3. Subsidiebeleid Sliedrecht 2027-2030.pdf
Tekst van het document
Subsidiebeleid 2027-2030 gemeente Sliedrecht
Intitulé Het Subsidiebeleid 2027–2030 van de gemeente Sliedrecht, vastgesteld door de gemeenteraad op … in aansluiting op en ter uitvoering van de Algemene subsidieverordening Sliedrecht 2026.
Inhoudsopgave Inleiding
3
Inzet van subsidie
4
Uitganspunten van het subsidiebeleid
6
Subsidieproces: van aanvraag tot vaststelling
9
Financiële kaders
13
Monitoring en evaluatie
18
Slotbepaling
20
2
Inleiding Met dit Subsidiebeleid legt de gemeente Sliedrecht vast hoe zij subsidies inzet om de maatschappelijke effecten en sociale doelen te bereiken zoals beschreven in onder andere de Sociale Visie. Subsidies zijn een belangrijk instrument voor het versterken van de sociale infrastructuur, het stimuleren van participatie en het ondersteunen van inwoners, organisaties en initiatieven die bijdragen aan een inclusieve, gezonde en leefbare gemeente. Dit beleid sluit aan bij de vernieuwde Algemene Subsidieverordening Sliedrecht 2026 (ASV), die het juridische fundament vormt voor subsidieverstrekking. Waar de ASV beschrijft wat juridisch geregeld is, geeft dit Subsidiebeleid aan waarom, wanneer en hoe de gemeente subsidies inzet.
Aanleiding In 2024 stelde de gemeenteraad de Algemene Subsidieverordening Sliedrecht 2024 en het Subsidiebeleid Sliedrecht 2024–2027 vast. Deze traden in werking per 1 januari 2025. In de uitvoeringspraktijk bleek dat het subsidiekader op onderdelen verduidelijking en aanscherping behoefde, met name ten aanzien van financiële begrenzing en de juridische borging van afwegingen bij schaarste. Met de totstandkoming van de ASV 2026 zijn diverse procedurele bepalingen geactualiseerd, waaronder die over aanvraagtermijnen, indexatie en de wijze waarop met reserves, waaronder de egalisatiereserve, wordt omgegaan. Om het subsidiebeleid in lijn te houden met de vernieuwde ASV 2026 en een samenhangend subsidieproces te borgen, is ook het subsidiebeleid aangepast en geactualiseerd. Daarnaast zijn zowel de ASV 2026 als dit Subsidiebeleid op een meer leesbare en toegankelijke manier geordend en geformuleerd. De structuur is verduidelijkt en de inhoud is beter afgestemd op de praktijk, zodat inwoners, organisaties en medewerkers het subsidieproces eenvoudiger kunnen begrijpen en toepassen.
Wel blijven de uitgangspunten uit het Subsidiebeleid 2024-2027 van kracht: • Vermindering van het aantal beleidsdocumenten; • Vereenvoudiging en transparantie voor aanvragers van subsidie; • Sturen op maatschappelijk effecten en niet op details; • Het versterken van het 'normale leven' en het vergroten van de veerkracht van onze inwoners.
Wettelijk en beleidsmatig kader Dit Subsidiebeleid vormt, samen met de Algemene Subsidieverordening Sliedrecht 2026 en de subsidieregelingen per beleidsterrein, het wettelijk en beleidsmatig kader voor alle subsidieaanvragen binnen de gemeente Sliedrecht. Het geeft richting aan de manier waarop de gemeente maatschappelijke doelen ondersteunt, welke criteria worden gehanteerd en hoe de beoordeling en verantwoording plaatsvinden.
3
Inzet van subsidies Wat is een subsidie Volgens artikel 4:21 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is subsidie een financiële bijdrage die de gemeente verstrekt voor activiteiten van een organisatie of persoon. Het gaat dan niet om betalingen voor goederen of diensten die de gemeente zelf inkoopt, dat valt onder inkoop of opdrachtverlening. Ook andere financiële vormen, zoals garanties of leningen, kunnen als subsidie worden aangemerkt wanneer zij voldoen aan de wettelijke criteria (art. 4:21 Awb).
Wettelijke kaders Een subsidie moet altijd gebaseerd zijn op een wettelijk voorschrift. De Awb bepaalt in artikel 4:23 dat een bestuursorgaan alleen subsidie mag verstrekken als daarvoor een wettelijke grondslag bestaat. Ook moet worden beschreven welke activiteiten voor subsidie in aanmerking komen.
Algemene subsidieverordening Daarom moet elke gemeente een Algemene subsidieverordening hebben. In de ASV worden afspraken gemaakt over onder andere aanvraagtermijnen, weigeringsgronden en verantwoording. De ASV bepaalt hoe het subsidieproces verloopt en welke wettelijke regels gelden voor alle subsidies binnen de gemeente.
Subsidieregeling In de ASV is niet opgenomen wat de te subsidiëren activiteiten zijn, dat wordt vastgelegd in een nadere regeling, de subsidieregeling. Deze regelingen zijn uitwerkingen per beleidsterrein. Hierin is opgenomen welke activiteiten subsidie kunnen krijgen, welke doelgroepen in aanmerking komen en hoe beschikbare middelen worden verdeeld wanneer er meer aanvragen zijn dan budget. Samen met de ASV vormen zij het wettelijk voorschrift zoals bedoeld in de Awb.
Subsidiebeleid Het subsidiebeleid vormt het beleidskader en beschrijft onder andere waarvoor we subsidie inzetten, welke uitgangspunten gelden en hoe er wordt gestuurd op maatschappelijke effecten.
Uitzonderingen Awb In een paar uitzonderingsgevallen is geen wettelijk voorschrift of verordening nodig is: • de spoedeisende subsidieverstrekking (moet tijdelijk zijn en vooruitlopend op de vaststelling van een wettelijk voorschrift); • de subsidieverstrekking op grond van een begrotingspost (de begroting dient de subsidieontvanger en het bedrag dat ten hoogste kan worden vastgesteld te vermelden); • de incidentele subsidieverstrekking (voor uitzonderlijke gevallen, en als er in beginsel slechts eenmalig subsidie zal worden toegekend); • het verstrekken van Europese subsidies op basis van een Europees programma.
