CConstaterende datSittard-Geleen
Koppel je AI →
Document · PDF

Rapport quickscan wet natuurbescherming (21834.001, D2) Sportcentrumlaan e.o. te Sittard

Raad 13 juli 2023, gemeente Sittard-GeleenBij agendapunt: Voorkeursdenkrichting voor invulling van de voormalige sport- en zwemlocatie aan de Sportcentrumlaan (ESCS-terrein) (Houtakkers)17.326 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

21834.001 versie D2

24 / 43

voldoet daarmee aan de eisen van het habitat van bosbeekjuffer. Bij de voorgenomen plannen gaat mogelijk habitat van bosbeekjuffer verloren. Afhankelijk van de voorgenomen plannen, wordt een aanvullend onderzoek naar bosbeekjuffer noodzakelijk geacht (hoofdstuk 6).

5.8 Vlinders Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan specifieke waardplanten. In de omgeving van de onderzoekslocatie zijn volgens verspreidingsgegevens uit de NDFF in de afgelopen 10 jaar waarnemingen bekend van grote vos, grote weerschijnvlinder, iepenpage, kleine ijsvogelvlinder en teunisbloempijlstaart. Grote vos De grote vos heeft vochtige, open bossen, bosranden, boomgaarden en andere plekken met grote vrijstaande bomen als habitat. Verder dienen geschikte plaatsen aanwezig te zijn om te overwinteren, zoals holle bomen of stapels hout. De waardplanten van grote vos zijn iep, zoete kers, populier en sommige wilgensoorten. Op de onderzoekslocatie is sprake van geschikt habitat en waardplanten van grote vos, onder andere in de vorm van zoete kers en populier. Vanwege de omvang van de onderzoekslocatie zijn echter niet alle waardplanten in kaart gebracht. Indien bij de voorgenomen plannen sprake zal zijn van bomenkap, dient eerst gecontroleerd te worden of mogelijk waardplanten van grote vos verloren gaan. Eventueel dient een aanvullend onderzoek naar grote vos uitgevoerd te worden (zie hoofdstuk 6).

Grote weerschijnvlinder De grote weerschijnvlinder heeft oudere, vochtige loofbossen, wilgenbroekbossen of groepen samenhangende bosjes in beekdalen als habitat. De soort vliegt in het genoemde habitat vooral op open plaatsen, bij bospaden, bosranden of daar waar beekjes het bos doorsnijden. Op de vliegplaatsen groeien wilgen op beschutte plaatsen in de halfschaduw. De waardplanten van grote weerschijnvlinder zijn vooral boswilg, en soms grauwe wilg. Op de onderzoekslocatie is sprake van geschikt habitat voor grote weerschijnvlinder, wegens de aanwezigheid van loofbos en een beek. Vanwege de omvang van de onderzoekslocatie zijn de waardplanten van grote weerschijnvlinder niet in kaart gebracht. Indien bij de voorgenomen plannen sprake zal zijn van bomenkap, dient eerst gecontroleerd te worden of mogelijk waardplanten van grote weerschijnvlinder verloren gaan. Eventueel dient een aanvullend onderzoek naar grote weerschijnvlinder uitgevoerd te worden (zie hoofdstuk 6). Iepenpage De iepenpage komt voor in (vochtige) bossen, bosranden, parken en grotere tuinen. De onderzoekslocatie biedt vanwege het parkachtige landschap met verspreide bosschages en bomenrijen, geschikt habitat aan de iepenpage. De soort heeft diverse soorten iep, zoals gladde iep en ruwe iep, als waardplant. Vanwege de omvang van de onderzoekslocatie zijn de waardplanten van iepenpage niet in kaart gebracht.

Indien bij de voorgenomen plannen sprake zal zijn van bomenkap, dient eerst gecontroleerd te worden of mogelijk waardplanten van iepenpage verloren gaan. Eventueel dient een aanvullend onderzoek naar iepenpage uitgevoerd te worden (zie hoofdstuk 6).

21834.001 versie D2

25 / 43

Kleine ijsvogelvlinder De kleine ijsvogelvlinder komt voor in gevarieerde, vochtige gemengde bossen of loofbossen. De vlinder vliegt in de halfschaduw op open plekken, bredere bospaden en langs bosranden. De waardplant van kleine ijsvogelvlinder is wilde kamperfoelie, en soms gecultiveerde kamperfoelie en sneeuwbes. Vanwege de omvang van de onderzoekslocatie zijn de waardplanten van kleine ijsvogelvlinder niet in kaart gebracht. Een aanvullend inspectie naar waardplanten van kleine ijsvogelvlinder wordt noodzakelijk geacht, indien struweel dan wel bomen gerooid zullen worden bij de voorgenomen plannen (zie hoofdstuk 6). Teunisbloempijlstaart De teunisbloempijlstaart komt voor op open plekken in vochtige bossen, bosranden en warme open plaatsen. De waardplanten van de soort zijn wilgenroosje, teunisbloem, basterdwederik en kattenstaart. Voorafgaand aan de voorgenomen plannen, dient een aanvullende inspectie uitgevoerd te worden naar waardplanten van de teunisbloempijlstaart. Eventueel dient in navolging hierop een aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden (zie hoofdstuk 6).

5.9 Overige soorten In de omgeving van de onderzoekslocatie zijn volgens verspreidingsgegevens uit de NDFF in de afgelopen 10 jaar waarnemingen bekend van vliegend hert. Vliegend hert Het vliegend hert is voor de ontwikkeling van haar larven afhankelijk van door schimmels aangetast rottend (eiken)hout. Vroeger was betreffend habitat aanwezig in de vorm van langzaam wegkwijnende zeer oude eiken. Deze zijn er al lang niet meer in Nederland. De plaatsen waar de soort de laatste 200 jaar heeft kunnen overleven in ons land zijn de plekken waar dit type hout min of meer kunstmatig aanwezig was, veelal in de vorm van hakhout cultuur. Hier bleven stompen staan, die uiteindelijk wegrotten. Vanwege de omvang van de onderzoekslocatie is deze niet in zijn geheel gecontroleerd op voor vliegend hert geschikt habitat. Een aanvullende inspectie naar geschikte voortplantingsplaatsen voor vliegend hert wordt noodzakelijk geacht, bij voorkeur in het bladerloze seizoen (hoofdstuk 6). Overige beschermde soorten Overige beschermde soorten, zoals Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie.

