0. Mutaties Belastingverordeningen 2022.pdf
Tekst van het document
Indien een begroting als bedoeld in de eerste volzin is uitgebracht, wordt een aanvraag in behandeling genomen op de vijfde werkdag na de dag waarop de begroting aan de aanvrager ter kennis is gebracht, tenzij de aanvraag voor deze vijfde werkdag schriftelijk is ingetrokken.
€ 130,72 (128,53)
€ 130,72 (128,53)
Omgevingsvergunning in twee fasen Indien de aanvraag tot het verlenen van een omgevingsvergunning op verzoek in twee fasen plaatsvindt, als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, van de Wabo, bedraagt het tarief per fase: voor het in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een beschikking met betrekking tot de eerste fase: het bedrag dat voortvloeit uit toepassing van de tarieven in dit hoofdstuk voor de activiteiten waarop de aanvraag voor de eerste fase betrekking heeft; voor het in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een beschikking met betrekking tot de tweede fase: het bedrag dat voortvloeit
55
uit toepassing van de tarieven in dit hoofdstuk voor de activiteiten waarop de aanvraag voor de tweede fase betrekking heeft. 2.3.16
Beoordeling bodemrapport
2.3.16.1
Onverminderd het bepaalde in de voorgaande onderdelen van dit hoofdstuk bedraagt het tarief, indien krachtens wettelijk voorschrift voor de in dat onderdeel bedoelde aanvraag een bodemrapport wordt beoordeeld: voor de beoordeling van een milieukundig bodemrapport
2.3.16.2
voor de beoordeling van een archeologisch bodemrapport de door de gemeente verschuldigde advieskosten van de externe adviseur.
2.3.17 2.3.17.1
Advies
2.3.17.2
2.3.18 2.3.18.1
€ 380,52 (376,00)
Onverminderd het bepaalde in de voorgaande onderdelen van dit hoofdstuk bedraagt het tarief, indien een daartoe bij wettelijk voorschrift aangewezen bestuursorgaan of andere instantie advies moet uitbrengen over de aanvraag of het ontwerp van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning: het bedrag van de voorafgaand aan het in behandeling nemen van de aanvraag om een omgevingsvergunning aan de aanvrager meegedeelde kosten, blijkend uit een begroting die door het college van burgemeester en wethouders is opgesteld. Indien een begroting als bedoeld in 2.3.17.1 is uitgebracht, wordt een aanvraag in behandeling genomen op de vijfde werkdag na de dag waarop de begroting aan de aanvrager ter kennis is gebracht, tenzij de aanvraag voor deze vijfde werkdag schriftelijk is ingetrokken.
Verklaring van geen bedenkingen
Onverminderd het bepaalde in de voorgaande onderdelen van dit hoofdstuk bedraagt het tarief, indien een daartoe bij wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen bestuursorgaan een verklaring van geen bedenkingen moet afgeven voordat de omgevingsvergunning kan worden verleend, als bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, van de Wabo: 2.3.18.1.1 indien de gemeenteraad een verklaring van geen bedenkingen moet afgeven: 2.3.18.1.2 indien een ander bestuursorgaan een verklaring van geen bedenkingen moet afgeven: het bedrag van de voorafgaand aan het in behandeling nemen van de aanvraag om een omgevingsvergunning aan de aanvrager meegedeelde kosten, blijkend uit een begroting die door het college van burgemeester en wethouders is opgesteld. 2.3.18.2 Indien een begroting als bedoeld in 2.3.18.1.2 is uitgebracht, wordt een aanvraag in behandeling genomen op de vijfde werkdag na de dag waarop de begroting aan de aanvrager ter kennis is gebracht, tenzij de aanvraag voor deze vijfde werkdag schriftelijk is ingetrokken.
Hoofdstuk 4 Vermindering 2.4.1 Indien de aanvraag tot het verlenen van een omgevingsvergunning is voorafgegaan door een aanvraag om vooroverleg of beoordeling van een conceptaanvraag als bedoeld in hoofdstuk 2, waarop de eerstgenoemde aanvraag betrekking heeft, worden de ter zake van het vooroverleg of de beoordeling van de conceptaanvraag geheven leges in mindering gebracht op de leges voor het in behandeling nemen van de aanvraag om de omgevingsvergunning bedoeld in hoofdstuk 3.
€ 290,19 (285,34)
56
2.4.2
Indien de aanvraag tot het verlenen van een omgevingsvergunning betrekking heeft op meer dan vijf activiteiten, bestaat aanspraak op vermindering van leges, met uitzondering van het legesdeel in verband met adviezen of verklaringen van geen bedenkingen als bedoeld in de onderdelen 2.3.17 en 2.3.18. De vermindering bedraagt: 2.4.2.1 bij 5 tot 10 activiteiten: van de voor die activiteiten verschuldigde leges; 2.4.2.2 bij 10 tot 15 activiteiten: van de voor die activiteiten verschuldigde leges; 2.4.2.3 bij 15 of meer activiteiten: van de voor die activiteiten verschuldigde leges. Hoofdstuk 5 Teruggaaf 2.5.1 Teruggaaf als gevolg van intrekking aanvraag omgevingsvergunning voor
n.v.t. n.v.t. n.v.t.
