0. Mutaties Belastingverordeningen 2022.pdf
Tekst van het document
Mutaties belastingverordeningen 2022
1
Inhoudsopgave Inleiding ............................................................................................................................................. 3 Verordening onroerende-zaakbelastingen 2022 gemeente Sliedrecht ..................... Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. Verordening reinigingsheffingen 2022 gemeente Sliedrecht .................................................................... 7 Verordening rioolheffing 2022 gemeente Sliedrecht ....................... Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. Verordening begrafenisrechten 2022 gemeente Sliedrecht ............. Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. Verordening havengeld 2022 gemeente Sliedrecht ........................ Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. Verordening hondenbelasting 2022 gemeente Sliedrecht ............... Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. Verordening leges 2022 gemeente Sliedrecht ................................ Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. Verordening marktgelden 2022 gemeente Sliedrecht ........................................................................... 62 Verordening precariobelasting 2022 gemeente Sliedrecht............... Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. Verordening reclamebelasting Winkelgebied Burgemeester Winklerplein ............................................... 71 Verordening reclamebelasting Winkelgebied Kerkbuurt ..................
Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. Verordening reclamebelasting Woonboulevard Sliedrecht ............... Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.
2
Inleiding Jaarlijks worden de belastingverordeningen geactualiseerd. Gemeentebelastingen en Basisinformatie Drechtsteden (GBD) ondersteunt de gemeenten bij het opstellen van de verordeningen en het doen van een (eind)toets op de belastingvoorstellen en -verordeningen. Alle genoemde verordeningen zijn geactualiseerd binnen de uitgangspunten in de programmabegroting 2022, de wetswijzigingen en de aanpassingen modelverordening van de VNG. Daarnaast wordt bij de reinigingsheffingen, rioolheffing, havengelden en bouwleges voorgesorteerd op een trapsgewijze verhoging van de heffingen om binnen 4 jaar tot 100% kostendekkendheid te komen. Voor de lijkbezorging geldt een termijn van 6 jaar. Dit is nader toegelicht in het raadsvoorstel. In dit document staan alle belastingverordeningen 2022 waarbij tussen haakjes de tarieven 2021 zijn aangegeven. Zo is in één oogopslag te zien wat er gewijzigd is ten opzichte van de verordeningen 2021.
3
Versie geldig vanaf 1 januari 2022
Verordening onroerende-zaakbelastingen 2022 gemeente Sliedrecht
Verantwoordelijke afdeling
Dienstverlening, team Financieel Advies en Beleid De getoonde verordeningen zijn een weergave van de actuele situatie. Voor historische informatie hiervan kunt u contact opnemen met het Servicecentrum Drechtsteden, onderdeel Documentaire Informatievoorziening, e-mail: gemeente@sliedrecht.nl.
De raad van de gemeente Sliedrecht; gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 16 november 2021; gelet op de artikelen 220 tot en met 220h van de Gemeentewet; besluit: vast te stellen de Verordening op de heffing en de invordering van onroerende-zaakbelastingen Sliedrecht 2022. Artikel 1 Belastbaar feit en belastingplicht 1. Onder de naam "onroerende-zaakbelastingen" worden ter zake van binnen de gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven: a. een belasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersbelasting; b. een belasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen: eigenarenbelasting. 2. Bij de gebruikersbelasting wordt: a. gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven; degene die het deel in gebruik heeft gegeven, is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven; b.
het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld. 3. Met betrekking tot de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is. Artikel 2 Belastingobject 1. Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken. 2. Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.
4
Artikel 3 Maatstaf van heffing 1. De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het kalenderjaar bedoeld in artikel 1. 2. Indien met betrekking tot een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken. Artikel 4 Vrijstellingen 1. In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij het bepalen van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van: a. ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken; b. glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voorzover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond; c.
onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; d. één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, met uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen; e. natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden; f. openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken; g. waterverdediging- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning; h.
werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning; i. werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken. j. onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt voor de publieke dienst van de gemeente, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die bestemd zijn te worden gebruikt voor het geven van onderwijs; deze vrijstelling geldt niet voor de eigenarenbelasting, voor zover de gemeente van die onroerende zaken niet het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht; k. begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria; deze vrijstelling geldt niet voor de gebruikersbelasting, voor zover delen van zodanige onroerende zaken dienen als woning; l. straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen -niet zijnde gebouwen- welke zijn geplaatst ten gerieve of in het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri's, hekken en palen;
5
m. plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning. 2. In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Artikel 5 Belastingtarieven 1. Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor: a. bij de gebruikersbelasting 0,1310% (0,1265%); b. bij de eigenarenbelasting 1. voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen 0,0751% (0,0823%); 2. voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen 0,1665% (0,1605%). 2. Geen belasting wordt geheven indien de heffingsmaatstaf van de onroerende zaak blijft beneden € 12.000. 3. Het bedrag van de belasting wordt per belastingaanslag naar beneden afgerond op gehele euro’s. 4. Belastingbedragen van minder dan € 10 worden niet geheven. 5. Voor de toepassing van het vierde lid wordt het totaal van op één aanslagbiljet verenigde belastingaanslagen aangemerkt als één belastingbedrag. Artikel 6 Wijze van heffing De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.
Artikel 7 Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald uiterlijk op de laatste dag van de tweede maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld. 2. In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, minder is dan € 20.000, en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke termijnen , waarbij de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 3. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen. Artikel 8 Inwerkingtreding en citeertitel 1. De "Verordening onroerende-zaakbelastingen 2021” van 8 december 2020 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2. Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2022. 3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2022.
4. Deze verordening kan worden aangehaald als "Verordening onroerende-zaakbelastingen 2022 gemeente Sliedrecht". Vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Sliedrecht op14 december 2021. De griffier,
De voorzitter,
Mr. R.P.A. van Aalst
mr. drs. J.M. de Vries
6
Versie geldig vanaf 1 januari 2022
Verordening reinigingsheffingen 2022 gemeente Sliedrecht
Verantwoordelijke afdeling
Beheer Openbare Ruimte De getoonde verordeningen zijn een weergave van de actuele situatie. Voor historische informatie hiervan kunt u contact opnemen met het Servicecentrum Drechtsteden, onderdeel Documentaire Informatievoorziening, e-mail: gemeente@sliedrecht.nl.