5.10 Planten De onderzoekslocatie bestaat deels uit bebouwing en verharding. Verder bestaat deze uit (verruigd) grasland en houtwallen, bosschages, bomenrijen en solitaire bomen. Tijdens het veldbezoek zijn onder andere de volgende algemene plantensoorten waargenomen: smalle weegbree, fluitenkruid, witte dovenetel, gewoon speenkruid, klimop, gewone berenklauw, gewone aronskelk, gewone smeerwortel, zilverschoon, hondsdraf,

21834.001 versie D2

26 / 43

madeliefje, paardenbloem, braam, grote brandnetel en kleefkruid. In de struweel- en boomlaag zijn soorten aanwezig als populier, wilde liguster, gewone vogelkers, zomereik, zwarte els, hazelaar, eenstijlige meidoorn, rode kornoelje en haagbeuk. Een aantal van deze soorten duiden erop dat de bodem plaatselijk voedselrijk en verstoord is. Streng beschermde soorten In de omgeving van de onderzoekslocatie zijn volgens verspreidingsgegevens uit de NDFF in de afgelopen 10 jaar geen waarnemingen bekend van streng beschermde soorten. Tevens zijn gedurende het veldbezoek geen beschermde vaatplanten aangetroffen. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde vaatplanten kan op basis van de quickscan worden uitgesloten.

21834.001 versie D2

27 / 43

6

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING

Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen.

6.1 Broedvogels Jaarrond beschermde broedvogels Grote gele kwikstaart De nesten van grote gele kwikstaart zijn het gehele jaar beschermd en vallen onder categorie 2 van vogelnesten. Dit zijn nesten van zeer plaatstrouwe broedvogels, of broedvogels afhankelijk van bebouwing. De soort is beschermd conform de Vogelrichtlijn, en artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. Conform de Wet natuurbescherming is het verboden vogels te doden en vangen, en nesten, rustplaatsen en eieren te vernielen of beschadigen, of nesten weg te nemen. Verder is het verboden om vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de gunstige staat van instandhouding van de soort. Indien op de onderzoekslocatie een nestlocatie van grote gele kwikstaart aanwezig is, hetgeen op basis van de huidige informatie niet uit te sluiten is, zal de voorgenomen ingreep kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Voorafgaand aan de voorgenomen plannen wordt een aanvullend onderzoek naar grote gele kwikstaart noodzakelijk geacht, in het broedseizoen van de soort. Het broedseizoen van grote gele kwikstaart loopt van begin maart tot en met eind juni. Bosuil De bosuil is een beschermde soort conform de Vogelrichtlijn en artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. De nesten van bosuil zijn het gehele jaar beschermd en vallen onder categorie 2 van vogelnesten.

Dit zijn nesten van plaatstrouwe broedvogels, of broedvogels afhankelijk van bebouwing. Conform de Wet natuurbescherming is het verboden vogels te doden en vangen, en nesten, rustplaatsen en eieren te vernielen of beschadigen, of nesten weg te nemen. Verder is het verboden om vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de gunstige staat van instandhouding van de soort. Indien op de onderzoekslocatie een nestlocatie van bosuil aanwezig is, hetgeen op basis van de huidige informatie niet uit te sluiten is, zal de voorgenomen ingreep kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. In eerste instantie dient een aanvullende inspectie op potentiële nestplaatsen van bosuil uitgevoerd te worden in het bladerloze seizoen. Indien potentieel geschikte nestlocaties aangetroffen worden tijdens betreffende inspectie, dient een aanvullend onderzoek naar bosuil uitgevoerd te worden in het broedseizoen van de soort. Het broedseizoen van bosuil loopt van begin januari tot en met eind juli.

21834.001 versie D2

28 / 43

Boomvalk, havik, ransuil, torenvalk, wespendief, rode wouw en zwarte wouw De nesten van boomvalk, havik, ransuil, torenvalk, wespendief, rode wouw en zwarte wouw zijn het gehele jaar beschermd en vallen onder categorie 3 van vogelnesten. Dit zijn nesten van zeer plaatstrouwe broedvogels die ieder jaar terugkeren naar een specifiek nest, omdat ze niet of nauwelijks in staat zijn om zelf een nest te bouwen. Deze soorten zijn niet in staat een geheel eigen nest te bouwen en maken gebruik van oude kraaiennesten of nesten waar zij eerder gebroed hebben, of ze bouwen een nieuw nest op het nest van het voorgaande jaar en zijn extra kwetsbaar voor verstoring. Hier vallen ook roofvogels onder die zich sinds kort aan het vestigen zijn in de provincie, waarvan de staat van instandhouding nog verre van gunstig is. Indien er op de onderzoekslocatie een nestlocatie van boomvalk, havik, ransuil, torenvalk, wespendief, rode wouw of zwarte wouw aanwezig is, hetgeen op basis van de huidige informatie niet is uit te sluiten, zal de voorgenomen ingreep kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Om alle potentiële roofvogel- of ransuilnesten in kaart te brengen, dient in eerste instantie een nesteninspectie plaats te vinden in het bladerloze seizoen.

Naar aanleiding van de bevindingen van deze inspectie, dient een aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden in het gecombineerde broedseizoen van de potentieel voorkomende roofvogels, dan wel ransuil. Het gecombineerde broedseizoen van deze soorten loopt van begin februari tot en met begin september. Categorie 4 broedvogels Buizerd en sperwer De buizerd en sperwer zijn beschermd conform de Vogelrichtlijn en artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. In Limburg vallen de nesten van deze soorten onder categorie 4, nesten van plaatstrouwe vogels die over voldoende flexibiliteit beschikken om zich elders te vestigen indien de nestplaats verloren gaat. Ze zijn echter dusdanig kwetsbaar dat de functionaliteit niet in het geding mag komen. Indien de omgeving van de bekende nestplaats vernietigd wordt, moet worden bepaald of er voldoende functionaliteit behouden blijft. Op de onderzoekslocatie is mogelijk sprake van een nest en functioneel leefgebied van buizerd en/of sperwer. In eerste instantie dient een aanvullende nesteninspectie in het bladerloze seizoen te worden uitgevoerd. Indien hieruit blijkt dat potentiële nesten van buizerd en sperwer aanwezig zijn, dient een aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden, in het broedseizoen van de soorten. Het broedseizoen van buizerd loopt van begin februari tot en met half juli.