bouw-, aanleg- of sloopactiviteiten
2.5.1.1
2.5.1.2
2.5.2
Als een aanvrager zijn aanvraag tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor een project dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit bouw-, aanleg- of sloopactiviteiten, als bedoeld in de onderdelen 2.3.1.1 t/m 2.3.1.1.5 en 2.3.2, intrekt terwijl deze reeds in behandeling is genomen door de gemeente, bestaat aanspraak op teruggaaf van een deel van de leges. De teruggaaf bedraagt: indien de aanvraag wordt ingetrokken binnen een termijn van 2 weken na het in behandeling nemen ervan van de op grond van die onderdelen voor de betreffende activiteit verschuldigde leges; indien de aanvraag wordt ingetrokken na 2 weken na het in behandeling nemen ervan van de op grond van die onderdelen voor de betreffende activiteit verschuldigde leges;
75%
50%
Teruggaaf als gevolg van intrekking verleende omgevingsvergunning voor bouw-, aanleg- of sloopactiviteiten Als de gemeente een verleende omgevingsvergunning voor een project dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit bouw-, aanleg- of sloopactiviteiten als bedoeld in de onderdelen 2.3.1.1 t/m 2.3.1.1.5 en 2.3.2, intrekt op aanvraag van de vergunninghouder, bestaat aanspraak op teruggaaf van een deel van de leges, mits deze aanvraag is ingediend binnen 6 maanden na verlening van de vergunning en van de vergunning geen gebruik is gemaakt. De teruggaaf bedraagt: van de op grond van die onderdelen voor de betreffende activiteit verschuldigde leges.
2.5.3
Teruggaaf als gevolg van het weigeren van een omgevingsvergunning voor bouw-, aanleg- of sloopactiviteiten
2.5.3.1
Als de gemeente een omgevingsvergunning voor een project dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit bouw-, aanleg- of sloopactiviteiten als bedoeld in de onderdelen 2.3.1.1 t/m 2.3.1.1.5 en 2.3.2 weigert, bestaat aanspraak op teruggaaf van een deel van de leges. De teruggaaf bedraagt: van de op grond van die onderdelen voor de betreffende activiteit verschuldigde leges.
50%
50%
57
2.5.3.2
Onder een weigering bedoeld in onderdeel 2.5.3.1 wordt mede verstaan een vernietiging van de beschikking waarbij de vergunning is verleend bij rechterlijke uitspraak.
2.5.4
Minimumbedrag voor teruggaaf Een bedrag minder dan € 200,-- wordt niet teruggegeven.
2.5.5
Geen teruggaaf legesdeel advies of verklaring van geen bedenkingen Van de leges verschuldigd op grond van de onderdelen 2.3.17 en 2.3.18 wordt geen teruggaaf verleend.
58
Hoofdstuk 6 Intrekking omgevingsvergunning 2.6 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot gehele of gedeeltelijke intrekking van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.33, tweede lid, onder b, van de Wabo, tenzij onderdeel 2.5.2 van toepassing is: Hoofdstuk 7 Wijziging omgevingsvergunning als gevolg van wijziging project 2.7 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot wijziging van een omgevingsvergunning als gevolg van een, naar de omstandigheden beoordeeld, geringe wijziging in het project: Hoofdstuk 8 Bestemmingswijzigingen zonder activiteiten 2.8.1 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het vaststellen van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening 2.8.2 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het wijzigen van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a, van de Wet ruimtelijke ordening
€ 130,72 (128,53)
€ 130,72 (128,53)
€ 4.996,74 (4.913,22) € 290,20 (285,35)
Hoofdstuk 9 Sloopmelding (vervallen) Hoofdstuk 10 Bouwvergunning eerste of tweede fase op grond van oude wetgeving (vervallen) Hoofdstuk 11 In deze titel niet benoemde beschikking 2.11 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het nemen van een andere, in deze titel niet benoemde beschikking:
€ 130,72 (128,53)
59
Titel 3 Dienstverlening vallend onder Europese dienstenrichtlijn Hoofdstuk 1 Horeca 3.1.1 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een vergunning op grond van artikel 3 van de Alcoholwet 3.1.2 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een vergunning op grond van artikel 2:28 van de Algemene plaatselijke verordening 3.1.3 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een ontheffing van de sluitingstijd voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:29 van de Algemene plaatselijke verordening 3.1.4 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een ontheffing als bedoeld in artikel 4, vierde lid, van de Alcoholwet 3.1.5 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een melding als bedoeld in artikel 30 van de Alcoholwet 3.1.6 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het wijzigen van het aanhangsel als bedoeld in artikel 30a, tweede lid, van de Alcoholwet 3.1.7 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een ontheffing als bedoeld in artikel 35 van de Alcoholwet Hoofdstuk 2 Organiseren evenementen of markten 3.2.1 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een vergunning voor
het organiseren van een evenement, indien het betreft: 3.2.1.1 een filmvertoning, bazaar, fancy-fair en dergelijke gelegenheden niet op de openbare weg 3.2.1.2 een straat- of buurtfeest 3.2.1.3 3.2.1.4 3.2.2. 3.2.3
Een kleinschalig of middelgroot evenement met nagenoeg geen impact op de omgeving en zonder winstoogmerk een ander evenement als bedoeld in artikel 2:25 van de Algemene plaatselijke verordening Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning voor reclametekens Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een ontheffing van het sluitingsuur voor cafés, restaurants, bars en dergelijke gelegenheden, bedoeld in de Algemene Plaatselijke Verordening per ontheffing
Hoofdstuk 3 Prostitutiebedrijven 3.3 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag: 3.3.1 Tot het verlenen van een exploitatievergunning of wijziging van een exploitatievergunning voor een seksinrichting of escortbedrijf 3.3.2 Voor de werkzaamheden verbonden aan de beoordeling van een keuringsrapport, behorende bij de aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning, genoemd in 3.3.1, worden de leges verhoogd met
€ 460,47 (453,66) € 460,47 (453,66) € 54,76 (53,95) € 54,76 (53,95) € 109,66 (108,04) € 109,66 (108,04) € 54,76 (53,95)
€ 38,31 (37,74) € 38,31 (37,74) € 49,36 (48,63) € 219,30 (216,06) € 49,36 (48,63) € 54,76 (53,95)
€ 932,12 (918,34) € 710,17 (699,68)
60
Hoofdstuk 4 Huisvestingswet 2014 3.4 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag: 3.4.1 tot het verlenen van een vergunning om zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimte om te zetten of omgezet te houden, als bedoeld in artikel 21, eerste lid, aanhef en onder c van de Huisvestingswet 2014
€ 278,46 (274,35)
Hoofdstuk 5 Brandbeveiligingsverordening (vervallen) Hoofdstuk 6 Marktstandplaatsen (vervallen) Hoofdstuk 7 Winkeltijdenwet 3.7 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag: 3.7.1 tot het verlenen van een ontheffing in het kader van de Winkeltijdenwet 3.7.2
tot het wijzigen van een in onderdeel 1.15.1 bedoelde ontheffing
Hoofdstuk 8 In deze titel niet benoemde vergunning, ontheffing of andere beschikking 3.8.1 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een andere, in deze titel niet benoemde vergunning, ontheffing of tot het nemen van een andere beschikking
€ 38,30 (37,73) € 38,30 (37,73)
€ 38,30 (37,73)
Behorende bij raadsbesluit van 14 december 2021. De griffier, mr R.P.A. van Aalst
61
Versie geldig vanaf 1 januari 2022
Verordening marktgelden 2022 gemeente Sliedrecht
Verantwoordelijke afdeling
Beheer Openbare Ruimte De getoonde verordeningen zijn een weergave van de actuele situatie. Voor historische informatie hiervan kunt u contact opnemen met het Servicecentrum Drechtsteden, onderdeel Documentaire Informatievoorziening, e-mail: gemeente@sliedrecht.nl.
