Notulen Ronde Raadzaal 4 april 2024
Tekst van het document
Notulen van de Ronde in Raadszaal op donderdag 4 april 2024 Tijdstip:
19.00-21.15 uur
1.1 Onderzoek klachtbehandeling (rekenkamer/portefeuille Verheijen)
19.00-20.00 uur
Aanwezig de voorzitter: de griffier:
D. Pfoster A. Lamers
de leden GOB: CDA: Stadspartij: GroenLinks/PvdA: D66: VVD: PVV: SPA: Lokaal Sittard-Geleen-Born: Burger Centraal PIT:
H.G. Vaasen P.T.H.M. Henssen C.H.H. Klingestijn A.E.H. Wielders B. Bonten J.M.H. Joosten M.H.J. Klaassen Ph. Winteraeken S.A.J. Klein E. Talpe
het college:
Burgemeester H. Verheijen
de rekenkamer:
Mevrouw D. Heesakkers (voorzitter)
ambtenaar:
Mevrouw Schoenmakers, Mevrouw Gillissen
notulen:
J. Poot (Notuleerservice Nederland)
Eerste termijn De voorzitter opent de vergadering en heet de aanwezigen welkom. Hij geeft aan dat er twee agendapunten aan de orde zijn. Het eerste agendapunt luidt: Onderzoek Klachtenbehandeling. Dit betreft het raadsvoorstel voor de behandeling van het rekenkameronderzoek naar de manier waarop de behandeling van klachten bij de gemeente is georganiseerd. Het voorstel is aan de orde geweest in de commissie Begroting en Verantwoording van maart 2024. De bespreking kan plaatsvinden in twee termijnen en hiervoor is 60 minuten ingepland. De voorzitter verzoekt de Rondeleden geen technische vragen te stellen. Mevrouw Joosten (VVD) geeft in een punt van orde aan dat de beantwoording van de schriftelijke vragen laat is binnengekomen, zodat zij zich niet voldoende heeft kunnen voorbereiden. Mevrouw Wielders (PvdA/GroenLinks) meldt dat dit bezwaar ook voor haar geldt. Het voorstel van de voorzitter om hiervoor vijf minuten te schorsen is voor haar geen oplossing. De heer Klein (Lokaal Sittard-Geleen-Born) heeft bij de beantwoording van de vragen gelezen dat PIT aanvullende informatie krijgt toegezonden. Zijn fractie zou deze informatie ook graag ontvangen.
1
De voorzitter geeft aan dat alle aanvullende informatie wordt toegevoegd in iBabs. De heer Talpe (PIT) vraagt of dit gaat over het toetsingskader waarom zijn fractie heeft gevraagd bij de schriftelijke vragen. Hij heeft de punten van het toetsingskader gelezen bij de beantwoording door het college. De heer Klein (Lokaal Sittard-Geleen-Born) heeft de indruk dat er nog meer informatie zal komen. De voorzitter stelt voor te beginnen met de behandeling van de agenda. Hij zal coulant zijn in geval van eventuele technische vragen. De heer Henssen (CDA) vraagt in een punt van orde of de Ronde in het vervolg kan afdwingen om de beantwoording op tijd te ontvangen. De voorzitter geeft aan dat er geen sprake kan zijn van ‘afdwingen’, maar het signaal zal via de griffie aan het college worden afgegeven. Hij geeft vervolgens het startsein voor de eerste termijn. De heer Vaasen (GOB) erkent dat zijn partij de vragen laat heeft ingeleverd.
Vervolgens heeft hij een aantal vragen en opmerkingen: Op welke termijn zal het college de vragen beantwoorden? Kan er door de rekenkamer gegarandeerd worden dat de persoon die een klacht indient in een veilige werkomgeving kan blijven? Hoe wordt dit vormgegeven? Is het beleidsdocument voor de raad beschikbaar? Zo ja, waar bevindt zich dit document? Kan het college meer duidelijkheid geven over het tijdspad van verschillende genoemde procedures? Voor het GOB is het efficiënt en gewenst om één klachtencoördinator aan te stellen om eenduidigheid en duidelijkheid in de procedure volgens welke er wordt gewerkt te waarborgen. Alleen een terugkoppeling naar de indiener, zoals omschreven , is volgens GOB geen adequate evaluatie, maar er zou een gesprek of briefwisseling moeten plaatsvinden met de klager over de gevolgde procedure en met een conclusie. Evaluatie moet volgens GOB nadrukkelijk meegenomen worden in de afronding. Een klanttevredenheidsonderzoek niet het juiste instrument. Mevrouw Wielders (PvdA/GroenLinks) heeft een aantal opmerkingen inzake het onderzoeksrapport van de rekenkamer. Aanbevelingen meenemen, zoals wordt gesteld, is niet hetzelfde als ‘overnemen’ en haar fractie verneemt graag welke SMART-doelen er geformuleerd worden.
Met betrekking tot de procedures geeft zij aan dat de servicenormen met betrekking tot de klachten dienen te worden geformuleerd; dat er functieprofiel moet worden opgemaakt van degenen die de klachten behandelen; dat er een evaluatietraject moet worden beschreven; dat er verbeterstappen moeten worden benoemd als een onvoldoende evaluatie gesignaleerd wordt; dat de raad jaarlijks of tweejaarlijks geïnformeerd wordt. Met betrekking tot de inhoud van het onderzoeksrapport geeft zij aan dat de PvdA/GroenLinks weinig duidelijkheid heeft gekregen over de afhandeling van klachten, aangezien er geen evaluatie plaatsvindt; dat in de kwaliteitscirkel van PDAC de stappen Act en Check niet plaatsvinden en deze moeten inhoudelijk worden toegevoegd, zodat een waardeoordeel kan worden gegeven over het omgaan met klachten; dat de gemeente serieus moet omgaan met de klachten, aangezien hier veel van geleerd kan worden; dat de communicatie en de bereikbaarheid met ambtenaren verbeterd moet worden.
2
De heer Bonten (D66) geeft aan dat voor D66 de derde aanbeveling, leren en evalueren van klachtenbehandeling, de belangrijkste is. De heer Bonten wil weten wanneer de raad wordt geïnformeerd over de implementatie en het tijdpad. De heer Klein (Lokaal Sittard-Geleen-Born) geeft aan dat voor zijn partij een goede klachtenafhandeling essentieel is voor een gezonde democratie, een goede bestuurscultuur en om angstcultuur tegen te gaan. Daarom vraagt de heer Klein hoe de veiligheid is geborgd. De fractie Lokaal Sittard-Geleen-Born krijgt veel klachten over ongelijke behandeling uit diverse geledingen. Het komt de heer Klein voor dat in de klachtenafhandeling de klager wordt gezien als ‘vijand’ en dit belemmert de goede afloop van de klachtenbehandeling. Lokaal Sittard-Geleen-Born is van mening dat alle signalen die wijzen op een klacht in behandeling moeten worden genomen. Voor de rekenkamer heeft de heer Klein de volgende vragen: Is er onderzocht of er onderscheid is gemaakt tussen klachten en meningsverschillen? Zo ja, zijn de meningsverschillen meegenomen in de tellingen? En wie heeft bepaald of er sprake is ven een klacht of een meningsverschil? De heer Klein heeft ervaren dat veel klachten worden beschouwd als een meningsverschil en derhalve niet in behandeling worden genomen, zodat de gemeente hier geen weet van heeft.
Ook heeft de heer Klein zijn twijfels over de juistheid van de informatievoorziening, die wellicht is gecensureerd door het college. Voorts stelt de heer Klein dat de controle van raadsleden door de burgemeester wordt gedaan, maar in het rapport staat dat de raad hiervoor verantwoordelijk is. De locoburgemeester controleert volgens het rapport de burgemeester, maar volgens de heer Klein is het fractieoverleg hiervoor bedoeld. Graag hoort de heer Klein of wat er wordt geschreven in het rapport ook klopt. De heer Klein citeert uit het document en geeft aan dat bij ‘Doelstellingen’ wordt geschreven dat aanbevelingen niet worden overgenomen, omdat ze al van toepassing zouden zijn. De eerste doelstelling is om zo snel mogelijk contact op te nemen met de klagers en hij vraagt of dit wel van toepassing is. Hij weet uit de praktijk dat dat niet gebeurt. Lokaal Sittard-Geleen-Born ontvangt tevens veel klachten over de afhandeling van rechtszaken. De heer Klein stelt dat er nooit een diepgaande evaluatie heeft plaatsgevonden met betrekking tot de klachtenbehandeling, hoewel het rapport doet voorkomen dat de gemeente ieder jaar evalueert en hiervan leert. Hier herkent de heer Klein zich niet in. Aan de hand van een voorbeeld illustreert de heer Klein dat de veiligheid van klagers niet is geborgd, de klager in dit geval is vertrokken en er niet is geëvalueerd.