Het broedseizoen van sperwer loopt van begin maart tot en met half juli. Spotvogel en kramsvogel De spotvogel en kramsvogel zijn beschermd conform de Vogelrichtlijn en artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. In Limburg vallen de nesten van deze soorten onder categorie 4, nesten van plaatstrouwe vogels die over voldoende flexibiliteit beschikken om zich elders te vestigen indien de nestplaats verloren gaat. Ze zijn echter dusdanig kwetsbaar dat de functionaliteit niet in het geding mag komen. Indien de omgeving van de bekende nestplaats vernietigd wordt, moet worden bepaald of er voldoende functionaliteit behouden blijft. Op de onderzoekslocatie is mogelijk sprake van nesten en functioneel leefgebied van spotvogel en kramsvogel. Echter zijn in de omgeving dusdanig veel alternatieven aanwezig, dat bij de voorgenomen plannen geen essen-

21834.001 versie D2

29 / 43

tieel leefgebied verloren zal gaan. Wel wordt aanbevolen om de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Zomertortel De zomertortel is beschermd conform de Vogelrichtlijn en artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. In Limburg vallen de nesten van deze soorten onder categorie 4, nesten van plaatstrouwe vogels die over voldoende flexibiliteit beschikken om zich elders te vestigen indien de nestplaats verloren gaat. Ze zijn echter dusdanig kwetsbaar dat de functionaliteit niet in het geding mag komen. Indien de omgeving van de bekende nestplaats vernietigd wordt, moet worden bepaald of er voldoende functionaliteit behouden blijft. Op de onderzoekslocatie is mogelijk een nestlocatie en functioneel leefgebied van de zomertortel aanwezig. Een aanvullend onderzoek naar zomertortel wordt noodzakelijk geacht, voorafgaand aan de voorgenomen plannen. Het aanvullend onderzoek dient uitgevoerd te worden in het broedseizoen van de soort. Het broedseizoen van zomertortel loopt van half april tot en met eind juli. Algemene broedvogels Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaatsvinden, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten.

Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen.

6.2 Vleermuizen De bebouwing en een aantal bomen op de onderzoekslocatie zijn in principe geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. De sloop of aantasting van de bebouwing, de kap van bomen of extra uitstraling van verlichting op bomen en/of bomenrijen zou in geval van aanwezigheid van een verblijfsfunctie of vliegroute van vleermuizen kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn. Gebouwbewonende vleermuizen Het zwembadcomplex met meerdere gebouwen wordt geschikt geacht voor gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Gelet op de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor vleermuizen, zal bij sloop of aantasting van de bebouwing aanvullend onderzoek noodzakelijk zijn om de daadwerkelijke functie van het gebied voor vleermuizen te kunnen vaststellen. Deze informatie is benodigd om vast te kunnen stellen of overtredingen van de Wet natuurbescherming aan de orde zijn.

21834.001 versie D2

30 / 43

De voormalige klimtoren met bijgebouw zijn potentieel tevens geschikt voor vleermuizen. In eerste instantie wordt een aanvullende inspectie aan de binnenzijde van de bebouwing aanbevolen, om te onderzoeken of sprake is van potentiële verblijfplaatsen en eventuele sporen. Naar aanleiding van deze inspectie en afhankelijk van de voorgenomen plannen, dient bepaald te worden of en naar welke soorten aanvullend onderzoek benodigd is. Boombewonende vleermuizen Op de onderzoekslocatie zijn bomen aanwezig welke geschikt worden geacht voor gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, baardvleermuis, gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis, vale vleermuis en franjestaart. Bij bomenkap of een toename in nachtelijke verlichting ten opzichte van de oorspronkelijke situatie, dient in eerste instantie een aanvullende inspectie uitgevoerd te worden om te bepalen of potentieel geschikt bomen aanwezig zijn binnen de invloedssfeer van de onderzoekslocatie. Naar aanleiding van de bevindingen gedurende deze inspectie, dient mogelijk een aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. Foerageerhabitat Op de onderzoekslocatie is mogelijk (essentieel) foerageerhabitat van vleermuizen aanwezig. Afhankelijk van de voorgenomen plannen, is mogelijk een aanvullend onderzoek naar foerageerhabitat noodzakelijk.

Aanbevolen wordt om contact op te nemen met de ecologisch deskundige, op het moment dat de voorgenomen plannen bekend zijn. Naar aanleiding van de betreffende plannen, kan bepaald worden of een aanvullend onderzoek naar foerageerhabitat noodzakelijk geacht wordt. Vliegroute van vleermuizen De bomenrijen op de onderzoekslocatie, doen mogelijk dienst als vliegroute voor in de omgeving voorkomende soorten als gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, watervleermuis, laatvlieger en gewone grootoorvleermuis. Bij bomenkap of een toename aan nachtelijke verlichting ten opzichte van de oorspronkelijke situatie, dient een aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden om te bepalen of de bomenrijen dienstdoen als essentiële vliegroute. Uitvoering Een dergelijk aanvullend onderzoek dient te worden uitgevoerd conform het protocol voor vleermuisonderzoek (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, 2021). Dit houdt in dat afhankelijk van de potentiële functies er in de periode april tot en met oktober een aantal veldbezoeken uitgevoerd dient te worden. Vervolgens kan aan de hand van de onderzoeksresultaten worden vastgesteld of er overtredingen plaats zullen vinden bij de uitvoering van het project.

Bij het aantreffen van verblijfplaatsen of een essentiële vliegroute van vleermuizen is bij de voorgenomen werkzaamheden overtreding van de Wet natuurbescherming naar verwachting niet te vermijden en is daarom een ontheffingsaanvraag aan de orde. Door het treffen van maatregelen zal de functionaliteit van een rust- of voortplantingsplaats behouden moeten worden en zal schade aan individuen moeten worden voorkomen. Deze maatregelen, omschreven in een activiteitenplan, dienen vervolgens ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de provincie Limburg, middels een ontheffingsaanvraag.

21834.001 versie D2

31 / 43

6.3 Overige zoogdieren Bever De bever is een beschermde inheemse diersoort en tevens opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang, die strikt moeten worden beschermd. De bever wordt ook benoemd in Bijlage II van de Conventie van Bern. Verder wordt de bever benoemd in artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming. Conform de Wet natuurbescherming is het verboden om de soort opzettelijk te doden of verwonden, vaste rust- of voortplantingsplaatsen te beschadigen en vernielen, of de soort opzettelijk te storen. Op de onderzoekslocatie is mogelijk sprake van vaste rust- en/of voortplantingsplaatsen van bever. Afhankelijk van de voorgenomen plannen, dient mogelijk een aanvullend onderzoek naar bever uitgevoerd te worden voorafgaand aan de plannen, conform het Kennisdocument Bever (BIJ12, versie juli 2017). Aanbevolen wordt om contact op te nemen met de ecologisch deskundige, op het moment dat de voorgenomen plannen bekend zijn. Das De das is een beschermde inheemse diersoort conform artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat het verboden is de soort opzettelijk te doden of te vangen, en vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of vernielen. Op de onderzoekslocatie is mogelijk sprake van een vaste rust- en/of voortplantingsplaats van das.