De raad van de gemeente Sliedrecht; gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d.16 november 2021; gelet op artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdelen a. en b. van de Gemeentewet; besluit: vast te stellen de Verordening op de heffing en invordering van marktgelden 2022
Artikel 1 Belastbaar feit Onder de naam "marktgelden" wordt een recht geheven voor het: 1. innemen van een standplaats voor het ten verkoop aanbieden of voorradig hebben van goederen op de daarvoor in het "Inrichtingsplan en nadere regels behorende bij de markt" aangewezen tijd en plaats; 2. gebruik maken van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten ten behoeve van reclame- en promotieactiviteiten, verder te noemen reclame-/promotiegeld. Artikel 2 Belastingplicht Het recht als bedoeld in artikel 1 wordt geheven van degene aan wie door het college vergunning is verleend voor het innemen van een standplaats. Artikel 3 Maatstaf van heffing Het recht wordt geheven naar de oppervlakte van de in artikel 1 bedoelde standplaats plus een vast bedrag per markthandelaar voor reclame-/promotiegeld. Dit bedrag wordt verhoogd indien gebruik wordt gemaakt van de elektriciteitsvoorziening. Artikel 4 Belastingtarief 1. Het marktgeld bedraagt voor het innemen van een standplaats, ongeacht de wijze waarop, per m² ingenomen oppervlakte of gedeelte daarvan: a. per dag of gedeelte daarvan € 2,25 (2,20) b. per kalendermaand € 7,50 (7,40) c. per kalenderkwartaal € 17,85 (17,60) d. per kalenderjaar € 64,15 (63,20) 2. Bij gebruik van de gemeentelijke elektriciteitsvoorziening (direct of indirect) worden de onder 1. vermelde tarieven als volgt verhoogd:
62
a.
kleinverbruik (16 ampère) - per marktdag (alleen van toepassing zijnde op meelopers en standwerkers) € 3,85 (3,80) - per kalenderkwartaal € 45,40 (44,75) b. grootverbruik (krachtstroom) - per kalenderkwartaal € 116,85 (115,15) 3. Het onder lid 1., letter a. vermelde tarief wordt per markthandelaar met € 2,60 (2,55) per dag verhoogd wegens reclame-/promotiegeld. De onder lid 1., letters b, c. en d. vermelde tarieven worden per markthandelaar met € 10,90 (10,75) per maand verhoogd wegens reclame/promotiegeld. 4. De in dit artikel vermelde bedragen zijn exclusief BTW. Artikel 5 Wijze van heffing De marktgelden worden geheven bij wege van een mondelinge dan wel een gedagtekende schriftelijke kennisgeving, waaronder mede wordt begrepen een stempelafdruk, zegel, nota of ander schriftuur. Artikel 6 Tijdstip van betaling 1. De marktgelden moeten worden betaald ingeval de kennisgeving als bedoeld in artikel 5: a. mondeling wordt gedaan, op het moment van het doen van de kennisgeving; b. schriftelijk wordt gedaan, op het moment van uitreiken van de kennisgeving. 2. De marktgelden moeten worden betaald ingeval de kennisgeving als bedoeld in artikel 5 wordt toegezonden binnen 14 dagen na de dagtekening van de schriftelijke kennisgeving.
Artikel 7 Teruggaaf Indien de belastingplichtige het recht op zijn standplaats opzegt, of als gevolg van langdurige ziekte of ingeval van overlijden, geen gebruik meer kan maken van een standplaats, waarvoor de marktgelden voor ten minste een kalenderkwartaal-eenheid zijn betaald, vindt teruggaaf van de marktgelden plaats naar het aantal volle kalendermaanden, dat nog resteert in die eenheid. Deze teruggaaf wordt verleend op een aanvraag als bedoeld in artikel 242 van de Gemeentewet. Artikel 8 Kwijtschelding Bij de invordering van marktgeld wordt geen kwijtschelding verleend. Artikel 9 Standplaatsvergunning 1. Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een standplaatsvergunning inclusief plaatsen op de wachtlijst of het wijzigen van de vergunning €18,30 (18,05). 2. Het tarief bedraagt voor de handhaving van de inschrijving, per inschrijving per kalenderjaar €11,30 (11,15). Artikel 10 Inwerkingtreding en citeertitel 1. De "Verordening marktgelden 2021" zoals vastgesteld op 8 december 2020 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2. Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2022. 3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2022. 4.
