CConstaterende datSittard-Geleen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - Toelichting APV SG21

Raad 19 mei 2022, gemeente Sittard-GeleenBij agendapunt: Periodieke wijziging APV Sittard-Geleen (eenentwintigste wijziging) (Verheijen) (39)57.583 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 7

Toelichting APV Sittard-Geleen Transponeringstabellen De nummering van dit model wijkt op enkele plaatsen sterk af van de nummering van de vorige versie. Om de aansluiting tussen de versies gemakkelijker te maken, zijn hieronder transponeringstabellen opgenomen. Van deze versie naar vorige versie artikel huidige versie

vorige versie 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6 1.7

Artikel 1:1 Begripsbepalingen Artikel 1:2 Beslistermijn Artikel 1:3 (vervallen) Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing Artikel 1:7 Termijnen Artikel 1:8 Weigeringsgronden Artikel 1:9 Toepassing paragraaf 4.1.3.3 Algemene wet bestuursrecht (Lex silencio positivo; positieve lijst) Artikel 1:10 Geen toepassing paragraaf 4.1.3.3 Algemene wet bestuursrecht (geen Lex silencio positivo; negatieve lijst) Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden 2.1.1.1 Artikel 2:1a Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties (vervallen) Artikel 2:2 (vervallen) 2.1.2.1 Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen, samenkomsten en vergaderingen op openbare 2.1.2.2 plaatsen Artikel 2:4 (vervallen) 2.1.2.3 Artikel 2:5 (vervallen) 2.1.2.4 Artikel 2:6 Beperking aanbieden e.d.

van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen 2.1.3.1 Artikel 2:7 (vervallen) 2.1.4.1 Artikel 2:8 (vervallen) 2.1.4.2 Artikel 2:9 Straatartiest 2.1.4.3 Artikel 2:10 Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in strijd met de publieke 2.1.5.1 functie ervan Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van 2.1.5.2 een weg Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg 2.1.5.3 Artikel 2:13 (vervallen) 2.1.6.1 Artikel 2:14 Winkelwagentjes 2.1.6.2 Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp 2.1.6.3 Artikel 2:16 Openen straatkolken en dergelijke 2.1.6.4 Artikel 2:17 Kelderingangen en dergelijke 2.1.6.5 Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen 2.1.6.6 Artikel 2:19 (vervallen) 2.1.6.7 Artikel 2:19a Gevaarlijke voorwerpen 2.1.6.7a Artikel 2:20 (vervallen) 2.1.6.8 Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting 2.1.6.9 Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn 2.1.6.10 Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs 2.1.6.11

1

artikel huidige versie Artikel 2:24 Definities Artikel 2:25 Evenementenvergunning Artikel 2:25b Stadionomgevingsverbod Artikel 2:25c Verwijderingsplicht voetbalsupporters Artikel 2:26 Ordeverstoring Artikel 2:26a Evenementen Artikel 2:26b Betaald voetbalwedstrijden Artikel 2:26c Kennisgeving Artikel 2:26d Ordeverstoring Artikel 2:26e Opvolgen aanwijzingen Artikel 2:26f Verwijderingsplicht voetbalsupporters Artikel 2:26g Gezichtsbedekkende kleding Artikel 2:26h Supportersstromen Artikel 2:26i Plaatsbewijzen Artikel 2:26j Stadionomgevingsverbod Artikel 2:27 Begripsbepalingen Artikel 2:28 Exploitatievergunning horecabedrijf Artikel 2:28a (vervallen) Artikel 2:28b Weigeringsgronden Artikel 2:28c Intrekkingsgronden Artikel 2:28d Vervalgronden Artikel 2:29 Sluitingstijd Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting Artikel 2:31 Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf Artikel 2:32 Handel in horecabedrijven Artikel 2:33 Ordeverstoring Artikel 2:34 Het college als bevoegd bestuursorgaan Artikel 2:35 Begripsbepaling Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie Artikel 2:37 Nachtregister (gereserveerd) Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister Artikel 2:39 Speelgelegenheden Artikel 2:40 Speelautomaten (gereserveerd) Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal Artikel 2:41a Openbare orde verstorend gedrag Artikel 2:42 Plakken en kladden Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap

e.d. Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen en dergelijke Artikel 2:46 Rijden over bermen en dergelijke Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen Artikel 2:47a Verplichte route Artikel 2:47b Verbod op lachgas Artikel 2:48 Verboden drankgebruik Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen e.d. Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d. Artikel 2:53 Bespieden van personen Artikel 2:54 (vervallen) 2

vorige versie 2.2.1 2.2.2 2.2.2b 2.2.2c 2.2.3 2.2.3a 2.2.2a

2.2.2c

2.2.2b 2.3.1.1 2.3.1.2 2.3.1.3 2.3.1.4 2.3.1.5 2.3.1.6 2.3.1.4 2.3.1.5 2.3.1.6 2.5.5 2.3.1.7 2.3.1.8 2.3.2.1 2.3.2.2 2.3.2.3 2.3.2.4 2.3.3.1 2.3.3.2 2.4.1 2.4.1a 2.4.2 2.4.3 2.4.4 2.4.5 2.4.6 2.4.7 2.4.7a 2.4.8 2.4.9 2.4.10 2.4.11 2.4.12 2.4.13 2.4.14

artikel huidige versie Artikel 2:55 (vervallen) Artikel 2:56 (vervallen) Artikel 2:57 Loslopende honden Artikel 2:58 Verontreiniging door honden Artikel 2:59 Gevaarlijke honden Artikel 2:59a Gevaarlijke honden op eigen terrein Artikel 2:60 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren Artikel 2:60a Hinder door dieren Artikel 2:61 (vervallen) Artikel 2:62 Loslopend vee Artikel 2:63 Duiven Artikel 2:64 Bijen Artikel 2:65 Nachtvissen Artikel 2:66 Begripsbepaling Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek van Strafrecht Artikel 2:69 (vervallen) Artikel 2:70 (vervallen) Artikel 2:71 Begripsomschrijving Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen Artikel 2:73 Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling Artikel 2:73a Carbidschieten Artikel 2:74 Drugshandel op straat Artikel 2:74a Openlijk drugsgebruik Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen Artikel 2:79 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet Artikel 2:79a Sluiting voor publiek toegankelijk gebouw, inrichting of ruimte Artikel 3:1 Begripsbepalingen Artikel 3:2 Bevoegd bestuursorgaan Artikel 3:3 Nadere regels Artikel 3:4 Vergunningplicht Artikel 3:5

Gedragseisen exploitant en beheerder Artikel 3:6 Sluitingstijden Artikel 3:7 Tijdelijke afwijking sluitingsuur; sluiting Artikel 3:7a Intrekking van de vergunning Artikel 3:8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder Artikel 3:8a Leeftijd en verblijfstitel prostitué(e)s; verbod werken voor onvergunde seksinrichting Artikel 3:9 Straatprostitutie Artikel 3:10 Sekswinkels Artikel 3:11 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke Artikel 3:12 Beslissingstermijn Artikel 3:13 Weigeringsgronden Artikel 3:14 Beëindiging exploitatie Artikel 3:15 Wijziging beheer Artikel 3:15a Vervallen vergunning

3

vorige versie 2.4.15 2.4.16 2.4.17 2.4.18 2.4.19 2.4.20 2.4.20a 2.4.21 2.4.22 2.4.23 2.4.24 2.4.25 2.5.1 2.5.2 2.5.3 2.5.4 2.5.5 2.6.1 2.6.2 2.6.3 2.7.1 2.7.2 2.8.1 2.9.1 2.10.1