De raad van de gemeente Sliedrecht; gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 16 november 2021; gelet op artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, van de Gemeentewet en artikel 15.33 van de Wet milieubeheer; besluit: vast te stellen de Verordening op de heffing en invordering van afvalstoffenheffing en reinigingsrechten 2022. Hoofdstuk I Algemene bepalingen Artikel 1
Inleidende bepaling
Krachtens deze verordening worden geheven: a. een afvalstoffenheffing; b. reinigingsrechten. Artikel 2
Definities
1. Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder grof bedrijfsafval: afvalstoffen, met uitzondering van autowrakken, afkomstig van bedrijven en instellingen, welke door aard, omvang of hoeveelheid niet periodiek worden ingezameld. 2. Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder ‘gebruik maken’: gebruik maken in de zin van artikel 15.33 Wet milieubeheer Hoofdstuk II Afvalstoffenheffing Artikel 3
Aard van de belasting en belastbaar feit
1. Onder de naam "afvalstoffenheffing" wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer (Stb. 1994, 80). 2. De afvalstoffenheffing als bedoeld in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel wordt geheven naar afzonderlijke grondslagen ter zake van het gebruik van een perceel ten aanzien waarvan krachtens artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.
7
Artikel 4
Belastingplicht
De belasting wordt geheven van degene die in de gemeente naar de omstandigheden beoordeeld al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt. Artikel 5
Maatstaf van heffing en belastingtarief
De belasting wordt geheven naar de maatstaven en de tarieven, opgenomen in hoofdstuk 1 van de bij deze verordening behorende tarieventabel. Artikel 6
Belastingjaar
Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 7
Wijze van heffing
1. De belasting zoals opgenomen in hoofdstuk 1.1. van de tarieventabel wordt bij wege van aanslag geheven. 2. De rechten zoals opgenomen in hoofdstuk 1.2. van de tarieventabel worden geheven door middel van een gedagtekende kennisgeving waarop het gevorderde bedrag is vermeld. Artikel 8
Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang
1. De belasting zoals opgenomen in hoofdstuk 1.1. van de tarieventabel is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. 2. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de in het eerste lid vermelde belasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belastingen als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 3. Indien de belastingplicht in de loopt van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 4. De rechten zoals vermeld in hoofdstuk 1.2. van de tarieventabel zijn verschuldigd bij aanvang van de dienstverlening. Artikel 8a
Termijnen van betaling
1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald uiterlijk op de laatste dag van de tweede maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld. 2. In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, minder is dan € 20.000,-, en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke termijnen, waarbij de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 3. De bij gedagtekende kennisgeving gevorderde bedragen moeten worden betaald: a. In geval van uitreiking van de kennisgeving: op het tijdstip van de kennisgeving; b. In geval van toezending van de kennisgeving: binnen een maand na dagtekening. 4. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.
8
Hoofdstuk III Reinigingsrechten Artikel 9
Belastbaar feit
Onder de naam "reinigingsrechten" worden rechten geheven zowel voor het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten als voor het gebruik van voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen die bij de gemeente in beheer of in onderhoud zijn. Artikel 10
Belastingplicht
De rechten worden geheven van degene op wiens aanvraag dan wel ten behoeve van wie de dienst wordt verricht of van degene die van de bezittingen, werken of inrichtingen gebruik maakt. Artikel 11
Maatstaf van heffing en belastingtarief
1. De rechten worden geheven naar de maatstaven en de tarieven, opgenomen in de hoofdstukken 2 en 3 van de bij deze verordening behorende tarieventabel. 2. Voor de berekening van de rechten wordt een gedeelte van een in de tarieventabel genoemde eenheid als een volle eenheid aangemerkt. Artikel 12
Belastingjaar
Met betrekking tot de rechten die per jaar worden geheven is het belastingjaar gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 13
Wijze van heffing
1. De rechten bedoeld in hoofdstuk 2 van de tarieventabel worden geheven bij wege van aanslag met dien verstande dat per belastbaar feit een afzonderlijke aanslag kan worden opgelegd. 2. De rechten bedoeld in hoofdstuk 3 van de tarieventabel worden geheven door middel van een gedagtekende kennisgeving waarop het gevorderde bedrag is vermeld. Artikel 14 jaarlijks
Ontstaan van de belastingschuld en de heffing naar tijdsgelang voor de verschuldigde rechten
1. De rechten bedoeld in hoofdstuk 2 van de tarieventabel zijn verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. 2. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt zijn de rechten bedoeld in hoofdstuk 2 van de tarieventabel verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde rechten als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 3. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde rechten als bedoeld in hoofdstuk 2 van de tarieventabel, als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. Artikel 15
Ontstaan van de belastingschuld voor de overige rechten
De rechten bedoeld in hoofdstuk 3 van de tarieventabel zijn verschuldigd bij de aanvang van de dienstverlening of bij de aanvraag van het gebruik van de bezittingen, werken of inrichtingen.
9
Artikel 16 Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald uiterlijk op de laatste dag van de tweede maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld. 2. In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, minder is dan € 20.000,-, en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke termijnen, waarbij de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 3. De bij gedagtekende kennisgeving gevorderde bedragen moeten worden betaald: a. In geval van uitreiking van de kennisgeving: op het tijdstip van de kennisgeving; b. In geval van toezending van de kennisgeving: binnen een maand na dagtekening. 4. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen. Hoofdstuk IV Aanvullende bepalingen Artikel 17
Inwerkingtreding en citeertitel
1. De “Verordening reinigingsheffingen 2021” van 8 december 2020 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2. Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2022. 3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2022. 4. Deze verordening kan worden aangehaald als "Verordening reinigingsheffingen 2022 gemeente Sliedrecht". Vastgesteld in de openbare vergadering van de raad der gemeente Sliedrecht op14 december 2021. De griffier,
De voorzitter,
mr. R.P.A. van Aalst
mr. drs. J.M. de Vries
10
Tarieventabel behorende bij de "Verordening reinigingsheffingen 2022 gemeente Sliedrecht”. Algemeen De bedragen genoemd in deze tabel zijn inclusief 21 % omzetbelasting indien deze verschuldigd is. HOOFDSTUK 1 MAATSTAVEN EN TARIEVEN AFVALSTOFFENHEFFING Hoofdstuk 1.1 Maatstaf en tarief afvalstoffenheffing 1.1.1 1.1.2
De belasting bedraagt per perceel per jaar: indien het perceel op 1 januari van het belastingjaar of, indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht, wordt gebruikt door één persoon € 225,48 (€ 208,80) indien het perceel op 1 januari van het belastingjaar of, indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht, wordt gebruikt door twee of meer personen € 316,20 (€ 292,80)
Hoofdstuk 1.2 Maatstaven en overige tarieven afvalstoffenheffing 1.2 1.2.1 1.2.2 1.2.3 1.2.4
1.2.5
1.2.6
Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1.1. bedraagt de belasting voor het op aanvraag verwijderen van grove huishoudelijke afvalstoffen: per huisvuilwagen, per half uur of gedeelte daarvan € 34,43 (€ 31,88) per bestelauto, per half uur of gedeelte daarvan € 14,16 (13,11) voor een chauffeur of extra hulp worden de hierboven onder 1.2.1 en vermelde bedragen per manhulp per halfuur of gedeelte daarvan verhoogd met € 39,14 (€ 36,24) de hierboven in dit hoofdstuk vermelde bedragen worden vermeerderd met de door derden aan de gemeente Sliedrecht in rekening gebrachte verwerkingskosten, waarvan een schriftelijke opgaaf van kosten worden gedaan door of vanwege het college van burgemeester en wethouders voorafgaand aan het in behandeling nemen van het verzoek. het hierboven onder 1.2.3 vermelde bedrag wordt verhoogd met: -50% indien de werkzaamheden op werkdagen (met uitzondering van de zaterdag) buiten de normale werkuren worden verleend; -100% indien de werkzaamheden op zaterdag en zon- en feestdagen worden verleend. de tijdsduur, waarover de in dit hoofdstuk vermelde rechten worden geheven, wordt berekend vanaf het tijdstip, dat het desbetreffende personeel het terrein van gemeentewerken verlaat tot het tijdstip dat het daar terugkeert.