Deze verordening kan worden aangehaald als "Verordening marktgelden 2022 gemeente Sliedrecht".
63
Vastgesteld in de openbare vergadering van de raad der gemeente Sliedrecht op14 december 2021. De griffier,
De voorzitter,
mr. R.P.A. van Aalst
mr. drs. J.M. de Vries
64
Versie geldig vanaf 1 januari 2022
Verordening precariobelasting 2022 gemeente Sliedrecht
Verantwoordelijke afdeling
Team Ruimtelijke Ontwikkeling & Economie , dienstverlening De getoonde verordeningen zijn een weergave van de actuele situatie. Voor historische informatie hiervan kunt u contact opnemen met het Servicecentrum Drechtsteden, onderdeel Documentaire Informatievoorziening, e-mail: gemeente@sliedrecht.nl.
De raad van de gemeente Sliedrecht; gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 16 november 2021; gelet op de artikelen artikel 216 en 228 van de Gemeentewet; b e s l u i t: vast te stellen de Verordening op de heffing en invordering van precariobelastingen 2022. Artikel 1 Definities Deze verordening verstaat onder: a. dag: een periode van 24 uren, aanvangende te 0.00 uur, of een gedeelte daarvan; b. week: een periode van zeven achtereenvolgende dagen; c. maand: een kalendermaand; d. jaar: een kalenderjaar; e. vergunning: een door het gemeentebestuur verleende en in een gemeentelijke registratie opgenomen toestemming op grond waarvan een persoon een of meer voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond mag hebben. Artikel 2 Belastbaar feit Onder de naam precariobelasting wordt een directe belasting geheven ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, bedoeld of genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel. Artikel 3 Belastingplicht 1. De precariobelasting wordt geheven van degene die het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft, dan wel van degene ten behoeve van wie dat voorwerp of die voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond aanwezig zijn. 2.
In afwijking van het eerste lid wordt, indien de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, degene aan wie de vergunning is verleend of diens rechtsopvolger aangemerkt als degene bedoeld in het eerste lid, tenzij blijkt dat hij niet het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft.
65
Artikel 4 Vrijstellingen De precariobelasting wordt niet geheven ter zake van het hebben van: 1. voorwerpen, indien de gemeente ter zake van het gebruik van de voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond waarop het voorwerp of de voorwerpen zich bevinden een recht heft op grond van artikel 229, eerste lid, onderdeel a, van de Gemeentewet, dan wel een privaatrechtelijke vergoeding is overeengekomen; 2. voorwerpen welke uitsluitend worden gebezigd voor weldadige doelen die zijn voorzien van het keurmerk van het centraal bureau fondsenwerving. Artikel 5 Maatstaf van heffing en belastingtarief De precariobelasting wordt geheven naar de maatstaven en de tarieven opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel, met inachtneming van het overigens in deze verordening bepaalde. Artikel 6 Berekening van de precariobelasting 1. Voor de berekening van de precariobelasting wordt met betrekking tot een in de tarieventabel genoemde lengte- of oppervlaktemaat een gedeelte daarvan als een volle eenheid aangemerkt. 2. Indien een tarief per oppervlakte is vastgesteld, wordt de precariobelasting berekend naar de oppervlakte van de horizontale projectie van de voorwerpen, tenzij anders is bepaald. 3. De oppervlakte van andere dan rechthoekige voorwerpen wordt gesteld op het product van de twee aangrenzende zijden van een om het voorwerp geplaatste denkbeeldige rechthoek. 4.
Indien de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, wordt voor de berekening van de precariobelasting aangesloten bij de geldigheidsduur van die vergunning, tenzij blijkt dat het belastbaar feit zich gedurende een kortere periode heeft voorgedaan. In dat geval bestaat aanspraak op ontheffing, waarbij het vijfde lid van overeenkomstige toepassing is. 5. Indien in de tarieventabel voor een voorwerp tarieven voor verschillende tijdseenheden zijn opgenomen, wordt de precariobelasting berekend op de voor de belastingplichtige meest voordelige wijze. 6. In afwijking van het bepaalde in artikel 1 wordt voor de berekening van de precariobelasting: a. indien in de tarieventabel voor een voorwerp wel een weektarief, maar geen dagtarief is opgenomen, een gedeelte van een week gelijkgesteld met een week; b. indien in de tarieventabel voor een voorwerp wel een maandtarief, maar geen dag- of weektarief is opgenomen, een gedeelte van een maand gelijkgesteld met een maand. 7. Indien in de tarieventabel voor een voorwerp een dagtarief, weektarief of maandtarief is opgenomen en het belastingtijdvak een langere periode dan een dag, onderscheidenlijk een week of een maand omvat, gelden deze tarieven per dag, onderscheidenlijk week of maand van het belastingtijdvak.
Artikel 7 Belastingtijdvak 1. In de gevallen waarin de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, is het belastingtijdvak de periode waarvoor de vergunning is verleend, met dien verstande dat bij een kalenderjaar overschrijdende geldigheidsduur van de vergunning het belastingtijdvak gelijk is aan het kalenderjaar. 2. In andere dan de in het eerste lid bedoelde gevallen, is het belastingtijdvak de in het kalenderjaar gelegen aaneengesloten periode gedurende welke het belastbaar feit zich voordoet of heeft voorgedaan. Artikel 8 Wijze van heffing De belasting wordt geheven bij wege van aanslag dan wel bij wege van een gedagtekende kennisgeving waaronder mede wordt begrepen een nota of andere schriftuur, waarop het gevorderde bedrag is vermeld.