3.1.1 3.1.2 3.1.3 3.2.1 3.2.2 3.2.3 3.2.4 3.2.4a 3.2.5 3.2.6 3.2.7 3.2.8 3.3.1 3.3.2 3.4.1 3.4.2 3.4.3

artikel huidige versie

vorige versie

Artikel 3:16 Verbodsbepalingen klanten Artikel 4:1 Begripsbepalingen 4.1.1 Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten 4.1.2 Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festiviteiten 4.1.3 Artikel 4:4 Geluidslimitering tijdens collectieve en incidentele festiviteiten Artikel 4:5 Onversterkte muziek Artikel 4:6 Overige geluidhinder [4.1.5] 4.1.5 Artikel 4:7 Straatvegen [4.2.1] 4.2.1 Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen [4.2.2] 4.2.2 Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten 4.2.3 gebouwen [4.2.3] Artikel 4:10 Begripsbepalingen 4.3.1 Artikel 4:11 Kapverbod 4.3.2 Artikel 4:12 Aanvraag vergunning 4.3.3 Artikel 4:12a Aanhouding 4.3.3a Artikel 4:12b Weigeringsgronden 4.3.3b Artikel 4:12c Standaardvoorwaarde van niet gebruik 4.3.3c Artikel 4:12d Vervaltermijn vergunning 4.3.3d e Artikel 4:12 Vergunning ex lege 4.3.4 Artikel 4:12f Bijzondere vergunningsvoorschriften 4.3.5 Artikel 4:12g Afstand tot de erfgrenslijn 4.3.5a Artikel 4:12h Herplant-/instandhoudingsplicht 4.3.6 Artikel 4:12i Schadevergoeding 4.3.7 Artikel 4:12j Bestrijding iepziekte 4.3.8 Artikel 4:12k Verhouding tussen kap- en bouw- of aanlegvergunning 4.3.9 Artikel 4:12l Monumentale bomen 4.3.10 Artikel 4:12m Bescherming bomen 4.3.11 Artikel 4:12n Gevaarzetting 4.3.12 Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke 4.4.1 Artikel 4:14 Stankoverlast

door gebruik van meststoffen 4.4.1a Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame 4.4.2 Artikel 4:16 (vervallen) 4.4.3 Artikel 4:17 Begripsbepaling 4.5.1 Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 4.5.2 Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen 4.5.3 Artikel 5:1 Begripsbepalingen 5.1.1 Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d. 5.1.2 Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen 5.1.2a Artikel 5:4 Defecte voertuigen 5.1.3 Artikel 5:5 Voertuigwrakken 5.1.4 Artikel 5:6 Kampeermiddelen e.a. 5.1.5 Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen 5.1.6 Artikel 5:8 Grote voertuigen 5.1.7 Artikel 5:9 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen 5.1.8 Artikel 5:10 Parkeren of laten stilstaan van voertuigen anders dan op de rijbaan Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen 5.1.10 Artikel 5:12 Overlast van fietsen of bromfietsen 5.1.11 Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen 5.2.1 Artikel 5:14 Begripsbepaling Artikel 5:15 Ventverbod 5.2.2

4

artikel huidige versie

vorige versie

Artikel 5:16 (vervallen) Artikel 5:17 Begripsbepaling 5.2.3 Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 5.2.3 Artikel 5:19 Toestemming rechthebbende 5.2.3 Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen 5.2.3 Artikel 5:21 (vervallen) 5.2.3 Artikel 5:22 Begripsbepaling 5.2.4 Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt 5.2.4 Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water 5.3.1 Artikel 5:25 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen 5.3.2 Artikel 5:26 (vervallen) 5.3.3 Artikel 5:27 (vervallen) 5.3.4 Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken 5.3.5 Artikel 5:29 Reddingsmiddelen 5.3.6 Artikel 5:30 Veiligheid op het water 5.3.7 Artikel 5:31 Overlast aan vaartuigen 5.3.8 Artikel 5:32 Crossterreinen 5.4.1 Artikel 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden 5.4.2 Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te 5.5.1 stoken Artikel 5:35 Begripsbepaling 5.7.1 Artikel 5:36 Verboden plaatsen 5.7.2 Artikel 5:37 Hinder of overlast 5.7.3 Artikel 5:38 Begripsbepalingen 5.6.1 Artikel 5:39 Gedoogpicht aanduidingen 5.6.2 Artikel 5:40 (vervallen) Artikel 5:41 (vervallen) Artikel 6:1 Strafbepaling 6.1 Artikel 6:2 Toezichthouders 6.2 Artikel 6:3 Binnentreden woningen 6.3 Artikel 6:4 Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening 6.4 Artikel 6:5 Overgangsbepaling 6.5 Artikel 6:6 Citeertitel 6.6 Van vorige versie naar huidige versie vorige

artikel huidige versie versie Artikel 4:5 Onversterkte muziek Artikel 5:14 Begripsbepaling 1.1 Artikel 1:1 Begripsbepalingen 1.2 Artikel 1:2 Beslistermijn 1.3 Artikel 1:3 (vervallen) 1.4 Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen 1.5 Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing 1.6 Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing 1.7 Artikel 1:7 Termijnen Artikel 1:8 Weigeringsgronden Artikel 1:9 Toepassing paragraaf 4.1.3.3 Algemene wet bestuursrecht 2.1.1.1 Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden Artikel 2:1a Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties (vervallen) 2.1.2.1 Artikel 2:2 (vervallen)

5

2.1.2.2 2.1.2.3 2.1.2.4 2.1.3.1 2.1.4.1 2.1.4.2 2.1.4.3 2.1.5.1 2.1.5.2 2.1.6.1 2.1.6.2 2.1.6.3 2.1.6.4 2.1.6.5 2.1.6.6 2.1.6.7 2.1.6.7a 2.1.6.8 2.1.6.9 2.1.6.10 2.1.6.11 2.2.1 2.2.2 2.2.3 2.2.3a 2.2.2a

2.2.2c

2.2.2b 2.3.1.1 2.3.1.2 2.3.1.3 2.3.1.4 2.3.1.5 2.3.1.6 2.3.1.7 2.3.1.8 2.3.1.9 2.3.1.10 2.3.1.11 2.3.2.1 2.3.2.2 2.3.2.3 2.3.2.4

Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen, samenkomsten en vergaderingen op openbare plaatsen Artikel 2:4 (vervallen) Artikel 2:5 (vervallen) Artikel 2:6 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen Artikel 2:7 (vervallen) Artikel 2:8 (vervallen) Artikel 2:9 Straatartiest Artikel 2:10 Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in strijd met de publieke functie ervan Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg Artikel 2:13 (vervallen) Artikel 2:14 Winkelwagentjes Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Artikel 2:16 Openen straatkolken en dergelijke Artikel 2:17 Kelderingangen en dergelijke Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen Artikel 2:19 (vervallen) Artikel 2:19a Gevaarlijke voorwerpen Artikel 2:20 (vervallen) Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs Artikel 2:24 Definities Artikel 2:25 Evenement Artikel 2:26 Ordeverstoring Artikel 2:26a Evenementen Artikel 2:26b Betaald voetbalwedstrijden Artikel 2:26c Kennisgeving Artikel 2:26d Ordeverstoring Artikel 2:26e Opvolgen aanwijzingen Artikel 2:26f Verwijderingsplicht voetbalsupporters Artikel 2:26g Gezichtsbedekkende kleding Artikel 2:26h Suppportersstromen Artikel 2:26i Plaatsbewijzen Artikel 2:26j Stadionomgevingsverbod

Artikel 2:27 Begripsbepalingen Artikel 2:28 Exploitatievergunning horecabedrijf Artikel 2:28a (vervallen) Artikel 2:28b Weigeringsgronden Artikel 2:28c Intrekkingsgronden Artikel 2:28d Vervalgronden Artikel 2:29 Sluitingstijd Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting Artikel 2:31 Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf Artikel 2:33 Ordeverstoring Artikel 2:34 Het college als bevoegd bestuursorgaan Artikel 2:35 Begripsbepaling Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie Artikel 2:37 Nachtregister (gereserveerd) Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister

6

2.3.3.1 2.4.1 2.4.1a 2.4.2 2.4.3 2.4.4 2.4.5 2.4.6 2.4.7 2.4.7a 2.4.8 2.4.9 2.4.10 2.4.11 2.4.12 2.4.13 2.4.14 2.4.15 2.4.16 2.4.17 2.4.18 2.4.19 2.4.20 2.4.20a 2.4.21 2.4.22 2.4.23 2.4.24 2.4.25 2.5.1 2.5.2 2.5.3 2.5.4 2.5.5 2.5.5 2.6.1 2.6.2 2.6.3 2.7.1 2.7.2 2.8.1 2.9.1 2.10.1

3.1.1 3.1.2

Artikel 2:39 Speelgelegenheden Artikel 2:40 Speelautomaten (gereserveerd) Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal Artikel 2:41a Openbare orde verstorend gedrag Artikel 2:42 Plakken en kladden Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d. Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen en dergelijke Artikel 2:46 Rijden over bermen en dergelijke Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen Artikel 2:47a Verplichte route Artikel 2:47b Verbod op lachgas Artikel 2:48 Verboden drankgebruik Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen e.d. Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d.

