Kaderbrief 2025
Tekst van het document
Kaderbrief 2025
1
Inhoudsopgave Inleiding ..................................................................................................................................................3 1.
Financieel perspectief .....................................................................................................................5 1.1 Financiële kaders/ uitgangspunten ...............................................................................................6 1.2 Beschikbaar budgettair kader........................................................................................................6 1.3 Externe ontwikkelingen .................................................................................................................7 1.4 Interne ontwikkelingen .................................................................................................................9 1.5 Lokale lasten ................................................................................................................................11 1.6 Doorkijk financieel perspectief en opties structureel begrotingsevenwicht ...............................13
2.
Opgavegerichte indeling van de begroting ..................................................................................15 2.1 Begroting 2026 – 2029 ..........................................................................................................16
Bijlage 1: Ledenbrief VNG 25/018 Uitkomsten Overhedenoverleg en Voorjaarsnota .......................19
2
Inleiding Beste lezer, Voor u ligt de kaderbrief 2025 van de gemeente Sittard-Geleen. Met deze kaderbrief maken we het begin van een nieuwe planning en control cyclus en geven we richting aan de voorbereiding van de meerjarenbegroting 2026-2029. We bespreken een aantal te verwachten ontwikkelingen en uitdagingen. Ook geven we richting aan de verdere uitwerking van de stuurbare en meetbare P&C cyclus. Eerder bent u geïnformeerd over de korting van het Rijk op het gemeentefonds vanaf 2026, het zogenoemde ‘ravijnjaar’. De Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft zich ingezet om de tekorten aan te pakken. Inzet was taken en middelen in balans te brengen. Tijdens het afronden van onze kaderbrief heeft het Rijk de Voorjaarsnota 2025 gepresenteerd. Deze bevat enkele positieve signalen: er komt bijvoorbeeld extra geld beschikbaar in met name de jaarschijven 2025 tot en met 2027 voor jeugdzorg en het gemeentefonds. Hierdoor wordt de financiële druk bij gemeenten in de komende jaren voor een deel weggenomen. Tegelijkertijd blijft de financiering vanaf 2028 achter bij de verwachtingen van gemeenten, en zien we dat het Rijk op termijn nog steeds bezuinigingen op onder andere jeugdzorg doorvoert. Kortom met de Voorjaarsnota 2025 en de aanvullende afspraken zijn niet alle problemen opgelost en resteert er vanaf 2028 een ‘financieel gat’.
Met andere woorden heeft het kabinet voor een tijdelijke oplossingen gekozen en geen structurele en zoals u weet is dat net het knelpunt. De VNG zal de komende tijd stappen zetten die gemeenten in staat stellen ook na 2028 hun rol en verantwoordelijkheden ten volle te kunnen waarmaken. Voor een nadere toelichting hierop verwijzen wij naar de VNG ledenbrief 2025/018 ‘Uitkomsten Overhedenoverleg en Voorjaarsnota’ (zie bijlage 1). Meer duidelijkheid over de keuzes van het kabinet en de daadwerkelijke gevolgen daarvan voor gemeenten wordt op zijn vroegst verwacht bij de meicirculaire 2025. Conform het raadsbesluit over de P&C-cyclus 2025 verwerken we de financiële gevolgen uit die meicirculaire 2025 in de voorbereiding van de begroting 2026. In deze kaderbrief is geen nieuw beleid opgenomen, waardoor er nu geen inhoudelijke en/ of financiële keuzes gemaakt hoeven te worden. In de begrotingscyclus is geeft de kaderbrief duidelijke kaders en dus handvatten om te kunnen werken met wijzigingen in Deze kaderbrief biedt deze context aan het eerder vastgesteld beleid zoals verankerd in de kadernota 2023-2026 en de meerjarenbegrotingen 2024-2027 en 2025-2028. De raad heeft voor deze bestuursperiode een uitvoeringsagenda met speerpunten vastgesteld, waarvoor binnen de incidentele begrotingsruimte ruimte is gevonden voor tijdelijke intensivering of stimulering.
Deze ruimte is zoals u weet beperkt en van tijdelijke aard ingevuld. Hiermee is toentertijd al rekening gehouden door het ontbreken van structurele financiële ruimte in de begroting en de meerjarenraming. In lijn met de zorgen van de VNG benadrukken wij de noodzaak van structurele financiële duidelijkheid en stabiliteit. Hoewel we over incidentele middelen beschikken, ervaren ook wij intussen spanning op
3
het borgen van ons structureel begrotingsevenwicht. Dat komt voornamelijk door een aantal autonome ontwikkelingen én het naderende ravijnjaar, dat door de voorjaarsnota 2025 voor een deel is opgeschoven van 2026 naar 2028. Bij de opstelling van deze kaderbrief hebben we rekening gehouden met de wisselende omstandigheden. Desondanks bieden onze financiële kaders houvast en flexibiliteit tegelijk. Dankzij een robuuste opzet presenteren we een begroting die per saldo sluit, ongeacht de hoogte van de rijksinkomsten. Onze kaders fungeren als kompas en stellen ons in staat om prioriteiten te stellen en afwegingen te maken. Door heldere uitgangspunten en buffers in te bouwen, blijft de begroting beheersbaar én beleid transparant, ook als de inkomsten fluctueren. We stellen ons begrotingsbeeld bij op basis van ‘harde’ cijfers, bijvoorbeeld aan de hand van de meicirculaire, waarbij onze uitvoeringsprincipes leidend zijn. Het financiële perspectief vraagt om realisme. De Euro kan maar één keer uitgegeven worden. Ondanks deze uitdagingen blijven we ambitieus, waarbij we ook kritisch kijken naar het tempo waarin we zaken uitvoeren. Samen bouwen we verder aan een gemeente waarin mensen gezond leven, de economie duurzaam is en de natuur een integrale rol speelt.
