Notulen Ronde Raadzaal 27 november 2025
Tekst van het document
Wethouder Geilen licht toe dat de passages in het ontwerp van het parkeerbeleidsplan niet tegenstrijdig zijn met het beleid van het college. Hij legt uit dat het citaat waar mevrouw Lotfy naar verwijst over beleid van de provincie, niet het beleid van het college betreft. Wat betreft de strekking over minder afhankelijkheid van de auto, benadrukt hij dat dit voortkomt uit de omgevingsvisie, waarin eerst alternatieven zoals lopen, fietsen, openbaar vervoer en deelmobiliteit moeten worden bevorderd. Pas wanneer deze alternatieven op orde zijn, kan fase 2 worden uitgevoerd, waarin onder andere de beperking van parkeercapaciteit op strategische plekken kan worden ingezet. Deze fasering is bewust zo gekozen en tijdens eerdere raadsgesprekken afgesproken, om ervoor te zorgen dat de maatregelen erop gericht zijn inwoners een goed alternatief voor de auto te bieden en niet direct autobezit te ontmoedigen. Het doel van het beleid is dus niet het terugdringen van autobezit op zichzelf, maar het creëren van mogelijkheden voor andere vormen van mobiliteit. Mevrouw Lotfy (Burger Centraal) benadrukt dat ze het belangrijk vindt om duidelijkheid te krijgen over de interpretatie van het parkeerbeleidsplan.
Ze wijst erop dat op pagina 24 van het plan concreet staat dat in ontwikkelgebieden keuzes worden gemaakt die aansluiten bij de ambities van de omgevingsvisie, zoals strengere parkeernormen en minder ruimte voor auto’s om duurzame mobiliteit te stimuleren. Daarnaast wordt onder sturing en gedragsverandering gesproken over beperking van parkeercapaciteit, wat volgens haar de indruk wekt dat dit direct bedoeld is om mensen te motiveren hun auto minder te gebruiken. Ze maakt het verschil duidelijk tussen het streven naar vermindering van autogebruik, wat al langer in beleidsstukken voorkomt, en het beperken van autobezit, dat volgens haar voor het eerst in dit plan expliciet genoemd wordt. Ze geeft aan dat als het college werkelijk niet de intentie heeft om autobezit te beperken, dit uit de stukken verwijderd kan worden. Zo niet, dan overweegt ze een initiatiefvoorstel in te dienen, zodat duidelijk wordt of raadsleden al dan niet achter deze beleidsrichting staan. Wethouder Geilen legt uit dat de keuzes op pagina 24 van het parkeerbeleidsplan, waarin in ontwikkelgebieden minder ruimte voor auto’s wordt gepland of strengere parkeernormen worden toegepast, bedoeld zijn om flexibel om te gaan met de parkeerbehoefte bij nieuwe ontwikkelingen. Ontwikkelaars vragen regelmatig welke parkeernorm moet gelden, bijvoorbeeld 1,7 of 1,2 plek per woning in de binnenstad.
In sommige gevallen, bijvoorbeeld bij goede OV- of deelmobiliteitsvoorzieningen, kan dit leiden tot minder parkeerplaatsen zonder dat bewoners tekortkomen. Bij sommige projecten wordt gewerkt met zogenaamde slapende parkeerplaatsen, deze hoeven aanvankelijk niet volledig aangelegd te worden, maar kunnen later alsnog gerealiseerd worden als blijkt dat er meer auto's zijn dan verwacht. Het doel van deze aanpak is om bewoners te verleiden alternatieve vervoerswijzen te gebruiken, waardoor autobezit en de noodzaak voor verharding en parkeerplaatsen afnemen. Dit beleid is dus niet bedoeld om autobezit actief te ontmoedigen, maar om keuzes te maken op basis van daadwerkelijke behoefte en duurzame mobiliteit te stimuleren.
