CConstaterende datSittard-Geleen
Koppel je AI →
Document · PDF

Notulen Ronde Raadzaal 28 augustus 2025

Raad 11 september 2025, gemeente Sittard-GeleenBij agendapunt: Vaststellen van de notulen4.298 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Notulen van de Ronde in Raadszaal op donderdag 28 augustus 2025 Tijdstip:

19.00-20.30 uur

1.1 Rondevoorstel definitieve volkshuisvestingsprogramma (Geilen) 19:00-20.30 Aanwezig de voorzitter: de griffier:

P. Boonen A. Lamers

de leden GOB: CDA: Stadspartij: GroenLinks/PvdA: D66: VVD: PVV: SPA: Lokaal Sittard-Geleen-Born: Burger Centraal PIT:

M.W.C. Claessens J.E.E.A. Schlössels W.P.H. Paauwe J.E. Janssen B. Bonten J.M.H. Joosten M.H.J. Klaassen J.J. Renet A.R.A.R. Lotfy E.V.P. Talpe

het college:

Wethouder Geilen

ambtelijke ondersteuning:

Mevrouw Ritzen, de heer Gorissen

notulen:

I. van Mourik (Notuleerservice Nederland)

De voorzitter opent de vergadering en heet iedereen welkom. Hij geeft aan dat vanavond het definitieve volkshuisvestingsprogramma in een termijn wordt besproken. De technische vragen zijn vooraf beantwoord en in iBabs te raadplegen. Ook is gisteren een overzicht gestuurd met de vragen en antwoorden uit de ronde van 3 april 2025. Tot slot geeft de voorzitter aan dat de ronde wordt gevraagd te beoordelen of de doelen uit de omgevingsvisie naar mening van de fracties goed zijn verwerkt in het programma. De heer Klaassen (PVV) merkt op dat het volkshuisvestingsprogramma een bevoegdheid van het college is en dat de raad slechts om een oordeel wordt gevraagd. Hij herinnert eraan dat zijn fractie bij de vaststelling van de omgevingsvisie in maart 2025 zorgen uitte over voldoende flexibiliteit bij de transformatie van gebouwen naar woonfuncties. Destijds diende de PVV een amendement in om wonen ook op bedrijventerreinen en kantoorterreinen mogelijk te maken, maar dat werd afgewezen. Hij vindt het positief dat hij dit idee nu wel terug ziet komen in het programma. Hij plaatst echter kanttekeningen bij de invulling van de zogenoemde urgente doelgroepen. Volgens hem zijn er inmiddels zoveel aandachtsgroepen dat vrijwel iedereen urgent is.

Daarom pleit hij voor maximale flexibiliteit, niet alleen door nieuwbouw, maar ook door het omzetten van bestaande panden naar woonfuncties, zoals woningsplitsing en kamerverhuur. Hij vraagt specifiek welke woonruimte studenten en expats werkelijk nodig hebben. Volgens hem is de locatie en de staat van een pand vaak belangrijker dan de oppervlakte. Hij begrijpt niet waarom het programma uitgaat van een minimum van 25 tot 30 vierkante meter voor studentenkamers en dit alleen toestaat in stadscentra of spoorzones. Daarmee beperkt het college volgens hem de markt en sluit het goede initiatieven ergens anders uit.

1

Verder uit hij er kritiek op dat statushouders nog steeds tot de urgente doelgroepen behoren. Hij stelt dat zij een volledige woning krijgen, niet bijdragen en slecht integreren, terwijl jongeren en studenten genoegen moeten nemen met gedeelde woonruimte. Hij vraagt het college om met woningcorporaties te bespreken of statushouders samen in een woning kunnen worden gehuisvest. Tot slot benadrukt hij dat er behoefte is aan creatieve oplossingen. Hij noemt voorbeelden zoals vrienden, collega’s of familieleden die samen een huis willen bewonen, maar door regelgeving worden belemmerd. Volgens hem moet het college afstappen van een traditionele benadering en zich richten op de vraag wie daadwerkelijk geholpen wordt door het woonbeleid. De heer Claessens (GOB) herinnert eraan dat tijdens de ronde van 3 april 2025 door meerdere fracties belangrijke punten zijn ingebracht die richting geven aan het volkshuisvestingsprogramma. Hij constateert dat veel van deze punten, zoals aandacht voor diverse doelgroepen, de invloed van demografische ontwikkelingen, flexibiliteit, betaalbaarheid, pre-mantelzorgwoningen en woningdelen, in het huidige voorstel zijn terug te vinden. Ook de recent ontvangen oplegmemo met antwoorden op de technische vragen biedt volgens hem extra duidelijkheid.