In eerste instantie dient een aanvullende inspectie naar dassensporen uitgevoerd te worden, in het bladerloze seizoen. Naar aanleiding van deze inspectie in combinatie met de voorgenomen plannen, dient bepaald te worden of mogelijk sprake is van verstoring van das, en of een aanvullend onderzoek naar das noodzakelijk wordt geacht. Het aanvullend onderzoek naar das dient uitgevoerd te worden conform het geldende Kennisdocument (BIJ12, 2017). Steenmarter De steenmarter is een beschermde inheemse diersoort conform artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat het verboden is de soort opzettelijk te doden of te vangen, en vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of vernielen. In Limburg geldt een vrijstellingsperiode voor steenmarter, van half augustus tot en met februari. Op de onderzoekslocatie is sprake van geschikt habitat in de vorm van takkenrillen en -hopen, en potentieel voor de soort toegankelijke bebouwing. Aanbevolen wordt om de verstorende werkzaamheden als het weghalen van takkenrillen en -hopen of het slopen of aantasten van bebouwing, conform een ecologisch werkprotocol uit te voeren in de vrijstellingsperiode van steenmarter, om overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van steenmarter te voorkomen.

Indien voorgaande niet mogelijk is, dient een aanvullend onderzoek naar steenmarter uitgevoerd te worden.

21834.001 versie D2

32 / 43

Eekhoorn De eekhoorn is een beschermde inheemse diersoort conform artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat het verboden is de soort opzettelijk te doden of te vangen, en vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of vernielen. In Limburg geldt een vrijstellingsperiode voor eekhoorn, in maart en april en juli tot en met november. Op de onderzoekslocatie is sprake van geschikt habitat voor eekhoorn, en mogelijk tevens eekhoornnesten. Aanbevolen wordt om de verstorende werkzaamheden, als bomenkap, conform een ecologisch werkprotocol uit te voeren in de vrijstellingsperiode van eekhoorn, om overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van eekhoorn te voorkomen. Indien voorgaande niet mogelijk is, dient een aanvullend onderzoek naar eekhoorn uitgevoerd te worden.

6.4 Reptielen Hazelworm en levendbarende hagedis De hazelworm en levendbarende hagedis zijn nationaal beschermde soorten, conform artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat het verboden is individuen te doden of verwonden, of vaste rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Op de onderzoekslocatie is mogelijk sprake van vaste rust- en voortplantingsplaatsen van hazelworm en levendbarende hagedis. Afhankelijk van de voorgenomen plannen, wordt een aanvullend onderzoek naar beide soorten noodzakelijk geacht. Het aanvullend onderzoek dient uitgevoerd te worden conform het geldende soortinventarisatieprotocol (Netwerk Groene Bureaus, versie 2017). Voor hazelworm en levendbarende hagedis geldt in Limburg daarnaast een vrijstellingsperiode. Voor hazelworm betreft het de periode juli tot en met september. Voor levendbarende hagedis betreft het de periode half augustus tot half oktober. De gecombineerde vrijstellingsperiode loopt daarmee van half augustus tot en met september. Verstorende werkzaamheden als het verwijderen van struweel of takkenrillen kunnen in deze periode conform een ecologisch werkprotocol uitgevoerd worden.

6.5 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden wanneer rust- of voortplantingslocaties worden aangetast. Aanbevolen wordt om de werkzaamheden conform een ecologisch werkprotocol uit te voeren.

21834.001 versie D2

33 / 43

6.6 Vissen Bij het dempen van jaarrond waterhoudende vijvers en beken, welke verbonden zijn met andere watergangen, zullen zonder maatregelen mogelijk vissen worden gedood, hetgeen een overtreding van de Wet natuurbescherming inhoudt. De te verwachten soorten vallen echter onder het provinciale soortenbeleid, zodat voor de werkzaamheden niet vooraf een ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Voor de te verwachten vissoorten geldt echter wel de algemene zorgplicht. Dit houdt in dat het doden van individuen redelijkerwijs vermeden dient te worden. Dit kan door het afvangen van vissen voorafgaande aan de dempingswerkzaamheden en het verplaatsen van de vis in de te handhaven watergangen in de directe omgeving. Aanbevolen wordt om ten tijde van de uitvoering de werkwijze vast te leggen in een ecologisch werkprotocol dat bij de uitvoerende partij onder de aandacht dient te worden gebracht.

6.7 Libellen De bosbeekjuffer is een nationaal beschermde soort, conform artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Daarmee is het verboden om individuen te doden of verwonden, en om vaste rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Op de onderzoekslocatie is mogelijk sprake van vaste rust- en voortplantingsplaatsen van bosbeekjuffer. Een aanvullend onderzoek naar bosbeekjuffer wordt noodzakelijk geacht. Betreffend onderzoek dient uitgevoerd te worden in het vliegseizoen van de soort.

6.8 Vlinders Grote vos, grote weerschijnvlinder en iepenpage De grote vos, grote weerschijnvlinder en iepenpage zijn nationaal beschermde soorten, conform artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Daarmee is het verboden om individuen te doden of verwonden, en om vaste rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Op de onderzoekslocatie is mogelijk sprake van vaste rust- en voortplantingsplaatsen van grote vos, grote weerschijnvlinder en iepenpage. Voorafgaand aan eventuele bomenkap, dient gecontroleerd te worden of betreffende bomen waardplant kunnen zijn van grote vos, grote weerschijnvlinder en iepenpage. Indien potentiële waardplanten in voldoende hoeveelheden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan de kap een aanvullend onderzoek naar betreffende soort uitgevoerd te worden. Kleine ijsvogelvlinder De kleine ijsvogelvlinder is een nationaal beschermde soort conform artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Daarmee is het verboden om individuen te doden of verwonden, en om vaste rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Op de onderzoekslocatie is mogelijk sprake van vaste rust- en voortplantingsplaatsen van kleine ijsvogelvlinder. Indien werkzaamheden plaatsvinden in de bosschages, houtwallen of struweel, dient voorafgaand een

21834.001 versie D2

34 / 43

aanvullende inspectie plaats te vinden naar de waardplanten van kleine ijsvogelvlinder. Indien hierbij waardplanten van kleine ijsvogelvlinder aangetroffen worden, dient voorafgaand aan de werkzaamheden een aanvullend onderzoek naar de soort uitgevoerd te worden. Teunisbloempijlstaart De teunisbloempijlstaart is een internationaal beschermde soort conform de Habitatrichtlijn, en artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming. Daarmee is het verboden om individuen te doden of verwonden, en om vaste rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Verder is het verboden om individuen opzettelijk te verstoren. Mogelijk is sprake van geschikt habitat voor de teunisbloempijlstaart. Een aanvullende inspectie naar waardplanten van teunisbloempijlstaart wordt noodzakelijk geacht, in het groeiseizoen van de betreffende waardplanten. Afhankelijk van het aangetroffene gedurende de aanvullende inspectie, dient mogelijk een aanvullend onderzoek naar teunisbloempijlstaart te worden uitgevoerd. Betreffend onderzoek wordt bij voorkeur uitgevoerd in het rupsstadium van de soort.

