CConstaterende datSittard-Geleen
Koppel je AI →
Document · PDF

Notulen Ronde Raadzaal 12 juni 2025

Raad 3 juli 2025, gemeente Sittard-GeleenBij agendapunt: Vaststellen van de notulen8.863 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Notulen van de Ronde in Raadszaal op donderdag 12 juni 2025 Tijdstip:

19.00-21.35 uur

1.1 Rondevoorstel afwegingskader zon en wind (Tillie) 19.00-20.20 uur Aanwezig de voorzitter: de griffier:

L. Weermann-Schepers A. Cortlever

de leden GOB: CDA: Stadspartij: GroenLinks/PvdA: D66: VVD: PVV: SPA: Lokaal Sittard-Geleen-Born: Burger Centraal: PIT:

J.H.J. Tholen T.E.L. Vranken A.C.M. Raven P.H.J. Kubben P.R. Pi Van de Venne L. Hoogenberg J.J. Renet M.G.H. Habets

het college:

Wethouder Tillie

ambtelijke ondersteuning:

De heer Schönwetter, de heer Booij

notulen:

I. van Mourik (Notuleerservice Nederland)

De voorzitter opent de vergadering en heet iedereen welkom. Vanavond worden er drie voorstellen besproken volgens het principe van de schuivende panelen. De fractie Burger Centraal heeft zich afgemeld. De technische vragen zijn vooraf gesteld, zodat vanavond ruimte is voor het politieke debat en de bespreking van de voorliggende raadsvoorstellen. Het doel van het eerste agendapunt is richting te geven aan de mogelijkheden voor zonne- en windenergie in Sittard-Geleen, zonder in te gaan op concrete locaties of initiatieven. De mededeling hierover is eerder al via het dagbericht van 5 juni gedeeld. Ook zijn in iBabs de technische vragen en antwoorden van de fracties PIT en D66 te vinden. Wethouder Tillie licht toe dat het voorliggende afwegingskader de richting aangeeft die het college wil inslaan, maar dat de inbreng van de raad nog meegenomen wordt. Er ligt een opgave vanuit de RES, waarvan tot nu toe slechts 15,6 procent is gerealiseerd. Er zijn geen plannen voor grote windturbines, dus daar hoeven raadsleden zich geen zorgen over te maken. Het nieuwe afwegingskader moet meer ruimte bieden voor initiatieven dan het vorige. Daarbij wil het college beter afwegen wat wel en niet gewenst is, met oog voor de energiedoelstellingen.

De wethouder wijst ook op een technische wijziging, de aanvankelijke afstandsnorm van twee keer de tiphoogte is gebaseerd op verwachte landelijke regels, maar die zijn uitgesteld. Hij vraagt de raad hoe hiermee om te gaan. Verder meldt hij dat Rijkswaterstaat een veiligheidsbuffer van 215 tot 250 meter rond de A2 vereist, wat de mogelijkheden daar beperkt.

1

De heer Renet (SPA) geeft aan dat zijn fractie in principe wil meewerken aan het behalen van klimaatdoelstellingen, maar hij zet vraagtekens bij het huidige RES-bod van Sittard-Geleen. Hij vindt dit bod buiten proportie, zeker in verhouding tot de oppervlakte van de gemeente en het landelijke gemiddelde. Volgens hem ontbreekt een wettelijke verplichting om het huidige bod uit te voeren, en hij vraagt het college om een schriftelijke onderbouwing van de gemaakte afwegingen en berekeningen. Daarnaast benadrukt hij dat SPA wel wil inzetten op isolatie, zonnedaken en energieopslag, maar dat het huidige voorstel te ver gaat. Hij vindt het essentieel dat lokaal opgewekte stroom ook echt lokaal gebruikt wordt en dat dit niet betekent dat het naar Chemelot gaat, een grootverbruiker die volgens hem niet onder lokaal valt. Hij wil hierover ook schriftelijke garanties. Verder uit hij zorgen over de ruime formuleringen in het voorstel, waarmee volgens hem te veel soorten projecten op allerlei gronden mogelijk worden gemaakt. Hij pleit voor duidelijke begrenzingen, zeker in natuurgebieden en langs wegen en vaarwegen. Ook noemt hij Lindenheuvel, waar volgens hem de leefomgeving ernstig zou worden aangetast als daar windmolens of zonneweides worden geplaatst.

Hij vindt dat eerdere conclusies, zoals bij Holtum-Noord, serieus genomen moeten worden en dat de leefomgeving van inwoners voorop moet blijven staan. De heer Pi Van de Venne (D66) waardeert het dat het college de raad betrekt bij het afwegingskader zon en wind, ook al ligt de formele bevoegdheid bij het college. Die betrokkenheid vindt D66 cruciaal, gezien de urgentie van de energietransitie. De fractie staat positief kritisch tegenover het voorstel. Positief, omdat het meer ruimte biedt voor duurzame energieopwekking, iets wat volgens D66 hard nodig is, gezien het achterblijven van de gemeente op de RES-doelstellingen. Met slechts 15,6 procent voortgang noemt D66 de huidige stand van zaken beschamend, al is de fractie positief over de recent vastgestelde routekaart energie. De kritiek van D66 richt zich met name op de onnodige ruimtelijke beperkingen die het voorstel oplegt. De fractie ontraadt het college om de voorgenomen zienswijze over windenergie in te dienen bij de provincie, omdat deze volgens hen de ruimte voor opwek beperkt terwijl die juist dringend nodig is. Mocht het college toch tot indiening overgaan, dan wil D66 de zienswijze direct schriftelijk ontvangen. Wel spreekt D66 waardering uit voor de zienswijze van het college over het gebruik van agrarische gronden voor zonne-energie, ook al is deze door de provincie afgewezen.

Verder benadrukt D66 dat er, bij het uitblijven van landelijke normen, lokaal maatwerk nodig is. De fractie pleit voor het opstellen van eigen richtlijnen, omdat stilzitten geen optie is. Ook vraagt D66 om de leefomgeving rond het Graetheideplateau mee te nemen in het kader voor zonopwekking, zodat niet alleen bedrijven maar ook omwonenden kunnen profiteren, zowel ecologisch als financieel. Tot slot wil D66 verduidelijking over het woord ‘in principe’, in het antwoord op technische vraag 5 en vraagt om uitleg over de bedoelde middelen en maatregelen. De heer Kubben (GroenLinks/PvdA) benadrukt dat voor zijn fractie twee zaken onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, het betaalbaar houden van de energierekening voor inwoners en bedrijven, en het zo snel mogelijk terugdringen van de CO₂-uitstoot door te stoppen met fossiele brandstoffen. Hij roept op tot concrete actie in plaats van eindeloos overleg en verwijst naar het feit dat Sittard-Geleen nog maar 15 procent van de afgesproken RES-doelstelling heeft gerealiseerd. Die afspraak is jaren geleden gemaakt, en het is volgens hem hoog tijd om nu ook echt werk te maken van de uitvoering. Hoewel het goed is dat er weer een aanvullend document ligt op de bestaande stapel beleidsstukken, benadrukt hij dat het tijd wordt voor geen woorden, maar daden.

Hij stelt vast dat het college formeel weliswaar aangeeft dat het vandaag niet over concrete projecten gaat, maar benadrukt dat de bereidheid bij initiatiefnemers sterk samenhangt met het signaal dat de gemeente afgeeft. Hij mist daarbij collegebrede daadkracht en dringt aan op meer duidelijkheid. Daarom vraagt hij de wethouder om, ondanks de abstracte aard van het voorstel, toch een inschatting te geven van drie concrete projecten die op basis van dit afwegingskader binnen enkele jaren gerealiseerd kunnen worden. Wat betreft de inhoud van het voorstel spreekt hij zijn zorgen uit over de mate waarin het document dichtgetimmerd is. Volgens hem zou er juist meer flexibiliteit in de tekst moeten komen, zodat er in de praktijk ook echt ruimte ontstaat voor nieuwe initiatieven. Als voorbeeld noemt hij de passage over het lokaal gebruik van opgewekte energie. Hij pleit ervoor om die term ruimer te interpreteren, bijvoorbeeld als regionaal of zelfs euregionaal, zodat het collectieve karakter van de energietransitie beter tot zijn recht komt en onnodige vertraging wordt voorkomen.

