CConstaterende datSittard-Geleen
Koppel je AI →
Document · PDF

toelichting bp Munnikstraat gewijzigd

Raad 7 oktober 2021, gemeente Sittard-GeleenBij agendapunt: Woningbouwproject Munnikstraat Holtum (75) (Meekels)20.664 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan Munnikstraat Holtum Gemeente Sittard-Geleen Vastgesteld

Bestemmingsplan Munnikstraat Holtum Gemeente Sittard-Geleen Vastgesteld

Rapportnummer:

P02242

IMRO-identificatienummer:

NL.IMRO.1883.BPMunnikstaat-VA01

Datum:

30 september 2021

Opdrachtgever:

Gemeente Sittard-Geleen

Projectteam BRO:

SSh, BRa

Concept:

14 januari 2021, 4 februari 2021

Voorontwerp: Ontwerp:

2 juni 2021

Vaststelling:

7 oktober 2021

Bron foto kaft:

BRO

Beknopte inhoud:

Bestemmingsplan ten behoeve van de realisatie van zestien grondgebonden woningen aan de Munnikstraat in de kern van Holtum, op de locatie van de oude basisschool. BRO Hoofdvestiging Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl

TOELICHTING

2

Inhoudsopgave

pagina

1. INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer

4 4 5 6 7

2. PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie 2.2 Uitgangspunten 2.3 Toekomstige situatie

7 8 9 10

3. BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid

13 13

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking 3.2 Provinciaal beleid

13 14 15 16

3.2.1 Provinciaal omgevingsplan Limburg 2014 3.2.2 Provinciale omgevingsverordening Limburg 2014 3.2.3 Ontwerp Provinciale Omgevingsvisie 3.2.4 Rapportage ‘Beweging op de woningmarkt’ 3.3 Regionaal beleid

16 17 18 19 20

3.3.1 Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg 3.3.2 Transformatievisie Wonen Westelijke Mijnstreek 3.4 Gemeentelijk beleid

20 22 23

3.4.1 Omgevingsvisie Sittard-Geleen 2016 3.4.2 Woonvisie Sittard-Geleen 2016-2020 3.4.3 Nota ruimtelijke kwaliteit 3.4.4 Vigerend beleid cultuurhistorie en archeologie 3.4.5 Parkeerbeleid Sittard-Geleen 3.4.6 Nota Bodembeheer 2021 gemeente Sittard-Geleen 3.4.7 Beleidsplan Afvalwater Westelijke Mijnstreek 2015 3.4.8 Beleid externe veiligheid Sittard-Geleen

23 24 25 27 28 28 28 30

4. OMGEVINGSASPECTEN 4.1 Verkeer en parkeren

33 33

4.1.1 Verkeer

Inhoudsopgave

33

1

4.1.2 Parkeren 4.2 Geluid

33 35

4.2.1 Wegverkeer 4.2.2 Industrielawaai 4.2.3 Afweging 4.3 Luchtkwaliteit

35 35 37 37

4.3.1 Toetsingskader 4.3.2 Conclusie 4.4 Bedrijven en milieuzonering

37 37 38

4.4.1 Toetsingskader 4.4.2 Conclusie 4.5 Geur agrarisch

38 39 39

4.5.1 Toetsingskader 4.5.2 Conclusie 4.6 Kabels en leidingen 4.7 Externe veiligheid

39 39 39 40

4.7.1 Toetsingskader 4.7.2 Afweging 4.8 Ecologie

40 42 42

4.8.1 Toetsingskader 4.8.2 Onderzoek 4.8.3 Quickscan flora en fauna 4.8.4 Stikstof 4.8.5 Vervolgonderzoek: vleermuizen 4.8.6 Conclusie 4.9 Bodem

42 44 44 44 45 46 46

4.9.1 Toetsingskader 4.9.2 Onderzoek 4.9.3 Conclusie 4.10 Water 4.11 Archeologie

46 46 47 47 49

4.11.1 Toetsingskader 4.11.2 Onderzoek 4.11.3 Conclusie 4.11.4 Conclusie 4.12 Cultuurhistorie 4.13 Toetsing Besluit m.e.r. / Vormvrije m.e.r.-beoordeling

49 49 49 50 50 50

5. JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Inleiding 5.2 Plansystematiek 5.3 Bestemmingen 5.4 Gebiedsaanduidingen

Inhoudsopgave

52 52 52 54 55

2

6. UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid

56 56

6.1.1 Financieel economische haalbaarheid 6.1.2 Kostenverhaal 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

56 56 57

6.2.1 Vooroverleg 6.2.2 Inspraak 6.2.3 Vaststellingsprocedure

57 57 58

SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Onderbouwing Ladder voor duurzame verstedelijking Bijlage 2: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 3: Quickscan flora en fauna Bijlage 4: Vervolgonderzoek vleermuis Bijlage 5: AERIUS-berekening stikstofdepositie aanleg en gebruik Bijlage 6: Verkennend bodem- en asbestonderzoek Bijlage 7: Archeologisch onderzoek

Inhoudsopgave

3

1.

INLEIDING 1.1 Aanleiding Het inwoneraantal in de gemeente Sittard-Geleen neemt af. Op termijn is daardoor minder behoefte aan woningen. Tegelijkertijd is er een veranderende woonvraag door onder andere vergrijzing, waardoor juist behoefte is aan nieuwe woningen die voorzien in deze veranderende woonvraag. Dezelfde demografische ontwikkelingen hebben ook tot gevolg dat Sittard-Geleen veel vrijkomend maatschappelijk vastgoed heeft, dat vaak, wanneer het wordt gesloopt, een lege plek in de kern, wijk of buurt achterlaat. Die ruimte biedt kansen voor de transformatie van de woningvoorraad. Daarom wil de gemeente Sittard-Geleen enkele van deze locaties, ondanks het afnemende inwoneraantal, herbestemmen voor woningbouw. Het gaat dan om strategische locaties, waarmee de directe omgeving ruimtelijk, maar ook qua woonprogramma een impuls krijgt. Zo kan de gewenste doorstroming op gang komen en wordt gewerkt aan de vitaliteit in de dorpskernen.

Figuur 1. Ligging plangebied en omgeving

De locatie van de voormalige basisschool in Holtum is zo’n locatie. Centraal in het dorp gelegen aan de Munnikstraat en de Martinusstraat. Voor deze plek is in dialoog met het dorp een stedenbouwkundig plan gemaakt dat de basis biedt voor de herontwikkeling van de locatie. Om de uitvoering van dit plan mogelijk te maken is een nieuw bestemmingsplan voor de locatie noodzakelijk. De benodigde onderzoeken zijn inmiddels uitgevoerd en het voorliggende bestemmingsplan vormt de planologisch-juridische basis voor de verdere planuitvoering.

Hoofdstuk 1

4

1.2 Plangebied Het plangebied is gelegen rondom de oude basisschool in Holtum aan de Munnikstraat 10, in het midden van deze kleine dorpskern. Het plangebied bestaat daarmee uit de percelen, kadastraal bekend gemeente BOR00, sectie B, nummers 6253 en 6256. De oppervlakte van het totale gebied bedraagt 5.344 vierkante meter. De onderstaande figuren tonen de ligging, begrenzing en luchtfoto van het plangebied.

Figuur 2. Plangebied op luchtfoto

Figuur 3. Plangebied rood omkaderd op kadastrale ondergrond

Hoofdstuk 1

5

1.3 Vigerend bestemmingsplan Het plangebied is volledig gelegen binnen het vigerende, onherroepelijke bestemmingsplan ‘Born – Buchten - Holtum’, vastgesteld door de gemeenteraad van Sittard-Geleen op 13 januari 2014.