Waarom wordt een subsidie ingezet De gemeente zet subsidies in om maatschappelijke activiteiten mogelijk te maken die bijdragen aan gemeentelijke beleidsdoelen. En die zonder financiële ondersteuning niet of onvoldoende tot stand komen. Subsidies helpen om de lokale sociale infrastructuur te behouden en te versterken, en om initiatieven van inwoners en organisaties te ondersteunen die aansluiten bij de maatschappelijke opgaven van Sliedrecht. 4
Wanneer kiezen we voor subsidie We kiezen alleen voor subsidie wanneer dit het meest geschikte, noodzakelijke en doelmatige instrument is om een maatschappelijk doel te realiseren. Dat is het geval wanneer onderstaande voorwaarden gelden:
De activiteit draagt bij aan gemeentelijke maatschappelijke doelen
De activiteit moet aansluiten op de beleidskaders van de gemeente Sliedrecht, zoals de Sociale Visie, programmabegroting, Koers 2030 en beleidsnota’s.
De activiteit heeft een duidelijke meerwaarde voor Sliedrecht
De subsidie moet maatschappelijke waarde creëren voor de gemeente en haar inwoners. Activiteiten die primair buiten Sliedrecht plaatsvinden of geen lokale betekenis hebben, komen niet in aanmerking.
Subsidie ondersteunt maatschappelijke inzet die niet via inkoop of markt tot stand komt
Subsidie is een passend instrument wanneer de gemeente niet precies wil bepalen wat en hoe iets wordt uitgevoerd, maar ruimte wil laten aan maatschappelijke organisaties, vrijwilligers of inwonersinitiatieven. Het gaat om activiteiten die niet via inkoop kunnen worden geleverd en waarvoor eigen initiatief, betrokkenheid en/ of vrijwilligerswerk nodig is.
Subsidie is noodzakelijk voor het uitvoeren van de activiteit
De aanvrager moet onderbouwen dat de activiteiten niet of onvoldoende kunnen worden uitgevoerd zonder subsidie, en dat andere financieringsmogelijkheden ontoereikend zijn. Deze beleidscriteria vullen de formele toetsing uit artikel 9 van de Algemene Subsidieverordening Sliedrecht 2026 aan en geven richting aan de wijze waarop de gemeente beoordeelt of subsidie het juiste instrument is.
Subsidies binnen de gemeentelijke beleidscyclus De gemeente stuurt op maatschappelijke resultaten via: • Beleidsnota’s & visies (Sociale Visie, Koers 2030, programmabegroting) waarin maatschappelijke doelen en effecten worden vastgesteld. •
Subsidieregelingen per beleidsterrein, waarin deze doelen worden vertaald naar subsidiabele activiteiten en criteria voor beoordeling.
•
Subsidieverlening en prestatieafspraken, waarin de gemeente vastlegt welke activiteiten worden uitgevoerd en welke resultaten worden verwacht.
•
Monitoring, evaluatie en rapportage, waarmee wordt gevolgd in hoeverre de activiteiten bijdragen aan de gewenste maatschappelijke effecten.
5
Uitgangspunten van het subsidiebeleid Centrale doelstelling Subsidies worden ingezet om maatschappelijke resultaten te behalen die aansluiten bij de behoeften in de samenleving en die van de inwoners. Dit betreft alle subsidies op de genoemde beleidsterreinen in de Algemene subsidieverordening Sliedrecht 2026, zoals onderwijs, sport, cultuur, economische zaken, sociale voorzieningen en maatschappelijke dienstverlening. De subsidievoorwaarden en verantwoordingseisen moeten zo min mogelijk in de weg staan om deze resultaten te bereiken of onnodige administratieve last te creëren.
Algemene subsidievoorwaarden De gemeenteraad heeft met de vaststelling van het Subsidiebeleid Sociaal gemeente Sliedrecht 2017-2020 een aantal inhoudelijke kaders vastgesteld die nog steeds relevant en richtinggevend zijn. De gemeente hanteert daarom de volgende algemene subsidievoorwaarden:
1. De gemeente subsidieert enkel activiteiten die aansluiten bij de gemeentelijke maatschappelijke doelen. Activiteiten moeten duidelijk bijdragen aan de beleidsdoelen uit o.a. de Sociale Visie, programmabegroting en beleidsnota’s.
2. De activiteiten moeten een meerwaarde hebben voor de sociale infrastructuur in Sliedrecht. De activiteit moet bijdragen aan versterking van het lokale netwerk van organisaties, verenigingen, vrijwilligers en inwoners. 3. Subsidies worden alleen verstrekt voor het uitvoeren van activiteiten. Subsidies zijn geen doel op zich en moeten direct gekoppeld te zijn aan concrete werkzaamheden, prestaties en resultaten.
4. Er worden alleen activiteiten gesubsidieerd die gericht zijn op de inwoners van Sliedrecht. Subsidies komen ten goede aan de lokale gemeenschap en worden niet ingezet voor primair bovenlokale of commerciële doeleinden.
5. Er worden alleen activiteiten gesubsidieerd die vrij en openbaar toegankelijk zijn. Afwijking is alleen mogelijk als de aard van de doelgroep dit noodzakelijk maakt (bijvoorbeeld bij jeugdzorg, kwetsbare groepen of doelgroepgerichte projecten).
6. Er worden prestatieafspraken gemaakt met de subsidieontvangers. Deze afspraken worden vastgelegd in de beschikking zodat achteraf kan worden beoordeeld of doelstellingen zijn behaald.