Dit toont tevens aan dat er zaken niet in het rapport terecht zijn gekomen. De heer Klingestijn (Stadspartij) geeft aan dat een actief klachtenafwikkelingsproces tevens bijdraagt aan het vertrouwen van de burgers in de gemeente. Evaluatie en streven naar verbetering is daarom belangrijk. De Stadspartij is voorstander van het instellen van een centrale klachtencoördinator die kan zorgen voor een duidelijke lijn van communicatie. De heer Klingestijn vraagt zich af hoe het samenwerkingsproces tussen de teammanagers als aanspreekpunt verloopt. Wellicht kan de instelling van een centrale klachtencoördinator de efficiëntie ten goede komen. Met betrekking tot de servicenormen vraagt de Stadspartij over er sprake is van monitoring. Mevrouw Joosten (VVD) vraagt namens haar fractie wat er effectief gerealiseerd gaat worden, wat er wordt geëvalueerd en wat de verbeterstappen zijn. Aan de portefeuillehouder vraagt mevrouw Joosten of hij bekend is met de signalen van onveiligheid en zo ja, wat wordt hiermee gedaan? Aan de rekenkamer vraagt de VVD of zij het eens is met de mening van het bestuur dat een aantal aanbevelingen niet van toepassing is. De heer Talpe (PIT) geeft aan dat zijn fractie tevreden is met de inhoud van het rapport, zoals dat uiteindelijk is toegespitst op de gemeente Sittard-Geleen. Ook de antwoorden van het college op de technische vragen zijn voor PIT duidelijk.
3
Het is voor zijn fractie belangrijk om erachter te komen hoe de indieners van de klachten de afhandeling hebben ervaren en de heer Talpe verneemt graag of dit ook geldt voor de andere fracties. De heer Klaassen (PVV) verwijst naar een passage in het nawoord van de rekenkamer, waarin zij in subjectieve bewoordingen een oordeel uitspreekt. Hij vraagt zich af of een dergelijke emotionele uitlating past bij de rol van de rekenkamer. Hij stelt voor om dergelijke subjectieve uitlatingen in een rapport achterwege te laten. Bovendien is de score misschien helemaal geen aanleiding om verheugd over te zijn. Hij vraagt de rekenkamer of zij bewust heeft gekozen voor deze bewoordingen. Mevrouw Winteraeken (SPA) pleit namens haar fractie voor inspraak van de klager in het proces en de afhandeling van de klacht. SPA sluit zich aan bij de eerdere sprekers over de aanstelling van één coördinator ten behoeve van de duidelijkheid wie de verantwoording draagt. De heer Henssen (CDA) vraagt aandacht voor de slechte bereikbaarheid en de onvindbaarheid van informatie voor het melden van klachten. Ook het terugbellen laat te wensen over. Mevrouw Heesakkers (voorzitter rekenkamer) geeft aan dat het onderzoeksbureau niet vertegenwoordigd is, aangezien dit een landelijk onderzoek betreft waarvan de gemeente Sittard-Geleen deel uit maakt.
Eventuele vragen die zij niet kan beantwoorden zal zij doorsturen naar het onderzoeksbureau. Zij erkent dat evaluatie een belangrijk onderdeel van de procedure is. Het college bepaalt de wijze waarop deze plaatsvindt. In het rapport staat tevens bevestigd dat een klanttevredenheidsonderzoek slechts een manier is om aan te geven hoe een klacht is afgehandeld. In antwoord op de vraag van mevrouw Wielders, die verwijst naar de PDCA-cyclus, geeft zij aan dat de rekenkamer erkent dat er elementen bij de evaluatie ontbreken. Deze worden genoemd in de aanbevelingen. Mevrouw Heesakkers zal de vraag van de heer Klein inzake het onderscheid tussen klacht en meningsverschil doorgeven aan het onderzoeksbureau. Dit geldt eveneens voor de vragen over het verzamelen van informatie en de controle van de raadsleden en de burgemeester. Mevrouw Heesakkers zegt toe hierop terug te komen vóór de raadsbehandeling. In antwoord op de vraag van de VVD verwijst mevrouw Heesakkers naar de factsheet waarin wordt beschreven welke aanbevelingen wel en welke niet van toepassing zijn op de gemeente Sittard-Geleen. De opmerking in het nawoord, waar de heer Klaassen (PVV) aan refereert is bedoeld als compliment. De heer Klaassen (PVV) vraagt alsnog of de rekenkamer het als haar taak beschouwt om een waardoordeel te geven.
Mevrouw Heesakkers (voorzitter rekenkamer) bestrijdt dat het hier om een waardeoordeel gaat. De heer Klaassen (PVV) stelt voor dergelijk uitlatingen voortaan achterwege te laten om misverstanden te voorkomen. De heer Verheijen (burgemeester) stelt voor om ter compensatie van de beperkte voorbereidingstijd deels in te gaan op de schriftelijke technische vragen. Hij merkt op dat de vragen van het GOB zeer laat zijn ingediend en men heeft zich maximaal ingespannen om nu al met een beantwoording te komen. Allereerst zegt de heer Verheijen toe dat er in het 4e kwartaal 2024 een nader voorstel zal worden aangeboden, waarin zal worden beschreven wat er met de aanbevelingen uit het rapport van de rekenkamer wordt gedaan. De heer Verheijen zal bij zijn overwegingen betrekken dat veel fracties aangaven een voorkeur te hebben voor één centraal aanspreekpunt. Met betrekking tot de informele afdoening geeft de heer Verheijen aan dat de insteek is om eruit te komen tot tevredenheid van beide partijen. In veel gevallen leidt het gesprek hierbij tot genoegdoening van de partij die voornemens is een klacht in te dienen en komt het niet tot een formele afwikkeling. Ook de heer Verheijen bereiken signalen dat de telefonische bereikbaarheid en de bejegening soms onvoldoende zijn. Hij deelt mee dat er op 23 mei 2024 specifiek hierover een themasessie zal plaatsvinden gericht op dienstverlening.
4
De heer Verheijen geeft aan dat het college jaarlijks de wijze van klachtenafhandeling monitort en de raad hierover informeert. Dit staat ook beschreven in de bestuurlijke reactie. Het voorstel dat in het 4e kwartaal wordt voorgelegd aan de raad zal ook duidelijkheid geven over de formulering van de servicenormen. De heer Bonten (D66) vraagt wanneer de raad wordt geïnformeerd. De heer Verheijen geeft aan dat dit in het 4e kwartaal 2024 zal zijn, als het college een voorstel doet aan de raad over hoe de aanbevelingen die door de rekenkamer zijn gedaan zijn verwerkt. De heer Vaasen (GOB) herhaalt zijn vraag over de garantie voor de veiligheid van de klagers. Mevrouw Schoenmakers (ondersteunend ambtenaar) beschrijft op welke wijze de schriftelijke klachten worden ingediend en behandeld. Er is een aantal drempels ingebouwd om de veiligheid te garanderen. Voorts gaat zij ervan uit dat de behandelend ambtenaar, die een eed heeft afgelegd, integer omgaat met de klachten die worden ingediend. Mevrouw Wielders (PvdA/GroenLinks) is van mening dat het te lang duurt voordat er geëvalueerd wordt en stelt voor om eerder een evaluatiemoment in te lassen en de bevindingen hieruit mee te nemen naar het 4e kwartaal. Mevrouw Schoenmakers (ondersteunend ambtenaar) geeft aan dat er meestal telefonisch contact is met de klagers.