Hij benadrukt dat het programma voldoende ruimte biedt om toekomstige woonuitdagingen aan te pakken, maar brengt nog twee aanvullende punten in. Ten eerste wijst hij erop dat in sommige dorpen al locaties voor mogelijke woningbouw zijn aangewezen, maar dat andere kernen, zoals Einighausen en Guttecoven, niet worden genoemd. Hij vraagt het college of daar eveneens mogelijkheden voor woningbouw bestaan. Ten tweede dringt hij aan op het versnellen van procedures rondom woningbouw. Uit de beantwoording blijkt dat het gebrek aan capaciteit in de vergunningsketen een groot probleem vormt. De GOB-fractie roept het college op hier extra aandacht aan te besteden en denkt bijvoorbeeld aan interne begeleiding en opleiding om dit knelpunt te verlichten. De heer Paauwe (Stadspartij) geeft aan dat zijn fractie het volkshuisvestingsprogramma beschouwt als ambitieus en richtinggevend, maar ook als een document met belangrijke aandachtspunten en bedreigingen. Hij haalt landelijke ontwikkelingen aan, zoals het mogelijke afschaffen van de hypotheekrenteaftrek en signalen van verslechterende buurten en vraagt of het college bereid is het aantal startersleningen te verhogen om jongeren en starters te ondersteunen.

De ambitie van de Stadspartij is om Sittard-Geleen te laten groeien naar 100.000 inwoners en hij benadrukt dat de stad zich moet profileren als aantrekkelijke woonplaats met goede voorzieningen, werkgelegenheid en cultuur. Hij ziet kansen in de herbestemming van leegstaande winkels en terreinen en vraagt waarom het gebied aan de westkant van het station pas na 2030 wordt meegenomen in de plannen. Volgens hem is dat een gemiste kans, zeker gezien de concurrentie van omliggende gemeenten. Ook wijst hij op de oude ziekenhuislocatie, waar volgens hem veel meer mogelijk is dan alleen de ontwikkeling rond het Franse Klooster. Daarnaast vraagt hij aandacht voor de dorpen en kernen. Hij verwijst naar enquêtes in Einighausen en Guttecoven waaruit blijkt dat bewoners zich zorgen maken over het gebrek aan passende woningen. Volgens hem moet de dorpenvisie direct onderdeel uitmaken van het volkshuisvestingsprogramma. Hij pleit ervoor dat jeugdige inwoners in hun eigen wijk of dorp voorrang krijgen bij woningtoewijzing, zeker wanneer de gemeente meefinanciert. Voor Geleen spreekt hij zijn zorgen uit over de plannen om minder sociale huurwoningen te bouwen in Geleen-Zuid, het centrum en Lindenheuvel. Hij vraagt of dit met bewoners is besproken en of het past bij hun wensen.

Het aantal van 900 nieuwe woningen in Geleen noemt hij veel te laag, in totaal vindt hij 2600 woningen voor de hele stad tot 2030 ontoereikend. Hij benadrukt de noodzaak van meer levensloopbestendige en betaalbare woningen, zodat ouderen in hun wijk kunnen blijven wonen en jongeren niet gedwongen worden de stad te verlaten. Ook uit hij kritiek op de voorrang die statushouders volgens hem krijgen op de woningmarkt, terwijl veel inwoners al jarenlang wachten. De heer Renet (SPA) stelt dat een volkshuisvestingsprogramma in de basis moet uitgaan van drie vragen: wat inwoners nodig hebben, wat er met de bestaande woningen gebeurt en op welke doelgroepen men inzet bij het aantrekken van nieuwe bewoners. Hij wijst op landelijke en Europese ontwikkelingen en benadrukt dat migratiebeperking een doelstelling is. Arbeidsmigratie speelt volgens hem een grote rol in Sittard-Geleen en heeft naast positieve ook negatieve effecten. Ongebreidelde instroom leidt tot druk op de woningmarkt, overlast en woningen die niet meer beschikbaar zijn voor de