6
7. Het systeem van subsidieverstrekking moet objectief en eenvoudig zijn, met minimale administratieve lasten voor zowel de subsidieaanvragers als de gemeente. Hierbij past een proportioneel verantwoordingsregime: hoe hoger het subsidiebedrag, hoe zwaarder de verantwoording. In de subsidieregelingen per beleidsterrein kunnen aanvullende subsidievoorwaarden zijn opgenomen.
Soorten subsidies In de ASV 2026 wordt onderscheid gemaakt in subsidies per kalenderjaar en boekjaar: • Kalenderjaarsubsidies zijn subsidies die worden verleend voor activiteiten die plaatsvinden binnen één kalenderjaar (1 januari t/m 31 december). • Boekjaarsubsidies zijn subsidies die worden verstrekt aan organisaties die werken met een eigen boekjaar, dat niet gelijk hoeft te lopen met het kalenderjaar.
Activiteitensubsidie Daarnaast kunnen organisaties subsidie aanvragen voor afgebakende activiteiten of projecten. Deze subsidies worden niet jaarlijks structureel verstrekt, maar kunnen eenmalig of enkele keren worden toegekend, zonder structureel karakter. Hiervoor geldt de aanvraagtermijn uit artikel 7, vijfde lid van de ASV 2026: aanvragen worden ingediend tussen 13 en 8 weken voor de start van de activiteit. In het Subsidiebeleid worden deze kortlopende activiteiten aangeduid als activiteitensubsidies. Deze term is vooral een beleidsmatige duiding, het juridisch kader van de ASV 2026 blijft volledig van toepassing. Een activiteitensubsidie wordt als structureel beschouwd wanneer dezelfde activiteit ongeveer drie jaar achtereen wordt aangevraagd of uitgevoerd, tenzij beleidsmatige of financiële omstandigheden aanleiding geven om hiervan af te wijken.
Begrotingspostsubsidie Daarnaast kan de gemeente, op grond van artikel 4:23, derde lid, onderdeel c, van de Awb, een begrotingspostsubsidie verstrekken. Dit is een subsidie waarvoor geen afzonderlijke subsidieregeling nodig is omdat de subsidieontvanger met naam en het maximale subsidiebedrag in de programmabegroting zijn opgenomen. Begrotingspostsubsidies worden met name toegepast bij structurele subsidies aan een of enkele vaste organisaties. Ook bij begrotingspostsubsidies geldt dat subsidie alleen wordt verstrekt wanneer deze bijdraagt aan de gemeentelijke maatschappelijke doelen en voldoet aan de voorwaarden uit de ASV. Door recente jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (23 juli 2025) kunnen begrotingspostsubsidies aangemerkt worden als schaarse rechten. Dit betekent dat rechtstreekse toekenning alleen mogelijk is wanneer op basis van objectieve, toetsbare en redelijke criteria aannemelijk is dat er slechts één serieuze gegadigde is voor de betreffende activiteit.
7
Om te bepalen of een organisatie in aanmerking komt voor een begrotingspostsubsidie hanteert de gemeente in ieder geval de volgende overwegingen: • Wettelijke taak en exclusieve positionering: De organisatie is op grond van wet- of regelgeving of bindende regionale afspraken objectief als uitvoerende partij aangewezen voor de betreffende activiteit. • Aansluiting op bestaande gemeentelijke taak of voorziening: De activiteit is aantoonbaar onderdeel van een structurele gemeentelijke taak of voorziening en is inhoudelijk en organisatorisch zodanig verankerd dat uitvoering door een andere partij niet zonder ingrijpende herinrichting mogelijk is. • Ontbreken van reële mededinging: Er zijn geen andere organisaties die de activiteit in Sliedrecht of de directe regio uitvoeren of hiervoor als serieuze gegadigde kunnen worden beschouwd. • Continuïteitsbelang: Een wisseling van uitvoerder zou naar verwachting leiden tot disproportionele risico’s voor inwoners, de uitvoering van gemeentelijke taken of de doelmatigheid van de voorziening. Wanneer op basis van deze overwegingen aannemelijk is dat er slechts één serieuze gegadigde bestaat, publiceert de gemeente tijdig vóór het subsidiebesluit het voornemen tot rechtstreekse toekenning, inclusief een motivering waarom geen andere gegadigden worden verwacht.
De gemeente beoordeelt deze afweging jaarlijks en houdt daarbij rekening met eventuele nieuwe jurisprudentie of landelijke ontwikkelingen. Indien nodig worden de overwegingen of werkwijze aangepast.
Incidentele subsidies De gemeente kan ook incidentele subsidies verstrekken. Dit zijn subsidies voor eenmalige activiteiten, projecten of evenementen die niet jaarlijks terugkeren. Op grond van artikel 4:23, lid 3 van de Awb kunnen incidentele subsidies voor maximaal vier jaar worden verstrekt zonder afzonderlijke subsidieregeling. Wanneer de subsidie langer dan vier jaar wordt verstrekt of wanneer de activiteit een structureel karakter krijgt, is een wettelijke grondslag vereist. Dat bekent dat de subsidie vanaf dat moment moet worden ondergebracht in bijvoorbeeld een subsidieregeling.
8
Subsidieproces: van aanvraag tot vaststelling Het subsidieproces bestaat uit een aantal vaste stappen. Deze stappen zijn opgenomen in de Algemene subsidieverordening Sliedrecht 2026 en worden in dit subsidiebeleid verder toegelicht. Het proces is gericht op duidelijkheid, eenvoud en zorgvuldigheid voor zowel aanvragers als de gemeente en bestaat uit de volgende stappen:
1. Aanvraag 2. Beoordeling 3. Verlening 4. Uitvoering & Monitoring 5. Vaststelling
1. Aanvraag Subsidieaanvragen worden schriftelijk en/ of digitaal ingediend via het aanvraagformulier op de website van de gemeente. De aanvraag bevat tenminste een beschrijving van de activiteiten, doelstellingen en beoogde resultaten en een begroting en dekkingsplan. Eventuele informatie over andere aangevraagde of ontvangen financiering moet hier ook in zijn opgenomen. Wanneer een subsidieregeling aanvullende eisen stelt, moeten deze ook worden aangeleverd.