11
HOOFDSTUK 2 MAATSTAVEN EN JAARLIJKSE TARIEVEN REINIGINGSRECHTEN 2.1 2.1.1
2.1.2
Het recht bedraagt per belastingjaar voor het beschikbaar stellen, het gebruik dan wel het ledigen van containers en het verwijderen van de daarin verzamelde afvalstoffen indien: het betreft éénmaal per week voor: 476,26 a. een container van 240 liter (448,67) 1.069,83 b. een container van 500/660 liter (1.007,98) 2.117,02 c. een container van 1.000/1.100 liter (1.994,47) 2.728,02 d. een container van 1.300 liter (2.570,19) 3.327,11 e. een container van 1.600 liter (3.134,58) 364,45 f. een container van 240 liter voor oud papier/karton (343,40) het betreft tweemaal per week voor: a. een container van 240 liter b. een container van 500/660 liter c. een container van 1.000/1.100 liter d. een container van 1.300 liter e. een container van 1.600 liter
2.1.3
het betreft driemaal per week voor: a. een container van 240 liter b. een container van 500/660 liter c. een container van 1.000/1.100 liter d. een container van 1.300 liter e. een container van 1.600 liter
2.2
905,18 (852,76) 2.032,95 (1.915,33) 4.022,48 (3.789,12) 5.183,06 (4.883,08) 6.321,72 (5.955,81)
1.334,82 (1.257,58) 2.998,23 (2.824,72) 5.933,60 (5.590,20) 7.644,63 (7.202,21) 9.323,73 (8.784,16)
Wanneer reinigingsrecht wordt geheven op grond van dit hoofdstuk kan kosteloos oud papier en karton middels een van gemeentewege aangewezen en beschikbaar gesteld inzamelmiddel worden aangeboden.
12
HOOFDSTUK 3 MAATSTAVEN EN TARIEVEN OVERIGE REINIGINGSRECHTEN 3.1 3.1.1 3.1.1.1 3.1.1.2 3.1.1.3 3.1.1.4
3.1.1.5
3.1.1.6
3.1.2 3.1.2.1 3.1.2.2 3.1.2.3 3.1.2.4
3.1.2.5
3.1.2.6
3.1.3
Het recht bedraagt voor: voor het op aanvraag verwijderen van grof bedrijfsafval: per huisvuilwagen, per half uur of gedeelte daarvan € 34,43 (€31,88) per bestelauto, per half uur of gedeelte daarvan € 14,16 (€13,11) voor een chauffeur of extra hulp worden de hierboven onder 3.1.1.1 en 3.1.1.2 vermelde bedragen per manhulp per halfuur of gedeelte daarvan verhoogd met € 39,14 (€36,24) de hierboven in dit hoofdstuk vermelde bedragen worden vermeerderd met de door derden aan de gemeente Sliedrecht in rekening gebrachte verwerkingskosten, waarvan een schriftelijke opgaaf van kosten worden gedaan door of vanwege het college van burgemeester en wethouders voorafgaand aan het in behandeling nemen van het verzoek. de hierboven onder 3.1.1.3 vermelde bedrag wordt verhoogd met: -50% indien de werkzaamheden op werkdagen (met uitzondering van de zaterdag) buiten de normale werkuren worden verleend; -100% indien de werkzaamheden op zaterdag en zon- en feestdagen worden verleend. de tijdsduur, waarover de in dit hoofdstuk vermelde rechten worden geheven, wordt berekend vanaf het tijdstip, dat het desbetreffende personeel het terrein van gemeentewerken verlaat tot het tijdstip dat het daar terugkeert.
het op aanvraag verrichten van werkzaamheden, voor zover in deze tarieventabel geen afzonderlijk recht is vermeld: per veegmachine, kolkenzuiger of haakarmwagen, containerwagen per half uur of gedeelte daarvan € 34,43 (€31,88) per bestelauto, per half uur of gedeelte daarvan € 14,16 (€13,11) voor een chauffeur of extra hulp worden de hierboven onder 3.1.1.1 en 3.1.1.2 vermelde bedragen per manhulp per halfuur of gedeelte daarvan verhoogd met € 39,14 (€36,24) de hierboven in dit hoofdstuk vermelde bedragen worden vermeerderd met de door derden aan de gemeente Sliedrecht in rekening gebrachte verwerkingskosten, waarvan een schriftelijke opgaaf van kosten worden gedaan door of vanwege het college van burgemeester en wethouders voorafgaand aan het in behandeling nemen van het verzoek. het hierboven onder 3.1.1.3 vermelde bedrag wordt verhoogd met: -50% indien de werkzaamheden op werkdagen (met uitzondering van de zaterdag) buiten de normale werkuren worden verleend; -100% indien de werkzaamheden op zaterdag en zon- en feestdagen worden verleend de tijdsduur, waarover de in dit hoofdstuk vermelde rechten worden geheven, wordt berekend vanaf het tijdstip, dat het desbetreffende personeel het terrein van gemeentewerken verlaat tot het tijdstip dat het daar terugkeert. Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1.1.
