Notulen Ronde Raadzaal 3 april 2025
Tekst van het document
Notulen van de Ronde in Raadszaal op donderdag 3 april 2025 Tijdstip:
19.00-21.37 uur
1.1 Rondevoorstel Volkshuisvestingsprogramma (Geilen) 19.00-20.36 Aanwezig de voorzitter: de griffier:
D. Pfoster A. Cortlever
de leden GOB: CDA: Stadspartij: GroenLinks/PvdA: D66: VVD: PVV: SPA: Lokaal Sittard-Geleen-Born: Forum voor Democratie: PIT:
M.W.C. Claessens B.A.J. Hoedemakers L.J.A. Weermann-Schepers T.A.G. Baars B. Bonten L. Hoogenberg M.H.J. Klaassen P.W.M. Winteraeken-Bruls M.C.M.H. Schumans L.T.S. Engels M.G.H. Habets
het college:
Wethouder L. Geilen
ambtenaar:
Mevrouw Ritzen, de heer Gorissen
notulen:
I. van Mourik (Notuleerservice Nederland)
De voorzitter opent de vergadering en heet iedereen welkom. De vergadering start met het Rondevoorstel over het volkshuisvestingsprogramma. Dit concept wordt opiniërend besproken, waarbij de raad wordt gevraagd te reageren op de gebiedsprogrammering en de toegepaste verdeelsleutel, en aan te geven of er belangrijke onderwerpen ontbreken. De technische vragen van fractie PIT en de antwoorden daarop zijn terug te vinden in iBabs. Wethouder Geilen benadrukt dat het volkshuisvestingsprogramma een nadere uitwerking is van de hoofdlijnen die vorige week donderdag zijn vastgesteld in de omgevingsvisie. In die visie zijn de grote kaders op het gebied van volkshuisvesting vastgelegd. Dit programma werkt die kaders verder uit. Daarnaast geeft hij aan dat er wordt afgesproken dat het college onderzoekt of het mogelijk is om het programma, zodra het verder is uitgewerkt, niet alleen opiniërend in een Ronde te bespreken, maar ook formeel voor wensen en bedenkingen aan de raad voor te leggen. Daarmee wordt de raad steviger in positie gebracht. Op dit moment bekijkt het college hoe dat juridisch en praktisch ingepast kan worden. De heer Gorissen (ambtelijke ondersteuning) verwijst naar de factsheet die de raad in februari heeft ontvangen, met informatie over wat er in 2024 is gerealiseerd en welke ontwikkelingen voor 2025 worden verwacht.
De meeste elementen uit die factsheet zijn inmiddels opgenomen in het programma, samen met de actuele afspraken uit de woondeal Limburg. Hij benadrukt dat het programma is gebaseerd op twee uitgangspunten, de beleidskeuzes uit de recent vastgestelde omgevingsvisie en de verplichtingen uit het wetsvoorstel Versterking Regie op de
1
Volkshuisvesting. Hoewel deze wet nog niet definitief is, bereidt de gemeente zich alvast voor op de veranderingen. Zo komt de woonvisie te vervallen en wordt het volkshuisvestingsprogramma voortaan verplicht, waarin ook de voormalige woonzorgvisie wordt geïntegreerd. De gemeente haalt het programma bewust naar voren, vooruitlopend op de landelijke verplichting. Volgens de heer Gorissen is het woonbeleid aan vernieuwing toe. De focus ligt nu op goed wonen, zoals omschreven in de omgevingsvisie, niet alleen op aantallen woningen, maar ook op kwaliteit, gezondheid, woonruimteverdeling en specifieke doelgroepen. Uiteindelijk moet het programma een breed karakter krijgen, zowel kwantitatief als kwalitatief. Op basis van het woonbehoefteonderzoek uit 2023 en het schaarsteonderzoek is duidelijk dat het aantal huishoudens tot minstens 2030 blijft groeien, en mogelijk zelfs tot 2035. Hoewel de bevolking in absolute aantallen afneemt, stijgt het aantal huishoudens door huishoudensverdunning en migratie. Veel mensen wonen alleen en hebben andere woonbehoeften. De huidige woningvoorraad is verouderd en sluit daar onvoldoende op aan. Tot slot wijst hij op de veranderende beleidslijn. Waar voorheen bouwen gekoppeld was aan sloop of compensatie, kiest de gemeente nu voor een actievere aanpak, eerst bouwen, dan evalueren en eventueel de bestaande voorraad aanpakken.
De komst van Oekraïense ontheemden en statushouders speelt hierbij een belangrijke rol. Mevrouw Ritzen (ambtelijke ondersteuning) legt uit dat de gemeente voor het volkshuisvestingsprogramma uitgaat van een woningbehoefte van 2.600 woningen bruto. Dit cijfer is gebaseerd op demografische ontwikkelingen, huishoudensgroei en de mismatch tussen de huidige woningvoorraad en de woonwensen. Zo is er bijvoorbeeld door vergrijzing meer vraag naar levensloopbestendige en betaalbare woningen. Naast deze behoefte is er ook een ambitie om extra woningen te bouwen, met name in de stationsomgeving. Hier zijn al vijfhonderd woningen vastgelegd in de woondeal, en mogelijk komen daar met Limburg Centraal nog eens tweeduizend woningen bij. Die ambitie staat los van de berekende behoefte. De verdeling van de woningen over de gemeente sluit aan bij de woonladder uit de omgevingsvisie. In de dorpen ligt de nadruk op kleinschalige projecten voor starters en senioren, vooral binnen de bestaande bebouwing. In Sittard-Centrum en de stationsomgeving wordt ingezet op een grotere bouwopgave, met een verdeelsleutel van een derde sociale huur, een derde betaalbaar, en een derde duur, toegepast op het totaal, niet per project.
In Geleen-Centrum is de kwantitatieve behoefte kleiner, dus ligt de focus op kwalitatieve verbetering, met meer ruimte voor middenhuur en duurdere woningen om balans te brengen in het aanbod. Voor de woonwijken van Sittard en Geleen wordt ingezet op transformatie en sloop/nieuwbouw, met nadruk op woningtypes waar nog behoefte aan is, zoals appartementen met lift. Tot slot benadrukt ze het belang van monitoring en bijsturing, het programma is adaptief en zal op basis van actuele cijfers worden bijgewerkt, zodat het blijft aansluiten op de veranderende woonbehoefte in de gemeente. De heer Gorissen (ambtelijke ondersteuning) licht toe wat het adaptieve karakter van het volkshuisvestingsprogramma inhoudt. Het programma is zo ingericht dat het flexibel kan inspelen op veranderende omstandigheden, zoals prijsontwikkelingen, veranderingen in de woningvraag of geopolitieke situaties die zorgen voor nieuwe bevolkingsstromen. In plaats van bij elke wijziging een nieuw beleidsdocument op te stellen, zijn in het programma duidelijke voorwaarden en tijdlijnen opgenomen. Die bepalen wanneer er meer of juist minder gebouwd moet worden dan de geplande 2.600 woningen. Deze aanpak maakt het mogelijk om sneller te schakelen, bijvoorbeeld met woningcorporaties waarmee jaarlijks prestatieafspraken worden gemaakt.