Het gehele plangebied heeft volgens dit bestemmingsplan de bestemming ‘Maatschappelijk’. De gronden met deze bestemming zijn hoofdzakelijk bestemd voor instellingen en voorzieningen op medisch, sociaal-cultureel, educatief of religieus gebied dan wel op het gebied van sport en recreatie of openbaar bestuur, waaronder begrepen bejaarden- en verzorgingstehuizen. Verder zijn er drie bouwvlakken met verschillende maatvoeringen opgenomen op het perceel. Het noordelijke deel van het plangebied kent tevens de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’, waarmee de mogelijk aanwezige archeologische waarden worden beschermd. Bij bodemingrepen groter dan 100 vierkante meter en dieper dan 30 centimeter dient er een archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Het voorste, zuidelijke deel van het plangebied heeft de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’, waarbij die oppervlakte ligt bij 500 vierkante meter. Daarnaast is de gebiedsaanduiding ‘geluidzone - industrie’ van toepassing op het hele plangebied. Ter plaatse van de aanduiding ‘geluidzone - industrie’ zijn de gronden mede bestemd voor de bescherming c.q. instandhouding van de geluidsruimte in verband met de nabijheid van een industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder. Er mogen ter plaatse van deze aanduiding geen nieuwe woningen en andere in de zin van de Wet geluidhinder gevoelige gebouwen worden gebouwd.

Hiertoe zal dus eerste een procedure voor moeten worden doorlopen. Verder zijn er twee facetbestemmingsplannen van toepassing, te weten facetplan ‘begripsbepaling’ (vastgesteld 7 juni 2018) en facetplan ‘parkeren’ (vastgesteld 13 september 2018). Hiermee worden enkele begripsbepalingen voor alle vigerende plannen aangepast en worden de beleidsmatige parkeernormen geborgd in alle bestemmingsplannen.

Hoofdstuk 1

6

De voorgenomen ontwikkeling past niet in het bestemmingsplan, aangezien woningbouw binnen de bestemming en gebiedsaanduiding niet is toegestaan. Bovendien zijn de bouwvlakken niet toereikend en is de toegestane maatvoering te beperkt.

1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgt hoofdstuk 2 waarin een beschrijving van het plan is opgenomen. De daaropvolgende hoofdstukken vormen de verantwoording van de ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt. In hoofdstuk 3 wordt het Rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid beschreven. In hoofdstuk 4 wordt inzicht gegeven in diverse planologische aspecten die van belang zijn voor het voorliggende bestemmingsplan. In hoofdstuk 5 is de juridische toelichting op de planopzet gegeven. In het laatste hoofdstuk komt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan de orde.

Hoofdstuk 1

7

2.

PLANBESCHRIJVING Het voorliggende bestemmingsplan betreft een ontwikkelingsgericht bestemmingsplan, waarmee de bouw van zestien woningen planologisch wordt mogelijk gemaakt.

2.1 Huidige situatie In de huidige situatie is het plangebied in gebruik als basisschool met bijbehorend schoolplein. De school is op moment van schrijven reeds niet meer in gebruik en de voorbereidingen voor de sloop zijn gemaakt. Het schoolgebouw ligt middenin de woonwijk en is zowel aan de voorzijde via de Munnikstraat, als aan de achterzijde via de Martinusstraat ontsloten.

Figuur 4. Aanzicht schoolgebouw vanaf Munnikstraat – bron: Google Maps Street View

Figuur 5. Aanzicht schoolterrein vanaf Martinusstraat – bron: Google Maps Street View

Zoals te zien op bovenstaande afbeeldingen is de hoofdingang georiënteerd op de Munnikstraat en is er aan de achterzijde via de poort toegang tot het terrein voor onderhoudsdiensten en dergelijke. Het

Hoofdstuk 2

8

plangebied heeft hiermee in de huidige situatie als het ware twee gezichten. Een gezicht naar de historische Martinusstraat, die gekenmerkt wordt door veel karakteristieke bebouwing en een typisch stenig straatprofiel met straatparkeren en weinig ruimte voor voetgangers. Aan de andere kant een gezicht aan het buurtparkje in een meer moderne, orthogonaal opgebouwde, luchtige woonwijk. Op het schoolplein bepalen grote bomen het groene aangezicht.

2.2 Uitgangspunten Uit een analyse van het plangebied kunnen enkele kansen en mogelijkheden voor het nieuwe plan worden gedestilleerd. Zo moet worden getracht de bestaande bomen waar mogelijk te behouden. Daarnaast zou het voor de ruimtelijke opbouw van de wijk en de opbouw van het plan kansrijk zijn om een nieuwe noord-zuidverbinding aan te leggen, die de Philips Bentinckstraat in het zuiden verbindt met het fiets-voetpad tussen de Martinusstraat en de Velgraafweg.

Figuur 6. Weergave geformuleerde gebiedsuitgangspunten

Als aanvulling hierop is aangedragen dat het plan de kans biedt om het gat in de lintbebouwing van de Munnikstraat op te vullen met qua schaalniveau passende woningen die reageren op de bestaande rooilijnen. Daarbij is aangegeven dat de beeldkwaliteit van de oude Martinusstraat een mooi uitgangspunt kan zijn voor de vormgeving van de nieuwe woningen. Aangezien er in het midden van het plangebied veel vrije ruimte vrijkomt, wordt als kans gedefinieerd om hier een zogenaamd ‘binnenmilieu’ te creëren, bijvoorbeeld wonen rondom een hof, met openbare ruimte om in te ontmoeten en ruimte te bieden aan collectieve functies.

Hoofdstuk 2

9

De gemeente Sittard-Geleen vindt het belangrijk dat er een kwalitatieve herontwikkeling van de locatie plaatsvindt. Aan de hand van het begrip kwaliteit is het plan verder uitgewerkt.  Wonen naar behoefte, woningen zijn geschikt voor de behoefte van morgen en dragen bij aan een gevarieerde wijkopbouw.  Energieneutraal en klimaatadaptief, de ontwikkeling levert een bijdrage aan klimaatadaptiviteit in een woonomgeving, energieneutraliteit en het gebruik van duurzame en circulaire bouwmaterialen.  Karaktervol wonen met onderscheidend vermogen, de ontwikkeling versterkt de ruimtelijke karakteristiek.  Gezond en veilig in een sociale woonomgeving, de ontwikkeling levert een bijdrage aan een gezonde, veilige en sociaal duurzame woonomgeving en garandeert een goed woon- en leefklimaat. De bovenstaande begrippen zijn vertaald naar het plangebied, waardoor er een globale indeling is ontstaan in de vorm van drie sferen. Deze bestaan uit het centraal gelegen hofje, de aansluiting aan het historische lint Martinusstraat, de patio`s aan de Munnikstraat en het pad dat deze drie onderdelen aaneenrijgt, zoals hieronder schematisch weergegeven.

Figuur 7. Schematische weergave sferen-benadering

2.3 Toekomstige situatie Wonen naar behoefte Met het plan wordt invulling gegeven aan de bovenstaande uitgangspunten. Het plan voorziet in de toevoeging van maximaal zestien levensloopbestendige woningen. Het betreft een mix van type woningen en daarmee een mix van doelgroepen. Hierbij kan worden gedacht aan verschillende buitenruimtes, parkeren op eigen terrein en verschillende woningindelingen. Bijzondere aandacht zal er zijn voor seniorenwoningen.