2

lokale jeugd. SPA vindt dat er duidelijke grenzen moeten worden gesteld en dat woningen in de eerste plaats moeten dienen voor huidige inwoners. Hij heeft er kritiek op dat veel arbeidsmigranten niet geregistreerd zijn, terwijl toeristen wel geregistreerd worden en belasting betalen. Volgens hem hoort de prioriteit te liggen bij banen die aansluiten op de behoeften van de bestaande bevolking, zoals in de zorgsector. Hij vraagt om een overzicht van waar arbeidsmigranten precies werken en hoeveel er zijn. Ook wijst hij op het voorbeeld van ASML in Eindhoven, waar het bedrijf zelf meebetaalt aan huisvesting en vraagt of bedrijven als Chemelot ook verantwoordelijkheid nemen. Verder vraagt hij hoeveel jongeren noodgedwongen bij hun ouders wonen en hoeveel ouderen niet kunnen verhuizen naar een passende woning. Hij wijst op een overschot aan grondgebonden koopwoningen en vraagt of dit betekent dat ouderen straks hun huis niet meer kwijt kunnen. Het plan om 2600 woningen te bouwen vindt hij discutabel, omdat er na 2030 juist een daling van het aantal huishoudens wordt voorzien. Hij wil weten hoe het college voorkomt dat er wordt gebouwd zonder aansluiting bij de daadwerkelijke behoefte. De heer Renet benadrukt dat er ook in kwetsbare wijken gebouwd moet worden om achteruitgang tegen te gaan.

Hij uit zorgen over plannen die vooral het centrum bevoordelen, terwijl Geleen-Zuid en andere wijken achterblijven. Ook vraagt hij hoe het college omgaat met parkeerruimte bij verdichting in het centrum. Hij plaatst kanttekeningen bij de koppeling van de woningmarkt aan de Brightlands Chemelot Campus, omdat internationale werknemers volgens hem eerder elders gaan wonen en hun aanwezigheid nauwelijks bijdraagt aan lokale bedrijvigheid. Tot slot vraagt hij om een actualisatie van migratiecijfers met gegevens van 2023 en 2024. Mevrouw Lotfy (Burger Centraal) benadrukt dat het voor haar fractie belangrijk is dat er voldoende woningen beschikbaar zijn voor mensen die binding hebben met de gemeente. Zij wijst erop dat in de stukken staat dat maximaal 50 procent van de sociale huurwoningen met voorrang kan worden toegewezen aan eigen inwoners. Dat was geregeld in de oude Huisvestingswet, maar zij ziet dit niet terug in de nieuwe Wet versterking regie volkshuisvesting. Ze vraagt de wethouder waar dit in de nieuwe wetgeving is vastgelegd en, als dat niet het geval is, of de wethouder mogelijkheden ziet om toch meer voorrang te geven aan eigen inwoners. Mevrouw Joosten (VVD) spreekt haar waardering uit voor het programma, dat volgens haar een degelijk stuk vormt met de juiste uitgangspunten.