66
Artikel 9 Ontstaan van de belastingschuld 1. In de gevallen bedoeld in artikel 7, eerste lid, is de precariobelasting verschuldigd bij de aanvang van het belastingtijdvak of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. 2. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak aanvangt is de naar jaartarieven geheven precariobelasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat tijdvak verschuldigde belasting als er in dat tijdvak, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 3. Indien voor een belastbaar feit in de tarieventabel uitsluitend een jaartarief is opgenomen en de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak eindigt, bestaat aanspraak op vermindering voor de naar jaartarieven geheven precariobelasting voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat tijdvak verschuldigde precariobelasting als er in dat tijdvak, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 4. Belastingbedragen van minder dan € 10,- worden niet geheven. 5. Voor de toepassing van het vierde lid wordt het totaal van op één aanslagbiljet verenigde belastingaanslagen aangemerkt als één belastingbedrag. Artikel 10 Termijn van de betaling 1.
In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen die worden geheven bij wege van aanslag worden betaald uiterlijk op de laatste dag van de tweede maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld. 2. In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, minder is dan € 20.000,-- en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke termijnen, waarbij de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 3. De belastingen geheven op andere wijze dienen te worden betaald binnen 14 dagen na de dagtekening van de kennisgeving. 4. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen. Artikel 11 Kwijtschelding Bij de invordering van de precariobelasting wordt geen kwijtschelding verleend. Artikel 12 Inwerkingtreding. 1.
De “Verordening precariobelasting 2021” van 8 december 2020 wordt ingetrokken met ingang van de datum van ingang van de heffing genoemd in het derde lid met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2. Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2022. 3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2022. 4. Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Verordening precariobelasting 2022 gemeente Sliedrecht’.
67
Vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Sliedrecht op14 december 2021. De griffier,
De voorzitter,
Mr. R.P.A. van Aalst
mr. drs. J.M. de Vries
68
Tarieventabel behorende bij de Verordening precariobelasting 2022 Het tarief bedraagt voor: 1. Terrassen het hebben van banken, stoelen, tafels, windschermen en dergelijke behorende bij een terras, per m² of een gedeelte daarvan: a. per dag € 2,62 (2,58) - met een minimum van € 25,39 (25,01) - met een maximum van € 254,20 (250,44) b. per week € 7,58 (7,47) - met een minimum van € 75,16 (74,05) - met een maximum van € 315,01 (310,35) c. per jaar € 38,10 (37,54) - met een minimum van € 62,44 (61,52) 2. Driehoeks- en sandwichborden (ex. artikel 2:10a van de APV Sliedrecht) het hebben van driehoeks- en sandwichborden, per bord: a. per week € 1,73 (1,70) 3. Uitstallen goederen, etc. het voor commerciële doeleinden uitstallen van koopwaar ( goederen, waren, uitstalkasten, winkelwagentjes, reclame-uitingen niet aan de gevel): a. reclame-uitingen niet aan de gevel (borden, zuilen, vlaggen, banieren) per uiting: 1. per jaar € 21,57 (21,25) b. goederen, waren, uitstalkasten, winkelwagentjes: per 5 m2 of een gedeelte daarvan: 1. per dag € 2,62 (2,58) 2. per week € 7,80 (7,68) 3. per maand € 15,65 (15,42) 4. per jaar € 157,01 (154,69) 4. Standplaatsen (ambulante handel) het innemen van een standplaats met voorwerpen als bedoeld in de geldende standplaatsennotitie:
a.
per dag
b.
per week
c.
per maand
d.
per jaar, 1 dag per week
e.
per jaar, meer dan 1 dag per week
oppervlakte t/m 20 m2 € 16,80 (16,55) € 33,60 (33,10) € 67,25 (66,26) € 521,41 (513,70) € 797,76 (785,96)
bij een oppervlakte boven 20 m2 worden de tarieven t/m 20 m2 verhoogd per 5 m2 of gedeelte daarvan met € 8,32 (8,20) € 16,80 (16,55) € 33,60 (33,10) € 265.86 (261,94) € 398,78 (392,90)
69
5. Brandstofpompstations het hebben van: a. een brandstofpomp, persgastankzuil of oliepomp, per pomp of zuil per jaar: 1. voor een enkelvoudige pomp € 285,54 (281,32) 2. voor een meervoudige pomp € 715,74 (705,16) b. een apparaat voor het afleveren van lucht en water, per jaar € 72,48 (71,41) c. een olietank, deel uitmakende van een verwarmingsinstallatie, inclusief vulput en leidingen per jaar € 72,48 (71,41) d. een brandstof- of olietank, voor zover niet genoemd onder c., per jaar € 72,48 (71,41) e. een vulput, in verbinding staand met een brandstof- of olietank, als bedoeld onder d., per jaar € 35,47 (34,95) f. bijbehorende leidingen per m1 of gedeelte daarvan per jaar € 1,62 (1,60) 6. Bouwmaterialen het hebben van een loods, keet, afschutting, steiger of stelling, en voor het plaatsen van bouwmaterialen en gereedschappen buiten de keet bij bouwverrichtingen:
Tot en met 10 m2 Van 11 m2 t/m 25 m2 Van 26 m2 t/m 50 m2 Voor elke 50 m2 meer of gedeelte daarvan
per week € 11,14 (10,98) € 16,80 (16,55) € 28,05 (27,64)
per maand € 33,60 (33,10) € 50,45 (49,70) € 84,16 (82,92)
per jaar € 201,91 (198,93) € 302,92 (298,44) € 504,87 (497,41)
€ 28,05 (27,64)
€ 84,16 (82,92)
€ 504,87 (497,41)
7. Kabels en leidingen het hebben van antennedraden, geleidingen, kabels, leidingen of buizen per m1 of een gedeelte daarvan: a. per jaar €1,96 (1,93). Behorende bij raadsbesluit van 14 december 2021. De griffier, mr. R.P.A. van Aalst
70
Versie geldig vanaf 1 januari 2022
Verordening op de heffing en invordering van reclamebelasting voor het Winkelgebied Burgemeester Winklerplein van de gemeente Sliedrecht
Verantwoordelijke afdeling
Team Ruimtelijke Ontwikkeling & Economie De getoonde verordeningen zijn een weergave van de actuele situatie. Voor historische informatie hiervan kunt u contact opnemen met het Servicecentrum Drechtsteden, onderdeel Documentaire Informatievoorziening, e-mail: gemeente@sliedrecht.nl.