bedraagt de belasting voor het zoeken naar eigendommen in een verzamelcontainer (ongeacht het resultaat) € 66,07 (€62,25)
13
Behoort bij raadsbesluit van 14 december 2021, De griffier, mr. R.P.A. van Aalst
Toelichting op de bedragen: Tarieven 2022
grof vuil per huisvuilwagen, per half uur of gedeelte daarvan grof vuil per bestelwagen, per half uur of gedeelte daarvan grof vuil verhoging van hierboven vermelde tarieven per manhulp per halfuur of gedeelte daarvan Container 240 liter, één maal per week legen Container 500/660 liter, één maal per week legen Container 1.000/1.100 liter, één maal per week legen Container 1.300 liter, één maal per week legen Container 1.600 liter, één maal per week legen Container 240 liter, twee maal per week legen Container 500/660 liter, twee maal per week legen Container 1.000/1.100 liter, twee maal per week legen Container 1.300 liter, twee maal per week legen Container 1.600 liter, twee maal per week legen Container 240 liter, drie maal per week legen Container 500/660 liter, drie maal per week legen Container 1.000/1.100 liter, drie maal per week legen
2022 excl. BTW 28,45 (26,34) 11,70 (10,84)
BTW
2022 incl BTW
5,98 (5,54) 2,46 (2,27)
34,43 (31,88) 14,16 (13,11)
6,79 (6,29)
39,14 (36,24)
393,60 82,66 (370,80) (77,87) 884,16 185,67 (833,04) (174,94) 1.749,60 367,42 (1.648,32) (346,15) 2.254,56 473,46 (2.124,12) (446,07) 2.749,68 577,43 (2.590,56) (544,02) 748,08 157,10 (704,76) (148,00) 1.680,12 352,83 (1.582,92) (332,41) 3.324,36 698,12 (3.132,00) (657,72) 4.283,52 899,54 (4.035,60) (847,48) 5.224,56 1.097,16 (4.922,16) (1.033,65) 1.103,16 231,66 (1.039,32) (218,26) 2.477,88 520,35 (2.334,48) (490,24) 4.903,80 1.029,80 (4.620,00) (970,20)
476,26 (448,67) 1.069,83 (1.007,98) 2.117,02 (1.994,47) 2.728,02 (2.570,19) 3.327,11 (3.134,58) 905,18 (852,76) 2.032,95 (1.915,33) 4.022,48 (3.789,72) 5.183,06 (4.883,08) 6.321,72 (5.955,81) 1.334,82 (1.257,58) 2.998,23 (2.824,72) 5.933,60 (5.590,20)
32,35 (29,95)
14
6.317,88 1.326,75 (5.952,24) (1.249,97) 7.705,56 1.618,17 Container 1.600 liter, drie maal per week legen (7.259,64) (1.524,52) Container oud papier/karton, 240 liter één maal per 301,20 63,25 week legen (bij geen contract) (283,80) (59,60) Container 1.300 liter, drie maal per week legen
7.644,63 (7.202,21) 9.323,73 (8.784,16) 364,45 (343,40)
15
Versie geldig vanaf 1 januari 2022
Verordening rioolheffing 2022 gemeente Sliedrecht
Verantwoordelijke
Beheer Openbare Ruimte
afdeling De getoonde verordeningen zijn een weergave van de actuele situatie. Voor historische informatie hiervan kunt u contact opnemen met het Servicecentrum Drechtsteden, onderdeel Documentaire Informatievoorziening, e-mail: gemeente@sliedrecht.nl.
De raad van de gemeente Sliedrecht; gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 16 november 2021; gelet op artikel 228a van de Gemeentewet; besluit vast te stellen de Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2022. Artikel 1 Definities Deze verordening verstaat onder: a. perceel: een roerende of onroerende zaak of een zelfstandig gedeelte daarvan; b. gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente; c. verbruiksperiode: de periode waarop de afrekening van het waterbedrijf betrekking heeft; d. water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater of grondwater. Artikel 2 Aard van de belasting Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan: a. de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en b. de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.
Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht 1. De belasting wordt geheven: a. van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering, verder te noemen: eigenarendeel; en b. van de gebruiker van een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd, verder te noemen: gebruikersdeel. 2. Met betrekking tot het eigenarendeel wordt, ingeval het perceel een onroerende zaak is, als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het belastingjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is. 3. Met betrekking tot het gebruikersdeel, wordt als gebruiker aangemerkt:
16
a. degene die naar de omstandigheden beoordeeld het perceel al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt; b. ingeval een gedeelte van een perceel – niet een gedeelte als bedoeld in artikel 4 – voor gebruik is afgestaan: degene die dat gedeelte voor gebruik heeft afgestaan. Artikel 4 Vrijstellingen De belasting wordt niet geheven van percelen met een aansluiting op de gemeentelijke riolering uitsluitend voor de afvoer van hemel- en grondwater met een vloeroppervlakte kleiner dan 50 vierkante meter. Artikel 5 Zelfstandige gedeelten Indien gedeelten van een in artikel 3 bedoeld perceel blijkens hun indeling bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, wordt de belasting geheven ter zake van elk als zodanig bestemd gedeelte, met dien verstande dat indien twee of meer van die gedeelten tezamen als één geheel worden gebruikt, deze als één perceel worden aangemerkt. Artikel 6 Maatstaf van heffing 1. Het eigenarendeel wordt geheven naar een vast bedrag per perceel. 2. Het gebruikersdeel voor percelen die in hoofdzaak tot woning dienen wordt geheven naar een vast bedrag per perceel. 3. Het gebruikersdeel voor percelen die niet in hoofdzaak tot woning dienen wordt geheven naar het aantal kubieke meters water dat vanuit het perceel wordt afgevoerd. 4.
Voor de bepaling van de maatstaf van de heffing is voor percelen zijnde, verpleegtehuis, gezinsvervangend tehuis, (schippers)internaat, tehuis voor personen met een lichamelijke of verstandelijke beperking, verzorgingstehuis, bejaardentehuis, kindertehuis of gevangenis voor het gebruikersdeel lid 3. van toepassing 5. Het aantal kubieke meters water wordt gesteld op het aantal kubieke meters leidingwater en grondwater dat in de laatste aan het begin van het belastingjaar voorafgaande verbruiksperiode naar het perceel is toegevoerd of opgepompt. Ingeval de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van twaalf maanden, wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang bepaald. Bij die herleiding wordt een gedeelte van een kalendermaand voor een volle maand gerekend. 6. Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die pompinstallatie zijn voorzien van een: a. watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden afgelezen, of b. bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is geweest kan worden afgelezen. De eerste volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de hoeveelheid opgepompt water geschiedt op grond van enige andere wettelijke bepaling. 7.