17
De heer Klein (Lokaal SGB) geeft aan dat hij het beeld dat de wethouder schetst over fase 1 en fase 2 in de praktijk niet herkent. Hij noemt voorbeelden van wijken waar parkeerplaatsen zijn verwijderd terwijl die locaties niet nabij stations of bushaltes liggen. Volgens hem zijn er daar geen nieuwe fietspaden, veilige routes of andere voorzieningen aangelegd die het autogebruik zouden compenseren. Hij vraagt de wethouder om uitleg waarom de uitvoering in de praktijk niet overeenkomt met de beleidsstukken. Wethouder Geilen legt uit dat de voorbeelden die de heer Klein noemt niet vergelijkbaar zijn met de situaties die hij eerder toelichtte. Hij verwijst naar nieuwbouwontwikkelingen, waar op een andere manier met parkeren wordt omgegaan, terwijl de heer Klein spreekt over een reconstructie van een plein. Bij dat plein is overleg geweest met de omgeving, is de parkeerbehoefte gemeten en is een proefvak ingericht met minder parkeerruimte, waardoor er ruimte ontstond voor vergroening. Na evaluatie bleek dit te werken en is het definitief uitgevoerd. Volgens de wethouder gaat het dus om een andere context dan de ontwikkelgebieden waar hij eerder op doelde. De heer Klein (Lokaal SGB) merkt op dat, ondanks de uitleg van de wethouder over fase 1 en fase 2 van het parkeerbeleid, er in de praktijk al jarenlang parkeerplaatsen verdwijnen bij verschillende reconstructies.
Hij geeft aan dat hij daardoor geen verband kan zien tussen het huidige beleid zoals dat op papier staat en wat er daadwerkelijk in de praktijk gebeurt. De heer Talpe (PIT) constateert dat zijn technische vraag en de beantwoording veel losmaakt in het debat. Hij geeft aan dat het voor de PIT-fractie belangrijk is dat eerst het alternatief op orde is en verwijst naar het amendement van de heer Klein dat ze bij de omgevingsvisie hebben gesteund. Hij merkt op dat, kijkend naar de genoemde documenten, zijn fractie geen structureel beleid ziet dat in de veronderstelde richting van ontmoediging van autogebruik gaat. Concrete ontwikkelingen, zoals het vervallen van parkeerplaatsen, worden volgens hem per geval bekeken en zo nodig nader besproken, bijvoorbeeld in een ronde. Mevrouw Boukhrissi (GroenLinks/PvdA) geeft aan dat haar fractie bij het beleid rondom autogebruik vooral kijkt naar de alternatieven die worden ingezet om de auto te laten staan. Ze benadrukt dat voor haar fractie ontmoediging van autogebruik altijd gekoppeld is aan goede alternatieven, zoals een OVaansluiting en veilige, verlichte fietspaden. Ze merkt op dat dit niet expliciet in hun verkiezingsprogramma staat, maar dat ze wel inzetten op meer fietsparkeerplekken en een hogere belasting van autogebruik, met het doel de leefbaarheid te verbeteren.
Haar fractie steunt de lijn van de omgevingsvisie, maar blijft kritisch of er bij het vervallen van parkeerplaatsen ook daadwerkelijk alternatieven worden gerealiseerd. De heer Klee (GOB) is tegen het zomaar weghalen van parkeerplaatsen en het ontmoedigen van autogebruik zonder onderbouwde plannen. Autobezit en autogebruik ziet hij als individuele keuzes van inwoners. Tegelijkertijd erkent hij dat er overvolle straten in wijken en dorpen zijn en steunt hij het stimuleren van actieve en duurzame mobiliteit via het STOMP-principe. Hij benadrukt dat dit een langdurig proces is met als doel dat toekomstige generaties een andere gemeente op het gebied van mobiliteit ervaren. Hij noemt daarnaast cijfers over autokilometers in 2024 om te onderstrepen dat actie vanuit de gemeente nodig blijft. De heer Hoedemakers (CDA) geeft aan dat zijn fractie achter het huidige mobiliteitsbeleid staat, dat streeft naar een gezonde balans tussen leefbaarheid, bereikbaarheid en duurzaamheid. Tegelijkertijd merkt hij op dat de indruk is ontstaan dat autogebruik te veel onder druk staat, terwijl de auto voor veel inwoners een noodzakelijke vervoersvorm is, bijvoorbeeld voor werk, mantelzorg of gezinsverplichtingen. Het CDA vindt dat schrappen of verkleinen van parkeerruimte door inwoners kan worden ervaren als een straf en daarom niet wenselijk is.
De fractie pleit voor een evenwichtig beleid waarin ruimte blijft voor de auto, terwijl alternatieven zoals fiets en openbaar vervoer worden verbeterd. Het beleid moet gericht zijn op keuzevrijheid, bereikbaarheid en praktische oplossingen, en ontmoedigen mag geen uitgangspunt zijn. Op de vraag van mevrouw Lotfy of herziening nodig is, antwoordt hij dat dit momenteel niet noodzakelijk is.
