Technische voorvragen PVV Middengebied Grevenbicht Obbicht
Tekst van het document
De PVV-fractie heeft de volgende voorvragen ten aanzien van agendapunt Unilocatie Grevenbicht-Obbicht 3 juni 2021. 1. Uit de grondeigenarenkaart blijkt dat er een flink aantal verschillende eigenaren zijn, waarvan de grond die nodig is nog verworven moet worden. In de stukken schrijft u dat er met sommigen al overeenstemming is, of wordt verwacht. Kunt u concrete aantallen hierbij vermelden? Mijn vraag is verder of uw college nu al signalen heeft van 1 of meerdere eigenaren die pertinent niet willen verkopen, en wat de redenen hiervoor zijn? 2. Zo ja, als er eigenaren zijn die “moeilijk doen” (lees: hun eigendomsrecht beschermen), zegt het college dan nu al met 100% zekerheid dat u het eigendom met zekerheid zult gaan onteigenen in die gevallen? In hoeverre zal een onteigeningsprocedure leiden tot vertraging in de projectplanning (concreet graag)? Gaat u zo ver om ook alle bestaande bouwwerken en (hoogstam)bomen op het terrein te slopen om plaats te maken voor dit megaproject? 3. Als u nu al aangeeft sowieso te zullen gaan onteigenen, waarom zouden eigenaren dan op voorhand bereidwillig zijn uw prijs te accepteren, als de gedachte leeft dat bij onteigening, dus tegen hun wil in, doorgaans een hogere prijs verschuldigd zal zijn? 4. In uw raadsvoorstel schrijft u dat het exploitatieplan “een rol van enige betekenis zal gaan spelen in het onteigeningsproces”.
Kunt u aangeven wat u hier precies mee bedoelt, aangezien een exploitatieplan nooit een zelfstandige grondslag voor een onteigeningsbesluit kan zijn (artikel 77 Onteigeningswet)? 5. Denkt u in een eventuele onteigeningzaak te kunnen aantonen te voldoen aan de ladder voor duurzame verstedelijking, en dat dit aspect nog meeweegt voor de rechter, nu u immers zelf schrijft (op pagina 9 van de NvZ) dat in het bebouwde gebied wel degelijk voldoende plek is voor deze ontwikkeling? Heeft u definitief en juridisch sluitend vastliggen dat dit plan voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking? Is de Provincie akkoord? Zo nee, vormt dit dan een potentiële belemmering voor het hele project kijkend naar deze voorwaarde in o.a. artikel 3.1.6 lid 2 Bro? 6. Waarom vind u dat het eigendom van maar liefst 10 van onze inwoners (de grondeigenaren) mag worden opgeofferd voor dit prestigeproject? Wat doet u als de beoogde verwerving niet haalbaar bljikt te zijn? 7. U schrijft in het raadsvoorstel op pagina 5: “het schetsontwerp is in overleg met de directbetrokkenen tot stand gekomen”. a. Heeft Stichting Behoud Groen Middengebied actief en structureel deelgenomen aan de overlegmomenten, wat was hierbij hun inbreng en op welke wijze heeft u dit concreet verwerkt in het projectplan? b. Welke wijzigingen heeft de input vanuit deze Stichting precies teweeg gebracht in het nu voorliggende plan? c.
Bent u van mening dat er sprake is van draagvlak bij deze Stichting voor het voorliggende plan? 8. U schrijft in de Nota van Zienswijzen op pagina 2: “Dat diverse voor- en tegenstanders op allerlei manieren hun invloed hebben proberen uit te oefenen, is het democratisch proces ten goede gekomen”. De stichting Laefbaar Obbeeg en Beeg is opgericht op een moment vlak nadat de plannen voor een unilocatie concreet gestalte kregen. In de Ronde van 22 juni 2020 is aangegeven dat een (commissie)lid vanuit één van de politieke raadsfracties mede-oprichter is van die stichting. PVV stelt aan uw college de vraag of u het een goede zaak vindt dat door een fractielid speciaal een stichting is opgericht met als doel vanuit die stichting invloed uit te oefenen op dit besluitvormingsproces? Hoe kunt u van mening zijn dat een dergelijke verwevenheid tussen actieve politieke deelname enerzijds en profilering middels een maatschappelijke organisatie anderzijds het democratisch proces ten goede komt? 9. Zienswijze 1.1. trekt in twijfel dat er straks nog genoeg gebruikers en leerlingen zullen zijn voor de unilocatie. In uw antwoord gaat u helemaal niet in op die stelling. Kunt u aangeven waarom u zo’n ruime bouwmassa gaat creeren op de unilocatie terwijl het aantal leerlingen en sporters bij verenigingen een neerwaartse tendens laat zien?
