1. Algemene Subsidieverordening Sliedrecht 2026.pdf
Tekst van het document
Algemene subsidieverordening Sliedrecht 2026 Intitulé De RAAD van de gemeente Sliedrecht; Gezien het voorstel van het college van Burgemeester en wethouders van juni 2026 inzake vaststellen Algemene Subsidieverordening Sliedrecht en Subsidiebeleid gemeente Sliedrecht 2027-2030; Gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en Titel 4.2 Algemene wet bestuursrecht; Besluit vast te stellen de navolgende Algemene Subsidieverordening Sliedrecht 2026.
Artikel 1. Definities In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: 1. Awb: Algemene wet bestuursrecht; 2. Raad: de gemeenteraad van de gemeente Sliedrecht; 3. College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sliedrecht; 4. Natuurlijk persoon: een levend persoon, niet zijnde een rechtspersoon; 5. Rechtspersoon: een organisatie die op grond van de wet rechtspersoonlijkheid bezit; 6. Onderneming: iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm of wijze van financiering, die een economische activiteit uitoefent; 7. Economische activiteit: de verzameling van werkzaamheden, gericht op de productie van goederen en diensten. Het gaat hierbij niet alleen om activiteiten van het bedrijfsleven, maar ook om activiteiten van niet op winst gerichte instellingen en de overheid; 8. Kalenderjaar: een tijdsinterval van precies één jaar van 1 januari t/m 31 december; 9. Boekjaar: een twaalfmaandsperiode waarover een onderneming of instelling haar cijfers rapporteert.
Een boekjaar hoeft niet altijd samen te vallen met een kalenderjaar; 10.Subsidieplafond: het bedrag dat gedurende een bepaald tijdvak ten hoogste beschikbaar is voor de verstrekking van subsidies krachtens een bepaald wettelijk voorschrift; 11.Reserve: het door de subsidieontvanger aangehouden vermogen, gevormd uit verschillen tussen baten en lasten, bestemd als buffer tegen exploitatierisico’s of bestemd voor de continuïteit van de gesubsidieerde activiteiten, waarbij het college nadere regels kan stellen over de omvang en aanwendbaarheid van de reserve. 12.Beoordelingsverklaring: een door een onafhankelijk accountant afgegeven verklaring die beperkte zekerheid geeft over het financieel verslag of jaarrekening;
13.Controleverklaring: een door een onafhankelijke accountant afgegeven verklaring die redelijke mate van zekerheid geeft over de getrouwheid van het financieel verslag of jaarrekening; 14.Europees steunkader: een mededeling, richtsnoer, kaderregeling, besluit of vrijstellingsverordening op het gebied van staatssteun die de Europese Commissie of de Raad van de Europese Unie, gelet op de artikelen 106, derde lid, 107, 108 of 109 van het Verdrag heeft vastgesteld; 15.Verdrag: Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (PbEU C 326/47); 16.Algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) 2017/1084 van de Commissie, die Verordening (EU) 651/2014 van 17 juni 2014 wijzigt en bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag verenigbaar verklaart met de interne markt (PbEU L 156/1); --> (geupdate naar juiste verordeningen) 17.De-minimissteun: steun die wordt verstrekt op grond van Verordening (EU) 2023/2831 (algemene de-minimis) en, voor SGEI, Verordening (EU) 2023/2832. 18.De overige begrippen in de verordening hebben de betekenis die zij ook hebben in de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 2. Reikwijdte 1. Deze verordening is van toepassing op de verstrekking van subsidies door het college op de volgende beleidsterreinen, met uitzondering van subsidies waarvoor bij afzonderlijke verordening een uitputtende regeling is getroffen en subsidies als bedoeld in artikel 4:23 Awb, derde lid (subsidies waarvoor geen wettelijke grondslag nodig is): a) algemeen bestuur; b) openbare orde en veiligheid; c) verkeer, vervoer en waterstaat; d) economische zaken; e) onderwijs; f) sport, cultuur en recreatie; g) sociale voorzieningen en maatschappelijke dienstverlening; h) volksgezondheid en milieu; i) ruimtelijke ordening en volkshuisvesting. 2. Ten aanzien van subsidies als bedoeld in artikel 4:23 Awb, derde lid (subsidies waarvoor geen wettelijke grondslag nodig is) kan het college bepalen dat deze verordening geheel of gedeeltelijk van toepassing is.
Artikel 3. Subsidieregelingen Het college kan bij nadere regeling (hierna te noemen: subsidieregeling) vaststellen welke activiteiten in aanmerking kunnen komen voor subsidie. Voor zover van toepassing, wordt hierin tevens bepaald welke doelgroepen voor subsidie in aanmerking komen, hoe de subsidie wordt berekend en hoe de subsidiebedragen worden uitbetaald.
Artikel 4. Staatssteunregels 1. Voor zover dat ten behoeve van het voldoen aan een Europees steunkader noodzakelijk is, kan het college bij subsidieregeling afwijken van deze verordening en deze aanvullen. 2. Bij subsidieregelingen waarbij is bepaald dat toepassing kan worden gegeven aan een Europees steunkader, verwijst de subsidieregeling naar het desbetreffende steunkader. 3. Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, verwijst de verleningsbeschikking naar de toepasselijke bepalingen van het steunkader. 4. Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen alleen de activiteiten, doelstellingen, resultaten en kosten voor vergoeding in aanmerking die voldoen aan de eisen van het desbetreffende steunkader. 5. Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen ondernemingen alleen in aanmerking voor zover de subsidieverstrekking voldoet aan de voorwaarden van het desbetreffende steunkader.
Artikel 5. Begrotingskader, begrotingsvoorbehoud, subsidieplafond en indexatie 1. Subsidies worden uitsluitend verleend voor zover de gemeenteraad voor de betreffende activiteiten of subsidieregelingen middelen op de gemeentebegroting heeft geraamd. 2. De in de gemeentebegroting vastgestelde bedragen gelden daarbij als subsidieplafond als bedoeld in artikel 4:25 van de Algemene wet bestuursrecht. 3. Het college kan binnen de kaders van de begroting ook subsidieplafonds vaststellen. 4. Indien voor subsidies binnen een subsidieregeling een subsidieplafond geldt en dit plafond ontoereikend is om alle aanvragen te honoreren, wordt de wijze van verdeling van het beschikbare bedrag vooraf vastgelegd in de subsidieregeling en gelijktijdig met het subsidieplafond bekendgemaakt. 5. Het college kan een subsidieplafond verlagen als: a. het plafond wordt vastgesteld voordat de begroting voor het betrokken jaar is vastgesteld of goedgekeurd; en b. de subsidieaanvragen waarop het subsidieplafond betrekking heeft, moeten worden ingediend voordat de begroting voor het betrokken jaar is vastgesteld of goedgekeurd. 6. Bij de bekendmaking van een subsidieplafond dat kan worden verlaagd overeenkomstig het vorige lid, wordt gewezen op de mogelijkheid van verlaging en de gevolgen daarvan voor reeds ingediende aanvragen. 7.
Voor zover een subsidie wordt verleend ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld of goedgekeurd, wordt zij verleend onder de voorwaarde dat voldoende middelen op de begroting beschikbaar zullen worden gesteld. 8. Kalenderjaar- en boekjaarsubsidies kunnen jaarlijks geïndexeerd worden overeenkomstig de door de raad vastgestelde gemeentelijke indexeringspercentage voor subsidies. Aan deze bepaling kunnen geen rechten op verhoging worden ontleend.