18
De heer Renet (SPA) vraagt of het CDA bij het vaststellen van beleid prioriteit geeft aan autogebruik of aan mobiliteit per fiets en andere alternatieven. De heer Hoedemakers (CDA) reageert dat het juist gaat om het vinden van een balans, waarbij beide aspecten evenwichtig worden meegenomen en tegen elkaar worden afgewogen. De heer Renet (SPA) stelt dat zonder duidelijke prioritering het lastig is om te beslissen of de huidige situatie gehandhaafd blijft of dat er wijzigingen nodig zijn. De heer Hoedemakers (CDA) geeft aan dat er juist moet worden aangepast en dat een evenwichtige aanpak nodig is. Dit betekent dat er gezocht wordt naar een balans tussen verschillende ruimtelijke en mobiliteitsbehoeften. De heer Renet (SPA) vraagt of het betekent dat op plekken waar nog geen fietspaden liggen, er daadwerkelijk iets gerealiseerd moet worden. De heer Hoedemakers (CDA) bevestigt dit, als er een wens is voor een fietspad, moet dit ruimtelijk worden ingepast. Mevrouw Frenken (VVD) geeft aan dat de auto voor veel inwoners van Sittard-Geleen een noodzaak is en geen luxe. Ze spreekt zich uit tegen het ontmoedigen van autobezit en autogebruik, omdat veel inwoners afhankelijk zijn van de auto voor werk, mantelzorg of het vervoeren van kinderen, en de alternatieven binnen de gemeente beperkt zijn.
Ze benadrukt dat verdere ontmoediging van autogebruik zowel de lokale economie als de sociale omgeving van inwoners zou raken. Daarnaast wijst ze op de al bestaande landelijke maatregelen, zoals hogere brandstofprijzen en belastingen. De VVD-fractie staat voor keuzevrijheid, zelfstandigheid en gezond verstand, en pleit daarom voor voldoende parkeergelegenheid en beleid dat inwoners ondersteunt in hun mobiliteit, in plaats van hen te ontmoedigen. Veiligheid, betaalbaarheid en praktische mogelijkheden zijn daarbij de kernwaarden. De heer Paauwe (Stadspartij) merkt op dat het betoog van mevrouw Frenken goed aansluit bij de motie van 9 oktober, maar dat de VVD destijds niet expliciet bij de motie genoemd stond. Mevrouw Frenken (VVD) durft niet met zekerheid te zeggen of de VVD de motie officieel ondersteunde of medeondertekende, maar vermoedt dat dat wel het geval is. De heer Pfoster (PVV) geeft aan dat de motie van Burger Centraal terecht is, omdat het college beleid voert dat niet gebaseerd is op een democratisch mandaat en onvoldoende transparant is. Hij onderschrijft de kritiek van mevrouw Lotfy dat inwoners daardoor in hun vrijheid om zich te verplaatsen worden beperkt.
Volgens hem bevatten de beleidsdocumenten en het parkeerbeleidsplan maatregelen die gericht zijn op gedragsbeïnvloeding, zoals het verwijderen van parkeerplaatsen en het beperken van ruimte voor automobilisten, terwijl dat niet in verkiezingsprogramma’s terug te vinden is. Hij benadrukt dat in veel wijken het openbaar vervoer onvoldoende is en dat de auto voor veel inwoners het enige werkbare vervoermiddel is. Daarom steunt hij de lijn van Burger Centraal, gericht op keuzevrijheid, eerlijk bestuur en realistische alternatieven, en roept hij het college op om ontmoedigingsbeleid te stoppen en transparant te zijn over de werkelijke bedoeling van mobiliteitsmaatregelen. De heer Talpe (PIT) vraagt in hoeverre de omgevingsvisie op het besproken punt juist is vastgesteld. De heer Pfoster (PVV) reageert dat de gemeente volgens hem niet de regie moet nemen. De visie is bedoeld om inwoners samen met de gemeente te laten meedenken en ontwikkelen. Hij benadrukt dat het ontmoedigingsbeleid waarnaar wordt verwezen niet de keuze is van het merendeel van de bewoners van Sittard-Geleen en dat hij zich niet herkent in de geschetste stelling. De heer Talpe (PIT) concludeert dat de PVV zich niet herkent in de passage over ontmoedigingsbeleid in de omgevingsvisie en dat dit destijds geen aanleiding was voor de PVV om tegen te stemmen of een amendement in te dienen.