Met ontwikkelaars is dat ingewikkelder, vooral als zij eigenaar zijn van de grond, maar ook daar zoekt de gemeente naar manieren om via overleg of duidelijke randvoorwaarden invloed uit te oefenen. Het programma richt zich niet alleen op de reguliere woningzoekende, maar houdt ook rekening met kwetsbare groepen, zoals mensen met urgentie of een zorgvraag. Hiervoor komt later een aparte huisvestingsverordening met een urgentiebepaling, in samenwerking met de woningcorporaties. Verder wordt gewerkt aan het streven naar 30 procent sociale huur, zoals voorgeschreven in de wet. De gemeente zit nu al op 28 procent corporatiebezit en ruim 30 procent aan sociale huurwoningen, inclusief
2
particuliere verhuur onder de liberalisatiegrens. Daardoor heeft de gemeente ruimte om per gebied keuzes te maken, bijvoorbeeld waar meer nadruk op middenhuur kan liggen. Tot slot kondigt hij aan dat het programma na de zomer door het college wordt vastgesteld, en dat de raad in augustus een update krijgt. Op dit moment vinden gesprekken plaats met corporaties, ontwikkelaars en makelaars om het programma aan de praktijk te toetsen en te zorgen voor draagvlak. Ook wordt gewerkt aan het juridisch instrumentarium om beleid daadwerkelijk uit te kunnen voeren. Hij benoemt de bespreekpunten van deze avond. Hij vraagt of de Ronde zich herkent in de beleidsambities uit de omgevingsvisie. Daarnaast vraagt hij naar de verdeelsleutel die in het voorstel is opgenomen, en of er volgens de aanwezigen belangrijke onderwerpen ontbreken, zeker in relatie tot de vorige week vastgestelde omgevingsvisie. De heer Hoogenberg (VVD) benadrukt het cruciale belang van het volkshuisvestingsprogramma voor de toekomst van de gemeente. Hij steunt de ambitie uit de omgevingsvisie om in 2040 de grens van 100.000 inwoners te overschrijden en onderschrijft de doelstelling om 2.500 extra woningen bovenop de bestaande behoefte te realiseren.
Hij benadrukt echter dat deze ambitie niet alleen op papier moet blijven staan, maar dat er ook daadwerkelijk actie ondernomen moet worden om de doelstellingen te realiseren. De heer Hoogenberg uit zorgen over de huidige aandachtsgroepen die in het programma genoemd worden. Volgens hem ontbreken er enkele belangrijke doelgroepen, zoals starters, mensen die in scheiding liggen, en gezinnen die behoefte hebben aan doorstroommogelijkheden naar grotere woningen. Ook pleit hij voor meer aandacht voor senioren, die levensloopbestendige woningen nodig hebben. Hij vraagt zich af hoe de lijst van aandachtsgroepen tot stand is gekomen en vindt dat er wellicht groepen gemist worden die ook in de toekomst behoefte hebben aan woningen. Daarnaast zet hij vraagtekens bij het opnemen van studenten als een aandachtsgroep. Mbo- en hbostudenten blijven vaak thuis wonen tijdens hun studie en de meeste universitaire studenten kiezen ervoor om in Maastricht te wonen, gezien de beperkte studentenvoorzieningen in de gemeente. De heer Hoogenberg denkt dat er daardoor weinig druk op de woningmarkt voor studenten in de gemeente zelf ligt, zeker nu het aantal buitenlandse studenten in Maastricht afneemt. Verder waarschuwt hij ervoor dat de midden- en hogere inkomensgroepen niet vergeten mogen worden.
Zonder voldoende aanbod in deze categorie zal de doorstroming stagneren, wat er uiteindelijk voor zorgt dat starters vast blijven zitten in hun zoektocht naar een woning. Tot slot benadrukt hij dat het belangrijk is om te blijven bouwen. Stilstand zou achteruitgang betekenen, en dat kan de gemeente zich niet permitteren. Hij wijst ook op de noodzaak van voldoende parkeergelegenheid bij nieuwe woningen. Mevrouw Winteraeken-Bruls (SPA) benadrukt dat de vergrijzing een belangrijk aandachtspunt is in de gemeente. In het volkshuisvestingsprogramma worden ouderen als een speciale doelgroep gezien, en zij wijst erop dat deze groep uit verschillende subgroepen bestaat. De eerste groep betreft de jonge senioren, die tot hun 67e nog werkzaam zijn. De tweede groep is de actieve senioren tussen de 67 en 75 jaar, die fysiek nog in staat zijn om allerlei werkzaamheden te verrichten en vaak betrokken zijn bij verenigingen. De derde groep bestaat uit zorgbehoevende senioren, die daadwerkelijk zorg nodig hebben. Ze wijst op het probleem van personeelsgebrek in zorginstellingen wat een uitdaging kan zijn voor de zorgbehoevende senioren. Verder benadrukt ze het belang van voorzieningen in de buurt voor senioren, aangezien ouderen vaak graag in hun eigen omgeving blijven wonen.
Er wordt al gewerkt aan programma's voor senioren, zoals het project voor 65-plussers, waarbij huurders benaderd worden en geholpen worden met doorstromen naar andere woningen. De heer Claessens (GOB) begint met de vraag of adaptief bouwen ook flexibiliteit betreft in het woningaanbod, bijvoorbeeld door in te spelen op de werkgelegenheid bij VDL-Nedcar. Hij vraagt of er extra middelen van het Rijk beschikbaar kunnen worden gesteld als er een behoefte ontstaat voor woningbouw in de gemeente. Verder vraagt hij hoe de ambitie voor circulair en energieneutraal bouwen wordt geborgd in het programma, aangezien dit ook een doelstelling is in de omgevingsvisie. Ook wijst hij op de demografische ambitie om in 2040 100.000 inwoners te bereiken en hij vraagt zich af hoe deze ambitie gekoppeld wordt aan het adaptieve karakter van het programma.
3
Hij stelt ook vragen over de woningbouw in het buitengebied, vooral over de mogelijkheden voor maatwerk bij uitbreiding of inbreiding in deze gebieden. Hij maakt zich zorgen over het realiseren van de benodigde woningen in het landelijk gebied en vraagt hoe het college denkt over het gebruik van het buitengebied. Met betrekking tot betaalbaarheid vraagt hij om meer verduidelijking over de normen voor betaalbare woningen. Ook noemt hij de toenemende leegstand in Sittard-Geleen en hij vraagt of er mogelijkheden zijn om leegstandsbelasting in te voeren om de herinvulling van deze woningen te stimuleren. Daarnaast vraagt hij hoe het huisvestingsprogramma tegemoetkomt aan de wens van ouderen en jongeren om in hun eigen omgeving te blijven wonen. Hij suggereert dat jongeren wellicht voorrang kunnen krijgen bij woningtoewijzing in hun eigen wijk. Een andere vraag betreft het versnellen van de woningbouw, vooral met betrekking tot het vergunningsproces, en of er mogelijkheden zijn om dit proces te versnellen. Ook vraagt hij of er gekeken wordt naar woningdelen, bijvoorbeeld door een student samen met een oudere persoon in een woning te laten wonen, en of er aandacht is voor pre-mantelzorgwoningen.