Artikel 6. Aanvraag 1. Een natuurlijk persoon of rechtspersoon kan subsidie aanvragen, met dien verstande dat subsidies vanaf € 5.000 alleen door een rechtspersoon kunnen worden aangevraagd. Het college kan bij subsidieregeling hiervan afwijken. 2. Een subsidieaanvraag wordt schriftelijk ingediend bij het college, met gebruikmaking van het hiervoor beschikbare (digitale) aanvraagformulier. 3. Bij de aanvraag legt de aanvrager in ieder geval de volgende gegevens over: a) een beschrijving van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd (activiteitenplan); b) de doelen en resultaten welke met die activiteiten worden nagestreefd, en hoe de activiteiten daaraan bijdragen; c) een begroting van en een dekkingsplan voor de kosten van deze activiteiten. Het dekkingsplan bevat een opgave van bij anderen aangevraagde subsidies of vergoedingen ten behoeve van dezelfde activiteiten, onder vermelding van de stand van zaken daarvan; d) als de aanvrager een onderneming is: i. een opgave van subsidies, vergoedingen of tegemoetkomingen in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die al zijn of zullen worden ontvangen voor de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd; ii.
een verklaring als bedoeld in de verordening met betrekking tot de-minimissteun (de-minimisverklaring); e) de actuele stand van de reserves, waaronder in ieder geval begrepen de egalisatiereserve, voor zover reserves aanwezig zijn of worden gevormd, indien het een subsidie betreft die per kalender- of boekjaar aan een rechtspersoon wordt verstrekt; f) bij subsidieaanvragen van € 100.000 of meer: een vergelijking tussen de bij de aanvraag ingediende begroting voor het subsidiejaar en de gerealiseerde inkomsten en uitgaven van het daaraan voorafgaande jaar. 4. Een rechtspersoon die voor de eerste keer subsidie aanvraagt, legt tevens over: a) een exemplaar van de oprichtingsakte of de statuten; b) het meest recente jaarverslag; c) de meest recente jaarrekening of de balans van het voorgaande jaar; d) een uittreksel van de Kamer van Koophandel niet ouder dan drie maanden en e) een kopie van een recent bankafschrift van het rekeningnummer waarop de subsidie moet worden overgemaakt. 5. Een natuurlijk persoon die voor de eerste keer subsidie aanvraagt, legt tevens over: a) een kopie van een geldig legitimatiebewijs; b) een kopie van de bankpas van de rekening waarop de subsidie moet worden overgemaakt. Deze bankrekening moet op naam van de aanvrager staan. 6. Bij subsidieregeling kan van de voorgaande leden worden afgeweken.
Artikel 7. Aanvraagtermijn
1. Een aanvraag voor een subsidie die per kalenderjaar wordt verstrekt, wordt ingediend uiterlijk 1 juli voorafgaand aan het jaar of de jaren waarop de aanvraag betrekking heeft. 2. Indien een organisatie een hogere (kalender)subsidie wil aanvragen dan gebruikelijk, wordt de aanvraag ingediend uiterlijk 1 april voorafgaand aan het subsidiejaar. 3. Onder een hogere subsidie dan gebruikelijk wordt verstaan: een subsidieaanvraag die hoger is dan de subsidie die de organisatie in de voorgaande jaren ontving, exclusief eventuele indexering. 4. Een aanvraag om een subsidie die per boekjaar wordt verstrekt, wordt uiterlijk 13 weken voorafgaand aan dat boekjaar ingediend. 5. Andere aanvragen om subsidie worden ingediend tussen 13 en 8 weken voordat de aanvrager voornemens is te beginnen met de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd. 6. Bij subsidieregeling kunnen andere termijnen worden gesteld. 7. Indien een subsidieaanvraag niet binnen de in deze verordening gestelde termijnen wordt ingediend, kan het college de aanvraag buiten behandeling laten.
Artikel 8. Beslistermijn aanvraag 1. Het college beslist op een aanvraag om een subsidie als bedoeld in artikel 7, eerste en tweede lid, uiterlijk op 31 december van het jaar waarin de aanvraag is ingediend. 2. Het college beslist op een aanvraag om een subsidie als bedoeld in artikel 7, vierde en vijfde lid, binnen 8 weken nadat de volledige aanvraag is ingediend. 3. Bij subsidieregeling kunnen andere termijnen worden gesteld. 4. Bij aanvragen om een subsidie die overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het Verdrag worden aangemeld bij de Europese Commissie wordt de termijn verdaagd totdat de Europese Commissie een eindbeslissing heeft genomen.
Artikel 9. Weigerings-, intrekkings- en terugvorderingsgronden 1. Onverminderd de artikelen 4:25 Algemene wet bestuursrecht, en 4:35 Algemene wet bestuursrecht weigert het college de subsidie in ieder geval: a) als de Europese Commissie overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie onverenigbaar is met de interne markt, of b) als het betreft een aanvrager tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerdere beschikking van de Europese Commissie waarin de steun van Nederland onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard. 2. Onverminderd het vorige lid weigert het college de subsidie in ieder geval als de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met een Europees steunkader omdat: a) subsidie verstrekt zou worden aan een aanvrager die een onderneming drijft die in moeilijkheden verkeert als bedoeld in het desbetreffende steunkader, of
b) de subsidie geen stimulerend effect heeft als bedoeld in het desbetreffende steunkader. 3. Onverminderd de vorige leden kan het college de subsidie verder in ieder geval weigeren: a) als de te subsidiëren activiteiten niet of niet in overwegende mate gericht zijn op de gemeente Sliedrecht of haar ingezetenen of als ze onvoldoende ten goede komen aan de gemeente Sliedrecht of haar ingezetenen; b) als niet is aangetoond dat de subsidie noodzakelijk is voor het verrichten van de activiteiten waarvoor deze wordt gevraagd; c) als de aanvraag niet voldoet aan regels die zijn gesteld om voor subsidie in aanmerking te komen; d) als de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met een wettelijk voorschrift; e) als de subsidieverstrekking niet is toegestaan totdat de Europese Commissie met toepassing van artikel 108, derde lid, van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie verenigbaar is met de interne markt; f) als de reserve(s) van de subsidieontvanger van dusdanige omvang zijn dat de subsidie niet, of niet volledig, noodzakelijk is; g) in de bij de betrokken subsidieregeling bepaalde gevallen.
Artikel 10. Verantwoording Voor zover dit niet is bepaald bij subsidieregeling, wordt bij de verleningsbeschikking vermeld op welke wijze de subsidieontvanger de besteding van de subsidie dient te verantwoorden.
Artikel 11. Algemene verplichtingen van subsidieontvanger 1.
Een subsidieontvanger is verplicht om direct schriftelijk melding te doen bij het college, als er sprake is van: a) dat een of meer van de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt, niet of niet geheel zullen worden verricht; b) dat er niet of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan; c) ontwikkelingen die ertoe kunnen leiden dat de subsidieontvanger de aan de subsidie verbonden verplichtingen niet, niet tijdig of niet geheel zal kunnen nakomen; d) dat zich tijdens de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten een wijziging van 20% of meer voordoet in de begrote kosten of begrote opbrengsten daarvan; e) beslissingen of procedures die zijn gericht op de beëindiging van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, of tot ontbinding van de gesubsidieerde rechtspersoon; f) relevante wijzigingen in de financiële en organisatorische verhouding met derden;
g) wijziging van de statuten voor zover het betreft de vorm van de gesubsidieerde rechtspersoon, de persoon van de bestuurder of bestuurders, en het doel van de rechtspersoon; h) dat zich ontwikkelingen voordoen die van invloed zijn op de omvang of aanwending van de egalisatiereserve, waaronder een (voorgenomen) besteding die niet valt onder artikel 12a, of een toename of afname van de reserve van betekenis. 2. Een subsidieontvanger is verplicht mee te werken aan een steekproefsgewijze controle ten aanzien van de gesubsidieerde activiteiten en dient desgevraagd bewijsstukken te overleggen.