19
De heer Pfoster (PVV) bevestigt dat de omgevingsvisie bedoeld is om samen met inwoners gedragen te worden. Hij benadrukt dat de specifieke passage waar de heer Talpe naar verwijst volgens hem niet past bij de lijn van de PVV en evenmin bij die van een groot deel van de inwoners. Mevrouw Lotfy (Burger Centraal) vraagt aan de heer Talpe waarom hij het gesprek nu focust op het feit dat er in het verleden geen punt is gemaakt van een passage in de omgevingsvisie, terwijl het haar juist gaat om de vraag of de partijen voorstander zijn van het ontmoedigingsbeleid. Ze benadrukt dat als een fractie daar geen voorstander van is, het juiste is om dat uit alle beleidsstukken te verwijderen en kaders te stellen zodat het ook in nieuwe stukken niet terugkomt. Ze vindt dat de huidige discussie afleidt van de essentie van het gesprek. De heer Talpe (PIT) geeft aan dat de omgevingsvisie destijds diverse onderwerpen over mobiliteit bevatte, maar dat daar nauwelijks op is gereageerd door de partijen, afgezien van het amendement van de heer Klein. Hij stelt dat partijen altijd kunnen aangeven dat ze bepaalde zaken nader willen bespreken, maar constateert dat het destijds amper onderwerp van gesprek was en blijkbaar geen breed gedragen thema. Hij vindt het daarom gerechtvaardigd om dit nu opnieuw ter discussie te stellen.
Mevrouw Lotfy (Burger Centraal) geeft aan dat hoewel het vrij staat om de omgevingsvisie ter discussie te stellen, ze het persoonlijk een oneerlijke manier vindt om het debat te voeren. Ze benadrukt dat sinds de vaststelling van de omgevingsvisie een fundamentele koerswijziging heeft plaatsgevonden, het college heeft besloten niet alleen alternatieven te stimuleren, maar ook actief autobezit te ontmoedigen. Volgens haar is dit een wezenlijk andere stap en zorgelijk, omdat het een glijdende schaal betreft waarbij de maatregelen geleidelijk steeds ingrijpender worden. De heer Klein (Lokaal SGB) geeft aan dat de discussie over parkeren soms te gefragmenteerd wordt gevoerd, doordat verwezen wordt naar andere documenten waardoor het gesprek vroegtijdig wordt gestopt. Hij vindt dit frustrerend en mist een breder overzicht van de effecten van beleidskeuzes. Hij benadrukt dat bepaalde beslissingen, zoals het verplaatsen van sportverenigingen, juist extra autobewegingen veroorzaken, waardoor het ontmoedigingsbeleid deels teniet wordt gedaan. Volgens hem lijkt de balans tussen stimuleren van alternatieven en faciliteren van autogebruik daardoor zoek te raken. De heer Renet (SPA) wijst erop dat visies zoals de omgevingsvisie voortdurend kunnen veranderen door nieuwe ontwikkelingen.
Hij benadrukt dat zijn fractie, net als enkele andere partijen, kritisch staat tegenover bepaalde onderdelen van de visie. Volgens hem is het niet realistisch om te stellen dat alles in een visie vastligt en vraagt hij hoe de PIT-fractie de uitvoering en bijstelling van beleid de komende vier jaar voor zich ziet. De heer Talpe (PIT) geeft aan dat de omgevingsvisie niet in beton is gegoten en dat het altijd mogelijk is om onderdelen te herzien. Hij benadrukt dat het bij zijn eerdere betoog vooral ging om helder te krijgen welke documenten relevant zijn, namelijk de omgevingsvisie en het parkeerbeleid, en dat beleid bij concrete ontwikkelingen altijd kan worden bijgestuurd. Nadere actie acht hij momenteel niet nodig. De heer Renet (SPA) stelt vast dat visies flexibel moeten zijn. Hij benadrukt dat aanpassingen op basis van actuele ontwikkelingen binnen enkele maanden mogelijk moeten zijn en dat dit een goede manier is om visies te hanteren, zodat ze aangepast kunnen worden waar nodig. De heer Pfoster (PVV) vraagt vervolgens waarom de omgevingsvisie toch zo stevig wordt vastgehouden, terwijl eerder door dezelfde partijen is aangegeven dat beleid op onderdelen alsnog kan worden bijgesteld. De heer Talpe (PIT) geeft aan dat hij juist niet zegt dat men aan de omgevingsvisie moet vasthouden.
Hij benadrukt dat de omgevingsvisie dient als vertrekpunt en dat deze bijgesteld kan worden wanneer dat nodig is. Voor de huidige situatie en de stukken die besproken zijn, ziet hij op dit moment geen aanleiding om de visies bij te stellen.