In aanloop naar de begrotingsvoorbereiding zullen wij u tussentijds informeren over actuele ontwikkelingen met betrekking tot de gemeentefinanciën, bijvoorbeeld over de uitkomsten van de meicirculaire 2025. Sittard-Geleen, 24 april 2025, Burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen
mr. J.Th.C.M. Verheijen burgemeester
drs. P. Sennema gemeentesecretaris/algemeen directeur
4
1. Financieel perspectief Vooraf In ons financieel beleid streven wij naar een duurzame en solide financiële positie met voldoende veerkracht. Deze financiële veerkracht heeft betrekking op weerbaarheid en wendbaarheid. Met andere woorden: hebben wij voldoende middelen om tegenvallers op te kunnen vangen en beschikken wij over financiële ruimte om uitvoering te kunnen geven aan onze ambities en (landelijke) opgaven, zoals energietransitie, woningbouw, duurzaamheid, bestaanszekerheid asielopvang etc.. In onze P&C-cyclus hebben wij regelmatig melding gemaakt van de veranderende omgeving en de onzekere tijden waarin we leven. In de afgelopen jaren zijn we achtereenvolgens geconfronteerd met de coronacrisis, de demografische ontwikkeling, de energiecrisis, hoge inflatie en de oorlog in Oekraïne. Nu worden we geconfronteerd met wereldwijde geopolitieke en economische instabiliteit, waarvan de impact onzeker is. Daarnaast, en wellicht de grootste factor, is de al jaren voortdurende onduidelijkheid van het Rijksbeleid met betrekking tot gemeentefinanciën en wisselende prognoses hieromtrent. Deze loopt de laatste jaren als een rode draad in onze P&C-cyclus. De hierboven geschetste ontwikkelingen hebben impact op onze financiële positie en financiële veerkracht, waardoor de inhoudelijke, financiële strategie een complexe opgave wordt.
Daarom sluiten ook wij ons aan bij de oproep van de VNG aan het kabinet om te komen tot een duurzaam en voorspelbaar financieel kader voor gemeenten. Alleen dan kunnen wij, met een realistisch perspectief, blijven investeren in wat nodig is voor onze inwoners, de uitvoering van onze speerpunten en het opvangen van maatschappelijke uitdagingen. Ook de provincie Limburg onderkent de financiële uitdagingen waarmee gemeenten geconfronteerd worden. In de recente ‘Begrotingscirculaire 2026’ wijst de provincie op het belang van een structureel en reëel sluitende begroting als voorwaarde voor repressief begrotingstoezicht. Tegelijkertijd erkent zij dat veel gemeenten, mede door de aangekondigde daling van de algemene uitkering uit het gemeentefonds in 2026, in hun meerjarenramingen (2026-2028) geen structureel sluitend beeld kunnen presenteren. De provincie benadrukt daarbij haar onafhankelijke rol als toezichthouder, en houdt vast aan het wettelijke uitgangspunt dat de begroting 2026 of de meerjarenraming uiterlijk in 2029 structureel en reëel in evenwicht moet zijn. Deze boodschap bevestigt de urgentie van de oproep van gemeenten en de VNG richting het Rijk.
Thema’s In het onderdeel financiële veerkracht gaan we achtereenvolgens in op de volgende thema’s: - Financiële kaders/uitgangspunten; - Beschikbaar budgettair kader; - Externe en interne ontwikkelingen die van invloed kunnen zijn op onze financiële positie; - Lokale lasten; - Opties structureel begrotingsevenwicht.
5
1.1
Financiële kaders/ uitgangspunten
De uitwerking van ons financieel beleid baseren wij op een aantal kaderstellende documenten en uitgangspunten. Met de toepassing van deze kaders streven wij naar een stabiele en wendbare financiële positie, waarbij: - onze begroting en meerjarenraming sluitende jaarschijven heeft; - er structureel begrotingsevenwicht is; - onze financiële positie wendbaar is, zodat we over ruimte beschikken om in te kunnen spelen op landelijke ontwikkelingen en/of invulling kunnen geven aan lokale ambities; - onze financiële positie ons in staat stelt om onvoorziene tegenvallers op te kunnen vangen. Hiervoor hebben we in de begroting 2024 de post robuuste begroting van jaarlijks nog € 1,91 mln beschikbaar is. Om deze financiële veerkracht in de uitwerking van de meerjarenbegroting 2026-2029 te borgen, hanteren we onder andere de volgende uitgangspunten: - Onze begroting is opgebouwd op basis van reële plannen, reële doelen, reële ramingen en reële afspraken. We zorgen ervoor dat onze lasten zijn gedekt én uitvoerbaar zijn; - We passen de uitvoeringsprincipes toe die voor de bestuursperiode in de kadernota 20232026 zijn vastgelegd. Om op basis hiervan binnen de beschikbare financiële ruimte gericht afwegingen en keuzes te kunnen maken. 1. Waar we geen invloed op hebben, staat vast in de begroting. Hier kunnen we geen keuzes maken. Deze werkzaamheden voeren we zonder meer uit.