Tot slot vraagt hij naar de mogelijkheden voor verticaal wonen, zoals het bouwen van appartementen in de hoogte, en naar de situatie rondom de Skaeve Huse, waar hij geen informatie over heeft gehoord in dit programma. De heer Baars (GroenLinks/PvdA) vraagt of de 2600 woningen die toegevoegd worden echt netto worden toegevoegd, vooral gezien de sloop en vervangende nieuwbouw in wijken. Daarnaast wijst hij op de negatieve impact van het huidige toewijsbeleid en de inkomenspolitiek op het welzijn in wijken. Hij pleit voor meer verspreiding van sociale huurwoningen en het inschakelen van dorpsmakelaars om maatwerk te leveren. Hij vraagt zich af of woningcorporaties, die veel gezinswoningen bezitten, zich aanpassen aan de huidige vraag naar woningen voor tweepersoonshuishoudens. Hij benadrukt de noodzaak van het verhogen van de leefbaarheid in wijken door verdichting en het aanpassen van inkomenspolitiek, zoals het stimuleren van samenwonen. Ook pleit hij voor het splitsen van grote woningen om het woningaanbod te vergroten. Verder vraagt hij of de gemeente gebruikmaakt van gebiedsdifferentiatie om onder de norm van 30 procent sociale woningen uit te komen en hoe de gemeente omgaat met de extra kosten van bouwen rond het spoor. Hij vraagt of er extra financiële middelen nodig zijn voor betaalbare woningen op deze locaties.
Tot slot uit hij zorgen over de uitvoering van de plannen, met name de verhouding tussen prijs en kwaliteit. De heer Klaassen (PVV) benadrukt dat de raad in de toekomst zeggenschap moet houden over het volkshuisvestingsbeleid. Hij vraagt om verduidelijking over de woonladder, die volgens hem wat rigide is opgesteld. De heer Klaassen legt de focus op de migratiestroom als de belangrijkste oorzaak van het woningtekort in Sittard-Geleen. Hij pleit ervoor dat de gemeente keuzes maakt bij de uitwerking van de woningbouwplannen, waarbij prioriteit gegeven wordt aan de behoeften van de eigen inwoners. Hij vraagt of het college al een quickscan heeft uitgevoerd naar potentiële bouwlocaties en welke mogelijkheden er zijn om te bouwen. Hij is voor maximalisering van de plancapaciteit en wil dat er ook snel inbreidingslocaties worden gezocht, in plaats van alleen te bouwen op herstructureringslocaties. Tot slot vindt hij de benoeming van doelgroepen als senioren of ouderen ouderwets en hij stelt voor om in plaats daarvan te kijken naar mensen met specifieke woonvragen, zoals zorgbehoefte of de behoefte aan een levensloopbestendige woning, ongeacht de leeftijd. Hij benadrukt dat het niet om leeftijd gaat, maar om de benodigde woonruimte voor verschillende doelgroepen.
De heer Bonten (D66) is benieuwd hoe andere beleidsambities in de omgevingsvisie worden geïntegreerd, zoals circulair bouwen en energieneutrale woningen. Hij vraagt zich af hoe de gemeente ruimte kan creëren voor groen tussen de nieuwe woningen, aangezien de gemeente zelf geen woningen bouwt, maar wel kaders kan stellen. Verder vraagt hij naar de positie van studenten in het huisvestingsbeleid. Hij noemt gemengd wonen als voorbeeld en benadrukt dat studenten vaak in omliggende steden en dorpen terechtkomen als er een tekort is aan betaalbare studentenwoningen. De heer Bonten vraagt of er specifiek beleid is voor studentenhuisvesting, aangezien deze groep vaak korter blijft dan andere doelgroepen.
4
Hij stelt ook een vraag over de verdeelsleutel tussen sociale huur en andere woningcategorieën. Momenteel is 40 procent van het woningbestand sociale huur, met 28 procent bij woningcorporaties. Hij wil weten of het plan is om dit percentage naar 30 procent te verhogen of juist te verlagen. Tot slot sluit hij zich aan bij het idee om creatiever te zijn dan alleen nieuwbouw, zoals het splitsen van woningen of het bouwen boven winkels. Hij ziet mogelijkheden in het herontwikkelen van veehouderslocaties als bouwgrond, maar verwacht dat dit nog wat tijd zal kosten. De heer Engels (Forum voor Democratie) vraagt zich af of het aantal woningen dat gepland is realistisch is en of het niet te veel wordt aangepast om flexibel te blijven, wat de vraag oproept of dit nog wel als een concreet plan kan worden beschouwd. Ten tweede stelt hij een vraag over de term ‘extra aandacht voor verschillende doelgroepen, zoals statushouders’. Hij wil weten hoe de voorrang voor statushouders zich verhoudt tot de inheemse bevolking, zoals mensen die binnen hun eigen wijk willen blijven wonen of jongeren die net uit huis gaan. Hij vraagt of statushouders voorrang krijgen en, zo ja, hoe dit verschilt van het bestaande beleid. Mevrouw Schumans (Lokaal-SGB) is blij dat de woonwagenbewoners als specifieke doelgroep zijn meegenomen in de plannen.
Ze waardeert ook de toevoeging van meer betaalbare sociale woningen. Verder merkt ze op dat er in de stukken wordt gesproken over krimp, maar ze wijst erop dat het aantal personen per huishouden in de afgelopen decennia is afgenomen. Dit betekent dat er nu wellicht meer woningen nodig zijn dan voorheen. Ze vraagt zich af of dit voldoende is meegenomen in de woningplannen. Daarnaast wijst ze op een project in de regio Sittard-Geleen, Beek en Stein, waar driehonderd flexwoningen worden gebouwd voor 9,6 miljoen euro. Ze vraagt of dit project is opgenomen in de woningplannen en of er ook rekening wordt gehouden met de woningnood onder woonwagenbewoners, aangezien flexwoningen bij uitstek een geschikte oplossing zouden kunnen bieden voor deze specifieke groep. Tot slot benadrukt ze dat volgens haar eigen inwoners voorrang moeten krijgen bij de toewijzing van woningen. De heer Habets (PIT) is blij te zien dat de gemeente daadwerkelijk werk maakt van de huisvestingsproblemen en ziet veel kansen in de voorgestelde aanpak, al heeft hij ook enkele twijfels. Hij geeft aan dat heldere procesafspraken en evaluatiemomenten belangrijk zijn om tijdig bij te sturen en de raad te betrekken in het verdere proces. Daarnaast uit hij zorgen over de kosten van de aanpak, omdat het project zeker niet gratis zal zijn.