Aanvraagtermijnen In de ASV 2026 zijn de volgende aanvraagtermijnen opgenomen: Uiterlijk 1 juli
voor subsidie die per kalenderjaar worden verstrekt
Uiterlijk 1 april
wanneer een organisatie een hogere kalenderjaarsubsidie aanvraagt dan in voorgaande jaren (exclusief indexering)
Uiterlijk 13 weken voorafgaand aan een boekjaar
voor boekjaarsubsidies
Tussen 13 en 8 weken voor de start van activiteiten
bij andere aanvragen (activiteitensubsidies)
In een subsidieregeling kunnen afwijkende termijnen zijn opgenomen. Bij een onvolledige aanvraag geldt de datum waarop de volledige informatie is ontvangen als officiële ontvangstdatum.
9
Wijziging aanvraagtermijnen voor kalenderjaarsubsidies In de ASV 2024 was voor kalenderjaarsubsidies bepaald dat een aanvraag uiterlijk 1 september ingediend moet zijn. Met de invoering van de ASV 2026 is deze termijn vervroegd en opgesplitst: • Uiterlijk 1 juli voor aanvragen die vergelijkbaar zijn met de subsidie van voorgaande jaren; • Uiterlijk 1 april wanneer de aanvraag hoger is dan de subsidie in voorgaande jaren (exclusief indexering). Door de indieningstermijn te vervroegen naar 1 juli heeft de gemeente meer tijd om aanvragen inhoudelijk te beoordelen, eventuele aanvullende informatie op te vragen en afstemming te zoeken met andere afdelingen of externe partners. Daarnaast is een aanvullende termijn van 1 april opgenomen voor organisaties die een hogere subsidie aanvragen dan in voorgaande jaren (exclusief indexering). Een vroegere indieningstermijn is nodig omdat hogere aanvragen: • vaak een grotere financiële impact hebben; • tijdig meegenomen moeten worden in de voorbereiding van de gemeentelijke begroting; • extra analyse en afstemming vragen, bijvoorbeeld met financiën en andere beleidsterreinen. Door hogere aanvragen uiterlijk 1 april te ontvangen, wordt de gemeente tijdig geïnformeerd.
Dit voorkomt verrassingen, maakt het mogelijk om financiële ruimte te reserveren indien gewenst en biedt gelegenheid om alternatieven te overwegen indien de begrotingsruimte beperkt is.
2. Beoordelen van subsidieaanvragen Subsidieaanvragen worden beoordeelt op een transparante, zorgvuldige en objectieve wijze. De toetsing vindt plaats op basis van de Algemene Subsidieverordening Sliedrecht 2026, de subsidieregeling die van toepassing is en dit Subsidiebeleid 2027-2030. Het doel is om te beoordelen of een aanvraag passend, noodzakelijk en uitvoerbaar is, en of deze bijdraagt aan de maatschappelijke effecten van Sliedrecht.
Criteria voor beoordeling De gemeente beoordeelt een aanvraag op de volgende hoofdcriteria:
1. Toetsing aan wettelijke vereisten De aanvraag moet voldoen aan de voorwaarden uit de ASV en de subsidieregeling die van toepassing is.
2. Toetsing op bijdrage aan maatschappelijke doelen De activiteit draagt aantoonbaar bij aan beleidsdoelen uit de Sociale Visie, programmabegroting en/ of beleidsnota’s.
3. Toetsing op toegankelijkheid en maatschappelijke meerwaarde De activiteit is in principe gericht op inwoners van Sliedrecht, vrij toegankelijk (voor zover passend bij doelgroep) en levert aantoonbare maatschappelijke waarde.
4. Noodzaak, doelmatigheid en financiële toets Publieke middelen zijn noodzakelijk, de begroting is realistisch en proportioneel, en de aanvraag past binnen de programmabegroting.
10
5. Toets op uitvoerbaarheid, rechtmatigheid en risico’s De activiteit is realistisch uitvoerbaar en de organisatie beschikt over voldoende capaciteit, kennis en middelen.
Besluit op subsidie Na afronding van de beoordeling volgt een van de volgende besluiten: • Subsidie wordt verleend, eventueel met voorwaarden of verplichtingen; • Subsidie wordt gedeeltelijk verleend, bijvoorbeeld een lager bedrag dan aangevraagd; • Subsidie wordt afgewezen. De uitkomst wordt altijd gemotiveerd in de beschikking, zoals vereist in de Awb en de ASV.
3. Verlening Wanneer subsidie wordt toegekend, ontvangt de aanvrager een beschikking tot subsidieverlening. Deze bevat in ieder geval: • Het (maximale) subsidiebedrag of de wijze van berekenen; • De te subsidiëren activiteiten en doelen; • Verplichtingen en meldplichten; • Termijnen voor verantwoording en vaststelling; • Eventuele voorschotten. Een verlening is een voorlopige toezegging: de definitieve hoogte wordt pas bepaald bij vaststelling.
Direct vaststellen kleine subsidies Subsidies tot en met € 15.000 kunnen direct worden vastgesteld (ASV artikel 14). De aanvrager hoeft dan geen aparte aanvraag tot vaststelling in te dienen, tenzij in de verleningsbeschikking anders is bepaald.
4. Uitvoering & Monitoring Na verlening van de subsidie voert de subsidieontvanger de activiteiten uit in de aangegeven periode. De gemeente houdt in deze fase toezicht en staat in contact met de ontvanger.
Meldplicht Tijdens de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten is de subsidieontvanger verplicht om relevante afwijkingen in uitvoering of begroting tijdig melden bij de gemeente, in ieder geval bij: • afwijkingen van activiteiten of begroting; • 20% of meer afwijking van kosten of opbrengsten; • relevante organisatorische of financiële ontwikkelingen; • ontwikkelingen rondom (egalisatie)reserves. De gemeente kan tussentijdse controles uitvoeren of aanvullende rapportages vragen als hiervoor aanleiding bestaat.