6.9 Vliegend hert Het vliegend hert is een nationaal beschermde soort conform artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Daarmee is het verboden om individuen te doden of verwonden, en om vaste rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Op de onderzoekslocatie is mogelijk sprake van geschikt habitat voor het vliegend hert. Aanbevolen wordt om in eerste instantie een aanvullende inspectie uit te voeren in het bladerloze seizoen, om de aan- of afwezigheid van voor vliegend hert geschikt habitat te kunnen vaststellen. Afhankelijk van de voorgenomen plannen, dient mogelijk een aanvullend onderzoek naar vliegend hert uitgevoerd te worden.

6.10 Overige soort(groep)en Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.

21834.001 versie D2

35 / 43

7

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING

In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen, op vanuit de Wet natuurbescherming aangewezen beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen.

7.1 Natura 2000 De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Geleenbeekdal, bevindt zich op circa 6,8 kilometer afstand ten zuiden van de onderzoekslocatie (zie figuur 7.1).

Figuur 7.1. Ligging onderzoekslocatie (gele pijl en rood omkaderd) ten opzichte van Natura 2000 gebieden (oranje vlakken).

De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect. Externe effecten als gevolg van licht, trilling en geluid als door de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet te verwachten. Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn vanwege de afstand tot het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, op voorhand niet uit te sluiten. Afhankelijk van de voorgenomen plannen, wordt in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming ten aan-

21834.001 versie D2

36 / 43

zien van stikstof vervolgonderzoek noodzakelijk geacht. Dit kan in eerste instantie worden onderzocht middels een modelberekening (AERIUS-calculator). Aanbevolen wordt om contact op te nemen met een ecologisch deskundige op het moment dat de plannen verder uitgewerkt zijn.

7.2 Natuurnetwerk Nederland In Limburg worden de goud- en zilvergroene natuurzone en de bronsgroene landschapszone gehanteerd. De goudgroene natuurzone vormt het Limburgse deel van het Nationaal Natuurnetwerk en hierbinnen streeft de provincie naar behoud en beheer van de reeds aanwezige natuur en de ontwikkeling van nieuwe natuur. Binnen de zilvergroene natuurzone staat het benutten van kansen voor natuur en landschap centraal, maar deze zone maakt geen onderdeel uit van het Nationaal Natuurnetwerk. De functionaliteit en effectiviteit van de goudgroene natuurzone worden wel ondersteund. De bronsgroene natuurzone omvat de landschappelijk waardevolle elementen rondom bestaande natuurgebieden. Echter, de zilvergroene natuurzones en bronsgroene land-schapszones maken wel onderdeel uit van het Provinciaal Natuurnetwerk. Een deel van de onderzoekslocatie maakt onderdeel uit van het Natuurnetwerk. Het betreft natuurbeheertypen N16.03 Droog bos met productie, N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos en N16.04 Vochtig bos met productie. In figuur 7.2 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van de verschillende onderdelen van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.

Figuur 7.2. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland (gekleurde vlakken).

21834.001 versie D2

37 / 43

De onderzoekslocatie is deels gelegen in, en deels aangrenzend gelegen aan, onderdelen van het Natuurnetwerk Nederland. Afhankelijk van de voorgenomen plannen, dient mogelijk een Nee, tenzij-toets uitgevoerd te worden. Aanbevolen wordt om contact op te nemen met een ecologisch deskundige, op het moment dat de plannen verder uitgewerkt zijn.

21834.001 versie D2

38 / 43

8

HOUTOPSTANDEN

De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. In figuur 7.3 zijn de grenzen van de bebouwde kom gespecificeerd. Deel van onderzoekslocatie binnen bebouwde kom (figuur 7.3) De bomen op de onderzoekslocatie vallen niet onder de definitie houtopstanden als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming. De houtopstand op de onderzoekslocatie is gelegen binnen de bij besluit van gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Voor deze houtopstand geldt daarom geen meldingsplicht en herplantplicht. Mogelijk geldt wel de gemeentelijke kapverordening. Deel van onderzoekslocatie buiten bebouwde kom (figuur 7.3) Eventueel te kappen bomen op de onderzoekslocatie vallen onder artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming, waardoor een meldingsplicht geldt voorafgaand aan de kap.

Tevens draagt de rechthebbende zorg voor de herbeplanting van dezelfde grond binnen drie jaar na het vellen van de houtopstand. Indien de herbeplanting van dezelfde grond binnen drie jaar na het vellen van de houtopstand gerealiseerd wordt, is er geen ontheffing van artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming benodigd. De kapmelding dient te worden ingediend bij de provincie Limburg.

21834.001 versie D2

39 / 43

Figuur 7.3. Begrenzing van de bebouwde kom (grijze vlakken; bron: ArcGis).

21834.001 versie D2

40 / 43

9

SAMENVATTING EN CONCLUSIES

Econsultancy heeft in opdracht van de gemeente Sittard-Geleen een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd aan de Sportcentrumlaan 5 en omgeving, te Sittard. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen herontwikkeling en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel 9.1. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel 9.1. Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen. Soortgroep

Broedvogels

Vleermuizen

Geschikt habitat

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Ontheffingsaanvraag

Bijzonderheden / opmerkingen*

algemeen

ja

ja

nee

nee

werkzaamheden buiten broedseizoen uitvoeren

jaarrond beschermd

ja

mogelijk

mogelijk

afhankelijk van afhankelijk van voorgenomen plannen nader onder- aanvullend onderzoek naar grote gele zoek kwikstaart, bosuil, boomvalk, havik, ransuil, rode wouw, torenvalk, wespendief en zwarte wouw

categorie 4 broedvogels

ja

mogelijk

mogelijk

afhankelijk van afhankelijk van voorgenomen plannen nader onder- aanvullend onderzoek naar buizerd, zoek sperwer en zomertortel

verblijfplaatsen

ja

mogelijk

mogelijk

afhankelijk van afhankelijk van voorgenomen plannen nader onder- aanvullend onderzoek naar gebouwbewozoek nende vleermuizen, aanvullende inspectie naar geschikte verblijfplaatsen voor boombewonende vleermuizen en aanvullende inspectie in voormalige klimtoren en bijgebouw

foerageergebied

ja

mogelijk

mogelijk

afhankelijk van aanvullend onderzoek mogelijk nodig, nader onder- afhankelijk van voorgenomen plannen zoek (overleggen met ecologisch deskundige)