Hij vraagt zich ook af in hoeverre zaken zoals het landelijk stikstofbeleid en energie-netcongestie zijn doorgerekend, aangezien dit mogelijk ook invloed heeft op de uitvoerbaarheid van sommige plannen, zoals bij de herbestemming van gebouwen. Verder stelt hij vragen over de toegepaste verdeelsleutel en hoe die zich verhoudt tot de werkelijke vraag naar betaalbare woningen. Hij benadrukt dat het belangrijk is om niet alleen de woningbouw te richten op de verdeelsleutel, maar ook goed in de gaten te houden wat er echt gevraagd wordt door de inwoners, met name de stille bewoners, mensen die wel op zoek zijn naar een andere woning, maar geen ruimte kunnen vinden of niet gehoord worden. Mevrouw Weermann-Schepers (Stadspartij) haalt de behoefte aan levensloopbestendige woningen aan, met name in dorpen, en merkt op dat veel senioren wel willen verhuizen uit hun grote huis, maar dit niet kunnen betalen. Zelfs met huurtoeslag moeten zij vaak 350 euro extra per maand betalen, wat voor veel ouderen met een AOW of een WAO-uitkering onhaalbaar is. Dit benadrukt de noodzaak voor betaalbare woningen voor senioren, maar ook voor anderen die behoefte hebben aan een woning die financieel haalbaar is. Ze wijst er verder op dat, als senioren in staat zouden zijn om te verhuizen, er gezinswoningen vrijkomen die weer voor starters beschikbaar kunnen komen.
Ze merkt echter op dat de startersmarkt problematisch is, omdat veel jonge mensen door de gespannen woningmarkt en de strengere hypotheekregels moeite hebben met het verkrijgen van een hypotheek, zeker met het genoemde streefbudget van 280.000 euro. Dit maakt het voor veel starters moeilijk om een woning te kopen. Daarnaast vraagt ze of er iets gedaan kan worden met de leegstand van koopwoningen, met name van eigenaren die vaak in het buitenland wonen en geen interesse hebben in het verkopen of verhuren van
5
hun woningen. Ze beseft dat de gemeente niet zomaar kan ingrijpen in eigendom, maar vraagt zich af of er toch mogelijkheden zijn om hier iets mee te doen. Verder noemt ze de flexwoningen die momenteel in gebruik zijn voor vluchtelingen. Ze stelt voor om deze, als ze niet meer nodig zijn, ook beschikbaar te stellen voor jonge werkzoekenden of woningzoekenden, vooral voor jongeren die op zoek zijn naar een betaalbare woning. De heer Hoedemakers (CDA) uit zijn bezorgdheid over de inbreidingsmogelijkheden. Hij vraagt zich af of er voldoende ruimte is voor het ambitieniveau van 520 woningen in de dorpen, aangezien vrije kavels niet zo makkelijk te vinden lijken. Hij vraagt de wethouder dan ook om een quickscan of een kaart om inzicht te krijgen in welke locaties daadwerkelijk geschikt zijn voor uitbreiding, zodat de raad weet waar hij aan stuurt. Daarnaast stelt hij de vraag of er ook adaptief sturen per locatie mogelijk is, dus niet alleen een algemeen aantal woningen, maar een gerichte benadering per wijk of dorp. Hij wijst daarbij naar de uitbreidingen in Sittard en de groei van bedrijven zoals Nedcar, wat vraagt om extra woningen in specifieke gebieden. Verder gaat hij in op de verdeelsleutel voor sociale huur. Hij merkt op dat het begrip betaalbaar een rekbaar begrip is en vraagt de wethouder om duidelijk te maken hoe betaalbaarheid precies wordt gedefinieerd.
Ook vraagt hij verduidelijking over de verhouding van sociale huur in het plan. Volgens de documenten is er sprake van 30 procent, maar hij wil weten of dit alleen voor woningcorporaties geldt, of ook voor particuliere verhuurders die onder de huurgrenzen werken. Hij benadrukt dat levensloopbestendig bouwen niet alleen belangrijk is voor ouderen, maar ook voor eenpersoonshuishoudens en kleine gezinnen. Dit soort woningen moet na de verwachte bevolkingskrimp opnieuw inzetbaar zijn voor andere doelgroepen. Hij vraagt zich af of er ambities zijn om woningen die nu voor ouderen worden gebouwd, later geschikt te maken voor gezinnen. Tot slot vraagt de heer Hoedemakers naar de bouwplannen uit het verleden, specifiek de plannen die destijds door de bouwstop in de ijskast zijn gezet. Hij vraagt zich af of deze plannen opnieuw worden opgepakt en of ze in beeld zijn voor de toekomst. Wethouder Geilen merkt op dat veel fracties het eens zijn met de beleidsambities, maar dat er tegelijkertijd suggesties worden gedaan om de ambities aan te passen. Zo pleiten sommige fracties voor een hogere woningbouwdoelstelling, bijvoorbeeld door bestaande woningen op te splitsen of bij te bouwen. De wethouder wijst er echter op dat in de omgevingsvisie juist zorgvuldig is vastgelegd hoeveel ruimte er is voor woningbouw, en dat ongebreidelde woningbouw geen optie is.
Het doel is om woningbouw verantwoord toe te voegen, waarbij het totale aantal van 2.600 woningen dat momenteel op de agenda staat, inclusief sloop van 2.000 woningen, slechts 600 netto nieuwe woningen oplevert. Dit is een relatief bescheiden doel, zeker gezien de verouderende woningvoorraad die op termijn mogelijk niet meer voldoet aan de huidige woonbehoeften. De wethouder benadrukt dat het belangrijk is om flexibel in te spelen op de veranderende situatie en tegelijkertijd zorgvuldig te werk te gaan. Het woningbouwprogramma is dan ook adaptief van aard, wat betekent dat het programma zich kan aanpassen aan de veranderende woonbehoeften in de toekomst. De wethouder geeft aan dat er op korte termijn waarschijnlijk meer woningen nodig zijn, vooral door de stijgende vraag naar eenpersoonshuishoudens. Echter, de langetermijnbehoefte kan anders zijn, wat vraagt om een aanpak waarbij niet alleen rekening wordt gehouden met de woningen die nu nodig zijn, maar ook met de woningen die in de toekomst uit de markt moeten worden genomen. Dit geeft de gemeente de mogelijkheid om ruimte voor nieuwbouw te creëren door bestaande gebouwen te transformeren. De wethouder benadrukt dat deze aanpak niet alleen noodzakelijk is, maar ook kansen biedt voor het verbeteren van de woonkwaliteit.
De wethouder bevestigt dat de wens is om in de toekomst 30 procent sociale woningbouw te realiseren, en dat het percentage momenteel al op 28 procent ligt. Hij legt uit dat er ruimte is om ook particuliere verhuur mee te rekenen in de sociale woningvoorraad, wat de flexibele toepassing van deze norm mogelijk maakt. Dit geeft de gemeente de vrijheid om het aantal sociale woningen te verdelen over verschillende wijken, zodat de spreiding over de gemeente verbetert en de concentratie van sociale woningbouw in enkele wijken wordt verminderd. Het idee is om de sociale woningbouw meer te vermengen met andere soorten woningen, zodat verschillende doelgroepen in alle wijken van de gemeente goed kunnen wonen. Hij erkent dat de hoge woningprijzen een groot probleem vormen, vooral voor starters die moeite hebben een betaalbare woning te vinden. Hij legt uit dat de landelijke norm voor betaalbare woningen op 405.000
6
euro ligt, terwijl de prijzen in Zuid-Limburg veel lager moeten liggen om voor starters betaalbaar te zijn. Daarom treft de gemeente maatregelen, zoals de starterslening, waarmee woningen tot 280.000 euro betaalbaar worden. Echter, het bouwen van woningen tegen deze prijs is een grote uitdaging, aangezien de kosten voor het bouwen van een nieuwe woning vaak al rond de 240.000 euro liggen. Dit maakt de marge voor het realiseren van betaalbare woningen erg klein, vooral als marktpartijen ook winst willen maken op de projecten. De wethouder benadrukt dat het belangrijk is om zorgvuldig te programmeren en niet de markt te overspoelen met goedkope woningen die uiteindelijk niet verkocht of verhuurd kunnen worden. Dit zou immers nieuwe problemen kunnen creëren op de woningmarkt. De wethouder geeft aan dat de taakstelling voor statushouders, die wettelijk is vastgelegd, blijft bestaan. Er wordt dus geen voorrang afgeschaft voor deze groep, ondanks landelijke discussies over dit onderwerp. Hij stelt dat de gemeente het onverstandig zou vinden om statushouders geen voorrang meer te geven, aangezien dit de mogelijkheid om aan de taakstelling te voldoen zou bemoeilijken.