2

Daarnaast uit hij kritiek op de manier waarop in het voorstel wordt omgegaan met windmolens in grensgebieden. Hoewel er in België en Duitsland al windmolens staan, lijkt het college zich af te vragen of extra molens aan Nederlandse zijde wenselijk zijn vanwege het visuele effect. De heer Kubben vraagt zich af waarom hierover überhaupt gesproken wordt, aangezien de provincie deze locaties niet heeft opgenomen in de zoekgebieden. Hij vraagt om opheldering over de vraag of deze plekken wel echt kansrijk zijn, of dat de discussie daarover tijdverlies is. Ten slotte staat hij stil bij de problematiek van netcongestie. Hij erkent dat dit een belangrijk punt is, maar waarschuwt ervoor dat het huidige voorstel te strikt is in de eisen die worden gesteld. Volgens hem zouden projecten die nu nog niet direct aangesloten kunnen worden vanwege netcapaciteit, wel alvast in voorbereiding genomen moeten worden, zodat ze zodra er ruimte is meteen gerealiseerd kunnen worden. Hij pleit voor aanpassing van de tekst op dit punt, zodat het geen extra rem vormt op de noodzakelijke versnelling. De heer Vranken (CDA) is blij dat het afwegingskader voor zon- en windenergie nu in de raad besproken wordt. Hij vraagt zich namens de CDA-fractie af of dit kader voldoende is om de RES-doelstellingen te behalen. Ook wil hij weten welke beleidsruimte de raad na vaststelling nog heeft.

Is er nog invloed mogelijk, bijvoorbeeld bij toekomstige plannen voor windmolens, of ligt alles dan volledig bij het college? Daarnaast vraagt hij op welke manier inwoners en bedrijven bij de uitvoering betrokken worden. Eerdere participatietrajecten liepen niet goed, dus hij pleit voor een zorgvuldige aanpak. Tot slot vraagt hij of de gemeente samenwerkt met bedrijven binnen de gemeente die overcapaciteit aan duurzame energie hebben, en wat dat betekent voor het lokaal opwekken en gebruiken van stroom. De heer Hoogenberg (VVD) benadrukt het belang van duurzame energie en ziet het programma als een stap in de goede richting. Hij vraagt zich echter af wat lokaal gebruik van opgewekte stroom concreet betekent en hoe gegarandeerd wordt dat inwoners hier daadwerkelijk van profiteren. In de praktijk stroomt elektriciteit via het net, waardoor het moeilijk is lokaal gebruik af te dwingen. Hij wil duidelijkheid of het een wens is, een beleidsvoorkeur of technisch afdwingbaar? Daarnaast vraagt hij naar de uitsluiting van windenergie op het Graetheideplateau, behalve aan de randen bij het bedrijventerrein. Wat betekent die koppeling precies? Gaat het om stroomlevering, visuele inpassing of iets anders? De VVD wil dat deze bepaling concreter wordt, zodat initiatiefnemers en omwonenden weten waar ze aan toe zijn.

Tot slot spreekt hij dank uit dat de raad om advies wordt gevraagd, maar waarschuwt dat dit niet mag worden gezien als politieke instemming met het hele programma. Hij pleit ervoor de raad meer in positie te brengen, want één ronde voor zo’n belangrijk onderwerp is eigenlijk te kort. De heer Raven (Stadspartij) vindt het moedig en lovenswaardig dat het college het onderwerp duurzame energie en windmolens niet zomaar loslaat, ondanks de eerdere problemen. Hij benadrukt dat de Stadspartij geen steun meer zal geven aan grootschalige windmolens vanwege de negatieve ervaringen en de publieke weerstand. Volgens hem is het verstandiger om in te zetten op kleinschalige windmolens zonder grote visuele impact, bijvoorbeeld met hoogtes van 25 tot 50 meter. Daarnaast pleit hij voor het zoeken naar technische innovaties, met name geïntegreerde systemen waarin wind, zon, water en andere duurzame bronnen gecombineerd worden. Deze kleinschalige, gecombineerde systemen zouden in samenhang kunnen zorgen voor grootschalige energieopwekking. Hij verwijst naar eerdere Limburgse initiatieven en spoort het college aan deze vernieuwende mogelijkheden opnieuw te bekijken, bijvoorbeeld in samenwerking met Brightlands.

De Stadspartij staat achter de voorgestelde uitsluitingen van bepaalde gebieden en ziet hierin een goede basis om met innovatie en kleinschaligheid toch een optimale duurzame energieopbrengst in SittardGeleen te realiseren. De heer Habets (PIT) is enigszins verbaasd over deze opinieronde. Het college vraagt de raad om een mening over een nieuw beleid dat afwijkt van de kaderstelling uit 2021, terwijl uit de stukken blijkt dat de doelstellingen nog niet worden gehaald. Er is volgens hem onvoldoende onderbouwing waarom dat zo is. Hij verwijst naar de netwerkcongestie en de omgevingsvisie waarin staat dat grote projecten voorlopig niet mogelijk zijn. Toch wil het college de kaderstelling aanpassen om ruimte te creëren voor mogelijke aanpassingen, die volgens hem nu nog vaag omschreven zijn en niet duidelijk worden uitgelegd. Ook is het volgens hem zorgelijk dat er nu al wordt afgeweken van de omgevingsvisie, de randen van het Graetheidegebied worden al opgezocht.

3

De heer Habets benadrukt dat zon en wind natuurkrachten zijn waarop de gemeente weinig invloed heeft, en dat netwerkcongestie een probleem is waar de gemeente slechts een faciliterende rol in kan spelen. Hij vraagt waarom het college nu toch die kaders wil verruimen en vraagt om een helder overzicht van de precieze vraag en de locaties waarop dit betrekking heeft, omdat het bijgevoegde kaartje volgens hem niet duidelijk is. Tot slot stelt hij dat volgens PIT de doelstellingen en kaders al zijn vastgesteld en dat het college beter een besluit aan de raad kan voorleggen als het de kaderstelling echt wil wijzigen, in plaats van dit als een opinieronde te presenteren. De heer Tholen (GOB) geeft aan dat zijn partij geen nieuwe discussie over windturbines op Holtum-Noord wil voeren. Zijn fractie is al jaren terughoudend ten aanzien van windmolens zolang er geen landelijke afspraken zijn gemaakt. Ook de netcongestie ziet hij als een grote belemmering. Hij verwijst naar recente berichten over vertragingen in de uitbreiding van het hoogspanningsnet, ook in de regio’s rondom SittardGeleen. Hij noemt de door de provincie onderzochte locaties binnen de gemeente, zoals de Chemelot site en het Graetheideplateau, maar vindt vooral de laatste niet wenselijk. Er gebeurt al veel in het Graetheidegebied en er wordt voorgesteld daar nog windmolens te plaatsen, wat volgens hem niet passend is.

Hoewel GOB vaak nee zegt tegen windenergie, benadrukt de heer Tholen dat zijn partij wel kansen zoekt en compromissen wil sluiten. Hij erkent de grote opdracht vanuit de RES-doelstellingen, waar tot nu toe pas 15,6 procent van is behaald. Daarom juicht hij toe dat het afwegingskader opnieuw wordt bekeken om te zien wat mogelijk is. GOB ziet vooral heil in duurzame energieopslag, zoals megabatterijen, om zo de belasting op het energienet te verminderen en buurten en bedrijventerreinen deels zelfvoorzienend te maken. Door dit te combineren met energiemanagementsystemen kunnen meerdere voordelen worden behaald. Daarnaast staat GOB open voor innovatieve vormen van windenergie, bijvoorbeeld in samenwerking met Brightlands Campus en getoond op de Circular Mile, zoals eerder voorgesteld door hun fractie. Tot slot kan GOB zich vinden in het afwegingskader, dat voldoende voorwaarden stelt zoals geluids- en afstandsnormen, leefomgevingscriteria en draagvlak. De heer Tholen hoopt dat de wethouder deze standpunten in de zienswijze richting de provincie meeneemt, zodat zij bij het provinciaal onderzoek naar windturbines ook rekening kunnen houden met de gemeentelijke wensen. Wethouder Tillie legt uit dat er een dilemma bestaat rondom de locatiekeuze voor duurzame energieprojecten.

