Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing vloeibare mestopslag Maatschap Knops, Geneer 6, Grevenbicht
VanBuiten bv Leveroyseweg 9a 6093 NE Heythuysen Tel: +31(0)475 - 49 44 07 info@bijvanbuiten.nl www.bijvanbuiten.nl IBAN: NL86 ABNA 0128 3056 65 KVK 91612144 btw: NL865711732B01
Ruimtelijke onderbouwing vloeibare mestopslag Perceel BOR00 I 1611, Born Gemeente Sittard-Geleen
Projectgebied:
Perceel BOR00 I 1611
Versie:
1
Datum:
14 maart 2023
IMRO-code:
NL.IMRO.1883.XXXXXX.CC01
Inhoudsopgave 1.
2.
3.
Inleiding........................................................................................................................................................... 4 1.1.
Aanleiding .............................................................................................................................................. 4
1.2.
Projectgebied......................................................................................................................................... 4
1.3.
Bestemmingsplannen ............................................................................................................................ 5
1.3.1.
Bestemmingsplan ‘Buitengebied Born – Geleen’ .............................................................................. 5
1.3.2.
Facetbestemmingsplannen ............................................................................................................... 5
Projectbeschrijving .......................................................................................................................................... 7 2.1.
Huidige situatie ...................................................................................................................................... 7
2.2.
Het initiatief ........................................................................................................................................... 7
Beleidskader .................................................................................................................................................. 10 3.1.
Nationaal beleid .................................................................................................................................. 10
3.2.
Provinciaal beleid ................................................................................................................................ 10
3.2.1.
Omgevingsvisie Limburg.................................................................................................................. 10
3.2.2.
Omgevingsverordening Limburg 2021 ............................................................................................ 10
3.2.3.
Ladder voor duurzame verstedelijking ............................................................................................ 11
3.3. 3.3.1. 4.
Gemeentelijk beleid............................................................................................................................. 11 Omgevingsvisie 2016 ....................................................................................................................... 11
Omgevingsaspecten ...................................................................................................................................... 13 4.1.
Milieuzonering ..................................................................................................................................... 13
4.2.
Geluid .................................................................................................................................................. 14
4.3.
Luchtkwaliteit ...................................................................................................................................... 15
4.3.1.
Besluit NIBM .................................................................................................................................... 15
4.3.2.
Regeling NIBM ................................................................................................................................. 16
4.4.
Bodem ................................................................................................................................................. 16
4.5.
Geur ..................................................................................................................................................... 17
4.6.
Externe veiligheid ................................................................................................................................ 17
4.7.
Kabels en leidingen .............................................................................................................................. 19
4.8.
Archeologie en cultuurhistorie ............................................................................................................ 19
4.8.1.
Archeologie ..................................................................................................................................... 19
4.8.2.
Cultuurhistorie ................................................................................................................................ 20
4.9.
Natuur.................................................................................................................................................. 21
.......................................................................................................................................................................... 23 4.10. 5.
Verkeer en parkeren ............................................................................................................................ 23
Uitvoerbaarheid ............................................................................................................................................ 25 5.1.
Financiële uitvoerbaarheid .................................................................................................................. 25
5.2.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid ...................................................................................................... 25
5.3.
Planstukken ......................................................................................................................................... 25
5.4.
Procedure omgevingsvergunning ........................................................................................................ 25
3 Ruimtelijke onderbouwing vloeibare mestopslag, perceel BOR00 I 1611
1.
Inleiding
Ruimtelijke onderbouwing behorende bij de aanvraag omgevingsvergunning voor het aanleggen van een foliebassin voor opslag van vloeibare meststoffen op de locatie tussen Graetheide en Bosweg Born, kadastraal bekend als gemeente Born, sectie I, nummer 1611 (BOR00 I 1611).
1.1.
Aanleiding
Het bedrijf van initiatiefnemer beslaat ca. 100 ha grond welke wordt gebruikt voor het telen van agrarische producten. Initiatiefnemer wenst de bemesting van de gewassen volledig in het voorjaar te laten plaatsvinden, zo kort mogelijk voordat de gewassen gezaaid/gepoot worden. Hierdoor gaan er minder meststoffen verloren en is er bij opslag van vloeibare mest bij de percelen de mogelijkheid tot het creëren van een homogener product, wat beter is voor de teelt. Aanvullend hierop is de meststoffen wet aangepast. De periode dat er mest uitgereden mag worden is recentelijk ingekrompen van 15 maart tot 15 augustus. In het verleden mocht de mest nog uitgereden worden van 1 februari tot 14 september. De verwachting is dan ook dat er in de toekomst alleen nog maar voorafgaand aan een teelt organische mest mag worden toegepast. Hierdoor wordt de periode dat er mest uitgereden mag worden, alsmaar korter: globaal van 15 maart tot 15 april (de zaai/plantdatum van gewassen). In deze korte tijd is het voor initiatiefnemer logistiek niet haalbaar om transport van Limburg en Brabant naar de in eigendom zijnde percelen in Zuid-Limburg, rond te krijgen. Hierop heeft initiatiefnemer besloten te gaan investeren in een extra aanvullende vloeibare mestopslag direct bij de velden.
Op het perceel BOR00 I 1611 is al een foliebassin gelegen voor de opslag van vloeibare mest, en initiatiefnemer wenst een zelfde foliebassin er naast te realiseren. Ook kan hiermee 2 soorten organische mest worden opgeslagen. Voor bijvoorbeeld tarwe is er in het voorjaar snel werkende mineralen N nodig, welke hoofdzakelijk in zeugenmest zit. Voor aardappelen en suikerbieten, welke een langere groeiperiode hebben en dus ook over een langere periode van N voorzien dienen te worden, is organisch gebonden N beter geschikt. Deze moet dan eerst in de grond naar mineralen N worden omgezet. Initiatiefnemer is voornemens om middels de uitgebreide procedure op grond van artikel 2.12, lid 1, sub a onder 3 van de Wabo, af te wijken van het bestemmingsplan om onderhavig planvoornemen mogelijk te maken. Hiertoe is onderhavige ruimtelijke onderbouwing opgesteld.