De op de voet van het vijfde lid berekende hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water wordt verminderd met de hoeveelheid water die niet is afgevoerd. Artikel 7 Belastingtarieven 1. Het eigenarendeel bedraagt per jaar per perceel € 183,70 (€168,00). 2. Het gebruikersdeel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, bedraagt per jaar € 93,60 (€85,68). 3. Het gebruikersdeel als bedoeld in artikel 6, derde lid, bedraagt per jaar: a. € 93,60 (€85,68) bij 0 m3 tot en met 250 m3 afvalwater; b. indien meer dan 250 m3 afvalwater wordt afgevoerd, wordt het onder a. vermelde bedrag verhoogd met € 46,80 (€42,84) voor elke hoeveelheid van 50 m3 afvalwater of een gedeelte daarvan. Artikel 8 Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 9 Wijze van heffing De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.
17
Artikel 10 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1. De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of voor het gebruikersdeel, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. 2. Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel voor het gebruikersdeel in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd over zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde gebruikersdeel als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 3. Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel voor het gebruikersdeel in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde gebruikersdeel als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 4. Belastingbedragen van minder dan € 10,- worden niet geheven; 5. Voor de toepassing van het vierde lid wordt het totaal van op één aanslagbiljet verenigde belastingaanslagen aangemerkt als één belastingaanslag. Artikel 11 Termijnen van betaling 4. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald uiterlijk op de laatste dag van de tweede maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld. 5.
In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, minder is dan € 20.000,-, en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke termijnen, waarbij de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 6. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen. Artikel 12 Inwerkingtreding en citeertitel 1. De “Verordening rioolheffing 2021” van 10 december 2020 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2. Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2022. 3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2022. 4. Deze verordening wordt aangehaald als 'Verordening rioolheffing 2022 gemeente Sliedrecht'. Vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Sliedrecht op14 december 2021. De griffier,
De voorzitter,
Mr. R.P.A. van Aalst
mr. drs. J.M. de Vries
18
Versie geldig vanaf 1 januari 2022
Verordening begrafenisrechten 2022 gemeente Sliedrecht
Verantwoordelijke afdeling
Beheer Openbare Ruimte De getoonde verordeningen zijn een weergave van de actuele situatie. Voor historische informatie hiervan kunt u contact opnemen met het Servicecentrum Drechtsteden, onderdeel Documentaire Informatievoorziening, e-mail: gemeente@sliedrecht.nl.
De raad van de gemeente Sliedrecht; gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 16 november 2021; gelet op artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b van de Gemeentewet; besluit: vast te stellen de Verordening op de heffing en invordering van begrafenisrechten 2022.
Artikel 1. Definities
In deze verordening wordt verstaan onder: a. begraafplaats: de gemeentelijke begraafplaats te Sliedrecht; b. graf: een zandgraf of keldergraf; c. grafkelder: een betonnen of gemetselde constructie of een constructie van kunststof waarin een of meerdere lijken worden begraven of asbussen worden bijgezet; grafkelders kunnen onderdeel zijn van een bovengrondse muur of wand; d. asbus: een kunststof bus ter berging van as van een overledene; e. urn: een voorwerp ter berging van een of meer asbussen; f. particulier graf: een graf waarvoor aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend tot: 1. het doen begraven en begraven houden van lijken; 2. het doen bijzetten en bijgezet houden van asbussen met of zonder urnen; 3. het doen verstrooien van as. g. particuliere gedenkplaats: een plaats waarvoor aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend om overledenen te gedenken; h. algemeen (kinder)graf: een graf bij de gemeente in beheer waarin gelegenheid wordt geboden tot het doen begraven van lijken tot een leeftijd van 12 jaar; i. algemeen urnengraf: een graf bij de gemeente in beheer waarvoor aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon het gebruiksrecht is verleend tot: 1. het doen bijzetten en bijgezet houden van asbussen met of zonder urnen; 2. het doen verstrooien van as. j.
algemene urnennis: een nis waarvoor aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon het gebruiksrecht is verleend tot het doen bijzetten en bijgezet houden van asbussen met of zonder urnen; k. verstrooiingsplaats: een plaats waarop as wordt verstrooid; l. beheerder: de ambtenaar die belast is met de dagelijkse leiding van de begraafplaats of degene die hem vervangt; m. rechthebbende: natuurlijk persoon of rechtspersoon aan wie een uitsluitend recht is verleend op een particulier graf of grafkelder;
19
n. gebruiker: natuurlijk persoon of rechtspersoon aan wie een recht tot gebruik van een ruimte in een algemeen graf, algemeen urnengraf of algemene urnennis is verleend; o. college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sliedrecht. p. wet: de Wet op de lijkbezorging en de daaruit voortvloeiende regelgeving q. grafbedekking: gedenkteken en grafbeplanting op een graf of gedenkplaats; r. gedenkteken: steen, zerk of ander monument, daaronder begrepen kettingen en hekwerken; s. grafbeplanting: winterharde beplanting; t. dubbelgraf: twee aan elkaar grenzende graven, waarvoor aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend tot: 1. het doen begraven en begraven houden van lijken; 2. het doen bijzetten en bijgezet houden van asbussen met of zonder urnen; 3. het doen verstrooien van as; 4. het plaatsen van een aaneengesloten grafbedekking. Artikel 2 Belastbaar feit Op basis van deze verordening worden rechten geheven voor het gebruik van de begraafplaats en voor het door of vanwege de gemeente verlenen van diensten in verband met de begraafplaats. Artikel 3 Belastingplicht De rechten worden geheven van degene op wiens aanvraag dan wel ten behoeve van wie de dienst wordt verricht of van degene die van de bezittingen, werken of inrichtingen gebruik maakt. Artikel 4 Maatstaf van heffing en belastingtarief 1.