Dit zijn de vaststaande ontwikkelingen; autonome ontwikkelingen en onomkeerbare ontwikkelingen. 2. Daar waar keuzes gemaakt kunnen worden doen we dit. Daarbij wordt achtereenvolgens zorgvuldig gekeken naar: lopende ontwikkelingen, de uitvoering van aangenomen raadsmoties en amendementen, de speerpunten op basis van het coalitieakkoord en de uitvoeringsafspraken
1.2 Beschikbaar budgettair kader Vertrekpunt voor het financieel kader is het actueel begrotingsbeeld. In de 3de de rapportage 2024 hebben we de begroting voor het laatst bijgesteld. In onderstaande tabellen geven we inzicht in het actueel begrotingsbeeld. We nemen hier het resultaat van de bijstellingen uit de 1ste rapportage 2025, die tegelijkertijd met voorliggende kaderbrief wordt behandeld, in mee. Tabel begrotingssaldi bedragen x € 1.000 Ontwikkeling begrotingsruimte
2026
2027
2028
2029
Vertreksituatie begrotingsruimte na 3de rapportage 2024
1.753
4.691
7.469
524
524
Financiële bijstellingen 1
-3.242
-463
-273
291
291
-1.489
4.228
7.196
815
815
ste
rapportage 2025
Saldo begrotingsruimte na 1
ste
1
2025
rapportage 2025
Op basis van de 3de rapportage 2024.
6
Tabel structureel begrotingsevenwicht (incidentele posten zijn hier uit geëlimineerd) bedragen x € 1.000 Ontwikkeling structureel begrotingsevenwicht Structurele begrotingssaldi na 3de rapportage 2024 Structurele bijstellingen 1 rapportage 2025 ste
Structurele begrotingssaldi na 1ste rapportage 2025
2025
2026
2027
2028
12443
1972
2850
342
-24
-113
-123
291
12.419
1.859
2.727
633
Uit bovenstaande overzichten blijkt dat wij op basis van de vertreksituatie in de begroting 2025 en meerjarenraming 2026-2028 voordelige begrotingssaldi hebben én ons structureel begrotingsevenwicht geborgd hebben. Wij behoren hiermee tot 8 van de 31 Limburgse gemeenten die in staat zijn om in 2026 een sluitende begroting te presenteren2. Deze positieve constatering, die het resultaat is van een gezamenlijke inspanning van raad en college, wordt bevestigd door de uitkomst van de ‘BDO-benchmark Nederlandse gemeenten 2025’. De bijstellingen in de 1ste rapportage 2025 laten een nadelig resultaat zien, in 2025 resulterend in een nadelig begrotingssaldo. Het structureel begrotingsevenwicht blijft in alle jaarschijven behouden. Aanvullend op deze positieve cijfers hebben we in de 3de rapportage 2024 melding gemaakt van het risicoprofiel in onze begroting. Op basis van de actuele begrotingscijfers is er bij ons geen sprake van een ravijnjaar. Maar op basis van de gemelde risico’s hebben wij aangegeven dat er als het ware ‘een doek over het ravijn ligt’. Wij komen hier in de volgende onderdelen van deze paragraaf op terug. Naast de begrotingsruimte zoals geschetst in de tabel begrotingssaldi zijn binnen de begroting 2025 e.v.
afzonderlijke middelen3 beschikbaar om: - De structurele gevolgen van loon- en prijsstijgingen op onze begroting op te kunnen vangen (stelpost inflatie 2026: € 7,2 mln.); - Structureel invulling te geven aan de weerbaarheid en wendbaarheid van onze begroting (restant post robuuste begroting: jaarlijks € 1,9 mln). - Incidenteel invulling te geven aan samenleving versterkende maatregelen voor een bedrag van € 4,2 mln. Tegelijkertijd met de kaderbrief 2025 wordt de 1ste rapportage 2025 behandeld en vastgesteld4, gevolgd door de vaststelling van de jaarstukken 2024 in de raad van 2/3 juli 2025. Op basis van de besluitvorming over deze P&C-producten stellen we het budgettair kader bij.
1.3 Externe ontwikkelingen Rijksbeleid Afgelopen periode is zeer intensief overleg gevoerd met het kabinet over de financiële positie van gemeenten. Deze gesprekken zijn op het scherpst van de snede gevoerd. In het overhedenoverleg van 16 april jongstleden heeft het kabinet laten zien de financiële zorgen van gemeenten te delen. 2
Brief Mededeling portefeuillehouder GS inzake toezichtsvorm begroting 2025 Limburgse gemeenten, d.d. 10 december 2024. Bedragen conform de 3de rapportage 2024 4 Raadsvergadering 5 juni 2025 3
7
Toegezegd is dat in de voorjaarsnota substantieel extra middelen voor gemeenten zijn opgenomen, ondanks het feit dat middelen schaars zijn. Zie hiervoor tevens de VNG ledenbrief 2015/018 ‘Uitkomsten Overhedenoverleg en Voorjaarsnota’(bijlage 1). Op vrijdag 18 april is de Voorjaarsnota gepubliceerd. Over zowel het overhedenoverleg als de Voorjaarsnota is de VNG voorzichtig optimistisch. De VNG is het kabinet en de fracties in de Eerste Kamer en Tweede Kamer erkentelijk voor hun betrokkenheid bij de problematiek van de gemeenten. Hoewel de juiste bedragen pas uit de uitwerking van de Voorjaarsnota in de meicirculaire 2025 moeten blijken kan worden gesteld dat zowel voor de problematiek op gebied van de jeugdzorg als voor het gemeentefonds flinke stappen zijn gezet. Hier is de afgelopen periode door gemeenten, door maatschappelijke partners en door de VNG intensief aan gewerkt, onder grote steun van partijen in de Eerste en Tweede Kamer. Ondertussen hebben gemeenten ook zelf hun verantwoordelijkheid genomen door een deel van de bezuinigingen voor hun rekening te nemen. De gesprekken met het kabinet zijn nog niet afgerond. Op een aantal punten lukt het op dit moment nog niet om tot overeenstemming te komen.