Tussentijdse voortgangsgesprekken en verslagen Bij grotere of meerjarige subsidies onderhoudt de gemeente actief contact met subsidieontvangers door middel van tussentijdse voortgangsgesprekken. Deze gesprekken zijn bedoeld om tijdig zicht te krijgen op de uitvoering van de activiteiten, eventuele knelpunten of risico’s te signaleren en, waar nodig, gezamenlijk bij te sturen om de beoogde resultaten te kunnen realiseren. 11
Wanneer de aard of omvang van de subsidie daarom vraagt, bijvoorbeeld bij hogere subsidiebedragen, complexe trajecten of een verhoogd risicoprofiel, kan de gemeente daarnaast aanvullende informatie opvragen. Dit kan bestaan uit een halfjaarlijkse of kwartaalrapportage om de voortgang nauwkeuriger te kunnen volgen.
5. Vaststelling Voor subsidies boven € 15.000 moet de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling indienen. Deze aanvraag bevat, afhankelijk van de hoogte, de volgende onderdelen: • een inhoudelijk verslag over de uitvoering van activiteiten; • een financieel verslag of jaarrekening; • bij hogere bedragen: o vanaf € 50.000: beoordelingsverklaring van de accountant; o vanaf € 100.000: controleverklaring van de accountant.
Termijnen voor vaststelling In de ASV 2026 zijn de volgende termijnen opgenomen: Uiterlijk 1 juli van het volgend jaar
voor subsidie die per kalenderjaar worden verstrekt
Binnen 6 maanden na afloop van het boekjaar
voor subsidies die per boekjaar zijn verstrekt
Binnen 13 weken na afronding van de activiteiten
voor alle andere subsidies
Beoordeling en besluit Het college stelt het definitieve subsidiebedrag vast binnen 13 weken na ontvangst van een volledige aanvraag. Hierbij wordt beoordeeld: • of de activiteiten zijn uitgevoerd zoals afgesproken; • of aan alle verplichtingen is voldaan; • of de besteding doelmatig en rechtmatig is geweest. Na afronding van de beoordeling volgt een van de volgende besluiten: • Subsidie wordt vastgesteld zoals verleend; • Subsidie wordt gedeeltelijk vastgesteld; • Subsidie wordt op € 0 vastgesteld (nihil-vaststelling). De uitkomst wordt altijd gemotiveerd in de beschikking, zoals vereist in de Awb en de ASV.
Gevolgen van afwijkingen Wanneer blijkt dat activiteiten niet (volledig) zijn uitgevoerd of verplichtingen niet zijn nagekomen: • kan de subsidie lager worden vastgesteld; • kan een deel van de subsidie worden teruggevorderd; • kunnen voorschotten worden verrekend.
12
Financiële kaders Als gemeente gaan we zorgvuldig om met publieke middelen. Subsidies worden daarom alleen verstrekt binnen duidelijke financiële kaders. Deze kaders zijn vastgelegd in de ASV 2026, de gemeentelijke programmabegroting en dit subsidiebeleid.
Proportionele inzet middelen De gemeente hanteert het principe dat subsidiegelden proportioneel moeten worden ingezet. Dat betekent:
•
Subsidies moeten doelmatig en noodzakelijk zijn. De kosten en resultaten moeten in verhouding staan tot elkaar en de activiteit moet zonder subsidie niet of onvoldoende tot stand kunnen komen.
•
Dubbele subsidiëring wordt voorkomen (stapelingstoets). Deze beoordeling vindt plaats binnen het kader van de ASV 2026: op grond van artikel 6 moet de aanvrager alle andere aangevraagde en ontvangen financiering melden, en op grond van artikel 9 kan subsidie worden geweigerd wanneer blijkt dat de activiteit niet (volledig) noodzakelijk is omdat voldoende andere middelen beschikbaar zijn.
•
De financiële positie van de aanvrager wordt meegewogen. Wanneer een organisatie beschikt over (te) ruime reserves, kan subsidie geheel of gedeeltelijk worden geweigerd op basis van artikel 9, derde lid onder f van de ASV 2026.
Begroting als financieel kader en subsidieplafond Subsidies worden alleen verleend als hiervoor middelen beschikbaar zijn in de gemeentelijke programmabegroting. Op grond van de ASV 2026 geldt de programmabegroting daarbij als subsidieplafond in de zin van artikel 4:25 van de Awb. Dit betekent dat: • subsidieverlening altijd plaatsvindt binnen de door de gemeenteraad vastgestelde financiële kaders; • subsidie moet worden geweigerd zodra het beschikbare begrotingsbedrag (het subsidieplafond) is bereikt; • indien subsidie wordt verleend voordat de begroting is vastgesteld, een begrotingsvoorbehoud geldt, zoals bedoeld in artikel 4:34 Awb. Hiermee wordt voorkomen dat de gemeente verplichtingen aangaat zonder financiële dekking. En dat het voor subsidieaanvragers duidelijk is binnen welke juridische en financiële grenzen subsidieverlening mogelijk is.
Geen afzonderlijk subsidieplafond per subsidieregeling als uitgangspunt Uitgangspunt van de ASV 2026 en dit subsidiebeleid is dat het begrotingsplafond het juridisch relevante subsidieplafond vormt. Het college stelt daarom niet in alle gevallen aanvullend een afzonderlijk subsidieplafond per subsidieregeling vast.