Artikel 2:53 Bespieden van personen Artikel 2:54 (vervallen) Artikel 2:55 (vervallen) Artikel 2:56 (vervallen) Artikel 2:57 Loslopende honden Artikel 2:58 Verontreiniging door honden Artikel 2:59 Gevaarlijke honden Artikel 2:59a Gevaarlijke honden op eigen terrein Artikel 2:60 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren Artikel 2:60a Hinder door dieren Artikel 2:61 (vervallen) Artikel 2:62 Loslopend vee Artikel 2:63 Duiven Artikel 2:64 Bijen Artikel 2:65 Nachtvissen Artikel 2:66 Begripsbepaling Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek van Strafrecht Artikel 2:69 (vervallen) Artikel 2:32 Handel in horecabedrijven Artikel 2:70 (vervallen) Artikel 2:71 Begripsomschrijving Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen Artikel 2:73 Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling Artikel 2:73a Carbidschieten Artikel 2:74 Drugshandel op straat Artikel 2:74a Openlijk drugsgebruik Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen Artikel 2:79 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet Artikel 2:79a Sluiting voor publiek toegankelijk gebouw, inrichting of ruimte Artikel 3:1 Begripsbepalingen Artikel 3:2 Bevoegd bestuursorgaan 7

3.1.3 3.2.1 3.2.2 3.2.3 3.2.4 3.2.4a 3.2.5 3.2.6 3.2.7 3.2.8 3.3.1 3.3.2 3.4.1 3.4.2 3.4.3 3.5.1 4.1.1 4.1.2 4.1.3 4.1.4 4.1.5 4.2.1 4.2.2 4.2.3 4.3.1 4.3.2 4.3.3 4.3.3a 4.3.3b 4.3.3c 4.3.3d 4.3.4 4.3.5 4.3.5a 4.3.6 4.3.7 4.3.8 4.3.9 4.3.10 4.3.11 4.3.12 4.4.1 4.4.1a 4.4.2 4.5.1 4.5.2 4.5.3 5.1.1 5.1.2

Artikel 3:3 Nadere regels Artikel 3:4 Vergunningplicht Artikel 3:5 Gedragseisen exploitant en beheerder Artikel 3:6 Sluitingstijden Artikel 3:7 Tijdelijke afwijking sluitingsuur; sluiting Artikel 3:7a Intrekking van de vergunning Artikel 3:8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder Artikel 3:9 Straatprostitutie Artikel 3:10 Sekswinkels Artikel 3:11 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke Artikel 3:12 Beslissingstermijn Artikel 3:13 Weigeringsgronden Artikel 3:14 Beëindiging exploitatie Artikel 3:15 Wijziging beheer Artikel 3:15a Vervallen vergunning Artikel 3:16 Overgangsbepaling Artikel 4:1 Begripsbepalingen Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festiviteiten Artikel 4:4 Verboden incidentele festiviteiten (vervallen) Artikel 4:6 Overige geluidhinder [4.1.5] Artikel 4:7 Straatvegen [4.2.1] Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen [4.2.2] Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen [4.2.3] Artikel 4:10 Begripsbepalingen Artikel 4:11 Kapvergunning Artikel 4:12 Aanvraag vergunning Artikel 4:12a Aanhouding Artikel 4:12b Weigeringsgronden Artikel 4:12c Standaardvoorwaarde van niet gebruik Artikel 4:12d Vervaltermijn vergunning Artikel 4:12e Vergunning ex lege Artikel 4:12f Bijzondere

vergunningsvoorschriften Artikel 4:12g Afstand tot erfgrenslijn Artikel 4:12h Herplant-/instandhoudingsplicht Artikel 4:12i Schadevergoeding Artikel 4:12j Bestrijding iepziekte Artikel 4:12k Verhoudign tussen kap- en bouw- of aanlegvergunning Artikel 4:12l Monumentale bomen Artikel 4:12m Bescherming bomen Artikel 4:12n Gevaarzetting Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke Artikel 4:14 Stankoverlast door gebruik van meststoffen Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame Artikel 4:16 (vervallen) Artikel 4:17 Begripsbepaling Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen Artikel 5:1 Begripsbepalingen Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.

8

5.1.2a 5.1.3 5.1.4 5.1.5 5.1.6 5.1.7 5.1.8 5.1.10 5.1.11 5.2.1 5.2.2 5.2.3 5.2.3 5.2.3 5.2.3 5.2.3 5.2.4 5.2.4 5.3.1 5.3.2 5.3.3 5.3.4 5.3.5 5.3.6 5.3.7 5.3.8 5.4.1 5.4.2 5.5.1 5.6.1 5.6.2 5.6.3 5.6.4 5.7.1 5.7.2 5.7.3 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6

Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen Artikel 5:4 Defecte voertuigen Artikel 5:5 Voertuigwrakken Artikel 5:6 Kampeermiddelen e.a. Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen Artikel 5:8 Grote voertuigen Artikel 5:9 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen Artikel 5:10 Parkeren of laten stilstaan van voertuigen anders dan op de rijbaan Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen Artikel 5:12 Overlast van fietsen of bromfietsen Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen Artikel 5:15 Ventverbod Artikel 5:16 (vervallen) Artikel 5:17 Begripsbepaling Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden Artikel 5:19 Toestemming rechthebbende Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen Artikel 5:21 (vervallen) Artikel 5:22 Begripsbepaling Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water Artikel 5:25 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen Artikel 5:26 (vervallen) Artikel 5:27 (vervallen) Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken Artikel 5:29 Reddingsmiddelen Artikel 5:30 Veiligheid op het water Artikel 5:31 Overlast aan vaartuigen Artikel 5:32 Crossterreinen Artikel 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken Artikel 5:38 Begripsbepalingen Artikel 5:39 Gedoogplicht aanduidingen Artikel 5:40 (vervallen) Artikel

5:41 (vervallen) Artikel 5:35 Begripsbepaling Artikel 5:36 Verboden plaatsen Artikel 5:37 Hinder of overlast Artikel 6:1 Strafbepaling Artikel 6:2 Toezichthouders Artikel 6:3 Binnentreden woningen Artikel 6:4 Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening Artikel 6:5 Overgangsbepaling Artikel 6:6 Citeertitel

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1:1 Begripsbepalingen

9

In dit artikel wordt een aantal begrippen dat in de verordening wordt gehanteerd, gedefinieerd. Van een aantal specifieke begrippen, dat wil zeggen begrippen die slechts op een bepaald onderdeel van deze verordening betrekking hebben, zijn in de desbetreffende afdeling definities opgenomen. Over de definities kan het volgende worden opgemerkt. Bebouwde kom De reikwijdte van een aantal artikelen in deze verordening is beperkt tot de bebouwde kom. Voor het begrip ‘bebouwde kom’ kan aangesloten worden bij de aanwijzing van gedeputeerde staten van de bebouwde kom krachtens artikel 27, tweede lid, van de Wegenwet. Nadeel is dat een dergelijke aanwijzing niet altijd actueel is. Ook is het mogelijk om de bebouwde kom aan te geven op een kaart die bij de verordening is gevoegd. Deze kaart maakt deel uit van de verordening en moet dus mee gepubliceerd worden. Een ander, praktisch alternatief is om als de definitie te hanteren: het gebied binnen de grenzen van de bebouwde kom die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de WVW 1994. Bevoegd gezag Met het begrip ‘bevoegd gezag’ wordt aangehaakt bij de Wabo. Die is van toepassing op de omgevingsvergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg (artikel 2:11) en de omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden (artikel 4:11).