1.2.
Projectgebied
Het projectgebied ligt in het buitengebied ten oosten van de kern van Obbicht en ten zuiden van de kern van Born. Het projectgebied is kadastraal bekend als perceel gemeente Born, sectie I, nummer 1611. Op onderstaande afbeelding is de ligging van het projectgebied weergegeven.
4 Ruimtelijke onderbouwing vloeibare mestopslag, perceel BOR00 I 1611
Figuur 1 Luchtfoto en topografische kaart met projectgebied (bron: www.pdokviewer.nl)
1.3.
Bestemmingsplannen
1.3.1.
Bestemmingsplan ‘Buitengebied Born – Geleen’
De locatie is planologisch-juridisch geregeld in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Born – Geleen’ (hierna: bestemmingsplan) van de gemeente Sittard – Geleen, vastgesteld op 27 juni 2013. Het projectgebied heeft in dit bestemmingsplan de enkelbestemming ‘Agrarisch’.
Figuur 2 Uitsnede bestemmingsplan (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
Op grond van de geldende regels van het bestemmingsplan is een vloeibare mestopslag alleen toegestaan ter plaatste van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – mestopslag’. Deze aanduiding is niet aanwezig op het gedeelte van het perceel waar de tweede vloeibare mestopslag gerealiseerd wenst te worden. 1.3.2.
Facetbestemmingsplannen
Naast het bestemmingsplan ‘Buitengebied Born – Geleen zijn ook de facetbestemmingsplannen ‘Begripspaling’, ‘Parkeren’ en ‘Archeologie’ van toepassing. Facetbestemmingsplan ‘Parkeren’ Het facetbestemmingsplan ‘Parkeren’ biedt bestuursrechtelijke borging van de voor de gemeente Sittard – Geleen geldende parkeernormen. 5 Ruimtelijke onderbouwing vloeibare mestopslag, perceel BOR00 I 1611
Facetbestemmingsplan ‘Begripsbepaling’ Het facetbestemmingsplan ‘Begripsbepaling’ zorgt voor een gebiedsdekkende planologische-juridische regeling waarin een aantal begripsbepalingen (o.a. ‘woning’, ‘wonen’, ‘huishouden’ en ‘kamerverhuur’) uniform en conform de meest recente standaarden van de gemeente Sittard-Geleen zijn opgenomen. Facetbeheersverordening ‘Archeologie’ De facetbeheersverordening ‘Archeologie’ zorgt ervoor dat het vigerende archeologische beleid in alle bestemmingsplannen juridisch-planologisch is vastgelegd.
6 Ruimtelijke onderbouwing vloeibare mestopslag, perceel BOR00 I 1611
2.
Projectbeschrijving
2.1.
Huidige situatie
Het bedrijf van initiatiefnemer beslaat ca. 100 ha grond welke wordt gebruikt voor het telen van agrarisch producten. Hiervoor is per ha ca. 170 kg N uit organische mest nodig voor bemesting. Per m 3 bevat zeugenmest ongeveer 2,5 kg N waarvan 1,5 kg mineraal en 1 kg organisch gebonden. Vleesvarkensmest bevat ongeveer 4,5 kg N waarvan 0,5 kg mineraal en 4 kg organisch gebonden. Per ha wordt er ca. 40 m3 mest uitgereden. Voor 100 ha aan grond komt dit neer op een totaal van 4.000 m 3 mest. In de huidige situatie is er op perceel BOR00 I 1611 al een foliebassin voor de opslag van vloeibare mest gelegen. In dit foliebassin wordt 2.000 m3 vloeibare mest opgeslagen, waarmee 50% van de gronden bemest kan worden. De overige 2.000 m3 mest wordt momenteel aangevoerd. Hiervoor is initiatiefnemer afhankelijk van derden. Initiatiefnemer wenst de bemesting van de gewassen volledig in het voorjaar te laten plaatsvinden, zo kort mogelijk voordat de gewassen gezaaid/gepoot worden. Hierdoor gaan er minder meststoffen verloren. Aanvullend hierop is de meststoffen wet aangepast. De periode dat er mest uitgereden mag worden is recentelijk ingekrompen van 15 maart tot 15 augustus. Hierdoor wordt de periode dat er mest uitgereden mag worden, alsmaar korter.
In deze korte tijd is het voor initiatiefnemer logistiek niet haalbaar om transport van Limburg en Brabant naar de in eigendom zijnde percelen in Zuid-Limburg, rond te krijgen. Het huidige foliebassin is hieronder op de luchtfoto weergegeven.
Huidige foliebassin
Figuur 3 Luchtfoto met huidige foliebassin (bron: www.kadastralekaart.com)
2.2.
Het initiatief
Gezien het feit dat de meststoffen wet is aangepast, en dat de verwachting is dat in de toekomst de periode dat er mest uitgereden mag worden alsmaar korter wordt, heeft initiatiefnemer besloten te investeren in een extra aanvullende vloeibare mestopslag direct bij de velden. Zoals hierboven reeds benoemd is er op het perceel
7 Ruimtelijke onderbouwing vloeibare mestopslag, perceel BOR00 I 1611
BOR00 I 1611 al een foliebassin gelegen voor de opslag van vloeibare mest. Initiatiefnemer wenst een zelfde foliebassin er naast te realiseren. Hiermee kunnen 2 soorten organische mest worden opgeslagen en is er bij opslag van vloeibare mest bij de percelen de mogelijkheid tot het creëren van een homogener product, wat beter is voor de teelt. Voor bijvoorbeeld tarwe is er in het voorjaar snel werkende mineralen N nodig, welke hoofdzakelijk is zeugenmest zit. Voor aardappelen en suikerbieten, welke een langere groeiperiode hebben en dus ook over een langere periode van N voorzien dienen te worden, is organisch gebonden N beter geschikt. Deze moet dan eerst in de grond naar mineralen N worden omgezet.
