Rapport quickscan natuurwaarden (21834.001 D2) Sportcentrumlaan 5 e.o. Sittard
Tekst van het document
4. 11 Specifieke zorgplicht Onder de specifieke zorgplicht vallen de in Nederland in het wild levende vogelsoorten genoemd in bijlage I van de Vogelrichtlijn en niet in de bijlage genoemde geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 2.4 tweede lid van de Vogelrichtlijn. Verder vallen hieronder de soorten uit bijlagen II IV en V van de Habitatrichtlijn en dier- en plantensoorten genoemd in de Rode Lijsten. ,
,
,
,
,
,
Een Rode lijst is een overzicht van levende soorten die uit Nederland zijn verdwenen of dreigen te verdwijnen. Dit wordt bepaald op basis van zeldzaamheid en/of negatieve trend. De lijsten worden periodiek vastgesteld door de Minister van Economische Zaken. De dier- en plantensoorten zijn onderverdeeld in categorieën. Naast vogels zijn er ook lijsten voor bijen dagvlinders haften kokerjuffers sprinkhanen krekels korstmossen landen zoetwaterweekdieren libellen mossen paddenstoelen platwormen sprinkhanen en krekels steenvliegen vissen en zoogdieren. ,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
Volgens de actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) zijn de volgende Rode Lijst soorten in de afgelopen 3 jaar waargenomen. Vogels Volgens verspreidingsgegevens uit de NDFF zijn de volgende Rode Lijst vogels waargenomen op de onderzoekslocatie: boomvalk grauwe vliegenvanger grote lijster koekoek kraanvogel nachtegaal oeverloper en wielewaal. Van de grote lijster en de wielewaal is ook een vastgesteld territorium bekend. Deze soorten kunnen ,
21834. 001 versie D2
,
,
,
,
,
23 / 51
gebruikmaken van de bosschages op de onderzoekslocatie om te broeden en/of foerageren. Voor oeverloper geldt dat deze hoogstwaarschijnlijk gebruik maakt van de oevers van de Visvijver en beken om te foerageren en broeden. Het wordt aanbevolen om de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren om verstoring van Rode Lijst vogels te allen tijde te voorkomen (hoofdstuk 5). ,
Overige zoogdieren Volgens verspreidingsgegevens uit de NDFF zijn de volgende Rode Lijst zoogdieren waargenomen op de onderzoekslocatie: haas en konijn. Deze soorten komen voor in (kleinschalige) graslanden open velden en open bossen. Het wordt aanbevolen om de werkzaamheden conform een ecologisch werkprotocol uit te voeren om verstoring van Rode Lijst zoogdieren te voorkomen (hoofdstuk 5). ,
,
Dagvlinders Volgens verspreidingsgegevens uit de NDFF zijn de volgende Rode Lijst dagvlinders waargenomen op de onderzoekslocatie: bruin blauwtje en kleine parelmoervlinder. Het bruin blauwtje en de kleine parelmoervlinder leven in open pioniervegetaties en schrale droge warme graslanden met kale grond. Dergelijk habitat is in de omgeving van de onderzoekslocatie voorhanden onder andere in het gebied de Schwienswei. Het wordt dan ook niet noodzakelijk geacht om maatregelen te treffen ten aanzien van bruin blauwtje en kleine parelmoervlinder. ,
Vaatplanten Volgens verspreidingsgegevens uit de NDFF zijn de volgende Rode Lijst vaatplanten waargenomen op de onderzoekslocatie: rapunzelklokje witte munt en Oosterse morgenster. Het rapunzelklokje komt voor in matig voedselrijke gras- en hooilanden maar ook in schrale wegbermen en langs spoorwegen. Ondanks dat de soort op de Rode Lijst staat is deze plaatselijk in Limburg nog veel aan te treffen. Aangezien in de omgeving van de onderzoekslocatie voldoende alternatieve groeiplaatsen voor rapunzelklokje voorhanden zijn bijvoorbeeld de graslanden in de Schwienswei en de wegbermen in de omgeving wordt het niet noodzakelijk geacht om maatregelen te treffen voor rapunzelklokje. De witte munt komt voor langs waterkanten in bermen graslanden op akkers ruderale plaatsen stortplaatsen omgewerkte grond braakliggende grond en langs spoorwegen. De soort is plaatselijk vrij algemeen in Zuid-Limburg. Gezien de soort in Zuid-Limburg vrij algemeen is en voldoende andere groeiplaatsen in de omgeving aanwezig zijn wordt het niet noodzakelijk om maatregelen te treffen voor de soort. De Oosterse morgenster heeft rivierdijken bermen in het rivierengebied hoge delen van de uiterwaarden en grasland als habitat. De soort is vrij sterk gebonden aan glanshavervegetaties die door de mens in stand worden gehouden door middel van maaien en hooien. De soort is zeer zeldzaam in Zuid-Limburg.
Een aanvullende inspectie wordt noodzakelijk geacht om te kunnen bepalen of groeiplaatsen van Oosterse morgenster aanwezig zijn op de onderzoekslocatie (hoofdstuk 5). ,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
Ongewervelden Volgens verspreidingsgegevens uit de NDFF zijn de volgende Rode Lijst ongewervelden waargenomen op de onderzoekslocatie: struikslak en wijngaardslak. Deze soorten komen voor in tuinen graslanden en loof- en gemengde bossen. Voor beide soorten zijn in de omgeving van de onderzoekslocatie voldoende alternatieven aanwezig in de vorm van de Schwienswei bosschages en (sier)tuinen. Het wordt dan ook niet noodzakelijk geacht om maatregelen te treffen ten aanzien van struikslak en wijngaardslak. ,
,
21834. 001 versie D2
,
24 / 51
5
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING
Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er schadelijke handelingen optreden die leiden tot een vergunningsplichtig geval. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Omgevingswet en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Omgevingswet op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen. ,
,
Broedvogels
5. 1
Jaarrond beschermde broedvogels Grote gele kwikstaart De nesten van grote gele kwikstaart zijn het gehele jaar beschermd en vallen onder categorie 2 van vogelnesten. Dit zijn nesten van zeer plaatstrouwe broedvogels of broedvogels afhankelijk van bebouwing. De soort is beschermd conform de Vogelrichtlijn en artikel 11.37 eerste lid Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) van de Omgevingswet. Conform de Omgevingswet is het verboden vogels te doden en vangen en nesten rustplaatsen en eieren te vernielen of beschadigen of nesten weg te nemen. Verder is het verboden om vogels opzettelijk te storen tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de gunstige staat van instandhouding van de soort. ,
,
,
,
,
,
,
,
Indien op de onderzoekslocatie een nestlocatie van grote gele kwikstaart aanwezig is hetgeen op basis van de huidige informatie niet uit te sluiten is zal de voorgenomen ingreep kunnen leiden tot overtreding van de Omgevingswet. Voorafgaand aan de voorgenomen plannen wordt een aanvullend onderzoek naar grote gele kwikstaart noodzakelijk geacht in het broedseizoen van de soort. Het broedseizoen van grote gele kwikstaart loopt van begin maart tot en met eind juni. ,
,
,
Bosuil De bosuil is een beschermde soort conform de Vogelrichtlijn en artikel 11.37 eerste lid Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). De nesten van bosuil zijn het gehele jaar beschermd en vallen onder categorie 2 van vogelnesten. Dit zijn nesten van plaatstrouwe broedvogels of broedvogels afhankelijk van bebouwing. Conform de Omgevingswet is het verboden vogels te doden en vangen en nesten rustplaatsen en eieren te vernielen of beschadigen of nesten weg te nemen. Verder is het verboden om vogels opzettelijk te storen tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de gunstige staat van instandhouding van de soort. ,
,
,
,
,
,
,