13
Het college kan, naast het begrotingsplafond, ook een aanvullend subsidieplafond vaststellen wanneer dit noodzakelijk is voor een zorgvuldige en uitvoerbare verdeling van middelen. Dit is met name van toepassing wanneer: • het risico bestaat dat het beschikbare budget wordt overvraagd; • er sprake is van meerdere potentiële aanvragers en schaarse middelen; • aanvullende sturing nodig is voor een transparante en gelijke verdeling. Wanneer een aanvullend subsidieplafond wordt vastgesteld, wordt de wijze van verdeling vooraf vastgelegd in een subsidieregeling en gelijktijdig met het subsidieplafond bekendgemaakt, conform artikel 4:26 van de Awb. Deze werkwijze sluit aan bij de gemeentelijke planning‑ en controlecyclus, waarin de programmabegroting de budgettaire kaders vaststelt en subsidieregelingen deze kaders inhoudelijk uitwerken. Dit voorkomt dat subsidieregelingen onnodig zwaar en complex worden ingericht met aanvullende subsidieplafonds die in de praktijk lastig uitvoerbaar zijn. Het maakt het subsidieproces eenvoudiger en beter te begrijpen voor aanvragers en vermindert de administratieve druk voor de gemeente.
Wanneer is een aanvullend subsidieplafond niet noodzakelijk Niet in alle situaties is het noodzakelijk dat het college, naast het begrotingsplafond, een aanvullend subsidieplafond vaststelt. Dat is in ieder geval het geval in de volgende situaties:
•
Structureel gesubsidieerde organisaties zonder concurrentie Het gaat om organisaties die jaarlijks een structurele subsidie ontvangen en waarvan de activiteiten specifiek aan die organisatie zijn verbonden (bijvoorbeeld lokale welzijnsinstellingen, culturele instellingen of verenigingen). Daarbij is redelijkerwijs aannemelijk dat er geen andere serieuze gegadigden bestaan. In deze gevallen biedt het begrotingsplafond een toereikende juridische en financiële begrenzing.
•
Het budget is expliciet en gemaximeerd opgenomen in de programmabegroting Wanneer de gemeenteraad per beleidsterrein of per organisatie een maximaal budget heeft vastgesteld, fungeert deze begrotingspost als subsidieplafond. Overschrijding leidt op grond van artikel 4:25, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht tot verplichte weigering van subsidie. Bij twijfel over de uitvoerbaarheid kan het college alsnog een aanvullend subsidieplafond vaststellen.
•
De subsidieregeling is uitvoerbaar binnen het begrotingsplafond Voor sommige subsidieregelingen geldt dat: o het aantal aanvragen beperkt en voorspelbaar is; o de aanvragen elkaar niet beconcurreren; o de regeling niet bedoeld is voor open inschrijving; o het beschikbare budget structureel toereikend is.
In deze situaties voegt een aanvullend subsidieplafond geen extra juridische borging toe. Het begrotingsplafond blijft het juridisch relevante subsidieplafond, terwijl een afzonderlijk plafond vooral zou leiden tot extra administratieve lasten.
14
Beschikbaar budget en verdeling van subsidiegelden 1. De programmabegroting is leidend Per beleidsterrein is in de begroting een budget beschikbaar. Dit budget geldt als subsidieplafond en vormt het uitgangspunt voor alle subsidieregelingen en aanvragen binnen dat domein. Jaarlijks bepaalt de gemeenteraad via de kadernota en programmabegroting de totale beschikbare middelen voor subsidies. Het college maakt binnen deze budgetten keuzes over de inzet van instrumenten en de opzet van subsidieregelingen.
2. Subsidieregelingen sluiten aan op de beschikbare middelen Nieuwe of herziene subsidieregelingen worden opgesteld binnen de beschikbare middelen. Eventuele uitbreiding van het budget moet door de raad worden vastgesteld via de programmabegroting. Het college stelt vervolgens regelingen vast die passen binnen deze kaders.
3. Verdelingswijze is vooraf bekend De verdeelwijze wordt altijd vastgelegd in de subsidieregeling. Afwijzing van subsidieaanvragen vindt plaats op basis van deze verdeelregels. Voorbeelden van verdeelwijzen zijn: o Volgorde van binnenkomst; o Rangschikking op kwaliteit of maatschappelijke waarde; o Toepassing van normbedragen of vaste bedragen. 4. Aanvullend subsidieplafond alleen wanneer noodzakelijk Het college kan, naast het begrotingsplafond, jaarlijks een subsidieplafond vaststellen en dit besluit publiceren in het Gemeenteblad, voorafgaand aan het jaar of tijdvak waarop het plafond betrekking heeft. Een aanvullend subsidieplafond wordt alleen ingezet wanneer: o er een reëel risico bestaat op overschrijding van het beschikbare budget; o sprake is van meerdere potentiële aanvragers en schaarse middelen; o aanvullende sturing noodzakelijk is voor een transparante en gelijke verdeling.
Subsidieplafonds Een aanvullend subsidieplafond bepaalt het maximale bedrag dat gedurende een bepaalde periode beschikbaar is voor subsidieverlening naast het begrotingsplafond. Wanneer een aanvullend subsidieplafond is vastgesteld, worden aanvragen geweigerd zodra dit plafond is bereikt. Het aanvullende subsidieplafond wordt, conform de ASV en de Awb, bekendgemaakt in het Gemeenteblad. De bijbehorende verdelingswijze zoals opgenomen in de subsidieregeling wordt gelijktijdig vermeld. Bij het vaststellen van aanvullende subsidieplafonds wordt: • de beschikbare begrotingsruimte gebruikt als uitgangspunt; • de wijze van verdeling vastgesteld in de subsidieregeling.
15
Indexatie van subsidies De ASV 2026 maakt het mogelijk dat subsidies jaarlijks worden geïndexeerd. Indexatie is geen recht, maar een besluit dat de gemeente jaarlijks kan nemen afhankelijk van: • de financiële positie van de gemeente; • budgetten in de programmabegroting; • landelijke of regionale ontwikkelingen. Als een indexatie wordt toegepast, wordt het percentage vermeld in de kadernota of programmabegroting.