De VVD vindt het belangrijk dat de juiste woningen op de juiste plekken komen en dat het aanbod divers, passend en toekomstgericht is. Ze benadrukt dat starters en ouderen nu vastlopen en pleit daarom voor meer betaalbare huur- en koopwoningen. Daarnaast moet volgens haar de WOZ omlaag om woonlasten direct te verlichten. Ze vindt dat innovatie in het programma onderbelicht blijft. Zij noemt voorbeelden zoals microwoningen, tiny houses en klushuizen, en pleit ervoor tiny houses structureel op te nemen in plaats van alleen tijdelijk toe te staan. Ook is de VVD kritisch op de zelfbewoningsplicht omdat deze investeerders uitsluit die juist nodig zijn voor het woningaanbod. Wat betreft leefbaarheid stelt ze dat dit niet alleen een aandachtspunt moet zijn in probleemwijken maar in alle wijken. Tot slot vraagt ze de wethouder waarom op pagina 41 van de stukken het schoolgebouw in Obbicht ontbreekt en het gemeenschapshuis Oos Hoes in Grevenbicht juist wel is opgenomen, terwijl dit geen gemeentelijk eigendom is. De heer Talpe (PIT) stelt dat in het programma onvoldoende prioriteit wordt gegeven aan starters, met name jonge inwoners die een eerste woning zoeken. Ook benadrukt hij het belang van voldoende huisvesting voor ouderen, zodat door verhuizing woningen in het middensegment vrijkomen en de doorstroming op gang komt.

Volgens hem zijn de kaders in het programma te streng voor de dorpen en kernen. Omdat er vooral naar inbreiding en kleinschalige bouw aan dorpsranden wordt gekeken en het buitengebied wordt uitgesloten, vreest hij dat de gewenste aantallen woningen niet haalbaar zijn. Hij roept het college op per kern samen met inwoners te zoeken naar passende woningbouwlocaties. Verder gaat hij in op het opnemen van gemeenschapshuizen als mogelijke bouwlocaties. Hoewel hij begrijpt dat deze bij de inventarisatie worden genoemd, benadrukt hij dat dit niet mag betekenen dat de gemeenschapshuizen daadwerkelijk verdwijnen. Het accommodatiebeleid moet volgens hem een apart traject blijven, altijd in overleg met inwoners.

3

Ten aanzien van voorrang voor jongeren uit de eigen kern wijst hij erop dat de beantwoording stelt dat dit niet kan, maar dat een recent artikel in De Limburger en de oproep van de provincie juist wijzen op mogelijkheden via een huisvestingsverordening. PIT ziet dit als een interessant instrument en wacht met belangstelling de beantwoording van de eerder gestelde artikel-43-vragen af. Tot slot merkt hij op dat subsidies voor woningbouw op korte termijn door de huidige kaders niet haalbaar zijn. Hij vindt het goed dat dit is onderzocht, maar vraagt het college in de toekomst actief te zoeken naar externe financiering en te overwegen de gemeentelijke kaders licht bij te stellen om in aanmerking te komen voor subsidies. De heer Janssen (GroenLinks/PvdA) noemt de slogan van het programma ambitieus, maar mist het begrip betaalbaarheid. Volgens hem richt het programma zich te veel op nieuwbouw en transformatie, terwijl ook woningdelen een aanzienlijke verlaging van de vraag kan betekenen. Hij pleit voor het wegnemen van belemmerende regels rondom samenwonen en woningdelen, bijvoorbeeld voor studenten, ouderen en kennismigranten, en noemt succesvolle pilots in andere steden als voorbeeld. Verder waardeert hij de substantiële uitbreiding van het aanbod sociale huurwoningen, met name in de centra van Sittard en Geleen.

Wel merkt hij op dat het ontbreekt aan concrete financiële middelen om dit te realiseren en dat vereveningsfondsen alleen niet voldoende zijn. Hij vraagt de wethouder hoe deze opgave financieel kan worden ingevuld, vooral als het Rijk onvoldoende bijdraagt. Hij vraagt ook aandacht voor wonen boven winkels en het herbestemmen van winkelpanden en voor de ontwikkeling van een nieuw woon-werkgebied bij NS Station Sittard-Geleen, inclusief de Brightlands Campus. Volgens hem vergt dit durf en een langjarig commitment van het college en de provincie. Daarnaast pleit hij voor meer aandacht voor circulaire woningbouw en het hergebruik van materialen. De heer Schlössels (CDA) vraagt naar de actuele stand van zaken rond tiny houses, omdat deze bijdragen aan het oplossen van de woonproblematiek, en merkt op dat woningcorporaties steeds kleiner bouwen, met name voor ouderen. Hij geeft aan dat sommige dorpen, zoals Guttecoven, niet genoemd worden in het programma, terwijl uit dorpenenquêtes blijkt dat daar vraag is naar woningen. Hij vraagt wie bepaalt welke locaties als buitengebied worden aangemerkt en pleit voor herziening van eerdere goede woningbouwplannen. De CDA-fractie ondersteunt de transformatie van het stationsgebied en de Steenweg tot een mix van winkels en woningen en benadrukt het belang van een integratie van sociaal, midden- en hoger segment in de wijken.