Indien op de onderzoekslocatie een nestlocatie van bosuil aanwezig is hetgeen op basis van de huidige informatie niet uit te sluiten is zal de voorgenomen ingreep kunnen leiden tot overtreding van de Omgevingswet. In eerste instantie dient een aanvullende inspectie op potentiële nestplaatsen van bosuil uitgevoerd te worden in het bladerloze seizoen. Indien potentieel geschikte nestlocaties aangetroffen worden tijdens betreffende inspectie dient een aanvullend onderzoek naar bosuil uitgevoerd te worden in het broedseizoen van de soort. Het broedseizoen van bosuil loopt van begin januari tot en met eind juli. ,
,
,
21834. 001 versie D2
25 / 51
Boomvalk havik ransuil torenvalk wespendief rode wouw en zwarte wouw De nesten van boomvalk havik ransuil torenvalk wespendief rode wouw en zwarte wouw zijn het gehele jaar beschermd en vallen onder categorie 3 van vogelnesten. Dit zijn nesten van zeer plaatstrouwe broedvogels die ieder jaar terugkeren naar een specifiek nest omdat ze niet of nauwelijks in staat zijn om zelf een nest te bouwen. Deze soorten zijn niet in staat een geheel eigen nest te bouwen en maken gebruik van oude kraaiennesten of nesten waar zij eerder gebroed hebben of ze bouwen een nieuw nest op het nest van het voorgaande jaar en zijn extra kwetsbaar voor verstoring. Hier vallen ook roofvogels onder die zich sinds kort aan het vestigen zijn in de provincie waarvan de staat van instandhouding nog verre van gunstig is. ,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
Indien er op de onderzoekslocatie een nestlocatie van boomvalk havik ransuil torenvalk wespendief rode wouw of zwarte wouw aanwezig is hetgeen op basis van de huidige informatie niet is uit te sluiten zal de voorgenomen ingreep kunnen leiden tot overtreding van de Omgevingswet. Om alle potentiële roofvogel- of ransuilnesten in kaart te brengen dient in eerste instantie een nesteninspectie plaats te vinden in het bladerloze seizoen. Naar aanleiding van de bevindingen van deze inspectie dient een aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden in het gecombineerde broedseizoen van de potentieel voorkomende roofvogels dan wel ransuil. Het gecombineerde broedseizoen van deze soorten loopt van begin februari tot en met begin september. ,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
Categorie 4 broedvogels Buizerd en sperwer De buizerd en sperwer zijn beschermd conform de Vogelrichtlijn en artikel 11.37 eerste lid Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). In Limburg vallen de nesten van deze soorten onder categorie 4 nesten van plaatstrouwe vogels die over voldoende flexibiliteit beschikken om zich elders te vestigen indien de nestplaats verloren gaat. Ze zijn echter dusdanig kwetsbaar dat de functionaliteit niet in het geding mag komen. Indien de omgeving van de bekende nestplaats vernietigd wordt moet worden bepaald of er voldoende functionaliteit behouden blijft. ,
,
,
,
Op de onderzoekslocatie is mogelijk sprake van een nest en functioneel leefgebied van buizerd en/of sperwer. In eerste instantie dient een aanvullende nesteninspectie in het bladerloze seizoen te worden uitgevoerd. Indien hieruit blijkt dat potentiële nesten van buizerd en sperwer aanwezig zijn dient een aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden in het broedseizoen van de soorten. Het broedseizoen van buizerd loopt van begin februari tot en met half juli. Het broedseizoen van sperwer loopt van begin maart tot en met half juli. ,
,
Spotvogel en kramsvogel De spotvogel en kramsvogel zijn beschermd conform de Vogelrichtlijn en artikel 11.37 eerste lid Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). In Limburg vallen de nesten van deze soorten onder categorie 4 nesten van plaatstrouwe vogels die over voldoende flexibiliteit beschikken om zich elders te vestigen indien de nestplaats verloren gaat. Ze zijn echter dusdanig kwetsbaar dat de functionaliteit niet in het geding mag komen. Indien de omgeving van de bekende nestplaats vernietigd wordt moet worden bepaald of er voldoende functionaliteit behouden blijft. ,
,
,
,
Op de onderzoekslocatie is mogelijk sprake van nesten en functioneel leefgebied van spotvogel en kramsvogel. Echter zijn in de omgeving dusdanig veel alternatieven aanwezig dat bij de voorgenomen plannen geen ,
21834. 001 versie D2
26 / 51
essentieel leefgebied verloren zal gaan. Wel wordt aanbevolen om de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Zomertortel De zomertortel is beschermd conform de Vogelrichtlijn en artikel 11.37 eerste lid Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). In Limburg vallen de nesten van deze soorten onder categorie 4 nesten van plaatstrouwe vogels die over voldoende flexibiliteit beschikken om zich elders te vestigen indien de nestplaats verloren gaat. Ze zijn echter dusdanig kwetsbaar dat de functionaliteit niet in het geding mag komen. Indien de omgeving van de bekende nestplaats vernietigd wordt moet worden bepaald of er voldoende functionaliteit behouden blijft. ,
,
,
,
Op de onderzoekslocatie is mogelijk een nestlocatie en functioneel leefgebied van de zomertortel aanwezig. Een aanvullend onderzoek naar zomertortel wordt noodzakelijk geacht voorafgaand aan de voorgenomen plannen. Het aanvullend onderzoek dient uitgevoerd te worden in het broedseizoen van de soort. Het broedseizoen van zomertortel loopt van half april tot en met eind juli. ,
Algemene broedvogels Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat indien de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaatsvinden er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 11.37 eerste lid Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) (Het is verboden nesten te beschadigen te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Omgevingswet wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. ,
,
,
,
,
5. 2
Vleermuizen
De bebouwing en een aantal bomen op de onderzoekslocatie zijn in principe geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. De sloop of aantasting van de bebouwing de kap van bomen of extra uitstraling van verlichting op bomen en/of bomenrijen zou in geval van aanwezigheid van een verblijfsfunctie of vliegroute van vleermuizen kunnen leiden tot overtreding van de Omgevingswet. ,
Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn. ,
Gebouwbewonende vleermuizen Het zwembadcomplex met meerdere gebouwen wordt geschikt geacht voor gewone dwergvleermuis ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Gelet op de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor vleermuizen zal bij sloop of aantasting van de bebouwing aanvullend onderzoek noodzakelijk zijn om de daadwerkelijke functie van het gebied voor vleermuizen te kunnen vaststellen. Deze informatie is benodigd om vast te kunnen stellen of overtredingen van de Omgevingswet aan de orde zijn. ,
,
21834. 001 versie D2
27 / 51
De voormalige klimtoren met bijgebouw zijn potentieel tevens geschikt voor vleermuizen. In eerste instantie wordt een aanvullende inspectie aan de binnenzijde van de bebouwing aanbevolen om te onderzoeken of sprake is van potentiële verblijfplaatsen en eventuele sporen. Naar aanleiding van deze inspectie en afhankelijk van de voorgenomen plannen dient bepaald te worden of en naar welke soorten aanvullend onderzoek benodigd is. ,
,
Boombewonende vleermuizen Op de onderzoekslocatie zijn bomen aanwezig welke geschikt worden geacht voor gewone dwergvleermuis ruige dwergvleermuis baardvleermuis gewone grootoorvleermuis rosse vleermuis vale vleermuis en franjestaart. Bij bomenkap of een toename in nachtelijke verlichting ten opzichte van de oorspronkelijke situatie dient in eerste instantie een aanvullende inspectie uitgevoerd te worden om te bepalen of potentieel geschikt bomen aanwezig zijn binnen de invloedssfeer van de onderzoekslocatie. Naar aanleiding van de bevindingen gedurende deze inspectie dient mogelijk een aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. ,