De rechten worden geheven naar de maatstaven en tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel. 2. Voor de berekening van de rechten wordt een gedeelte van een in de bij deze verordening behorende tarieventabel genoemde eenheid voor een volle eenheid gerekend. Artikel 5 Belastingjaar 1. Met betrekking tot de rechten die per jaar worden geheven is het belastingjaar gelijk aan het kalenderjaar. 2. Met betrekking tot de rechten genoemd onder I, lid 3 van de tarieventabel is het belastingtijdvak gelijk aan de periode waarvoor wordt afgekocht. Artikel 6 Wijze van heffing De rechten worden geheven door middel van een gedagtekende schriftelijke kennisgeving waarop het gevorderde bedrag is vermeld. Artikel 7 Ontstaan van de belastingschuld 1. De onderhoudsrechten, als genoemd onder I van de tarieventabel zijn verschuldigd bij de aanvang van het belastingtijdvak. 2. De overige rechten zijn verschuldigd bij de aanvang van de dienstverlening of bij de aanvraag van het gebruik van de bezittingen, werken of inrichtingen. Artikel 8 Termijn van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de rechten worden betaald binnen 30 dagen na dagtekening van de schriftelijke kennisgeving. 2. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijn.
Artikel 9 Kwijtschelding Bij de invordering van de begrafenisrechten wordt geen kwijtschelding verleend.
20
Artikel 10 Inwerkingtreding en citeertitel 1. De 'Verordening begrafenisrechten 2021' van 8 december 2020 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2. Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2022. 3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2022. 4. Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening begrafenisrechten 2022 gemeente Sliedrecht”. Vastgesteld in de openbare vergadering van de raad der gemeente Sliedrecht op14 december 2021. De griffier,
De voorzitter,
mr. R.P.A. van Aalst
mr. drs. J.M. de Vries
21
Tarieventabel behorende bij de Verordening begrafenisrechten 2022 De in artikel 4 genoemde rechten bedragen: A. Algemeen graf 1.
2.
Begraven
Voor het begraven van een stoffelijk overschot in een algemeen graf
€
Onderhoud
919,00 (854,00)
Voor het van gemeentewege onderhouden van de algemene begraafplaats, een algemeen graf met of zonder grafbedekking, wordt over de uitgiftetermijn van 20 jaar een éénmalig recht geheven van € 1.277,00 (1.186,00) 3. Vervalt
Administratieve kosten/ vergunningen
4.
Voor een vergunning tot het plaatsen van een gedenkteken
€
5.
Voor het wijzigen van de tenaamstelling gebruiksrecht
€
114,00 (106,00) 33,00 (31,00)
B. Kindergraf (algemeen graf) 1. 2.
3.
4. 5.
Begraven
Voor het recht voor het begraven van een lijk in de leeftijd van 1 tot en met 11 jaar in een kindergraf € 460,00 (427,00) Voor het recht voor het begraven van een lijk in de leeftijd van 0 jaar in een kindergraf € 228,00 (212,00)
Onderhoud
Voor het van gemeentewege onderhouden van de algemene begraafplaats, een algemeen kindergraf met of zonder grafbedekking, wordt over de uitgiftetermijn van 40 jaar een éénmalig recht geheven van
Administratieve kosten/ vergunningen
Voor een vergunning tot het plaatsen van een gedenkteken Voor een wijziging van de tenaamstelling gebruiksrecht
€ 1.277,00 (1.186,00) € 114,00 (106,00) € 33,00 (31,00)
C. Particulier graf, grafkelder of particuliere gedenkplaats 1.
2.
3.
Verkrijgen van rechten
Voor het verlenen van een uitsluitend recht op een particulier graf of particuliere gedenkplaats voor een periode van 30 jaar waarin niet meer dan twee lijken kunnen worden begraven wordt een éénmalig recht geheven van In particuliere graven op oude grafvelden kan niet meer dan 1 lijk worden begraven. Voor het verlenen van een uitsluitend recht op een particulier keldergraf voor een periode van 30 jaar waarin niet meer dan twee lijken kunnen worden begraven wordt een éénmalig recht geheven van
€ 2.539,00 (2.359,00)
€ 8.514,00 (€7.910,00)
Voor het verlengen van het uitsluitend recht als bedoeld onder C, leden 1 en 2 met 5 jaar wordt een recht geheven van €
475,00
22
4.
5.
6.
7.
8.
9.
10.
11.
12. 13.
14.
( 441,00) Voor het verlengen van het uitsluitend recht als bedoeld onder C, leden 1 en 2 met 10 jaar wordt een recht geheven van € 762,00 (708,00)
Begraven en bijzetten van lijken van een persoon in de leeftijd 12 jaar en ouder Voor het recht op het begraven of bijzetten van een lijk in een particulier graf, grafkelder of een particuliere gedenkplaats bedraagt
€
919,00 (854,00)
Begraven en bijzetten van lijken van een persoon in de leeftijd van 1 tot en met 11 jaar
Voor het recht op het begraven of bijzetten van een lijk in een particulier graf, grafkelder of een particuliere gedenkplaats € 460,00 (427,00)
Begraven en bijzetten van lijken van een persoon in de leeftijd van 0 jaar
Voor het recht op het begraven of bijzetten van een lijk in een particulier graf, grafkelder of een particuliere gedenkplaats € 228,00 (212,00)
Plaatsen of bijzetten van een asbus met of zonder urn
Voor het recht op het plaatsen of bijzetten van een asbus met of zonder urn van een stoffelijk overschot in een particulier graf, grafkelder of een particuliere gedenkplaats bedraagt € 255,00 (375,00)
Onderhoud
Voor het van gemeentewege onderhouden van de algemene begraafplaats, een particulier graf, grafkelder of particuliere gedenkplaats, wordt over de uitgiftetermijn van 30 jaar een éénmalig recht geheven van
Voor het van gemeentewege onderhouden van de algemene begraafplaats, een particulier graf, grafkelder of particuliere gedenkplaats, wordt over de verlengingstermijn van 5 jaar (zoals bedoeld onder C, lid 4) een éénmalig recht geheven van Voor het van gemeentewege onderhouden van de algemene begraafplaats, een particulier graf, grafkelder of particuliere gedenkplaats, wordt over de verlengingstermijn van 10 jaar (zoals bedoeld onder C, lid 5) een éénmalig recht geheven van
Administratieve kosten/ vergunningen
Voor een vergunning tot het plaatsen van een gedenkteken Voor het verwijderen en het herplaatsen van een gedenkteken indien een begraving plaatsvindt in een graf waarop reeds een gedenkteken is aangebracht Voor het wijzigen van de tenaamstelling uitsluitend recht
€ 2.220,00 (2.063,00)
€ 616,00 (572,00)
€ 984,00 (915,00) € 114,00 (106,00) € 114,00 (106,00) € 33,00 (31,00)
D. Algemene urnennis 1. 2.
Verkrijgen van rechten
Voor het verlenen van een gebruiksrecht op een algemene urnennis voor een periode van 20 jaar wordt een éénmalig recht geheven van Voor het verlengen van het gebruiksrecht als bedoeld onder D, lid 1
€ 1.019,00 (854,00)
23
met 5 jaar wordt een recht geheven van 3.
