231211_ANTW_TECH.VR_Prins_CDA_Wijziging verordeningen i.v.m. inwerkingtreding Omgevingswet.pdf
Tekst van het document
Gebiedsgericht toezicht
Het gebiedsgericht werken richt zich op het toezicht en de handhaving gerelateerd aan geografische gebieden, zoals het landelijk gebied en stedelijk gebied. Het stedelijk gebied kan opgedeeld worden per wijk of woongebied, centrumgebied en industriegebied. Het toezicht richt zich op algemene wet- en regelgeving en niet op object gebonden vergunningen of meldingen. Overtredingen kunnen naar aanleiding van een actieve controle of naar aanleiding van signalen worden geconstateerd. Dit wordt vertaald in enerzijds periodieke controles per gebied en anderzijds door projectmatige controles op een bepaalde te handhaven activiteit en waar mogelijk in samenwerking met handhavingspartners. Het gebiedsgericht werken is gebaseerd op de volgende categorieën van toezicht: Signaal toezicht: Controles op basis van klachten of meldingen Routinematig toezicht: Toezicht op basis van direct opvallende zaken (de toezichthouder is onderweg voor inspectie en neemt gebiedsgerichte handhaving gelijktijdig mee); Surveillance toezicht: Surveillance richt zich op het algemene toezicht binnen de gemeentegrenzen. Door surveillance kunnen opvallende zaken worden geconstateerd / geregistreerd. Hierbij kan tevens worden gedacht aan het gebruik van social media en nasporing op internet. Recherche toezicht: Gericht specifieke overtredingen opsporen, bij thema of per straat.
22
Signaaltoezicht
Indien een inspecteur/toezichthouder tijdens een controle iets tegenkomt wat in principe niet binnen zijn beleidsveld valt, zal dit worden doorgegeven. Hierbij kan gedacht worden aan de toezichthouders APV en bijzonder wetten / BOA die tijdens een controle bouwactiviteiten ziet. In z’n situatie kan de toezichthouder/BOA een signaal aan de buiteninspecteur/toezichthouder geven. Dit noemen we signaaltoezicht. Signaal toezicht kan worden toegepast bij elk van de hierboven beschreven vormen van toezicht (vergunnings-, object- en gebiedsgericht toezicht).
23
BIJLAGE 4 HANDHAVINGSINSTRUMENTEN Bestuurlijke sancties
Bestuurlijke sancties zijn te verdelen in herstelsancties en bestraffende sancties. Een herstelsanctie is een sanctie die strekt tot het geheel of gedeeltelijk ongedaan maken of beëindigen van de overtreding, tot het voorkomen van herhaling van de overtreding, dan wel het wegnemen of beperken van de gevolgen van de overtreding. Hierbij kan gedacht worden aan een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom. Een bestraffende sanctie is een bestuurlijke sanctie voor zover deze beoogt de overtreder leed toe te brengen. Onder leed wordt verstaan een prikkel af te geven om de overtreding in de toekomst niet meer te begaan. Hierbij kan gedacht worden aan een bestuurlijke boete. Uitgangspunt bij de bestuursrechtelijke handhaving is dat de overtreder in beginsel één keer gewaarschuwd wordt om binnen een redelijke termijn de overtreding ongedaan te maken. Blijkt bij hercontrole dat de overtreding voortduurt of niet ongedaan is gemaakt, dan zal het bevoegd gezag in de regel een bestuursrechtelijke maatregel voorbereiden. Overigens kunnen er in bijzondere gevallen redenen bestaan om meer dan één hercontrole te verrichten of de overtreder meer tijd te gunnen om de overtreding te beëindigen. Anderzijds kan er aanleiding zijn om direct tot een bestuursrechtelijk maatregel te besluiten.
Dit is bijvoorbeeld aan de orde wanneer illegaal wordt gebouwd, de volksgezondheid, de openbare orde of de veiligheid ernstig in het geding is of onomkeerbare effecten dreigen. Afhankelijk van de situatie komen als bestuursrechtelijke maatregel in aanmerking het stilleggen van de bouw (spoedeisende bestuursdwang), het opleggen van een last onder bestuursdwang of een (preventieve) last onder dwangsom en het intrekken van een begunstigend besluit. In hoofdstuk 6 wordt expliciet stilgestaan bij voornoemde maatregelen, de soort en hoogte van de sancties.
Strafrechtelijke sancties
Naast bestuursrechtelijke sancties bestaan er ook mogelijkheden tot het opleggen van strafrechtelijke sancties. Bij de strafrechtelijke aanpak is de grootste rol weggelegd voor de politie, de Buitengewoon Opsporingsambtenaren en het Openbaar Ministerie (OM). De gelijktijdige toepassing van het bestuursrecht en het strafrecht kan in bepaalde gevallen een meerwaarde hebben. Beide aanpakken dienen (in beginsel) overigens (ten dele) verschillende doelen. Bij de strafrechtelijke aanpak gaat het om het bestraffen van degene die een overtreding heeft begaan om zodoende normconform gedrag te bewerkstelligen (bestraffing), terwijl het doel van de bestuursrechtelijke aanpak (in beginsel) is om een overtreding te beëindigen of te voorkomen dat een overtreding zich opnieuw voordoet (herstel). Het gaat bij de laatste aanpak dus om het terugbrengen naar, of het houden in een toestand die in overeenstemming is met wet- en regelgeving. De bestuurlijke boete is daarentegen en in vergelijking met de overige handhavingsinstrumenten, zoals de last onder bestuursdwang en een last onder dwangsom, geen herstelsanctie maar een bestraffende (bestuursrechtelijke) sanctie die door de burgemeester opgelegd kan worden. Bij het opleggen van een bestraffende sanctie past een 'lik op stuk aanpak', terwijl een bestuursrechtelijke herstelsanctie vaak een wat langere adem vergt.