Grote zonneweides op landbouwgrond zijn in de gemeente niet gewenst, net als de grote windturbines die oorspronkelijk gepland waren op Holtum-Noord. Dit beperkt de mogelijkheden binnen de gemeente aanzienlijk, terwijl het belang van duurzame energie juist steeds groter wordt, ook voor toekomstige generaties. Daarnaast benadrukt hij dat de gemeente zelf niet over voldoende financiële middelen beschikt om grootschalig te investeren en daardoor sterk afhankelijk is van initiatiefnemers die met plannen komen voor duurzame energieprojecten. Het gemeentelijke afwegingskader dient als instrument om deze initiatieven te toetsen aan de wensen en randvoorwaarden van de gemeente. Hierbij staat centraal dat de opgewekte energie lokaal wordt gebruikt en dat inwoners ook profiteren van de opbrengsten, bijvoorbeeld door betaalbare energieprijzen en lokale participatie. Een belangrijk knelpunt is de netcongestie, oftewel de overbelasting van het elektriciteitsnet, die het opwekken en aansluiten van nieuwe duurzame projecten belemmert. Dit probleem kan volgens hem nog jaren aanhouden. Daarom richt de gemeente zich ook op innovatieve oplossingen, zoals energiehubs en kleinschalige zonneweides dicht bij de gebruikers, die de druk op het netwerk kunnen verlichten.

Ook agri-solar, waarbij zonnepanelen zo worden geplaatst dat landbouw mogelijk blijft, en andere innovatieve technieken krijgen binnen het afwegingskader meer ruimte. Hoewel de gemeente het provinciaal beleid, zoals de provinciale omgevingsvisie, in ogenschouw neemt, kiest zij bewust haar eigen koers en zij staat kritisch tegenover grote windturbines op bijvoorbeeld Graetheide, omdat er weinig draagvlak voor is. In plaats daarvan zet de wethouder in op kleinere, minder visueel belastende windturbines en innovatieve vormen van energieopwekking die beter passen binnen de leefomgeving. De wethouder geeft aan dat het behalen van de afgesproken landelijke RES-doelen voor duurzame energie zonder extra ondersteuning van het Rijk of door innovatie waarschijnlijk niet haalbaar is. Er is echter wel nationale druk om vooruitgang te boeken, waardoor mogelijk in de toekomst drempels kunnen

4

worden weggenomen. Het afwegingskader stelt het college vast, maar de gemeenteraad wordt betrokken bij de verdere uitwerking, vooral wanneer concrete initiatieven impact hebben op de leefomgeving. Daarbij is participatie van bewoners een belangrijk onderdeel. Tot slot onderstreept hij het belang van kleine stapjes en innovatie, omdat het financieel en maatschappelijk niet mogelijk is om in één keer grote sprongen te maken. Met dit afwegingskader wil de gemeente ruimte bieden aan initiatieven die passen binnen de lokale context en de duurzaamheidsdoelen dichterbij brengen, ondanks de vele uitdagingen waar hij als wethouder mee te maken heeft. De heer Schönwetter (ambtelijke ondersteuning) vult aan dat de keuze voor windenergie nabij bedrijventerreinen vooral te maken heeft met de visuele impact. Windturbines hebben een industriële uitstraling, waardoor ze beter passen bij een industriële omgeving. Bovendien is er op bedrijventerreinen vaak een grote energievraag, wat een mooie koppeling vormt tussen lokale opwekking en gebruik. Ook wordt er gewerkt aan de realisatie van energyhubs op bedrijventerreinen, waardoor de aansluiting van windenergie nog logischer wordt. Wind heeft daarnaast een hoge energetische opbrengst, wat het extra aantrekkelijk maakt om windenergie juist aan de randen van het Graetheideplateau, en in de buurt van bedrijventerreinen, te plaatsen.

Volgens hem vergroot dit de kans op succes van zulke projecten aanzienlijk. De heer Renet (SPA) geeft aan dat hij heeft gevraagd een aantal dingen schriftelijk door te geven, maar hij heeft nog niet gehoord dat daar actie op wordt ondernomen. Nationaal gezien wordt volgens het programma uitgegaan van een haalbaarheid van 35 terawattuur in 2030. In Limburg zijn ze daar volgens hem juist veel optimistischer over geweest. Onderzoeken, zoals die van Pondera in Zuid-Limburg, geven aan dat die doelstelling niet realistisch is, ze denken dat er niet voldoende geschikte grond beschikbaar is. Hij vindt daarom dat de oorspronkelijke doelstelling niet vastgehouden moet worden, omdat die niet reëel is. Volgens hem moet er serieus gekeken worden naar wat wel haalbaar is, omdat dat veel meer waardevolle informatie oplevert om de voortgang goed te kunnen beoordelen. Wethouder Tillie bevestigt dat de schriftelijke onderbouwing van het doel zeker wordt verstrekt en dat er daarop gereageerd zal worden. Hij erkent dat men in het verleden misschien te optimistisch is geweest, maar benadrukt dat er afspraken zijn gemaakt, niet alleen binnen het NPRES, maar ook op ZuidLimburgs niveau, met alle gemeenten die met hetzelfde probleem kampen en hun doelen nog lang niet hebben bereikt. Het zomaar terugdraaien van die afspraken vindt hij daarom niet realistisch.

Wel kijkt men samen met Zuid-Limburg naar manieren om de doelen alsnog te halen. De provincie is bovendien altijd betrokken bij de stuurgroep Energiestrategie, waardoor men gezamenlijk onderzoekt wat mogelijk is. Misschien komen er nog onverwachte oplossingen waar men enthousiast van wordt, maar voor nu blijft men binnen een realistisch kader opereren. De heer Pi Van de Venne (D66) vraagt naar de specifieke druk die vanuit het nationale RES-programma op gemeenten wordt uitgeoefend. Hoewel er werd genoemd dat gemeenten obstakels moeten doorgeven, wil hij vooral weten wat die druk concreet inhoudt. Hij is blij dat de directe leefomgeving wordt betrokken bij de zonne-initiatieven op het Graetheideplateau, zodat ook zij kunnen meeprofiteren. Wat hem echter echt zorgen baart, is de constatering dat met het huidige afwegingskader de RES-doelstellingen niet gehaald zullen worden. Volgens hem vraagt dat juist om een verhoging van de ambitie, in plaats van nu al beperkingen in te voeren. Daarom doet hij een nadrukkelijk verzoek aan het college om af te zien van de zienswijze richting de provincie. Verder wil hij graag dat het college de meerwaarde van het voorstel nog eens duidelijk uitlegt, want het lijkt hem tegenstrijdig om al te erkennen dat de RES-doelstellingen niet gehaald worden terwijl het kader daarvoor juist wordt vastgesteld.

Hij benadrukt dat hij overtuigd is van de goede intenties en daadkracht van de wethouder, maar dat hij wel verduidelijking wil over het voorstel zelf. Tot slot vraagt hij de wethouder om opnieuw te kijken naar de technische vragen, vooral met betrekking tot de mogelijkheden om het kader breder te trekken op EUR-regionaal niveau. Hij noemt daarbij initiatieven om samen met Duitsland een grensoverschrijdend energienetwerk op te richten, en hij wil dat dit soort mogelijkheden meegewogen worden in het kader.