Hoofdstuk 2

10

Energieneutraal en klimaatadaptief Door een hof en een groen omzoomde route is groen een belangrijk onderdeel van het plan. Hierin worden bestaande bomen zoveel mogelijk opgenomen. Hemelwater zal zoveel mogelijk worden opgevangen en verwerkt binnen het plangebied. Dit wordt geholpen door een groene inrichting met zo min mogelijk verharding. Verder zullen de woningen gasloos en energieneutraal worden gerealiseerd. Karaktervol wonen met onderscheidend vermogen Het pad zal als drager van het plan de verbinding vormen tussen de drie sferen binnen het plangebied. Op deze wijze vormt deze nieuwe noord-zuidverbinding een verbinding tussen het historisch lint van de Martinusstraat en de Munnikstraat. Het pad vormt de draad die de openbare ruimte aaneenrijgt en zorgt zo voor de benodigde samenhang. Aan dit pad zal het nieuwe woonhof worden opgericht. Dit hof zal enkel toegankelijk zijn voor langzaam verkeer, uitgezonderd bestemmingsverkeer. Het pad is verder groen aangekleed, waarbij extra aandacht wordt besteed aan de entrees van het plangebied. Voor de bebouwing aan het historische lint van de Martinusstraat wordt een traditionele vormentaal en architectuur nagestreefd. Er wordt ingespeeld op de wisselende rooilijnen aan het lint en de woningen worden afgedekt met een kap. De woningen komen dus ver naar de straat te liggen, waardoor ze geen voortuin hebben, maar een stoepje.

De parkeerbehoefte van deze woningen wordt opgevangen aan het lint. De goothoogte wordt, in lijn met de omliggende woningen, begrensd op 4,5 meter. Er is aan het lint ruimte voor ongeveer twee woningen, die in beginsel als vrijstaand worden uitgevoerd. Een optie voor een tweekapper op deze locatie wordt voorlopig achter de hand gehouden.

Figuur 8. Stedenbouwkundige opzet op hoofdlijnen.

Voor het hofje wordt een kleinschalige, eigenwijze en moderne architectuur nagestreefd. Plasticiteit wordt gezocht in de gevels of daken, bijvoorbeeld door verspringende voorgevels of samengestelde kapvormen. Dit dakenspel refereert aan het afwisselende straatbeeld aan het lint. Platte dakafwerkingen zijn hier niet toegestaan. Aan beide zijden van het hofje komen woningen, waarbij de oostelijke

Hoofdstuk 2

11

woningen een stoepje krijgen aan het pad en de westelijke woningen een tuintje aan het hof. De invulling van deze centrale groene ruimte moet nog nader worden ingevuld. Aan de Munnikstraat worden patiowoningen voorzien. De woningen worden uitgevoerd in maximaal twee bouwlagen met een plat dak, als een moderne vertaling van de tegenover gelegen woningen. De rooilijn komt overeen met de naastgelegen woningen, met voldoende onderlinge ruimte, en op eigen terrein is ruimte voor een voortuin en parkeren. Het een en ander heeft geresulteerd in de stedenbouwkundige opzet die is weergegeven in bovenstaande afbeelding. Gezond en veilig in een sociale woonomgeving Het hofje kenmerkt zich straks door haar collectieve kwaliteit. De betekenis en nadere invulling van de groene ruimte worden in samenspraak met de toekomstige bewoners bepaald, waarbij het hofje in ieder geval niet als parkeerplaats zal dienen. Het hofje is wel toegankelijk voor autoverkeer vanaf de Munnikstraat, uitkomend bij enkele parkeerhavens. Richting de Martinusstraat is het pad bestemd voor voetgangers en fietsers. Er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor de woningen, door aan de Munnikstraat en de Martinusstraat minimaal een parkeerplaats per woning op eigen terrein te realiseren. In het binnenmilieu wordt voorzien in minimaal een parkeerplaats per hofwoning.

De overige parkeerdruk wordt opgevangen in de omliggende straten, door de aanleg van nieuwe parkeerhavens. In totaal dient de ontwikkeling te voorzien in 1,7 parkeerplaats per woning, waarvan minimaal 0,3 parkeerplaats per woning in de openbare ruimte.

Hoofdstuk 2

12

3.

BELEIDSKADER In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor het plan toegelicht en wordt het plan hieraan getoetst. Er is sprake van een doorwerking van beleid dat is vastgesteld op verschillende niveaus van bestuur.

3.1 Rijksbeleid 3.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 januari 2022, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Op die manier wordt invulling gegeven aan de verplichting tot het opstellen van zo’n visie zoals die is vastgelegd in art. 3.1 lid 3 Ow. Tot de invoering van de Omgevingswet heeft dit document de status van structuurvisie in de zin van art. 2.3 Wro. Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak.

Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten:  ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;  duurzaam economisch groeipotentieel;  sterke en gezonde steden en regio’s;  toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: 1. combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. afwentelen wordt voorkomen. Op basis van de vier verschillende prioriteiten en de drie afwegingsprincipes zijn 21 nationale belangen geformuleerd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. De nationale overheid richt zijn in de NOVI zich op 21 verschillende nationale belangen:

Hoofdstuk 3

13

1. bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; 2. realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; 3. waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties; 4. waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; 5. zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften; 6. waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; 7. in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; 8. waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving; 9. zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten; 10. beperken van klimaatverandering; 11. realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO₂-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; 12. waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen; 13. realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie; 14. waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); 15. waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; 16. waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat; 17.

realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit; 18. ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie; 19. behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang; 20. verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; 21. ontwikkelen van een duurzame visserij. Conclusie Een van de doelen van de NOVI is zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften. Om in kaart te brengen wat de woningbehoefte is in Nederland is er een analyse gemaakt van de woningopgave.1 Volgens deze analyse neemt de woningbehoefte vanaf 2020 in Zuid-Limburg af. De planvoorraad neemt met onderhavig initiatief toe met 16 woningen. Deze woningen zijn echter (sub)regionaal afgestemd. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de kwalitatieve woonbehoefte. De woningen zijn levensloopbestendig. Het betreft een mix van type woningen met bijzondere aandacht voor seniorenwoningen. Dit initiatief voldoet derhalve aan de uitgangspunten uit het NOVI. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Structuurvisies hebben geen bindende werking voor andere overheden dan de overheid die de visie heeft vastgesteld. De nationale belangen uit de SVIR die juridische borging vragen, zijn geborgd in het Barro.

Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf. Conclusie Het plangebied heeft geen overlap of invloed op de in het Barro beschermde nationale belangen. Het plan is niet in strijd met het Barro.

1

ABF research, Primos prognose, Delft 2020.

Hoofdstuk 3

14

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn.2 Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden.

Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Analyse Het plan voorziet in een binnenstedelijke herontwikkeling, waarmee in totaal zestien nieuwe woningen worden mogelijk gemaakt. De komende jaren daalt het aantal inwoners én het aantal huishoudens in Sittard-Geleen. Er is behoefte aan minder woningen, maar tegelijkertijd ontstaat behoefte aan een ander type woningen. Qua type gaat het om kleinere woningen voor een- en tweepersoonshuishoudens en levensloopbestendige woningen. In het plangebied krijgen alleen grondgebonden, levensloopbestendige woningen een plek. Hiermee wordt invulling gegeven aan de behoefte qua type woningen. In de kern Holtum zijn deze woningen niet of nauwelijks aanwezig.