Ook herbestemming van kerken en kloosters wordt gezien als kans. Hij pleit verder voor meer en sneller bouwen, beter benutten van bestaande woningvoorraad, saneren van slecht vastgoed, adaptieve en flexibele woningbouw en gestapeld wonen om de schaarse grond efficiënt te gebruiken. De heer Bonten (D66) benadrukt dat het programma inzet op zowel huidige woonbehoeften als toekomstige groei, onder andere door migratie. Flexibiliteit is volgens D66 essentieel, omdat de woningbehoefte kan variëren tot 2050. De fractie juicht gentrificatie toe als middel om een goede mix van woningtypen en prijsklassen in verschillende wijken te realiseren. Hij geeft aan dat er wordt gesproken over een connectie met Aken en Eindhoven, maar hij mist Luik in dit rijtje. Verder vraagt hij aandacht voor concretere uitwerking van groen bij nieuwbouw, inclusief biodiversiteit. Hij pleit voor herziening van het beleid rond tiny houses, zodat deze niet alleen tijdelijk, maar structureel kunnen bijdragen aan het woningaanbod. Verder ondersteunt D66 wonen boven winkels en gemengde bestemmingen, woningdelen en behoud van monumenten en historische panden. De fractie benadrukt het belang van flexibiliteit om toekomstige, onvoorspelbare ontwikkelingen op te vangen, terwijl Sittard-Geleen aantrekkelijk blijft voor huidige en nieuwe inwoners.

Wethouder Geilen benadrukt dat veel van de tijdens de vergadering ingebrachte ideeën en suggesties al eerder in beleidstukken of in het volkshuisvestingsprogramma zijn opgenomen. Volgens hem is er daarom weinig aanleiding om het programma aan te passen. Hij wijst erop dat er een fundamentele discussie bestaat over de woningbehoefte, sommige partijen willen woningen met voorrang voor huidige inwoners, andere pleiten voor maximale bouwproductie, terwijl weer andere juist kijken naar de lange termijnbehoefte. Het college kiest daarom voor een adaptieve aanpak. Op dit moment wordt gebouwd op

4

basis van de actuele vraag, met oog voor toekomstige transformatie van vastgoed en mogelijke leegstand. Het programma voorziet in de programmering van 2600 woningen tot 2030, waarbij ook de transformatie van winkels, het verbeteren van de leefbaarheid in wijken en het versterken van groen en waterinfrastructuur, zoals in Geleen-Zuid, een belangrijke rol spelen. Dit gebeurt in nauwe samenwerking met corporaties en met aandacht voor klimaatadaptatie en biodiversiteit. De wethouder gaat daarnaast in op enkele specifieke vragen van raadsleden. Wat betreft samenwonen en woningdelen wijst hij erop dat het programma experimenten faciliteert, zoals het gezamenlijk huren van een woning door vrienden, maar dat landelijke regels sommige vormen van samenwonen beperken. Voor tiny houses geldt dat het beleid deze woningen niet uitsluit, maar dat veel locaties in het groen of het buitengebied liggen, waardoor afstemming noodzakelijk is. De dorpsvisies zijn nog in ontwikkeling, de gemeente faciliteert dit proces, en het huidige beleid staat de uitvoering van dorpsvisies niet in de weg. Ook over de toewijzing aan eigen inwoners merkt hij op dat corporaties al ongeveer 68 tot 70 procent van de woningen aan lokale inwoners toewijzen, waardoor extra instrumenten nog niet nodig zijn.