4.
5.
6.
7.
8. 9.
Voor het verlengen van het gebruiksrecht als bedoeld onder D, lid 1 met 10 jaar wordt een recht geheven van
Plaatsen en bijzetten
Voor het recht op het plaatsen of bijzetten van een asbus met of zonder urn in een algemene urnennis bedraagt
Onderhoud
Voor het van gemeentewege onderhouden van de algemene begraafplaats, een algemene urnennis, wordt over de uitgiftetermijn van 20 jaar een éénmalig recht geheven van
Voor het van gemeentewege onderhouden van de algemene begraafplaats, een algemene urnennis, wordt over de verlengingstermijn van 5 jaar (zoals bedoeld onder D, lid 2) een éénmalig recht geheven van Voor het van gemeentewege onderhouden van de algemene begraafplaats, een algemene urnennis, wordt over de verlengingstermijn van 10 jaar (zoals bedoeld onder D, lid 3) een éénmalig recht geheven van
Administratieve kosten
Voor het wijzigen van de tenaamstelling gebruiksrecht Voor een vergunning tot het plaatsen van een sluitplaat
€ 262,00 (220,00) € 419,00 (352,00) € 255,00 (375,00)
€ 1.277,00 (1.186,00) € 401,00 (373,00) € 640,00 (595,00) €
33,00 (31,00) € 114,00 (106,00)
Vergunningskosten worden niet in rekening gebracht wanneer een sluitplaat door de gemeente ter beschikking wordt gesteld E. Algemeen urnengraf 1. 2. 3.
4.
5.
6.
Verkrijgen van rechten
Voor het verlenen van een gebruiksrecht op een algemeen urnengraf voor een periode van 20 jaar wordt een éénmalig recht geheven van Voor het verlengen van het gebruiksrecht als bedoeld onder E, lid 1 met 5 jaar wordt een recht geheven van Voor het verlengen van het gebruiksrecht als bedoeld onder E, lid 1 met 10 jaar wordt een recht geheven van
Plaatsen en bijzetten
Voor het recht op het plaatsen of bijzetten van een asbus met of zonder urn in een algemeen urnengraf bedraagt
Onderhoud
Voor het van gemeentewege onderhouden van de algemene begraafplaats, een algemeen urnengraf, wordt over de uitgiftetermijn van 20 jaar een éénmalig recht geheven van
€ 1.019,00 (854,00) € 262,00 (267,00) € 419,00 (427,00) € 255,00 (375,00)
€ 1.277,00 (1.186,00)
Voor het van gemeentewege onderhouden van de algemene begraafplaats, een algemeen urnengraf, wordt over de verlengingstermijn van 5 jaar
24
(zoals bedoeld onder E, lid 2) een éénmalig recht geheven van 7.
8. 9.
Voor het van gemeentewege onderhouden van de algemene begraafplaats, een algemeen urnengraf, wordt over de verlengingstermijn van 10 jaar (zoals bedoeld onder E, lid 3) een éénmalig recht geheven van
Administratieve kosten
Voor het wijzigen van de tenaamstelling gebruiksrecht Voor een vergunning voor het plaatsen van een gedenkteken
€ 401,00 (373,00) € 640,00 (595,00) €
33,00 (31,00)
€ 114,00 (106,00) Vergunningskosten worden niet in rekening gebracht wanneer een Gedenkteken door de gemeente ter beschikking wordt gesteld. F. Verstrooiingsplaats 1.
2.
Verstrooien
Voor het recht op het verstrooien van as op een algemene verstrooiingsplaats op de begraafplaats bedraagt
Naamplaatje op algemeen gedenkteken
Voor het recht op plaatsing naamplaatje op algemeen gedenkteken strooiveld (20 jaar) en beschikbaar stellen naamplaatje op algemeen gedenkteken strooiveld, inclusief de eerste 40 lettertekens € 114,00 (106,00)
G. Opgraven en ruimen 1. Voor het recht op het opgraven, ruimen, plaatsen van stoffelijke overschotten in dezelfde grafruimte (schudden) of verwijderen van een stoffelijk overschot, bedraagt 2. 3.
€ 255,00 (106,00)
Voor het recht op het opgraven, ruimen of verwijderen van een asbus of urn, bedraagt
€ 919,00 (854,00) € 404,00 (375,00)
4.
In de rechten zoals bedoeld onder G, lid 1 en 2 is het eventueel herbegraven of plaatsen in een andere grafruimte, in een urnennis of in een urnengraf niet inbegrepen. Ook het leveren van een grafkist is niet inbegrepen. Voor het verlof tot opgraving
5.
Voor de aanschaf van een uitvaartkist klein t.b.v. van een herbegraving
6.
Voor de aanschaf van een uitvaartkist groot t.b.v. van een herbegraving
7.
Voor de kosten voor het beschikbaar stellen van de as in een asbus na afstand van de locatie € 114,00 (106,00)
€ 114,00 (106,00) € 237,00 (220,00) € 311,00 (289,00)
H. Overige 1. Voor het recht bij een begraving of bijzetting voor het overschrijden van de tijdsduur van 1 uur, voor elk half uur overschrijding of gedeelte daarvan een recht van € 150,00 (139,00) 2. Voor het recht op verzoek begraven of bijzetten buiten de genoemde tijden zoals aangegeven in de 'Nadere regels en voorschriften gemeentelijke
25
begraafplaats Sliedrecht 2017’ behorende bij de ‘Beheerverordening gemeentelijke begraafplaats Sliedrecht 2017’, bedraagt
3.
€ 677,00 ( 629,00) Voor het met groene takken camoufleren van de grafkuil tijdens een begraving € 40,00 (37,00)
I. Onderhoudsrecht en afkoop van vóór 1 januari 2011 uitgegeven graven 1. Voor een particulier graf, per kalenderjaar 2.
Voor deze rechten kunnen als volgt worden afgekocht door betaling ineens: - voor 1 jaar, 1 maal het jaarlijks recht; - voor 2 jaar, 2 maal het jaarlijks recht; - voor 3 jaar, 3 maal het jaarlijks recht; - voor 4 jaar, 4 maal het jaarlijks recht; - voor 5 jaar, 5 maal het jaarlijks recht; - voor 6 jaar, 6 maal het jaarlijks recht; - voor 7 jaar, 7 maal het jaarlijks recht; - voor 8 jaar, 7 maal het jaarlijks recht; - voor 9 jaar, 8 maal het jaarlijks recht; - voor 10 jaar, 8 maal het jaarlijks recht; - voor 11 jaar, 9 maal het jaarlijks recht; - voor 12 jaar, 10 maal het jaarlijks recht; - voor 13 jaar, 11 maal het jaarlijks recht; - voor 14 jaar, 11 maal het jaarlijks recht; - voor 15 jaar, 12 maal het jaarlijks recht; - voor 16 jaar, 12 maal het jaarlijks recht; - voor 17 jaar, 13 maal het jaarlijks recht; - voor 18 jaar, 13 maal het jaarlijks recht; met dien verstande, dat de rechten over het lopende jaar verschuldigd blijven.