5

Wethouder Tillie geeft aan dat het antwoord, in principe ja, in technische vraag 5 simpelweg betekent dat hij openstaat voor het aansluiten op bestaande opstellingen als die er zijn. Wat betreft de druk vanuit het Nationaal Programma RES legt hij uit dat hij sinds hij wethouder is, deelneemt aan de stuurgroep van dit programma. Hij erkent dat dit dossier hem het minst energie geeft, omdat je graag wilt, maar eigenlijk weinig kunt doen vanwege gebrek aan middelen. Hij legt uit dat sommige provincies, zoals Flevoland, hun doelen ruim hebben gehaald door veel windmolens te plaatsen, maar Zuid-Limburg is anders, het is een dichtbevolkt gebied met veel opgaven, niet alleen op het gebied van energie. Vanaf het begin heeft de NPRES aangegeven dat Zuid-Limburg een bijdrage moet leveren aan het landelijke doel, en steeds weer is de vraag gesteld waarom dat doel niet wordt gehaald. Tot nu toe was dat vooral vrijblijvend, maar het laatste jaar voelt hij dat de druk toeneemt. Er is inmiddels een extern adviesbureau ingehuurd dat met alle zestien gemeenten in Zuid-Limburg gaat bekijken waar belemmeringen liggen om de doelen te halen. Die belemmeringen moeten worden doorgegeven. De wethouder merkt dat de vrijblijvendheid minder wordt en dat er straks misschien minder ruimte is om zelf keuzes te maken.

Daarom wil hij de regie in eigen hand houden en niet overrompeld worden door provinciale overheden. Hij geeft aan dat het niet realistisch is om het oorspronkelijke doel van 0,35 terawattuur in 2030 nog te halen. Veel projecten waarvoor subsidie nodig is, duren langer en lopen voorbij 2030. De NPRES heeft daarom hulp toegezegd om mee te kijken, maar hoe vrijblijvend die hulp is, weet hij nu nog niet voor volgend jaar. Tot slot gaat de wethouder in op de regionale initiatieven die door de heer Pi Van de Venne zijn genoemd. Hij geeft aan dat die ontwikkelingen bij hen niet precies bekend zijn, maar dat ze deze wel willen meenemen in de verdere uitwerking. Of die initiatieven passen binnen het huidige afwegingskader betwijfelt hij, maar hij sluit niet uit dat ze in een later stadium zeker meegenomen kunnen worden. De heer Kubben (GroenLinks/PvdA) stelt drie korte vragen. Ten eerste vraagt hij of lokaal opgewekte energie ook regionaal gebruikt kan worden, zodat het niet bij de eigen gemeente blijft. Hij wil weten wat de wethouder met die suggestie doet. Ten tweede gaat het over het draagvlak rond Graetheide. Hij wijst erop dat het Graetheidecomité zich verzet tegen NNN-plannen, maar dat er wel ruimte is voor overleg als bepaalde ingrepen, zoals ontginning, er niet komen en het Lexhybos onaangetast blijft.

Hij vraagt of de wethouder het ermee eens is dat het vooral de optelsom is waar geen draagvlak voor is. Als derde vraag wil hij weten of het afwegingskader het gebruik van hoogrendementswindmolens op andere plekken nog mogelijk maakt, of dat dat hiermee is uitgesloten. Wethouder Tillie begint met het laatste punt over de hoogrendementswindmolens. Hij legt uit dat de raad heeft besloten om eerst de landelijke kaders af te wachten, die voorlopig nog niet zijn vastgesteld. Het voorstel om de tiphoogte per 1 juli te verdubbelen ligt nog op de lange baan. Daarnaast is het draagvlak voor grote windturbines van 225 meter hoog in de gemeente er simpelweg niet. Overal in het land is er weinig steun voor zulke grote molens dicht bij bebouwing. Daarom heeft hij tegen Zuidenwind gezegd dat er alleen gesproken kan worden over kleinere turbines die verder van woongebieden af staan, maar Zuidenwind ziet dat niet als optie. Over het verzet rond Graetheide erkent hij dat er wel draagvlak is voor windenergie-oplossingen, maar niet voor een combinatie van alle geplande ontwikkelingen. Er liggen veel uitdagingen, waaronder de nog te realiseren Delta Rhine corridor. Ze zoeken naar innovatieve oplossingen met minder impact op de omgeving en de ecologie van Graetheide.

Het gebiedsplan noemt geen grootschalige windwinning, maar aan de randen is wellicht ruimte voor combinaties van landbouw en zonnepanelen. Wat betreft regionale samenwerking geeft hij aan dat het netbeheer dit alleen toestaat als opgewekte energie ook lokaal wordt gebruikt. Energiehubs kunnen dat faciliteren, maar het direct transport van energie over grote afstanden via kabels is geen optie. Wel is grensoverschrijdende samenwerking mogelijk, bijvoorbeeld met nabijgelegen gemeenten in Duitsland. De heer Tholen (GOB) benoemt dat het een nationale opgave is, zoals de wethouder ook aangeeft, maar dat er toch grenzen zijn op lokaal niveau. Hij mist een goede samenwerking tussen provincies, bijvoorbeeld tussen Limburg en Flevoland, die hun doelen al ruimschoots behalen. Daarom stelt hij voor

6

om dit punt mee te nemen in de zienswijze richting de provincie Limburg, zodat er op nationaal niveau beter wordt samengewerkt. Daarnaast vraagt hij in hoeverre initiatiefnemers actief worden benaderd om met lokale energieoplossingen te komen. Hoewel voorbeelden als Chemelot en Brightlands genoemd worden, vermoedt hij dat er meer partijen zijn die kansen kunnen bieden. Hij wil graag weten hoe de gemeente deze initiatiefnemers stimuleert en ondersteunt. Wethouder Tillie vindt het een goed idee dat provincies onderling meer gaan samenwerken en zegt dat dit zeker wordt meegenomen in de zienswijze richting het Rijk. Ook over regionale samenwerking wordt op provinciaal niveau nagedacht. Hij benadrukt dat het belangrijk is om over grenzen heen te kijken. Wat betreft het actief benaderen van initiatiefnemers geeft hij aan dat dit zeker een optie is om te onderzoeken. Hij wil bedrijven uitdagen om met innovatieve oplossingen te komen die binnen het afwegingskader passen, al moet nog worden uitgewerkt hoe dat precies gebeurt. Hij verwijst naar de Circular Mile, waarin hier al concreter aan wordt gewerkt. Daarbij wordt ook gekeken naar de combinatie met bedrijven die zich vestigen, en de mogelijkheid om op innovatieve wijze windenergie op te wekken. De heer Pi Van de Venne (D66) vraagt of de zienswijze, zodra die bekend is en wordt ingestuurd, ook aan de raad gestuurd kan worden.

Wethouder Tillie antwoordt dat hij niet precies weet hoe de procedure daarvoor is, maar dat hij denkt dat dat geen probleem zal zijn. De heer Kubben (GroenLinks/PvdA) vraagt of het afwegingskader voor windmolens alles boven de 50 meter per definitie uitsluit. Wethouder Tillie antwoordt dat het kader dat niet uitsluit. Hij geeft wel aan dat het binnen de kaders niet direct de voorkeur heeft, vooral omdat er weinig draagvlak voor is. Daarnaast moet nog worden gekeken naar landelijke afspraken over de tiphoogte, die nog niet duidelijk zijn. Hoewel het dus niet uitgesloten is, acht hij de kans dat zulke molens er komen erg klein. De heer Kubben (GroenLinks/PvdA) merkt op dat niemand, ook zijn partij niet, een windmolen van meer dan 200 meter in iemands achtertuin wil plaatsen. Hij verwijst naar het feit dat zulke grote molens volgens de wethouder het beste op industrieterreinen horen te staan. Daarnaast wijst hij erop dat aan de grens met Duitsland en België al molens van meer dan 200 meter staan, vaak op plekken waar weinig mensen wonen. Hij vraagt zich daarom af waarom het kader hier zo strak is, waardoor er aan deze kant van de grens alleen kleinere molens van maximaal 50 meter komen, terwijl aan de andere kant grotere molens staan. Volgens hem leidt dat alleen maar tot kleine stappen in het halen van de RES-doelstelling.