Beoogd foliebassin
Figuur 4 Luchtfoto met weergave beoogd foliebassin (bron: www.kadastralekaart.com)
In de huidige situatie wordt 2.000 m3 opgeslagen in het huidige foliebassin, en vanuit daar wordt deze mest met tractoren uitgereden op de velden. De ‘overige’ 2.000 m3 wordt aangevoerd en vanaf een vrachtwagen op de velden gelost en uitgereden. De vrachtwagen moet hierbij blijven staan (stationair) tot hij volledig leeg is. Dit gebeurt in ca. 2 tot 3 keer. Wanneer de volledige 4.000 m3 opgeslagen kan worden, kan er gedurende het hele jaar mest aangevoerd worden, en opgeslagen worden in het foliebassin. Zo hoeft er niet in korte tijd 4.000 m 3 te worden aangevoerd en uitgereden, wat ervoor zorgt dat er in het voorjaar minder transportbewegingen in korte tijd plaatsvinden. Ook met uitrijden van de mest is initiatiefnemer niet langer afhankelijk van derden en drukte op de mestmarkt. Een ander bijkomend voordeel is dat de tractoren een homogeen product op de velden kunnen uitrijden wat bijdraagt aan de verbetering van de teelt. Landschappelijke inpassing Om ervoor te zorgen dat het geheel goed wordt ingepast in de omgeving wordt er een Limburgse haag aangeplant met de volgende soorten: -
Cratagus monogyna; Prumus spinosa; Verburnem epulus; Cornus sanguiona; Corylus avallana; Euonymus eropaeus.
8 Ruimtelijke onderbouwing vloeibare mestopslag, perceel BOR00 I 1611
Figuur 5 Schematische weergave met landschappelijke inpassing (groen)
9 Ruimtelijke onderbouwing vloeibare mestopslag, perceel BOR00 I 1611
3.
Beleidskader
3.1.
Nationaal beleid
De realisatie van de vloeibare mestopslag treft geen nationale belangen. Aanvullend hierop ligt de beoogde opslag niet in een gebied waar nationale belangen in het geding komen. Derhalve is het nationale beleid hier niet opnieuw afgewogen.
3.2.
Provinciaal beleid
3.2.1.
Omgevingsvisie Limburg
Op 1 oktober 2021 hebben de Provinciale Staten van de provincie Limburg de Omgevingsvisie Limburg vastgesteld. Deze visie is op 25 oktober 2021 in werking getreden. De Omgevingsvisie Limburg vervangt het in 2014 vastgestelde POL2014 (Provinciaal Omgevingsplan Limburg) en is een strategische visie voor de lange termijn (2030-2050) op de fysieke leefomgeving. De visie gaat naast de fysieke leefomgeving ook in op aspecten zoals gezondheid, veiligheid, economie en sociale aspecten. En dat is onderlinge samenhang. De Omgevingsvisie is een zelfbindend document en bindt daarmee enkel de provincie Limburg. Als het nodig is voor de uitwerking van de onderdelen van het beleid om bindende regels te stellen, dan gebeurt dat via de Omgevingsverordening. De Omgevingsverordening is vastgesteld op 17 december 2021 en tegelijkertijd met de Omgevingswet inwerking getreden, op 1 januari 2024. Hoewel de visie gaat over de periode van 2030-2050 is de Omgevingsvisie Limburg geen blauwdruk voor de toekomst. Bij (nieuwe) ontwikkelingen kan de provincie nog keuzes maken. Daarbij kiest de provincie voor maatwerk en wordt rekening gehouden met karakter en mogelijkheden van een gebied en de afwegingen van belangen op lokale schaal. Als er afwegingen gemaakt moeten worden, dan gebeurt dat op basis van de onderstaande Limburgse principes: 1. 2. 3. 4.
Streven naar een inclusieve, gezonde en veilige samenleving; Kenmerken en identiteit van gebieden staan centraal; Meer stad, meer land; Zorgvuldig omgaan met onze ruimte en voorraden bovengronds én ondergronds.
In de Omgevingsvisie is het projectgebied gelegen in het landelijke (buiten)gebied, waar ruimte is voor agrarische bedrijvigheid. Het foliebassin kan gezien worden als object welke ten dienste staan van de landbouw. Ook gezien de geïsoleerde liggen ten opzichte van milieugevoelige functies, kan worden gesteld dat de realisatie van het foliebassin passend is op deze plek en geen belemmering oplevert voor eventuele gezondheidsaspecten voor de samenleving. Conclusie POVI Gelet op vorenstaande vormt de POVI geen belemmeringen voor dit plan. 3.2.2.
Omgevingsverordening Limburg 2021
De Omgevingsverordening is vastgesteld op 17 december 2021, en tegelijk met de Omgevingswet in werking getreden, op 1 januari 2024. Met de komst van de Omgevingswet is een nieuwe Omgevingsverordening nodig die past binnen de kaders en het instrumentarium van de Omgevingswet. Hoewel de Omgevingsverordening Limburg 2021 hoofdzakelijk een beleids- neutrale omzetting van de OvL2014 is, staan er enkele nieuwe of inhoudelijke aanmerkelijke gewijzigde
10 Ruimtelijke onderbouwing vloeibare mestopslag, perceel BOR00 I 1611
onderwerpen in. Het gaat hier om instructieregels aan gemeenten op het gebied van wonen, zonne-energie, naijlende effecten van de steenkoolwinning en huisvestingsnormen voor internationale werknemers. Volgens kaart 2 ‘Duurzame verstedelijking en bestuursafspraken’ is het projectgebied gelegen in het landelijke gebied van de regio Zuid-Limburg. Voor het overige is het projectgebied niet gelegen binnen beschermingszones van de Omgevingsverordening Limburg. Conclusie OvL 2021 Gelet op vorenstaande vormt de OvL geen belemmeringen voor dit plan. 3.2.3.