Tot slot licht hij toe dat experimenten in dorpen laten zien dat er niet altijd volledige belangstelling is van lokale bewoners voor nieuwe sociale woningen en dat de programmering hier rekening mee houdt. Hij benadrukt dat het volkshuisvestingsprogramma flexibel en adaptief is, gericht op zowel huidige als toekomstige woonbehoefte, het behoud en de verbetering van leefbaarheid, en de transformatie van bestaand vastgoed, zonder dat dit ingrijpende wijzigingen in het programma vereist. De heer Schlössels (CDA) merkt op dat de woningen over het algemeen goed zijn, maar dat er problemen zijn met de indeling. Veel mensen haken af omdat zij hun meubels niet kwijt kunnen, er is onvoldoende ruimte voor zowel een eethoek als een zithoek, en ook mensen die hulpmiddelen nodig hebben, ondervinden hier hinder van. Wethouder Geilen benadrukt dat kleinere woningen vaak nodig zijn om betaalbaarheid te waarborgen. Hij legt uit dat corporaties streven naar een minimumoppervlakte van 70 vierkante meter, met enkele uitzonderingen van 50 vierkante meter, om woonkwaliteit te garanderen terwijl de woningen nog betaalbaar blijven. Grotere woningen drijven de kosten namelijk aanzienlijk omhoog, waardoor betaalbaar bouwen bijna onmogelijk wordt.

Daarnaast wijst hij op de uitdagingen voor particuliere beleggers bij het realiseren van een sociaal segment, waardoor samenwerking met corporaties op gemeentelijke locaties noodzakelijk is om sociale en middensegmentwoningen mogelijk te maken. Verder legt de wethouder uit dat sommige instrumenten, zoals specifieke voorrangsregels, nog niet worden ingezet omdat de wetgever dit voorschrijft en er kaders bestaan voor urgente groepen, statushouders en arbeidsmigranten. Hij benadrukt dat de huisvestingsverordening en de verhuurvergunningsverordening al kaders bieden voor sturing en dat de uitvoering hiervan volop loopt. Ook verwijst hij naar de nog te realiseren huisvestingsverordening, die samen met Beek en Stein wordt opgepakt om de woonopgave gezamenlijk en zorgvuldig aan te pakken. De heer Klaassen (PVV) vraagt waarom jongeren, studenten en arbeidsmigranten vaak gedwongen worden samen te wonen op een kamer, terwijl statushouders een zelfstandige woning krijgen. Hij wil weten of het college met de woningcorporaties gaat afspreken dat deze praktijk wordt aangepast. Wethouder Geilen legt uit dat er voor arbeidsmigranten een verhuurvergunning geldt die voorkomt dat zij met meerdere personen op een kamer wonen, tenzij het een koppel betreft. Voor kamerverhuur gelden bovendien eisen waaraan het pand moet voldoen om in aanmerking te komen.

Voor statushouders kan soms een andere aanpak nodig zijn vanwege toenemende aantallen. Het college bespreekt dit met woningcorporaties in de prestatieafspraken, waarbij ook mogelijkheden voor tijdelijke oplossingen en woningdelen worden meegenomen om pieken in de vraag op te vangen. De heer Claessens (GOB) merkt op dat er knelpunten zijn in de vergunningenketen binnen de organisatie en stelt voor te onderzoeken of interne opleidingsmogelijkheden kunnen bijdragen aan versterking. Hij vraagt daarnaast naar andere ideeën van de wethouder om de keten te verbeteren. Wethouder Geilen erkent dat de vergunningenketen een knelpunt is en wijst op de lange doorlooptijden die ontstaan vanaf het eerste initiatief tot oplevering, deels door beperkte capaciteit bij