De vergunning voor het aanleggen of veranderen van een weg is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid, onder d, van de Wabo, en de vergunning voor het vellen van houtopstanden in artikel 2.2, eerste lid, onder g, van de Wabo. De Wabo kan ook van toepassing zijn op het gebruik van de weg anders dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. De ontheffing voor het opslaan van roerende zaken is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid, onder j en k, van de Wabo. Zie verder de toelichting bij artikel 2:10. De omgevingsvergunning wordt door één bevoegd gezag beoordeeld en doorloopt één procedure. De beslissing op de aanvraag kent ook één procedure van rechtsbescherming. Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college van de gemeente waar het project in hoofdzaak zal worden verricht. In een beperkt aantal gevallen berust de bevoegdheid tot toestemmingsverlening niet bij het college, maar bij Gedeputeerde Staten en in enkele gevallen bij een Minister. Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor het te nemen besluit en is tevens belast met de bestuursrechtelijke handhaving. Zie verder ook de toelichting bij de artikelen 2:10, 2:11 en 4:11. Daarnaast komt in de APV op verschillende plaatsen de term ‘bevoegd bestuursorgaan’ voor. Daarmee wordt dan gedoeld op ofwel het college, ofwel de burgemeester. De Wabo brengt hierin geen verandering.

Bouwwerk Deze omschrijving verwijst naar artikel [… (het betreft artikel 1.1, eerste lid, van de VNG Model Bouwverordening)] van de [citeertitel Bouwverordening]: “elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, met inbegrip van een gedeelte daarvan, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren”. Gebouw Deze omschrijving verwijst naar artikel 1, eerste lid, van de Woningwet: “bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt”. Handelsreclame In artikel 7, vierde lid, van de Grondwet, betreffende de vrijheid van meningsuiting, wordt handelsreclame (commerciële reclame) met zoveel woorden buiten de werking van dit artikel geplaatst. Dit is vooral van belang in verband met artikel 7, eerste lid, van de Grondwet dat zich volgens vaste jurisprudentie verzet tegen een vergunningstelsel voor de verspreiding van gedrukte stukken en dergelijke. Aan een vergunningstelsel voor handelsreclame staat het grondwetsartikel niet in de weg. Onder het begrip ‘reclame’ dient te worden verstaan: iedere vorm van openbare aanprijzing van goederen en diensten. Door dit te beperken tot ‘handelsreclame’ heeft de in het vierde lid geformuleerde 10

uitzondering slechts betrekking op reclame voor commerciële doeleinden in de ruime zin van het woord en omvat zij elk aanbod van goederen en diensten, maar is zij niet van toepassing op reclame voor ideële doeleinden. Dit betekent niet dat handelsreclame helemaal niet beschermd wordt. Voorschriften voor handelsreclame zullen de toets aan artikel 10 van het EVRM en artikel 19 van het IVBPR moeten kunnen doorstaan. Deze verdragsbepalingen verzetten zich echter niet tegen een vergunningstelsel. HR 11-05-1982, NJ 1983, 68. Onder een ‘commercieel belang dienen’ moet mede worden begrepen: dienstig te zijn tot koop en verkoop. Openbaar water Een ‘openbaar water’ in de zin van Boek 5 van het BW is ieder water, dat open staat voor het publiek. ‘Openbaar’ is hier dus synoniem aan ‘feitelijk voor het publiek toegankelijk’. Openbare plaats Hiervoor is aangehaakt bij de Wom. Artikel 1, eerste lid, van de Wom bepaalt wat een openbare plaats is, namelijk een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik open staat voor het publiek. Deze definitie kent dus twee criteria. Ten eerste moet de plaats open staan voor het publiek. Dat wil volgens de MvT zeggen “dat in beginsel eenieder vrij is om er te komen, te vertoeven en te gaan; dit houdt in dat het verblijf op die plaats niet door de gerechtigde aan een bepaald doel gebonden mag zijn (...).

Dat de plaats "open staat" betekent verder dat geen sprake is van een meldingsplicht, de eis van voorafgaand verlof, of de heffing van een toegangsprijs voor het betreden van de plaats”. Op grond hiervan zijn bijvoorbeeld stadions, postkantoren, warenhuizen, restaurants, musea, ziekenhuizen en kerken geen ‘openbare plaatsen’. Ook de hal van het gemeentehuis valt buiten het begrip ‘openbare plaats’. Het tweede criterium is dat het open staan van de plaats moet zijn gebaseerd op bestemming of vast gebruik. “De bestemming ziet op het karakter dat door de gerechtigde aan de plaats is gegeven blijkens een besluit of blijkens de uit de inrichting van de plaats sprekende bedoeling. Een openbare plaats krachtens vast gebruik ontstaat wanneer de plaats gedurende zekere tijd wordt gebruikt als had deze die bestemming, en de rechthebbende deze feitelijke toestand gedoogt”, aldus de MvT (Kamerstukken II 1985/86, 19 427, nr. 3, p. 16). Voorbeelden van openbare plaatsen in de zin van artikel 1, eerste lid, van de Wom zijn: openbare wegen, plantsoenen, speelweiden en parken en vrij toegankelijke gedeelten van overdekte passages, van winkelgalerijen, van stationshallen en van vliegvelden, openbare waterwegen en recreatieplassen.

Omdat de definitie van het begrip ‘openbare plaats’ ook een aantal ’besloten plaatsen’ als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet kan omvatten, is in artikel 1, tweede lid, van de Wom expliciet aangegeven dat onder een openbare plaats niet wordt begrepen een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet (Kamerstukken II 1986/87, 19 427, nr. 5, p. 11-13 en nr. 6). Parkeren De definitie van ‘parkeren’ haakt aan bij de definitie ervan in artikel 1 van het RVV 1990. Dit artikelonderdeel verstaat onder parkeren: het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen. De gegeven definitie bewerkstelligt dat enkele vormen van doen of laten staan van voertuigen, die moeten worden ontzien, buiten de werking van de voorgestelde verbodsbepalingen blijven. Het onmiddellijk in- en uitstappen van personen en het onmiddellijk laden en lossen van goederen zijn dan immers activiteiten die door de modelbepalingen niet worden bestreken. Evenmin zullen deze bepalingen van toepassing kunnen zijn ten aanzien van voertuigen die bij een garagebedrijf stilstaan om benzine te tanken; in dit geval is er geen sprake van parkeren. Rechthebbende Hieronder wordt verstaan de rechthebbende naar burgerlijk recht.

11

Voertuig De definitie van ‘voertuig’ haakt aan bij de definitie ervan in artikel 1 van het RVV 1990. ‘Voertuigen’ in de zin van dit artikel zijn: fietsen, bromfietsen, gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens. Voor kleine voertuigen, zoals kruiwagens, kinderwagens, rolstoelen en dergelijke is een uitzondering gemaakt, omdat anders sommige bepalingen een te ruime strekking zouden krijgen. Weg De definitie van ‘weg’ haakt aan bij de definitie ervan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de WVW 1994. Concreet gaat het om alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten. Hiertoe behoren ook trottoirs, voetpaden, voetgangersgebieden, rijwielpaden en parkeerplaatsen of -terreinen. Uit de definitie van ‘openbare plaats’ blijkt dat de weg daar onderdeel van uitmaakt. Jurisprudentie ABRvS 16-03-1999, Gst. 1999, 7100, 3. Strandovergang is openbare weg in de zin van artikel 4, eerste lid, onder II, van de Wegenwet. ABRvS 29-08-2001, ECLI:NL:RVS:2001:AD3795. Nu in dit geval onvoldoende vaststaat dat de strook grond een weg in de zin van de APV was, staat evenmin vast dat het verbod van de APVbepaling is overtreden. Op of aan de weg Verschillende bepalingen in deze verordening hebben betrekking op (verboden) gedragingen ‘op of aan de weg’.