21834.001 versie D2

41 / 43

Soortgroep

Geschikt habitat

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Ontheffingsaanvraag

Bijzonderheden / opmerkingen*

vliegroutes

ja

mogelijk

mogelijk

afhankelijk van aanvullend onderzoek naar vliegroutes nader onder- voor vleermuizen wordt noodzakelijk zoek geacht bij bomenkap of toename van verlichting op bomenrijen

Grondgebonden zoogdieren

ja

mogelijk

mogelijk

afhankelijk van afhankelijk van voorgenomen plannen nader onder- wordt aanvullend onderzoek naar bever zoek noodzakelijk geacht in eerste instantie wordt aanvullende inspectie naar das noodzakelijk geacht voor steenmarter en eekhoorn werken in vrijstellingsperiode conform ecologisch werkprotocol, of ook aanvullend onderzoek

Amfibieën

ja

mogelijk

nee

nee

Reptielen

ja

mogelijk

mogelijk

afhankelijk van afhankelijk van voorgenomen plannen nader onder- wordt aanvullend onderzoek naar levendzoek barende hagedis en hazelworm wordt noodzakelijk geacht mogelijk werken conform ecologisch werkprotocol in gecombineerde vrijstellingsperiode (half augustus – september)

Vissen

ja

mogelijk

nee

nee

Libellen en vlinders

ja

mogelijk

mogelijk

afhankelijk van afhankelijk van voorgenomen plannen, nader onder- aanvullend onderzoek of aanvullende zoek inspectie naar bosbeekjuffer, grote vos, grote weerschijnvlinder, iepenpage, kleine ijsvogelvlinder en teunisbloempijlstaart

Overige ongewervelden

mogelijk

mogelijk

mogelijk

afhankelijk van in eerste instantie wordt aanvullende inspectie inspectie naar habitat van vliegend hert noodzakelijk geacht

Vaatplanten

nee

nee

nee

nee

Gebiedsbescherming

Gebied aanwezig

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Vergunningplicht

Natura 2000

6,8 km

mogelijk

mogelijk

afhankelijk van contact opnemen met ecologisch deskunnader onder- dige op moment dat plannen verder zoek uitgewerkt zijn, mogelijk wordt oriënterend onderzoek middels AERIUS-calculator noodzakelijk geacht

21834.001 versie D2

werkzaamheden uitvoeren conform ecologisch werkprotocol

eventuele dempen van jaarrond houdend water uitvoeren conform ecologisch werkprotocol

-

42 / 43

Soortgroep

Geschikt habitat

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Ontheffingsaanvraag

Bijzonderheden / opmerkingen*

Natuurnetwerk Nederland

gelegen in

mogelijk

mogelijk

mogelijk

contact opnemen met ecologisch deskundige op moment dat plannen verder uitgewerkt zijn, mogelijk is dan een Neetenzij toets benodigd

Houtopstanden

ja

mogelijk

mogelijk

mogelijk

afhankelijk van bomenkap, geldt mogelijk artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming met meldingsplicht en herplantplicht

* Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uitkomst van het onderzoek.

Conclusie Op basis van onderhavige quickscan geldt, afhankelijk van de voorgenomen plannen, dat een aanvullend onderzoek naar diverse soortgroepen noodzakelijk wordt geacht. Voor een volledig overzicht van de betreffende soorten, wordt verwezen naar tabel 9.1. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht ten aanzien van amfibieën en grondgebonden zoogdieren. Tevens dient rekening gehouden te worden met het broedseizoen. Het wordt aanbevolen om de werkzaamheden op te starten, dan wel uit te voeren, buiten het broedseizoen. Het broedseizoen loopt globaal van maart tot en met half augustus. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden, wordt vanwege de ligging een oriënterend stikstofonderzoek middels AERIUS-calculator noodzakelijk geacht. Ten aanzien van Natuurnetwerk Nederland geldt dat contact opgenomen dient te worden met een ecologisch deskundige op het moment dat de plannen verder uitgewerkt zijn, om te bepalen of vervolgstappen benodigd zijn.

Ten aanzien van beschermde houtopstanden geldt bij kap buiten de bebouwde kom mogelijk artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming, met meldings- en herplantplicht. Aanbeveling Op basis van de huidige onderzoeksinspanning, kunnen geen conclusies getrokken worden over de daadwerkelijke aan- of afwezigheid van streng beschermde soorten. Wel kan gesteld worden dat, mits juridisch en ecologisch goed onderbouwd en mits voldoende mitigerende en versterkende maatregelen getroffen worden, op het gebied van soortenbescherming geen bezwaren worden voorzien bij de voorgenomen economische en/of maatschappelijke ontwikkeling.

Econsultancy 8 juni 2023

21834.001 versie D2

43 / 43

GERAADPLEEGDE BRONNEN Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J., Canters, K. & Buys, J. (2016). Atlas van de Nederlandse zoogdieren - Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. BIJ12 (2022). Kennisdocument huismus. Opgehaald van https://www.bij12.nl/wpcontent/uploads/2022/06/Kennisdocument-Huismus-Versie-2.0-juni-2022.pdf. BIJ12 (2017b). Kennisdocument gierzwaluw. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-006-KennisdocumentGierzwaluw-1.0.pdf. BIJ12 (2017c). Kennisdocument steenuil. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-019-KennisdocumentSteenuil-1.0.pdf. BIJ12 (2017d). Kennisdocument gewone dwergvleermuis. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-004Kennisdocument-Gewone-dwergvleermuis-1.0.pdf. Limpens H. & Regelink J. (2017). Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Ministerie van Economische Zaken (2016). Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (z.d.). Natura 2000 gebieden. Geraadpleegd op 15 mei 2023 van https://www.natura2000.nl/gebieden. Nationale Database Flora en Fauna (z.d.). Uitvoerportaal; zoekgebied Sittard e.o., periode 2013-2023. NDFF.