Hij wijst erop dat de hoeveelheid woningen die aan statushouders toegewezen wordt, relatief klein is in vergelijking met het totale aantal beschikbare woningen, waardoor de vrees dat statushouders de woningmarkt zouden overspoelen, in de praktijk niet opgaat. De wethouder legt verder uit dat de gemeente samen met andere gemeenten streeft naar een eerlijke verdeling van de woningen en dat het belangrijk is om de taakstelling goed in te vullen zonder dat de leefbaarheid van wijken in gevaar komt. De heer Gorissen (ambtelijke ondersteuning) geeft aan dat het volksvestigingsprogramma niet bedoeld is om duurzaamheid juridisch te borgen. Duurzaamheidsnormen moeten via andere instrumenten, zoals anterieure overeenkomsten of het omgevingsplan, geregeld worden. De gemeente werkt aan aanvullend duurzaamheidsbeleid dat hierin moet voorzien. Hij benadrukt dat meer woningen niet automatisch leiden tot meer voorzieningen. Volgens hem is dat een misvatting, maatschappelijke trends zoals individualisering zorgen er juist voor dat voorzieningen, zoals sportverenigingen, onder druk staan, ook in dichtbebouwde wijken. Verder geeft hij aan dat de 30 procentnorm voor sociale woningbouw waarschijnlijk op Zuid-Limburgs schaalniveau moet worden gehaald. Voor de gemeente is dat een kans om buurgemeenten aan te sporen ook verantwoordelijkheid te nemen.
Het vormt volgens hem een nuttig drukmiddel in regionale gesprekken. Tot slot benoemt hij dat de stationslocatie in Sittard dankzij de regionale visie aantrekkelijker is geworden voor ontwikkelaars, ook voor partijen die eerder afwezig waren. Door de schaalgrootte ontstaat ruimte voor betaalbare woningbouw, wat volgens hem positief wordt ontvangen door de markt. De heer Habets (PIT) vraagt of het stationsgebied als een wijk of als centrum gerekend moet worden. De heer Gorissen (ambtelijke ondersteuning) verduidelijkt dat in de omgevingsvisie de westkant van het station onderdeel is van de bredere centrumontwikkeling. Op de omgevingsvisiekaart is dit gebied gemarkeerd met een rode contour, die zowel de west- als oostzijde van het stationsgebied als een woonwerklocatie omvat. De heer Bonten (D66) vraagt zich af of de beleidsambities uit de omgevingsvisie, die buiten de woningbouw vallen, zoals groenvoorzieningen en andere kwalitatieve aspecten, expliciet in het programma terugkomen. Hij vraagt of naar deze ambities duidelijk verwezen wordt, of dat het slechts blijft bij het algemene begrip kwalitatief wonen. De heer Gorissen (ambtelijke ondersteuning) geeft aan dat de relatie tussen woningbouw en groen nog niet uitgebreid wordt vastgelegd in het huidige volksvestigingsprogramma, omdat dit onderwerp parallel wordt uitgewerkt in de agenda Groen.
Het volksvestigingsprogramma biedt dus geen ruimte om van deze groene eisen af te wijken, en de Agenda Groen zal deze verder versterken. Wethouder Geilen vult aan dat de beoordeling van plannen gebeurt aan de hand van de richtlijnen uit de omgevingsvisie, zoals de 3-30-300-regel. Bij plannen op gemeentelijke grond wordt extra gelet op het groene karakter. De heer Bonten (D66) vraagt of de agenda Groen ook als een apart programma zal worden behandeld en of het onder de verantwoordelijkheid van het college valt.
7
Wethouder Geilen geeft aan dat de agenda Groen beleidsbepalend is voor de uitwerking van wat er in de omgevingsvisie staat. De heer Claessens (GOB) vraagt of er naar het aanpakken van leegstand wordt gekeken, specifiek met het gebruik van het instrument leegstandbelasting voor leegstaande woningen. Wethouder Geilen legt uit dat de leegstand in woningen momenteel rond de 3 procent ligt, wat relatief beperkt is. De leegstand komt vooral voor bij woningen die te koop staan. Er wordt geen leegstandbelasting voorgesteld omdat de leegstand niet groot genoeg is om dit instrument noodzakelijk te maken. De heer Claessens (GOB) geeft wat betreft betaalbaarheid aan dat de gemeente daar maar beperkt invloed op heeft, vooral als het gaat om particuliere of commerciële ontwikkelaars. Hij vraagt goed te kijken naar welke rol de gemeente kan pakken om woningen betaalbaar te houden. De heer Gorissen (ambtelijke ondersteuning) geeft aan dat bij grote ontwikkelingen er als standaard gestreefd wordt naar twee derde betaalbare woningen, hoewel dit soms lastige gesprekken met ontwikkelaars oplevert. De gemeente lobbyt bij de provincie voor een betaalbaarheidsgrens die meer aansluit bij de situatie in Limburg, hoewel dit een moeilijke kwestie is vanwege het beleid van het Rijk.
Ten slotte wordt aangegeven dat de gemeente meer eisen kan stellen bij de ontwikkeling van eigen locaties, waarbij wel rekening gehouden moet worden met de financiële afwegingen van de grondpositie. De heer Klaassen (PVV) uit zijn zorgen over het besluit van het college om de voorrangstatus voor statushouders niet te schrappen. Hij vindt dat dit beter besproken kan worden tijdens de behandeling van de huisvestingsverordening. Hij stelt dat het schrappen van de voorrang de asielketen niet oplost en juist zou kunnen leiden tot een immigratiestop door het Rijk. Hij wijst erop dat de geplande woningen vooral voor immigranten zijn, wat bijdraagt aan de woningdruk. Hij vraagt het college om meer uitleg over de afweging bij dit besluit. Wethouder Geilen benadrukt dat de discussie over het schrappen van de voorrangstatus voor statushouders een landelijk politiek vraagstuk is. Hij wijst erop dat de bewering dat Oekraïense vluchtelingen de woningvoorraad in de gemeente beïnvloeden niet klopt, omdat de woningen die voor hen zijn bestemd boven op de reguliere woningprogrammering komen. Ze tellen dus niet mee in de beschikbare woningvoorraad voor inwoners van Sittard-Geleen.