Het type woning (grondgebonden, levensloopbestendig) sluit daarnaast aan bij de ontwikkeling om 'ouderen' langer thuis te laten wonen, in hun eigen vertrouwde omgeving. Aangezien er meer dan twaalf woningen worden gerealiseerd, is er sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, waarbij de ladder moet worden doorlopen. BRO heeft een onderbouwing3 van de Ladder voor duurzame verstedelijking opgesteld. De centrale vraag luidt: Voldoet het initiatief aan een (kwantitatieve en kwalitatieve) behoefte en is er sprake van duurzaam ruimtegebruik binnen het verzorgingsgebied? Voor de gehele rapportage wordt verwezen naar de bijlage. Onderstaand zijn de belangrijkste conclusies opgenomen. Er is geen sprake van een kwantitatieve behoefte (in aantallen) aan nieuwe woningen in de gemeente Sittard-Geleen. Deze conclusie komt voort uit de beleidskaders en de meest actuele prognoses. Dit betekent echter niet dat een planontwikkeling geen doorgang kan vinden. Ondanks dat er over de hele linie bezien geen behoefte is aan nieuwe woningen in de Westelijke Mijnstreek, is er wel tekort/behoefte aan diverse typen woningen binnen de woningmarkt. Dat betekent vooral dat zorgvuldig moet

2

O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319). 3 BRO, Sittard-Geleen, Ladder voor duurzame verstedelijking, woningbouw, Holtum, P02242, d.d. 16 juli 2020

Hoofdstuk 3

15

worden omgesprongen met nieuwe plannen i.r.t. bestaande voorraad en harde plancapaciteit. In voorliggend planinitiatief zal hiermee rekening gehouden moeten worden via de compensatieregeling. Er is sprake van een kwalitatieve behoefte aan het planinitiatief. In de Westelijke Mijnstreek waartoe gemeente Sittard-Geleen behoort, is er vooral behoefte (tekort) aan levensloopbestendige nultredenwoningen en binnen de woontypes; sociale huur (boven de aftopgrens, vrije sector huur en koopwoningen duurder dan 180.000 euro4). Daarnaast wordt ingezet transformatielocaties en versterking binnen de kernen en nabij de voorzieningen. Het planinitiatief voorziet hierin. Een voormalig schoolgebouw wordt getransformeerd naar maximaal 16 levensloopbestendige, kleinere woningen voor een- en tweepersoonshuishoudens en levensloopbestendige koopwoningen. Verder zijn er versoepelde compensatieregelingen voor het initiatief van toepassing. Het initiatief valt namelijk binnen de kaders van de regeling voor ‘Kwalitatief Goede Plannen’. Er moet harde plancapaciteit worden geschrapt of een compensatiebijdrage worden gedaan. Verder wordt voorzien in transformatie en inbreiding. Bij het toevoegen van nieuwe woningen moet gelet worden op eventuele effecten op de woningmarkt en in het verlengde daarvan het woon-, leef- en ondernemersklimaat. De effecten van het initiatief zijn beperkt en aanvaardbaar.

Het betreft een kleinschalige woningbouwontwikkeling, waarbij het beperkte effect bovendien zal worden gecompenseerd. Tot slot sluit het initiatief aan bij het algemene uitgangspunt van de ladder, te weten duurzaam ruimtegebruik. Het betreft een transformatielocatie binnen bestaand stedelijk gebied (kern Holtum). Het plan voldoet daarmee aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Provinciaal omgevingsplan Limburg 2014 Op 12 december 2014 hebben Provinciale Staten van de provincie Limburg het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014) vastgesteld. In het POL2014 is onderscheid gemaakt in zeven soorten gebieden, elk met eigen herkenbare kernkwaliteiten. Voor de verschillende zones liggen er heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden. Volgens de kaart ‘Zonering Limburg’ ligt het plangebied in de zone Overig bebouwd gebied. Dit zijn voornamelijk gemengde woon/werkgebieden met voorzieningen, deels met een stedelijk karakter, deels met een dorps karakter, zoals ook aan de orde is bij deze locatie in Holtum. Accenten liggen in deze gebieden bij de transformatie van de regionale woningvoorraad, bereikbaarheid en een goede balans in lokale voorzieningen en detailhandel ten behoeve van de leefbaarheid in de kleinere kernen. Daarbij moet oog zijn voor stedelijk groen en water, en de kwaliteit leefomgeving. In Zuid-Limburg geldt – meer dan in Midden en Noord – de transformatieopgave per gemeente (zoals in de Woonmonitor opgenomen) als een hard kwantitatief uitgangspunt in de bouw- en sloopopgave. De verordening Wonen Zuid-Limburg, die sinds medio 2013 de verdere aangroei van plannen reguleert, is een eerste stap daartoe. 4

Woonmonitor 2019.

Hoofdstuk 3

16

Uitgangspunt is om voor Zuid-Limburg stapsgewijs vóór 2018 alle plancapaciteit op uitleglocaties te laten vervallen en de totale plancapaciteit terug te brengen tot de werkelijke transformatieopgave. In een gezamenlijk door de Zuid-Limburgse gemeenten overeengekomen structuurvisie voor Wonen wordt de detaillering bepaald, zoveel mogelijk gedifferentieerd naar segment en doelgroepen en gebaseerd op de kwalitatieve woonmilieubenadering. Afweging Het voorliggende initiatief betreft een transformatie van leegstaand maatschappelijk vastgoed op een binnenstedelijke locatie. Het doel van het bouwplan is het herontwikkelen van de huidige bebouwing en het completeren van het straatbeeld van de Munnikstraat en Martinusstraat qua bouwvolume. Hiermee wordt enerzijds bijgedragen aan twee van de provinciale speerpunten, namelijk de transformatie van de woningmarkt middels een bouwplan dat enerzijds aansluit bij de feitelijke behoefte en anderzijds mogelijk maakt dat een stuk leegstaand maatschappelijk vastgoed op een goede wijze uit de voorraad wordt gehaald. Het plan is kortom in lijn met de uitgangspunten van het POL2014. 3.2.2 Provinciale omgevingsverordening Limburg 2014 De provincie Limburg heeft op 12 december 2014 ook de 'Omgevingsverordening Limburg 2014' vastgesteld. Hierin staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van POL2014 juridische binding te geven.

Beschermingsgebieden Uit de kaarten behorende bij de Omgevingsverordening Limburg 2014 blijkt dat het besluitgebied is gelegen binnen de boringsvrije zone Roerdalslenk II. Het is in het gebied Roerdalslenk verboden een boorput of een bodemenergiesysteem te maken of hebben of de grond te roeren, dieper dan de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei. Daarnaast is het verboden om werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van de Bovenste Brunssumklei kunnen aantasten. Het voornemen tot het maken van een boorput, het aanleggen van een bodemenergiesysteem of het roeren van grond in de Roerdalslenk dieper dan 30 meter in zone II tot aan de Bovenste Brunssumklei dient vier weken tevoren schriftelijk te worden gemeld aan gedeputeerde staten. Gezien het feit dat er geen diepe grondboringen zijn voorzien, vormt het initiatief geen belemmering voor de boringsvrije zone Roerdalslenk II. Verder zijn binnen het besluitgebied, dan wel in de directe omgeving, geen stiltegebieden, waterwingebieden, grondwaterbeschermingszones of overige boringsvrije zones gelegen. Vanuit dit kader bestaan er dan ook geen belemmeringen. Woningen In de verordening zijn tevens regels opgenomen ten aanzien van woningbouw (artikel 2.4.2).