De raad der gemeente Sliedrecht; gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 16 november 2021; b e s l u i t.: gelet op artikel 227 van de Gemeentewet vast te stellen: De Verordening op de heffing en invordering van reclamebelasting voor het Winkelgebied Burgemeester Winklerplein van de gemeente Sliedrecht 2022 Artikel 1
Definities
Deze verordening verstaat onder: a. reclameobject: een openbare aankondiging in letters, symbolen of kleuren, of een combinatie daarvan, zichtbaar vanaf de openbare weg; b. onroerende zaak: de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ), zijnde een niet-woning; c. jaar: een kalenderjaar; d. openbare weg, zoals bedoeld in, hoofdstuk II van de Wegenwet; e. openbare aankondiging: alle tot het publiek gerichte mededelingen welke erop gericht zijn de belangstelling van het publiek te trekken van hetgeen wordt aangekondigd; Artikel 2
Belastbaar feit
Onder de naam "reclamebelasting" wordt, binnen het gebied zoals nader aangewezen in de bij deze verordening behorende bijlage, een directe belasting geheven ter zake van openbare aankondigingen zichtbaar vanaf de openbare weg. Artikel 3
Belastingplicht
1. De reclamebelasting wordt geheven van de gebruiker van de onroerende zaak waarop en/of waarbij één of meer reclameobjecten worden aangetroffen.
71
2. Indien de onroerende zaak geen gebruiker kent en op of bij de onroerende zaak één of meer reclameobjecten worden aangetroffen, wordt de verschuldigde belasting geheven van de eigenaar van de onroerende zaak. Artikel 4
Vrijstellingen
De reclamebelasting wordt niet geheven voor openbare aankondigingen: a. die korter aanwezig zijn dan 13 weken en binnen het belastingtijdvak niet worden vervangen, opgevolgd of gecontinueerd door andere openbare aankondigingen; b. die als algemene bewegwijzering waarmee een algemeen belang wordt gediend, kunnen worden aangemerkt; c. die door de gemeente of in opdracht van de gemeente is geplaatst of aangebracht, indien en voor zover de openbare aankondiging geschiedt ter uitvoering van de publieke taak; d. die door (semi-)overheden of culturele, maatschappelijke of daarmee gelijk te stellen lichamen met ideële doelstellingen zijn aangebracht en betrekking hebben op activiteiten die uitsluitend een cultureel, maatschappelijk, charitatief of ideëel belang dienen; e. aangebracht door of namens winkeliersverenigingen of centrummanagement, waarbij het reclameobject uitsluitend bestaat uit een vlag, banier of zuil met de naam van de winkeliersvereniging of het centrummanagement; f. aangebracht op bouwterreinen, voor zover deze opschriften rechtstreeks betrekking hebben op de op dat terrein in uitvoering zijnde bouwwerkzaamheden; g. die door politieke partijen zijn aangebracht en die een ideëel belang dienen; h. bestemd voor de verkoop of verhuur van onroerende zaken, indien deze aanwezig zijn in de onmiddellijke nabijheid van de te verkopen of te verhuren zaak; i.
aangebracht op scholen, zorginstellingen, ziekenhuizen, kerken en moskeeën, en die betrekking hebben op de functie van het gebouw. Artikel 5
Maatstaf van heffing en belastingtarief
1. De reclamebelasting wordt geheven naar een vast bedrag per onroerende zaak. 2. Het belastingbedrag bedraagt € 350,- per onroerende zaak.
Artikel 6
Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang
1. De belastingschuld ontstaat bij het begin van het belastingtijdvak. 2. Indien de belastingplicht na het begin van het belastingtijdvak aanvangt, ontstaat de belastingschuld bij de aanvang van de belastingplicht. 3. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak aanvangt, is de reclamebelasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde reclamebelasting als er in dat jaar, na het tijdstip van de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 4. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak eindigt, wordt de aanslag op verzoek van belastingplichtige verminderd met zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde reclamebelasting als er in dat jaar, na het tijdstip van de beëindiging van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
Artikel 7
Belastingtijdvak
Het belastingtijdvak is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 8
Termijnen van betaling
72
1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald uiterlijk op de laatste dag van de tweede maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld. 2. In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, minder is dan € 20.000,— en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke termijnen, waarbij de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 3. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen. Artikel 9
Kwijtschelding Bij de invordering van de reclamebelasting wordt geen kwijtschelding verleend. Artikel 10
Inwerkingtreding
1. De Verordening Reclamebelasting Winkelgebied Burgemeester Winklerplein 2020 van 8 december 2020 wordt ingetrokken met ingang van de in lid 4 genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2. Deze regeling kan worden aangehaald als: “Verordening Reclamebelasting Winkelgebied Burgemeester Winklerplein 2022”. 3. Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2022. 4. De datum van ingang van heffing is 1 januari 2022.
Vastgesteld in de openbare vergadering van de raad der gemeente Sliedrecht op 14 december 2021. De griffier,
De voorzitter,
73
Bijlage behorende bij de Verordening Reclamebelasting Winkelgebied Burgemeester Winklerplein 2022
74
Versie geldig vanaf 1 januari 2022
Verordening op de heffing en invordering van reclamebelasting voor het Winkelgebied Kerkbuurt van de gemeente Sliedrecht
Verantwoordelijke afdeling
Team Ruimtelijke Ontwikkeling & Economie De getoonde verordeningen zijn een weergave van de actuele situatie. Voor historische informatie hiervan kunt u contact opnemen met het Servicecentrum Drechtsteden, onderdeel Documentaire Informatievoorziening, e-mail: gemeente@sliedrecht.nl.