Geraadpleegd op 15 mei 2023 van https://ndff-ecogrid.nl. Sovon (z.d.). Soortenoverzicht. Geraadpleegd op 15 mei 2023 van https://stats.sovon.nl/stats/soorten. Verspreidingsatlas (z.d.). NDFF Verspreidingsatlas. Geraadpleegd op 15 mei 2023 van https://www.verspreidingsatlas.nl/. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus (2021). Vleermuisprotocol 2021. Opgehaald van https://netwerkgroenebureaus.nl/vleermuisprotocol. Wet natuurbescherming (2015, 16 december). Opgehaald van: https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2021-02-17.

Geraadpleegde websites www.limburg.nl (NNN en beschermde gebieden in Limburg) www.natuurgegevensprovincielimburg.nl (natuurgegevens provincie Limburg) www.ravon.nl (soortgegevens reptielen, amfibieën en vissen) www.sovon.nl (soortgegevens vogels) www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/ (Natura 2000-gebieden en Beschermde Natuurmonumenten) www.verspreidingsatlas.nl/ (verspreidingsgegevens NDFF) www.vlinderstichting.nl (soortgegevens libellen en vlinders) www.vogelbescherming.nl (soortgegevens vogels) www.zoogdiervereniging.nl (soortgegevens zoogdieren)

Bijlage 1 toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming Zorgplicht Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd (zie tabel II). Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. Tabel II. Zorgplicht Artikel 1.11. Zorgplicht 1.

Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorg houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nade lige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a) dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b) indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.

2.

Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; “de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. Deze formulering van de zorgplicht brengt met zich mee dat wanneer men een bepaalde handeling wilt verrichten die gevolgen voor natuurwaarden zou kunnen hebben, men zich daaraan voorafgaand op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van het voorgenomen handelen. De zorgplicht is te allen tijde van toepassing, ook al vindt er geen overtreding van een verbodsbepaling plaats. Indien er aanleiding is maatregelen te nemen ten aanzien van de zorgplicht, zal dat voor het betreffende beschermde natuurgebied en de betreffende soortgroep in deze rapportage worden aangegeven. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •

soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).

In tabel III t/m V worden deze artikelen nader toegelicht.

Tabel III. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.1 Wet natuurbescherming Artikel 3.1. Soorten van de Vogelrichtlijn Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

1. 2. 3. 4. 5.

Toelichting Alle inheemse vogelsoorten in Nederland vallen onder de Vogelrichtlijn. De Vogelrichtlijn is een richtlijn vanuit de Europese Unie uit 1979 en heeft betrekking op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de Lid staten waarop het Verdrag van toepassing is. De lijst met soorten is niet limitatief.

Tabel IV. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.5 Wet natuurbescherming Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn

1. 2. 3. 4. 5.

Het is verboden in het wild levende dieren van deze soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze dieren te beschadigen of te vernielen. Het is verboden planten van soorten uit de Habitatrichtlijn of het Verdrag van Bern in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Toelichting Het gaat bij artikel 3.5 over in het wild levende dieren van verschillende soortgroepen. In de wet wordt voor vogelsoorten uit bijlage II van het verdrag van Bern geen uitzondering gemaakt. Van de vogelsoorten die in Nederland voorkomen is hieronder een selectie gemaakt. Van de overige soortengroepen zijn alle soorten genoemd. Soorten Planten

drijvende waterweegbree, groenknolorchis, kruipend moerasscherm, zomerschroeforchis

Zoogdieren

bever, hamster, hazelmuis, lynx, Noordse woelmuis, otter, wolf, wilde kat

Walvisachtigen

bruinvis, bultrug, butskop (hille), dwergpotvis, dwergvinvis, gestreepte dolfijn, gewone dolfijn, gewone spitsdolfijn, gewone vinvis, griend, grijze dolfijn, kleine zwaardwalvis, narwal, Noordse vinvis, orka, potvis, spitsdolfijn van Gray, tuimelaar, walrus witflankdolfijn, witsnuitdolfijn, witte dolfijn

Vleermuizen

Bechsteins vleermuis, bosvleermuis, Brandts vleermuis, franjestaart, gewone baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, grote hoefijzerneus, grote rosse vleermuis, ingekorven vleermuis, kleine dwergvleermuis, kleine hoefijzerneus, laatvlieger, meervleermuis, mopsvleermuis, Noordse vleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis, vale vleermuis, watervleermuis

Amfibieën

boomkikker, geelbuikvuurpad, heikikker, kamsalamander, knoflookpad, poelkikker, rugstreeppad, vroedmeesterpad

Reptielen

dikkopschildpad, gladde slang, Kemps’ zeeschildpad, lederschildpad, muurhagedis, soepschildpad, zandhagedis

Vissen

houting, steur

Vlinders

apollovlinder, boszandoog, donker pimpernelblauwtje, grote vuurvlinder, moerasparelmoervlinder, monarchvlinder, pimpernelblauwtje, teunisbloempijlstaart, tijmblauwtje, zilverstreephooibeestje

Libellen

bronslibel, gaffellibel, gevlekte witsnuitlibel, groene glazenmaker, mercuurwaterjuffer, Noordse winterjuffer, oostelijke witsnuitlibel, rivierrombout, sierlijke witsnuitlibel

Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn Insecten

brede geelrandwaterroofkever, gestreepte waterroofkever, heldenbok, juchtleerkever, oeveraas, vermiljoenkever

Overig

Bataafse stroommossel, platte schijfhoren

Vogels

appelvink, baardman, beflijster, bergeend, bergfluiter, bijeneter, blauwborst, blauwe kiekendief, boerenzwaluw, bontbekplevier, bonte strandloper, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, boompieper, boomvalk, bosrietzanger bosruiter, bosuil, braamsluiper, brandgans, bruine kiekendief, buizerd, casarca, Cetti’s zanger, draaihals, duinpieper, dwergmeeuw, dwergstern, Engelse kwikstaart, Europese kanarie, fitis, fluiter, geelgors, gekraagde roodstaart, gele kwikstaart, geoorde fuut, glanskop, goudhaan, grasmus, graspieper, graszanger, grauwe kiekendief, grauwe klauwier, grauwe vliegenvanger, griel, groene specht, groenling, grote bonte specht, grote gele kwikstaart, grote karekiet, grote stern, grote zilverreiger, havik, heggenmus, hop, huiszwaluw, ijsvogel, kerkuil, klapekster, klein waterhoen, kleine barmsijs, kleine bonte specht, kleine karekiet, kleine plevier, kleine zilverreiger, kleinst waterhoen, kluut, kneu, koolmees, koereiger, kraanvogel, krekelzanger, kortsnavelboomkruiper, kruisbek, kuifmees, kwak, kwartelkoning, lepelaar, matkop, middelste bonte specht, nachtegaal, Noordse stern, oehoe, oeverloper, oeverpieper, oeverzwaluw, ooievaar, orpheusspotvogel, paapje, pestvogel, pimpelmees, poelruiter, porseleinhoen, purperreiger, putter, ransuil, rietgors, rietzanger, rode wouw, roerdomp, roodborst, roodborsttapuit, roodhalsfuut, rouwkwikstaart, sijs, slangenarend,