In deze communicatie wordt er ook naar de bevindingen van de klager gevraagd. Mocht er reden zijn voor ontevredenheid, dan verwijst de behandelend ambtenaar de klager naar de Nationale Ombudsman. Het zou wellicht te veel tijd in beslag nemen om alle klagers nu al afzonderlijk te gaan evalueren. Mevrouw Wielders (PvdA/GroenLinks) geeft aan dat de raad geen informatie krijgt over de reactie van de klagers. De heer Klein (Lokaal Sittard-Geleen-Born) heeft de overtuiging dat het fractievoorzittersoverleg het mandaat heeft om een besluit te nemen over een klacht en niet de (loco)burgemeester. De heer Verheijen geeft aan dat dit mandaat ligt bij de loco burgemeester. De heer Talpe (PIT) ziet graag dat de verklaringen van de indiener van de klacht over de afhandeling in het voorstel worden opgenomen. De heer Verheijen deelt mee dat dit wordt meegenomen in de bredere uitwerking van het klanttevredenheidsonderzoek. Het opnemen van de klagerservaringen wordt incidenteel gedaan, maar in het aankomende voorstel zal worden aangegeven dat dit structureel zal plaatsvinden.
Mevrouw Joosten (VVD) heeft twee vragen: Wordt in het nieuwe voorstel ook besproken hoe de klachten van burgers die niet durven klagen onder de aandacht kunnen komen? Worden informele klachten in een volgend stadium ook meegenomen in de klachtenprocedure? De heer Verheijen vult de woorden van mevrouw Schoenmakers aan en zegt dat een klacht te allen tijde mag worden ingediend en niet wordt beschouwd als een aanval op de gemeente, maar als een kans om van te leren. Op de tweede vraag antwoordt de heer Verheijen dat zodra een informele klacht wordt ingediend er een stappenplan van start gaat, beginnend met het leggen van contact, vervolgens een gesprek aangaan en bekijken of er op dat moment al een oplossing kan worden geboden. Lukt dat niet, dan wordt de volgende stap genomen en zo gaat de klachtenbehandeling verder.
5
De heer Henssen (CDA) vraagt mevrouw Schoenmakers naar de reacties die zij krijgt als zij een klacht behandelt en of deze reacties aanleiding zijn voor verdere behandeling. Mevrouw Schoenmakers (ondersteunend ambtenaar) geeft aan dat het als prettig wordt ervaren dat de klacht wordt gehoord en dat eigenlijk niemand zit te wachten op formele hoorzittingen. Het merendeel van de klachten is niet zo zwaarwegend en het komt vaak neer op het uiten van ongenoegen over een bejegening. Vanuit de Ombudsman komt de oproep om zoveel mogelijk zelf af te handelen om juridisering van klachten te voorkomen. De heer Vaasen (GOB) kan uit de woorden van mevrouw Schoenmakers opmaken dat zij een andere betekenis aan ‘evaluatie’ geeft dan hij. Hij vraagt zich af of zij hetzelfde verstaan onder ‘evaluatie’. Mevrouw Schoenmakers (ondersteunend ambtenaar) erkent dat zij niet hetzelfde beeld heeft als GOB. De heer Vaasen (GOB) beschrijft hoe de evaluatie volgens hem moet verlopen. Mevrouw Schoenmakers neemt dit voor kennisgeving aan, maar stelt dat dit zo op dit moment bij de klachtenbehandeling niet gebeurt. De heer Vaasen (GOB) geeft aan dat het dan voor hem niet duidelijk is wanneer een informele klacht formeel wordt. De heer Klein (Lokaal Sittard-Geleen-Born) vraagt waarom de gemeente het onderscheid maakt tussen klachten en meningsverschillen.
Deze laatste categorie komt ook niet voor in het onderzoeksrapport. De heer Klein vraagt naar de reden van dit onderscheid. Hij zou graag zien dat ook de meningsverschillen geregistreerd worden. De heer Verheijen kan deze vraag niet beantwoorden, aangezien hij het beeld niet herkent. De heer Klaassen (PVV)) meent dat de vraag moet zijn of er een manier kan worden bedacht om dit soort signalen te registreren. Hij denkt dat de heer Klein wil weten hoeveel zaken niet tot een officiële klacht leiden. De heer Verheijen kan hierop geen antwoord geven. Er zou dan allereerst een definitie moeten komen van wat er wordt verstaan onder een meningsverschil in dat kader om te voorkomen dat er allerlei verkeerde vergelijkingen worden gemaakt. De portefeuillehouder snapt dat de leden in staat gesteld willen worden om een goede weging te maken. Daar moet volgens hem, ook ambtelijk, goed over nagedacht worden, hoe dat kan worden gemonitord en geregistreerd. Tweede termijn Mevrouw Joosten (VVD) vraagt de Ronde welke punten er kunnen worden meegegeven. Mevrouw Wielders (PvdA/GroenLinks) heeft al aangegeven welke punten zij belangrijk vindt, maar zij is van mening dat de termijn te lang is. Zij begrijpt niet welke procedure hier wordt gevolgd. De heer Henssen (CDA) vermoedt dat tijdens de themasessie van 23 mei aanstaande veel vragen die nu leven beantwoord gaan worden.
Mevrouw Joosten (VVD) gaat ervan uit dat de themasessie een breder gebied bestrijkt en zij vraagt zich af hoe en wanneer de input die tijdens deze Ronde wordt gegeven terecht komt bij het college. De heer Henssen (CDA) blijft bij zijn vermoeden dat alle vragen die er nu zijn tijdens de themasessie aan de orde kunnen komen. Hij adviseert de Rondeleden zich hierop voor te bereiden.
6
Mevrouw Wielders (PvdA/GroenLinks) is er niet van overtuigd of er tijdens de themasessie ruimte is voor evaluatie en het formuleren van een verbetertraject. Zij heeft gerekend op meer toezeggingen in deze Ronde. De heer Bonten (D66) meent dat de discussie gaat over de interpretatie van de aanbevelingen bij punt 3. De heer Vaasen (GOB) vraagt of de conclusie getrokken kan worden dat de raadsdiscussie na Q4 gaat plaatsvinden. En of dit dan nog wel zin heeft. De heer Klaassen (PVV) stelt voor om eerst het rekenkamer rapport af te ronden. Tijdens de raadsvergadering kunnen dan via een amendement ideeën worden ingediend, via de gebruikelijke procedure. Mevrouw Joosten (VVD) lijkt het verstandig om vooraf al input te geven om te voorkomen dat er amendementen gebruikt moeten worden. De heer Klingestijn (Stadspartij) sluit zich aan bij het voorstel van de heer Henssen om de themasessie te gebruiken om de vragen aan de orde te stellen. De heer Klein (Lokaal Sittard-Geleen-Born) benadrukt dat de onafhankelijkheid gewaarborgd moet worden. Hij zal dit buiten de Ronde om aankaarten bij de fracties met een concreet voorbeeld. Hij kondigt hiervoor een amendement aan.
De voorzitter concludeert dat het voorstel voldoende is besproken en is voornemens het agendapunt af te sluiten met een opsomming van de gedane toezeggingen vanuit het college en de rekenkamer: instructie handelwijze klachten afdoen als meningsverschil door rekenkamer; verzamelen van informatie naar aanleiding van klachten en raad informeren door onderzoeksbureau; voorstel over de wijze van naleving aanbevelingen door portefeuillehouder in Q4; themasessie ‘Dienstverlening’ op 23 mei; nadenken over het monitoren en registreren van informele klachten. De voorzitter informeert bij de Ronde of het onderwerp in de volgende raad als bespreekstuk of als hamerstuk op de agenda komt. De heer Klein (Lokaal Sittard-Geleen-Born) verwijst naar zijn eerdere (technische) vragen over het rapport, waarin wordt vermeld dat de burgemeester wordt gecontroleerd door de loco burgemeester. In de praktijk worden de raadsleden gecontroleerd door de burgemeester. Hij vraagt zich af of dit juist is verwacht hierop antwoorden van het college. De voorzitter stelt de heer Klein voor zijn vragen schriftelijk bij het college in te dienen, aangezien deze vragen buiten de agenda van deze Ronde vallen. De heer Klein (Lokaal Sittard-Geleen-Born) vindt dit vreemd, aangezien hij uit het onderliggende document citeert.