De raad der gemeente Sliedrecht; gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 16 november 2021; b e s l u i t.: gelet op artikel 227 van de Gemeentewet vast te stellen: De Verordening op de heffing en invordering van reclamebelasting voor het Winkelgebied Kerkbuurt van de gemeente Sliedrecht 2022 Artikel 1
Definities
Deze verordening verstaat onder: a. reclameobject: een openbare aankondiging in letters, symbolen of kleuren, of een combinatie daarvan, zichtbaar vanaf de openbare weg; b. onroerende zaak: de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ), zijnde een niet-woning; c. jaar: een kalenderjaar; d. openbare weg, zoals bedoeld in, hoofdstuk II van de Wegenwet; e. openbare aankondiging: alle tot het publiek gerichte mededelingen welke erop gericht zijn de belangstelling van het publiek te trekken van hetgeen wordt aangekondigd; Artikel 2
Belastbaar feit
Onder de naam "reclamebelasting" wordt, binnen het gebied zoals nader aangewezen in de bij deze verordening behorende bijlage, een directe belasting geheven ter zake van openbare aankondigingen zichtbaar vanaf de openbare weg. Artikel 3
Belastingplicht
1. De reclamebelasting wordt geheven van de gebruiker van de onroerende zaak waarop en/of waarbij één of meer reclameobjecten worden aangetroffen.
75
2. Indien de onroerende zaak geen gebruiker kent en op of bij de onroerende zaak één of meer reclameobjecten worden aangetroffen, wordt de verschuldigde belasting geheven van de eigenaar van de onroerende zaak. Artikel 4
Vrijstellingen
De reclamebelasting wordt niet geheven voor openbare aankondigingen: a. die korter aanwezig zijn dan 13 weken en binnen het belastingtijdvak niet worden vervangen, opgevolgd of gecontinueerd door andere openbare aankondigingen; b. die als algemene bewegwijzering waarmee een algemeen belang wordt gediend, kunnen worden aangemerkt; c. die door de gemeente of in opdracht van de gemeente is geplaatst of aangebracht, indien en voor zover de openbare aankondiging geschiedt ter uitvoering van de publieke taak; d. die door (semi-)overheden of culturele, maatschappelijke of daarmee gelijk te stellen lichamen met ideële doelstellingen zijn aangebracht en betrekking hebben op activiteiten die uitsluitend een cultureel, maatschappelijk, charitatief of ideëel belang dienen; e. aangebracht door of namens winkeliersverenigingen of centrummanagement, waarbij het reclameobject uitsluitend bestaat uit een vlag, banier of zuil met de naam van de winkeliersvereniging of het centrummanagement; f. aangebracht op bouwterreinen, voor zover deze opschriften rechtstreeks betrekking hebben op de op dat terrein in uitvoering zijnde bouwwerkzaamheden; g. die door politieke partijen zijn aangebracht en die een ideëel belang dienen; h. bestemd voor de verkoop of verhuur van onroerende zaken, indien deze aanwezig zijn in de onmiddellijke nabijheid van de te verkopen of te verhuren zaak; i.
aangebracht op scholen, zorginstellingen, ziekenhuizen, kerken en moskeeën, en die betrekking hebben op de functie van het gebouw. Artikel 5
Maatstaf van heffing en belastingtarief
1. De reclamebelasting wordt geheven naar een vast bedrag per onroerende zaak . 2. Het belastingbedrag bedraagt € 450,- per onroerende zaak.
Artikel 6
Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang
1. De belastingschuld ontstaat bij het begin van het belastingtijdvak. 2. Indien de belastingplicht na het begin van het belastingtijdvak aanvangt, ontstaat de belastingschuld bij de aanvang van de belastingplicht. 3. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak aanvangt, is de reclamebelasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde reclamebelasting als er in dat jaar, na het tijdstip van de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 4. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak eindigt, wordt de aanslag op verzoek van belastingplichtige verminderd met zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde reclamebelasting als er in dat jaar, na het tijdstip van de beëindiging van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
Artikel 7
Belastingtijdvak
Het belastingtijdvak is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 8
Termijnen van betaling
76
1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald uiterlijk op de laatste dag van de tweede maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld. 2. In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, minder is dan € 20.000,— en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke termijnen, waarbij de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 3. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen. Artikel 9
Kwijtschelding Bij de invordering van de reclamebelasting wordt geen kwijtschelding verleend. Artikel 10
Inwerkingtreding
1. De Verordening Reclamebelasting Winkelgebied Kerkbuurt 2020 van 8 december 2020 wordt ingetrokken met ingang van de in lid 4 genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2. Deze regeling kan worden aangehaald als: “Verordening Reclamebelasting Winkelgebied Kerkbuurt 2022”. 3. Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2022. 4. De datum van ingang van heffing is 1 januari 2022.
Vastgesteld in de openbare vergadering van de raad der gemeente Sliedrecht op 14 december 2021. De griffier,
De voorzitter,
77
Bijlage behorende bij de Verordening Reclamebelasting Winkelgebied Kerkbuurt 2022
78
Versie geldig vanaf 1 januari 2022
Verordening op de heffing en invordering van reclamebelasting voor de Woonboulevard Sliedrecht van de gemeente Sliedrecht
Verantwoordelijke afdeling
Team Ruimtelijke Ontwikkeling & Economie De getoonde verordeningen zijn een weergave van de actuele situatie. Voor historische informatie hiervan kunt u contact opnemen met het Servicecentrum Drechtsteden, onderdeel Documentaire Informatievoorziening, e-mail: gemeente@sliedrecht.nl.