Ladder voor duurzame verstedelijking
De zogenaamde ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ zoals deze inwerking is getreden op 1 juli 2017, is opgenomen in artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening en luidt als volgt: ‘de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien’. De Ladder voor duurzame verstedelijking is door de provincie in de Omgevingsverordening Limburg 2014 (OvL2014) in artikel 2.2.2, lid 1 verankerd. Aanvullend op deze ladder heeft de provincie bepaald dat tevens de mogelijkheden van herbenutting van leegstaande monumentale en beeldbepalende gebouwen dient te worden onderzocht. Uitgangspunt voor toepassing van de Ladder voor duurzame verstedelijking is dat sprake dient te zijn van een stedelijke ontwikkeling.
Conform artikel 2.2.1 van de OvL2014 is de definitie van een stedelijke ontwikkeling een ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen Bij onderhavige ontwikkeling is er geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling of een andere stedelijke voorziening (accommodaties voor onderwijs, zorg, cultuur, bestuur en indoorsport en leisure). Het doorlopen van de Ladder voor duurzame verstedelijking is dan ook niet noodzakelijk. Conclusie ladder duurzame verstedelijking Gelet op vorenstaande vormt de ladder voor duurzame verstedelijking geen belemmering voor dit plan.
3.3.
Gemeentelijk beleid
3.3.1.
Omgevingsvisie 2016
De Omgevingsvisie van de gemeente Sittard-Geleen is vastgesteld door de gemeenteraad op 15 december 2016. Deze Omgevingsvisie is de opvolger van de Structuurvisie Sittard-Geleen 2010. In de Omgevingsvisie SittardGeleen 2016 komen alle aspecten aan de bod die te maken hebben met toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen van en binnen de gemeente. Van wonen en werken, tot recreatie, mobiliteit en technische ontwikkelingen tot natuur en milieu. Om een gemeente te ontwikkelen waarin het goed wonen, werken en leven is, is in de uitwerking van de Omgevingsvisie gekozen voor de lijn ‘ruimte waar mogelijk, sturing waar nodig’. Hiermee nodigt gemeente Sittard-Geleen inwoners en andere partners uit om samen met de gemeente door te blijven ontwikkelen. Middels een afbeelding die bij de Omgevingsvisie is opgenomen wordt een beeld geschetst van de gewenste toekomstige ontwikkelingen van de gemeente Sittard-Geleen en de opgaven waaraan de gemeente werkt om dat beeld te realiseren.
11 Ruimtelijke onderbouwing vloeibare mestopslag, perceel BOR00 I 1611
Het projectgebied is gelegen binnen het zogeheten ‘Groene Hart’. Hierover staat er in de Omgevingsvisie het volgende beschreven: ‘Voor het ‘ groene hart’ van de gemeente, met haar open coulisselandschap afgewisseld met kleine dorpen en buurtschappen, geldt al jaren dat we er liever geen bebouwing toelaten. Hierdoor is de open landschappelijke kwaliteit en daarmee het aantrekkelijke woonklimaat bewaard gebleven. Dit willen we ook voor de toekomst behouden’. Het foliebassin heeft een hoogte van ca. 1,25 meter, waarmee het open landschap niet wordt verstoord. Tevens zorgt een goede landschappelijke inpassing ervoor dat beide foliebassins op een goede, natuurlijke manier in het landschap worden ingepast.
Figuur 6 Uitsnede illustratie Omgevingsvisie 2016 met aanduiding projectgebied (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
Conclusie Omgevingsvisie 2016 Gelet op vorenstaande vormt de Omgevingsvisie 2016 geen belemmering voor dit plan.
12 Ruimtelijke onderbouwing vloeibare mestopslag, perceel BOR00 I 1611
4.
Omgevingsaspecten
Bij de realisering van een ontwikkeling moet in de eerste plaats rekening worden gehouden met aspecten uit de omgeving die een negatieve invloed kunnen hebben op het projectgebied. Dit geldt omgekeerd ook voor de uitwerking die het project heeft op zijn omgeving. In de navolgende paragrafen worden de volgende milieuaspecten onderzocht: milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit, bodem, geur, externe veiligheid, kabels en leidingen, water, archeologie en cultuurhistorie, natuur en m.e.r.-beoordeling.
4.1.
Milieuzonering
Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven en/of ontwikkelingen een passende locatie in de nabijheid van woningen of andere gevoelige functies krijgen en dat (andersom) nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar mogelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: Het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; Het tegelijk daarmee aan de bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. De gemeente beslist zelf of zij op een bepaalde locatie bedrijven of woningen mogelijk wil maken. Dit besluit dient echter wel zorgvuldig te worden afgewogen en verantwoord. Om te bepalen of tussen de milieubelastende activiteiten en de omliggende gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen, is gebruik gemaakt van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ uit 2009. In deze publicatie worden de richtafstanden gegeven voor de vier ruimtelijke relevante milieuaspecten: geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de richtafstand. De gegeven richtafstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen.
Omgevingstype Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de VNG-publicatie gelden ten opzichte van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ of daarmee vergelijkbaar. Wanneer sprake is van het omgevingstype ‘gemengd gebied’ kunnen de richtafstanden tussen milieubelastende en milieugevoelige functies met één afstandsstap verkort worden, zonder dat dit ten koste gaat van het woon en leefklimaat. Toets omgevingstype De definitie van een rustige woonwijk is: ‘een gebied waar primair woonbestemmingen te vinden zijn met eventueel wijkgebonden voorzieningen. Het moet bijvoorbeeld niet gelegen zijn aan een drukke ontsluitingsweg. Daarnaast is er duidelijk sprake van functiescheiding.’ Als het gaat om ‘gemengd gebied’ wordt de volgende definitie gehanteerd: ‘een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Daarnaast gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen.’ De directe omgeving waarin het projectgebied zich bevindt, kan worden aangemerkt als ‘agrarisch’. Op een afstand van ca. 410 meter is de kern ‘Graetheide’ gelegen. Derhalve is uitgegaan van worst-case scenario ‘rustige woonwijk’.