€ 121,00 (112,00)
Behoort bij raadsbesluit van 14 december 2021, De griffier,
mr. R.P.A. van Aalst
26
Versie geldig vanaf 1 januari 2022
Verordening havengeld 2022 gemeente Sliedrecht
Verantwoordelijke afdeling
Buitenruimte De getoonde verordeningen zijn een weergave van de actuele situatie. Voor historische informatie hiervan kunt u contact opnemen met het Servicecentrum Drechtsteden, onderdeel Documentaire Informatievoorziening, e-mail: gemeente@sliedrecht.nl.
De raad der gemeente Sliedrecht; gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 16 november 2021; gelet op de artikel 216 en 229 van de Gemeentewet; besluit: vast te stellen de Verordening op de heffing en invordering van havengeld 2022 Artikel 1 Aard van de belasting Voor het gebruik of genot van de gemeentelijke haven of andere ten gerieve van de scheepvaart gemaakte openbare werken, alsmede voor het gebruik of genot van alle binnen deze gemeente gelegen openbare wateren die bij de gemeente in beheer en onderhoud zijn, met vaartuigen, woonschepen, pontons, bergings-, bagger- en dergelijk drijvend materieel wordt een belasting geheven onder de naam van “havengeld”. Artikel 2 Definities 1. Voor de toepassing van de verordening wordt verstaan onder: a. Vaartuigen: alle soorten drijvende lichamen welke wegens hun drijfvermogen worden gebezigd, dan wel bestemd of geschikt zijn voor het vervoer te water van personen en/of handelswaren; b. Sleepboten: alle vaartuigen welke wegens hun bouw bestemd zijn voor het slepen en of duwen van andere vaartuigen, pontons en dergelijke; c. Passagiersvaartuigen: alle vaartuigen die openbaar middel van vervoer zijn, of dit niet zijnde, uitsluitend of in hoofdzaak gebezigd worden voor het vervoer van personen tegen betaling; d.
Pleziervaartuigen: alle vaartuigen die bestemd zijn, dan wel feitelijk gebruikt worden voor recreatieve doeleinden; e. Woonschepen: alle vaartuigen die bestemd zijn dan wel feitelijk gebruikt als woning f. Groep 1 vaartuigen: vrachtschepen, tankschepen dan wel baggerbakken g. Groep 2 vaartuigen: duwboten, sleepboten, woonboten en passagiersboten. h. Groep 3 vaartuigen: drijvende werktuigen, pontons en vlotten i. Groep 4 vaartuigen: plezier- en recreatievaartuigen j. Weekend: periode vallende tussen vrijdag 12:00 uur en maandag 12:00 uur; k. Maand: kalendermaand l. Green Award certificaat: een geldend document dat aangeeft dat het vaartuig voldoet aan het Reglement Green Award Binnenvaart en aan het Programma van Eisen Green Award Binnenvaart. Dit certificaat wordt uitgegeven door het bureau Green Award als uitvoeringsorgaan van de Stichting Green Award. Vaartuigen met een Green Award certificaat hebben tijdens inspectie aangetoond dat ze voldoen aan bovenwettelijke eisen op het gebied van milieu, veiligheid en kwaliteit.
27
Artikel 3 Belastingplicht Belastingplichtig is de gezagvoerder, de schipper, de eigenaar, de beheerder of de bewoner van een in artikel 2 genoemd object: a. Die gebruik maakt van bezittingen, werken of inrichtingen als bedoeld in artikel 1; b. Die een dienst aanvraagt dan wel te wiens behoeve een dienst is verleend als bedoeld in artikel 1. Artikel 4 Belastinggrondslag De heffingsgrondslag is voor groep 1 vaartuigen het laadvermogen per ton of gedeelten daarvan. Voor groep 2, voor groep 3 en voor groep 4 vaartuigen is de heffingsgrondslag de oppervlakte van het vaartuig per vierkante meter of gedeelten daarvan. Artikel 5 Belastingjaar Voor zover in deze verordening tarieven zijn opgenomen die per jaar worden geheven, is het belastingjaar gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 6 Tarief Het in artikel 1 bedoelde recht bedraagt per ton laadvermogen of gedeelten daarvan: A.1. voor onder artikel 2 genoemd drijvend materieel waarbij laden en/of lossen plaatsvindt: 1. per reis voor een achtereenvolgend tijdvak van ten hoogste 7 dagen €0,123 (0,116) 2. bij abonnement: - per week €0,284 (0,268) - per maand €0,838 (0,790) - per kwartaal €1,244 (1,173) - per jaar €2,434 (2,295) 2. voor onder artikel 2 genoemd drijvend materieel waarbij geen laden en/of lossen plaatsvindt: 1.
per reis voor groep 1 vaartuigen voor een achtereenvolgend tijdvak van ten hoogste - een weekend €0,072 (0,068) - 7 dagen €0,119 (0,112) - 14 dagen €0,180 (0,170) - 21 dagen €0,211 (0,199) (in en uitvaren binnen 7, 14 of 21 dagen periode kan zonder bijbetaling) 2. bij abonnement voor groep 1 vaartuigen per jaar €1,170 (1,103) 3. reparatietarief voor groep 1 vaartuigen: voor ten hoogste 7 dagen €0,091 (0,086) voor ten hoogste 14 dagen €0,136 (0,128) voor ten hoogste 21 dagen €0,160 (0,151) B. voor groep 2 vaartuigen en voor groep 3 vaartuigen waarbij geen laden en/of lossen plaatsvindt, dezelfde tarieven als voor groep 1 vaartuigen, echter per m2 of gedeelten daarvan; C. voor groep 4 vaartuigen waarbij geen laden en/of lossen plaatsvindt per m2 of gedeelten daarvan per jaar: € 3,641 (3,432) D.