Verder geldt dat de toelichting van een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op het toevoegen van woningen aan de bestaande voorraad alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen, een verantwoording dient te bevatten van de wijze waarop invulling is gegeven aan artikel 2.4.2. De toelichting bij het ruimtelijk plan dient tevens een verantwoording van de bijdrage die met de vaststelling van dat ruimtelijk plan wordt geleverd aan de regionale opgave gericht op het terugdringen van de planvoorraad van nog onbenutte bouwmogelijkheden voor woningen te bevatten. De gemeente Sittard-Geleen heeft een regionale structuurvisie vastgesteld in de vorm van de ‘Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg’. In de volgende paragraaf ‘regionaal beleid’ wordt hier nader op ingegaan.

Hoofdstuk 3

17

Afweging Er kan geconcludeerd worden dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de Omgevingsverordening Limburg 2014. 3.2.3

Ontwerp Provinciale Omgevingsvisie

Met de komst en invoering van de Omgevingswet dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen. In de periode 7 september 2020 tot en met 18 oktober 2020 heeft de provincie Limburg een ontwerp provinciale omgevingsvisie ter inzage gelegd: ‘de Provinciale omgevingsvisie Limburg.’ Dit document is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan door ontwikkelen. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg vervangt na vaststelling van deze Omgevingsvisie, het huidige ‘Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014).’ De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. De vaststelling van deze omgevingsvisie is beoogd in het vierde kwartaal van 2021. Daarnaast wordt een omgevingsverordening uitgewerkt om het beleid juridisch te verankeren. De inwerkingtreding van de nieuwe Omgevingsverordening is gelijk aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet: 1 juli 2022. Tot die tijd blijft de huidige Omgevingsverordening van kracht.

Hoofdopgaven In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk:  het creëren van een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige omgeving, zowel in het landelijkals in het bebouwde gebied;  een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie);  klimaatadaptatie en energietransitie. Deze opgaven, die Limburg-breed spelen, dienen met inachtneming van de specifieke eigenschappen die Limburg bezit op een integrale en toekomstbestendige manier te worden geïmplementeerd. Participatie tussen de overheid, de markt en de inwoners van Limburg is hierbij een belangrijk uitgangspunt. In de Provinciale omgevingsvisie Limburg wordt daarnaast een toekomstbeeld van 2030-2050 geschetst. Inhoud De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen:  een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s;  een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg. Wonen en leefomgeving De POVI houdt vast aan een dynamisch en flexibel woonbeleid, de woonbehoeften van de Limburger zijn daarbij leidend. Verder liggen hierin ook mogelijkheden bij te dragen aan klimaat-, energie-, en

Hoofdstuk 3

18

duurzaamheidsdoelstellingen. Vanuit de wetgeving is de rol van de provincie op dit terrein beperkt. Daarom opereert de provincie, met betrekking tot dit thema, vanuit een agenderende, stimulerende, meesturende en verbindende rol. De POVI is hierbij een op hoofdlijnen richtinggevend kader. Aangezien de toekomst onderhevig zal zijn aan veranderingen, en elke specifieke regio voor een andere aanpak vraagt zijn meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma’s, agenda’s en instrumenten noodzakelijk. Op het gebied van wonen wordt er specifiek gekeken naar welke behoeften er zijn. De grootste opgave op korte- en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en nietcourante bestaande woningvoorraad. Uitgangspunten zijn dat deze woningen in eerste instantie levensloopbestendig dienen te worden gemaakt, en daarna ook verduurzaamd. Getalsmatig zijn er voldoende woningen, kwalitatief gezien zijn dit echter niet overal de juiste woningen en de juiste plannen. Met name in de middenhuur en sociale huur is er een steeds diverser wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woon(zorg)concepten. Verder is er ook speciale aandacht voor de betaalbaarheid van woningen, aangezien kansen voor sommige doelgroepen afnemen door de stijgende prijzen.

Een belangrijk instrument om de kwaliteit van het bebouwde gebied op orde te maken is de ladder voor duurzame verstedelijking. Hierdoor wordt de ruimte in bebouwd gebied optimaal benut. Uitgangspunt hierbij is dat leegstaand vastgoed wordt hergebruikt en herbestemd wordt. Wonen is in principe alleen toegestaan in daarvoor bestemde woongebieden, hierop kunnen – tijdelijke – uitzonderingen worden gemaakt in de vorm van een flexibele schil. Conclusie De ontwerp Provinciale Omgevingsvisie is momenteel nog niet vastgesteld. De vaststelling is, zoals hierboven vermeld, beoogd voor het vierde kwartaal van 2021. Voor de volledigheid is derhalve getoetst aan de ontwerp Provinciale Omgevingsvisie. De provinciale Omgevingsvisie is het richtinggevende kader op hoofdlijnen omtrent wonen. Omdat de woonbehoeften snel veranderen, en omdat er lokale en regionale verschillen zijn in de opgaven wat betreft wonen en leefomgeving, zijn er meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma’s en instrumenten (zie hiertoe de uiteenzetting in paragraaf 3.3). Onderhavig planvoornemen voorziet in 16 levensloopbestendige woningen in de kern van Holtum. Specifiek binnen een woongebied. De onderhavige woningbouwontwikkeling past dan ook binnen de toekomstige Provinciale Omgevingsvisie.

3.2.4 Rapportage ‘Beweging op de woningmarkt’ Op 3 november 2017 hebben Provinciale Staten van Limburg de motie ‘Beweging op de woningmarkt’ aangenomen. PS roepen hierin Gedeputeerde Staten op om met de woningmarktregio’s om tafel te gaan om te inventariseren welke knelpunten vanwege de veranderde woningmarkt binnen de regio’s worden gesignaleerd en in kaart te brengen welke mogelijke maatregelen deze knelpunten kunnen opheffen. Op 30 januari 2018 hebben Gedeputeerde Staten aan Provinciale Staten de rapportage 'Beweging op de woningmarkt' aangeboden. Daarin wordt aangegeven dat de gemeenten de huidige samenwerking (provincie – regio’s – gemeenten) met betrekking het woonbeleid willen voortzetten en op een aantal punten willen verbeteren. Het adagium ‘bouwen naar behoefte’ mag gelden als een breed gedragen uitgangspunt dat ook in de nationale wetgeving is verankerd. Volgens GS levert de vertaling hiervan in

Hoofdstuk 3

19

het POL en de regionale structuurvisies als praktijkervaring op, dat naast gewenste effecten ook knelpunten optreden, in de zin dat in een aantal gevallen niet voldoende kan worden voldaan aan de behoefte. GS willen het bouwen naar behoefte beter faciliteren en stellen daarom voor om in de praktijk een aantal praktische oplossingen te hanteren, die kunnen gelden als uitwerkingen van het bestaande woonbeleid. De regio’s worden opgeroepen om deze oplossingen te bezien en in de regionale structuurvisie of de uitwerking daarvan een plek te geven. Onder andere wordt aangegeven dat er woningbouwlocaties zijn die gebaat zijn bij het loslaten van de directe koppeling tussen de reductie van plannen en nieuwe initiatieven met een urgent karakter, waarbij de vraag niet valt te matchen met het reguliere aanbod. Het is verstandig om bij dergelijke initiatieven in eerste instantie te kijken naar locaties, waar een impuls voor de ruimtelijke kwaliteit juist zeer gewenst is (bijv. centrumontwikkelingen, omzetten winkels in aanloopstraten naar woningen). Afweging Voorliggend initiatief betreft een gewenste ontwikkeling, omdat sprake is van een inbreidingslocatie. De bouw van een woning is een logische invulling van het perceel, gezien de ligging in een woonstraat in het midden van Holtum.