13 Ruimtelijke onderbouwing vloeibare mestopslag, perceel BOR00 I 1611
Afstand meten De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van het projectgebied waar de milieubelastende functie toegestaan wordt en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is. Toets milieuzonering De realisatie van de vloeibare mestopslag kan worden gezien als ‘dienstverlening t.b.v. de landbouw’ (SBI-code 014). Volgens de VNG Handreiking wordt dergelijk bedrijf gekwalificeerd als een categorie 2 bedrijf. De richtafstand voor het aspect ‘geluid’ (dit milieuaspect kent de grootste richtafstand) tot omgevingstype ‘rustige woonwijk’ bedraagt 50 meter. De afstand tussen de grens van het projectgebied en de bestemming ‘wonen’ (Graetheide 23) bedraagt ca. 410 meter. Conclusie milieuzonering Er wordt ruim voldaan aan de richtafstand van 50 meter. Gelet hierop vormt het aspect ‘milieuzonering’ geen belemmering voor dit plan.
4.2.
Geluid
Met betrekking tot het aspect ‘geluid’ kan sprake zijn van geluidbelasting als gevolg van wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Wegverkeerslawaai en railverkeerslawaai Onderhavig planvoornemen leidt niet tot het realiseren van een geluidgevoelig object. Geluidbelasting ten gevolge van wegverkeer- en railverkeerslawaai is daardoor niet aan de orde. Industrielawaai Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt in het kader van de beoordeling of dat er bij woonbestemmingen sprake is van een goede ruimtelijke ordening (acceptabel woon- en leefklimaat) gebruik gemaakt van bijlage 5 uit de VNG-brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering 2009’. Deze omschrijft voor geluid het volgende stappenplan: 1. 2.
3.
4.
Indien de richtafstand niet wordt overschreden kan verdere toetsing in beginsel achterwege blijven. Indien stap 1 niet toereikend is, dient middels een geluidonderzoek (vanaf deze stap noodzakelijk) aangetoond te worden dat voldaan wordt aan de geluidsbelastingen voor stap 2 als weergegeven in navolgende tabel. Indien wordt voldaan is buitenplanse inpassing mogelijk. Stappen 3 en 4 alleen bij de buitenplanse inpassing. Indien stap 2 niet toereikend is, dient middels een geluidonderzoek aangetoond te worden aan de geluidsbelastingen voor stap 3 als weergegeven in navolgende tabel. Indien voldaan wordt, is buitenplanse inpassing mogelijk met dien verstande dat het bevoegd gezag moet motiveren waarom het deze geluidsbelasting in de concrete situatie acceptabel acht. Bij een hogere geluidsbelasting dan aangegeven in stap 3 zal buitenplanse inpassing doorgaans niet mogelijk zijn.
Tabel 1 Geluidswaarden VNG brochure 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' [1] Exclusief piekgeluiden door aan- en afrijdend verkeer
Stap en gebiedstype Stap 2 rustige woonwijk Stap 2 gemengd gebied Stap 3 rustige woonwijk Stap 3 gemengd gebied
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau 45 dB(A) 50 dB(A) 50 dB(A) 55 dB(A)
Maximaal (piekgeluiden) 65 dB(A) 70 dB(A) 70 dB(A) 70 dB(A)[1]
Verkeersaantrekkende werking 50 dB(A) 50 dB(A) 50 dB(A) 65 dB(A)
14 Ruimtelijke onderbouwing vloeibare mestopslag, perceel BOR00 I 1611
Toets Zoals omschreven in paragraaf 4.1 is uitgegaan van gebiedstype ‘rustige woonwijk’. De realisatie van de vloeibare mestopslag kan worden gezien als ‘dienstverlening t.b.v. de landbouw’ (SBI-code 014). De richtafstand voor het aspect ‘geluid’ tot omgevingstype ‘rustige woonwijk’ bedraagt 50 meter. De afstand van de grens van het projectgebied tot aan de dichtstbijzijnde grens van de bestemming ‘wonen’ (Graetheide 23) bedraagt ca. 410 meter. Er wordt voldaan aan de richtafstand van 50 meter, en daarmee aan stap 1 van het hierboven beschreven stappenplan.
Figuur 7 Uitsnede luchtfoto met gemeten afstand
Conclusie geluid Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘geluid’ geen belemmering voor dit plan.
4.3.
Luchtkwaliteit
In hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen inzake de luchtkwaliteit opgenomen. Dit hoofdstuk staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Het doel van titel 5.2 van de Wet milieubeheer is om de mensen te beschermen tegen de negatieve gevolgen van luchtverontreiniging op hun gezondheid. In de wet- en regelgeving zijn de richtlijnen uit de Europese regelgeving opgenomen, waaraan voorgenomen ontwikkeling dient te voldoen. Bij de start van nieuwe (bouw)projecten moet onderzocht worden of het effect van een nieuw initiatief relevant is voor de luchtkwaliteit. Er is geen relevantie als aannemelijk gemaakt kan worden, dat de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM. 4.3.1.
Besluit NIBM
In het besluit NIBM wordt gesteld dat een project NIBM is wanneer het aannemelijk is dat het een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 lucht voor zowel PM10 als NO2.
15 Ruimtelijke onderbouwing vloeibare mestopslag, perceel BOR00 I 1611
4.3.2.