De voorzitter concludeert dat het voorstel als bespreekstuk wordt doorgeleid naar de eerstvolgende raadsvergadering. De heer Henssen(CDA) vindt het belangrijk dat de vragen van de heer Klein worden opgenomen in het verslag van deze Ronde. De voorzitter geeft aan dat er van de Ronde notulen worden gemaakt. De heer Vaasen (GOB) deelt mee dat het voorstel voor GOB een bespreekstuk is, aangezien er vanwege de late beantwoording een aantal zaken niet kon worden meegenomen in de Ronde.
7
De heer Talpe (PIT) vraagt aan andere fracties of het, gelet op de twijfel over de beantwoording van de technische vragen, wellicht beter is om het voorstel een raadscyclus door te schuiven in plaats van het onderwerp als bespreekstuk aan te merken. Mevrouw Joosten (VVD) deelt mee dat het voorstel voor haar fractie een hamerstuk is. De heer Henssen (CDA) sluit zich namens zijn fractie hierbij aan. De heer Klein (Lokaal Sittard-Geleen-Born) deelt mee dat het voorstel voor zijn fractie een bespreekstuk is. De heer Bonten (D66) sluit zich hierbij aan en is tevens van mening dat er voldoende informatie hiervoor is. De voorzitter concludeert dat het voorstel een bespreekpunt zal zijn in de raadsvergadering van 18 april 2024 in afwachting van de beantwoording van de technische vragen en de toezeggingen die in deze Ronde zijn gedaan. Hij dankt de leden voor hun inbreng en sluit de bespreking van het voorstel af.
8
Notulen van de Ronde in Raadszaal op donderdag 4 april 2024 1.2 Onderzoek parkeerbeleid (rekenkamer/portefeuille Geilen) Aanwezig de voorzitter: de griffier:
D. Pfoster A. Lamers
de leden GOB: CDA: Stadspartij: GroenLinks/PvdA: D66: VVD: PVV: SPA: Lokaal Sittard-Geleen-Born: Forum voor Democratie: PIT:
C. Verjans P.J. Brouwers (tot 21.00 uur) W.P.H. Paauwe P.H.J. Kubben B. Bonten J.M.H. Joosten M.H.J. Klaassen S.A.J. Klein E. Talpe (tot 21.00 uur)
het college:
Wethouder L. Geilen
20.00 – 21.00 uur
ambtenaar: Rekenkamer:
E. Maussen, mevrouw Heesakkers
Overige aanwezigen:
De heer Halde (Rebel Group)
notulen:
J. Poot (Notuleerservice Nederland)
Eerste termijn
De voorzitter leidt het agendapunt in en deelt mee dat het de bespreking van het onderzoeksrapport van de gemeentelijke rekenkamer inzake het parkeerbeleid van de gemeente Sittard-Geleen betreft. In deze Ronde staan centraal de vragen: Hoe geeft de gemeente haar parkeerbeleid vorm? Welke doelen streeft de gemeente na met haar parkeerbeleid? Worden deze doelen bereikt? In de resultaten van het onderzoek zijn aanbevelingen geformuleerd en het college heeft hierop een bestuurlijke reactie gegeven. Het voorstel is aan de orde geweest in de commissie Begroting en Verantwoording van maart 2024 en daarbij zijn opmerkingen gemaakt over het ontbreken van een beleidsdocument met de resultaten van het onderzoek. De schriftelijke technische vragen zijn beantwoord en in iBabs aan de stukken toegevoegd. De bespreking van het voorstel kan plaatsvinden in twee termijnen en hiervoor is 60 minuten ingepland.
9
De heer Brouwers (CDA) geeft aan dat zijn fractie het document beschouwt als een handreiking in het vervolgproces naar een actueel integraal parkeerbeleid. Voor het CDA zijn de conclusies en aanbevelingen helder, want het huidige parkeerbeleid moet worden herzien en nu zijn er door het college hiervoor al diverse stappen gezet. Er moet nog goed gekeken worden naar de positie en de verschillen in keuze voor de centra van Sittard en Geleen. De heer Brouwers gaat ervan uit dat het college de raad blijft informeren over de wijze van de implementatie van de aanbevelingen uit het rapport. Mevrouw Winteraeken (SPA) refereert aan een eerdere themasessie over dit onderwerp en de vragen die er toen zijn gesteld. Zij vraagt het college de raad te blijven informeren over de wijze van implementatie van de aanbevelingen en hier een tijdspad bij te geven. Namens haar fractie geeft zij aan dat ze positief staat ten opzichte van het rapport van de rekenkamer. De heer Klaassen (PVV) heeft een aantal opmerkingen bij het rapport van de rekenkamer: Hij is van mening dat het college onvoldoende de tijd heeft gehad in december en januari om het rapport te bestuderen. Het rapport is doorgezet zonder een bestuurlijke reactie. Deze werd later nagezonden. Hieruit bleek dat de rekenkamer het nieuwe parkeerbeleid heeft onderzocht zonder het bestaande parkeerbeleid hierbij te betrekken.
En dat is volgens de PVV niet volgens afspraak. Het is voor de raad nu niet mogelijk om een goed beeld te krijgen van het vigerende parkeerbeleid en voor de PVV is het de vraag wie dit valt te verwijten, de rekenkamer, de ambtenaar of de wethouder die de politieke verantwoordelijkheid draagt. De heer Klaassen vindt het onbegrijpelijk dat de rekenkamer niet in staat is gebleken om een belangrijk beleidsstuk via google boven tafel te krijgen. Voorts is de heer Klaassen van mening dat het college in haar bestuurlijke reactie een defensieve houding toont. Als voorbeeld noemt de heer Klaassen het signaal van de rekenkamer over de gehandicapten-parkeerplaatsen, waarop het college aangaf dat dit een aantal jaren geleden is geïnventariseerd. Voor de PVV is dit een onacceptabele reactie, waarmee het college volgens de fractie eigenlijk aangeeft deze doelgroep niet serieus te nemen. Zo zijn er nog enkele observaties door de PVV waaruit de defensieve houding van het college spreekt. Bij deze voorbeelden verwijst de heer Klaassen naar pagina 49 en 50 in het onderliggende document. Het komt hem voor dat het college haar verantwoordelijkheid niet neemt. De heer Klaassen concludeert dat het voor zijn fractie een teleurstellend en onvolledig rapport is, waarbij er geen parkeerbeleid is onderzocht. Zodoende kan er geen sprake zijn van een leereffect en voor de PVV is het rapport overbodig.
Dat er actualisatie van het parkeerbeleid nodig was, bleek al uit de ingediende moties en amendementen van de afgelopen jaren en de PVV ziet uit naar het nieuwe parkeerbeleid. De heer Talpe (PIT) is het opgevallen dat de rekenkamer klaarblijkelijk niet bekend was met bepaalde documenten en de informatie niet volledig was. Dat dit op orde moet zijn, is voor PIT een gezamenlijke verantwoordelijkheid zowel ambtelijk als van de rekenkamer. De heer Talpe verzoekt de rekenkamer hier bij toekomstige onderzoeken aandacht aan te besteden. Het college verzoekt PIT om bij twijfel over de volledigheid van de door de rekenkamer gehanteerde stukken dit aan de rekenkamer voor te leggen om te voorkomen dat er naderhand correcties moeten worden uitgevoerd. Voorts vraagt de heer Talpe waarop de vergelijking met Venlo en Emmen is gebaseerd, aangezien PIT zich afvraagt of deze gemeenten vergelijkbaar zijn met Sittard-Geleen. PIT vindt het jammer dat twee zaken buiten beschouwing zijn gebleven: de aantrekkende werking van evenementen op het parkeren en het vrachtwagenparkeren. De aantrekkende werking kan volgens PIT worden meegenomen bij de eerste aanbeveling. Voor het vrachtwagenparkeren lijkt PIT een extra onderzoek noodzakelijk. Hiervoor kondigt de heer Talpe een motie aan.
Mevrouw Joosten (VVD) trekt namens haar fractie de conclusie uit het rapport dat er duidelijke tekortkomingen zijn die dringend moeten worden aangepakt. Zij noemt een aantal voorbeelden van de tekortkomingen. Een punt van kritiek van de VVD is dat het onderzoek zich voornamelijk richt op het parkeerbeleid van personenauto’s, terwijl er ook aanzienlijke problemen zijn met vrachtwagens. Dit beperkt de mogelijkheid van een allesomvattende oplossing.