Het gaat dan over compensatie voor eerdere uitgaven die gemeenten in de jeugdzorg hebben gedaan en over de wijze waarop onevenredige kosten voor gemeenten in de toekomst kunnen worden voorkomen. Naar verwachting geeft het kabinet daarover uiterlijk in augustus duidelijkheid. Aanvullend op bovenstaande ontwikkelingen zien wij nog een aantal andere ontwikkelingen op het gebied van Rijksbeleid op ons afkomen. Als voorbeeld noemen wij de aangekondigde korting van 10% gekoppeld aan de overheveling van de Spuks5 naar het gemeentefonds. Sociaal domein Jeugd- Wmo Op basis van de onderzoek door CBS naar de gemeentebegrotingen 2025 blijkt dat de kosten van het sociaal domein in 2025 met 11,2% zijn gestegen ten opzichte van 2024. Een trend die gezien de oplopende zorgvraag bij jeugd en Wmo niet zal verbeteren. Zonder extra rijksmiddelen en/ of bij ongewijzigd beleid zal de druk van deze beleidsterreinen op de totale begroting toenemen. BUIG In de 3e rapportage 2024 maakten we melding van het risico dat de inkomsten uit de BUIG in 2025 lager uitvallen. Begin oktober 2024 is door het Rijk het voorlopig budget voor het jaar 2025 afgegeven richting gemeenten. Voor dit jaar voorzien we een onverwachte verlaging van het verdeelpercentage voor onze gemeente. Het macrobudget (landelijk) stijgt, echter het aandeel voor Sittard-Geleen neemt af.
Dit komt doordat de kans op bijstandsafhankelijkheid voor inwoners in onze gemeente, die bepalend is voor dit percentage, afneemt. De kans op bijstand wordt vastgesteld aan de hand van meerdere indicatoren. Zo speelt de werkgelegenheid in de regio een belangrijke rol. Aangezien het Rijk rekent met cijfers uit 2023 (T-2) is daarin nog geen rekening gehouden met de actuele ontwikkelingen op regionale arbeidsmarkt waaronder het verlies van meer dan 4.000 arbeidsplaatsen vanwege de sluiting van VDL Nedcar.
5
Spuks – Specifieke Uitkeringen
8
Naast deze ontwikkeling aan de kant van het budget 2025 zien we in 2024, verwerkt in de jaarrekening, een gunstige trend ontstaan in het verloop van het aantal mensen dat aangewezen is op bijstand en de kostprijs per uitkering. Begroting Het Rijk publiceert het nader voorlopig budget uiterlijk in mei. De verwerking in de programmabegroting 2025 zal op zijn vroegst na de bekendmaking van het nader voorlopig budget BUIG in de 2de rapportage 2025 plaatsvinden. In combinatie met de opname van de inkomsten in de begroting vindt dan op basis van de actuele inzichten de verwerking plaats van het aantal mensen dat naar verwachting aangewezen zal zijn op bijstand en de kostprijs per uitkering. 3e rapportage 2025. Het definitieve budget 2025 wordt in oktober 2025 vastgesteld. De effecten van het definitief vastgestelde budget, en dan met name de loon-prijsontwikkeling, vindt conform het raadsbesluit P&Ccyclus 2025 in de 3e rapportage 2025 plaats. Algemene reserve risicobeheersing. In de algemene reserve risicobeheersing 2025 hebben we € 2,4 mln., waarvan € 1,0 mln betrekking had op 2024, opgenomen om het risico voor een lager aandeel in het macrobudget BUIG mee op te kunnen vangen. Deze incidentele middelen kunnen maar een keer worden ingezet, terwijl de inkomsten uit de BUIG structureel lager zullen uitvallen.
1.4 Interne ontwikkelingen Uitvoeringsagenda bestuursperiode 2024-2026
In de begroting 2024 zijn de ‘speerpunten’ uit de kadernota en overige ambities uit het coalitieakkoord ‘Samen zorgvuldig, verbindend doorpakken! en de Uitvoeringsafspraken 2022-2026 inhoudelijk en financieel in de begroting vertaald. Deze speerpunten zijn opgenomen in de uitvoeringsagenda 20242026. Passend binnen het budgettair kader/ de beschikbare incidentele begrotingsruimte worden deze middelen ingezet om een aantal activiteiten tijdelijk aan te jagen, te intensiveren of van een impuls te voorzien. De speerpunten uit de uitvoeringsagenda zijn gedekt met incidentele middelen en hebben daarmee een tijdelijk karakter. Na beëindiging van de uitvoeringsagenda wordt beoordeeld of met de inzet van de beschikbaar gestelde middelen de beoogde doelen zijn bereikt. Om onderbouwd aan te geven of de impuls daarmee afgerond is, daadwerkelijk beëindigd kan worden of dat deze moet worden voortgezet en daarmee een meer structureel karakter moet gaan krijgen. Hierbij plaatsen we de kanttekening dat dit passend binnen het eerder genoemde uitvoeringsprincipe6 alleen mogelijk is voor zover er (structurele) financiële ruimte is en als onderdeel van de integrale afweging. Actualisatie beheerplannen
Om een helder en actueel inzicht te behouden in onze financiële positie, zorgen wij ervoor dat we beschikken over door de raad vastgestelde beheer- en onderhoudsplannen. Conform onze financiële
6
Daar waar keuzes gemaakt kunnen worden, doen we dat.