,
,
,
,
,
,
Foerageerhabitat Op de onderzoekslocatie is mogelijk (essentieel) foerageerhabitat van vleermuizen aanwezig. Afhankelijk van de voorgenomen plannen is mogelijk een aanvullend onderzoek naar foerageerhabitat noodzakelijk. Aanbevolen wordt om contact op te nemen met de ecologisch deskundige op het moment dat de voorgenomen plannen bekend zijn. Naar aanleiding van de betreffende plannen kan bepaald worden of een aanvullend onderzoek naar foerageerhabitat noodzakelijk geacht wordt. ,
,
,
Vliegroute van vleermuizen De bomenrijen op de onderzoekslocatie doen mogelijk dienst als vliegroute voor in de omgeving voorkomende soorten als gewone dwergvleermuis ruige dwergvleermuis watervleermuis laatvlieger en gewone grootoorvleermuis. Bij bomenkap of een toename aan nachtelijke verlichting ten opzichte van de oorspronkelijke situatie dient een aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden om te bepalen of de bomenrijen dienstdoen als essentiële vliegroute. ,
,
,
,
,
Uitvoering Een dergelijk aanvullend onderzoek dient te worden uitgevoerd conform het protocol voor vleermuisonderzoek (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus 2021). Dit houdt in dat afhankelijk van de potentiële functies er in de periode april tot en met oktober een aantal veldbezoeken uitgevoerd dient te worden. Vervolgens kan aan de hand van de onderzoeksresultaten worden vastgesteld of er overtredingen plaats zullen vinden bij de uitvoering van het project. ,
Bij het aantreffen van verblijfplaatsen of een essentiële vliegroute van vleermuizen is bij de voorgenomen werkzaamheden overtreding van de Omgevingswet naar verwachting niet te vermijden en is daarom een vergunningsaanvraag aan de orde. Door het treffen van maatregelen zal de functionaliteit van een rust- of voortplantingsplaats behouden moeten worden en zal schade aan individuen moeten worden voorkomen. Deze maatregelen omschreven in een activiteitenplan dienen vervolgens ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de provincie Limburg middels een vergunningsaanvraag. ,
,
,
21834. 001 versie D2
28 / 51
5. 3
Overige zoogdieren
Bever De bever is een beschermde inheemse diersoort en tevens opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. De bever wordt ook benoemd in Bijlage II van de Conventie van Bern. Verder wordt de bever benoemd in artikel 11.46 eerste lid (Bal) van de Omgevingswet. Conform de Omgevingswet is het verboden om de soort opzettelijk te doden of verwonden vaste rust- of voortplantingsplaatsen te beschadigen en vernielen of de soort opzettelijk te storen.
,
,
,
,
,
,
Op de onderzoekslocatie is mogelijk sprake van vaste rust- en/of voortplantingsplaatsen van bever. Afhankelijk van de voorgenomen plannen dient mogelijk een aanvullend onderzoek naar bever uitgevoerd te worden voorafgaand aan de plannen conform het Kennisdocument Bever (BIJ12 versie juli 2017). Aanbevolen wordt om contact op te nemen met de ecologisch deskundige op het moment dat de voorgenomen plannen bekend zijn. ,
,
,
,
Das De das is een beschermde inheemse diersoort conform artikel 11. 54 (Bal) van de Omgevingswet. Dat houdt in dat het verboden is de soort opzettelijk te doden of te vangen en vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of vernielen. ,
Op de onderzoekslocatie is mogelijk sprake van een vaste rust- en/of voortplantingsplaats van das. In eerste instantie dient een aanvullende inspectie naar dassensporen uitgevoerd te worden in het bladerloze seizoen. Naar aanleiding van deze inspectie in combinatie met de voorgenomen plannen dient bepaald te worden of mogelijk sprake is van verstoring van das en of een aanvullend onderzoek naar das noodzakelijk wordt geacht. Het aanvullend onderzoek naar das dient uitgevoerd te worden conform het geldende Kennisdocument (BIJ12 2017). ,
,
,
,
Steenmarter De steenmarter is een beschermde inheemse diersoort conform artikel 11. 54 (Bal) van de Omgevingswet. Dat houdt in dat het verboden is de soort opzettelijk te doden of te vangen en vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of vernielen. ,
In Limburg geldt een vrijstellingsperiode voor steenmarter van half augustus tot en met februari. Op de onderzoekslocatie is sprake van geschikt habitat in de vorm van takkenrillen en -hopen en potentieel voor de soort toegankelijke bebouwing. Aanbevolen wordt om de verstorende werkzaamheden als het weghalen van takkenrillen en -hopen of het slopen of aantasten van bebouwing conform een ecologisch werkprotocol uit te voeren in de vrijstellingsperiode van steenmarter om overtreding van de Omgevingswet ten aanzien van steenmarter te voorkomen. Indien voorgaande niet mogelijk is dient een aanvullend onderzoek naar steenmarter uitgevoerd te worden. ,
,
,
,
,
Eekhoorn De eekhoorn is een beschermde inheemse diersoort conform artikel 11. 54 (Bal) van de Omgevingswet. Dat houdt in dat het verboden is de soort opzettelijk te doden of te vangen en vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of vernielen. ,
21834. 001 versie D2
29 / 51
In Limburg geldt een vrijstellingsperiode voor eekhoorn in maart en april en juli tot en met november. Op de onderzoekslocatie is sprake van geschikt habitat voor eekhoorn en mogelijk tevens eekhoornnesten. Aanbevolen wordt om de verstorende werkzaamheden als bomenkap conform een ecologisch werkprotocol uit te voeren in de vrijstellingsperiode van eekhoorn om overtreding van de Omgevingswet ten aanzien van eekhoorn te voorkomen. Indien voorgaande niet mogelijk is dient een aanvullend onderzoek naar eekhoorn uitgevoerd te worden. ,
,
,
,
,
,
Hazelworm en levendbarende hagedis De hazelworm en levendbarende hagedis zijn nationaal beschermde soorten conform artikel 11. 54 (Bal) van de Omgevingswet. Dat houdt in dat het verboden is individuen te doden of verwonden of vaste rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. ,
,
Op de onderzoekslocatie is mogelijk sprake van vaste rust- en voortplantingsplaatsen van hazelworm en levendbarende hagedis. Afhankelijk van de voorgenomen plannen wordt een aanvullend onderzoek naar beide soorten noodzakelijk geacht. Het aanvullend onderzoek dient uitgevoerd te worden conform het geldende soortinventarisatieprotocol (Netwerk Groene Bureaus versie 2021). Voor hazelworm en levendbarende hagedis geldt in Limburg daarnaast een vrijstellingsperiode. Voor hazelworm betreft het de periode juli tot en met september. Voor levendbarende hagedis betreft het de periode half augustus tot half oktober. De gecombineerde vrijstellingsperiode loopt daarmee van half augustus tot en met september. Verstorende werkzaamheden als het verwijderen van struweel of takkenrillen kunnen in deze periode conform een ecologisch werkprotocol uitgevoerd worden. ,
,
5. 4
Algemene grondgebonden zoogdieren , Rode Lijst zoogdieren en amfibieën
Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 11. 54 (Bal) in. Voor de te verwachten soorten geldt op grond van het provinciale soortenbeleid bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling waardoor geen vergunning hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. ,
,
,
Het doden of verwonden kan plaatsvinden wanneer rust- of voortplantingslocaties worden aangetast. Aanbevolen wordt om de werkzaamheden conform een ecologisch werkprotocol uit te voeren.