10
Mevrouw Joosten verwijst naar de eerste aanbeveling van de rekenkamer, namelijk het vaststellen van een integraal parkeerbeleid. Het college werpt tegen dat er al beleidsstukken zouden zijn uit 2009 en 2012, maar dit is voor de VVD achterhaald. De omgevingsvisie van 2016 zou de basis vormen voor het nieuwe parkeerbeleid. Het is echter belangrijk om op te merken dat het vastleggen van ruimtelijke keuzes voor parkeren niet hetzelfde is als het ontwikkelen van een integraal parkeerbeleid. Zij vraagt de portefeuillehouder hierop te reflecteren. De tweede aanbeveling benadrukt de noodzaak om bij het opstellen van beleid samen te werken met diverse belanghebbenden en belangengroepen. Het college geeft aan dat dit al jaren wordt gedaan en de VVD vraagt waarom dit dan zo’n prominente plaats in het rapport heeft. Zij vraagt de portefeuillehouder hierop te reageren. De derde aanbeveling dringt aan op het maken van duidelijke parkeerkeuzes voor het centrum van Geleen. De wethouder verwijst hierbij naar het detailhandelsbeleid van de Westelijke Mijnstreek, maar voor de VVD ontbreekt hierbij de relatie met parkeerkeuzes. De laatste aanbeveling roept op tot innovatie van de parkeerinstrumenten. Het college stelt in die context dat zij de innovatieve, technische ontwikkelingen op de voet volgt en bij vervanging kiest voor technische mogelijkheden die het gemak voor de gebruiker vergroten.
Voor de VVD is dit eerder ad hoc-beleid dan een visie op innovatie. De VVD kan instemmen met de bevindingen van de rekenkamer en roept het college op deze nauwlettend op te volgen. Tot slot benoemt mevrouw Joosten de noodzaak van de verbetering van het parkeerbeleid. De heer Paauwe (Stadspartij) benadrukt de noodzaak om tot actie over te gaan om het parkeerbeleid te verbeteren. Tot op heden bestond er volgens de Stadspartij een parkeerbeleid zonder visie, die nadelig is voor de bewoners en de bezoekers. De Stadspartij kan niet accepteren dat er vergelijkingen worden gemaakt met andere steden en het detailhandelsbeleid. De detailhandel van Sittard en Geleen heeft in dit opzicht last van omliggende gemeenten of grensgemeenten waar parkeergelden niet of nauwelijks van toepassing zijn. De heer Paauwe roept op in te steken op een goed parkeerbeleid met goed winkelaanbod, waar parkeergeld geen issue meer is, zonder dat dat een belemmering is om de stad te bezoeken. Ook stelt de heer Paauwe voor om de stad aantrekkelijker te maken, zodat parkeertarieven een andere lading krijgen. Het lijkt de Stadspartij zinvol te inventariseren welke parkeerplaatsen met betaald parkeren doordeweeks vrijwel leeg zijn. De heer Paauwe stelt voor na te denken over goedkopere tarieven doordeweeks. Hij vraagt de portefeuillehouder of dit in de verdere uitwerking kan worden meegenomen.
De heer Paauwe spreekt zijn begrip uit voor parkeergelden als inkomstenbron voor de gemeente. Vervolgens roept de heer Paauwe het college op om extra parkeerplekken voor gehandicapten te creëren en bij de bestaande invalideplekken beter te handhaven op foutparkeerders. De Stadspartij heeft nog twee punten van aandacht: Het vrachtwagenparkeren bij de bedrijventerreinen; De druk die Chemelot legt op de parkeermogelijkheden met haar vrachtwagenleveranciers. Als oplossing stelt de heer Paauwe voor om een bewaakte parkeerplaats met voorzieningen in te richten waar de vrachtwagenchauffeurs tegen een kleine vergoeding hun wagens kunnen parkeren. Dit zal de stad ook meer aanzien geven. De Stadspartij vraagt de wethouder aan te geven wat de status van deze ontwikkelingen is. In Sittard-Geleen bestaan veel vormen van parkeertarieven, alsmede de bewonerstarieven. De Stadspartij vindt dat de ondernemers onevenredig zwaar worden belast met de parkeertarieven en de heer Paauwe pleit voor tegemoetkoming in de parkeerkosten voor deze doelgroep. Hij vraagt de wethouder dit voorstel nader uit te werken. De Stadspartij verzoekt het college dringend de lopende detailontwikkelingen mee te nemen in het parkeerbeleid en door te pakken op zeer korte termijn.
De heer Klein (Lokaal Sittard-Geleen-Born) kondigt een motie aan waarin het college wordt opgeroepen om de koopzondagen vrij te stellen van parkeergelden. Dit zal vooral tot voordeel strekken van de kleine ondernemers. Een punt van zorg voor zijn fractie zijn de parkeerplaatsen bij nieuwe ontwikkelingen. Lokaal SittardGeleen-Born wil dit graag aan de orde stellen in de eerstvolgende raad.
11
De heer Klein deelt de kritiek die de vorige sprekers hebben geuit op de tarieven die worden gehanteerd. Inventarisatie is ook voor Lokaal Sittard-Geleen-Born hoog nodig. Ook de oproep om het probleem met de vrachtwagens aan te pakken kan op steun van de fractie van de heer Klein rekenen. Tenslotte benadrukt de heer Klein dat het oplossen van de parkeerproblematiek geen uitstel meer duldt. De heer Bonten (D66) geeft een verklaring voor het gemis aan documenten bij het onderzoek van de rekenkamer. Het zou nogal lastig te vinden zijn, is ook zijn ervaring. Toch heeft hij iets boven tafel gekregen, namelijk een document uit 2013 waarin een voorstel over een nieuw parkeerbeleid wordt gedaan dat in september 2013 afgerond moest zijn. Ook liep hij aan tegen een document uit 2015 waarin een integrale aanpak Parkeren is vastgesteld, waarbij het echter alleen gaat over bepaalde tarieven in een aantal delen van de gemeente. Er is geen sprake van een doelstelling noch van een integrale gedachte. Dit verklaart waarom de rekenkamer de mening is toegedaan dat er geen vigerend parkeerbeleid bestaat, al zou dat document uit 2015 dit tegenspreken. Voor D66 moet de onderliggende gedachte zijn: waarom heeft de gemeente een parkeerbeleid? Een andere onderliggende gedachte zou kunnen zijn volgens D66, dat het parkeerbeleid een middel is om duurzaamheids- en mobiliteitstransitiedoelen te behalen.
Een van de aanbevelingen van de rekenkamer die de heer Bonten onder de aandacht brengt, is dat het college een bredere interpretatie zou moeten nastreven van participatie en het ophalen van meningen van de inwoners. In de aanbeveling wordt dit ‘klankborden’ genoemd. Dit zou gebaseerd zijn op het voeren van multilaterale gesprekken met inwoners, Centrumhuis Geleen en andere betrokken organisaties. Dit lijkt de heer Bonten een belangrijk aspect. De heer Bonten hoort graag van het college of zij dit ook zo heeft geïnterpreteerd. Vervolgens vraagt de heer Bonten zich af of er eerst moet worden gewacht op de gehele afronding van een omgevingsvisie, voordat er een parkeerbeleid kan worden ontwikkeld. De heer Bonten verzoekt het college een concreet tijdspad te noemen. Tenslotte noemt de heer Bonten een voorbeeld van kostenberekening, maar de centrale vraag die onderliggend moet zijn voor parkeerbeleid blijft voor D66: waarom vragen we geld voor parkeren (los van de kosten). De heer Kubben (GroenLinks/PvdA) stelt dat het rekenkamerrapport duidelijk maakt dat er geen duidelijke integrale visie bestaat over welk doel het parkeerbeleid moet dienen. Hij noemt een aantal mogelijke doelen, zoals het autoluw maken van de stad of de verblijfsduur in de centra proberen te verhogen.