9
verordening (artikel 212 Gemeentewet) werken we met kaderstellende nota’s die altijd up-to-date zijn en niet ouder dan vier jaar. Onze provinciale toezichthouder benadrukt het belang hiervan in de brief ‘Toezichtsvorm begroting 2025’, waarin tevens de financiële impact van deze actualisaties wordt meegenomen in de begroting 2026 en de meerjarenraming 2027-2029. Wij integreren deze inzichten zorgvuldig in de voorbereidingen van de begroting 2026, zodat we een solide en transparante financiële planning kunnen waarborgen. Lopende dossiers Zoals eerder vermeld hebben we in de 3de rapportage 2024 in het risicoprofiel van onze begroting melding gemaakt van nog niet te kwantificeren financiële effecten van een aantal lopende en in uitvoering zijnde dossiers. De financiële effecten verwerken we in de voorbereiding van de begroting passend binnen de vastgestelde uitvoeringsprincipes.
10
1.5 Lokale lasten Regulier beleidskader Voor de jaarlijkse uitwerking van de belastingmaatregelen hanteren we onderstaande uitgangspunten: - De tarieven worden geïndexeerd op basis van de meicirculaire. De indexeringsopbrengst OZB kan worden toegevoegd aan de stelpost inflatie dan wel ingezet worden ten gunste van het begrotingssaldo. Beleidsmatige verhogingen worden alleen uitgevoerd als er sprake is van noodzakelijke investeringen op het gebied van afval en riool. - De algemene heffingen (honden- en toeristenbelasting) hebben het karakter van een bestemmingsheffing (maximaal 100% kostendekkend), voor zover er dekkingsmiddelen zijn. - De reclamebelasting heeft een bestemmingskarakter ten behoeve van centrummanagement; - Lastenverdeling naar rato van draagkracht op basis van redelijkheid en billijkheid. - De afnemer/ vervuiler betaalt. - De dienstverlening is kostendekkend, alle kosten worden gedekt door de opbrengsten. - Een voordeel in de jaarrekening (t-1) met betrekking tot lokale lasten (OZB) wordt betrokken in de uitwerking van de belastingmaatregelen (t+1). - Het in 2021 vastgestelde beleidskader dat de gemeentelijke woonlasten worden geheven op basis van het gemiddelde van de vier grote Limburgse gemeenten is losgelaten.
Ondanks eerder door het Rijk aangekondigde verruimingen van het lokale lastengebied zijn er momenteel landelijk geen wijzigingen te verwachten in het lokale lastensysteem. Het coalitieakkoord en uitvoeringsafspraken Met betrekking tot het onderwerp lokale lasten zijn onderstaande ambities geformuleerd: • Coalitieakkoord: “Sittard-Geleen scoort in vergelijking met andere gemeenten hoog als het gaat over het niveau van de lokale lasten. We hebben daarom aandacht voor de hoogte van het lastenniveau voor inwoners en ondernemers en indien mogelijk brengen we dit terug.” • Uitvoeringsafspraken: • Economische veerkracht: “We streven naar een verlaging van de ozb voor nietwoningen”; • En verder: “We voeren een terughoudend beleid met betrekking tot de hoogte an de woonlasten”. Daarnaast liggen op het gebied van de lokale lasten de raadsmoties ‘Heroverwegen verhoging lokale lasten’ en ‘Gefaseerd afschaffen van de hondenbelasting’ voor. Genomen besluiten met betrekking tot lokale lasten Onderstaand maken we inzichtelijk welke besluiten de afgelopen jaren met betrekking tot de hondenbelasting en de OZB woningen/ niet-woningen zijn genomen.
11
HONDENBELASTING
€ 0,8 mln
0,4 mln
0,4 mln
0,4 mln
0,4 mln
0,4 mln
0,4 mln
0,4 mln
0,4 mln
0,4 mln
2022
2023
2024
2025
2026
0,8 mln
€ 0,4 mln.
2021
Rood: Groen
-
0,4 mln
Besloten verlaging hondenbelasting Geraamde opbrengst hondenbelasting (na verlaging)
De tarieven hondenbelasting zijn in de jaarschijven 2022-2024 telkens gehalveerd; In de begroting 2025 is de halvering van de hondenbelasting tot op het niveau van kostendekkendheid structureel in de begroting en meerjarenraming verwerkt (jaarlijks effect € 0,4 mln.).