De term ‘aan de weg’ duidt begripsmatig op een zekere nabijheid ten opzichte van de weg. Daaronder vallen bijvoorbeeld voortuinen van huizen en andere open ruimtes die aan de weg zijn gelegen. Daaronder valt echter niet wat zich binnenshuis bevindt of afspeelt. Ook treinstations vallen in beginsel buiten het bereik van de APV. Tegenwoordig hebben veel stations echter ook een doorloopfunctie, en zijn er bijvoorbeeld winkels in aanwezig. Dan zijn deze doorgangen in stations weliswaar geen weg, maar wel openbare plaats. Artikel 1:2 Beslistermijn Het uitgangspunt van artikel 4:13 van de Awb is dat in het wettelijk voorschrift de termijn aangegeven wordt waarbinnen de beschikking gegeven dient te worden. Zo kan worden nagegaan wat voor iedere situatie een goede beslistermijn is. In dit model hebben wij de beslistermijn vastgesteld op acht weken (eerste lid). Dit is gelijk aan de maximumtermijn die in artikel 4:13, tweede lid, van de Awb, wordt gesteld. Uiteraard kan een gemeente ook kiezen voor een andere, kortere, beslistermijn of zelfs voor per type besluit verschillende beslistermijnen. Dit laatste doet bij uitstek recht aan het algemeen beginsel dat elke termijn redelijk moet zijn. Tijdig beslissen is een rechtsplicht voor elk bestuursorgaan. Het merendeel van de aanvragen zal binnen acht weken kunnen worden afgehandeld.

Meer ingewikkelde aanvragen, zeker die waarvoor meerdere adviezen moeten worden ingewonnen, vergen soms meer tijd. De verlenging van de beslistermijn biedt dan uitkomst. Ook deze termijn hebben we in het model op acht weken gesteld (tweede lid). Ook hier geldt dat een individuele gemeente een andere termijn kan vastleggen. Uitgangspunt blijft altijd dat die termijn redelijk moet zijn. Artikel 4:14 Awb verplicht tot kennisgeving aan de aanvrager van dit verlengingsbesluit. Indien de aanvrager meent dat de verlenging niet redelijk is, kan hij daartegen in bezwaar en beroep gaan. Dienstenrichtlijn Op vergunningprocedures voor wat betreft diensten is artikel 13 van de Dienstenrichtlijn van toepassing. Het derde lid bepaalt dat de aanvraag binnen een redelijke, vooraf vastgestelde termijn wordt behandeld. De achtweken-termijn van artikel 1:2 voldoet daaraan. Artikel 13, derde lid, van de Dienstenrichtlijn bepaalt voorts dat de beslistermijn eenmaal door de bevoegde instantie mag worden verlengd, indien dit gerechtvaardigd wordt door de complexiteit van 12

het onderwerp. Dit houdt in dat voor verlenging een stevige motivering is vereist met gebruikmaking van dit criterium. De verlenging en duur ervan worden met redenen omkleed vóór het verstrijken van de oorspronkelijke termijn ter kennis van de aanvrager gebracht worden. Het derde lid is een implementatie van deze verplichting. Ontvangstbevestiging Indien de Dienstenrichtlijn van toepassing is, wordt op grond van artikel 13, vijfde lid de ontvangst van elke vergunningaanvraag zo snel mogelijk bevestigd. De ontvangstbevestiging moet de volgende informatie bevatten: de beslistermijn, de beschikbare rechtsmiddelen en indien van toepassing de vermelding dat bij het uitblijven van een antwoord binnen de gespecificeerde termijn de vergunning geacht wordt te zijn verleend. Het gaat hier om toepassing van de lex silencio. Een bevoegde instantie bevestigt eveneens de ontvangst van een melding die een dienstverrichter krachtens wettelijk voorschrift bij een bevoegde instantie dient te verrichten, indien door het doen van die melding en een bij wettelijk voorschrift bepaald tijdsverloop een voorwaarde wordt vervuld voor toegang tot of de uitoefening van een dienst. Opschorting van de termijn Op grond van de Dienstenrichtlijn gaat de termijn pas in op het tijdstip waarop alle documenten zijn ingediend.

Artikel 13, zesde lid bepaalt dat wanneer een aanvraag onvolledig is, de aanvrager zo snel mogelijk wordt meegedeeld dat hij aanvullende documenten moet verstrekken, en, in voorkomend geval, welke gevolgen dit heeft voor de in artikel 13, derde lid, bedoelde termijn. Hiermee wordt bedoeld dat moet worden meegedeeld dat de termijn pas aanvangt als de gevraagde documenten zijn ontvangen. Deze regeling wijkt af van die van artikel 4:15 Awb : de termijn voor het geven van een beschikking wordt opgeschort met ingang van de dag waarop het bestuursorgaan krachtens artikel 4:5 de aanvrager uitnodigt de aanvraag aan te vullen, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Als de aanvraag is aangevuld, loopt de termijn weer verder door. Artikel 2:10 staat hier genoemd als het gaat om tijdelijk plaatsen, bijvoorbeeld een container met puin in het kader van een verbouwing of restauratie, kan er sprake zijn van opslag van roerende zaken (opslagvergunning roerende zaken). Wabo De tekst van het eerste lid is in overeenstemming gebracht met die van artikel 3.9, eerste lid van de Wabo. Inhoudelijk is er niets veranderd. Het derde lid is toegevoegd omdat artikel 3.9, tweede lid van de Wabo bepaalt dat de beslistermijn niet met acht, maar slechts met zes weken kan worden verlengd.

De opslagvergunning (2:10), de wegaanlegvergunning (art 2:11), de kapvergunning (art 4:11) en de handelsreclamevergunning (4:15) vallen onder de Wabo. De vergunning voor het aanleggen of veranderen van een weg (2:11) is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid onder d. van de Wabo, de vergunning voor het vellen van houtopstanden (4:11) in artikel 2.2, eerste lid onder g, de vergunning voor de opslag van roerende zaken (2:10) is aangewezen in artikel 2.2 eerste lid onder j en k en de vergunning voor handelsreclame (4:15) in artikel 2.2 eerste lid onder i van de Wabo. De indieningsvereisten voor een aanvraag om een vergunning of ontheffing die onder de Wabo valt, staan in de Ministeriele regeling omgevingsrecht (Mor). De algemene indieningsvereisten staan in artikel 1.3 Mor, dat luidt als volgt: Artikel 1.3 Indieningsvereisten bij iedere aanvraag 1. In de aanvraag vermeldt de aanvrager: a. de naam, het adres en de woonplaats van de aanvrager, alsmede het elektronisch adres van de aanvrager, indien de aanvraag met een elektronisch formulier wordt ingediend; b. het adres, de kadastrale aanduiding dan wel de ligging van het project; c. een omschrijving van de aard en omvang van het project;

13

d. een omschrijving van de aard en omvang van de gevolgen van het project voor de fysieke leefomgeving, voor zover die gevolgen relevant zijn voor de beoordeling van de aanvraag; e. indien de aanvraag wordt ingediend door een gemachtigde: zijn naam, adres en woonplaats, alsmede het elektronisch adres van de gemachtigde, indien de aanvraag met een elektronisch formulier wordt ingediend; f. indien het project wordt uitgevoerd door een ander dan de aanvrager: zijn naam, adres en woonplaats. 2. De aanvrager voorziet de aanvraag van een aanduiding van de locatie van de aangevraagde activiteit of activiteiten. Deze aanduiding geschiedt met behulp van een situatietekening, kaart, foto’s of andere geschikte middelen. 3. De aanvrager doet bij de aanvraag een gespecificeerde opgave van de kosten van de te verrichten werkzaamheden. In Hoofdstuk 7 van de Mor staan nog bijzondere indieningsvereisten. Daarvan zijn in het kader van de APV alleen die voor het vellen van houtopstanden van belang. Zie daarvoor de toelichting bij artikel 4:11. Artikel 1:3 (vervallen) Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen In literatuur en jurisprudentie is men het erover eens dat de bevoegdheid tot het verbinden van voorschriften in beginsel aanwezig is in die gevallen waarin het al dan niet verlenen van die vergunning of ontheffing ter vrije beslissing staat van het beschikkende orgaan.