Artikel 12. Aan een subsidie te verbinden bijzondere verplichtingen 1. Bij subsidies hoger dan € 50.000, verleend voor activiteiten die meer dan een jaar in beslag nemen, kan de verplichting worden opgelegd tot het tussentijds afleggen van rekening en verantwoording over de tot dan verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten. De verantwoording wordt niet vaker dan één keer per jaar verlangd. 2. Bij subsidieregeling of verleningsbeschikking kunnen aan de subsidieontvanger ook andere verplichtingen dan genoemd in artikel 4:37, eerste lid, van de Awb worden opgelegd, voor zover deze strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie. In de toelichting bij de subsidieregeling wordt uiteengezet waarom daartoe wordt overgegaan. 3. Bij subsidieregeling kunnen verplichtingen die niet strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie aan de subsidie worden verbonden, voor zover deze verplichtingen betrekking hebben op de wijze waarop of de middelen waarmee de gesubsidieerde activiteit wordt verricht. In de toelichting bij de subsidieregeling wordt uiteengezet waarom daartoe wordt overgegaan. 4.
Bij subsidieregeling of verleningsbeschikking kan worden bepaald dat de subsidieontvanger, voor zover het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, waaronder begrepen een egalisatiereserve voor zover deze door subsidie is gevormd, daarvoor aan het college een vergoeding verschuldigd is indien zich een gebeurtenis voordoet als bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, Awb. Daarbij wordt tevens aangegeven hoe de hoogte van de vergoeding wordt bepaald.
Artikel 12a. Egalisatiereserve 1. De egalisatiereserve is een specifieke vorm van een reserve als bedoeld in artikel 1. Bij verleningsbeschikking kan worden bepaald dat de subsidieontvanger voor een per kalender- of boekjaar verstrekte subsidie een egalisatiereserve als bedoeld in artikel 4:72, eerste lid, van de wet vormt. 2. Het positieve verschil tussen de vastgestelde subsidie en de werkelijke kosten van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, wordt toegevoegd aan de egalisatiereserve. Een negatief verschil kan, voor zover toegestaan, ten laste worden gebracht van de egalisatiereserve.
3. De egalisatiereserve bedraagt maximaal 15% van de laatst vastgestelde subsidie. Een overschrijding van dit maximum kan door het college in mindering worden gebracht op de subsidie, tenzij het college anders besluit. 4. De egalisatiereserve wordt zo hoog rentend en zo veilig als redelijkerwijs mogelijk is belegd. 5. De van de egalisatiereserve genoten rente wordt aan de egalisatiereserve toegevoegd. 6. Als de subsidieontvanger een vergoeding voor vermogensvorming verschuldigd is als bedoeld in artikel 12, vierde lid, dan is de subsidieontvanger ter zake van de egalisatiereserve vergoedingsplichtig naar evenredigheid van de mate waarin de subsidie aan de egalisatiereserve heeft bijgedragen. 7. De ontvanger van een andere subsidie dan bedoeld in het eerste lid kan het college verzoeken een egalisatiereserve te mogen vormen. In dat geval is artikel 4:72 van de wet van overeenkomstige toepassing. 8. Voor een besteding anders dan bedoeld in het tweede lid is voorafgaande toestemming van het college vereist. 9.
De subsidieontvanger verantwoordt de egalisatiereserve jaarlijks in de jaarrekening of het financieel jaarverslag, waaronder in ieder geval: a) de stand van de egalisatiereserve aan het begin en aan het einde van het verslagjaar; b) de mutaties gedurende het verslagjaar, met toelichting op toevoegingen en onttrekkingen; c) de wijze waarop het saldo is belegd overeenkomstig het vierde lid.
Artikel 13. Subsidiëring mede door andere bestuursorganen Indien het college subsidie verstrekt voor activiteiten, die mede door andere bestuursorganen worden gesubsidieerd, kan zij afwijken van de bij of krachtens deze subsidieverordening aan de subsidie te verbinden verplichtingen, met het oog op een goede afstemming met de door die andere bestuursorganen opgelegde of op te leggen verplichtingen en het gemeentelijke belang waarvoor de subsidie wordt verstrekt.
Artikel 14. Wijze van verstrekking en eindverantwoording subsidies tot en met € 15.000 1. Subsidies tot en met € 15.000 worden door het college direct vastgesteld of verleend. Indien de subsidie wordt verleend, wordt deze, tenzij toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, ambtshalve vastgesteld binnen 13 weken nadat de activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht. 2. Indien bij de verleningsbeschikking is bepaald dat de subsidieontvanger op een daarbij aangegeven wijze moet aantonen dat de activiteiten waarvoor subsidie wordt verstrekt zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan, vindt de vaststelling plaats binnen 13 weken nadat de gevraagde inlichtingen zijn verstrekt.
3. Als aan de subsidieaanvrager in hetzelfde kalenderjaar meerdere subsidies worden verleend, kan het college bepalen dat de subsidies bij elkaar moeten worden geteld en eindverantwoording over het totale subsidiebedrag van toepassing is. Om die reden kan een hoger verantwoordingsregime gelden. 4. In geval van verlening van een subsidie van ten hoogste € 15.000 wordt een voorschot verstrekt ter hoogte van de verleende subsidie.
Artikel 15. Eindverantwoording subsidies tussen € 15.000 en € 50.000 1. Bij subsidies van meer dan € 15.000 en ten hoogste € 50.000 dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in: a) in geval van een subsidie die per kalenderjaar wordt verstrekt, uiterlijk op 1 juli van het jaar dat volgt op het betrokken kalenderjaar; b) in geval van een subsidie die per boekjaar wordt verstrekt, uiterlijk 6 maanden na afloop van het betrokken boekjaar; c) in andere gevallen uiterlijk 13 weken nadat de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht. 2. De aanvraag bevat: a) een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan. b) een overzicht van de gesubsidieerde activiteiten en de hieraan verbonden uitgaven en inkomsten (financieel verslag of jaarrekening) op dezelfde wijze ingericht als de voor de subsidieaanvraag ingediende begroting. 3. Als aan de subsidieaanvrager in hetzelfde kalenderjaar meerdere subsidies worden verleend, kan het college bepalen dat de subsidies bij elkaar moeten worden geteld en eindverantwoording over het totale subsidiebedrag van toepassing is. Om die reden kan een hoger verantwoordingsregime gelden. 4. Bij subsidieregeling kan worden bepaald dat op een andere manier wordt aangetoond in hoeverre de activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan. 5.
Het college kan bepalen dat ook andere, of minder dan, de in dit artikel bedoelde informatie die voor de vaststelling van belang zijn, moet worden overlegd.
Artikel 16. Eindverantwoording subsidies tussen € 50.000 en € 100.000 1. Bij subsidies van meer dan € 50.000 en ten hoogste € 100.000 dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in: a) in geval van een subsidie die per kalenderjaar wordt verstrekt, uiterlijk op 1 juli van het jaar dat volgt op het betrokken kalenderjaar; b) in geval van een subsidie die per boekjaar wordt verstrekt, uiterlijk 6 maanden na afloop van het betrokken boekjaar; c) in andere gevallen uiterlijk 13 weken nadat de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht. 2. De aanvraag bevat:
a) een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan. b) een overzicht van de gesubsidieerde activiteiten en de hieraan verbonden uitgaven en inkomsten (financieel verslag of jaarrekening) op dezelfde wijze ingericht als de voor de subsidieaanvraag ingediende begroting; en c) een beoordelingsverklaring, opgesteld door een onafhankelijk accountant. 3. Als aan de subsidieaanvrager in hetzelfde kalenderjaar meerdere subsidies worden verleend, kan het college bepalen dat de subsidies bij elkaar moeten worden geteld en eindverantwoording over het totale subsidiebedrag van toepassing is. Om die reden kan een hoger verantwoordingsregime gelden. 4. Bij subsidieregeling kan worden bepaald dat op een andere manier wordt aangetoond in hoeverre de activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan. 5. Het college kan bepalen dat ook andere, of minder dan, de in dit artikel bedoelde informatie die voor de vaststelling van belang zijn, moet worden overlegd.