OZB NIET-WONINGEN
OZB WONINGEN
4,5%
4,5%
Stijging 2024 1%
Stijging 2024: 1%
3,5%
3,5%
Stijging 2023: 1%
Stijging 2023: 1%
2,5%
2,5%
Stijging 2022: 2,5% 2022
Rood: Groen:
2023
2024
Stijging 2022: 2,5%
2025
2026
2022
2023
2024
2025
2026
Niet doorvoeren besloten beleidsmatige verhogingen Doorgevoerde beleidsmatige verhogingen
In de begroting 2021 zijn beleidsmatige verhogingen OZB woningen en niet-woningen besloten voor de dekking van het investeringsprogramma 2021-2024. Zoals in bovenstaande grafieken weergegeven is een aantal besluiten genomen om deze verhogingen terug te draaien: - De beleidsmatige verhogingen woningen 2022 en 2024 en niet-woningen 2024 is incidenteel niet doorgevoerd met dekking uit jaarrekening resultaat voorafgaand jaar op de OZB. - Met ingang van de begroting 2025 zijn genoemde beleidsmatige verhoging structureel niet doorgevoerd (jaarlijks effect € 1,1 mln.). Verlaging van de ozb tarieven vraagt een enorme financiële inspanning van de gemeente, terwijl het financiële voordeel voor (MKB-)ondernemers beperkt is. Daar staat een effectiever alternatief tegenover. De gemeenteraad heeft namelijk in de begroting 2024 voor de periode 2024-2027 € 15,8 miljoen als speerpunt beschikbaar gesteld voor een aantal trajecten voor de ondersteuning van (MKB) ondernemers waarmee zij in staat worden geacht om hun positie te verbeteren
12
Actuele belastingmonitor Onze positie op de ranglijst Woonlasten Limburgse gemeenten 2025 is verbeterd. We zijn gedaald van de positie 5 naar positie 12. In de provinciale monitor bezetten we plek 7 voor eigenaren en 25 voor huurders. Zonder maatregelen met betrekking tot de OZB is een verdere verbetering waarschijnlijk, aangezien diverse gemeenten beleidskeuzes maken om de 2026 de OZB (extra) te verhogen. Onze positie kan door eigen maatregelen verbeteren. Het is mogelijk om telkens per jaarschijf een beleidsmatige incidentele verlaging van de OZB toe te passen en te dekken als er een positief saldo is bij de jaarrekening.
1.6 Doorkijk financieel perspectief en opties structureel begrotingsevenwicht Doorkijk financieel perspectief In het begin van deze paragraaf hebben we een vertreksituatie7 geschetst met een budgettair kader dat in alle jaarschijven positieve (structurele) begrotingssaldi laat zien. Waarbij we als kanttekening het risicoprofiel in onze begroting hebben benoemd. Op basis van de beschreven externe en interne ontwikkelingen in deze paragraaf moeten we constateren dat de spanning om het (structureel) begrotingsevenwicht in onze begroting en meerjarenraming te borgen, fors is toegenomen. Samengevat heeft dit de volgende oorzaken: - Aankondiging door het kabinet om gemeenten geen extra geld toe te zeggen voor de oplossing van de drie ravijnen op het gebied van jeugd, loon- en prijsontwikkeling en de disbalans tussen ambities, taken, middelen en uitvoeringskracht. Daarnaast heeft het kabinet aangekondigd een korting te koppelen aan de overheveling van de Spuks naar het gemeentefonds; - Een aantal verwachte autonome ontwikkelingen die nu nog niet in de begroting zijn verwerkt, met name ons lager aandeel in het Macrobudget BUIG; - Verdere voorbereiding en uitvoering van een aantal lopende dossiers die nu nog niet van structurele dekking zijn voorzien.
Indicatie ontwikkeling budgettair kader Op basis van een eerste doorkijk in de ontwikkeling van het budgettair kader wordt duidelijk dat we net als andere gemeenten een fors toenemende financiële druk ervaren. Met dank aan de terughoudendheid die gemeenteraad en college samen in de afgelopen jaren hebben gehanteerd, starten we vanuit een solide financiële positie, waarna de bijstellingen in de 1ste rapportage 2025 in 2025 leiden tot een voorlopig nadelig begrotingssaldo. Als we vervolgens een doorkijk maken, resulteert dit in het beeld dat de structurele financiële ruimte in de meerjarenraming niet toereikend zal zijn om alle autonome ontwikkelingen op hetzelfde moment op te kunnen vangen. De kadernota biedt ons het kompas om de beschikbare middelen optimaal in te zetten. Scenario’s structureel evenwicht In de voorjaarsnota van het kabinet, nader uit te werken in de meicirculaire 2025, zal worden vastgesteld met welke extra middelen het Rijk voor gemeenten over de brug komt. Op basis van de eerste indicatie hebben deze extra middelen geen structureel karakter. De VNG bereidt momenteel een begrotingsadvies voor de voorbereiding van de begroting 2026 voor. Omdat de provinciale
7
3de rapportage 2024
13
toezichtkaders, gestoeld op structureel begrotingsevenwicht, van kracht blijven en de structurele ruimte in de doorkijk van het budgettair kader nadelig is, wachten wij het kabinetsbeleid niet af. Wij kiezen ervoor om een structureel sluitende begroting te presenteren. Dit past in solide financieel beleid en maakt dat wij voor repressief begrotingstoezicht in aanmerking komen. Onderstaand brengen wij een aantal opties in beeld gericht op het onderzoeken van financiële (structurele) ruimte in onze begroting en/ of het maken van inhoudelijke keuzes. - Herijking van onze reserves, waarbij eventueel vrijvallende middelen incidenteel ingezet kunnen worden. - Beoordeling van onderuitputting in de recente jaarrekening, waarbij onderscheid wordt gemaakt in autonome factoren en eigen uitvoeringskracht. Eventuele vrijval heeft in principe een incidenteel karakter. - Het inzetten van incidentele begrotingsruimte voor investeringen, waarbij via een investeringsreserve de kapitaallasten gedurende de looptijd van een actief worden gedekt.