Wethouder Tillie geeft aan dat hij zelf ook graag die mogelijkheid open zou willen houden. Toch weet hij dat het niet realistisch is om windturbines van 225 meter toe te staan, omdat er simpelweg geen draagvlak voor is onder de inwoners. Hij legt uit dat er aan de Duitse grens misschien wel mogelijkheden zijn, waar inwoners ook kunnen participeren en akkoord kunnen gaan, maar dat blijft maatwerk en lastig. Zelfs één tegenstander kan een lang juridisch traject in gang zetten, waardoor het proces zeer complex wordt. Daarom acht hij de kans klein dat zulke hoge turbines er komen. De heer Kubben (GroenLinks/PvdA) benadrukt dat het niet altijd zo hoeft te zijn dat één tegenstander een heel project blokkeert. Hij verwijst naar andere projecten, zoals Glanerbrook, waar ook tegenstand was, maar die toch zijn doorgegaan. Hij maakt het punt dat, als het college initiatiefnemers wil stimuleren om iets te doen, het afwegingskader niet te strak moet zijn. Mensen kunnen van mening veranderen, dus hij pleit ervoor om de deur open te houden voor hogere windmolens en meer ruimte te bieden, ondanks de mitsen en maren die de wethouder noemt. Wethouder Tillie geeft aan dat hij het pleidooi van de heer Kubben begrijpt en dat ze dit meenemen bij de verdere uitwerking van het afwegingskader.

Hij hoopt dat er uiteindelijk oplossingen komen waar iedereen, of in ieder geval een meerderheid, mee akkoord kan gaan.

7

De voorzitter concludeert dat de portefeuillehouder aandachtspunten meekrijgt voor het definitieve afwegingskader en voor de zienswijze richting de provincie. Het college zal deze informatie met de raad delen. Daarnaast is er de toezegging dat bij concrete initiatieven de raad betrokken wordt. Tot slot vraagt fractie SPA om schriftelijke onderbouwing van het RES-bod dat Sittard-Geleen heeft ingediend. De voorzitter schorst de vergadering voor enkele minuten.

8

1.2 Voorlopig jaarverslag/jaarrekening 2024, ontwerp begrotingswijziging 2025-1, ontwerpbegroting 2026 en het ontwerp meerjarenperspectief 2027-2029 GR Omnibuzz (Tillie) 20.20-20.56 uur Aanwezig de voorzitter: de griffier:

L. Weermann-Schepers A. Cortlever

de leden GOB: CDA: Stadspartij: GroenLinks/PvdA: D66: VVD: PVV: SPA: Lokaal Sittard-Geleen-Born: Burger Centraal: PIT:

I.A.L. Knops- Verjans T.E.L. Vranken J.W. Coumans A.E.H. Wielders P.R. Pi Van de Venne L. Hoogenberg P.W.M. Winteraeken-Bruls J.M.S. Kaul

het college:

Wethouder Tillie

ambtelijke ondersteuning:

De heer Bodelier, de heer Molling

notulen:

I. van Mourik (Notuleerservice Nederland)

De voorzitter heropent de vergadering. Het nu te bespreken voorstel vraagt om instemming met de financiële stukken van de GR Omnibuzz en om geen zienswijze in te dienen. Mevrouw Knops-Verjans (GOB) geeft aan dat haar fractie blij is met de stabilisatie van het aantal vervoersbewegingen, nu 80 procent van het niveau van 2019. De financiën zien er positief uit en het chauffeurstekort lijkt beheersbaar, ondanks de krapte op de arbeidsmarkt. Ze verwijst naar een krantenartikel waarin staat dat in Heerlen wel sprake zou zijn van personeelstekort, en vraagt of dit een lokaal probleem is en of het om alleen chauffeurs of ook administratief personeel gaat. Daarnaast wil ze weten of er plannen zijn om het succesvolle leerlingenvervoer, dat Omnibuzz nu al voor een aantal gemeenten uitvoert, uit te breiden naar andere gemeenten. Verder vraagt ze om uitleg over het reserveringssysteem, omdat je via de computer blijkbaar geen extra personen kunt toevoegen, wat kan leiden tot het risico dat men niet samen met hetzelfde busje wordt opgehaald. Dit moet nu telefonisch worden geregeld. De heer Coumans (Stadspartij) geeft aan dat de stukken duidelijk en goed leesbaar zijn. Hij is positief over het feit dat de vervoersvraag na COVID-19 op 80 procent ligt.

Hij betreurt het dat de pilot met gratis dagkaarten niet succesvol was en vraagt hoe ver Omnibuzz is met het onderzoeken van nieuwe manieren om het vervoer te stimuleren. Daarnaast wil hij weten hoe de gesprekken met cliënten verlopen en of de raad hierover geïnformeerd kan worden.

9

De heer Hoogenberg (VVD) waardeert het werk van het college en is positief over de stukken. Hij vraagt of de uitbreiding van het gratis regionaal openbaar vervoer voor minima tijdens daluren door de provincie Limburg na de zomer effect heeft op Omnibuzz en of dit in de cijfers is meegenomen. De heer Vranken (CDA) merkt op dat er een positieve ontwikkeling is in de daling van het aantal klachten, maar dat er nog steeds 1.643 klachten zijn, waarvan een deel gegrond is. Hij vraagt welke verbetermaatregelen zijn afgesproken met de vervoersondernemingen en waarom deze maatregelen naar verwachting zullen leiden tot een verdere daling van het aantal klachten. Daarnaast geeft hij een advies om te onderzoeken of er een app ontwikkeld kan worden, vergelijkbaar met de systemen die in de pakketbezorging worden gebruikt. Zo’n app zou reizigers realtime inzicht kunnen geven in de aankomsttijden, wat het aantal telefoontjes voor informatie kan verminderen en daarmee de bereikbaarheid en klanttevredenheid kan verbeteren. De heer Vranken wil ook graag meer duidelijkheid over wat er precies wordt bedoeld met andere vervoersbehoeften, en urgente maatschappelijke doelen en/of acute noodoplossingen die in de begroting worden genoemd.

Hij vraagt daarbij of het risico bestaat dat dergelijke urgente vervoersbehoeften kunnen leiden tot overschrijding van de begroting en hoe eventuele overschrijdingen worden voorkomen en geborgd binnen het budget. Tot slot spreekt hij een compliment uit voor het feit dat de beleidsindicator met betrekking tot de overheadskosten niet wordt overschreden en blijft stabiel. Hij is benieuwd naar de plannen om de kosten ook in de komende jaren minimaal stabiel te houden en zeker niet te laten stijgen. De heer Pi Van de Venne (D66) vraagt of het mogelijk is om het overschot in de middelen te benutten om de doelgroep die gebruikmaakt van Omnibuzz uit te breiden. Mevrouw Winteraeken-Bruls (SPA) complimenteert het college met de goed leesbare en uitgebreide stukken. Zij geeft aan dat haar fractie positief staat tegenover het jaarverslag 2024, de ontwerpbegroting 2025-1, de ontwerpbegroting 2026 en het meerjarenperspectief. Wethouder Tillie benadrukt dat het positief is dat de vervoerscijfers na COVID weer zijn gestabiliseerd en dat het gebruik is toegenomen. Het leerlingenvervoer, een initiatief vanuit Midden-Limburg, blijkt een succes te zijn, en Omnibuzz onderzoekt of dit ook in andere delen van Limburg kan worden uitgebreid.