Artikel 17. Eindverantwoording subsidies van meer dan € 100.000 1. Bij subsidies van meer dan € 100.000 dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in: a) in geval van een subsidie die per kalenderjaar wordt verstrekt, uiterlijk op 1 juli van het jaar dat volgt op het betrokken kalenderjaar; b) in geval van een subsidie die per boekjaar wordt verstrekt, uiterlijk 6 maanden na afloop van het betrokken boekjaar; c) in andere gevallen uiterlijk 13 weken nadat de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht. 2. De aanvraag bevat: a) een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan; b) een overzicht van de gesubsidieerde activiteiten en de hieraan verbonden uitgaven en inkomsten (financieel verslag of jaarrekening) op dezelfde wijze ingericht als de voor de subsidieaanvraag ingediende begroting; c) een balans van het afgelopen subsidietijdvak met een toelichting daarop; en d) een controleverklaring, opgesteld door een onafhankelijk accountant. 3. Indien aan een subsidieontvanger in hetzelfde kalenderjaar meerdere subsidies worden verleend, kan het college bepalen dat deze subsidies voor de toepassing van dit artikel bij elkaar worden geteld en dat een overeenkomstig hoger verantwoordingsregime wordt toegepast. 4.
Bij subsidieregeling kunnen andere termijnen worden vastgesteld of andere gegevens worden verlangd. 5. Het college kan bepalen dat ook andere, of minder dan, de in dit artikel bedoelde informatie die voor de vaststelling van belang zijn, moet worden overlegd.
Artikel 18. Subsidievaststelling subsidies van meer dan € 15.000 1. Het college stelt een subsidie van meer dan € 15.000 vast binnen 13 weken na de ontvangst van een aanvraag tot subsidievaststelling, tenzij bij subsidieregeling anders is bepaald. 2. Deze termijn kan eenmalig voor ten hoogste 6 weken worden verdaagd. 3. Bij subsidieregeling kunnen categorieën subsidieontvangers worden aangewezen waarvoor de subsidie direct wordt vastgesteld zonder dat een aanvraag tot subsidievaststelling hoeft te worden ingediend. 4. Als een aanvraag tot subsidievaststelling niet voor het tijdstip, bedoeld in de artikelen 15, 16 en 17, eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, is ingediend, kan het college de subsidieontvanger schriftelijk een nieuwe termijn stellen. Als de aanvraag niet binnen deze termijn wordt ingediend, kan het college overgaan tot ambtshalve vaststelling.
Artikel 19. Berekening van uurtarieven, uniforme kostenbegrippen 1. Als bij de bepaling van de subsidiabele kosten gebruik wordt gemaakt van uurtarieven, worden deze door de subsidieaanvrager berekend met gebruikmaking van een bij subsidieregeling voorgeschreven berekeningswijze. 2. Bij het hanteren van kostenbegrippen bij de berekening van uurtarieven wordt uitgegaan van de bij subsidieregeling voorgeschreven definities. 3. Bij subsidie waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen alleen die tarieven en kostenbegrippen in aanmerking die voldoen aan de eisen van het toepasselijke steunkader.
Artikel 20. Hardheidsclausule 1. Indien toepassing van een bij of krachtens deze verordening gestelde termijn voor een subsidieaanvrager of -ontvanger gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, kan het college een afwijkende termijn vaststellen. 2. In een subsidieregeling kan worden bepaald dat het college kan afwijken van één of meer in die regeling opgenomen bepalingen, indien toepassing daarvan voor een subsidieaanvrager of -ontvanger gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. 3. Toepassing van de leden 1 en 2 wordt in het besluit uitdrukkelijk gemotiveerd. Van toepassing van deze hardheidsclausule wordt periodiek verslag gedaan aan de raad.
Artikel 21. Slotbepalingen 1. De Algemene subsidieverordening Sliedrecht 2024 wordt ingetrokken. 2. De Algemene subsidieverordening gemeente Sliedrecht 2026 treedt in werking op 1 januari 2027.
3. Op aanvragen om subsidie die zijn ingediend voor deze datum zijn de bepalingen van de Algemene subsidieverordening Sliedrecht 2024 van toepassing. 4. Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene subsidieverordening gemeente Sliedrecht 2026.
Toelichting Algemene subsidieverordening gemeente Sliedrecht 2026 Artikel 1. Definities In dit artikel zijn een aantal definities opgenomen. Deze definities gelden niet alleen voor deze verordening, maar ook voor de hierop te baseren subsidieregelingen. In deze regeling wordt de definitie reserve gebruikt als verzamelbegrip. Hieronder vallen zowel vrije reserves als specifieke reserves in de zin van artikel 4:72 Awb. Een egalisatiereserve is zo’n specifieke reserve en is bedoeld om verschillen tussen subsidieperiodes of fluctuaties in kosten op te vangen. Bij de noodzaakstoets beoordeelt het college in hoeverre aanwezige reserves kunnen worden ingezet voor de activiteiten. Vrije reserves tellen daarbij mee. Specifieke reserves, zoals de egalisatiereserve, blijven buiten beschouwing, tenzij deze aantoonbaar hoger zijn dan nodig is voor het uitvoeren van de gesubsidieerde activiteiten. Alleen het bovenmatige deel kan dan worden meegewogen.
Artikel 2. Reikwijdte De ASV geldt voor subsidies binnen gemeentelijke beleidsterreinen, tenzij een uitputtende regeling in een afzonderlijke verordening is vastgesteld. Daarnaast kunnen subsidies zonder wettelijke grondslag (art. 4:23, lid 3 Awb) geheel of gedeeltelijk onder de ASV worden gebracht als het college dat nodig vindt.
Artikel 3. Subsidieregelingen Binnen het kader van deze ASV kan het college bij nadere regeling subsidieregelingen vaststellen. In een subsidieregeling wordt vastgelegd: Welke activiteiten subsidiabel zijn; Welke doelgroep(en) in aanmerking komt; Hoe de subsidie wordt berekend; Welke verplichtingen voor de subsidieontvangers gelden naast de algemene verplichtingen uit de ASV. De subsidieregeling is daarmee het instrument waarin het college beleidsinhoudelijke keuzes vastlegt die te specifiek zijn voor opname in de ASV. Andere artikelen in de ASV geven aanvullende bevoegdheden voor de inhoud van subsidieregelingen, zoals: het afwijken van termijnen; het verbinden van bepaalde verplichtingen aan de subsidie; de wijze van verdelen van het subsidieplafond (indien van toepassing).
Het verstrekken van subsidies moet volgens de Awb altijd gebaseerd zijn op een wettelijke voorschrift, zoals een subsidieregeling, waarin de te subsidiëren activiteiten, doelgroepen en voorwaarden vermeld staan. Op grond van artikel 4:23, derde lid, van de Awb bestaan hierop maar vier uitzonderingen: a. de spoedeisende subsidieverstrekking (tijdelijk, vooruitlopend op de vaststelling van een wettelijk voorschrift); b. de subsidieverstrekking op grond van een begrotingspost (de begroting dient de subsidieontvanger en het bedrag dat ten hoogste kan worden vastgesteld te vermelden); c. de incidentele subsidieverstrekking (voor uitzonderlijke gevallen, en als er in beginsel slechts eenmalig subsidie zal worden toegekend); d. de Europese subsidies (is voor gemeenten nauwelijks van belang).