Regeling NIBM
In de regeling NIBM is (onder andere) aangegeven dat een plan tot 1.500 woningen met één ontsluitingsweg niet in betekenende mate bijdraagt aan de toename van de concentratie fijnstof en stikstofdioxide in de lucht. Toets Het aantal transportbewegingen als gevolg van de beoogde ontwikkeling is niet zodanig dat er sprake is van een toename van de concentratie schadelijke stoffen in de lucht. NIBM projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect ‘luchtkwaliteit’ uitgevoerd worden (zie handreiking ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (NIBM) luchtkwaliteit). Infomil heeft een NIBM-tool ontwikkeld waarmee een ‘worst-case’ berekening kan worden verricht voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit. Dit rekenmodel toont aan dat tot 70 extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Hierbij wordt uitgegaan van 100% vrachtverkeer. De navolgende figuur bevat een uitsnede van de berekening met de NIBM-tool.
Figuur 8 Uitsnede NIBM-tool
Conclusie luchtkwaliteit Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘luchtkwaliteit’ geen belemmeringen voor dit plan.
4.4.
Bodem
Indien sprake is van een planologische functiewijziging, dient te worden bezien of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse geschikt is voor het beoogde gebruik. De mate van onderzoek is mede afhankelijk van de aard en omvang van de functiewijziging. Bij het wijzigen van het gebruik van een bebouwd perceel, waarbij de nieuwe gebruiksvormen een voor de beoordeling van het aspect ‘bodem’ minder kritisch gebruik kennen, is de beoordeling van dit aspect niet aan de orde. Het planvoornemen voorziet in de realisatie van een vloeibare mestopslag. Het beoogde gebruik van de gronden waarop de vloeibare mestopslag wordt voorzien kent geen kritischer gebruik dan het huidige gebruik. Tevens worden er geen gebouwen gerealiseerd waarbinnen personen langer dan 2 uur per dag kunnen verblijven.
16 Ruimtelijke onderbouwing vloeibare mestopslag, perceel BOR00 I 1611
Op basis van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect ‘bodem’ geen belemmering vormt voor onderhavig planvoornemen. Er verkennend bodemonderzoek wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Conclusie bodem Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘bodem’ geen belemmering voor dit plan.
4.5.
Geur
Op 1 januari 2007 is de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) in werking getreden. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt in het kader van de beoordeling of dat er bij geurgevoelige objecten sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat én in het kader van de beoordeling of dat geurgevoelige objecten geen belemmering vormen voor omliggende bedrijven (omgekeerde werking) getoetst aan de geurnormen uit deze wet. De Wgv geeft voor een geurgevoelig object de volgende definitie: ‘gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk verblijf en die daarvoor permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. Toets Wgv Onderhavig planvoornemen voorziet in de realisatie van een vloeibare mestopslag. Hiermee wordt voor omliggende (agrarische) bedrijven geen nieuw geurgevoelig object gerealiseerd en worden omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. Vaste afstanden mestbassin Voor mestbassins volstaat 100 meter tussen geurgevoelige objecten en mestbassins (paragraaf 3.4.6 Activiteitenbesluit). In de direct omgeving van het projectgebied is de dichtstbijzijnde woonbestemming gelegen op een afstand van ca. 410 meter. Er wordt daarmee voldaan aan de vaste afstand van 100 meter voor mestbassins, gesteld in het Activiteitenbesluit.
Conclusie geur Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘geur’ geen belemmering voor dit plan.
4.6.
Externe veiligheid
In de onderhavige situatie is geen sprake van het realiseren van een zogenaamd (beperkt) kwetsbaar object. Het beleid is derhalve niet van toepassing. Desalniettemin is er een afweging gemaakt of de ontwikkeling ertoe leidt dat er een onaanvaardbaar risico ontstaat in het kader van de externe veiligheid. Beleid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transporteurs (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het projectgebied ten gevolgen van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op 2 maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico zegt iets over de theoretische kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), hiervoor geldt dat een kans groter dan 1 op
17 Ruimtelijke onderbouwing vloeibare mestopslag, perceel BOR00 I 1611
de miljoen per jaar (10-6 /jaar) onacceptabel wordt geacht. De norm voor het plaatsgebonden risico is bij kwetsbare objecten een grenswaarde die niet mag worden overschreden. Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). Voor elke verandering van het groepsrisico, dit kan een af- of toename zijn, in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd, over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico, worden ook andere aspecten meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Hieronder vallen onder meer de zelfredzaamheid en de bestrijdbaarheid van een calamiteit. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden aan het Bevi en de richtlijnen voor vervoer van gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a.
woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels, restaurants. In het kader van het plan moet bekeken worden of er in of in de nabijheid van het plan sprake is van risicovolle activiteiten (zoals Bevi-bedrijven, BRZO-bedrijven en transportroutes), of dat risicovolle activiteiten worden toegestaan. Toets Ten behoeve van de beoordeling van mogelijke externe veiligheidsrisico’s, is het bestemmingsplan ‘Buitengebied Born – Geleen’ geraadpleegd. Een uitsnede van het bestemmingsplan is opgenomen in de navolgende figuur.
Figuur 9 Uitsnede bestemmingsplan Buitengebied Born-Geleen) (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
Op de verbeelding van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Born – Geleen’ zijn de leidingen met veiligheidszones opgenomen. Het projectgebied ligt niet binnen dergelijke veiligheidszones. Tevens is geen sprake van het oprichten van een (beperkt) kwetsbaar object of het oprichten van een risicovolle activiteit. Conclusie externe veiligheid Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘externe veiligheid’ geen belemmering voor dit plan.
18 Ruimtelijke onderbouwing vloeibare mestopslag, perceel BOR00 I 1611
4.7.
Kabels en leidingen
Door het projectgebied loopt de hoogspanningsleiding ‘150 kV Maasbracht – Graetheide (zwart). Het projectgebied ligt, in het bestemmingsplan “Buitengebied Born – Geleen”, buiten de dubbelbestemming ‘Leiding – Hoogspanningsverbinding’. Er is op dat gebied derhalve geen sprake van bijbehorende belangen van derden op dit punt. Voordat er machinaal gegraven wordt zal er een KLIC-melding gemaakt worden om relevante kabels en leidingen in beeld te brengen. Conclusie kabels en leidingen Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘kabels en leidingen’ geen belemmeringen voor dit plan.