5. 5
Vissen
Bij het dempen van de watergang zullen zonder maatregelen vissen worden gedood hetgeen een overtreding van de Omgevingswet inhoudt. De te verwachten soorten vallen echter onder een vrijstelling zodat voor de werkzaamheden niet vooraf een vergunning hoeft te worden aangevraagd. Voor de te verwachten vissoorten geldt echter wel de zorgplicht. Dit houdt in dat het doden van individuen redelijkerwijs vermeden dient te ,
,
21834. 001 versie D2
30 / 51
worden. Dit kan door het afvangen van vissen voorafgaande aan de dempingswerkzaamheden en het verplaatsen van de vis in de te handhaven watergangen in de directe omgeving. Aanbevolen wordt om ten tijde van de uitvoering de werkwijze vast te leggen in een ecologisch werkprotocol dat bij de uitvoerende partij onder de aandacht dient te worden gebracht. Aangezien een quickscan over het algemeen geen document is dat bij de uitvoering van de werkzaamheden wordt geraadpleegd wordt aanbevolen om voor de dempingswerkzaamheden een separaat ecologisch werkprotocol op te laten stellen. In het werkprotocol worden de benodigde maatregelen verwoord en de verantwoordelijkheden van de betrokken partijen vastgelegd. ,
5. 6
Libellen
De bosbeekjuffer is een nationaal beschermde soort conform artikel 11. 54 (Bal) van de Omgevingswet. Daarmee is het verboden om individuen te doden of verwonden en om vaste rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. ,
,
Op de onderzoekslocatie is mogelijk sprake van vaste rust- en voortplantingsplaatsen van bosbeekjuffer. Een aanvullend onderzoek naar bosbeekjuffer wordt noodzakelijk geacht. Betreffend onderzoek dient uitgevoerd te worden in het vliegseizoen van de soort.
5. 7
Vlinders
Grote vos , grote weerschijnvlinder en iepenpage De grote vos grote weerschijnvlinder en iepenpage zijn nationaal beschermde soorten conform artikel 11. 54 (Bal) van de Omgevingswet. Daarmee is het verboden om individuen te doden of verwonden en om vaste rusten voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. ,
,
,
Op de onderzoekslocatie is mogelijk sprake van vaste rust- en voortplantingsplaatsen van grote vos grote weerschijnvlinder en iepenpage. Voorafgaand aan eventuele bomenkap dient gecontroleerd te worden of betreffende bomen waardplant kunnen zijn van grote vos grote weerschijnvlinder en iepenpage. Indien potentiële waardplanten in voldoende hoeveelheden aanwezig zijn dient voorafgaand aan de kap een aanvullend onderzoek naar betreffende soort uitgevoerd te worden. ,
,
,
,
Kleine ijsvogelvlinder De kleine ijsvogelvlinder is een nationaal beschermde soort conform artikel 11. 54 (Bal) van de Omgevingswet. Daarmee is het verboden om individuen te doden of verwonden en om vaste rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. ,
Op de onderzoekslocatie is mogelijk sprake van vaste rust- en voortplantingsplaatsen van kleine ijsvogelvlinder. Indien werkzaamheden plaatsvinden in de bosschages houtwallen of struweel dient voorafgaand een aanvullende inspectie plaats te vinden naar de waardplanten van kleine ijsvogelvlinder. Indien hierbij waardplanten ,
21834. 001 versie D2
,
31 / 51
3
Econsultancy Part of Sweco
kleine
van
derzoek
ijsvogelvlinder aangetroffen worden,
naar de soort
uitgevoerd
dient
voorafgaand
de werkzaamheden
aan
aanvullend
een
on-
te worden.
Teunisbloempijlstaart De
teunisbloempijlstaart
is
internationaal
een
eerste
lid, (Bal) van de Omgevingswet.
vaste
rust-
voortplantingsplaatsen
en
beschermde
Daarmee
is het verboden
beschadigen
te
conform
soort
de
Habitatrichtlijn,
individuen te doden
om
artikel
en
11.46,
of verwonden,
of vernielen. Verder is het verboden
en
om
individuen opzet-
om
telijk te verstoren. Mogelijk
is
planten
van
sprake
derzoek
het
van
teunisbloempijlstaart
naar
rupsstadium van
5.8
Vliegend hert vliegend
teunisbloempijlstaart.
noodzakelijk geacht,
te worden
de aanvullende
uitgevoerd.
Een
aanvullende
in het groeiseizoen
van
de
inspectie
naar
betreffende
inspectie, dient mogelijk
Betreffend onderzoek wordt
nationaal beschermde soort conform
individuen te doden
om
de
een
waard-
waardplan-
aanvullend
bij voorkeur
on-
uitgevoerd
de soort.
hert is een
is het verboden
voor
wordt
aangetroffene gedurende
in het
Het
habitat
teunisbloempijlstaart
Afhankelijk
ten.
geschikt
van
of verwonden,
en
(Bal) van
artikel 11.54
om
vaste
rust-
en
de Omgevingswet.
voortplantingsplaatsen
Daarmee te bescha-
digen of vernielen. Op de onderzoekslocatie
is
mogelijk sprake
in eerste instantie
een
aanvullende
vliegend
hert
geschikt
van
voor
mogelijk
naar
vliegend
habitat
vaststellen. hert
voor
het
vliegend
hert.
in het bladerloze seizoen,
voeren
Afhankelijk
uitgevoerd
van
Aanbevolen de
om
aan-
de voorgenomen
of
wordt
om
afwezigheid
plannen,
dient
te worden.
Specifieke zorgplicht
5.9 Voor de
specifieke zorgplicht soorten geldt
habitats
van
den
geschikt
inspectie uit te
habitat te kunnen
aanvullend onderzoek
een
van
dat negatieve
gevolgen
deze soorten dienen te worden voorkomen.
Er dienen
getroffen,
worden
welke
worden
moeten
gemonitord
op effectiviteit
voor
belangrijke leefgebieden
of (geanonimiseerd) (geanonimi
passende preventieve maatregelen én
er
moeten
te wor-
passende herstelmaatregelen
getroffen.
Oosterse morgenster
Op de onderzoekslocatie staat
vermeld
habitat
van
op de
is sprake
Rode Lijst
Vaatplanten.
dat individuen
van
aanvullende
inspectie
de soort
van
21834.001
geschikt
de soort bestaat onder andere
voorkomen
zoen
van
de soort,
versie D2
naar
zijnde
mei
De
habitat soort
—
staat
rivierdijken
de soort ontwortelen
uitgevoerd
voor
en
bij de
te worden.
de Oosterse morgenster. op de betreffende
hoge
delen
van
voorgenomen
De Oosterse morgenster
lijst vermeld
uiterwaarden
en
als kwetsbaar.
graslanden.
Om
ingreep, dient in eerste instantie
Deze inspectie dient
plaats
te vinden
Het te een
in het bloeisei-
juli.
ij Ò
B A) € afl &
Zr
©)
32/51
5. 10 Overige soort(groep)en Overtredingen van de Omgevingswet ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden op basis van verspreidingsgegevens de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde. ,
21834. 001 versie D2
,
33 / 51
6
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING
In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen op vanuit de Omgevingswet aangewezen beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen. ,
6. 1
Natura 2000
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied Geleenbeekdal bevindt zich op circa 68 kilometer afstand ten zuiden van de onderzoekslocatie (zie figuur 6. 1). ,
,
Figuur 6. 1.