Artikel 4. Staatssteunregels Wanneer een subsidie wordt verleend op basis van een Europees steunkader, moet de subsidieregeling daarop worden aangepast. Het eerste lid geeft het college de bevoegdheid om hiervoor van de ASV af te wijken of deze aan te vullen. Het tweede en derde lid regelen dat in subsidieregelingen en -beschikkingen altijd duidelijk wordt aangegeven welk Europees steunkader wordt toegepast. Als een subsidie onder een Europees steunkader valt, mogen alleen die activiteiten, kosten en resultaten worden gesubsidieerd die binnen dat steunkader passen (vierde lid). Ook kunnen alleen ondernemingen subsidie krijgen die aan alle voorwaarden van het steunkader voldoen (vijfde lid).
Artikel 5. Begrotingskader, begrotingsvoorbehoud, subsidieplafonds en indexatie In dit artikel is opgenomen wat de financiële randvoorwaarden zijn voor het verlenen van subsidies. Deze bepalingen zorgen ervoor dat de subsidieverlening altijd past binnen de door de gemeenteraad vastgestelde begroting. Lid 1 en 2 – begrotingskader Deze twee bepalingen zijn nieuw ten opzichte van de vorige ASV. Hiermee wordt vastgelegd dat subsidieverlening altijd gebonden is aan de door de gemeenteraad vastgestelde begroting. Een subsidie kan daarom alleen worden verleend als er budget voor is geraamd. Omdat in de praktijk discussie kan ontstaan over de vraag of begrotingsbedragen kwalificeren als subsidieplafond in de zin van de Awb, is in lid 2 verduidelijkt dat de in de gemeentebegroting vastgestelde bedragen gelden als subsidieplafond als bedoeld in artikel 4:25 van de Awb. Dit betekent dat subsidie moet worden geweigerd zodra het beschikbare bedrag is uitgeput. Hiermee is voor alle partijen
duidelijk dat de begroting niet alleen een financieel kader vormt, maar ook een juridisch begrenzend subsidieplafond. Lid 3 t/m 6 – subsidieplafonds en verdeling Hierin is opgenomen dat het college binnen de kaders van de begroting ook subsidieplafonds kan vaststellen. Een subsidieplafond bepaalt het maximale bedrag dat in een bepaalde periode beschikbaar is voor een subsidieregeling. Het college bepaalt, binnen de door de raad vastgestelde begrotingskaders, zowel het plafond als de wijze van verdeling (Awb art. 4:26). Wanneer het college een plafond vaststelt, moet de verdeelwijze tegelijkertijd bekend zijn. Dat kan door rechtstreeks in het besluit een verdeelwijze op te nemen of door te verwijzen naar een subsidieregeling waarin die wijze is vastgelegd. Ook kan het college een eerder vastgesteld subsidieplafond verlagen. Dit kan alleen als: het oorspronkelijke plafond is vastgesteld voor vaststelling van de begroting; de verlaging direct voortvloeit uit de vastgestelde begroting; bij het oorspronkelijke plafond expliciet is gewezen op de mogelijkheid van verlaging (Awb art. 4:28). Lid 7 - begrotingsvoorbehoud Wanneer subsidie wordt verleend terwijl de begroting voor het desbetreffende jaar nog niet is vastgesteld, moet het college melden dat de subsidie slechts kan worden verstrekt als er voldoende middelen beschikbaar worden gesteld (Awb art. 4:34).
Lid 8 – indexatie Dit lid maakt duidelijk dat de gemeente subsidies kan indexeren, maar dit is geen recht voor de subsidieontvanger. Jaarlijkse indexatie moet passen binnen het begrotingskader en de door de raad vastgestelde percentages. De bepaling voorkomt aanspraken op automatische verhoging.
Artikel 6. Aanvraag In dit artikel is opgenomen wie subsidie kan aanvragen, hoe dat moet gebeuren en welke gegevens de aanvrager moet aanleveren. Lid 1 - aanvrager Hierin is vastgelegd dat zowel natuurlijke als rechtspersonen subsidie kunnen aanvragen. Voor subsidies vanaf € 5.000 geldt dat alleen rechtspersonen hiervoor in aanmerking komen. Lid 2 - aanvraagformulier Een subsidieaanvraag moet schriftelijk worden ingediend. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van een (digitaal) aanvraagformulier, te vinden op de website van de gemeente Sliedrecht. Hiermee wordt een uniforme aanvraagprocedure geborgd en wordt verzekerd dat alle noodzakelijke gegevens worden verzameld.
Lid 3 – benodigde gegevens voor aanvraag Dit lid beschrijft welke informatie de aanvrager minimaal moet verstrekken. Het gaat onder andere om: de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd; de beoogde doelen en resultaten; een begroting en dekkingsplan; waar relevant: gegevens die nodig zijn voor de beoordeling van mogelijke staatssteun (bij ondernemingen).
Bij subsidies per kalender- of boekjaar aan rechtspersonen moet de actuele stand van de reserves worden opgegeven, waaronder in ieder geval de egalisatiereserve. Deze gegevens zijn nodig voor een zorgvuldige beoordeling van de financiële positie en de noodzaak van subsidieverlening. Lid 4 – eerste aanvraag rechtspersoon Wanneer een rechtspersoon voor het eerst subsidie aanvraagt, moet deze aanvullende basisinformatie verstrekken, zoals statuten, jaarstukken en een recent KvK-uittreksel. Lid 5 – eerste aanvraag natuurlijk persoon Natuurlijke personen die voor het eerst een subsidie aanvragen moeten een kopie van een legitimatiebewijs en een bewijs van het bankrekeningnummer waarop de subsidie moet worden overgemaakt aanleveren.
Artikel 7. Aanvraagtermijn In dit artikel is opgenomen binnen welke termijnen subsidieaanvragen moeten worden ingediend. Voor subsidies die per kalenderjaar worden verstrekt, geldt dat de aanvraag uiterlijk 1 juli voorafgaand aan het betreffende jaar moet zijn ingediend. Organisaties die een aanzienlijk hogere subsidie willen aanvragen dan gebruikelijk in voorgaande jaren, moeten hun aanvraag uiterlijk 1 april indienen. Deze vervroegde datum is nodig om dergelijke aanvragen tijdig mee te kunnen nemen in de gemeentelijke begrotingsvoorbereiding en om de financiële en beleidsmatige gevolgen zorgvuldig te kunnen beoordelen. Hogere aanvragen vergen doorgaans meer afstemming met andere beleidsvelden en hebben mogelijk impact op de beschikbare budgetruimte. Wat bedoeld wordt met een hogere subsidie dan gebruikelijk, is opgenomen in het derde lid: een aanvraag die hoger is dan het bedrag dat in eerdere jaren werd ontvangen, exclusief eventuele indexatie. Wanneer een subsidie per boekjaar wordt verstrekt, geldt een afwijkende aanvraagtermijn van uiterlijk 13 weken voor aanvang van dat boekjaar. Voor overige subsidies geldt dat de aanvraag tussen 13 en 8 weken vóór aanvang van de activiteiten moet worden ingediend.
Artikel 8. Beslistermijn aanvraag Dit artikel regelt binnen welke termijn het college moet beslissen op subsidieaanvragen. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen subsidies per kalenderjaar of boekjaar, en andere. Bij subsidieregeling kan het college besluiten af te wijken van de beslistermijnen die vastgesteld zijn. De beslistermijn wordt opgeschort wanneer een subsidie moet worden aangemeld bij de Europese Commissie op grond van artikel 108, derde lid, van het VWEU. In dat geval kan pas een besluit worden genomen nadat de Europese Commissie haar beoordeling heeft afgerond.