Figuur 10 Uitsnede netkaart
Conclusie kabels en leidingen Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘kabels en leidingen’ geen belemmering voor dit plan.
4.8.
Archeologie en cultuurhistorie
4.8.1.
Archeologie
Op basis van het verdrag van Malta (Valetta, 1992) is sinds september 2007 de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) van kracht. De gemeente heeft de wettelijke taak gekregen om verantwoord om te gaan met het archeologisch erfgoed (zorgplicht). De uitgangspunten van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg zijn als volgt: De archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard; Er dient vroeg in het proces van ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect archeologie. Op onderhavige locatie is het ontwerp 'Facetbeheersverordening archeologie Sittard-Geleen' van toepassing. Op basis van deze beheersverordening geldt ter plaatse van de nieuw te realiseren vloeibare mestopslag de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4'.
19 Ruimtelijke onderbouwing vloeibare mestopslag, perceel BOR00 I 1611
Figuur 11 Uitsnede facetbeheersverordening Sittard-Geleen (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
Op gronden met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' mogen geen bouwwerken worden gebouwd, met uitzondering van een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 30 cm en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst; een bouwwerk met een oppervlakte tot ten hoogste 500 m2. De oppervlakte die dieper gaat dan 30 cm beneden maaiveld bedraagt 370 m 2. Hierbij wordt de maximale oppervlaktemaat van 500 m2 niet overschreden, waardoor geconcludeerd kan worden dat er geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Conclusie archeologie Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘archeologie’ geen belemmering voor dit plan. 4.8.2.
Cultuurhistorie
De gemeente Sittard-Geleen beschikt over eigen archeologiebeleid: een archeologische beleidskaart en een cultuurhistorische verwachtingskaart. Om na te gaan of er binnen het projectgebied cultuurhistorische elementen aanwezig zijn, is de cultuurhistorische verwachtingskaart geraadpleegd.
20 Ruimtelijke onderbouwing vloeibare mestopslag, perceel BOR00 I 1611
Figuur 12 Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart Sittard-Geleen
Binnen het projectgebied zijn geen cultuurhistorische elementen aanwezig. Conclusie cultuurhistorie Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘cultuurhistorie’ geen belemmering voor dit plan.
4.9.
Natuur
Wet natuurbescherming In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de beoogde ontwikkeling invloed heeft op beschermde gebieden en beschermde soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Natura 2000-gebieden worden per 1 januari 2017 beschermd door de Wet Natuurbescherming (Wnb). De Wnb vervangt onder meer de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw 1998). In Nederland zijn 161 Natura 2000-gebieden aangewezen. Artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb heeft betrekking op de vergunningplicht in verband met Natura 2000gebieden (Habitatrichtlijn- en Vogelrichtlijngebieden) binnen en buiten Nederland. Op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb is een vergunning van Gedeputeerde Staten vereist voor het realiseren van projecten of het verrichten van andere handelingen die, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen.
Zodanige projecten of andere handelingen zijn in ieder geval projecten of andere handelingen die de natuurlijke kenmerken van het gebied kunnen aantasten. Het dichtstbijzijnde wettelijke beschermde natuurgebied, het Natura2000-gebied Uiterwaarden langs de Limburgse Maas met Vijverbroek, ligt op ca. 1,8 km van het plangebied. Potentiële externe effecten, niet zijnde ten gevolge van stikstofdepositie, kunnen in de regel met voldoende zekerheid worden uitgesloten indien een locatie op ruime afstand (> 1 kilometer) van een Natura 2000-gebied is gelegen. De potentiële effecten ten
21 Ruimtelijke onderbouwing vloeibare mestopslag, perceel BOR00 I 1611
gevolge van stikstofdepositie (en dientengevolge verzuring en vermesting) kunnen ook op grotere afstanden merkbaar zijn. In Nederland zijn er 118 (van de 161) Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats, waarvan de kritische depositiewaarde (KDW) reeds wordt overschreden. De KDW geeft aan bij welke mate van stikstofdepositie wordt aangenomen dat niet langer op voorhand kan worden uitgesloten dat er een risico is dat de kwaliteit van het habitattype wordt aangetast als gevolg van de verzurende en/of vermestende invloed van de stikstofdepositie. Indien een project geen stikstofdepositie veroorzaakt op de Natura 2000-gebieden, of geen toename ten opzichte van de referentiesituatie, kan worden uitgesloten dat het project een significant gevolg kan hebben. De beoogde ontwikkeling maakt de realisatie van een vloeibare mestopslag mogelijk. Door deze ontwikkeling is er enkel sprake van mogelijke stikstofdepositie door verkeersbewegingen. Zoals in paragraaf 4.10 is beschreven wordt rekening gehouden met (worst-case) 780 verkeersbewegingen per jaar voor het aan- en afvoeren van mest. Dit komt neer op ca. 2 verkeersbewegingen per dag, zoals in de huidige situatie ook reeds het geval is. Het aantal verkeersbewegingen in de beoogde situatie verandert daardoor niet ten opzichte van de huidige situatie.
Conclusie gebiedsbescherming Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘gebiedsbescherming’ geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Soortenbescherming De bescherming van dier- en plantensoorten is ook geregeld in de Wet Natuurbescherming (Wnb). De wet geldt voor iedereen die negatieve effecten veroorzaakt op exemplaren of leefgebied van beschermde planten en dieren. Voor alle planten en dieren geldt een algemene zorgplicht. Activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantensoorten zijn verboden. Wel zijn onder de nieuwe Wet Natuurbescherming enkele definities aangepast. Zo is opzettelijk verstoren niet meer strafbaar en is opzettelijk verstoren van vogels in sommige situaties toegestaan. Maar verstoren zonder tevoren goed onderzoek naar beschermde soorten te hebben uitgevoerd, blijft strafbaar. Van bedreigde planten- of diersoorten worden lijsten gepubliceerd. Het broedseizoen duurt globaal van 15 maart tot en met 15 juli. De bescherming van vogels is echter niet gebaseerd op een datum, maar op het daadwerkelijke broedseizoen. Dat kan ook al voor 15 maart of na 15 juli zijn. Het broedseizoen begint niet pas wanneer de eieren gelegd zijn. Het broedseizoen gaat al van start met de paarvorming, territorium afbakenen en het bouwen van nesten. In deze tijdsspan worden vogels, hun nesten en eieren beschermd door de Flora- en faunawet.