,
,
Ligging onderzoekslocatie (gele pijl en rood omkaderd) ten opzichte van Natura 2000 gebieden (oranje vlak-
ken). De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect betreft dit een extern effect. Externe effecten als gevolg van licht trilling en geluid als door de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn gezien de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet te verwachten. Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn vanwege de afstand tot het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied op voorhand niet uit te sluiten. Afhankelijk van de voorgenomen plannen wordt in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Omgevingswet ten aanzien van stikstof vervolgonderzoek noodzakelijk geacht. Dit kan in eerste instantie worden onderzocht middels een
,
,
,
,
,
21834. 001 versie D2
34 / 51
modelberekening (AERIUS-calculator). Aanbevolen wordt om contact op te nemen met een ecologisch deskundige op het moment dat de plannen verder uitgewerkt zijn.
6. 2
Natuurnetwerk Nederland
In Limburg worden de goud- en zilvergroene natuurzone en de bronsgroene landschapszone gehanteerd. De goudgroene natuurzone vormt het Limburgse deel van het Nationaal Natuurnetwerk en hierbinnen streeft de provincie naar behoud en beheer van de reeds aanwezige natuur en de ontwikkeling van nieuwe natuur. Binnen de zilvergroene natuurzone staat het benutten van kansen voor natuur en landschap centraal maar deze zone maakt geen onderdeel uit van het Nationaal Natuurnetwerk. De functionaliteit en effectiviteit van de goudgroene natuurzone worden wel ondersteund. De bronsgroene natuurzone omvat de landschappelijk waardevolle elementen rondom bestaande natuurgebieden. Echter de zilvergroene natuurzones en bronsgroene landschapszones maken wel onderdeel uit van het Provinciaal Natuurnetwerk. ,
,
Een deel van de onderzoekslocatie maakt onderdeel uit van het Natuurnetwerk. Het betreft natuurbeheertypen N16. 03 Droog bos met productie N15. 02 Dennen- eiken- en beukenbos en N16. 04 Vochtig bos met productie. In figuur 6. 2 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van de verschillende onderdelen van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven. ,
,
Figuur 6. 2 Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland (gekleurde vlakken).
21834. 001 versie D2
35 / 51
De onderzoekslocatie is deels gelegen in en deels aangrenzend gelegen aan onderdelen van het Natuurnetwerk Nederland. Afhankelijk van de voorgenomen plannen dient mogelijk een Nee tenzij-toets uitgevoerd te worden. Aanbevolen wordt om contact op te nemen met een ecologisch deskundige op het moment dat de plannen verder uitgewerkt zijn. ,
,
,
,
,
21834. 001 versie D2
36 / 51
7
HOUTOPSTANDEN
De Omgevingswet beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 11. 111 en artikel 11. 112 (Bal) van de Omgevingswet. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. In figuur 6. 3 zijn de grenzen van de bebouwde kom gespecificeerd. ,
Deel van onderzoekslocatie binnen bebouwde kom (figuur 6. 3) De bomen op de onderzoekslocatie vallen niet onder de definitie houtopstanden als bedoeld in artikel 11. 111 (Bal) van de Omgevingswet. De houtopstand op de onderzoekslocatie is gelegen binnen de bij besluit van gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Voor deze houtopstand geldt daarom geen meldingsplicht en herplantplicht. Mogelijk geldt wel de gemeentelijke kapverordening. Deel van onderzoekslocatie buiten bebouwde kom (figuur 6. 3) Eventueel te kappen bomen op de onderzoekslocatie vallen onder artikel 11. 111 (Bal) van de Omgevingswet waardoor een meldingsplicht geldt voorafgaand aan de kap. Tevens draagt de rechthebbende zorg voor de herbeplanting van dezelfde grond binnen drie jaar na het vellen van de houtopstand. Indien de herbeplanting van dezelfde grond binnen drie jaar na het vellen van de houtopstand gerealiseerd wordt is er geen vergunning van de Omgevingswet benodigd. De kapmelding dient te worden ingediend bij de provincie Limburg.
,
,
Figuur 6. 3. Begrenzing van de bebouwde kom (grijze vlakken; bron: ArcGis).
21834. 001 versie D2
37 / 51
8
SAMENVATTING EN CONCLUSIES
Econsultancy heeft in opdracht van de gemeente Sittard-Geleen een quickscan natuurwaarden uitgevoerd de Sportcentrumlaan 5 en omgeving te Sittard.
aan
,
De quickscan natuurwaarden is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen herontwikkeling en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn die volgens de Omgevingswet een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden houtopstanden die middels de Omgevingswet zijn beschermd of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. ,
,
,
De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel 8. 1. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Omgevingswet voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. ,
Tabel 8. 1. Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen. Soortgroep
Broedvogels
algemeen
Geschikt habitat
Ingreep
Nader on-Omgevingsderzoek aanvraag
Bijzonderheden / opmerkingen*
verstorend
ja
ja
nee
werkzaamheden buiten broedseizoen uit-
nee
voeren
jaarrond beschermd
ja
mogelijk
mogelijk
afhankelijk van afhankelijk van voorgenomen plannen nader onder-aanvullend onderzoek naar grote gele zoek kwikstaart , bosuil , boomvalk , havik , ransuil , rode wouw , torenvalk , wespendief en zwarte wouw
Vleermuizen
categorie 4 broedvogels
ja
mogelijk
mogelijk
afhankelijk van afhankelijk van voorgenomen plannen nader onder-aanvullend onderzoek naar buizerd , sperzoek wer en zomertortel
verblijfplaatsen
ja
mogelijk
mogelijk
afhankelijk van afhankelijk van voorgenomen plannen nader onder-aanvullend onderzoek naar gebouwbewozoek nende vleermuizen , aanvullende inspectie naar geschikte verblijfplaatsen voor boombewonende vleermuizen en aanvullende inspectie in voormalige klimtoren en bijgebouw
foerageergebied
ja
mogelijk
mogelijk
afhankelijk van aanvullend onderzoek mogelijk nodig , afnader onder-hankelijk van voorgenomen plannen zoek (overleggen met ecologisch deskundige)
21834. 001 versie D2
38 / 51
Geschikt habitat
Ingreep
verstorend
Nader on-Omgevingsaanvraag derzoek
vliegroutes
ja
mogelijk
mogelijk
afhankelijk van aanvullend onderzoek naar vliegroutes nader onder-voor vleermuizen wordt noodzakelijk gezoek acht bij bomenkap of toename van verlichting op bomenrijen
Grondgebonden zoogdieren
ja
mogelijk
mogelijk
afhankelijk van afhankelijk van voorgenomen plannen nader onder-wordt aanvullend onderzoek naar bever zoek noodzakelijk geacht
Soortgroep
Bijzonderheden / opmerkingen*
in eerste instantie wordt aanvullende inspectie naar das noodzakelijk geacht voor steenmarter en eekhoorn werken in
vrijstellingsperiode conform ecologisch werkprotocol , of ook aanvullend onderzoek Amfibieën
ja
mogelijk
nee
nee
werkzaamheden uitvoeren conform ecologisch werkprotocol
Reptielen
ja
mogelijk
mogelijk
afhankelijk van afhankelijk van voorgenomen plannen nader onder-wordt aanvullend onderzoek naar levendzoek barende hagedis en hazelworm wordt noodzakelijk geacht mogelijk werken conform ecologisch werkprotocol in gecombineerde vrijstellingsperiode (half augustus – september)
Vissen
ja
mogelijk
nee
nee
Libellen en vlinders
ja
mogelijk
mogelijk
afhankelijk van afhankelijk van voorgenomen plannen , nader onder-aanvullend onderzoek of aanvullende inzoek spectie naar bosbeekjuffer , grote vos , grote weerschijnvlinder , iepenpage , kleine ijsvogelvlinder en teunisbloempijlstaart
Overige ongewervelden
mogelijk
mogelijk
mogelijk
afhankelijk van inspectie
in eerste instantie wordt aanvullende inspectie naar habitat van vliegend hert noodzakelijk geacht
Vaatplanten
nee
nee
nee
nee
-
Rode Lijst soorten
ja
mogelijk
ja
nee
werken volgens ecologisch werkprotocol en aanvullende inspectie uitvoeren naar Oosterse morgenster in bloeiseizoen
eventuele dempen van jaarrond houdend water uitvoeren conform ecologisch werkprotocol
* Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uitkomst van het onderzoek.