Artikel 9. Weigerings-, intrekkings- en terugvorderingsgronden Dit artikel geeft aan wanneer het college een subsidie niet mag of kan verlenen. Lid 1 – algemene weigeringsgronden In het eerste lid worden de algemeen geldende weigeringsgronden van de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Awb, met nadere verplichte gronden aangevuld. Het kan voorkomen dat een subsidie staatssteun is. Als een vrijstellingsverordening geldt, mag het college toch subsidie verlenen via een lichte kennisgeving. Als dat niet kan, is een formele aanmelding bij de Europese Commissie nodig. Keurt de Commissie de steun niet goed, dan moet de subsidie worden geweigerd. Dat verklaart de verplichte weigeringsgrond in het eerste lid, onder a. Wanneer bij een aanvrager een terugvorderingsbevel openstaat, verbieden sommige steunkaders alleen steun onder die specifieke regeling. De ASV maakt dit terecht breder en sluit in zo’n geval subsidie in het algemeen uit. Lid 2 – weigeringsgronden Europees steunkader Het tweede lid bevat absolute weigeringsgronden wanneer subsidiëring strijdig zou zijn met een Europees steunkader. Dit is bijvoorbeeld het geval bij steun aan een onderneming in moeilijkheden of wanneer een subsidie geen stimulerend effect heeft.
Een onderneming in moeilijkheden is volgens de Europese Commissie een onderneming die zonder ingrijpen op korte of middellange termijn waarschijnlijk zal verdwijnen. Van een stimulerend effect is sprake als de subsidie leidt tot activiteiten die zonder subsidie niet, of niet op dezelfde manier, zouden worden uitgevoerd. Ook betekent dit in de regel dat steun niet mag worden verleend nadat de activiteit al is gestart. Lid 3 – aanvullende weigeringsgronden
Het derde lid bevat aanvullende, facultatieve weigeringsgronden: het college kan in deze gevallen weigeren, maar is daartoe niet verplicht. Deze gronden komen bovenop artikel 6 van de Wet Bibob. Enkele onderdelen spreken voor zich. Onderdeel b biedt het college de mogelijkheid om subsidie te weigeren wanneer de aanvrager over voldoende eigen middelen beschikt. Onderdeel e ziet op situaties waarin subsidie pas mag worden verleend nadat deze volgens artikel 108, derde lid, VWEU door de Europese Commissie is goedgekeurd. Dit kan bijvoorbeeld nodig zijn bij overschrijding van cumulatieregels of de-minimisgrenzen. Het college kan dan kiezen tussen weigeren of een formele melding doen. Bij een melding wordt de beslistermijn opgeschort (zie artikel 8, vierde lid). Keurt de Commissie de steun niet goed, dan moet de subsidie alsnog worden geweigerd. Een subsidie die is of kan worden goedgekeurd kan uiteraard ook op een andere grond worden geweigerd. Onderdeel f is licht gewijzigd ten opzichte van de vorige ASV. Waar voorheen alleen werd gekeken naar de egalisatiereserve, wordt nu breder gekeken naar alle reserves van de subsidieontvanger. Hiermee sluit de bepaling beter aan bij de praktijk: wanneer een organisatie voldoende eigen financiële middelen heeft, is het niet noodzakelijk om (volledige) subsidie te verstrekken.
Het college kan de subsidie daarom geheel of gedeeltelijk weigeren als blijkt dat de reserves van de aanvrager toereikend zijn om de activiteiten zelf te financieren. Onderdeel g maakt het mogelijk om in specifieke subsidieregelingen aanvullende weigeringsgronden op te nemen die aansluiten bij de aard van de betreffende activiteiten. Als de Europese Commissie oordeelt dat subsidie in strijd is met de artikelen 107 en 108 VWEU, moet deze op grond van de Wet terugvordering staatssteun worden ingetrokken en teruggevorderd, inclusief rente. Een aparte bepaling in de ASV is daarvoor niet nodig. Ook het weigeren of intrekken van subsidies op basis van de Wet Bibob volgt rechtstreeks uit de wettelijke regeling.
Artikel 11. Algemene verplichtingen van subsidieontvanger Dit artikel bevat een meldingsplicht (eerste lid) en informatieplicht (tweede lid) die voor alle subsidieontvangers geldt. De meldplicht zorgt ervoor dat het college tijdig inzicht krijgt in relevante ontwikkelingen die gevolgen kunnen hebben voor de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten, het naleven van verplichtingen of de financiële situatie van de organisatie. Onderdeel d is een aanvulling ten opzichte van de vorige ASV. Wanneer tijdens de uitvoering blijkt dat er aanzienlijke wijzigingen in de begroting optreden (een afwijking van 20% of meer in kosten of opbrengsten), moet de subsidieontvanger dit tijdig melden. Dit zorgt ervoor dat de subsidieverlening gebaseerd blijft op actuele en realistische financiële informatie.
Ook onderdeel h is nieuw en benadrukt het belang van transparantie rondom de egalisatiereserve. Ontwikkelingen die de omvang of besteding daarvan beïnvloeden moeten worden gemeld, zoals voorgenomen bestedingen die niet onder artikel 12a vallen of een noemenswaardige groei of afname van de reserve. Hiermee wordt voorkomen dat de reserve zich op ongewenste wijze ontwikkelt of wordt aangewend zonder dat het college hiervan op de hoogte is.
Artikel 12. Aan een subsidie te verbinden bijzondere verplichtingen Dit artikel beschrijft welke aanvullende verplichtingen het college aan een subsidie kan verbinden, naast de algemene verplichtingen uit artikel 11 en de standaardverplichtingen van artikel 4:37 Awb. Voor meerjarige subsidies van meer dan € 50.000 kan het college verplichtingen opleggen om tussentijds verantwoording af te leggen. Dit maakt het mogelijk om de uitvoering en voortgang van grotere of langdurige activiteiten te monitoren, zonder dat de administratieve last voor de subsidieontvanger te groot wordt, omdat de verantwoording maximaal eenmaal per jaar wordt verlangd. Het tweede en derde lid sluiten aan bij de mogelijkheden die de Awb biedt om aanvullende verplichtingen aan subsidies te verbinden (artikelen 4:38 en 4:39 Awb). Voor dergelijke verplichtingen is in principe een uitdrukkelijke grondslag in de ASV nodig of, voor verplichtingen die bijdragen aan het doel van de subsidie, een grondslag in de verleningsbeschikking. Het tweede lid betreft verplichtingen die bijdragen aan de verwezenlijking van het doel van de subsidie. Hierbij kan worden gedacht aan eisen over de deskundigheid van uitvoerders of andere voorwaarden die direct samenhangen met het bereiken van het beoogde resultaat.
Het derde lid maakt het mogelijk om verplichtingen op te leggen die niet direct bijdragen aan het doel van de gesubsidieerde activiteit, maar wel voldoende verband houden met de uitvoering ervan. Voorbeelden zijn verplichtingen om extra inspanningen te leveren voor een specifieke doelgroep of om activiteiten op een milieuvriendelijke manier uit te voeren. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat met dergelijke “oneigenlijke” verplichtingen terughoudend moet worden omgegaan (Kamerstukken II 1993/94, 23 700, nr. 3, p. 66). Wanneer het college hiervan gebruik maakt, moet dat daarom duidelijk worden gemotiveerd. Lid vier regelt de situatie waarin door subsidiëring vermogensvorming ontstaat. In lijn met artikel 4:41 Awb kan dan worden bepaald dat de subsidieontvanger een vergoeding aan de gemeente verschuldigd is wanneer zich bepaalde gebeurtenissen voordoen. Het gaat daarbij om de volgende gevallen: als de subsidieontvanger voor de gesubsidieerde activiteiten gebruikte of bestemde goederen vervreemdt of bezwaart of de bestemming daarvan wijzigt; als de subsidieontvanger een schadevergoeding ontvangt voor verlies of beschadiging van voor de gesubsidieerde activiteiten gebruikte of bestemde goederen;
als de gesubsidieerde activiteiten geheel of gedeeltelijk worden beëindigd; als de subsidieverlening of de subsidievaststelling wordt ingetrokken of de subsidie wordt beëindigd, of; de rechtspersoon die de subsidie ontving wordt ontbonden.