De heer Baars (GroenLinks/PvdA) vraagt of de gemeente ook over instrumenten beschikt om in te grijpen als projectontwikkelaars of marktpartijen niet voldoen aan de verwachtingen, bijvoorbeeld als ze woningen realiseren maar deze niet betaalbaar aanbieden. De heer Gorissen (ambtelijke ondersteuning) geeft aan dat de gemeente via vergunningen kan ingrijpen in zo'n situatie. Hij legt uit dat de gemeente via de vergunningen voorwaarden stelt, waarbij afspraken over bijvoorbeeld betaalbaarheid vooraf moeten worden gemaakt. Als ontwikkelaars zich niet aan de afspraken houden en woningen voor een hogere prijs aanbieden dan vergund, kan de gemeente ze aanspreken. In enkele gevallen is dit al gebeurd en ontwikkelaars hebben de prijzen aangepast zonder dat handhavend optreden nodig was. De voorzitter concludeert dat het voorstel voldoende besproken is en dat het college de thema’s en vragen uit deze Ronde zal meenemen bij de verdere uitwerking van het programma. Het definitieve programma komt na de zomer terug voor een nieuwe Ronde of wellicht in de raad zoals de wethouder bij zijn inleiding heeft aangegeven. De voorzitter schorst de vergadering voor enkele minuten.
8
Notulen van de Ronde in Raadszaal op donderdag 3 april 2025 Tijdstip:
19.00-21.37 uur
1.2 Rondevoorstel actualisatie parkeerbeleid-Programma Gezond Bewegen (Geilen) 20.36-21.37 Aanwezig de voorzitter: de griffier:
D. Pfoster A. Cortlever
de leden GOB: CDA: Stadspartij: GroenLinks/PvdA: D66: VVD: PVV: SPA: Lokaal Sittard-Geleen-Born: Forum voor Democratie: PIT:
C. Verjans T.E.L. Vranken J.W. Coumans L. Bezemer B. Bonten L. Hoogenberg M.H.J. Klaassen P.W.M. Winteraeken-Bruls S.A.J. Klein L.T.S. Engels M.H.H. Habets
het college:
Wethouder L. Geilen
ambtenaar:
Mevrouw Koelstra
overige aanwezigen:
De heer Van de Hulsbeek (Spark) Mevrouw Leticia (Spark)
notulen:
I. van Mourik (Notuleerservice Nederland)
De voorzitter heropent de Ronde en kondigt aan dat het volgende thema de deeluitwerking van parkeren is. Dit is een onderdeel van het programma Gezond Bewegen en het parkeerbeleid uit 2009 en 2012 wordt geactualiseerd, met inbegrip van de aanbevelingen van de Rekenkamer. De technische vragen van PIT en de beantwoording zijn te vinden op iBabs. Wethouder Geilen geeft aan dat het doel is om het parkeerbeleid binnen het programma Gezond Bewegen te actualiseren, zoals aanbevolen door de Rekenkamer. Hij benadrukt dat parkeren niet alleen gaat om parkeertarieven of betaald parkeren, maar ook over hoe men omgaat met mobiliteit in bredere zin, zoals fietsen, auto's, deelauto's en vrachtwagens, en hoe deze verschillende vormen van mobiliteit op de juiste manier worden geparkeerd binnen de gemeente. Het is belangrijk om een algemene normering te ontwikkelen voor parkeren, die geldt voor het gehele grondgebied en niet alleen voor specifieke gebieden zoals het centrum of langs uitvalswegen. Het adviesbureau Spark ondersteunt de gemeente bij dit proces. Mevrouw Koelstra (ambtelijke ondersteuning) geeft een toelichting op het proces rondom de deeluitwerking van het parkeerbeleid, dat valt onder het programma Gezond Bewegen. Dit komt voort uit de omgevingsvisie die vorige week is vastgesteld.
Het parkeerbeleid wordt geactualiseerd omdat de vorige versies uit 2009 en 2012 niet meer aansluiten bij de huidige ambities. Het college is
9
verantwoordelijk voor de uitwerking, maar de raad heeft een belangrijke rol, bijvoorbeeld bij het vaststellen van parkeernormen en tarieven, wat in de omgevingsplannen wordt opgenomen. Ze benadrukt dat het parkeerbeleid niet alleen over parkeertarieven gaat, maar ook over hoe om te gaan met mobiliteit in de bredere zin. Er wordt aandacht besteed aan de autobereikbaarheid van SittardGeleen, zoals aangegeven door de raad in eerdere vergaderingen. Ook het idee van het niet verwijderen van parkeerplaatsen voordat er minder auto's zijn, wordt meegenomen. Het proces wordt in verschillende fasen uitgevoerd, waarbij de raad regelmatig wordt betrokken, bijvoorbeeld bij het opiniërend voorleggen van de ontwerp hoofdlijnen van het parkeerbeleid direct na het zomerreces, en later bij de uitwerking van het handboek parkeerbeleid. Uiteindelijk wordt de raad gevraagd om goedkeuring te geven voor de parkeernormen en tarieven. Wethouder Geilen maakt het voorbehoud dat nog gekeken wordt of bij de stap ‘opiniërend’ het ophalen van wensen en bedenkingen in de raad betekent of betrokkenheid van de raad op een andere manier vormgegeven wordt. De heer Van de Hulsbeek (Spark) benadrukt dat parkeren meer is dan alleen het bepalen van parkeertarieven, het gaat over hoe de ruimte wordt gebruikt, bijvoorbeeld in relatie tot woningbouw, mobiliteit en de leefbaarheid van openbare ruimtes.
De druk op de openbare ruimte groeit door factoren zoals de opkomst van elektrische voertuigen, woningbouwopgaven en de wens om meer ruimte voor groen en spelen te creëren. Hij introduceert een model dat de verhouding tussen verschillende doelgroepen (bewoners, bezoekers, werknemers, et cetera) en parkeercapaciteit beschrijft, waarbij het belangrijk is om een balans te vinden. Het parkeerbeleid moet niet alleen bepalen waar en hoeveel parkeren er is, maar ook hoe de gemeente mobiliteit en duurzaamheid bevordert. Hij legt uit dat de gemeente keuzes moet maken over hoe ze parkeerbeleid vormgeeft, bijvoorbeeld door het gebruik van parkeerregulering, parkeernormen en handhaving. Hij bespreekt verder het proces, inclusief de opzet van parkeerpanelen die verschillende belanghebbenden betrekken bij het proces, en de planning van een gemeentebrede vragenlijst over de parkeersituatie en mobiliteit. Dit alles is bedoeld om een helder en gedragen parkeerbeleid te creëren dat rekening houdt met de specifieke behoeften van de gemeente Sittard-Geleen. Het proces omvat ook het ontwikkelen van beleidsdocumenten zoals een parkeernormennota en een parkeerfondsverordening. De heer Habets (PIT) uit zorgen over de beperkte participatie in het verleden en vraagt of betrokkenen opnieuw benaderd worden voor feedback.