3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg De Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg (SVWZL) is een gezamenlijke, Zuid-Limburgse ruimtelijke visie op de woningmarkt, opgesteld door de 18 Zuid-Limburgse gemeenten Beek, Brunssum, Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Heerlen, Kerkrade, Landgraaf, Maastricht, Meerssen, Nuth, Onderbanken, Schinnen, Simpelveld, Sittard-Geleen, Stein, Vaals, Valkenburg aan de Geul en Voerendaal, vanuit het besef dat ruimtelijke ontwikkelingen in één gemeente directe invloed hebben op andere gemeenten. Het doel van de structuurvisie is het creëren van een excellent woon- en leefklimaat in Zuid-Limburg door een goed functionerende woningmarkt met aantrekkelijke, elkaar aanvullende woonmilieus. Een excellent woon- en vestigingsklimaat is een belangrijke voorwaarde voor de economische ontwikkeling van Zuid-Limburg en benutting van de geografische posities van Zuid-Limburg in het hart van de Euregio Maas-Rijn. In de structuurvisie worden drie woonsferen onderscheiden: stedelijk (Heerlen, Maastricht, Sittard-Geleen), suburbaan (delen van de stedelijke gebieden en grotere kernen) en landelijk (buitengebied en kleine kernen). Het plangebied maakt deel uit van de woonsfeer ‘suburbaan’. Om een aantrekkelijke woonregio te zijn én te blijven is er een omslag nodig naar meer evenwicht tussen vraag en aanbod, méér kwaliteit en méér vraaggerichtheid.

Toevoegen van woningen kan daarom alleen als het niet ‘meer van hetzelfde’ is en als het past binnen de kwantitatieve kaders. Zuid-Limburgse gemeenten hebben een driedelige opgave:  verdunnen van de bestaande voorraad waar sprake is van een overschot;  terugdringen van (ongewenste) planvoorraad tot het niveau van de transformatieopgave;  toevoegen van woonproducten waar een tekort van is, passend binnen de uitgangspunten van de visie.

Hoofdstuk 3

20

Om invulling te geven aan deze opgave hebben de 18 Zuid-Limburgse gemeenten en diverse beleidsafspraken gemaakt. Voor de suburbane woonsfeer is de verdunning de grootste opgave. De plancapaciteit wordt met onderhavig plan teruggebracht. Daarnaast is de invulling van de reguliere woningen flexibel. Zo kan worden aangesloten op de behoefte op de markt. Beleidsafspraak VI Om invulling te geven aan de opgaven is een aantal beleidsafspraken gemaakt, waaronder beleidsafspraak VI uit de Regionale Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg. Hieruit blijkt dat om kwalitatief goede initiatieven toe te voegen aan de programmering er compensatie dient plaats te vinden door middel van direct gekoppelde sloop of onttrekking. Als dit aantoonbaar niet mogelijk is geldt net navolgende in afnemende volgorde: 1. Elke nieuw toe te voegen woning (per locatie 5 of minder woningen) wordt financieel gecompenseerd door middel van een op Zuid-Limburgs niveau uitgewerkte uniforme financiële compensatieregeling, waarvan de middelen in een subregionaal op te zetten sloopfonds vloeien. 2. De gemeente neemt de sloopverplichting over en voert deze binnen de raadstermijn uit, waarin dit besluit is genomen. 3. Door middel van het schrappen van reeds bestaande harde plancapaciteit in de subregionale woningmarktprogrammering.

Deze moet minimaal in de verhouding van 1:4 (toe te voegen woning: te schrappen harde plannen) ingezet worden als compensatie voor het nieuwe woningbouwinitiatief. Woningbouwinitiatieven, die leiden tot functieverandering van leegstaand detailhandels-, kantoor-, horeca- of ander bedrijfsvastgoed in aangewezen straten in stads(deel)centra of centra van kernen, kunnen worden gecompenseerd met minimaal 2 woningen uit de harde plancapaciteit. Recentelijke ontwikkelingen Door Provinciale Staten is bij besluit van 5 oktober 2020 de Omgevingsverordening Limburg 2014 gewijzigd vastgesteld, waarmee artikel 2.4.2, lid 6 is komen te vervallen. Door het vervallen verklaren van dit artikellid is er voor de Limburgse gemeenten geen plicht meer om compenserende maatregelen nader te motiveren in het ruimtelijke besluit dat betrekking heeft op woningbouwplannen die leiden tot een woningtoename. In opdracht van de Zuid-Limburgse gemeente is de SVWZL in juni 2020 geëvalueerd in het rapport ‘Evaluatie Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg’ dat opgesteld door Stec Groep. Op basis van deze evaluatie hebben de Zuid-Limburgse gemeenten besloten om de beleidsafspraken van de huidige SVWZL te actualiseren.

In navolging van het provinciale beleid hieromtrent hebben diverse Zuid-Limburgse gemeenteraden inmiddels besloten om geen compensatie als voornoemd meer toe te passen op woningbouwplannen, in afwachting op een nieuwe structuurvisie wonen Zuid-Limburg. Vanwege het te doorlopen proces hieromtrent, zullen de Zuid-Limburgse gemeenteraden niet eerder dan het 1e kwartaal 2021 een besluit over een gezamenlijke geactualiseerde structuurvisie wonen kunnen nemen. Ruim baan voor goede woningbouwplannen Sittard-Geleen Op 28 januari 2021 is de beleidsregel ‘Ruim baan voor goede woningbouwplannen 2021’ in werking getreden. Ten aanzien van de derde opgave uit de SVWZL – het toevoegen van woonproducten waar een tekort van is, passend binnen de uitgangspunten van de SVWZL – is op 21 maart 2019 de beleidsregel ‘Tijdelijke versoepeling van de compensatiesystematiek van de Structuurvisie Wonen ZuidLimburg’ vastgesteld om die opgave te vereenvoudigen. Deze tijdelijke versoepeling trad in werking voor maximaal twee jaar in afwachting van de evaluatie van de (dertien beleidsafspraken uit de) SVWZL. Inmiddels is deze evaluatie, inclusief de evaluatie van de tijdelijke versoepeling, afgerond.

Hoofdstuk 3

21

Een van de aanbevelingen is om een aantal beleidsafspraken te herzien op basis van actuele inzichten, en de werking adaptiever te maken. De beleidsregel ‘Ruim baan voor goede plannen Sittard-Geleen’ vervangt de beleidsregel ‘Tijdelijke versoepeling van de compensatiesystematiek van de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg’, om zo op korte termijn invulling te geven aan de gedane aanbevelingen uit de evaluatie, in lijn met de notitie ‘Bouwen naar behoefte’ van de drie subregiovoorzitters over nieuwe plannen. Om op basis van de beleidsregel in aanmerking te komen voor vrijstelling van compensatie, moet er sprake zijn van een kwalitatief goed plan. Er is sprake van een kwalitatief goed plan indien wordt voldaan de volgende criteria: 1. Een woningbouwinitiatief moet maatschappelijke meerwaarde hebben; a. Uitgangspunt hierbij is dat inbreiding voor uitbreiding gaat. b. Bovendien moeten de plannen bijdragen aan de verbetering van de leefbaarheid in centra en kernen, door middel van herstructurering en vervangingsbouw, hergebruik van winkels en ander waardevol vastgoed met passende woningbouw of wel een bijdrage leveren aan de transformatie van de bestaande woningvoorraad. 2.