Over het gratis vervoer van de provincie zegt hij dat het een goed initiatief is en dat het aansluit bij de doelstelling van Omnibuzz om kosten binnen de perken te houden. Daarbij wordt gekeken naar een mogelijke overgang van Omnibuzz-vervoer naar regulier vervoer, waarbij dit gratis vervoer een rol kan spelen. Er is overleg tussen Arriva, Omnibuzz en de provincie over de invulling van vervoersvragen, waarbij dit initiatief zeker wordt meegenomen. De heer Molling (Omnibuzz) licht toe dat het chauffeurstekort een landelijk probleem is, niet alleen provinciaal, en dat er diverse maatregelen worden genomen om dit aan te pakken. Een belangrijk onderdeel is piekspreiding, waarbij in overleg met klanten wordt gekeken naar optimale tijden om ritten te reserveren, zodat bijvoorbeeld niet iedereen tegelijk om drie uur wil worden opgehaald, maar ook bijvoorbeeld om kwart over drie. Dit vermindert omrijdtijd en risico’s. Daarnaast wordt er met vervoerders gesproken over het optimaliseren van routes en wervingscampagnes. Het personeelstekort speelt vooral bij chauffeurs, niet bij administratief personeel. Over het leerlingenvervoer vult hij aan dat Midden-Limburg hiervoor een businesscase heeft opgesteld, waardoor zes gemeenten al deelnemen. Zuid-Limburg kan ook een businesscase aanvragen om te bekijken of zij willen instromen.

Daarbij moet nog een Europese aanbesteding plaatsvinden, die buiten de businesscase valt en afhankelijk is van de markt. De heer Molling gaat in op MijnOmnibuzz, een reserveringssysteem dat is geïntroduceerd om het reserveren makkelijker en onafhankelijker te maken. Het punt dat er nog geen optie is om meerdere personen tegelijk te boeken wordt erkend en meegenomen voor toekomstige doorontwikkeling. Andere prioriteiten zijn onder meer toegankelijkheid en tariefstructuren. Op de vraag over de pilot en samenwerking met de provincie en Arriva antwoordt hij dat er overleg is over betere aansluiting tussen doelgroepenvervoer en openbaar vervoer, met initiatieven zoals virtuele haltes en de Vlinderbus. Later dit jaar volgt een themasessie met alle gemeenten om kennisdeling en kostenverdeling te bespreken, waarbij ook pilots zoals die in Venray aan bod komen.

10

De vraag over het gratis vervoer in daluren hangt samen met de lopende ontwikkelingen en aanbesteding van het openbaar vervoer, wat een langetermijnproces is. Met betrekking tot de klachten antwoordt de heer Molling dat het aantal gegronde klachten per 1.000 ritten maximaal 3 mag zijn, terwijl Omnibuzz op 1,3 ligt, ruim onder de norm. Individuele klachten worden opgepakt en er zijn al verbetermaatregelen zoals piekspreiding om klachten te verminderen. De vraag over acute noodoplossingen interpreteert hij als vervoer in urgente situaties, zoals vaccinaties, Oekraïense vluchtelingen en watersnood. Hoewel deze activiteiten belangrijk zijn voor betrokkenen, vormen ze relatief gezien een klein deel van de totale begroting. Tot slot gaat hij in op de vraag over het stabiel houden van overheadskosten. Schaalvoordelen worden behaald doordat loonkosten, huur en automatisering worden verdeeld over meer gemeenten en vervoersvormen, zoals jeugd- en leerlingenvervoer. Dit zorgt ervoor dat de kosten per gemeente dalen of stabiel blijven. Ook wordt met behulp van MijnOmnibuzz geprobeerd loonkosten beheersbaar te houden. Wethouder Tillie reageert op de suggestie van de heer Pi Van de Venne om het overschot te gebruiken om de doelgroep van Omnibuzz-vervoer mogelijk te verruimen.

Hij benadrukt dat hier voorzichtig mee omgegaan moet worden, vooral omdat het lastig is om duidelijk af te bakenen waar de grens ligt als je de doelgroep breder maakt. Volgens hem wordt er al vrij ruimhartig omgegaan met de vervoersvoorzieningen die beschikbaar zijn, en is het belangrijk om niet zomaar de groep rechthebbenden uit te breiden. Verder wijst hij erop dat het hier gaat om een financiële verantwoording die geldt voor heel Limburg. In de praktijk is het deel van het budget dat uiteindelijk niet wordt benut, en dus terugkomt, maar klein. In de begroting wordt immers al rekening gehouden met een zogenaamd verzilveringspercentage. Als dit percentage lager uitvalt, blijft er geld over, maar dat is voorzien en verwerkt in het systeem. Hij is daarom geen voorstander van het verruimen van de doelgroep. De heer Coumans (Stadspartij) geeft aan dat zijn eerder gestelde vraag over het verloop van de gesprekken van Omnibuzz met cliënten nog niet beantwoord is. De heer Molling (Omnibuzz) geeft aan dat er periodiek overleg plaatsvindt met het cliëntenpanel, een vertegenwoordiging van de circa 40.000 klanten van Omnibuzz. Deze overleggen verlopen volgens hem positief en constructief. Tijdens deze bijeenkomsten worden hoofdlijnen besproken, zoals het gebruik van de MijnOmnibuzz-app, de afrekensystematiek, tariefstructuren en signalen uit de regio.

Deze input wordt vervolgens intern vertaald en verwerkt in de dienstverlening. Daarnaast wordt er regelmatig een klanttevredenheidsonderzoek uitgevoerd in samenwerking met een extern adviesbureau. Uit de meest recente resultaten blijkt dat de algehele klanttevredenheid op een 8,3 ligt. Ook specifiek voor de dienstverlening in de gemeente Sittard-Geleen is het rapportcijfer een 8,3. De heer Coumans (Stadspartij) benadrukt dat naast klantvriendelijkheid ook het welzijn van het personeel aandacht verdient. Hij ontvangt signalen van Omnibuzz-medewerkers die tijdens hun werk, vooral telefonisch, regelmatig te maken krijgen met verbaal geweld. Hij vraagt wat Omnibuzz onderneemt om haar personeel hiertegen te beschermen. De heer Molling (Omnibuzz) erkent de toegenomen druk op medewerkers, mede door een stijging van klanten met wangedrag of dementerend gedrag. Om hiermee om te gaan, worden medewerkers van onder andere het callcenter en de financiële afdeling getraind in het herkennen van dergelijke signalen. Ze kunnen terecht bij een intern onafhankelijk meldpunt, en in ernstige gevallen wordt de formele klachtenprocedure gevolgd. Bij agressief gedrag kan een waarschuwing worden gestuurd en, indien nodig, kan het vervoer in overleg met de gemeente worden stopgezet.

De heer Coumans (Stadspartij) stelt voor dat raadsleden, indien gewenst, eens een middag kunnen meelopen bij de klantenservice van Omnibuzz om een beter beeld te krijgen van hoe de organisatie functioneert. Hij geeft aan dat hij tot twee keer toe de directeur hierover heeft gemaild zonder reactie. De voorzitter concludeert dat het stuk als hamerstuk naar de raadsvergadering gaat en Omnibuzz de opmerking over het uitzenden/opnemen van informatiebijeenkomsten in teams en beantwoording van de vraag van de Stadspartij zal meenemen. Ze schorst de vergadering voor enkele minuten.

11

1.3 Regionaal Gezondheidsbeleid 2025-2030 ‘Gezondheid nu, voor later!’ (Tillie) 20.56-21.35 uur Aanwezig de voorzitter: de griffier:

L. Weermann-Schepers A. Cortlever

de leden GOB: CDA: Stadspartij: GroenLinks/PvdA: D66: VVD: PVV: SPA: Lokaal Sittard-Geleen-Born: Burger Centraal: PIT:

M.P.A. Dormans T.E.L. Vranken C.H.H. Klingestijn A.E.H. Wielders P.R. Pi Van de Venne L. Hoogenberg P.W.M. Winteraeken-Bruls M.G.H. Habets

het college:

Wethouder Tillie

ambtelijke ondersteuning:

Mevrouw Drenthe

notulen:

I. van Mourik (Notuleerservice Nederland)

De voorzitter heropent de vergadering. Aan de raad wordt voorgesteld in te stemmen met het Regionaal Gezondheidsbeleid. Ook is de Wmo-raad om advies gevraagd. In iBabs zijn de technische vragen van de fracties PIT en GroenLinks/PvdA terug te vinden, evenals de beantwoording daarop. Mevrouw Winteraeken-Bruls (SPA) geeft aan dat zij het stuk als zeer uitgebreid en positief ervaart. Ze waardeert vooral dat er in het voorstel verwezen wordt naar bestaande netwerken, wat volgens haar laat zien dat er samenhang is en geen losstaand beleid wordt gevoerd. Ze vindt het daarnaast goed dat de Wmo-raad van Sittard-Geleen om advies is gevraagd en dat dit advies ook uitgebreid is en zorgvuldig is. De heer Pi Van de Venne (D66) wijst op de groeiende wachtlijsten, vooral voor individuele begeleiding en geestelijke gezondheidszorg, en op de toenemende multiproblematiek die de druk op het zorgsysteem verhoogt. In Zuid-Limburg is de zorgvraag relatief groot, terwijl er financiële tekorten zijn, waardoor zorg niet altijd adequaat kan worden verleend. Dit vraagt volgens hem om een efficiënte en slagvaardige organisatie, waarbij aanvragen en toekenningen van zorg snel en effectief moeten verlopen zodat hulpbehoevenden tijdig de zorg krijgen die ze nodig hebben. Hij geeft aan dat het beleid stappen zet in het bevorderen van de gezondheid in de regio, maar stelt wel een aantal vragen.

Ten eerste vraagt hij naar de voortgang van een eerder aangenomen motie over mentale gezondheid en hoe die nu wordt uitgevoerd binnen het beleidsplan. Ten tweede vraagt hij naar de gevolgen van het wegvallen van tijdelijke NPO-gelden die eerder op scholen werden ingezet voor mentale gezondheid van leerlingen, en of er hierdoor achterstanden worden verwacht. Daarnaast vraagt hij zich af hoe het beleidsplan inspeelt op mogelijke veranderingen in rijkssubsidies, aangezien het huidige kabinet gevallen is en er een nieuwe regering kan komen die juist extra investeert in preventie en publieke gezondheid. Hij wil weten of er tussentijdse aanpassingen in het plan mogelijk zijn. Tot slot vraagt hij naar de borging van de effectiviteit van het preventiebeleid rond middelengebruik onder jongeren, en wat er gebeurt als de resultaten tegenvallen.

12

De heer Vranken (CDA) spreekt zijn waardering uit voor het toekomstgerichte Regionale Gezondheidsbeleid. Hij prijst in het bijzonder de Wmo-raad Sittard-Geleen, die telkens met uitgebreide, positieve en toch kritische adviezen komt. De CDA-fractie kan zich volledig vinden in het voorstel. De heer Hoogenberg (VVD) complimenteert ook namens zijn fractie het voorstel. Hoewel hijzelf geen vragen heeft, wil hij wel een oproep doen. Hij vindt het triest om te zien dat er in het raadsvoorstel kanttekeningen staan over bezuinigingen vanuit het Rijk. De VVD-fractie hoopt dan ook dat de wethouder deze kwestie landelijk blijft aankaarten en zich blijft inzetten voor een sterke lobby richting Den Haag. De heer Klingestijn (Stadspartij) benadrukt dat gezondheid niet alleen medisch is, maar ook een sociale opgave. Investeren in wijken, ontmoeting en veerkracht is essentieel. Het baart hem zorgen dat Zuid-Limburg achterblijft bij het landelijke gemiddelde, maar hij erkent dat het behalen van doelen tijd en structurele inzet vraagt. De Stadspartij ziet het belang van jeugd centraal staan in de aanpak, vooral op scholen waar gezondere kantines en beweging moeten worden gestimuleerd. Hij vraagt het college of zij scholen actief willen stimuleren om het vignet ‘Gezonde School’ aan te vragen, omdat het initiatief nu vooral bij scholen zelf ligt en dat risico op weinig verandering geeft.

Daarnaast benadrukt hij dat ook ouderen en kwetsbare groepen aandacht verdienen, vooral in een vergrijzende regio als Zuid-Limburg. Hij pleit voor verbreding van het beleid naar gezond blijven en een gezonde geest. Tot slot uit hij zorgen over de bereikbaarheid van zorgvoorzieningen, met name door ontwikkelingen rondom Zuyderland. De Stadspartij blijft zich inzetten voor goede en betaalbare vervoersmogelijkheden, samen met partners zoals Omnibuzz, zodat kwetsbare inwoners toegang houden tot zorg. Ook vraagt hij of er samenwerkingen zijn met andere gemeenten of organisaties om het vervoer beter te regelen. De heer Dormans (GOB) noemt het plan ambitieus en noodzakelijk, gezien de achteruitgang sinds 2012. Hij mist echter een nulmeting en actuele gegevens over de stand van zaken, waardoor toetsing lastig is. Ook verwijst hij naar de Wmo-raad, die hierover al vragen stelde zonder duidelijk antwoord. Hij vraagt waarom het eerste beleidsdocument en een overzicht met fatsoenlijke percentages niet zijn bijgevoegd, wat het moeilijk maakt om veranderingen te controleren. Hij vindt dat de negatieve beeldvorming over Zuid-Limburg ten opzichte van het landelijk gemiddelde soms overdreven is, omdat de verschillen in cijfers mee lijken te vallen. Hij wil graag weten hoe ZuidLimburg zich verhoudt tot andere regio’s in het land, niet alleen tot het landelijke gemiddelde.

De heer Habets (PIT) spreekt waardering uit voor de Wmo-adviesraad vanwege hun zorgvuldige en constructieve bijdrage. PIT benadrukt het belang van realistische doelen, SMART geformuleerd, die ook behaald of verantwoord moeten worden. Er ontbreekt nu volgens hen onderbouwing voor niet behaalde resultaten. PIT twijfelt of de huidige aanpak daadwerkelijk de gewenste veranderingen kan brengen, mede door het gebrek aan informatie en concrete resultaten. De partij pleit voor een faciliterende rol gericht op positieve, constructieve stimulatie en preventie, in plaats van repressieve maatregelen. Tot slot vraagt PIT bij een volgende bespreking om een voorstel met duidelijk geformuleerde, meetbare doelen. Mevrouw Wielders (GroenLinks-PvdA) waardeert het vernieuwende traject en het effect ervan. Wel geeft ze aan dat veel beleidsvoornemens niet SMART geformuleerd zijn, waardoor ze moeilijk meetbaar zijn. Ze pleit voor concrete, meetbare doelen in plaats van vage termen als beter en meer. Verder vraagt ze aandacht voor de handhaving van het rookverbod in sportkantines, omdat daar nog veel wordt gerookt ondanks regels, en dit een plek is waar veel jongeren komen. Ze wijst op de bestaande wachtlijsten in de jeugdzorg en Wmo, en stelt dat het beleidsstuk te veel beleid op papier blijft zonder realistische uitvoering.

Ze pleit voor het benoemen van deze discrepantie, zodat duidelijk wordt wat haalbaar is. Ook adviseert ze om concrete uitvoeringsplannen te formuleren en die aan de Wmo-raad voor te leggen, zodat hun advies beter kan aansluiten. Wethouder Tillie geeft aan dat het regionale gezondheidsbeleid voor Zuid-Limburg samen met alle zestien gemeenten en de GGD is opgesteld en een overkoepelend kader vormt met meerdere

13

uitvoeringsplannen eronder. Het blijft lastig om de effecten van interventies precies te meten, maar hier wordt actief aan gewerkt. Hij benadrukt dat het programma Trendbreuk, dat gericht is op samenwerking tussen verschillende partijen om kinderen gezond op te laten groeien, positieve resultaten laat zien, al zijn deze pas op de lange termijn zichtbaar. De methode van Trendbreuk wordt ook toegepast op andere doelgroepen. Over de geestelijke gezondheidszorg vertelt hij dat er transformatieplannen zijn ontwikkeld waarbij inwoners bij een huisartsbezoek direct in contact komen met zowel geestelijke gezondheidszorg als welzijnswerk, passend bij hun behoeften. Dit moet de druk op wachtlijsten verminderen. Effectieve interventies, zoals mbo-coaches, blijven ondanks het stoppen van bepaalde onderwijsprogramma’s bestaan. De wethouder merkt op dat ondanks de onzekerheid door kabinetswisselingen, de bezuinigingen op gezondheid waarschijnlijk blijven. De integrale aanpak via IZA en samenwerking tussen zorgpartijen moet leiden tot betere afstemming en preventie, waarbij wordt voorkomen dat zorgkosten zomaar worden verschoven zonder extra middelen. Hij legt uit dat de gemeente steeds meer integraal werkt, waarbij naast gezondheidsvragen ook financiële en sociale problemen worden meegenomen om gezinnen zo goed mogelijk te helpen, onder andere in pilotwijken.