Reserves en financiële positie van de aanvrager Bij het beoordelen van subsidieaanvragen kijkt de gemeente naar de financiële positie van de aanvrager. Subsidies kunnen geheel of gedeeltelijk worden geweigerd wanneer de aanvrager over zodanige reserves beschikt dat de activiteit (gedeeltelijk) op eigen kracht kan worden uitgevoerd. Artikel 9, derde lid onder f van de ASV 2026 bepaalt dat de gemeente subsidie kan weigeren als de reserves ‘van dusdanige omvang zijn dat de subsidie niet of niet volledig noodzakelijk is’. Dit geldt voor: • algemene reserves; • bestemmingsreserves; • egalisatiereserves (voor zover relevant); • overige vrij besteedbare middelen. Hiermee wordt verantwoord financieel beheer gestimuleerd en onnodige subsidiering voorkomen.
Bestemmingsreserve Organisaties kunnen beschikken over een of meer bestemmingsreserves. Dit zijn reserves die aantoonbaar zijn gevormd voor een vooraf vastgelegd doel. Bestemmingsreserves worden niet als vrij beschikbaar vermogen aangemerkt wanneer zij aantoonbaar doelgebonden zijn. Dat is het geval wanneer: • de reserve een duidelijk en onderbouwd doel heeft; • er een bestedingsplan aanwezig is waaruit blijkt hoe en binnen welke termijn de reserve wordt ingezet; • de bestemming relevant en noodzakelijk is voor de activiteiten van de organisatie. Wanneer een bestemmingsreserve niet of onvoldoende is onderbouwd, of wanneer er geen reëel bestedingsplan is, kan deze geheel of gedeeltelijk worden beschouwd als vrij vermogen. Dit vermogen wordt dan betrokken bij de noodzaakstoets op grond van artikel 9 van de ASV 2026. Wanneer een subsidieontvanger een nieuwe bestemmingsreserve wil vormen of een bestaande bestemming wil wijzigen, moet dit schriftelijk worden gemeld aan het college, zodat kan worden beoordeeld of de vorming van de reserve doelmatig en gerechtvaardigd is en geen ongewenste opstapeling van middelen ontstaat.
16
Egalisatiereserve Voor meerjarige subsidies per kalender- of boekjaar kan de gemeente bepalen dat een subsidieontvanger een egalisatiereserve vormt. De egalisatiereserve is bedoeld om schommelingen in kosten op te vangen en continuïteit te waarborgen. De ASV 2026 stelt hiervoor duidelijke kaders: • de egalisatiereserve mag maximaal 15% bedragen van de laatst vastgestelde subsidie; • positieve verschillen tussen subsidie en werkelijke kosten worden aan de egalisatiereserve toegevoegd; • negatieve verschillen kunnen ten laste van de egalisatiereserve worden gebracht, voor de egalisatiereserve toereikend is; • besteding buiten dit doel mag alleen met voorafgaande toestemming van het college; • de reserve moet jaarlijks worden verantwoord in de jaarrekening of het financieel verslag.
Regionale of gezamenlijk gefinancierde organisaties Bij organisaties die een subsidie ontvangen van meerdere gemeenten en/ of instanties, beoordeelt de gemeente alleen het deel van de reserves, baten en exploitatie dat betrekking heeft op de activiteiten die voor Sliedrecht worden uitgevoerd. De noodzaakstoets (artikel 9 ASV) wordt toegepast op het proportionele deel van het vermogen.
Voorzieningen Naast reserves kunnen organisaties voorzieningen vormen voor toekomstige verplichtingen of risico's. Voorzieningen worden niet meegenomen bij de beoordeling van de financiële positie van een organisatie als deze is gebaseerd op een concrete verplichting of een realistisch en onderbouwd risico, en de hoogte van de voorziening in redelijke verhouding staat tot die verplichting. Een voorziening wordt (gedeeltelijk) aangemerkt als vrij beschikbaar vermogen wanneer: • er geen duidelijke verplichting of onderbouwd risico aan ten grondslag ligt; • de voorziening onevenredig hoog is in verhouding tot de relevante verplichting of het risico; • onduidelijk is binnen welke termijn de voorziening naar verwachting wordt afgewikkeld. Het deel van de voorziening dat als vrij vermogen wordt aangemerkt, wordt meegenomen in de noodzaakstoets op grond van artikel 9 van de ASV 2026. Omdat het vormen van voorzieningen invloed heeft op de financiële positie van een organisatie, moet de subsidieontvanger de gemeente tijdig informeren wanneer een nieuwe voorziening wordt gevormd of wanneer een bestaande voorziening wordt aangepast.
17
Monitoring en evaluatie De gemeente monitort om ervoor te zorgen dat subsidies rechtmatig, doelmatig en effectief worden ingezet. Monitoring zorgt ervoor dat tijdig signalen worden opgevangen, risico’s worden beheerst en dat er kan worden bijgestuurd wanneer nodig.
Monitoring tijdens de uitvoering Tijdens de uitvoering van activiteiten volgt de gemeente de voortgang, signaleert zij tijdig eventuele knelpunten en houdt zij toezicht op een proportionele inzet van middelen.
Meldplicht voor subsidieontvanger Subsidieontvangers moeten op grond van artikel 11 van de ASV 2026 tijdig melden wanneer activiteiten afwijken van de afspraak, wanneer er begrotingsafwijkingen van 20% of meer optreden, of wanneer er belangrijke organisatorische, financiële of reserve wijzigingen zijn. Deze meldingen zijn een vast onderdeel van de monitoring.
Prestatieafspraken Met de subsidieontvanger worden prestatieafspraken gemaakt die worden opgenomen in de verleningsbeschikking. Prestatieafspraken zijn een belangrijk beleidsinstrument om te sturen op resultaten. Zij leggen vast wat een subsidieontvanger gaat doen, welke prestaties worden verwacht en hoe deze bijdragen aan de gemeentelijke beleidsdoelen. Prestatieafspraken vormen daarmee de basis voor zowel de tussentijdse monitoring als de eindverantwoording.
