onroerende zaak geen gebruiker kent en op of bij de onroerende zaak één of meer reclameobjecten worden aangetroffen, wordt de verschuldigde belasting geheven van de eigenaar van de onroerende zaak. Artikel 4
Vrijstellingen
De reclamebelasting wordt niet geheven voor openbare aankondigingen: a. die korter aanwezig zijn dan 13 weken en binnen het belastingtijdvak niet worden vervangen, opgevolgd of gecontinueerd door andere openbare aankondigingen; b. die als algemene bewegwijzering waarmee een algemeen belang wordt gediend, kunnen worden aangemerkt; c. die door de gemeente of in opdracht van de gemeente is geplaatst of aangebracht, indien en voor zover de openbare aankondiging geschiedt ter uitvoering van de publieke taak; d. die door (semi-)overheden of culturele, maatschappelijke of daarmee gelijk te stellen lichamen met ideële doelstellingen zijn aangebracht en betrekking hebben op activiteiten die uitsluitend een cultureel, maatschappelijk, charitatief of ideëel belang dienen; e. aangebracht door of namens winkeliersverenigingen of centrummanagement, waarbij het reclameobject uitsluitend bestaat uit een vlag, banier of zuil met de naam van de winkeliersvereniging of het centrummanagement; f. aangebracht op bouwterreinen, voor zover deze opschriften rechtstreeks betrekking hebben op de op dat terrein in uitvoering zijnde bouwwerkzaamheden; g. die door politieke partijen zijn aangebracht en die een ideëel belang dienen; h. bestemd voor de verkoop of verhuur van onroerende zaken, indien deze aanwezig zijn in de onmiddellijke nabijheid van de te verkopen of te verhuren zaak; i.
aangebracht op scholen, zorginstellingen, ziekenhuizen, kerken en moskeeën, en die betrekking hebben op de functie van het gebouw. Artikel 5
Maatstaf van heffing en belastingtarief
1. De reclamebelasting wordt geheven per onroerende zaak op basis van de waarde zoals bepaald op grond van Hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ). 2. In afwijking van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden. 3. Het belastingbedrag bedraagt bij een WOZ-waarde tot en met € 200.000 - € 1.000,-. 4. Het belastingbedrag bedraagt bij een WOZ-waarde van € 200.001 tot en met € 500.000 € 1.500,-. 5. Het belastingbedrag bedraagt bij een WOZ-waarde van € 500.001 tot en met € 1.500.000 € 2.000,-. 6. Het belastingbedrag bedraagt bij een WOZ-waarde van meer dan € 1.500.000 - € 3.000,-. 7. Indien de vastgestelde WOZ-waarde voor het betreffende jaar wordt verminderd, wordt de aanslag reclamebelasting ambtshalve verminderd indien de lagere WOZ-waarde leidt tot een lager belastingbedrag voor de reclamebelasting. 8. Indien de onroerende zaak in de loop van het belastingjaar ontstaat bedraagt het belastingbedrag €1.000,-.
Artikel 6
Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang
1. De belastingschuld ontstaat bij het begin van het belastingtijdvak.
49
2. Indien de belastingplicht na het begin van het belastingtijdvak aanvangt, ontstaat de belastingschuld bij de aanvang van de belastingplicht. 3. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak aanvangt, is de reclamebelasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde reclamebelasting als er in dat jaar, na het tijdstip van de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 4. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak eindigt, wordt de aanslag op verzoek van belastingplichtige verminderd met zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde reclamebelasting als er in dat jaar, na het tijdstip van de beëindiging van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. Artikel 7
Belastingtijdvak
Het belastingtijdvak is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 8
Termijnen van betaling
1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald uiterlijk op de laatste dag van de tweede maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld. 2. In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan minder is dan € 100.000,— en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in maximaal tien gelijke termijnen waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 3. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.
Artikel 9
Kwijtschelding
Bij de invordering van de reclamebelasting wordt geen kwijtschelding verleend. Artikel 10
Inwerkingtreding
1. De Verordening Reclamebelasting Woonboulevard Sliedrecht 2023 van 13 december 2022 wordt ingetrokken met ingang van de in lid 4 genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2. Deze verordening kan worden aangehaald als: “Verordening Reclamebelasting Woonboulevard Sliedrecht 2024”. 3. Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2024. 4. De datum van ingang van heffing is 1 januari 2024.
Vastgesteld in de openbare vergadering van de raad der gemeente Sliedrecht op 12 december 2023. De griffier,
De voorzitter,
50
Bijlage behorende bij de Verordening Reclamebelasting Woonboulevard Sliedrecht 2024
51