Gezonde scholen zijn vooral de verantwoordelijkheid van de scholen zelf, maar de gemeente stimuleert de samenwerking op dit gebied. Ouderen krijgen veel aandacht binnen het beleid, met focus op preventie zodat zij gezond ouder worden en minder zorg nodig hebben. Ook is er aandacht voor het bereikbaar houden van zorg, waarbij afspraken worden gemaakt met vervoersbedrijven. Hoewel het moeilijk is om directe gezondheidseffecten te meten, worden alleen bewezen effectieve methoden ingezet. De wethouder benadrukt dat Zuid-Limburg een achterstand heeft ten opzichte van andere regio’s, maar dat de ontwikkelingen vergelijkbaar zijn. Uiteindelijk is gedragsverandering bij inwoners cruciaal, wat tijd kost, zoals hij illustreert met het voorbeeld van het rookverbod in treinen. Tot slot erkent hij dat handhaving van het rookverbod een belangrijk aandachtspunt is. De wachtlijsten in de jeugdzorg blijven een grote uitdaging, mede door de toenemende medicalisering, waardoor sneller doorverwezen wordt naar zorg. Hij wijst erop dat er in de hervormingsagenda jeugd wordt gewerkt aan het normaliseren van gedrag om de druk op de zorg te verminderen. Mevrouw Drenthe (ambtelijke ondersteuning) licht toe dat het jeugd- en middelenbeleid inmiddels door alle Zuid-Limburgse gemeenten is vastgesteld. Het uitvoeringsplan, dat nu wordt afgerond, concretiseert hoe het beleid daadwerkelijk wordt uitgevoerd.

Tussentijdse evaluaties, onder andere via GGDmonitoring, moeten de effectiviteit meten. In Sittard-Geleen werkt men nauw samen met organisaties als Ecsplore en Mondriaan om preventie op scholen te versterken en krachten te bundelen. Omdat nieuwe middelen zoals vapen snel opkomen, is het belangrijk jongeren weerbaar te maken tegen groepsdruk en misleidende gezondheidsclaims, in plaats van steeds achter de feiten aan te lopen. Samen met scholen wordt onderzocht wat effectief werkt en welke voorbeelden als best practices kunnen dienen, zodat scholen beter ondersteund worden in hun inzet. Daarnaast bespreekt ze het transformatieplan mentale gezondheid. Hierin wordt gewerkt met een uniform instroommodel, zodat jongeren direct de juiste zorg krijgen. Er wordt onderzocht hoe signalering en hulp dichterbij de jongeren, bijvoorbeeld op mbo-scholen zelf, kunnen plaatsvinden om wachtlijsten te verminderen en de verschillende werelden van zorg en onderwijs beter te verbinden. De heer Dormans (GOB) vraagt zich af hoe een evaluatie in 2028 goed kan plaatsvinden als er nu nog geen meetbare cijfers of doelen zijn vastgesteld. Hij stelt voor om het college nu al mee te nemen in een tussentijdse evaluatie over de afgelopen dertien jaar, zodat er een goed beeld ontstaat van wat wel en niet werkt. Zonder concrete meetpunten vindt hij het lastig om de effectiviteit van het beleid te beoordelen.

Daarnaast merkt hij op dat roken in kantines binnen het verenigingsleven steeds minder voorkomt, mede dankzij goede naleving. Als tip geeft hij mee dat de gemeente preventief brieven zou kunnen sturen naar verenigingen met kantines om aan te geven dat er controles plaatsvinden. Dit kan besturen bewust maken en naleving stimuleren, zodat overtredingen sneller worden aangepakt.

14

Wethouder Tillie geeft aan dat sportkantines een belangrijk aandachtspunt zijn binnen het beleidsplan middelgebruik. Vooral alcoholgebruik speelt daar nog vaak een rol, vooral bij jongeren onder de achttien jaar. Daarom wordt er intensief ingezet op het betrekken van sportverenigingen bij het beleid om overmatig middelgebruik te voorkomen. Het preventieve onderdeel en handhaving in sportkantines zijn duidelijk opgenomen in het plan, maar de wethouder erkent dat dit wellicht nog eens extra onder de aandacht gebracht kan worden. De heer Dormans (GOB) benadrukt dat het niet gaat om directe handhaving of politie-inschakeling, maar om het sturen van een brief naar de bestuurders van verenigingen. Zo’n brief kan helpen om ze er bewust van te maken dat er mogelijk preventieve controles gaan komen. Mevrouw Drenthe (ambtelijke ondersteuning) legt uit dat er in eerdere plannen, zoals Trendbreuk, al veel parameters waren opgesteld om de effecten te meten. Er waren er meer dan tachtig, wat het overzicht erg lastig maakte. Daardoor kon het beeld alle kanten op gaan, omdat ook andere factoren invloed hebben. Daarom wordt nu gekeken welke parameters echt zinvol zijn en waarop de focus gelegd moet worden. Dit moet leiden tot een duidelijkere en betere rapportage.

Voor de evaluatie in 2028 wordt gebruikgemaakt van de gezondheidsmonitor, die al data verzamelt sinds 2012 en landelijke trends inzichtelijk maakt. Zo kan een goed vergelijk worden gemaakt en een betrouwbare trend worden vastgesteld. De heer Habets (PIT) vroeg of het opnemen van een evaluatiemoment niet beter in het beleidsplan zelf had moeten staan, omdat dat nu lijkt te ontbreken. Wethouder Tillie reageert dat een evaluatiemoment sowieso belangrijk is en dat het inderdaad handig is om dat duidelijk in het plan te vermelden. De heer Habets (PIT) benadrukt dat het niet alleen om een evaluatiemoment gaat, maar vooral om een duidelijke definitie van hoe en wat er gemeten wordt. Volgens hem biedt het nieuwe probleem rondom vaping nu juist de kans om een nulmeting te doen, zodat dit onderwerp goed gevolgd en beoordeeld kan worden. Hij suggereert dat zo’n aanpak ook voor andere onderdelen waardevol kan zijn. Wethouder Tillie geeft aan dat hij de suggestie waardeert, maar dat het nog onduidelijk is in hoeverre dit al in andere plannen, zoals de uitvoeringsplannen, is opgenomen. Omdat het beleidsplan regionaal is, is directe uitvoering complex. Hij neemt het mee naar het algemeen bestuur van de GGD om te benadrukken dat er vanuit Sittard-Geleen behoefte is aan meer inzicht in resultaten.

Hij pleit ervoor om metingen inzichtelijk te maken, zodat duidelijk wordt of het gezondheidsbeleid daadwerkelijk effect heeft. De voorzitter geeft aan dat het voorstel als hamerstuk naar de raad gaat. Ze somt de gemaakte afspraken op: nakijken of de motie over mentale gezondheid is afgehandeld, het aanbieden van een toelichting op de uitvoeringsplannen aan de raad indien daar behoefte aan is, en het nogmaals onder de aandacht brengen van handhaving op vapen en roken bij verenigingen en kantinebeheerders. Daarnaast wordt afgesproken om het totaalplaatje van middelengebruik mee te nemen naar het bestuur van de GGD, zodat er meer inzicht komt in resultaten en ontwikkelingen op basis van indicatoren. De voorzitter sluit de vergadering om 21.35 uur.

15

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=SittardGeleen&id=99540f9f-d5ee-439d-be2e-e6de1209f275