De raad der gemeente Sliedrecht; gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 16 november 2021; b e s l u i t.: gelet op artikel 227 van de Gemeentewet vast te stellen: De Verordening op de heffing en invordering van reclamebelasting voor de Woonboulevard Sliedrecht van de gemeente Sliedrecht 2022 Artikel 1
Definities Deze verordening verstaat onder: f. reclameobject: een openbare aankondiging in letters, symbolen of kleuren, of een combinatie daarvan, zichtbaar vanaf de openbare weg; g. onroerende zaak: de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ), zijnde een niet-woning; h. jaar: een kalenderjaar; i. openbare weg, zoals bedoeld in, hoofdstuk II van de Wegenwet; j. openbare aankondiging: alle tot het publiek gerichte mededelingen welke erop gericht zijn de belangstelling van het publiek te trekken van hetgeen wordt aangekondigd. Artikel 2
Belastbaar feit
Onder de naam "reclamebelasting" wordt, binnen het gebied zoals nader aangewezen in de bij deze verordening behorende bijlage, een directe belasting geheven ter zake van openbare aankondigingen zichtbaar vanaf de openbare weg. Artikel 3
Belastingplicht
3. De reclamebelasting wordt geheven van de gebruiker van de onroerende zaak: a. die in gebruik is als detailhandel en/of horeca,
79
b. niet zijnde een benzinestation of detailhandel gericht op autoverkoop of -reparatie, c. waarop en/of waarbij ten minste één reclameobject wordt aangetroffen. 4. Indien de onroerende zaak geen gebruiker kent en op of bij de onroerende zaak één of meer reclameobjecten worden aangetroffen, wordt de verschuldigde belasting geheven van de eigenaar van de onroerende zaak. Artikel 4
Vrijstellingen
De reclamebelasting wordt niet geheven voor openbare aankondigingen: j. die korter aanwezig zijn dan 13 weken en binnen het belastingtijdvak niet worden vervangen, opgevolgd of gecontinueerd door andere openbare aankondigingen; k. die als algemene bewegwijzering waarmee een algemeen belang wordt gediend, kunnen worden aangemerkt; l. die door de gemeente of in opdracht van de gemeente is geplaatst of aangebracht, indien en voor zover de openbare aankondiging geschiedt ter uitvoering van de publieke taak; m. die door (semi-)overheden of culturele, maatschappelijke of daarmee gelijk te stellen lichamen met ideële doelstellingen zijn aangebracht en betrekking hebben op activiteiten die uitsluitend een cultureel, maatschappelijk, charitatief of ideëel belang dienen; n. aangebracht door of namens winkeliersverenigingen of centrummanagement, waarbij het reclameobject uitsluitend bestaat uit een vlag, banier of zuil met de naam van de winkeliersvereniging of het centrummanagement; o. aangebracht op bouwterreinen, voor zover deze opschriften rechtstreeks betrekking hebben op de op dat terrein in uitvoering zijnde bouwwerkzaamheden; p. die door politieke partijen zijn aangebracht en die een ideëel belang dienen; q. bestemd voor de verkoop of verhuur van onroerende zaken, indien deze aanwezig zijn in de onmiddellijke nabijheid van de te verkopen of te verhuren zaak; r.
aangebracht op scholen, zorginstellingen, ziekenhuizen, kerken en moskeeën, en die betrekking hebben op de functie van het gebouw. Artikel 5
Maatstaf van heffing en belastingtarief
3. De reclamebelasting wordt geheven per onroerende zaak op basis van de waarde zoals bepaald op grond van Hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ). 4. In afwijking van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden. 5. Het belastingbedrag bedraagt bij een WOZ-waarde tot en met € 200.000 - € 1.000,-. 6. Het belastingbedrag bedraagt bij een WOZ-waarde van € 200.001 tot en met € 500.000 € 1.500,-. 7. Het belastingbedrag bedraagt bij een WOZ-waarde van € 500.001 tot en met € 1.500.000 € 2.000,-. 8. Het belastingbedrag bedraagt bij een WOZ-waarde van meer dan € 1.500.000 - € 3.000,-. 9. Indien de vastgestelde WOZ-waarde voor het betreffende jaar wordt verminderd, wordt de aanslag reclamebelasting ambtshalve verminderd indien de lagere WOZ-waarde leidt tot een lager belastingbedrag voor de reclamebelasting. 10. Indien de onroerende zaak in de loop van het belastingjaar ontstaat bedraagt het belastingbedrag €1.000,-.
Artikel 6
Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang
5. De belastingschuld ontstaat bij het begin van het belastingtijdvak. 6. Indien de belastingplicht na het begin van het belastingtijdvak aanvangt, ontstaat de belastingschuld bij de aanvang van de belastingplicht.
80
7. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak aanvangt, is de reclamebelasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde reclamebelasting als er in dat jaar, na het tijdstip van de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 8. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak eindigt, wordt de aanslag op verzoek van belastingplichtige verminderd met zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde reclamebelasting als er in dat jaar, na het tijdstip van de beëindiging van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. Artikel 7
Belastingtijdvak
Het belastingtijdvak is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 8
Termijnen van betaling 4. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald uiterlijk op de laatste dag van de tweede maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld. 5. In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, minder is dan € 20.000,— en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke termijnen,waarbij de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 6. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen. Artikel 9
Kwijtschelding
Bij de invordering van de reclamebelasting wordt geen kwijtschelding verleend. Artikel 10
Inwerkingtreding
1. De Verordening Reclamebelasting Woonboulevard Sliedrecht 2021 van 8 december 2020 wordt ingetrokken met ingang van de in lid 4 genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2. Deze verordening kan worden aangehaald als: “Verordening Reclamebelasting Woonboulevard Sliedrecht 2022”. 3. Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2022. 4. De datum van ingang van heffing is 1 januari 2022.
Vastgesteld in de openbare vergadering van de raad der gemeente Sliedrecht op14 december 2021. De griffier,
De voorzitter,
81
Bijlage behorende bij de Verordening Reclamebelasting Woonboulevard Sliedrecht 2022
82