210920_Art. 38_Mondelinge vragen_De Munck_D66_Woningsluiting Havikstraat.pdf
Tekst van het document
Artikel 38 RvO – mondelinge vragen – René de Munck – D66 Onderwerp: Woningsluiting Havikstraat Waarom wordt een woning gestraft voor drie maanden. Op 30 juli 2021 heeft u als burgemeester volgens de u toekomende bevoegdheid een woning aan de Havikstraat gesloten voor een periode van drie maanden. De fractie van D66 Sliedrecht vraagt zich het volgende af: Wat kan de woning eraan doen dat er in die woning een hennepkwekerij wordt uitgeoefend? Naar onze mening is deze sluiting dan ook een farce. De legale bewoner heeft na een eventuele strafoplegging wederom recht op een woning. In de tijd tussen constateren en feitelijke strafoplegging is zelfs een urgentieverklaring nog geldig. Na straf komt de dan inmiddels ex bewoner wederom in aanmerking voor een woning. Indien er sprake is van medebewoners (gezinsleden) hebben die te allen tijde recht op huisvesting. Het is logisch dat een woning na constatering van een strafbaar feit die woning voor korte of langere tijd wordt onttrokken aan de woningvoorraad, teneinde deze weer bewoonbaar te maken. De nu door u genomen maatregel heeft tot gevolg dat de woning voor drie maanden niet mag worden betreden, vervolgens daarna nog moet worden opgeknapt teneinde weer in de woningvoorraad te worden opgenomen. Volgens de fractie van D66 Sliedrecht zijn dit vier maanden te veel, gelet op de wachtlijst van mensen voor een betaalbare woning.
Het simpele feit dat de woning hier veroordeeld wordt middels drie maanden sluiting zou te accepteren zijn als deze woning privébezit is. Wij gaan ervan uit dat deze woning van Tablis wonen is. 1. Wij vragen aan u welke andere maatregelen u heeft genomen of van plan bent te nemen om herhaling te voorkomen? 2. Is de verhuurder (tablis) aangesproken op het voorkomen van de geconstateerde feiten? 3. Is Stedin aangesproken op het voorkomen van illegaal stroom aftappen? 4. Is er sprake van enige gemeentelijke dienst die controle op de aangehouden bewoner had kunnen uit oefenen? 5. Indien onze aanname dat Tablis niet de verhuurder is, wie dan wel? 6. Welke lering kunnen wij uit de geconstateerde feiten trekken? Fractie van D66 Sliedrecht R.B. De Munck