De kanttekening hierbij is dat extra incidentele middelen nodig zijn om de rentelasten te dekken en er aan het einde van de afschrijvingsmiddelen geen vervangingsmiddelen beschikbaar zijn; - Beoordelen van de mate van beleidsvrijheid per programma, waarbij onze uitgaven per programma worden vergeleken met een aantal referentiegemeenten (richtinggevend); - Regulier toepassing van verhoging van de ozb met een indexering.: • De indexering is nog niet ingeboekt in de begroting. • Toepassing van de indexering kan dienen om de stelpost inflatie aan te vullen. Te meer omdat de feitelijke compensatie in het gemeentefonds achter blijft bij de daadwerkelijke loon/prijs ontwikkeling (een van de elementen in het ravijnjaar). • Toepassing van de indexering kan ook gebruikt worden voor het structureel en reëel evenwicht van de begroting of voor het dekken van beleidsmatige wensen. • Onder de aanname dat als geen indexering wordt toegepast dit zowel voor woningen als niet woningen geldt. Bij een inflatie van 4% is dit structureel € 2,4 miljoen. - Heroverwegen van de structurele raming van de post robuuste begroting (resterend saldo bedraagt € 1,9 mln8). - Herprioriteren en/ of temporiseren van nieuwe en lopende dossiers.
Afhankelijk van de actualisatie van het financieel perspectief zullen wij in de begrotingsvoorbereiding bovenstaande opties nader verkennen, uitwerken en vertalen in voorstellen.
8
Op basis van de 3de rapportage 2024
14
2. Opgavegerichte indeling van de begroting In de P&C-cyclus 2025 zal een volgende stap worden gezet in de verdere doorontwikkeling van onze gezamenlijke ambitie om een stuurbare en meetbare P&C-cyclus in te richten. In lijn met het raadsbesluit ‘P&C-cyclus 2025’ (door de raad vastgesteld op 6 februari 2025) zetten we een volgende stap door onze begroting ‘opgavegericht’ te presenteren. In 2020 is de Toekomstvisie 2030 vastgesteld. Deze Toekomstvisie vormt, samen met de input van alle raadsfracties, de basis voor het coalitieakkoord ‘Samen zorgvuldig, verbindend doorpakken’ en de bijbehorende uitvoeringsafspraken. De afgelopen jaren is de begroting op hoofdlijnen gepresenteerd op basis van de veerkrachtindeling die ook als basis dient voor de Toekomstvisie 2030 en de daaruit voortvloeiend documenten. De begroting kent de formele ‘BBV-indeling’, een indeling naar programma’s met bijbehorende taakvelden en verplichte paragrafen. De komst van het digitale platform LIAS stelt ons in staat om ook de begroting toekomstig op een andere manier te presenteren. Een manier die we eerder in de begroting op hoofdlijnen gehanteerd hebben en die beter aansluit bij de visie die we uitdragen.
Met de verplichte ‘BBV-indeling’ als basis zullen we de programma’s en taken relateren aan de opgaven die we in de Toekomstvisie 2030, het coalitieakkoord en de bijbehorende uitvoeringsafspraken hebben gedefinieerd, en het beleid dat in de kadernota 2023 – 2026 is vastgesteld door de raad. De Toekomstvisie 2030 staat voor een veerkrachtig Sittard-Geleen. Met de samenleving werken we aan een gemeente waarin mensen gezond leven, de economie duurzaam is en de natuur een integrale rol speelt. Dat doen we op basis van vier veerkrachten; sociale veerkracht, economische veerkracht, ecologische veerkracht en institutionele veerkracht. Sociale veerkracht Sociale veerkracht gaat over het aanpassingsvermogen van inwoners, ondernemers en maatschappelijke partners, fysiek en mentaal. De ervaren én feitelijke gezondheid van de inwoners van Sittard-Geleen ligt onder het gemiddelde van Nederland. Dit zorgt voor hoge zorgkosten, en ook voor grote(re) ongelijkheid, eenzaamheid, een lagere participatiegraad en een lager gemiddeld vertrouwen in de samenleving. Sociale veerkracht legt de focus op positieve gezondheid, een leven lang leren en een leven lang ontwikkelen. Dat doen we deels door het invullen van wettelijke taken zoals het uitvoeren van de Wmo, de jeugdwet, participatiewet, Wet publieke gezondheid en onderwijshuisvesting.
Maar daarnaast zetten we ook in op initiatieven die zorgen voor verbinding, ‘samenredzaamheid’, en veerkrachtige wijken en dorpen. Als wij het hebben over sociale veerkracht, dan zien we een opgave om te werken aan de (positieve) gezondheid van onze inwoners en de samenleving. Economische veerkracht Economische veerkracht is de combinatie van weerbaarheid en wendbaarheid om verantwoordelijkheid en eigen regie te kunnen nemen voor je baan, je onderneming en (jouw plek in) de samenleving. Innovatie en ondernemerschap zijn onze huidige sterktes. Sterktes die we nodig hebben. En de maatschappij vraagt om nieuwe en innovatieve oplossingen en ervaringen. Dat vraagt iets van onze ondernemers, het mkb, de industrie en de grote bedrijven in onze gemeente. Daarnaast worden we geconfronteerd met een veranderende samenleving, met ook impact op onze beroepsbevolking en de vraag naar arbeid in onze regio.