Gebruik van prestatie-indicatoren Prestatie‑indicatoren worden gebruikt om inzichtelijk te maken in hoeverre gesubsidieerde activiteiten bijdragen aan de gemeentelijke beleidsdoelen. Ze maken resultaten meetbaar en ondersteunen de gemeente bij het volgen van voortgang, het beoordelen van effecten en het waar nodig bijsturen. De indicatoren worden vastgelegd in een bijlage bij de subsidieregelingen, zodat ze voor alle aanvragers duidelijk en eenduidig zijn en eenvoudig kunnen worden geactualiseerd. Ze vormen een aanvulling op de verplichte beleidsindicatoren uit het BBV en dragen bij aan een transparante en toetsbare inzet van subsidiegelden.
Tussentijdse voortgangsgesprekken en verslagen Bij grotere of meerjarige subsidies voert de gemeente tussentijdse voortgangsgesprekken om tijdig zicht te houden op de uitvoering en eventuele risico’s. Waar nodig kan de gemeente aanvullend een halfjaarlijkse of kwartaalrapportage opvragen, bijvoorbeeld bij hogere bedragen, complexe trajecten of verhoogde risico’s.
Controle ter plekke Op basis van artikel 11 lid 2 ASV kan de gemeente steekproefsgewijs controles uitvoeren. Bijvoorbeeld een controle van de administratie of een bezoek aan een uitvoering om te zien of activiteiten daadwerkelijk plaatsvinden.
18
Jaarlijkse verantwoording Vaststelling Na afloop van de subsidieperiode wordt een aanvraag tot vaststelling ingediend (behalve in geval van directe vaststelling). De gemeente beoordeelt bij de vaststelling of de activiteiten volgens afspraak zijn uitgevoerd, de beoogde resultaten zijn behaald, de middelen rechtmatig en doelmatig zijn besteed en of aan alle verplichtingen is voldaan.
Subsidieregister De gemeente stelt jaarlijks een subsidieregister op waarin wordt opgenomen: • alle jaarlijkse structurele subsidies die zijn verleend, inclusief eventuele begrotingspostsubsidies; • aan welke organisaties; • onder welke subsidieregeling; • met welke bedragen. Het register wordt vastgesteld door het college en ter informatie voorgelegd aan de raad. Ook wordt het register gepubliceerd op de gemeentelijke website. Dit draagt bij aan transparantie en inzicht in de inzet van subsidiegelden.
Evaluatie subsidiebeleid Het subsidiebeleid van de gemeente Sliedrecht wordt eens in de vier jaar geëvalueerd. De eerstvolgende evaluatie vindt plaats in 2030. Doel van deze evaluatie is om te beoordelen of het beleid, het proces en de inzet van subsidies bijdragen aan de gewenste maatschappelijke effecten en of verbeteringen nodig zijn. Bij deze evaluatie worden in ieder geval de volgende vragen beantwoord: 1. Bevatten beleidsnota’s duidelijke maatschappelijke effecten en doelstellingen en de randvoorwaarden om een evaluatie mogelijk te maken? Wordt beleid concreet en meetbaar geformuleerd om te kunnen beoordelen of subsidies bijdragen aan de beoogde effecten? 2. Zijn de subsidieregelingen effectief en actueel? Sluiten zij aan op de maatschappelijke opgaven, worden ze doelmatig toegepast en zijn zij uitvoerbaar voor zowel subsidieontvangers als de gemeente? 3. Is er een duidelijke relatie tussen gewenste maatschappelijke effecten, subsidieregelingen en uitvoering? Worden in de subsidieregelingen en -beschikkingen doelstellingen en prestaties duidelijk vertaald dat helder is hoe activiteiten bijdragen aan de gemeentelijke doelen? 4. Is de transparantie van het subsidieproces verbeterd? Wordt er gewerkt volgens het vastgestelde subsidieproces? Is een 4-ogen principe geborgd bij subsidies hoger dan € 50.000,-? Zijn de digitale subsidiedossiers volledig? 5.
Worden de prestatieafspraken die zijn vastgelegd in de verleningsbeschikkingen nagekomen? Worden de afgesproken voortgangsgesprekken gevoerd? Worden de tussentijdse rapportages opgevraagd en beoordeeld? Zijn de gespreksverslagen toegevoegd aan de digitale subsidiedossiers? De resultaten van deze evaluatie worden gebruikt voor het actualiseren van het subsidiebeleid en de subsidieregelingen. 19
Slotbepaling Dit Subsidiebeleid treedt in werking op 1 januari 2027 en vervangt het Subsidiebeleid 2024–2027. Het beleid geldt voor alle subsidieaanvragen die worden ingediend voor subsidiejaar 2027 en verder, tenzij in de Algemene Subsidieverordening Sliedrecht 2026 of in subsidieregelingen anders is bepaald. Het college is verantwoordelijk voor de uitvoering van dit beleid en kan nadere uitvoeringsregels vaststellen voor een zorgvuldige toepassing ervan.
Overgangsbepaling Op subsidieaanvragen die zijn ingediend voor het subsidiejaar 2026 blijven de op dat moment geldende beleidsregels, subsidieregelingen en de Algemene subsidieverordening Sliedrecht 2024 van toepassing. De Algemene subsidieverordening Sliedrecht 2026 en dit Subsidiebeleid 2027–2030 zijn van toepassing op subsidies die worden verstrekt voor het subsidiejaar 2027 en verder, ongeacht het moment van indiening van de aanvraag. Voor subsidiejaar 2027 geldt een overgangsregeling voor de aanvraagtermijnen: in afwijking van artikel 7 van de ASV 2026 kunnen aanvragen voor kalenderjaarsubsidies eenmalig worden ingediend tot en met 1 september 2026. Voor subsidies vanaf subsidiejaar 2028 gelden de aanvraagtermijnen zoals opgenomen in de ASV 2026.
20