Deze vergoedingsplicht geldt alleen als deze is vastgelegd in de verordening, subsidieregeling of in de beschikking. Daarbij moet ook zijn bepaald hoe de vergoeding wordt berekend. Het vierde lid geeft het college de bevoegdheid om dit te regelen. In de praktijk speelt dit vooral bij jaarlijks gesubsidieerde rechtspersonen, maar toepassing in andere gevallen is niet uitgesloten. Nieuw ten opzichte van de vorige ASV is dat expliciet is toegevoegd dat ook een egalisatiereserve hieronder valt, voor zover deze met subsidiegelden is opgebouwd. Hiermee wordt verduidelijkt dat reserves die door subsidie zijn gevormd eveneens kunnen leiden tot een terugbetalingsverplichting. Dit voorkomt dat publieke middelen ongewenst worden opgepot en zorg ervoor dat deze beschikbaar blijven voor het doel waarvoor de subsidie is verstrekt.
Artikel 12a. Egalisatiereserve Dit artikel regelt de vorming en het gebruik van een egalisatiereserve als bedoeld in artikel 4:72 Awb. Deze reserve maakt het mogelijk om jaarlijkse schommelingen in kosten en inkomsten op te vangen en draagt bij aan een stabiele uitvoering van gesubsidieerde activiteiten. Op grond van artikel 4:58 Awb geldt artikel 4:72 Awb alleen voor subsidies die per kalender- of boekjaar worden verstrekt aan een rechtspersoon, en alleen wanneer dit is bepaald in de ASV, een subsidieregeling of in de verleningsbeschikking. De verplichting om een egalisatiereserve te vormen (eerste lid) kan daarom uitsluitend worden opgelegd aan rechtspersonen en alleen bij per kalender- of boekjaar verstrekte subsidies. Omdat de egalisatiereserve is bedoeld om tekorten in het ene jaar te compenseren met overschotten in het andere jaar, heeft de toepassing van dit artikel alleen zin bij subsidies die in een reeks van jaren achter elkaar worden verstrekt. Lid 1 Het eerste lid bepaalt dat het college bij de verleningsbeschikking kan voorschrijven dat een egalisatiereserve wordt gevormd bij subsidies per kalenderof boekjaar. Ten opzichte van de vorige ASV is de grens van € 20.000 vervallen. Hierdoor sluit de regeling beter aan bij de behoefte aan maatwerk en bij de systematiek van de Awb, waarin geen minimumbedrag is voorgeschreven voor het vormen van een egalisatiereserve.
Nieuw is dat de egalisatiereserve nu expliciet als een specifieke vorm van reserve wordt aangemerkt in de zin van artikel 4:72 Awb. Lid 2 In het tweede lid wordt, conform de Awb, vastgelegd dat positieve verschillen tussen de subsidie en de werkelijke kosten worden toegevoegd aan de egalisatiereserve en negatieve verschillen ten laste daarvan kunnen worden gebracht. Lid 3 Het derde lid is nieuw en stelt een maximum van 15% van de laatst vastgestelde subsidie voor de egalisatiereserve. Hiermee wordt voorkomen dat reserves te groot worden. Als dit maximum wordt overschreden, kan het college besluiten om het overschot in mindering brengen op de subsidie. Het college kan hiervan gemotiveerd afwijken wanneer de omstandigheden daartoe aanleiding geven. Hierdoor blijft ruimte voor maatwerk. Lid 4 en 5 De egalisatiereserve moet zo veilig en rentabel mogelijk worden belegd, zodat publiek geld verantwoord wordt beheerd en het reservebedrag zijn waarde behoudt. De rente die daarmee wordt verkregen, wordt automatisch aan de egalisatiereserve toegevoegd. Zo blijft de volledige opbrengst beschikbaar voor het doel waarvoor de reserve is bedoeld en ontstaat geen vrij besteedbare ruimte buiten de subsidie om.
Lid 6 Het zesde lid verduidelijkt dat de egalisatiereserve onder de reikwijdte van de vergoedingsplicht voor vermogensvorming valt. Omdat nu expliciet is vastgelegd dat ook een met subsidie opgebouwde egalisatiereserve hieronder valt, is duidelijk dat deze reserve bij bepaalde gebeurtenissen (zoals beëindiging van activiteiten of ontbinding van de rechtspersoon) kan leiden tot een terugbetalingsverplichting naar rato van de bijdrage van subsidiegelden. Lid 7 Het zevende lid geeft subsidieontvangers de mogelijkheid om van andere subsidies, op verzoek, een egalisatiereserve te vormen. De criteria van artikel 4:72 Awb gelden dan overeenkomstig. Lid 8 Het achtste lid legt vast dat een egalisatiereserve uitsluitend voor het opvangen van verschillen tussen subsidie en werkelijke kosten mag worden gebruikt. Voor andere bestedingen is altijd voorafgaande toestemming van het college nodig. Lid 9 Het negende lid is nieuw en bevat een verantwoordingsplicht voor de egalisatiereserve. Door jaarlijks in de jaarrekening of het financieel jaarverslag
inzicht te geven in de stand, mutaties en wijze van beleggen van de reserve, wordt de transparantie vergroot en kan het college toezicht houden op een rechtmatige en doelmatige inzet van de reserve.
Artikel 13. Subsidiëring mede door andere bestuursorganen Wanneer een activiteit door meerdere overheden wordt gesubsidieerd, moet worden voorkomen dat subsidieontvangers met tegenstrijdige verplichtingen te maken krijgen. Dit artikel geeft het college daarom de ruimte om van de ASV af te wijken om de gemeentelijke verplichtingen goed af te stemmen op die van andere bestuursorganen.
Artikel 14. Wijze van verstrekking en eindverantwoording subsidies tot en met € 15.000 Subsidies tot en met € 15.000 kunnen op basis van vertrouwen worden verstrekt: er wordt dan niet standaard om verantwoording gevraagd. In plaats daarvan heeft de subsidieontvanger een meldplicht wanneer niet wordt voldaan aan de voorwaarden (zie artikel 11). De gemeente kan achteraf een risicogerichte controle uitvoeren. Wanneer de subsidieontvanger al bekend is bij het college, kan de subsidie vaak direct worden vastgesteld en uitbetaald. In andere gevallen kan er eerst verleend worden, gevolgd door een ambtshalve vaststelling (eerste lid). In zo’n geval wordt een eventueel voorschot in één termijn verstrekt en hoeft de subsidieontvanger geen aanvraag voor subsidievaststelling (verantwoording) in te dienen. Hierdoor kunnen de lasten voor zowel de subsidieaanvrager als de subsidieverstrekker worden bespaard, terwijl toch het risico voor de gemeente beperkt blijft.
Bij een ambtshalve vaststelling vermeldt de verleningsbeschikking wanneer de activiteiten moeten zijn uitgevoerd. De subsidie wordt vervolgens binnen een vastgestelde termijn ambtshalve vastgesteld. Voor situaties waarin bijzondere rapportageverplichtingen gelden, is in het tweede lid een afwijkende termijn opgenomen.