21834. 001 versie D2
39 / 51
Gebiedsbescherming
Gebied aanwezig
Ingreep
verstorend
Nader on-Vergunningderzoek plicht
Natura 2000
68, km
mogelijk
mogelijk
afhankelijk van contact opnemen met ecologisch deskunnader onder-dige op moment dat plannen verder uitgezoek werkt zijn , mogelijk wordt oriënterend onderzoek middels AERIUS-calculator noodzakelijk geacht
Natuurnetwerk Nederland
gelegen in
mogelijk
mogelijk
mogelijk
contact opnemen met ecologisch deskundige op moment dat plannen verder uitge-
werkt zijn , mogelijk is dan een Nee-tenzij toets benodigd Houtopstanden
ja
mogelijk
mogelijk
mogelijk
afhankelijk van bomenkap , geldt mogelijk artikel 11. 111 (Bal van de Omgevingswet met meldingsplicht en herplantplicht
* Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uitkomst van het onderzoek.
Conclusie Op basis van onderhavige quickscan geldt afhankelijk van de voorgenomen plannen dat een aanvullend onderzoek naar diverse soortgroepen noodzakelijk wordt geacht. Voor een volledig overzicht van de betreffende soorten wordt verwezen naar tabel 8. 1. ,
,
,
Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Omgevingswet wegens het ontbreken van geschikt habitat het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht ten aanzien van amfibieën en grondgebonden zoogdieren. ,
Tevens dient rekening gehouden te worden met het broedseizoen. Het wordt aanbevolen om de werkzaamheden op te starten dan wel uit te voeren buiten het broedseizoen. Het broedseizoen loopt globaal van maart tot en met half augustus. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. ,
,
Ten aanzien van Natura 2000-gebieden wordt vanwege de ligging een oriënterend stikstofonderzoek middels AERIUS-calculator noodzakelijk geacht. Ten aanzien van Natuurnetwerk Nederland geldt dat contact opgenomen dient te worden met een ecologisch deskundige op het moment dat de plannen verder uitgewerkt zijn om te bepalen of vervolgstappen benodigd zijn. Ten aanzien van beschermde houtopstanden geldt bij kap buiten de bebouwde kom mogelijk artikel 11. 111 (Bal) van de Omgevingswet met meldings- en herplantplicht. ,
,
,
Aanbeveling Op basis van de huidige onderzoeksinspanning kunnen geen conclusies getrokken worden over de daadwerkelijke aan- of afwezigheid van streng beschermde soorten. Wel kan gesteld worden dat mits juridisch en ecologisch goed onderbouwd en mits voldoende mitigerende en versterkende maatregelen getroffen worden op het gebied van soortenbescherming geen bezwaren worden voorzien bij de voorgenomen economische en/of maatschappelijke ontwikkeling. ,
,
,
Econsultancy 26 juni 2024
21834. 001 versie D2
40 / 51
GERAADPLEEGDE BRONNEN Broekhuizen , S. , Spoelstra , K. , Thissen , J. , Canters , K. & Buys , J. (2016). Atlas van de Nederlandse zoogdieren - Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden , Leiden. BIJ12 (2022). Kennisdocument huismus. Opgehaald van https://www. bij12. nl/wp-content/uploads/2022/06/Kennisdocument-Huismus-Versie-2. 0-juni-2022. pdf. BIJ12 (2017b). Kennisdocument gierzwaluw. Opgehaald van https://www. bij12. nl/assets/BIJ12-2017-006-KennisdocumentGierzwaluw-1. 0. pdf. BIJ12 (2017c). Kennisdocument steenuil. Opgehaald van https://www. bij12. nl/assets/BIJ12-2017-019-KennisdocumentSteenuil-1. 0. pdf. BIJ12 (2017d). Kennisdocument gewone dwergvleermuis. Opgehaald van https://www. bij12. nl/assets/BIJ12-2017-004Kennisdocument-Gewone-dwergvleermuis-1. 0. pdf. Limpens H. & Regelink J. (2017). Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging , Nijmegen. Ministerie van Landbouw , Natuur en Voedselkwaliteit (z. d. ). Natura 2000 gebieden. Geraadpleegd op 15 mei 2023 van https://www. natura2000. nl/gebieden. Nationale Database Flora en Fauna (z. d. ). Uitvoerportaal; zoekgebied Sittard e.o. , periode 2013-2023. NDFF. Geraadpleegd op 15 mei 2023 van https://ndff-ecogrid. nl. Sovon (z. d. ). Soortenoverzicht. Geraadpleegd op 15 mei 2023 van https://stats. sovon. nl/stats/soorten. Verspreidingsatlas (z. d. ).
NDFF Verspreidingsatlas. Geraadpleegd op 15 mei 2023 van https://www. verspreidingsatlas. nl/. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus (2021). Vleermuisprotocol 2021. Opgehaald van https://netwerkgroenebureaus. nl/vleermuisprotocol. .
Geraadpleegde websites www. limburg. nl (NNN en beschermde gebieden in Limburg) www. natuurgegevensprovincielimburg. nl (natuurgegevens provincie Limburg) www. ravon. nl (soortgegevens reptielen , amfibieën en vissen) www. sovon. nl (soortgegevens vogels) www. synbiosys. alterra. nl/natura2000/ (Natura 2000-gebieden en Beschermde www. verspreidingsatlas. nl/ (verspreidingsgegevens NDFF) www. vlinderstichting. nl (soortgegevens libellen en vlinders) www. vogelbescherming. nl (soortgegevens vogels) www. zoogdiervereniging. nl (soortgegevens zoogdieren)
21834. 001 versie D2
Natuurmonumenten)
41 / 51
3
Econsultancy Part of Sweco
BIJLAGE
1 NATUURWETGEVING
EN
DOELEN
NATURA
2000
Natuurwetgeving Natura 2000 Deze
bijlage geeft achtergrondinformatie
onderzoekslocatie enkel
geeft
of nabij ten
wordt getoetst. Deze
beschrijving
een
beschermd
een
de
van
gebied
bijlage is niet toegespitst op
vigerende,
en
is gelegen, dan dient te worden
ingreep op de
de situatie op de onderzoekslocatie,
geldende, wetgeving.
1-1-2024
per
de voorgenomen
waaraan
bepaald
of
Indien
(extern)
er een
maar
plangebied
een
in
effect valt te verwach-
op Natura 2000.
Natura 2000 is de
benaming
voorkomen, gezien vanuit
voor
De staatssecretaris
aangewezen.