slechtvalk, smelleken, snor, sperwer, spotvogel, sprinkhaanzanger, steenuil, steltkluut, strandplevier, taigaboomkruiper, tapuit, tjiftjaf, torenvalk, tuinfluiter, velduil, visarend, visdief, vuurgoudhaan, wespendief, wielewaal, winterkoning, witbandkruisbek, witte kwikstaart, witwangstern, nachtzwaluw, woudaap, zeearend, zwarte mees, zwarte ooievaar, zwarte roodstaart, zwarte specht, zwarte stern, zwarte wouw, zwartkop, zwartkopmeeuw

Tabel V. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.10 Wet natuurbescherming Artikel 3.10. Andere soorten Het is verboden om: 1. 2. 3.

In het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, vlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A1, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen. De vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B2, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Toelichting Het gaat bij artikel 10 om in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, vlinders, libellen en kevers. Dieren zijn opgenomen in bijlage onderdeel A1. Planten zijn opgenomen in bijlage onderdeel B2 van de Wet natuurbescherming. Voor een aantal zoogdieren, amfibieën en reptielen geldt per provincie een vrijstelling onder bepaalde voorwaarden. Dit verschilt per provincie. De betreffende soorten zijn aangegeven met een sterretje. Daarnaast is het mogelijk dat sommige provincies ook ‘eigen’ beschermde soorten hanteren, als aanvulling op het landelijke. Soorten Dieren

Zoogdieren

aardmuis*, boommarter, bosmuis*, bunzing*, damhert, das, dwergmuis*, dwergspitsmuis*, edelhert, eekhoorn*, egel*, eikelmuis, gewone bosspitsmuis*, gewone zeehond, grote bosmuis, grijze zeehond, haas*, hermelijn*, huisspitsmuis*, konijn*, molmuis, ondergrondse woelmuis*, ree*, rosse woelmuis*, steenmarter*, tweekleurige bosspitsmuis*, veldmuis*, veldspitsmuis, vos*, waterspitsmuis, wezel*, wild zwijn, woelrat*

Amfibieën

Alpenwatersalamander, bruine kikker*, gewone pad*, kleine watersalamander*, meerkikker*, middelste groene kikker*, vinpootsalamander, vuursalamander

Reptielen

adder, hazelworm*, levendbarende hagedis*, ringslang

Vissen

beekdonderpad, beekprik, elrits, gestippelde alver, grote modderkruiper, kwabaal

vlinders

aardbeivlinder, bosparelmoervlinder, bruin dikkopje, bruine eikenpage, donker pimpernelblauwtje, duinparelmoervlinder, gentiaanblauwtje, grote parelmoervlinder, grote vos, grote vuurvlinder, grote weerschijnvlinder, iepenpage, kleine heivlinder, kleine ijsvogelvlinder, kommavlinder, pimpernelblauwtje, sleedoornpage, spiegeldikkopje, veenbesblauwtje, veenbesparelmoervlinder, veenhooibeestje, veldparelmoervlinder, zilveren maan

Libellen

beekrombout, bosbeekjuffer, donkere waterjuffer, gevlekte glanslibel, gewone bronlibel, hoogveenglanslibel, Kempense heidelibel, speerwaterjuffer

Overige soorten

Europese rivierkreeft, vliegend hert

Artikel 3.10. Andere soorten Planten

akkerboterbloem, akkerdoornzaad, akkerogentroost, beklierde ogentroost, berggamander, bergnachtorchis, blaasvaren, blauw guichelheil, bokkenorchis, bosboterbloem, bosdravik, brave hendrik, brede wolfsmelk, breed wollegras, bruinrode wespenorchis, de nnenorchis, dreps, echte gamander, franjegentiaan, geelgroene wespenorchis, geplooide vrouwenmantel, getande veldsla, gevlekt zonneroosje, glad biggenkruid, gladde zegge, groene nachtorchis, groensteel, groot spiegelklokje, grote bosaardbei, grote leeuwenklauw, honingorchis, kalkboterbloem, kalketrip, karthuizeranjer, karwijselie, kleine ereprijs, kleine schorseneer, stijve wolfsmelk, kleine wolfsmelk, kluwenklokje, knollathyrus, knolspirea, korensla, kranskarwij, kruiptijm, lange zonnedauw, liggende ereprijs, moerasgamander, muurbloem, naakte lathyrus, naaldenkervel, pijlscheefkalk, roggelelie, rood peperboompje, rozenkransje, ruw parelzaad, scherpkruid, schubvaren, schubzegge, smalle raai, spits havikskruid, steenbraam

Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Houtopstanden De bescherming van houtopstanden onder conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. Binnen de Wet natuurbescherming zijn op houtopstanden de artikelen van toepassing die zijn opgenomen in tabel VI. Tabel VI. Bescherming houtopstanden in de Wet natuurbescherming Artikel 4.1

De artikelen uitgezonderd artikel 4.6 zijn niet van toepassing op: a) Houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) Houtopstanden op erven of in tuinen; c) Fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) Naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) Kweekgoed; f) Wegbeplantingen, beplantingen langs waterwagen en eenrijige beplantingen langs landbouwgronden bestaande uit wilgen en populieren; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: 1. ten minste eens per tien jaar worden geoogst; 2. bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en 3. zijn aangelegd na 1 januari 2013.

Artikel 4.2

1. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaande melding daarvan bij gedeputeerde staten. 3. Gedeputeerde staten kunnen het vellen van houtopstanden telkens voor ten hoogste vijf jaar verbieden ter bescherming van bijzondere natuur- of landschapswaarden.

Artikel 4.3 lid 1 en 2

Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, of anderszins teniet is gegaan, draagt de rechthebbende zorg voor het op bosbouwkundig verantwoorde wijze herbeplanten van dezelfde grond binnen drie jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand. De rechthebbende vervangt binnen drie jaar na de herbeplanting, bedoeld in het eerste lid, herbeplanting die niet is aangeslagen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=SittardGeleen&id=efa27c47-9ea9-4962-9525-d93f47168685