Nesten mogen niet verwijderd, verstoord of leeggehaald worden. Toets natuurloket Uit bestudering van de provinciale natuurgegevens blijkt dat ter plekke van het plangebied, in de periode 2012 – 2023, geen waarnemingen van (beschermde) broedvogels zijn gedaan.
22 Ruimtelijke onderbouwing vloeibare mestopslag, perceel BOR00 I 1611
Figuur 13 Uitsnede kaart Natuurgegevens Provincie Limburg (bron: www.natuurgegevensprovincielimburg.nl)
Conclusie soortenbescherming De bestemmingswijziging heeft geen invloed op flora en fauna in het gebied. Het aspect ‘soortenbescherming’ vormt daarmee geen belemmering voor dit plan.
4.10.
Verkeer en parkeren
Met betrekking tot de beoogde ontwikkeling dienen de (eventuele gevolgen voor de verkeersstructuur alsmede het parkeren inzichtelijk te worden gemaakt. Verkeer De aanrijroute naar de foliebassins toe, loopt van de zijde van Born via de Oude Baan en de Vreebosweg. Niet via de Bosweg door het dorp. Het aantal verkeersbewegingen per jaar zijn als volgt berekend:
Wegverkeer vullen foliebassin: 4.000 m3 opslag / 30 m3 per vrachtwagen = 133,3 vrachten. Worst case: 140 vrachten x 2 bewegingen = 280 bewegingen per jaar.
Wegverkeer legen foliebassin: 4.000 m3 / 16 m3 per mesttank x 2 bewegingen = 500 bewegingen per jaar.
In totaal komt dit neer op 780 verkeersbewegingen per jaar. Dit bedraagt ca. 2 verkeersbewegingen per dag. De infrastructuur van de Oude Baan alsook van de Vreebosweg zijn voldoende geschikt voor de afwikkeling van dergelijk verkeer.
23 Ruimtelijke onderbouwing vloeibare mestopslag, perceel BOR00 I 1611
Figuur 14 Uitsnede luchtfoto met aanrijroute (rood) (bron: www.pdokviewer.nl)
Conclusie verkeer Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘verkeer’ geen belemmering voor dit plan. Parkeren Voor de beoogde ontwikkeling zijn geen parkeerplaatsen nodig. De vrachtwagens die het foliebassin komen vullen, zullen ca. 20 minuten op de locatie aanwezig zijn, waarna zij hun weg verder vervolgen. Voor het legen van het foliebassin zullen tractoren ca. 15 minuten op de locatie zijn, waarna zij richting de velden gaan om de mest uit te rijden. Conclusie parkeren Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘parkeren’ geen belemmering voor dit plan.
24 Ruimtelijke onderbouwing vloeibare mestopslag, perceel BOR00 I 1611
5.
Uitvoerbaarheid
5.1.
Financiële uitvoerbaarheid
De gewenste ontwikkeling betreft een particulier initiatief. De initiatiefnemer, die eigenaar is van de betreffende gronden fungeert als financiële drager van het onderhavige project en heeft voor de uitvoering benodigde financiële middelen gereserveerd. De gemeente beperkt zich tot het verlenen van planologische medewerking aan de uitvoering van het plan. Voor het overige zijn er geen gemeentelijke financiën met het project gemoeid. In de anterieure overeenkomst wordt een bepaling opgenomen met betrekking tot planschade. Hiermee wordt gewaarborgd dat eventueel te vergoeden planschade niet voor rekening van de gemeente Sittard-Geleen komt, maar voor rekening van initiatiefnemer.
5.2.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel aan te tonen dat het plan maatschappelijk draagvlak heeft. Het ontwerpbesluit wordt gedurende 6 weken ter inzage gelegd, in welke periode een ieder een zienswijze kan indienen.
5.3.
Planstukken
Voorliggende omgevingsvergunning bestaat uit een verbeelding met daarop het projectgebied en voorliggende ruimtelijke onderbouwing.
5.4.
Procedure omgevingsvergunning
Op onderhavig omgevingsvergunning (artikel 2.12, eerste lid onder a onder 3 Wabo) is de uitgebreide procedure van toepassing. Voorbereiding:
Projectgebied (geometrisch bepaald) en voorschriften met ruimtelijke onderbouwing. Overleg wettelijke overlegpartners. Communicatie met maatschappelijke organisaties en burgers.
Ontwerp:
Publicatie en ter inzagelegging gedurende 6 weken. Een ieder kan gedurende deze ter inzagelegging een zienswijze indienen bij burgemeester en wethouders.
Vaststelling:
Besluit tot vaststelling binnen 12 weken na ter inzagelegging. De bekendmaking van het besluit dient te geschieden binnen: a. 2 weken na vaststelling; b. 6 weken na vaststelling, indien door Gedeputeerde Staten of de inspecteur een zienswijze is ingediend en deze niet is overgenomen of indien bij vaststelling wijzigingen in het plan zijn aangebracht, anders dan op grond van een zienswijze van Gedeputeerde Staten of de inspecteur; c. 7 weken na de vaststelling, indien Gedeputeerde Staten of de minister een reactieve aanwijzing hebben gegeven.
Inwerkingtreding: Beroep:
Omgevingsvergunning inclusief afwijkingsbesluit ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Na afloop van de beroepstermijn (tenzij binnen de beroepstermijn een verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan). Beroep bij Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
25 Ruimtelijke onderbouwing vloeibare mestopslag, perceel BOR00 I 1611