Ook vraagt hij om een tijdlijn van ontwikkelingen, regelmatige evaluaties en een kosten-batenanalyse van het parkeerbeleid. Hij benadrukt dat het autogebruik niet zomaar verminderd kan worden zonder concrete cijfers en dat het schrappen van parkeerplekken pas kan gebeuren als deze gegevens beschikbaar zijn. De heer Klein (Lokaal-SGB) vraagt zich af of er nog wijzigingen kunnen worden aangebracht in de eerder genomen besluiten in de omgevingsvisie. De heer Engels (Forum voor Democratie) sluit zich aan bij de opmerking van de heer Klein en geeft aan dat hij het overzicht van het proces goed vindt. Hij heeft geen verdere opmerkingen of wensen over het proces zelf, maar verwacht inhoudelijk meer te zullen bijdragen zodra het parkeerbeleid zelf aan bod komt. De heer Bonten (D66) sluit zich grotendeels aan bij de opmerkingen van Forum voor Democratie. Hij is positief over het proces en de mogelijkheid voor inspraak van bewoners, maar benadrukt dat het belangrijk is om ook met directe omwonenden en andere belanghebbenden te blijven communiceren voordat er definitieve plannen zijn. Hij wijst op het belang van het STOMP-principe en stelt dat, als er parkeerplaatsen worden verwijderd, dit gecompenseerd moet worden met goed openbaar vervoer.
De heer Bezemer (GroenLinks/PvdA) geeft aan dat zijn partij graag wil meedenken over het parkeerbeleid, vooral met het oog op het bevorderen van fietsgebruik en openbaar vervoer. Hij benadrukt dat parkeergarages belangrijk blijven voor een vitale binnenstad, maar dat enkele van de huidige garages verbetering behoeven.
10
Hij legt ook de nadruk op de veiligheid van fietsparkeren. Hij wijst op de gebrekkige beveiliging van fietsenstallingen. Hij vraagt aandacht voor beveiliging en bewaakte fietsenstallingen om diefstal te voorkomen en het gebruik van de fiets te stimuleren. Hij wil weten welke maatregelen het college gaat nemen en wanneer deze plannen gerealiseerd zullen worden. De heer Klaassen (PVV) vraagt zich af waarom het programma ‘Gezond bewegen’ wordt genoemd en stelt voor om het simpelweg ‘Omgevingsprogramma voor parkeren of mobiliteit’ te noemen. Hij wijst ook op de toename van elektrische voertuigen zoals fatbikes en elektrische fietsen, die niet bijdragen aan gezond bewegen, maar wel druk zetten op de openbare ruimte. Hij waarschuwt dat de druk op parkeerplaatsen waarschijnlijk zal toenemen, ondanks de plannen om het fietsgebruik te stimuleren. Daarnaast uit hij zorgen over de parkeerfondsverordening, die volgens hem niet alleen de kosten voor parkeren bij nieuwe bedrijven zou moeten dekken, maar ook de gevestigde ondernemers zou moeten betrekken op basis van solidariteit. Hij vindt het niet eerlijk als alleen nieuwe bedrijven bijdragen aan parkeerinfrastructuur. Hij benadrukt dat het belangrijk is dat de overheid voldoende openbare parkeerplaatsen garandeert voor een gezond ondernemersklimaat.
Tot slot vraagt hij zich af of de termijn voor het participatieproces haalbaar is, met name als het gaat om gesprekken met de directe omgeving van gebieden met parkeeroverlast, en of de beoogde resultaten na de zomer realistisch zijn. De heer Verjans (GOB) merkt op dat visie en ambities belangrijk zijn, maar dat realisme ook cruciaal is. Hij wijst erop dat, hoewel het beleid vaak gericht is op het verminderen van autogebruik, niet iedereen bereid of in staat is om van de auto af te stappen, aangezien veel huishoudens twee auto's nodig hebben. Hij pleit ervoor dat bij het maken van beleid de visie en ambitie in balans worden gebracht met de realiteit en praktische behoeften van de inwoners. Mevrouw Winteraeken-Bruls (SPA) wijst erop dat er wel degelijk bewaakte fietsenstallingen beschikbaar zijn. Ze geeft aan dat ze zelf gebruikmaakt van deze bewaakte parkeerplekken. Verder geeft ze aan dat de inhoud van het parkeerbeleid pas later besproken zal worden, maar dat het proces er goed uitziet. De heer Hoogenberg (VVD) geeft aan dat het VVD voorstander is van een parkeerbeleid dat ondernemers ondersteunt, keuzevrijheid biedt aan inwoners en bijdraagt aan een toegankelijke gemeente. Hij wijst erop dat Sittard-Geleen geen goed functionerend openbaar vervoer heeft en dat het vaak moeilijk is om via het OV op tijd op werk te komen.
Daarom vindt hij het belangrijk om geen parkeerplaatsen te schrappen voordat er een goed alternatief voor de auto is. Verder stelt hij dat de keuzevrijheid van inwoners om hun vervoermiddel te kiezen essentieel is. Ten slotte vraagt hij hoe ervoor gezorgd gaat worden dat de gemeentebrede vragenlijst ook daadwerkelijk bij iedere inwoner terechtkomt. De heer Vranken (CDA) heeft vier vragen over het parkeerbeleid. Ten eerste vraagt hij of het nieuwe parkeerbeleid per wijk proactief wordt ingezet door de gemeente of op initiatief van de inwoners. Daarnaast vraagt hij of het panel, dat de wijk vertegenwoordigt, ook daadwerkelijk bevoegdheden heeft over de wijk of de straten binnen die wijk. Verder vraagt hij hoe de gemeente ervoor zorgt dat de inwoners de projectpagina over parkeren daadwerkelijk bereiken, aangezien niet iedereen zich bewust is van het bestaan ervan. Ten slotte vraagt hij zich af of de termijn voor de participatie realistisch is. Hij vindt het namelijk een grote uitdaging om zorgvuldige en grondige participatiemomenten te organiseren en hoopt dat er voldoende tijd is om deze goed uit te voeren, zodat er achteraf geen verwijten komen over haastig werk.
De heer Coumans (Stadspartij) vraagt of de problemen op de Kampstraat onder het parkeerbeleid voor vrachtwagens valt en of wordt er gezocht naar een oplossing voor deze situatie? Wethouder Geilen benadrukt dat de input die al is gegeven, bijvoorbeeld tijdens de eerdere discussies over de omgevingsvisie en op basis van het Rekenkameronderzoek, meegenomen zal worden. Hij gaat verder in op de vraag over de participatie en de termijn van het proces. De wethouder is van mening dat de voorgestelde tijdslijn voldoende is. Wat betreft de vraag over de Kampstraat legt hij uit dat het nieuwe parkeerbeleid niet direct in detail zal ingaan op specifieke situaties zoals deze. Het beleid zal meer op een abstract niveau gaan, zoals het
11
algemene omgaan met vrachtwagens in wijken. De oplossing voor problemen zoals die op de Kampstraat zal dus onderdeel zijn van de uitvoering van het beleid, maar niet van de beleidsontwikkeling zelf. Hij benadrukt dat het beleid breder is dan alleen het parkeren van voertuigen. Het gaat ook om het bieden van voldoende ruimte voor fietsers, vrachtwagens en deelauto’s. Het is van belang dat dit beleid een goede balans vindt tussen verschillende vervoersmiddelen en hoe die gestald moeten worden, zowel op particulier terrein als in de openbare ruimte. Over de participatie merkt hij op dat er al brede communicatie is geweest om inwoners te betrekken bij het proces, inclusief via social media en andere kanalen. De opzet van de panels is bedoeld om een begeleidende en adviserende rol te spelen, maar zij zullen geen beslissingsbevoegdheid hebben. Dit moet helpen om diepgaandere gesprekken te voeren over de gevolgen van het parkeerbeleid op specifieke gebieden. De wethouder sluit af met de opmerking dat voor concrete vragen over de uitvoering, zoals de kwaliteit van bewaakte fietsparken, er bilaterale gesprekken mogelijk zijn, maar dat deze meer detailvragen pas later aan de orde zullen komen.