Het plan is voor de gemeente planologisch aanvaardbaar en moet op grond hiervan voldoen aan de systematiek van de ‘Ladder van duurzame verstedelijking’, zoals vastgelegd in artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Voor elk nieuwbouwplan geldt dat de behoefte aan die ontwikkeling zowel kwalitatief als kwantitatief moet worden onderbouwd. 3. Tot slot moeten de nieuwe woningbouwinitiatieven sub-regionaal worden afgestemd en worden toegevoegd aan de regionale woningmarktprogrammering. Afweging Binnen voorliggend bestemmingsplan is sprake van de toevoeging van maximaal 16 woningen in de kern van Holtum. Er is derhalve sprake van inbreiding. Op dit moment is binnen het plangebied een schoolgebouw aanwezig. Deze wordt niet meer gebruikt en staat derhalve leeg. Het gebouw wordt gesloopt en er zullen 16 nieuwe woningen voor terugkomen. Onderhavig voorstel zorgt voor een toename van 16 woningen aan de planvoorraad. De ladder van duurzame verstedelijkijking is besproken in paragraaf 3.1.3. Hier wordt aan voldaan. Daarnaast zijn de 16 woningen meegenomen bij het opstellen van de (sub)regionale woningbouwafspraken. Voorliggend bestemmingsplan voldoet hiermee aan de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg en de meest recente ontwikkelingen. 3.3.2

Transformatievisie Wonen Westelijke Mijnstreek

In 2020 is de Transformatievisie Wonen Westelijke Mijnstreek vastgesteld. In opdracht van Beek, Beekdaelen, Sittard-Geleen en Stein heeft het onderzoeksbureau Atelier Romain deze Transformatievisie ontwikkeld. Al snel werd duidelijk dat de behoefte aan bepaalde woningen in de toekomst anders is dan het aanbod van vandaag de dag. Zo zijn er bijvoorbeeld te veel eengezinswoningen en te weinig appartementen. Daarnaast gaat de transformatievisie in op de opgave om woningen uit de markt te halen waar op termijn geen vraag meer naar is. De demografische ontwikkelingen die hierboven werden besproken, zorgen er voor dat de woningmarkt van de Westelijke Mijnstreek voor een tweeledige uitdaging komt te staan. Demografische krimp zorgt niet alleen voor een kwantitatieve uitdaging op de woningmarkt. Tegelijkertijd zorgt de krimp en de erbij horende veranderende huishoudenssamenstelling voor een nog veel grotere kwalitatieve uitdaging: het afstemmen van het woonaanbod aan de veranderende woonnoden en -wensen.

Hoofdstuk 3

22

Naast een drastische afname van het aantal gevraagde units, bestaat er een typologische mismatch: er zijn tegen teveel eengezinswoningen en te weinig compacte meergezinswoningen of appartementen. De huishoudens die een voorkeur vertonen voor een grondgebonden of ééngezinswoning zullen in veel grotere mate afnemen dan de huishoudens die een appartement of nultredenwoning verkiezen. Dit voornamelijk door de enorme toename van het aantal huishoudens binnen de categorie “Alleenstaanden en stellen 75plus”. In het eigenaarschap bestaat tevens een mismatch: er is nood aan meer particuliere huurwoningen, dan aan sociale huurwoningen, en al helemaal niet aan koopwoningen.

Figuur 9: Geraamde bijkomende woningbehoefte 2018-2040 E’til Progneff 2018, CBS)

Afweging Het plan voorziet in de toevoeging van maximaal zestien levensloopbestendige woningen. Het betreft een mix van type woningen met bijzondere aandacht voor seniorenwoningen. Hiermee is onderhavig bestemmingsplan in lijn met de ‘Transformatievisie Wonen Westelijke Mijnstreek’.

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Omgevingsvisie Sittard-Geleen 2016 Op 15 december 2016 heeft de gemeenteraad van Sittard-Geleen de ‘Omgevingsvisie Sittard-Geleen 2016’ vastgesteld. De omgevingsvisie is de opvolger van de Structuurvisie Sittard-Geleen 2010. In de omgevingsvisie komen alle aspecten aan bod die te maken hebben met de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van en binnen de gemeente. Van wonen en werken tot recreatie en mobiliteit. Van economische en technologische ontwikkelingen tot natuur en milieu. Het geheel wordt verduidelijkt aan de hand van kaarten die een goed beeld geven van de toekomst van Sittard-Geleen en de opgaven waaraan de gemeente werkt om dat beeld te realiseren. In de uitwerking is nadrukkelijk gekozen voor de lijn ‘ruimte waar mogelijk, sturing waar nodig’, een uitnodiging aan alle partners om samen met de gemeente doorlopend te ontwikkelen naar een gemeente waar het goed wonen, leven en werken is. In de omgevingsvisie is aangegeven dat de woningmarkt in Sittard-Geleen in regionale context bezien

Hoofdstuk 3

23

dient te worden, meer specifiek de regio Zuid-Limburg. Er dient te worden gekomen tot een evenwichtige woningbouwprogrammering die de aantrekkelijkheid van de regio versterkt. De opgave is drieledig:  het verdunnen van de bestaande woningvoorraad, waar sprake is van een overschot;  het terugdringen van de (ongewenste) planvoorraad tot het niveau van de transformatieopgave;  het toevoegen van woonproducten waar een tekort van is en die passen binnen de uitgangspunten van de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg (2016). Het streven naar een gezonde woningmarkt betekent echter dat sloop, nieuwbouw en het terugdringen van de (ongewenste) planvoorraad niet altijd één op één in de tijd gelijk kunnen lopen. Dit is nader toegelicht aan de hand van een aantal woningmarktvraagstukken die de opgaven voor Zuid-Limburg en dus ook Sittard-Geleen voor de komende jaren vormen:  de particuliere woningvoorraad;  de planvoorraad;  de verhouding tussen koop-en huurwoningen;  wonen en zorg;  doelgroepen en nichemarkten. Ten aanzien van het thema ‘wonen’ wordt in de omgevingsvisie aangegeven dat in Sittard-Geleen sprake is van een aantal woningbouwplannen (harde plancapaciteit) die passen binnen de bestaande bestemmingsplannen, of waar al een omgevingsvergunning is, maar die al langere tijd niet tot uitvoering komen, omdat ze niet voldoen aan de vraag van de markt.

Voor deze plannen laat de gemeente een heroriëntatie plaatsvinden. Discussie vindt hierbij plaats over de vorm van het plan c.q. überhaupt nog de wenselijkheid van realiseren. De nog te bouwen aantallen worden op basis hiervan aangepast. Voor een aantal plannen komt dit erop neer dat ze helemaal niet meer gerealiseerd worden, omdat zij ook voor de komende periode geen bijdrage leveren aan de toevoeging van de gewenste woonkwaliteit voor Sittard-Geleen. Het besluitgebied maakt geen onderdeel uit van de woningbouwplannen waarvoor heroriëntatie plaatsvindt. Alleen de projecten die een plek hebben op de regionale woningmarktprogrammering kunnen gerealiseerd worden. Uitgangspunt hierbij vormen de spelregels zoals opgenomen in de ‘Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg’. Voor de plannen die een plek hebben op de regionale woningmarktprogrammering acht de gemeente twee jaar een reële overgangstermijn om tot realisatie te komen. Afweging In het voorliggende geval is sprake van zestien woningen, gelegen in het midden van de dorpskern van Holtum, waarvoor versterking beoogd wordt, zoals weergegeven op de kaart behorende bij de omgevingsvisie. Het voorliggende initiatief is opgenomen in de sub-regionale woningmarktprogrammering. Er is sprake van een gewenste ontwikkeling op een locatie in het woongebied van Holtum.