De heer Kubben verwijst naar de media waarin vaak wordt geschreven dat de hoge parkeertarieven de oorzaak zouden zijn van leegstand en omzetdaling bij ondernemers. GroenLinks/PvdA is van mening dat het rapport handvatten geeft voor het aankomende proces. Ook is er wel kritiek op de defensieve houding van het college ten aanzien van sommige aanbevelingen. De heer Kubben kijkt uit naar de beantwoording van de technische vragen die hij namens zijn fractie schriftelijk heeft gesteld. In algemene zin vindt GroenLinks/PvdA dat parkeerbeleid mede sturend kan zijn voor de brede mobiliteitsdoelen. Zowel gezondheid als milieu moeten bovenaan de lijst met belangrijke doelen komen te staan. Daarom pleit GroenLinks/PvdA voor het fietsparkeren in het parkeerbeleid; elektrische fietsen en ‘fat bikes’ hebben geen schadelijke uitstoot. Een nadeel is dat er veelvuldig fietsen worden gestolen. Bestaande stallingen voldoen niet altijd. Dit probleem hangt volgens de heer Kubben nauw samen met de parkeerproblemen waar een beleid voor moet komen. Het leidend principe voor GroenLinks/PvdA moet zijn: ‘Minder in de auto, meer op de fiets’. In zijn betoog spreekt de heer Kubben zijn zorgen uit over de oprukkende leegstand in zowel Sittard als Geleen, maar in zijn optiek zijn de parkeertarieven daar niet de oorzaak van. Het heeft veelal te maken met de veranderende instelling van de consument.
Uit de reactie van het college heeft GroenLinks/PvdA opgemaakt dat het onderliggende probleem niet alleen gaat over het centrum van Geleen. Dit roept de vraag op of het raadsbesluit ter zake niet moet worden aangepast. In zijn afronding noemt de heer Kubben een aantal uitgangspunten: Auto’s zoveel mogelijk onder de grond parkeren;
12
Inspelen op elektrificatie; Aansluiten op de mobiliteitsaanpak van anderhalf jaar geleden: het verduurzamen van het mobiliteitssysteem en het reduceren van CO2-uitstoot; Aandacht voor de volksgezondheid en het milieu; Kansen creëren voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. De fractie GroenLinks/PvdA blijft graag nauw betrokken bij het proces. De heer Verjans (GOB) deelt mee dat zijn fractie in principe kan instemmen met de aanbevelingen met inachtneming van de reactie van het college. GOB ziet het als een stap terug van het actualiseren van het parkeerbeleid. GOB wenst een betere afstemming van de bestuurlijke protocollen, nu er pas later een reactie van het college is toegevoegd. Voor de heer Verjans bleek het niet moeilijk om in iBabs de betreffende documenten op te halen. Ten aanzien van de presentatie van het rapport viel het GOB op dat er inhoudelijk weinig toelichting is gegeven door het onderzoeksbureau en hij adviseert de rekenkamer hier kritischer op te zijn. het raadsvoorstel is volgens GOB niet compleet, want de reactie van het college is niet meegenomen. Het is te summier om alleen de aanbeveling op te nemen in het raadsvoorstel. De heer Verjans hoort graag de uitkomst van het gesprek met de griffier hierover.
De heer Maussen (rekenkamer) beaamt de interpretatie van het rapport, dat kan worden beschouwd als een handreiking en geeft aan dat hij de indruk heeft dat het college dat ook zo ziet. De heer Maussen verwijst naar een passage in het rapport waarin wordt aangegeven dat er geen beleid zou zijn, maar dat er wel uitspraken zijn gedaan en dat er door het college is geacteerd vanuit bepaalde gedachten. De inhoud van het document uit 2012 dat ter sprake is gekomen is uitvoerend van aard. De heer Maussen erkent dat het voor beide partijen onwenselijk is dat de reactie pas achteraf kwam. De antwoorden op de technische vragen van PIT zijn in iBabs geplaatst. Als voorbeeld werd er gekozen voor Venlo en Emmen, omdat hier eveneens sprake is van meerdere kernen en de bewonersomvang relatief vergelijkbaar is. Een aantal fracties miste in het rapport het vrachtwagenparkeren en de heer Maussen erkent dat hier niet voor is gekozen, evenmin voor fietsen en evenementen. Dit heeft te maken met het afbakenen van het onderzoek . Onder het detailhandelsbeleid valt parkeren, maar ook veel andere zaken. Praktische ideeën hierover vallen onder de uitvoering en horen volgens de heer Maussen thuis bij de wethouder. Bij de aanleg van gehandicaptenparkeerplaatsen komt een aantal specifieke problemen kijken die de heer Maussen opsomt. De heer Maussen erkent dat aandacht hiervoor nodig is.
Ten aanzien van de nieuwe ontwikkelingen kan de heer Maussen niet ingaan op specifieke voorbeelden. Hij geeft aan dat er een beleid is, maar dat hij geen uitspraken kan doen over afwijkende gebeurtenissen. De heer Maussen is bekend met het document uit 2015, waar de heer Bonten naar verwees. Hij beaamt dat er sprake is van een multilateraal karakter van het beleid. In het rapport is er niet gerept over fietsen, aangezien de haalbaarheid van het voorstel voorop staat. De heer Kubben (GroenLinks/PvdA) geeft aan dat er niet noodzakelijk een fietsenplan in het beleid moet komen te staan, maar hij opperde wat zijn fractie belangrijk vindt in een nog te ontwikkelen beleid. De heer Maussen (rekenkamer) heeft dit ook zo opgevat. Hij erkent dat het beslispunt of advies over het centrum van Geleen prominent aanwezig is en in het document specifieker is uitgelegd. Hij laat het aan de raad om advies of beslispunt 3 te veranderen in 1a. Hoewel het centrum van Geleen een belangrijk punt is, is het toch een onderdeel van een hele brede aanpak. De heer Maussen kan zich vinden in de kritiek van het GOB. Als het college aanleiding geeft om iets aan te scherpen in de raadsvoorstellen of te verduidelijken, zal de rekenkamer zich hieraan conformeren. Het is echter niet aan de rekenkamer om een verduidelijking te geven van een collegereactie.
Het is aan de raad om het rapport, de reactie van het college en het nawoord van de rekenkamer te duiden. Mevrouw Heesakkers (voorzitter rekenkamer) vult aan dat het gesprek tussen de griffier en haarzelf, zoals dat is vermeld in de commissie B&V, heeft plaatsgevonden. Er is afgesproken hierop terug te
13
komen bij de eerstvolgende bespreking van de rekenkamer op 15 april 2024. Dit wordt teruggekoppeld naar de griffier en de rekenkamer zal hier bij de raad op terugkomen. De heer Kubben (GroenLinks/PvdA) verzoekt de rekenkamer de uitkomsten van dit gesprek nog dezelfde dag aan de raad te berichten, zodat het op de agenda van de raad van 18 april 2024 kan komen. Mevrouw Heesakkers (voorzitter rekenkamer) geeft aan dat er in zijn algemeenheid zal worden gesproken hoe de rekenkamer in het vervolg zal omgaan met raadsvoorstellen en dat het niet specifiek het onderliggende raadsvoorstel betreft. De heer Klaassen (PVV) vraagt de rekenkamer hoe zij kan beweren dat alle aanbevelingen nog overeind staan als de genoemde beleidsstukken niet zijn geanalyseerd en bij het onderzoek betrokken. De heer Maussen (rekenkamer) erkent dat het oude beleid niet werd geanalyseerd, omdat het hier gaat om een oud beleid. Er is gekeken naar wat er in de praktijk in de gemeente gebeurt en dat staat los van wat er op een stuk papier beschreven staat. Ook het college heeft aangegeven dat de oude stukken niet up to date zijn en zij verwijst tevens naar de omgevingsvisie. De heer Klaassen (PVV) spreekt alsnog zijn zorg erover uit dat het oude beleid niet is betrokken bij het onderzoek en de onderzoeksmethodiek die is toegepast. Hij vraagt de rekenkamer naar de systematiek van interviewen.
