Technische vragen (Burger Centraal) inzake initiatiefvoorstel Lokale voorrang bij woonruimteverdeling
Tekst van het document
Technische vragen Initiatiefvoorstel Lokale voorrang bij woonruimteverdeling Naar aanleiding van de ‘Memo wensen en bedenkingen initiatiefvoorstel Burger Centraal over lokale voorrang bij woonruimteverdeling’, heeft Burger Centraal de volgende vragen. 1. In de memo wordt aangegeven dat in het schaarsteonderzoek en de huisvestingsverordening alle relevante ingrepen, waaronder het instellen van de genoemde voorrang, worden onderzocht. Uit het schaarsteonderzoek van 7 november 2023 blijkt dat de mogelijkheid tot het instellen van voorrang aldaar nog niet is onderzocht. a. Kan het college dit bevestigen? b. Op welk moment wordt dit onderzoek uitgevoerd en ter beschikking gesteld aan de raad? 2. Aangegeven wordt dat uit het schaarsteonderzoek is gebleken dat al meer dan 50% van de woningen in onze gemeente worden toegewezen aan mensen met maatschappelijke binding. Deze uitkomst volgt niet uit het schaarsteonderzoek van 7 november 2023. a. Kan het college bevestigen dat deze uitkomst niet volgt uit het schaarsteonderzoek van 7 november 2023? b. Zo nee, kan het college aangeven uit welke specifieke bewoording (en op welke pagina) van het schaarsteonderzoek wordt geconcludeerd dat al 50% van de woningen worden toegewezen aan mensen met maatschappelijke binding met onze gemeente? 3.
Op dit moment bestaat er nog geen regeling op grond waarvan inwoners met maatschappelijke binding met Sittard-Geleen voorrang krijgen op een sociale huurwoning in Sittard-Geleen. Kan het college dit bevestigen? 4. In de memo wordt aangegeven dat het ‘niet mogelijk is om nu al regels op te stellen hierover in een huisvestingsverordening omdat uit het schaarsteonderzoek is gebleken dat al meer dan 50% van de woningen in onze gemeente wordt toegewezen aan mensen met maatschappelijke binding”. Kan het college bevestigen dat de 50%-grens uit artikel 14, tweede lid, van de Huisvestingswet niet ziet op de feitelijke uitkomst van woningtoewijzingen, maar uitsluitend op het maximale aandeel woningen dat met voorrang mag worden toegewezen aan mensen met maatschappelijke- of economische binding? 5. Op dit moment worden de woningen in onze gemeente niet op grond van voorrang op grond van maatschappelijke binding met de gemeente toegewezen, zodat er 0% van de maximale norm van 50% is benut. Kan het college dit bevestigen? 6. Voor zover het antwoord op vraag 4 ontkennend is, wordt verzocht om een deugdelijke motivering, bij voorkeur voorzien van een onafhankelijk juridisch advies van een
deskundige. Een grammaticale uitleg van de wet wijst immers op een andere interpretatie dan door het college wordt gehanteerd. 7. Het college geeft aan dat al 50% van de woningen wordt toegewezen aan mensen met maatschappelijke binding. Welke definitie hanteert het college voor ‘maatschappelijke binding’? 8. In de beantwoording van artikel 43 Rvo vragen van PIT d.d. 18 september 2025 heeft het college aangegeven dat al meer dan 50% van de beschikbare sociale huurwoningen gingen “naar mensen die al in de gemeente woonden op dat moment”. Verwart het college het begrip ‘maatschappelijke binding’ met personen die in de gemeente woonachtig zijn? Het lijkt er immers op alsof deze termen door elkaar heen worden gebruikt. 9. Andere gemeenten, zoals bijvoorbeeld De Ronde Venen en Krimpenerwaard, hebben in het verleden maatschappelijke binding gedefinieerd als: “de binding die een persoon heeft aan een gebied, daarin gelegen dat die persoon een redelijk met de plaatselijke samenleving verband houdend belang heeft zich in dat gebied te vestigen, met dien verstande dat maatschappelijke binding in elk geval wordt aangenomen ten aanzien van - personen die gedurende de voorgaande tien jaar tenminste zes jaar onafgebroken ingezetene zijn geweest van dat gebied - personen die in het verleden minimaal 10 jaar onafgebroken ingezetene zijn geweest van dat gebied”
Erkent het college dat met de term ‘maatschappelijke binding’ iets anders wordt bedoeld dan personen die momenteel woonachtig zijn in de gemeente? 10. Voor zover wordt aangegeven dat de huisvestingsverordening momenteel nog niet kan worden opgesteld, rijst de vraag waarom het opstellen van een verordening thans niet mogelijk is, gelet op het feit dat de gemeenteraad een zelfstandige bevoegdheid heeft op grond van de Huisvestingswet tot het opstellen van een dergelijke verordening? 11. Voor zover wordt aangegeven dat de huisvestingsverordening momenteel nog niet kan worden opgesteld, zij opgemerkt dat de gemeenteraad verzocht wordt het college opdracht te geven om een concept huisvestingsverordening op te stellen en daarin gebruik te maken van de mogelijkheid als bedoeld in artikel 14 van de Huisvestingswet. Momenteel wordt al een huisvestingsverordening voorbereid. Wat is de reden dat er, volgens het college, voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet versterking regie volkshuisvesting geen gebruik kan worden gemaakt van de bevoegdheid tot het opstellen van een huisvestingsverordening? 12.
Wat is de reden dat de voorrangsregeling volgens het college niet kan worden opgenomen in de huisvestingsverordening die wordt opgesteld in het kader van de Wet versterking regie volkshuisvesting? Het raadsvoorstel kan immers worden beschouwd als een opdracht aan het college om deze voorrangsregeling daarin te verwerken. Sittard, 28 januari 2026
Amira Lotfy Burger Centraal