Het waarschuwen van een overtreder na een eerste overtreding en het bieden van gelegenheid voor het indienen van zienswijzen als voorbeeld, zijn namelijk procedurele waarborgen die voorafgaand aan het daadwerkelijk opleggen van een bestuurlijke sanctie in acht genomen moeten worden. In de strafrechtelijke aanpak is de grootste rol weggelegd voor de politie, Buitengewoon Opsporingsambtenaren en het Openbaar Ministerie. Het Openbaar Ministerie heeft ten aanzien van strafrechtelijke aanpak een ‘eigen’ strafrechtelijk handhavingsbeleid
24
BIJLAGE 5 AFZIEN HANDHAVING EN GEDOOGVOORWAARDEN Beginselplicht tot handhaving
Dit houdt in dat het bevoegd gezag niet alleen bevoegd is om tegen een overtreding handhavend op te treden maar daartoe in beginsel zelfs verplicht is. Alleen onder bijzondere omstandigheden kan worden afgezien van handhaving. Afzien van handhaving is mogelijk in de volgende categorieën / gevallen: Situaties waar concreet zicht is op legalisatie. Concreet zicht op legalisatie van de overtreding is de voornaamste bijzondere omstandigheid die aanleiding geeft tot het afzien van handhavend optreden. In dit soort situaties mag redelijkerwijs worden verwacht dat de overtreding daarmee spoedig wordt gelegaliseerd. Het opleggen van een bestuursrechtelijke maatregel wordt in deze situaties veelal onrechtmatig geacht. Van concreet zicht op legalisatie is sprake indien concrete stappen zijn gezet tot legalisatie, bijvoorbeeld na indiening van een ontvankelijke vergunningsaanvraag, een ontwerpbestemmingsplan ter inzage sis gelegd en/of een kansrijke afwijkingsprocedure is gestart. Rechtvaardigingsgronden Het gaat hierbij om onvoorziene situaties de zogenaamde overmacht (bijv. calamiteiten) die niet voor legalisatie in aanmerkingen komen, maar waarbij de overtreder geen enkel verwijt kan worden gemaakt. De belangenafweging kan er toe nopen om de overtreding niet te handhaven door het opleggen van een herstelsanctie. Situaties waarin handhavend optreden onevenredig wordt geacht.
Kenmerk van deze situatie is dat geen zicht is op legalisatie van de overtreding op afzienbare termijn, maar wel van één of meer zodanige bijzonderheden dat de belangenafweging aanleiding geeft om af te zien van bestuursrechtelijk handhavend optreden. Veelal betreffen het situaties waar geslaagd beroep kan worden gedaan op het vertrouwensbeginsel, het rechtzekerheidsbeginsel en/of het gelijkheidsbeginsel;
Gedoogvormen en –voorwaarden
Gedogen is in bijzondere situaties en binnen bepaalde grenzen toegestaan. De voorwaarden die aan gedogen zijn gekoppeld zijn: Gedogen mag slechts in uitzonderingsgevallen voorkomen. Gelet op het uitzonderlijke karakter van gedogen moet evenwel als uitgangspunt gelden dat het gemeentebestuur daarbij zeer terughoudend is. Derden mogen er op vertrouwen dat een overheidsorgaan de voorschriften handhaaft, dan wel dat derden er recht op hebben dat hun belangen zorgvuldig worden meegewogen in de besluitvorming over het al dan niet handhaven. Gedogen dient in omvang en in tijdsduur te worden beperkt. Een gedoogbeschikking wordt in principe verleend voor een zo kort mogelijke concrete termijn. Slechts in uitzonderingsgevallen kan deze worden verleend voor onbepaalde tijd (bij geringe inbreuk). In de situatie waarin sprake is van concreet zicht op legalisatie wordt ook wel gesproken over een opschortingsbesluit. Voor wat betreft de geldigheidsduur van een opschortingsbesluit wordt aangesloten bij het moment waarop de overtreding c.q. het concrete zicht op legalisatie eindigt. Overigens staat bij het afzien van handhaven het door de overtreden rechtsregel beschermde belang (de beleidsdoelstelling) centraal. Gedogen moet in beginsel expliciet en schriftelijk plaatsvinden en voldoen aan de Awb.
Een gedoogverklaring is volgens vaste jurisprudentie een besluit (én een beschikking) waartegen bezwaar en beroep open staat. Gedogen dient dan ook op basis van een expliciet en schriftelijk besluit plaats te vinden. Voorts dienen bij de voorbereiding van de gedoogbeschikking de Awb-criteria voor de voorbereiding van besluiten / beschikkingen in acht te worden genomen. Gedogen moet worden gecontroleerd. Uitgangspunt is dat op de gedoogbeschikking wordt gecontroleerd. Bij overtreding van de voorschriften dient in beginsel de gedoogverklaring te worden ingetrokken, waarna tegen de oorspronkelijke overtreding alsnog kan worden opgetreden.
25