15
Er komt spanning op de arbeidsmarkt. We zien dat nieuwe studenten die afstuderen aan onze scholen niet vanzelfsprekend hun weg vinden naar wonen en werken in Sittard-Geleen of de Euregio. Als wij het hebben over economische veerkracht, dan zien we een opgave om een duurzame en circulaire economie te faciliteren en stimuleren, en ondernemers en (toekomstige) werknemers te stimuleren en faciliteren om van Sittard-Geleen hun thuis te maken. Ecologische veerkracht Het klimaat verandert. Dit heeft invloed op onze leefomgeving en op onze gezondheid. Extreme weersomstandigheid leidt tot hitte en droogte, grote hoeveelheden neerslag en een teruggang in biodiversiteit. Dit terwijl in de verstedelijkte Westelijke Mijnstreek de biodiversiteit al onder druk stond en natuurlijke systemen van bodem, water en lucht onder druk staan. We staan daarom voor de opgave om onze leefomgeving aan te passen zodat die bestand is tegen de effecten van klimaatverandering en deze waar mogelijk beperkt, anderzijds het zorgen voor een gezond ecosysteem van natuur, water, bodem en lucht. Dit uit zich in een grotere gemeentelijke bijdrage aan groenere wijken en dorpen, water en bodem meer sturend te laten zijn, het verbinden van Heuvelland en Maasvallei, een duurzame mobiliteit en logistiek, een energieneutraal energiesysteem en een circulaire samenleving.
Institutionele veerkracht Institutionele veerkracht gaat over samenwerking in de organisatie en met de samenleving. Ontwikkelingen veranderen de samenleving voortdurend. Zo beïnvloeden demografische veranderingen de samenstelling van de bevolking en sociale structuren. Brengt digitalisering nieuwe manieren van werken en communiceren. Hebben de huidige spanningen in de wereld ook betekenis voor de veiligheid van Nederland. Ervaart de samenleving allerlei (globale) urgenties en transities in woningmarkt, klimaat en energie, mobiliteit en consumptie etc. En nemen mensen zelf meer verantwoordelijk in wonen welzijn en zorg. Wij zien in onze samenleving toenemende polarisatie en verhoging van sociale spanningen. Informatie wordt gemakkelijker gedeeld en is voor iedereen toegankelijk. Maar de toegang tot desinformatie neemt ook toe. Het vertrouwen in de overheid en instituties daalt. Kwetsbaarheden in onze nationale veiligheid worden inzichtelijk. We zien vraagstukken en problemen die alleen in samenwerking kwaliteitsvol kunnen worden aangepakt. Institutionele veerkracht zorgt voor actief burgerschap, waarbij het nemen van initiatief en verantwoordelijkheid van inwoners bijdraagt aan een warm sociaal weefsel, zelfredzaamheid, maatschappelijke weerbaarheid en een leven lang ontwikkelen.
Als wij het hebben over institutionele veerkracht, dan zien we een opgave om samen te werken naar dé meest adaptieve samenleving, een samenleving die samen werkt aan dat wat de samenleving nodig heeft.
2.1 Begroting 2026 – 2029 De veerkrachten, met de opgaven die we binnen de veerkracht eruit lichten, zullen in de presentatie van de begroting naar voren komen. De programma’s en taken zullen we koppelen aan de veerkrachten en opgaven. We maken daarbij zoveel mogelijk inzichtelijk hoe we er op dit moment voor staan en welke effecten we willen bereiken. Dat doen we kwalitatief en, daar waar dat kan, ook kwantitatief.
16
Daarnaast blijven we de verplichte ‘BBV-indeling’ behouden. Dat betekent dat een (financieel) vergelijk met eerdere jaren eenvoudig kan worden gemaakt. De informatie zal ook op deze (herkenbare) manier, via programma’s en verplichte paragrafen, worden aangeboden. Het doel is om in de begroting 2026 – 2029 een volgende stap te zetten in het vormgeven van een opgavegerichte begroting. De opgaven zijn gebaseerd op de Toekomstvisie 2030. Tegelijkertijd beseffen we dat de opgaven waar we als gemeente Sittard-Geleen voor staan dynamisch zijn. We zullen constant moeten inspelen op de wereld om ons heen en de ontwikkelingen die op ons afkomen. Dat betekent dat de hier gedefinieerde opgaven ook dynamisch zijn. Dat vraagt ons om zowel in de opgaven, als in het kwalitatieve en kwantitatieve duiding van die opgaven, samen stappen te zetten en te leren. Met een opgavegerichte begroting werken we gezamenlijk aan een stuurbare en meetbare P&C-cyclus voor de raad. Een opgavegerichte begroting volgt het beleid en de effecten daarvan op onze opgaven. Door te sturen op deze effecten kunnen we succesvol werken aan onze opgaven. En door te meten houden we grip op de effectieve en efficiënte uitvoering van onze werkzaamheden en kunnen we onze middelen op de beste manier inzetten voor onze inwoners, verenigingen, ondernemers en (maatschappelijke) organisaties.
We zetten hiermee de ontwikkeling voort die we in de begroting 2025 hebben ingezet. Waarbij we gebaseerd op de programma-indeling uit de BBV-voorschriften de begroting op hoofdlijnen indelen naar veerkrachten. Een toekomstige volgende stap is dat we per veerkracht een aantal opgaven benoemen. Vervolgens laten we zien hoe de resultaten en activiteiten uit onze programma’s bijdragen aan deze opgaven en veerkrachten. Onderstaand is een en ander schematisch weergegeven.
17
Schematische weergave begrotingsstructuur
Opgaven sociale veerkracht
Opgaven economisch veerkracht
Opgaven ecologisch veerkracht
Opgaven institutionele veerkracht
18
Bijlage 1: Ledenbrief VNG 25/018 Uitkomsten Overhedenoverleg en Voorjaarsnota
19
20
21
22
23