De meest logische en basale hoofdvraag zou volgens hem zijn: kunt u aangeven welk parkeerbeleid er momenteel geldt in Sittard-Geleen? Het komt hem voor dat deze vraag niet is gesteld. Onderzoeker rekenkamer meent dat de heer Klaasen beleid interpreteert als ‘het overkoepelende kader’, waarin de strategische afweging is gemaakt welke parkeerinstrumenten je hebt gebruikt. Dit ontbreekt bij het onderzoek. Beleid kan ook worden gezien als het geheel aan parkeerinstrumenten dat is onderzocht. Bij de vraag die volgens de heer Klaasen niet werd gesteld zal er veeleer over de parkeerinstrumenten worden gesproken, maar niet over de integrale afweging. De onderzoeker rekenkamer hoopt met dit onderscheid het onderzoek te verduidelijken. De heer Klaassen (PVV) vindt het belangrijk dat de documenten in een rekenkamerrapport vermeld worden en hij vraagt of er nooit in een interview met ambtenaren is verwezen naar bestaande beleidsdocumenten. Onderzoeker rekenkamer erkent dat dit belangrijk is. In een bijeenkomst met de ambtelijke vertegenwoordiging is er een lijst met documenten getoond die over mobiliteit en parkeren gaat en er werd gevraagd of het hier de documenten betreft die over het parkeerbeleid gaan. Het stuk waaraan in deze discussie wordt gerefereerd kwam hieruit niet naar voren.
Toen concludeerden de onderzoekers dat de documentenanalyse gebaseerd moest zijn op het mobiliteitsbeleid, de omgevingsvisie, de toekomstvisie en het ruimtelijk beleid. De heer Klaasen (PVV) concludeert dat de basale vraag wel is gesteld. Hij neemt genoegen met de uitleg van de rekenkamer. Wethouder Geilen maakt uit de inbreng van de Rondeleden op dat parkeerbeleid en het beleid Betaald Parkeren door elkaar lopen. Er is sprake van een brede visie, waar eveneens het parkeren bij nieuwe ontwikkelingen wordt betrokken. De wethouder erkent dat het onderzoek moet worden afgebakend. De wethouder weet niet of hij ontkennend of bevestigend heeft geantwoord op de vraag of er al een parkeerbeleid aanwezig was. Hij kan zich herinneren dat er in 2009 werd gesproken over het verruimen van het vergunningsgebied in de schil, waardoor werd afgedwongen dat er meer betaald parkeren in de centra zou plaatsvinden. Ambtenaren konden dit ten behoeve van het onderzoek niet aanleveren en dat verklaart de inhoud van de bestuurlijke reactie van het college, waarin wordt aangegeven dat er wel sprake is van vigerend beleid. Het college is erover verbaasd dat de rekenkamer aangeeft dat er geen vigerend beleid is, terwijl via de website documenten kunnen worden opgehaald waaruit blijkt dat er sprake is van een parkeerbeleid in
14
het verleden. Dit heeft het college aangegeven in haar bestuurlijke reactie en ze heeft voorgesteld om dit alsnog in het onderzoek te betrekken. Het document uit 2015, waar de heer Bonten naar verwees, had alleen betrekking op betaald parkeren in de centra en wat er gedaan moest worden met de parkeeropbrengsten. Vervolgens refereert de wethouder aan een proeftuin ‘Parkeren in het Centrum van Geleen’, die destijds werd georganiseerd, als instrument om het parkeren aantrekkelijker te maken in het centrum van Geleen. Dit was niet het integrale parkeerbeleid en daarom is er verwezen naar de andere stukken. De heer Klaassen (PVV) meent dat de wethouder hier een onjuiste afweging maakt door dit document niet bij het rapport te betrekken. Hij stelt voor dit wel te doen en de aard van de inhoud te beschrijven ten behoeve van de volledigheid. Wethouder Geilen geeft aan dat het college een bestuurlijke reactie heeft gegeven in de wetenschap dat het rapport bij de raad lag. De rekenkamer heeft aangegeven dat er geen integraal parkeerbeleid was en het college heeft hier met tegenzin op gereageerd door te verwijzen naar een integraal stuk dat een breder terrein bestrijkt en dat over parkeerinstrumenten gaat. De wethouder zegt toe, ook richting de heer Klaasen, om bij het nieuwe parkeerbeleid de raad bij elke stap en besluit te betrekken.
Er kan dan ook bekeken worden wat er in het verleden is besloten. Het is noodzakelijk dat er een nieuw parkeerbeleid wordt ontwikkeld, maar er is ook een aantal vragen: Hoe wordt het vormgegeven? Moet dit voor of na de afronding van de omgevingsvisie? Hoe wil je omgaan met voertuigen in de gemeente? Wat betekent de parkeernorm? Hoe moet het parkeren in woonwijken plaatsvinden? Wat zijn de mogelijkheden voor fietsparkeren of elektrische voertuigen? Er zijn allerlei elementen die in het instrumentarium van het parkeerbeleid betrokken moeten worden. Vanuit een bovenliggende strategische visie wordt bekeken welk instrumentarium op welke manier wordt vormgegeven in het parkeerbeleid. De wethouder geeft aan dat de contouren steeds meer vorm beginnen te krijgen. Ook heeft er inmiddels participatie plaatsgevonden. Na de zomer komt het college met het ontwerp Omgevingsvisie. Vervolgens beschrijft de wethouder het pad waarin het parkeerbeleid zich zal ontwikkelen. Er zal ook aandacht komen voor ‘stappen-trappen’ en er wordt gekeken wat dit betekent voor het parkeerbeleid. In reactie op het verzoek van de heer Paauwe om een inventarisatie te doen van parkeerplaatsen die op bepaalde momenten leeg zijn, noemt de wethouder een dure parkeerplaats die als best gebruikte parkeerplaats uit de bus komt.
Dit bewijst dat verlagen van tarieven op de lege parkeerplaatsen geen effect heeft. Aantrekkelijkheid van parkeerplaatsen lijkt weinig in verband te staan met de hoogte van de tarieven. De wethouder komt later terug op de vragen die door enkele fracties zijn gesteld over een ander beleid ten aanzien van betaald parkeren. Het detailhandelsbeleid zal in het centrum volgens een ander regime moeten plaatsvinden, aangezien dit deel van de stad een afwijkend profiel heeft. Ook daarover zal de wethouder in een later stadium met de raad spreken. Dan kan aan de orde komen hoe de gemeente om wil gaan met parkeren op koopzondagen. Mevrouw Joosten (VVD) maakt uit de beantwoording van de wethouder geen concrete visie op. Het moet voor haar duidelijk worden wat de gemeente belangrijk vindt in het parkeerbeleid. Zij mist het integrale aspect in de uitleg van de wethouder. Wethouder Geilen beaamt dat er een integraal parkeerbeleid nodig is. Hij meent dat het beleid voor een deel uit betaald parkeren zal bestaan en dan zal een aantal fractie willen spreken over de hoogte van de tarieven. Het betaald parkeren in de centra is een middel om het parkeren te reguleren en om financiën binnen te halen. Maar het is ook een middel om de parkeerduur te sturen en het realiseren van doorstroom.
Het is belangrijk om vooraf te bepalen of een instrumentarium moet worden ingezet, alvorens de raad kan discussiëren over de hoogte van het tarief.
15
De heer Bonten (D66) geeft aan dat het niet zijn vraag is waarom er eigenlijk parkeergeld wordt gevraagd, maar deze vraag zou volgens D66 opgenomen moeten worden in het integraal parkeerbeleid. Uit de beantwoording van de wethouder merkt de heer Bonten op dat hij het hiermee eens is. De wethouder beaamt dat de raad zich eerst moet afvragen waarom ze parkeergeld vraagt. De rekenkamer heeft zelf iets aangegeven over het al dan niet aanwezig zijn van vrachtwagenparkeerplaatsen. Er worden stappen genomen om met partijen, zoals Chemelot te kijken naar waar vrachtwagens moeten zijn om beter zicht te krijgen op het parkeergedrag van vrachtwagens. Van daaruit kan er dan gezocht worden naar oplossingen en de raad kan aangeven welke middelen zij daarvoor beschikbaar wil stellen. De wethouder hoopt op toekomstbestendige oplossingen voor dit probleem. De heer Paauwe (Stadspartij) refereert aan een ander maar gerelateerd probleem, waarbij bewoners met als beroep vrachtwagenchauffeur vaak geen plek hebben om de vrachtwagen te parkeren. Hij vraagt de wethouder hier eveneens aandacht voor te hebben. Wethouder Geilen stelt dat dit de aanzet was voor het zoeken naar oplossingen voor het parkeren van vrachtwagens. Dit maakt deel uit van de aanpak.