Gezamenlijk netwerk
samenhangend
Binnen
gebied
een
Rijk en provincies ecologische Het
kan
houdt
Wnb.
of
met
andere
Het doel
plannen
respect
voor
in
en
is
voor
Handelingen
die
een
waarden toegestaan.
om
het
in een
en
schermde
van
versie D2
grond
op
achteruitgang van
ecologie.
en
In
2000-gebieden
een
deel uit
de
van
de
van
een
vogel-
biodiversiteit.
zogenaamd beheerplan leggen
beheer
van
negatieve invloed Een vergunning
Samen
kan
geven
invulling
ze
een
2000-gebied, hebben
te realiseren
project
voor
afzonderlijk
maar een
dat
Natura
van
willen.
omwonen-
beleven, gebruiken
aan
2000-gebieden (bron: Regiegroep
staten
Natura
een
particulieren
ondernemers
en
betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers,
Natura
gedeputeerde
Natura
en
2000).
niet direct verband
of in
combinatie
2000-gebied (artikel
met
2.7, lid 2
Ow).
e
hebben
op
2000-gebieden,
Natura
is vereist. Door middel
van
voor
ij Ò
toetsing
en
slechts onder
strikte
vergunningsstelsel
afgegeven
worden
voor-
wordt
door het
een
bevoegd
handelingen mogelijke gevolgen voor beAlleen (de gebiedenbeschermingsbepalingen). 2000-gebieden bij | (geanonimiseerd) ingrepen waargezag
de
worden
het Nederlandse
De vergunningen zullen beoordeeld
grote nationale belangen zijn gemoeid,
21834.001
de
balans met wat
waterschappen.
significante gevolgen
provincie is bevoegd Natura
zorgvuldige alle direct
in de Nederlandse
zorgvuldige afweging gewaarborgd. De
van
fauna
en
fauna duurzaam
en
maken
Unie die zijn aangewezen
economie
tussen
overleg met
zonder vergunning
of projecten
in de Europese
flora
ruim 162 Natura
1,1 miljoen hectare. Ze
ruim
van
deze
men
Nederland
voor
Natura 2000 is het keren
per 1-1-2024 artikel 5.1, lid 1, sub
en
gezag.
van
natuurorganisaties
nodig
oppervlak
2000 wil
Met Natura
belangrijke flora
waarin
activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren
daarom
Daar draait het
Het is verboden
een
natuurgebieden
van
vast welke
opstellen gebeurt
beschermen.
ze
spanning optreden
doelen met
den, gemeenten,
perspectief.
natuurgebieden
van
Economische Zaken heeft
van
hebben
richtlijn en habitatrichtlijn.
Europees netwerk
een
Europees
een
beschermen.
mee
de natuurwetgeving
over
met
van
blijft het Rijk bevoegd
gezag.
B A) € afl &
Zr
©)
42/51
Doelen Natura 2000 Voor ieder Natura 2000-gebied geldt dat deze een specifiek internationaal belang heeft voor bepaalde soorten en/of habitattypen. Op grond van de staat van instandhouding en het relatief belang van soorten en habitattypen zijn de belangrijkste verbeteropgaven en doelen op landelijk niveau vastgesteld. Deze landelijke doelen vormen de kaders voor de formulering van instandhoudingdoelen op gebiedsniveau. Algemene doelen zijn behoud en indien van toepassing herstel van: • •
De bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de ecologische samenhang van Natura 2000 zowel binnen Nederland als binnen de Europese Unie; De bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de biologische diversiteit en aan de gunstige staat van instandhouding van natuurlijke habitats en soorten binnen de Europese Unie die zijn opgenomen in bijlage I of bijlage II van de Habitatrichtlijn. Dit behelst de benodigde bijdrage van het gebied aan het streven naar een op landelijk niveau gunstige staat van instandhouding voor de habitattypen en de soorten waarvoor het gebied is aangewezen; De natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied inclusief de samenhang van de structuur en functies van de habitattypen en van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen; De op het gebied van toepassing zijnde ecologische vereisten van de habitattypen en soorten waarvoor het gebied is aangewezen. ,
•
•
21834. 001 versie D2
,
43 / 51
BIJLAGE 2 NATUURWETGEVING Natuurnetwerk Nederland Natuurwetgeving Natuurnetwerk Nederland Deze bijlage geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie is getoetst. Deze bijlage is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende en per 1 januari 2024 geldende wetgeving. Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. ,
,
,
,
Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • Bestaande natuurgebieden waaronder de 20 Nationale Parken; Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; • • Landbouwgebieden beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren rivieren de Noordzee en de Waddenzee; • Alle Natura 2000-gebieden. ,
,
,
,
In de Omgevingswet staan de bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen in de omgevingsverordening (artikel 2.44 lid 4 en 5 Ow en artikel 7.6 lid 1 Bkl). ,
,
Initiatiefnemers van ingrepen binnen (of in de directe nabijheid van) het Natuurnetwerk Nederland dienen de effecten van de ingreep op kernkwaliteiten en omgevingscondities te onderzoeken. De omgevingscondities zullen ten opzichte van de oorspronkelijke situatie mogelijk veranderen. Dit zal middels nader onderzoek/toetsing inzichtelijk gemaakt moeten worden. Ingrepen die de natuur significant aantasten mogen niet worden toegestaan in het bestemmingsplan (“nee”) tenzij ze een groot openbaar belang dienen én er geen alternatieven zijn buiten de natuur. Als het toegestaan is is natuurcompensatie verplicht (op een andere plek moet dan nieuwe natuur komen). ,
,
,
21834. 001 versie D2
44 / 51
3
Econsultancy Part of Sweco
BIJLAGE
3 OMGEVINGSWET
Omgevingswet AFDELING
2.6 BIJZONDERE
TAKEN
$ 2.6.3 Bijzondere bevoegdheden
Minister
2000-gebieden 2. Onze
voor
aan
stelt
voor
en
landschap landschappen)
Stikstof wijst ter uitvoering
en
en
Stikstof kan ter uitvoering
Natuur
en
en
van
de
de
vogelrichtlijn
voor
Stikstof kan nationale de
omgevingsverordening
kunnen
gebieden
gebieden,
in het vierde lid, worden aangewezen
als
of de
gebieden die
voor
of de
habitatrichtlijn
Natura
vast.
habitatrichtlijn bijzondere
gebieden
vaststellen.
parken aanwijzen.
aangewezen met
die
vogelrichtlijn
instandhoudingsdoelstellingen
worden
bedoeld
van
daarbij instandhoudingsdoelstellingen
omgevingsverordening
5. Bij
ciale
natuur en
natuurgebieden aanwijzen
3. Onze Minister 4. Bij
en
Natuur
Minister voor Natuur
nationale
BEVOEGDHEDEN
(aanwijzing natuurgebieden
Artikel 2.44 1. Onze
EN
die behoren
uitzondering
van
tot
Natura
het natuurnetwerk
Nederland.
2000-
gebieden
gebieden
bijzondere provinciale natuurgebieden
en
of
als
bijzondere provin-
landschappen.