Die prognoses nopen toch juist tot een meer terughoudend en meer realistisch ontwerp, waarbij nieuwbouw ook in een van de dorpskernen gerealiseerd kan worden ipv zo grootschalig in het buitengebied? Kunt u alsnog concreet ingaan op deze kengetallen? 10. In zienswijze nummer 1.2 schrijft het college de opmerking van indiener weg die handelt over de flinke toename aan geluid die ontstaat vanwege de markering als evenemententerrein en de diverse nieuwe functies in het weiland naast diens woning. Kan het college enige empathie opbrengen voor het gegeven dat deze inwoners zelf niet gevraagd hebben om in hun achtertuin geconfronteerd te worden met een multifunctioneel maatschappelijk gebouw? Is er geen enkele wijze waarop het college tegemoet kan komen aan deze inwoners, zonder alleen maar de standaardriedel te noemen dat “bij de woning van indiener wordt voldaan aan de grenswaarden voor het maximale geluidniveau”, dat daardoor “de belangen van indiener niet worden geschaad en het woongenot niet onevenredig wordt aangetast”? Zijn bijvoorbeeld mogeljikheden onderzocht van een geluidwal, verdiepte ligging, scherm of geluiddempende vegetatie? 11. In uw antwoord op zienswijze 2.1 schrijft u dat aan de ladder voor duurzame verstedelijking zal worden voldaan.
U stelt namelijk dat een integraal sport- en onderwijsconcept noodzakelijk is, en dat hiervoor binnen de kernen Grevenbicht en Obbicht geschikte locaties ontbreken. Echter schrijft u even verderop op pagina 9 dat de hudiige sportlocatie in Obbicht groot genoeg is om de onderwijs- en sportvoorzienigen te huisvesten. U acht die plek ongeschikt omdat deze deels grenst aan de natuur. Kan het niet juist een meerwaarde zijn dat kinderen dichter bij de natuur en bij de dorpskern onderwijs krijgen? In plaats van langs een drukke weg temidden van landbouwterrein in het buitengebied? 12. U verwijst naar de passage van HeusschenCopier (pagina 11): “de open ruimte tussen Grevenbicht en Obbicht draagt bij aan de herkenbaarheid van de beide kernen. Het zacht glooiende open landschap met daarin de herkenbare geomorfologie van het prehistorische Maasdal en de vergezichten als gevolg van het coulissen-achtige landschap zijn veruit de belangrijkste kwaliteiten in dit gebied”. Dat is een mond vol. Waarom is uw college bereid deze uiterst waardevolle en poëtische kwaliteiten op te offeren door de beoogde unilocatie vol te bouwen met stenen, parkeervakken, tennisverhardingen, voetbalvelden, lichtmasten en dergelijken? 13. In uw antwoord op zienswijze 5.1 schrijftu dat “alleen ruimtelijk relevante verkeersaspecten moeten worden beoordeeld.
Dit is niet de verkeersveiligheid van de inrichting van de weg”. Bent u het met de PVV eens dat een dergelijk ambitieus plan, waarin kinderen, ouders en docenten vanuit de kern naar het buitengebied moeten gaan wel degelijk de beschikking moeten krijgen over een zo veilig mogelijke situatie? En dat dus niet enkel de verkeersintensiteit van belang is, maar ook de complete positionering en inrichting zoals de weggesteldheid, belijningen en ontsluitingsroute? U schrijft immers bij zienswijze 7.14 op pagina 30 dat “deze maatregelen zijn vermeld op pagina 8 van het rapport” en dat “het merendeel van deze maatregelen” wordt uitgevoerd. Bevat het exploitatieplan voldoende middelen om ook de weggesteldheid en álle noodzakelijke maatregelen te treffen die de veiligheid optimaliseren? 14. U stelt bij zienswijze 11.2 dat de bestaande sportaccommodatie Obbicht ongewenst c.q. ongeschikt is voor centrale huisvesting (als alternatief voor de door u beoogde unilocatie in het Middengebied). Als reden(ering) noemt u onder andere dat die locatie in het bestemmingsplan Grensmaas ligt en niet in het plangebied voor de kern Obbicht. Ook zegt u dat de bestemming “recreatieve doeleinden” aldaar een samenstel van bebouwing niet mogelijk maakt en dat die plek niet als bestaand stedelijk kan worden beschouwd.
Bent u het met de PVV eens dat al deze argumenten ook gelden tegen de door u beoogde unilocatie in het Middengebeid? En dat het dus een gelegenheidsargument is om deze te laten pleiten tegen het inbreidingsalternatief in Obbicht? U suggereert in uw diskwalificatie van deze inbreidingsvaraint namelijk dat het bestemmingsplan leidend zou zijn. Als dat zo is, bent u het dan met de PVV eens dat om diezelfde reden bebouwing in het Middengebied zeer zeker ook niet mogeljik kan zijn, aangezien het bestemmingsplan daar niets anders toestaat dan aardappelen? Of laat u ten aanzien van uw voorkeurslocatie de gelegenheidsargumentatie los? Graag uitleg hierover. 15. Hoe verklaart u dat het Middengebied wél wordt uitgesloten voor het plaatsen van zonnepanelenvelden, terwijl u een véél ingrijpendere inbreuk op het landschap, namelijk het volbouwen van het landelijke gebied met een omvang van ettelijke hectares wél toestaat? Waarom meet het College met 2 maten, terwijl vrijwel dezelfde afwegingscriteria gelden ten aanzien van het opofferen van groen? Dank alvast voor uw antwoorden. 31 mei 2021. Tot zover, PVV fractie.