5

stedenbouwkundigen en adviseurs. Hij noemt het voorstel om intern opleidingsmogelijkheden te onderzoeken waardevol en geeft aan dit mee te nemen in het opleidingsprogramma van de organisatie, bijvoorbeeld via een learning academy. De heer Paauwe (Stadspartij) merkt op dat er nog onduidelijkheid is over hoeveel jongeren nog noodgedwongen thuis wonen door gebrek aan betaalbare woningen. Daarnaast geeft hij aan dat de dorpen en wijken volgens hem te weinig terugkomen in het programma. De heer Renet (SPA) benadrukt dat er in de kwetsbare wijken ook gebouwd moet worden om de bevolkingssamenstelling op peil te houden en verdere verpaupering te voorkomen. Daarnaast wijst hij op de situatie van ouderen, met de sloop van duizend woningen moet er gekeken worden naar financiële oplossingen, waarbij niet alleen de woningbouwcorporaties verantwoordelijk zijn. Wethouder Geilen geeft als antwoord op de heer Renet aan dat in kwetsbare wijken wel gebouwd moet worden, maar vooral middeldure en duurdere woningen, zodat een mix ontstaat en de wijken sterker worden. Sociaal wonen wordt juist toegevoegd in minder kwetsbare wijken, waar dit beter kan worden geïntegreerd. Aan de heer Paauwe geeft hij aan dat het college de inbreng van raadsleden serieus neemt, maar dat fundamentele meningsverschillen niet altijd tot wijzigingen in het programma leiden.

Het doel blijft gedegen bouwen en transformatie van leegstand, waarbij de woonbehoefte leidend is en de leefbaarheid in de wijken behouden blijft. Mevrouw Lotfy (Burger Centraal) merkt op dat in 2023 72 procent van de woningen aan eigen inwoners is toegewezen, maar dat door nieuwe urgentiecategorieën de druk op de woningmarkt kan toenemen. Ze benadrukt dat 28 procent van de woningen naar niet-ingezetenen gaat, wat voor problemen zorgt voor jongeren en mensen in kwetsbare situaties. Daarnaast wijst ze op een fout in de beleidstekst over de 50procent-regel, feitelijk is dit met de nieuwe wet wel mogelijk, ook al ziet het college geen noodzaak om het toe te passen. Tot slot vraagt ze of het verstandig zou zijn dat de gemeente zelf een urgentie- en huisvestingsverordening opstelt om te experimenteren met deze categorieën, zoals andere gemeenten al doen. Wethouder Geilen reageert dat het actuele percentage woningen dat aan eigen inwoners wordt toegewezen momenteel 68 procent is. Hij verwijst naar de antwoorden op de artikel-43-vragen die volgende week volgen. Hij ziet op dit moment geen noodzaak om een zwaardere voorrangsregeling aan eigen inwoners in te voeren, maar erkent dat extra urgentiecategorieën de druk op de woningmarkt kunnen vergroten en dat dit daarom gemonitord wordt.

Daarnaast geeft hij aan dat de huisvestingsverordening, die momenteel wordt opgesteld samen met Beek en Stein, het instrumentarium zal bieden om dergelijke maatregelen in de toekomst te kunnen inzetten. Mevrouw Ritzen (ambtelijke ondersteuning) legt uit dat volgens artikel 14 lid 2 van de Huisvestingswet maximaal 50 procent van de woningen kan worden toegewezen aan mensen met binding aan de gemeente en dat dit onderdeel niet wordt gewijzigd. Mevrouw Lotfy (Burger Centraal) merkt op dat zij dit in het wetsvoorstel voor de Wet versterking regie volkshuisvesting niet terugziet. Mevrouw Ritzen (ambtelijke ondersteuning) legt uit dat de Wet versterking regie volkshuisvesting verschillende wetten wijzigt, waaronder de Huisvestingswet, maar dat het betreffende artikel over de 50procent-toewijzing ongewijzigd blijft. Mevrouw Lotfy (Burger Centraal) vraagt waarom het college niet alvast vooruitloopt op de nieuwe urgentiecategorieën en direct zou kunnen bepalen dat deze alleen aan personen met binding aan SittardGeleen worden toegewezen, aangezien de druk op de woningmarkt daardoor waarschijnlijk zal toenemen.