AFDELING
5.1 DE OMGEVINGSVERGUNNING
$ 5.1.1 Verbodsbepalingen Artikel 5.1
(omgevingsvergunningplichtige
1. Het is verboden
activiteiten
zonder omgevingsvergunning de
a.
een
afwijkomgevingsplanactiviteit,
eas
een
rijksmonumentenactiviteit,
een
ontgrondingsactiviteit,
een
stortingsactiviteit op
een
Natura
een
jachtgeweeractiviteit,
een
valkeniersactiviteit, tenzij het gaat
2. Het is verboden
activiteiten te verrichten:
zee,
2000-activiteit,
om
zonder omgevingsvergunning de
a.
een
bouwactiviteit,
b.
een
milieubelastende
c.
een
een
bij algemene maatregel
volgende
van
bestuur aangewezen
(geanonimiseerd) |
activiteiten te verrichten:
activiteit,
lozingsactiviteit op:
1°.
een
oppervlaktewaterlichaam,
2°.
een
zuiveringtechnisch werk,
d.
een
wateronttrekkingsactiviteit,
e.
een
mijnbouwlocatieactiviteit,
f.
een
21834.001
wet)
volgende
beperkingengebiedactiviteit
1°.
een
weg,
2°.
een
waterstaatswerk,
3°.
een
luchthaven,
versie D2
ij Ò
met
betrekking tot:
B A) € afl &
Zr
©)
45/51
4°. een hoofdspoorweg lokale spoorweg of bijzondere spoorweg 5°. een installatie in een waterstaatswerk een flora- en fauna-activiteit voor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval. ,
,
,
h.
,
§ 5. 1. 2 Reikwijdte aanvraag omgevingsvergunning en aanwijzing bevoegd gezag Artikel 5. 7 (aanvraag los of gelijktijdig) 1. Een aanvraag om een omgevingsvergunning kan naar keuze van de aanvrager op een of meer activiteiten betrekking hebben. 2. Met het oog op een doelmatig waterbeheer wordt een omgevingsvergunning voor wateractiviteiten in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen los aangevraagd van de omgevingsvergunning voor andere activiteiten als bedoeld in de artikelen 5. 1 en 5. 4. 3. Een omgevingsvergunning voor een activiteit waarbij de locatie van ondergeschikt belang is wordt in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen los aangevraagd van de omgevingsvergunning voor andere activiteiten. 4. Een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit en een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit met uitzondering van een als wateractiviteit aan te merken beperkingengebiedactiviteit worden gelijktijdig aangevraagd als: a. die activiteiten betrekking hebben op dezelfde ippc-installatie of b. op die activiteiten de Seveso-richtlijn van toepassing is. 5. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op aanvragen om wijziging van de voorschriften van een omgevingsvergunning. ,
,
,
,
,
,
,
,
Besluit kwaliteit leefomgeving AFDELING 7. 3 INSTRUCTIEREGELS MET HET OOG OP NATUURBESCHERMING § 7. 3. 1 Natuurnetwerk Nederland Artikel 7. 6 (aanwijzing en begrenzing natuurnetwerk Nederland) 1. Bij omgevingsverordening worden de gebieden die het natuurnetwerk Nederland bedoeld in artikel 2.44 vierde lid van de wet vormen aangewezen en wordt de geometrische begrenzing daarvan vastgelegd. 2. De militaire terreinen OT De Haar OT De Vlasakkers OT Havelte West OT Leusderheide OT Marnewaard en OT Oirschotse Heide genoemd in bijlage XIV onder A waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd maken geen deel uit van het natuurnetwerk Nederland. ,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
Artikel 7. 8 (beschermingsregime) 1. Bij omgevingsverordening worden in het belang van de bescherming instandhouding verbetering en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het natuurnetwerk Nederland regels gesteld over: a. regels in omgevingsplannen als bedoeld in artikel 4.2 eerste lid van de wet; en b. projectbesluiten als bedoeld in artikel 2.23 eerste lid aanhef en onder a onder 4° van de wet. ,
,
,
21834. 001 versie D2
,
,
,
,
,
46 / 51
2. De regels verzekeren in ieder geval dat de kwaliteit en oppervlakte van het natuurnetwerk Nederland niet achteruitgaan dat de samenhang tussen de gebieden van het natuurnetwerk wordt behouden en dat als binnen het natuurnetwerk activiteiten worden toegelaten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken of waarden van het natuurnetwerk deze gevolgen tijdig worden gecompenseerd zodanig dat de kwaliteit oppervlakte en samenhang van het natuurnetwerk behouden blijven. 3. Over militaire terreinen en terreinen met een militair object als bedoeld in artikel 5.150 eerste lid binnen het natuurnetwerk Nederland worden bij omgevingsverordening alleen regels gesteld die verzekeren dat tijdige compensatie plaatsvindt van de nadelige gevolgen voor het natuurnetwerk door terreinverharding en bouwactiviteiten op die terreinen. ,
,
,
,
,
,
,
Besluit activiteiten leefomgeving AFDELING 11. 1 ACTIVITEITEN MET MOGELIJKE GEVOLGEN VOOR NATURA 2000-GEBIEDEN OF BIJZONDERE NATIONALE NATUURGEBIEDEN § 11. 1. 1 Algemeen Artikel 11. 6 (specifieke zorgplicht) 1. Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 11.1 eerste lid verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang bedoeld in artikel 11.2 is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 2. De plicht bedoeld in het eerste lid houdt in ieder geval in dat: a. voorafgaand aan het verrichten van activiteiten in of in de directe nabijheid van een Natura 2000gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kennis wordt genomen van de informatie in het aanwijzingsbesluit van het gebied over de leefgebieden voor vogelsoorten natuurlijke habitats en habitats van soorten waarvoor het gebied is aangewezen en de daarvoor geldende instandhoudingsdoelstellin,
,
,
,
,
,
,
,
gen;
b. c.
wordt nagegaan of op voorhand op grond van objectieve gegevens verslechterende of significant verstorende gevolgen kunnen worden uitgesloten; als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor de leefgebieden natuurlijke habitats en habitats van soorten gelet op de instandhoudingsdoelstellingen; alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om verslechterende of significant verstorende gevolgen gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor het betrokken gebied te voorkomen; tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en het verrichten van de activiteit wordt gestaakt of als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is passende herstelmaatregelen worden getroffen als zich ondanks de getroffen ,
d.
,
,
e.
f.
,
,
21834. 001 versie D2
,
,
,
47 / 51
maatregelen verslechterende of significant verstorende gevolgen voordoen voor de leefgebieden tuurlijke habitats of habitats van soorten waarvoor het gebied is aangewezen. ,
,
na-
AFDELING 11. 2 ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT DIEREN OF PLANTEN IN HET WILD § 11. 2. 1 Algemeen Artikel 11. 27 (specifieke zorgplicht) 1. Degene die een flora- en fauna-activiteit of een activiteit als bedoeld in artikel 11.22 eerste lid onder b tot en met g verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen bedoeld in artikel 11.23 is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 2. Voor flora- en fauna-activiteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat: voorafgaand aan het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwea. zigheid op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van die locatie van: 1˚. van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn en niet in die bijlage genoemde geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4 tweede lid van die richtlijn; 2˚.
van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten genoemd in de bijlagen II IV en V bij de habitatrichtlijn; 3˚. dieren of planten van soorten genoemd in bijlage IX of in de rode lijsten bedoeld in artikel 2.19 vijfde lid onder a onder 3˚ van de wet; en 4˚. voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats; b. als deze aanwijzingen er zijn: wordt vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten hun nesten hun foerageerplaatsen hun voortplantingsplaatsen hun rustplaatsen en hun eieren of voor planten van die soorten; c. als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor dieren van die soorten hun nesten hun foerageerplaatsen hun voortplantingsplaatsen hun rustplaatsen en hun eieren of voor planten van die soorten; d. alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om die nadelige gevolgen te voorkomen; e. tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en f. het verrichten van de activiteit wordt gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen of als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is passende herstelmaatregelen worden getroffen. 3.