Artikel 15. Eindverantwoording subsidies tussen € 15.000 en € 50.000 Dit artikel bepaalt hoe subsidieontvangers zich moeten verantwoorden wanneer zij een subsidie tussen € 15.000 en € 50.000 ontvangen. Voor deze subsidies moet de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling indienen (eerste lid), met daarin een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de activiteiten zijn
uitgevoerd en aan de verplichtingen is voldaan (tweede lid). Conform artikel 10 is de wijze van verantwoording al bij de verleningsbeschikking meegedeeld. Het inhoudelijk verslag kan op verschillende manieren worden vormgegeven, afhankelijk van wat bij de subsidieverlening is aangegeven. Mogelijke vormen van bewijs zijn bijvoorbeeld een activiteitenverslag, bestuursverslag, managementverklaring, deskundigenverklaring, publicatie of andere relevante bewijsstukken. Ook kan een algemeen jaarverslag volstaan als dit voldoende inzicht geeft in de besteding van de subsidie. Het gaat er steeds om dat duidelijk wordt dat de subsidie voor het juiste doel is gebruikt. Het derde lid maakt het mogelijk dat het college, wanneer één aanvrager in hetzelfde kalenderjaar meerdere subsidies ontvangt, deze bij elkaar optelt voor de eindverantwoording. Hierdoor kan een zwaarder verantwoordingsregime gelden. Dit voorkomt dat een ontvanger door het opsplitsen van meerdere kleine subsidies onder een lichter regime valt. Het vierde lid biedt het college de mogelijkheid om in een subsidieregeling andere of aanvullende bewijsmiddelen voor te schrijven. Daarbij geldt dat slechts die gegevens mogen worden gevraagd die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de verantwoording, in lijn met de eisen van de AVG.
Het vijfde lid bepaalt dat het college kan vragen om meer of minder informatie dan in dit artikel genoemd, voor zover dat noodzakelijk is voor de vaststelling. Daarbij geldt uiteraard dat alleen gegevens mogen worden verlangd die noodzakelijk zijn, conform de AVG.
Artikel 16. Eindverantwoording subsidies tussen € 50.000 en € 100.000 Dit artikel regelt de verantwoording van subsidies tussen € 50.000 en € 100.000. Voor deze subsidies moet de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling indienen binnen de in het eerste lid genoemde termijnen. De vaststellingsaanvraag bestaat uit een inhoudelijk verslag, een financieel verslag of jaarrekening en, aanvullend ten opzichte van artikel 15, een beoordelingsverklaring van een onafhankelijk accountant (tweede lid). Dit hogere verantwoordingsniveau past bij de omvang van het subsidiebedrag. Conform artikel 10 weet de subsidieontvanger bij de verlening al welke verantwoordingsvereisten gelden. Het inhoudelijk verslag kan met diverse bewijsmiddelen worden onderbouwd, zoals activiteitenverslagen, een managementverklaring, deskundigenverklaringen of andere relevante bewijsstukken. Ook een algemeen jaarverslag kan volstaan als dit voldoende inzicht biedt in de uitvoering en besteding van de subsidie. Het derde lid maakt het mogelijk dat het college, wanneer één aanvrager in hetzelfde kalenderjaar meerdere subsidies ontvangt, deze bij elkaar optelt voor de eindverantwoording. Hierdoor kan een zwaarder verantwoordingsregime
gelden. Dit voorkomt dat een ontvanger door het opsplitsen van meerdere kleine subsidies onder een lichter regime valt. He vierde lid maakt het mogelijk om in een subsidieregeling andere termijnen of aanvullende gegevens voor te schrijven, zodat het verantwoordingsregime kan worden afgestemd op de aard van de activiteiten. Op grond van lid 5 kan het college bepalen dat meer of minder informatie wordt gevraagd, voor zover deze nodig is voor de vaststelling. Daarbij geldt, conform de AVG, dat alleen gegevens mogen worden opgevraagd die noodzakelijk zijn.
Artikel 17. Eindverantwoording subsidies van meer dan € 100.000 Dit artikel regelt de wijze van eindverantwoording voor subsidies van meer dan € 100.000. Voor deze subsidies moet de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling indienen binnen de in lid 1 genoemde termijnen. De aanvraag (lid 2) bestaat uit een inhoudelijk verslag, een financieel verslag of jaarrekening, een balans met toelichting, en een controleverklaring van een onafhankelijk accountant. Het derde lid maakt het mogelijk dat het college, wanneer één aanvrager in hetzelfde kalenderjaar meerdere subsidies ontvangt, deze bij elkaar optelt voor de eindverantwoording. Hierdoor kan een zwaarder verantwoordingsregime gelden. Het vierde lid maakt het mogelijk om in een subsidieregeling andere termijnen of aanvullende gegevens voor te schrijven, zodat het verantwoordingsregime kan worden afgestemd op de aard van de activiteiten. Op grond van lid 5 kan het college bepalen dat meer of minder informatie wordt gevraagd, voor zover deze nodig is voor de vaststelling. Daarbij geldt, conform de AVG, dat alleen gegevens mogen worden opgevraagd die noodzakelijk zijn.
Artikel 18. Subsidievaststelling subsidies van meer dan € 15.000 Dit artikel bepaalt binnen welke termijn het college moet beslissen op een aanvraag tot subsidievaststelling. Het eerste lid volgt de systematiek van artikel 4:13 Awb: de subsidie wordt in principe binnen 13 weken vastgesteld, met de mogelijkheid om deze termijn eenmalig met maximaal 6 weken te verlengen
(tweede lid). Dit biedt ruimte wanneer de beoordeling meer tijd vraagt, bijvoorbeeld bij complexe aanvragen. Het derde lid maakt het mogelijk dat in een subsidieregeling wordt bepaald dat bepaalde categorieën subsidieontvangers hun subsidie direct vastgesteld krijgen, zonder afzonderlijke aanvraag. Dit kan administratieve lasten verminderen wanneer dat passend is bij de aard van de subsidie. Het vierde lid regelt de situatie waarin een subsidieontvanger de aanvraag tot vaststelling niet tijdig indient. Het college kan dan een nieuwe termijn stellen. Wordt ook binnen deze termijn geen aanvraag ingediend, dan kan het college overgaan tot ambtshalve vaststelling. Dit voorkomt dat het proces vastloopt doordat een aanvraag uitblijft.
Artikel 19. Berekening van uurtarieven, uniforme kostenbegrippen Dit artikel bepaalt dat wanneer subsidiabele kosten worden berekend op basis van uurtarieven, de berekening daarvan moet plaatsvinden volgens een methodiek die in een subsidieregeling wordt vastgelegd. Ook de gebruikte kostenbegrippen moeten aansluiten bij de definities die in die regeling zijn voorgeschreven. Hierdoor ontstaat uniformiteit en duidelijkheid voor zowel subsidieaanvragers als de gemeente. Wanneer een Europees steunkader van toepassing is, mag het college uitsluitend tarieven en kostenbegrippen hanteren die voldoen aan de eisen die in dat steunkader zijn opgenomen. Hiermee wordt voorkomen dat subsidies strijdig zijn met de Europese staatssteunregels.
Artikel 20. Hardheidsclausule Dit artikel biedt het college de mogelijkheid om in uitzonderlijke gevallen af te wijken van termijnen of andere bepalingen wanneer strikte toepassing daarvan voor een subsidieaanvrager of -ontvanger onevenredig nadelige gevolgen zou hebben. De afwijking moet altijd berusten op bijzondere omstandigheden en de belangenafweging moet duidelijk worden gemotiveerd (lid 3). Lid 1 heeft specifiek betrekking op het afwijken van termijnen die in de ASV of in subsidieregelingen zijn vastgelegd. Lid 2 maakt het mogelijk om in een subsidieregeling ook voor andere bepalingen een hardheidsclausule op te nemen. Een getroffen voorziening moet wel altijd passen binnen het doel van de subsidie: de hardheidsclausule biedt geen ruimte om buiten de doelstelling van de regeling te treden.