De heer Klein (Lokaal Sittard-Geleen-Born) verwijst naar een opmerking van de provincie die regionale parkeerplaatsen onder de aandacht heeft gebracht. Hij vraagt zich af hoe dit valt te rijmen met het voorstel van de gemeente om parkeerders te weren. Wethouder Geilen is bekend met de intentie van de provincie voor de aanleg van regionale parkeerplaatsen. Ook Rijkswaterstaat heeft de primaire verantwoordelijkheid, maar doet hier nog niets mee. Wethouder Geilen neemt dit aandachtspunt mee. Bij nieuwe ontwikkelingen zijn er verschillende mogelijkheden om te voldoen aan de bijbehorende parkeer- en normensystematiek en de wethouder noemt er enkele. De wethouder realiseert zich dat dit een algemeen antwoord is en stelt voor dit nader te bespreken buiten de orde van deze Ronde. Overigens maakt dit onderdeel uit van het integraal parkeerbeleid dat eerder ter sprake kwam. De heer Klein (Lokaal Sittard-Geleen-Born) geeft aan dat hij de opmerking over de nieuwe ontwikkelingen heeft gemaakt, omdat het hem opviel dat de Ronde belangrijke discussies voor zich uitschuift.. Wethouder Geilen verwijst vervolgens, in antwoord op een vraag van de heer Bonten over multilaterale consultatie, naar het participatiebeleid dat de gemeenteraad in december heeft vastgesteld. Hij benadrukt dat bij het ontwikkelen van beleid altijd de samenleving wordt betrokken.
Voorts stelt de wethouder voor om de technische vragen van de heer Kubben schriftelijk te beantwoorden. De heer Kubben (GroenLinks/PvdA) vraagt de wethouder antwoord te geven op vraag 2 die stelt dat een strategische parkeervisie van toegevoegde waarde zou kunnen zijn. GroenLinks/PvdA stelt echter dat het van toegevoegde waarde is. Een andere vraag van de heer Kubben is hoe het college aanlijkt tegen het expliciet benoemen van het centrum Geleen in het raadsbesluit. Misschien is het zinvol om dit nog nader te beschouwen voor de raad op 18 april. De heer Klaassen (PVV) stelt in een punt van orde dat het aan de raad is om hierover te oordelen en dit hoeft niet te worden neergelegd bij het college. Wethouder Geilen geeft aan dat het antwoord op de technische vragen inmiddels in iBabs is opgenomen. Vraag 2 moet gezien worden in relatie tot de omgevingsvisie en de wethouder legt dit nader uit. In Absbroek is het college voornemens om vergunningparkeren in te stellen.
16
De heer Kubben (GroenLinks/PvdA) vraagt ter verduidelijking of de wethouder van mening is dat het breder getrokken moet worden dan het centrum Geleen en of het raadsbesluit hierop aangepast moet worden. Wethouder Geilen beaamt dat de discussie als zodanig breder gaat en dat er niet nu een beslissing wordt genomen over één element van betaald parkeren. Er moet specifiek tempo gemaakt worden om die discussie over tarieven in Geleen over de breedte te kunnen voeren. Dit heeft het college in een bestuurlijke reactie aangegeven en het is aan de raad wat zij hiermee doet. Tweede termijn De heer Klaassen (PVV) sluit zich aan bij de teleurstelling die de heer Verjans uitte over het bronnenonderzoek van de rekenkamer. Toch is er uiteindelijk een lijst met documenten voorgelegd aan de ambtenaren, maar het college heeft dit niet opgemerkt. Hoe staat de heer Verjans hier tegenover? De heer Verjans (GOB) bevestigt dit en deelt mee dat hij heeft aangegeven dat het zowel ambtelijk als vanuit het onderzoeksbureau teleurstellend is. Maar dit is wat hem betreft recht gezet in de beantwoording, toen zij aangaven dat ze het wel hebben gevraagd. De heer Klein (Lokaal Sittard-Geleen-Born) geeft aan dat het hem niet lukt om iets te vinden in iBabs en hij snapt niet dat het de heer Verjans wel lukt.
De heer Kubben (GroenLinks/PvdA) geeft nogmaals aan dat wat zijn fractie betreft punt 3 uit het raadsbesluit gehaald moet worden. Hij is van mening dat er ofwel een duidelijke parkeerkeuze voor het centrum van Geleen moet voortvloeien uit punt 1, te weten een integraal parkeerbeleid. Ofwel, mocht er op korte termijn een inhoudelijk dossier zijn ontstaan, dan gaat GroenLinks/PvdA akkoord sneller kijken naar parkeren in Geleen. Maar dit niet als onderdeel van dit raadsbesluit. De heer Kubben zal dit opnemen met de griffie, maar hij hoort graag welke fracties het met hem eens zijn, zodat het wellicht uit het raadsbesluit kan worden gehaald. Mevrouw Joosten (VVD) is het hiermee eens. Zij benadrukt dat het belangrijk is om eerst een duidelijk beleid te hebben en dan bekijken wat de vervolgstappen kunnen zijn. Het is belangrijk dat de raad integraal weet wat je wilt. De heer Bonten (D66) is het eens met de heer Kubben. De heer Klaassen (PVV) is het hier niet mee eens. Het is de rekenkamer die dit heeft opgeschreven en dat verdient respect van de raad. Het is niet aan de raad om hier aan te tornen. Het zou anders liggen als dit vanuit het college was gekomen. De heer Kubben (GroenLinks/PvdA) is verbaasd over de reactie van de heer Klaassen en bestrijdt dat hij de rekenkamer tekort zou doen.
Hij wil op 18 april een besluit kunnen nemen waar hij achter staat en niet vanuit dit advies van de rekenkamer. Hij is van mening dat punt 3 een dissonant is. De heer Klaassen (PVV) is van mening dat het logisch is dat de rekenkamer het centrum Geleen als specifieke bevinding, als aanbeveling heeft benoemd. Hij vraagt zich af waarom de raad hier afbreuk aan zou doen in de wetenschap dat het parkeren vrij breed onderzocht gaat worden. Hij kiest ervoor om dit punt in stand te houden. De heer Kubben (GroenLinks/PvdA) vindt het onterecht dat de heer Klaassen een verkeerd voorbeeld uit het verleden gebruikt om zijn punt te maken. De heer Bonten (D66) geeft aan dat de rekenkamer in het nawoord ook al heeft aangegeven dat aanbeveling 3 (specifiek over Geleen) misschien niet breed genoeg is. Daarom getuigt het weghalen van die aanbeveling niet van gebrek aan respect voor de rekenkamer.
17
Mevrouw Joosten (VVD) geeft aan dat hoewel de rekenkamer de raad iets voorstelt, het de raad is die er een besluit over gaat nemen. Dat geeft de raad het recht om een punt dat er niet bijhoort eruit te halen. De heer Klein (Lokaal Sittard-Geleen-Born) refereert aan een ‘kruimelverordening’ over het parkeren in Geleen en hij meent dat de rekenkamer hierop doelt. Hij snapt dat de rekenkamer het parkeren in het centrum van Geleen specifiek noemt, aangezien er volgens hem al jaren mee wordt gerommeld. De voorzitter concludeert dat het voorstel voldoende is besproken en is voornemens het agendapunt af te sluiten met een opsomming van de gedane toezeggingen vanuit het college en de rekenkamer: In het nieuwe parkeerbeleid zal worden gereflecteerd aan alles wat er uit eerdere documenten inzake het parkeerbeleid is beschreven; Vanuit PIT is er een motie aangekondigd over het vrachtwagenparkeren; Vanuit Lokaal Sittard-Geleen-Born is er een motie aangekondigd over het vrijstellen van parkeergelden op koopzondagen; Over het voorstel van GroenLinks/PvdA om beslispunt 3 uit het rekenkamerrapport te halen ontstaat wat onduidelijkheid. De heer Kubben gaat in gesprek met de griffie om erachter te komen of en zo ja hoe de raad dit kan uitvoeren. De voorzitter concludeert dat het voorstel een bespreekpunt zal zijn in de raadsvergadering van 18 april 2024.
Hij dankt de leden voor hun inbreng en sluit de vergadering om 22.00 uur.
18