Toch verdient het uit een oogpunt van duidelijkheid aanbeveling deze bevoegdheid uitdrukkelijk vast te leggen. Daarbij moet ook - ten overvloede - worden aangegeven dat die voorschriften uitsluitend mogen strekken ter bescherming van de belangen in verband waarmee het vereiste van vergunning of ontheffing is gesteld. Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning of ontheffing dan wel voor toepassing van andere administratieve sancties. In artikel 1:6 is deze intrekkingsbevoegdheid vastgelegd. De vraag of bij niet-nakoming van vergunningsvoorschriften bestuursdwang kan worden toegepast, wordt in het algemeen bevestigend beantwoord. Doordat in het tweede lid van artikel 1:4 naleving van deze voorschriften wordt omschreven als verplichting, wordt hierover alle onzekerheid weggenomen. Uiteraard is bestuursdwang niet mogelijk, wanneer alleen voorschriften zijn overtreden, die slechts beogen het toezicht op de naleving van de vergunning of ontheffing te vergemakkelijken, maar geen verband houden met de bescherming van het belang of de belangen met het oog waarop de vergunning of ontheffing is vereist.

Dienstenrichtlijn Artikel 10 van de Dienstenrichtlijn bepaalt dat vergunningstelsels gebaseerd moeten zijn op criteria die ervoor zorgen dat de bevoegde instanties hun beoordelingsbevoegdheid niet op willekeurige wijze uitoefenen. Die criteria zijn: niet-discriminatoir, gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang; evenredig met die reden van algemeen belang; duidelijk en ondubbelzinnig; objectief; vooraf openbaar bekendgemaakt; transparant en toegankelijk. Ook de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning worden verbonden, dienen hieraan te voldoen. Zie voor wat onder dwingende reden van algemeen belang en evenredigheid wordt verstaan: de algemene toelichting en het commentaar onder artikel 1:8. Op grond van het vijfde lid van artikel 10 wordt de vergunning pas verleend nadat na een passend onderzoek is vastgesteld dat aan de vergunningvoorwaarden is voldaan. Het derde lid zegt, dat de vergunningvoorwaarden voor een nieuwe vestiging gelijkwaardige, of gezien hun doel in wezen vergelijkbare, eisen en controles waaraan de dienstverrichter al in een andere of dezelfde lidstaat onderworpen is, niet mogen overlappen. In de in deze model-APV opgenomen algemene strafbepaling (artikel 6:1) wordt overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde met straf bedreigd.

Daardoor staat ook straf op het overtreden van aan een vergunning of ontheffing verbonden voorschriften.

14

Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing Een vergunning wordt persoonlijk genoemd, als die alleen of vooral is verleend vanwege de persoon van de vergunningaanvrager (diens persoonlijke kwaliteiten, zoals het bezit van een diploma of een bewijs van onbesproken levensgedrag). De persoonlijke vergunning is in beginsel niet overdraagbaar, tenzij de regeling dat uitdrukkelijk bepaalt of dit uit de aard van de vergunning voortvloeit. Een voorbeeld van een persoonsgebonden vergunning is de vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet. Deze wet bepaalt dat voor het verkrijgen van een vergunning de nodige diploma’s moeten zijn gehaald. Een persoonlijke vergunning is ook de standplaatsvergunning. Dit vanwege het persoonlijke karakter van de ambulante handel en omdat het aantal aanvragen om vergunning het aantal te verlenen vergunningen meestal verre overtreft. Het zou onredelijk zijn als een standplaatsvergunning zonder meer kan worden overgedragen aan een andere terwijl een groot aantal aanvragers op de wachtlijst staat.

Als een vergunning of ontheffing zowel voor de aanvrager als voor zijn rechtsopvolger geldt, is het verstandig een voorschrift op te nemen dat de houder van de vergunning of ontheffing verplicht binnen twee weken schriftelijk te melden dat hij zijn vergunning heeft overgedragen, met vermelding van de naam en het adres van de nieuwe houder van de vergunning of ontheffing. Literatuur Voor de overdraagbaarheid van APV-vergunningen, zie: C.L. Knijff, Rechtsopvolging bij vergunningen in de gemeentepraktijk, GS 2004, 7205, onder 3.4 Overgang uitgesloten: APVvergunningen. Jurisprudentie Volgens art. 1:10 APV is de vergunning of ontheffing persoonsgebonden tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Ingevolge art. 1:11, aanhef en onder e APV kan de vergunning of ontheffing worden gewijzigd indien de houder of zijn rechtverkrijgende dit verzoekt. De Afdeling is van oordeel dat art. 1:11 aanhef en onder e APV niet afdoet aan het persoonsgebonden karakter van de vergunning. Van een zelfstandige bepaling die het persoonsgebonden karakter van de exploitatievergunning voor een coffeeshop kan opheffen is geen sprake, gelet op de aard van de vergunning en op de strekking van het in de APV neergelegde vergunningstelsel. De burgemeester was derhalve niet zonder meer gehouden zijn medewerking te verlenen aan een verzoek tot overdracht van een vergunning aan een derde.

ABRS 23-11-1999, LJN-nr. AA5058, GS 2000, 7112 , 6. Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De in het eerste lid genoemde intrekkings- en wijzigingsgronden hebben een facultatief karakter (“kan”). Het hangt van de omstandigheden af of tot intrekking of wijziging wordt overgegaan. Zo zal niet iedere niet-nakoming van vergunningsvoorschriften leiden tot intrekking van de vergunning. Met name het rechtzekerheids- en het vertrouwensbeginsel beperken nogal eens de bevoegdheid tot wijziging en intrekking. Als het bestuursorgaan overweegt om de vergunning of ontheffing in te trekken of te wijzigen, dient het de belanghebbenden in de gelegenheid te stellen hun bedenkingen in te dienen (artikel 4:8 Awb). Jurisprudentie Gelet op art. 1:6 APV in samenhang gelezen met art. 2.1.4.1, tweede lid (oud), APV was de burgemeester in het onderhavige geval bevoegd de vergunning in te trekken. Intrekking van een vergunning vereist een zorgvuldige voorbereiding. Als specifieke kennis bij het bestuursorgaan ontbreekt, moet advies worden ingewonnen. Zes werkdagen zijn daarvoor voldoende. ABRS 11-062003, 200205273/1, JG 03.0125, met noot M. Geertsema. (artikel 2.1.4.1 (oud) is nu opgenomen in de artikelen 2.2.1 (oud) en 2.2.2 (oud)). Artikel 1:7 Termijnen Artikel 1:7 bepaalt dat de vergunning of ontheffing in beginsel voor onbepaalde tijd geldt.

Dit vloeit mede voort uit artikel 11 van de Dienstenrichtlijn, dat stelt dat vergunningen geen beperkte geldingsduur mogen hebben, tenzij:

15

a. de vergunning automatisch wordt verlengd of alleen afhankelijk is van de voortdurende vervulling van de voorwaarden: er is dan formeel sprake van een beperkte geldigheidsduur, maar verlening vindt van rechtswege plaats; b. het aantal beschikbare vergunningen beperkt is door een dwingende reden van algemeen belang: wanneer het aantal vergunningen logischerwijs beperkt is, bijvoorbeeld omdat de gemeente geen onbeperkt grondgebied heeft, mag de markt niet gesloten blijven voor nieuwe aanbieders omdat de bestaande aanbieders voor onbepaalde tijd alle beschikbare vergunningen in handen hebben. In dat geval moet geregeld een transparante en onpartijdige ‘herverdeling’ van de schaarse vergunningen worden georganiseerd; c. een beperkte duur gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang: als gemeenten een vergunning voor bepaalde tijd verlenen, moeten zij beargumenteren waarom deze beperking nodig is en de evenredigheidstoets kan doorstaan. Sommige vergunningen lenen zich naar hun aard alleen voor verlening voor bepaalde tijd. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een evenementenvergunning of een standplaatsvergunning voor een oliebollenkraam rond de jaarwisseling.