De heer Hoogenberg (VVD) vraagt zich af waarom de gemeente niet proactief is in het sturen van de enquête naar alle inwoners van Sittard-Geleen, gezien het feit dat parkeren, inclusief fietsparkeren, voor een groot deel van de inwoners relevant is. Hij stelt voor om de enquête standaard naar iedereen op te sturen, zodat iedereen op de hoogte is en niemand het excuus heeft dat ze er niets van wisten. Wethouder Geilen legt uit dat de gemeente steeds meer gebruik maakt van digitale enquêtes in plaats van schriftelijke versies. Digitale enquêtes kunnen sneller ingevuld worden, omdat mensen ze niet fysiek hoeven in te leveren, en de resultaten zijn gemakkelijker te verwerken. Bij het versturen van 45.000 enquêtes per post en het handmatig verwerken van de reacties zou het veel tijd en moeite kosten, zeker als er open vragen zijn. Daarom is de keuze voor digitale enquêtes ook een kwestie van efficiëntie en tijdsbesparing, terwijl het tegelijkertijd de respons verhoogt doordat het proces gemakkelijker is voor de inwoners. De heer Hoogenberg (VVD) geeft aan dat het belangrijk is dat elke inwoner van de gemeente, zelfs degenen die misschien niet digitaal vaardig zijn, goed op de hoogte wordt gebracht van de enquête. Wethouder Geilen benadrukt dat de gemeente verschillende communicatiemiddelen gebruikt om inwoners op de hoogte te stellen van de enquête.
Dit omvat zowel digitale kanalen, zoals een digitale nieuwsbrief en sociale media, als meer traditionele vormen van communicatie, zoals geschreven media. De heer Engels (FVD) vraagt zich af in hoeverre de inwoners van de gemeente daadwerkelijk geabonneerd zijn op de digitale nieuwsbrief. Hij uit zijn bezorgdheid over de mogelijkheid dat de nieuwsbrief niet bij veel mensen terechtkomt en vraagt of er misschien een effectievere manier is om de respons op de enquête te vergroten. Wethouder Geilen geeft aan dat hoewel er een breed scala aan communicatiekanalen is, het nooit mogelijk zal zijn om 100 procent van de inwoners te bereiken. Hij staat open voor suggesties om de respons te vergroten. Verder legt hij uit dat er een kosten-batenanalyse wordt uitgevoerd voor het betaald parkeren, waarin wordt gekeken naar zowel de kosten als de opbrengsten van het invoeren van betaald parkeren, en dat deze analyse meegenomen zal worden in de beleidsstukken. De heer Klaassen (PVV) spreekt zijn zorgen uit over de parkeerfondsverordening en vraagt of de wethouder daar op dit moment al iets over kan zeggen. Wethouder Geilen geeft aan dat de parkeerfondsverordening later terugkomt en dat dan ook duidelijk zal worden hoe deze precies wordt ingevuld. Hij geeft aan dat de wens over het solidariteitsprincipe is gehoord.
De heer Klaassen (PVV) vraagt de wethouder of er nu al een keuze is gemaakt over de richting van de parkeerfondsverordening. Hij wil weten of het uitgangspunt straks gebaseerd zal zijn op solidariteit, ook al hoeft hij de gedetailleerde invulling nog niet te weten.
12
Mevrouw Koelstra (ambtelijke ondersteuning) geeft aan dat er momenteel al een parkeerfonds bestaat. Dat werkt nu zo dat vastgoedontwikkelaars die geen parkeerruimte op eigen terrein kunnen realiseren, een financiële bijdrage doen aan het fonds. Daarmee kan de gemeente dan openbare parkeerplaatsen aanleggen. Hoe het toekomstige parkeerfonds er precies uit komt te zien, hangt af van de verdere uitwerking. Wethouder Geilen legt uit dat het parkeerfonds momenteel zo is ingericht dat het vooral geldt bij functiewijzigingen, bijvoorbeeld als een pand een andere bestemming krijgt. In zo’n geval moet opnieuw worden gekeken naar de parkeernorm. Als de ondernemer dan niet voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein kan realiseren, wordt er een financiële bijdrage gedaan aan het fonds. Bestaande ondernemers hoeven niet bij te dragen, omdat wordt aangenomen dat zij destijds al voldeden aan de toen geldende parkeernorm. De heer Klaassen (PVV) uit zijn zorgen over de naamgeving van het programma. Hij stelt voor om het programma niet te richten op gezond bewegen, maar het simpelweg mobiliteit of parkeren te noemen. Volgens hem ligt de kern van het onderwerp veel meer bij ruimtelijke ordening, economische belangen en stedenbouwkundige aspecten.
Hij benadrukt dat het programma serieus genoeg is om een eigen plek te verdienen en waarschuwt dat de huidige benaming de indruk kan wekken dat de gemeente iedereen uit de auto wil dwingen en op de fiets wil zetten, wat volgens hem onwenselijk is. Wethouder Geilen geeft aan dat het document een uitwerking is van het hoofdstuk Gezond bewegen uit de omgevingsvisie, waarin ook beleidskeuzes rond parkeren zijn opgenomen. Daarom valt het parkeerbeleid onder dat hoofdstuk. De wethouder geeft aan de bedenking van de heer Klaassen serieus te nemen en overweegt om het woord programma niet meer te gebruiken, en het simpelweg te benoemen als uitwerking van het parkeerbeleid. Mevrouw Koelstra (ambtelijke ondersteuning) voegt toe dat de term Gezond bewegen specifiek is gekozen omdat het niet alleen gaat om het gebruik van de auto, maar om het bevorderen van beweging in de openbare ruimte. Het beleid richt zich ook op andere vormen van mobiliteit, zoals spelen, ontmoeten en sporten in het park. Daarom is het hoofdstuk Gezond bewegen genoemd, om de nadruk te leggen op het gebruik van de openbare ruimte voor beweging. De voorzitter concludeert dat het voorstel voldoende is besproken en de Ronde haar wensen en bedenkingen kenbaar gemaakt heeft, en ook al bij de behandeling van de Omgevingsvisie in de raad, ten aanzien van het proces en inhoud van het parkeerbeleid.
Het college neemt deze mee en zal nog bezien in welke vorm zij de ontwerp hoofdlijnen van het parkeerbeleid terugbrengt bij de raad zoals in het begin van de Ronde opgemerkt. De voorzitter sluit de vergadering.
13