20
Mevrouw Lotfy (Burger Centraal) geeft aan blij te zijn dat de heer Talpe erkent dat beleid bijgesteld kan worden. Ze legt vervolgens uit dat ze bij de eerdere ronde over Enexis en bij technische vragen heeft vastgesteld dat bij een grootschalige elektriciteitsuitval van circa 40 procent van de inwoners mensen zelfredzaam zouden moeten zijn. Ze wijst erop dat dit praktisch onmogelijk is zonder auto, omdat openbaar vervoer overbelast raakt en noodsituaties zoals zuurstof- of dialyse behoevende hierdoor onvoldoende worden ondersteund. Ze constateert een duidelijke tendens van het college om autobezit te ontmoedigen, verdergaand dan alleen het stimuleren van alternatieven, onder meer door parkeerplaatsen te verwijderen. Ze betreurt dat de gemeenteraad dit niet actief tegengaat en benadrukt dat de raad kaderstellende en controlerende taken heeft. Ze stelt dat het mogelijk moet zijn om al in de voorfase een signaal af te geven tegen ontmoedigingsbeleid en gedragssturing met betrekking tot auto’s, terwijl alternatieven wel kunnen worden gerealiseerd. Daarom wil ze een motie of initiatiefvoorstel indienen nog voor de verkiezingen, zodat partijen kleur bekennen over hun standpunt.
Ze vraagt de griffie om vooraf duidelijkheid of het onderwerp actueel is, of dat het als initiatiefvoorstel moet worden ingediend en opnieuw in een ronde besproken moet worden voordat het in de raad behandeld kan worden. De voorzitter geeft aan dat het aan de raadsagendacommissie is om te adviseren of een motie of initiatiefvoorstel actueel is en dat de raad daarover de uiteindelijke beslissing neemt. Het staat mevrouw Lotfy vrij om zowel een motie als een initiatiefvoorstel in te dienen, maar het is niet aan de griffie om hierover nu een uitspraak te doen. Mevrouw Lotfy (Burger Centraal) meldt dat ze van plan is zowel een motie als een initiatiefvoorstel in te dienen. Ze verzoekt dat de motie niet in stemming wordt gebracht zolang het initiatiefvoorstel nog loopt, omdat ze het belangrijk vindt dat het onderwerp zo snel mogelijk aan de raad wordt voorgelegd. Ze benadrukt dat het, ongeacht de vorm, voor de verkiezingen behandeld moet worden. De voorzitter licht toe dat het indienen van een motie sneller kan gaan, terwijl een initiatiefvoorstel eerst ter advisering naar het college gaat, wat meer tijd kost, maar mogelijk een vollediger traject biedt. De heer Renet (SPA) benadrukt het belang van autobezit in relatie tot zelfredzaamheid bij mogelijke elektriciteitsuitval.
Hij verwijst naar een bijeenkomst waar werd aangegeven dat de stroomvoorziening op dit moment voor 130 procent draait en dat bij uitval mensen minstens 72 uur elektriciteit nodig hebben, ook voor het openbaar vervoer. Volgens hem maakt dit duidelijk dat het beperken van autobezit op dit moment problematisch zou zijn, omdat inwoners anders niet adequaat kunnen reageren in noodsituaties. Mevrouw Lotfy (Burger Centraal) benadrukt dat niet alle inwoners even zelfredzaam zijn en dat sommige mensen niet kunnen lopen, fietsen of gebruikmaken van het openbaar vervoer. Ze wijst erop dat er ook inwoners zijn die bijvoorbeeld straatvrees hebben of onvoldoende middelen hebben voor OV. Daarom vindt ze het belangrijk dat de raad kaders stelt over autobezit en autogebruik, zodat ontmoedigingsmaatregelen in de toekomst niet verder worden doorgevoerd. Wethouder Geilen geeft aan dat niet iedereen kan fietsen, OV gebruiken of zelf een auto besturen, en dat zelfredzaamheid ook via anderen kan worden gerealiseerd. Hij benadrukt dat het college in de omgevingsvisie van 27 maart en in de hoofdlijn van het parkeerbeleidsplan van 25 september niet heeft ingezet op het actief ontmoedigen van autobezit, maar op het creëren van alternatieven en het bevorderen van andere vervoersmodaliteiten, wat mogelijk tot verminderd autogebruik kan leiden.
Volgens hem is het onnodig om dit onderwerp opnieuw uitgebreid te bespreken, aangezien de raad een proces heeft afgesproken voor het bijstellen van de visie tot 2040, met vaste momenten om beleid te herzien. Het college acht het niet raadzaam om elke recente ontwikkeling meteen te laten leiden tot aanpassing van vastgestelde beleidspunten. De voorzitter sluit de discussie af en geeft aan dat het onderwerp opnieuw aan de orde zal komen, mede door de aankondiging van mevrouw Lotfy. Hij sluit de vergadering om 23:00 uur.
21