Artikel 4, onder 8, van de Dienstenrichtlijn geeft een definitie van ‘dwingende redenen van algemeen belang’: “redenen die als zodanig zijn erkend in de rechtspraak van het Hof van Justitie; waaronder de volgende gronden: openbare orde, openbare veiligheid, staatsveiligheid, volksgezondheid, handhaving van het financiële evenwicht van het socialezekerheidsstelsel, bescherming van consumenten, afnemers van diensten en werknemers, eerlijkheid van handelstransacties, fraudebestrijding, bescherming van het milieu en het stedelijk milieu, diergezondheid, intellectuele eigendom, behoud van het nationaal historisch en artistiek erfgoed en doelstellingen van het sociaal beleid en het cultuurbeleid”. Zie ook de weigeringsgronden die in de toelichting op artikel 1:8 worden genoemd. Artikel 1:6 bepaalt dat bij gewijzigde omstandigheden de vergunning kan worden gewijzigd of ingetrokken. Het ligt ook daarom in de rede dat een vergunning voor onbepaalde duur blijft gelden indien de omstandigheden niet wijzigen. Pas bij gewijzigde omstandigheden dient de vergunning opnieuw te worden bezien. Ook daarbij wordt rekening gehouden met de noodzakelijkheids- en proportionaliteitseis. Bij geringe wijziging van omstandigheden die geen gevolgen hebben voor het algemeen belang, kan de vergunning niet worden gewijzigd of ingetrokken. De noodzaak daarvoor ontbreekt.

Tweede lid Uit ABRvS 02-11-2016, ECLI:NL:RVS:2016:2927, blijkt dat schaarse vergunningen zich naar hun aard niet lenen voor verlening voor onbepaalde tijd omdat dat zich niet met het formele gelijkheidsbeginsel, waarin tevens een beginsel van gelijke kansen besloten ligt. Het voor onbepaalde tijd verlenen van schaarse vergunningen (meer aanvragers dan beschikbare vergunningen) kan immers tot gevolg hebben dat de markt voor nieuwe aanbieders feitelijk ontoegankelijk wordt. Met dit tweede lid wordt duidelijk gemaakt dat schaarse vergunningen in ieder geval moeten worden aangemerkt als vergunningen die zich naar hun aard niet lenen voor verlening voor onbepaalde tijd. Meer informatie over schaarse vergunningen is te vinden in de VNG Handreiking voor gemeenten ‘Schaarse vergunningen’, november 2018. Artikel 1:8 Weigeringsgronden Vergunnings- of ontheffingsstelsels zijn in de APV als volgt geformuleerd: een verbodsbepaling om een bepaalde activiteit te verrichten behoudens vergunning of ontheffing. De VNG heeft er ter bevordering van de systematiek en duidelijkheid binnen de APV voor gekozen om in hoofdstuk 1 ‘Algemene bepalingen’ algemene weigeringsgronden te benoemen. Alleen als er voor een vergunning of ontheffing andere of aanvullende weigeringsgronden gelden dan de in artikel 1:8 genoemde, worden die in het betreffende artikel genoemd. Dienstenrichtlijn 16

In theorie bestaan er drie verschillende regimes voor: de vestiger, de tijdelijke grensoverschrijder en de Nederlandse dienstverrichter. De Dienstenrichtlijn staat toe dat er onderscheid wordt gemaakt tussen deze drie categorieën. Het zou in theorie kunnen dat de overheid aan een Nederlandse dienstverlener zwaardere eisen stelt dan aan een buitenlandse ’tijdelijke grensoverschrijder’, maar dit is in de praktijk en vanuit het oogpunt van rechtsgelijkheid niet wenselijk. De VNG acht het op dezelfde gronden evenmin gewenst een onderscheid aan te brengen tussen verschillende soorten van dienstverleners (vestigers, tijdelijke grensoverschrijders en dus ook Nederlandse dienstverleners). Anders zou de dienstverlener die zich vanuit een andere lidstaat hier vestigt een bevoorrechte positie hebben ten opzichte van degene die de grens overschrijdt om zijn diensten aan te bieden of beide dienstverleners ten opzichte van de eigen onderdanen. Alleen in het geval van prostitutie is daarop een uitzondering gemaakt. Zie daarvoor de toelichting bij hoofdstuk 3 ‘Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen’. Niet alleen de eis van het hebben van een vergunning geldt voor hen gelijkelijk, ook de gronden om een vergunning te weigeren zijn voor de drie categorieën aanvragers dezelfde.

Daarom zijn de weigeringsgronden algemeen geformuleerd zodat ze gelden voor interne én internationale verhoudingen. Er is aangesloten bij het lichtste regime van de Dienstenrichtlijn (artikel 16): de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu. Enkele voorheen gehanteerde weigeringsgronden komen niet meer als zodanig voor in de Dienstenrichtlijn. Deze kunnen wel vallen onder: - Overlast: Vanouds is de APV een openbare orde- en overlast-verordening. Het begrip ‘overlast’ komt in het EG-recht bij de toetsing van uitzonderingen op het vrij verkeer niet voor. Ook de Dienstenrichtlijn spreekt niet over ‘overlast’. Het milieubegrip omvat echter alle soorten van overlast die gerelateerd zijn aan de omgeving of het milieu. Te denken valt aan geluidsoverlast, geurhinder en overlast veroorzaakt door stof, afval en dergelijke. Overlast, veroorzaakt door vuurwerk, valt eveneens onder bescherming van het milieu of zelfs gezondheid. - Verkeersveiligheid: De verkeersveiligheid valt aan te merken als een dwingende reden van algemeen belang als bedoeld in artikel 9 van de Dienstenrichtlijn. Maar ook is er sprake van een belang dat te scharen valt onder de volksgezondheid, als het voorkomen van verkeersslachtoffers het te beschermen belang betreft.

- Veiligheid van personen en gezondheid: Deze gronden waarop voorheen een evenementenvergunning kon worden geweigerd, bijvoorbeeld bij het uitbreken van mond- en klauwzeer (gezondheid), kunnen als een belang van volksgezondheid worden aangemerkt. - Zedelijkheid: Het begrip zedelijkheid valt onder het begrip ‘openbare orde’, zoals dit wordt uitgelegd in overweging 41 bij de Dienstenrichtlijn. Te denken valt aan de bescherming van de menselijke waardigheid of in het geval van dierenmishandeling (bijvoorbeeld gansslaan, palingtrekken of zwijntjetik) aan het belang van dierenwelzijn. Ook andere dwingende redenen dan de openbare orde kunnen een zedelijkheidsaspect hebben. -

Voorzieningenniveau bij standplaatsen: In het verleden is het beschermen van een redelijk voorzieningenniveau in de gemeente ten behoeve van de consument als een openbare ordebelang aangemerkt. De gedachte was dat gevestigde winkeliers geconfronteerd worden met hoge exploitatiekosten die niet in verhouding staan tot de vrij lage exploitatiekosten van de straathandelaren. Uit jurisprudentie van de Afdeling blijkt dat het reguleren van de concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk belang van de gemeente wordt aangemerkt. Hoewel het concurrentiebelang maakt dat een appellant als belanghebbende kan worden aangemerkt en dit belang vrijwel altijd een rol speelt bij de beslissing om een zaak aan te spannen, is het reguleren van concurrentie geen belang van de overheid (ABRvS 26-032014, ECLI:NL:RVS:2014:1101, r.o. 7.4). 17

Hierop wordt door de Afdeling slechts één uitzondering toegestaan, namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor de consument in een deel van de gemeente in gevaar komt. Wil een gemeente op basis hiervan een vergunning weigeren dan moet worden aangetoond, mede aan de hand van de boekhouding van de plaatselijke winkelier, dat het voortbestaan van de winkel in gevaar komt als vanaf een standplaats dezelfde goederen aangeboden worden. De Dienstenrichtlijn staat deze weigeringsgrond voor standplaatsvergunningen waar (mede) diensten worden verleend niet toe, omdat dit wordt beschouwd als een economische, niet toegestane, belemmering voor het vrij verkeer van diensten. Het blijft echter nog wel mogelijk om deze weigeringsgrond te hanteren bij een standplaats voor het verkopen van goederen (zie artikel 5:18, derde lid, onder b). Daarop is de Dienstenrichtlijn immers niet van toepassing. Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000 In het kader van de Vw 2000 dient bij de aanvraag om een vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden alvorens tot vergunningverlening kan worden overgegaan. Artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000 schept een verplichting om desgevraagd bij een aanvraag voor een beschikking anders dan op grond van de Vw 2000, een document te overleggen waaruit het rechtmatige verblijf blijkt.