Hiermee wordt voldaan aan het gemeentelijk beleid zoals is vastgelegd in de ‘Omgevingsvisie SittardGeleen 2016’. 3.4.2 Woonvisie Sittard-Geleen 2016-2020 De ‘Woonvisie Sittard-Geleen 2016-2020, Goed wonen in Sittard-Geleen’ beschrijft de ambities en prioriteiten van het woonbeleid voor de komende jaren. Deze zijn gebaseerd op de ontwikkelingen op de woningmarkt en de uitgangspunten uit het coalitieakkoord en bovenliggende beleidskaders (met name Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg). Voor het besluitgebied zijn met name de volgende prioriteiten en ambities van belang:

Hoofdstuk 3

24

Zorgen voor voldoende woningen passend bij de (toekomstige) omvang van de bevolking en doelgroepen. Dit dient onder meer te worden bereikt door het terugdringen van de ongewenste planvoorraad tot het niveau van de transformatieopgave door het maximaal reduceren van de plancapaciteit. Versterking van de kwaliteit van het woningaanbod: comfort, duurzaamheid, levensloopbestendig en deels aangepast aan de zorgvraag, met daarbij een sterke focus op de verduurzaming van de woningvoorraad. De klimaatverandering en de eisen om te voldoen aan een gezonde leefomgeving hebben consequenties voor het wonen. De ambitie is om dit te doen door ruimtelijke adaptatie (het aanpassen van de ruimtelijke inrichting van de bebouwde omgeving aan de gevolgen van het veranderende klimaat) en maatregelen voor het realiseren van comfortabele, energiezuinige, veilige en toegankelijke woningen met een gezond woon/leefklimaat. Het in stand houden van kwalitatief hoogwaardige landelijke woonmilieus met behoud van de eigen identiteit en landschappelijke kwaliteit.

Afweging De woningen, die middels het voorliggende plan mogelijk wordt gemaakt, liggen binnen het bestaande dorpse woonmilieu van Holtum. Voorliggend initiatief betreft een gewenste ontwikkeling, omdat sprake is van een inbreidingslocatie. In het voorliggende geval worden zestien kwalitatief goede en duurzame woningen gerealiseerd op een open plek in een woonstraat. Hiermee wordt aangesloten op de ambitie tot verduurzaming van de woningvoorraad. De ruimtelijke kwaliteit van het besluitgebied en het straatbeeld worden hierdoor verbeterd. Het initiatief is hierdoor passend binnen de bovenstaande uitgangspunten uit de Woonvisie Sittard-Geleen 2016-2020. 3.4.3 Nota ruimtelijke kwaliteit In juli 2015 heeft de gemeenteraad de ‘Nota Ruimtelijke Kwaliteit’ vastgesteld. Deze nota beschrijft de kwaliteitscriteria waaraan elk ruimtelijk initiatief in de gemeente Sittard-Geleen moet voldoen. Opdat alle investeringen in de gebouwen en de openbare ruimte helpen om de kwaliteit en diversiteit van de gemeente te behouden én te versterken. De Nota Ruimtelijke Kwaliteit vervangt de Welstandsnota 2004, maar richt zich op meer dan alleen welstand. Ruimtelijke kwaliteit gaat niet alleen over gebouwen. Daarom is in de Nota uitgebreid aandacht besteed aan het landschap, groen en erfgoed en is ook het (tijdelijke) reclame-, terrassen- en uitstallingenbeleid als bijlage aan de Nota gekoppeld.

Initiatieven worden door de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit (ARK) getoetst aan enkele vaste criteria die altijd gelden. Vaste criteria Ruimtelijke inpassing  Een initiatief respecteert de stedenbouwkundige en/of landschappelijke structuur.  Een initiatief sluit qua maat en schaal aan bij de omliggende bebouwing en bij de klein- of grootschaligheid van het dorp, de stad of het landschap als geheel. ‘Contrasteren met’ vraagt daarbij om een uitgebreidere argumentatie dan ‘zich voegen naar’. Voor het landschap geldt dat beplantingen moeten passen bij het bestaande beplantingsbeeld van het betreffende gebied.  Een initiatief levert een positieve bijdrage aan de kwaliteit van het omgevingsbeeld in de stad, de dorpen of het landschap. Hoe groter de openbare betekenis van een gebouw of plek (dus hoe meer het door mensen wordt gebruikt en/of gezien) hoe hoger de eisen op dit gebied.  Een initiatief houdt rekening met de samenhang tussen de inrichting van de straat en de gebouwen (gevels), aangezien dit wordt ervaren als één geheel.

Hoofdstuk 3

25

Verschijningsvorm Hoofdvorm  Nieuwbouw heeft een bij de omliggende bebouwing passende hoofdvorm.  Uitgangspunt is de samenhang binnen een ontwerp. Ruimtes, volumes en vlakken zijn in evenwichtige maatverhoudingen ontworpen.  Bijgebouwen en opbouwen zijn herkenbaar als op zichzelf staande volumes en zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw. Gevelopbouw  Het gevelontwerp is consequent, goed van verhouding en qua indeling, dieptewerking en plasticiteit afgestemd op de omliggende bebouwing.  Ingrepen aan de gevel, waaronder nieuwe balkons en luifels of winkelpuien, passen binnen de structuur, maat en schaal van het hoofdgebouw en refereren bij monumenten aan de oorspronkelijke, historische situatie.  Technische installaties moeten geïntegreerd zijn in de architectuur en aansluiten bij de vormgeving van een gebouw en zijn omgeving. Zij mogen geen afbreuk doen aan de architectonische uitstraling van een gebouw. Bij nieuwbouw dan wel verbouwingsplannen moeten installaties integraal worden opgenomen in het ontwerp. Overgangen privé-openbaar  Entreegebieden van gebouwen, inclusief luifels en reclame-uitingen, zijn uitnodigend en kwalitatief hoogwaardig vormgegeven.  Beganegrondgevels aan de openbare ruimte hebben een bij de situatie passende openheid. In woon-, winkel-, en werkgebieden zijn dichte gevels (bergingen) aan de straat ongewenst.  Integrale toegankelijkheid.

Openbare gebouwen moeten toegankelijk zijn voor alle bezoekers, waaronder ook mensen met een beperking en/of hulpmiddel. In het bouwbesluit en de NEN 1814 (bouwvoorschriften) wordt de integrale toegankelijkheid van gebouwen geregeld. De toegankelijkheid van het gebouw ‘via’ de openbare ruimte of het omliggend gebouwterrein maakt onderdeel uit van de planvorming. Bij een ontwerp van een (semi)-openbaar gebouw wordt een terreininrichtingsplan gevraagd waaruit moet blijken dat het gebouw via de openbare ruimte integraal toegankelijk is voor alle bezoekers, ook voor mensen met een beperking en/of hulpmiddel. De eisen van de toegankelijkheid moeten voldoen aan het Handboek Toegankelijkheid (voorheen Geboden Toegang). Materiaal, kleur en detaillering  Kleuren zijn terughoudend en afgestemd op de omliggende bebouwing. Er wordt aangesloten bij het regionaal gebruik van kleuren en materialen.  Materiaal, kleur en detaillering ondersteunen de verschijningsvorm op samenhangende wijze.  Materialen en detaillering worden zo gekozen dat veroudering en weersinvloeden geen negatieve gevolgen hebben voor het uiterlijk.  Materialen zijn zo duurzaam mogelijk, bijvoorbeeld door het toepassen van hergebruikte materialen. Daarnaast zijn er voor een aantal gebieden gebiedseigen karakteristieken beschreven, waarmee bij een initiatief in het betreffend gebied, rekening dient te worden gehouden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=SittardGeleen&id=d98c4138-8b65-48fe-8de7-c0013f099461