6

Mevrouw Ritzen (ambtelijke ondersteuning) geeft aan dat het niet toegestaan is om bij de nieuwe urgentiecategorieën extra voorwaarden te stellen, zoals een binding met de gemeente. Ze benadrukt dat dit volgens de memorie van toelichting duidelijk een weigeringsgrond is. Mevrouw Joosten (VVD) wil duidelijkheid over de zelfbewoningsplicht, de mogelijkheid om tiny woningen permanent te maken in plaats van tijdelijk en over het gemeenschapshuis in Grevenbicht en de school in Obbicht. Wethouder Geilen geeft over tiny houses aan dat deze meestal in het groen staan en daarom met een tijdelijke vergunning van tien jaar worden gerealiseerd, op reguliere bouwkavels zou een permanente vergunning mogelijk zijn. Wat betreft de zelfbewoningsplicht stelt hij dat die momenteel niet nodig is, omdat ook particuliere verhuur bijdraagt aan het woningaanbod, met name in de midden huursector, en een verplichting tot zelfbewoning dit zou beperken. De school in Obbicht wordt niet in het programma genoemd omdat er al een inwonerinitiatief en intentieovereenkomst loopt voor ontwikkeling op die locatie. Voor het gemeenschapshuis in Grevenbicht geldt dat de exploitatie onder druk staat, waardoor gekeken wordt naar mogelijke alternatieve modellen of reservelocaties, zonder dat bestaande verenigingen direct getroffen worden.

Het zijn locaties die op termijn mogelijk voor woningbouw geschikt zouden kunnen zijn. De heer Janssen (GroenLinks/PvdA) wijst op twee aandachtspunten in het volkshuisvestingsprogramma. Ten eerste pleit hij ervoor om woningdelen verder te onderzoeken, vooral met het oog op betaalbaarheid. Ten tweede benadrukt hij het belang van circulaire woningbouw en stelt hij voor om pilotprojecten op te zetten in samenwerking met aannemers, ontwikkelaars en woningcorporaties om te onderzoeken wat op dat gebied mogelijk is. Wethouder Geilen legt wat woningdelen betreft uit dat het beleid dit niet uitsluit, maar dat er vaak belemmeringen zijn, zoals hypotheekregels, die buiten de gemeentelijke macht liggen. Circulaire woningbouw komt beperkt aan bod in het volkshuisvestingsprogramma, omdat het thema meer past binnen duurzaamheidsbeleid. Wel werkt de gemeente samen met corporaties om circulariteit te vergroten, bijvoorbeeld door materialen te hergebruiken en in te zetten op modulaire en fabrieksmatige bouw. Volgens de wethouder is aanpassing van het programma niet per se nodig. De heer Schlössels (CDA) benadrukt dat bij inbreidingsprojecten ook goed naar de buitengebieden gekeken moet worden. Hij wijst erop dat sommige gebieden aan de ene kant al bebouwd zijn en aan de andere kant nog niet, waardoor ze zeer geschikt zijn voor uitbreiding.

Wel maakt hij duidelijk dat hiervoor een bestemmingswijziging nodig is, en vraagt hij expliciet aandacht voor dit proces, omdat zonder deze wijziging inbreiding niet effectief kan plaatsvinden. Wethouder Geilen reageert dat het hier niet om inbreiding maar om uitbreiding gaat. Wanneer er gebouwd wordt in gebieden die momenteel als buitengebied zijn aangemerkt, valt dit onder uitbreiden. Hij legt uit dat de provinciale overheid meestal bepaalt wat als buitengebied geldt en dat de provincie ondanks de druk om te bouwen, de bescherming van buitengebieden belangrijk vindt. In het programma wordt uitbreiding niet volledig uitgesloten, bij transformatie kan soms wel gekeken worden naar bouwen in combinatie met de aanleg van groene dorpsmantels. De voorzitter vraagt of hij mag concluderen dat dit onderwerp voldoende besproken is? Dat is het geval. Daarmee sluit hij de vergadering om 20:30 uur.

7

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=SittardGeleen&id=999ab51a-2740-48d8-8b3f-00b36a8f5f25