Artikel 8.3, tweede lid, van het Vb 2000 bepaalt dat een vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8 van de Vw 2000 geen aanspraak kan maken op de toekenning van vergunningen en ontheffingen door bestuursorganen van onder meer gemeenten, voor zover die betrekking hebben op standplaatsen, markten, venten, collecteren, evenementen of beroepsmatige dan wel bedrijfsmatige activiteiten. Tweede lid De wetgever heeft in de Awb een sluitend systeem neergelegd voor de afhandeling van aanvragen: die worden ingewilligd of geweigerd. In artikel 4:5 van de Awb is daarop één uitzondering gemaakt: een aanvraag die zo gebrekkig is dat die moet worden aangevuld voor ze kan worden afgehandeld kan buiten behandeling worden gelaten, mits de aanvrager de kans heeft gekregen om de aanvraag aan te vullen. Gemeenten kunnen bij verordening geen aanvullende gronden stellen waarmee een aanvraag buiten behandeling kan worden gelaten. Het is echter weinig zinvol – voor zowel de gemeente als de aanvrager – om te beginnen met een inhoudelijk toetsing van een aanvraag als door het (late) tijdstip van indienen van de aanvraag een – volledige en – goede beoordeling hiervan niet redelijkerwijs mogelijk is vóór de beoogde datum van de activiteit waarvoor de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft.

Een vergunning of ontheffing zal in dergelijke gevallen niet (tijdig) verleend kunnen worden. Zie in dit verband ook artikel 3:2 van de Awb. Een (snelle) weigering schept (snel) duidelijkheid voor de aanvrager en voorkomt een onnodige inspanning aan de kant van de gemeente. Het tweede lid biedt nu een weigeringsgrondslag voor dergelijke gevallen, voor zover de betreffende aanvraag is ingediend minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. Artikel 1:9 Toepassing paragraaf 4.1.3.3. Algemene wet bestuursrecht (Lex silencio positivo; positieve lijst) Door opname van dit artikel, een zogenaamde positieve lijst, wordt duidelijkheid verschaft ten aanzien van welke vergunningen in de APV een Lex silencio positivo (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van kracht is. Bij niet tijdig beschikken is sprake van een van rechtswege verleende vergunning.

Geen toepassing paragraaf 4.1.3.3. Algemene wet bestuursrecht (geen Lex silencio positivo; negatieve lijst) Artikel 1:10

Door opname van dit artikel, een zogenaamde negatieve lijst, wordt duidelijkheid verschaft ten aanzien van welke vergunningen in de APV geen Lex silencio positivo (positieve beschikking bij niet

18

tijdig beslissen) van kracht is. Niet tijdig beslissen leidt hier niet automatisch tot een van rechtswege verleende vergunning (positieve beschikking). Dit is een verzamelbepaling die een opsomming bevat van bepalingen met procedures waarvoor de lex silencio positivo niet van toepassing is. Grote evenementen brengen een verhoogd risico met zich mee voor de veiligheid, volksgezondheid en openbare orde. Ook vind het nodige overleg plaats tussen organisatie en gemeente, politie en brandweer over (vergunningvoorwaarden). Dit vergt de nodige voorbereidingstijd, waardoor de procedure onder druk komt te staan. Horeca-exploitatievergunning: gelet op het risico voor de veiligheid, openbare orde en woon- en leefklimaat wordt deze vergunning uitgesloten van de lex silencio positivo. Dit vanwege (mogelijke) adviesaanvragen bij het landelijk bureau Bibob, en bij het RIEC en politie, en het reële risico dat hierdoor de procedure onder druk komt te staan. Uitgesloten moet worden dat malafide aanvragers een vergunning van rechtswege kunnen verkrijgen. HOOFDSTUK 2.

OPENBARE ORDE EN VEILIGHEID, VOLKSGEZONDHEID EN MILIEU AFDELING 1: VOORKOMEN OF BESTRIJDEN VAN ONGEREGELDHEDEN Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden Eerste lid Het begrip “samenscholing” is ontleend aan artikel 186 WvSr: “Hij die opzettelijk bij gelegenheid van een volksoploop zich niet onmiddellijk verwijdert na het derde door of vanwege het bevoegd gezag gegeven bevel, wordt, als schuldig aan deelneming aan samenscholing, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.” Zie hierover de in het commentaar bij het tweede lid genoemde jurisprudentie. Onder omstandigheden is het denkbaar dat een samenscholing het karakter heeft van bijvoorbeeld een betoging. Gelet op de Wet openbare manifestaties moeten dit soort samenscholingen van de werking van dit artikel uitgezonderd worden. In het vijfde lid is dit dan ook gebeurd. Tweede lid Aan de politieambtenaar mag slechts een begrensde “bevoegdheid” (tot het geven van aanwijzingen e.d.) worden gegeven, namelijk om in die gevallen dat iets voor regeling in bijzonderheden niet vatbaar is, naar gelang van de omstandigheden ter plaatse te beoordelen of de in de desbetreffende APV bepaling verboden toestand feitelijk aanwezig is. De aanwijzing, last e.d. vormt een voorwaarde voor de toepasselijkheid van de strafbepaling; zij is bestanddeel van het strafbare feit.

De rechter blijft volkomen vrij in de beoordeling van de feiten. Als de rechter meent dat de politieambtenaar in zijn waardering van de gedraging heeft misgetast, laat hij de strafbepaling buiten toepassing. Het gaat hier om bestaande politiebevoegdheden. Deze bevoegdheid berust op de artikelen 2 en 12 Politiewet. Artikel 2 draagt aan de politie de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde op, waaronder blijkens artikel 12 de handhaving van de openbare orde. Deze bevoegdheid wordt in feite herhaald als van een gemeentelijke strafbepaling een aanwijzing, last, bevel of oordeel van een politieambtenaar een element vormt. De aanvullende bevoegdheid van de gemeentelijke wetgever op de artikelen 184 en 186 Wetboek van Strafrecht (WvSr) is meermalen door de Hoge Raad erkend. De sanctionering van het niet opvolgen van een krachtens een APV bepaling gegeven politiebevel gebeurt op grond van de artikelen 184 of 186 WvSr of op grond van artikel 154 Gemeentewet. Het opzettelijk niet voldoen aan een dergelijk bevel levert het strafbare feit van artikel 184 WvSr op en bij samenscholingen van artikel 186 WvSr. Jurisprudentie Relatie tussen APV bepaling en artikel 184 en 186 WvSr. Aanvulling van de gemeentelijke wetgever erkend. HR 02 06 1903, W. 7938 (APV Amsterdam) en HR 25 06 1963, NJ 1964, 239 m.nt. B.V.A. Röling (samenscholingsarrest).

19

Oordeel van de politie is element van gemeentelijke strafbepaling. HR 12 02 1940, NJ 140, 622, AB 1940, p. 744, Gst. 1940, p. 125 (Haags tippelverbod). Zie ook: HR 02 06 1903, W. 7938, Gst., 2715 (APV Amsterdam); HR 20 01 1936, NJ 1936, 343, Gst. 1936, p. 90, AB 1936, p. 558 (APV Amsterdam); HR 03 06 1969, NJ 1969, 411, AB 1970, p. 17, OB 1971, XIV.3, nr. 30391, NG 1970, p. 616 m.nt. H.R.G. Veldkamp (APV Amsterdam) en HR 17 03 1970, NJ 1970, 331, OB 1971, X.4, nr. 31108, NG 1971, p. 292 (APV Arnhem). Van een volksoploop ex artikel 186 WvSr is sprake als een menigte zich verzamelt. De openbare orde hoeft niet te worden verstoord. HR 26-02-1991, NJ 1991, 512 en HR 14-01-1992, NJ 1992, 380. Artikel 2:1a Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties (vervallen) Er zijn diverse Outlaw Motorcycle Gangs (hierna: OMG’s) ontbonden en verboden verklaard door de civiele rechter. De uitingen en gedragingen van deze OMG’s maakten namelijk dat hun werkzaamheden in strijd waren met de openbare orde. Het is vanuit een oogpunt van openbare orde en veiligheid niet acceptabel dat op openbare plaatsen of in voor het publiek toegankelijke openstaande gebouwen nog uiterlijk vertoon plaatsvindt dat verband houdt met ontbonden en verboden OMG’s.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=SittardGeleen&id=49d86fdb-d052-4c8e-a56e-e6d83a7ccfb1