Bijlage 1. APV was-wordt-tabel APV Sittard-Geleen versie 2024.1 (drieëntwintigste wijziging)
Tekst van het document
Wijziging APV Sittard-Geleen (23e wijziging) Was-wordt-tabel wijziging APV Sittard-Geleen met artikelsgewijze toelichting Leeswijzer wijzigingsbepalingen In de ‘bestaande tekst’ zijn de woorden en leestekens waaraan iets verandert, cursief gezet en – als het een facultatieve bepaling betreft – eveneens onderstreept (aangezien dan de hele bepaling cursief is i.v.m. het facultatieve karakter). In de ‘nieuwe tekst’ zijn de nieuwe woorden en leestekens vet gedrukt en – als de bestaande tekst al vet was gedrukt – ook onderstreept. Artikel 1:1 wordt als volgt gewijzigd: Artikel 1:1 Definities
Artikel 1:1 Definities
Bestaande tekst
Nieuwe tekst
- gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;
- gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;
Toelichting: Deze wijziging houdt verband met het overhevelen van de definitie van ‘gebouw’ in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving naar de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet (artikel II, onderdeel V, Verzamelbesluit Omgevingswet, Stb. 2023, 298, resp. artikel I, onderdeel CW van de Verzamelwet Omgevingswet 20.., Stb. 2023, 376). Inhoudelijk is de definitie niet gewijzigd. Artikel 1:1 Definities
Artikel 1:1 Definities
Bestaande tekst
Nieuwe tekst - voorgevelrooilijn: de lijn waarin de voorgevel van een hoofdgebouw is gelegen, alsmede het verlengde daarvan.
Toelichting: In artikel 5:6, tweede lid van de APV staat dat het verboden is een vaar- en/of voertuig dat voor recreatie gebruikt wordt op eigen terrein voor de voorgevelrooilijn binnen de bebouwde kom langer dan vijf achtereenvolgende dagen op een vanaf de openbare weg zichtbare plaats te hebben of te plaatsen. Dit heeft met name betrekking op campers die op de oprit geparkeerd worden. In de huidige APV ontbreekt een definitie van een voorgevelrooilijn. Omdat deze ook niet in alle Omgevingsplandelen (voorheen Bestemmingsplannen) staat, ervaart team Toezicht en Handhaving moeilijkheden in het handhaven van deze regel. Om dit op te lossen, wordt een definitie van de voorgevelrooilijn opgenomen. Hierbij wordt aangesloten op de definitie zoals die in een aantal Omgevingsplandelen is opgenomen. Artikel 2:10 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Afdeling 2 Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen
Afdeling 2 Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen
1
Artikel 2:10 Het plaatsen van voorwerpen op, aan of boven de weg, in strijd met de publieke functie ervan
Artikel 2:10 Het plaatsen van voorwerpen op, aan of boven de weg, of een openbare plaats, in strijd met de publieke functie ervan
1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegde gezag de weg, een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.
1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegde gezag de weg, een weggedeelte of een openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.
Toelichting: Het begrip ‘openbare plaats’ was al in de aanhef van afdeling 2 opgenomen vanuit eerdere wijzigingen van de Model-APV. Door toevoeging van dit begrip in het artikel zelf is het duidelijker dat de vergunningplicht ook geldt voor openbare plaatsen. Daardoor wordt de rechtmatigheid van deze besluiten beter verankerd. Artikel 2:25 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:25 Evenementenvergunning
Artikel 2:25 Evenementenvergunning
1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.
1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2. Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd. 3. Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, indien: a. het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 350 personen; b. de activiteiten plaatsvinden tussen 10.00 en 01.00 uur; c. geen housemuziek ten gehore wordt gebracht (dbC) en geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 10.00 uur of na 23.00 uur; d. de activiteiten niet plaatsvinden op de rijbaan, (brom)fietspad of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormen voor het verkeer en de hulpdiensten; en e. slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 50 m² per object; f. er een organisator is; g. de organisator ten minste 10 werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester, met uitzondering van de wielertoertochten als bedoeld in lid 5. 4. De burgemeester kan binnen 5 werkdagen na ontvangst van de melding besluiten een klein evenement te verbieden, als er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 5.
Het verbod van het eerste lid geldt niet indien het een wielertoertocht betreft van 101
2. Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, indien: a. het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 350 personen; b. de activiteiten plaatsvinden tussen 10.00 en 01.00 uur; c. geen housemuziek ten gehore wordt gebracht (dbC) en geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 10.00 uur of na 23.00 uur; d. de activiteiten niet plaatsvinden op de rijbaan, (brom)fietspad of parkeerplaats op of anderszins een belemmering vormen voor het verkeer en de hulpdiensten; en e. slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 50 m² per object; f. er een organisator is; g. de organisator ten minste 10 werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester, met uitzondering van de wielertoertochten als bedoeld in lid 4. 3. De burgemeester kan binnen 5 werkdagen na ontvangst van de melding besluiten een klein evenement te verbieden, als er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 4. Het verbod van het eerste lid geldt niet indien het een wielertoertocht betreft van 101
2
tot en met 250 deelnemers. Voor deze wielertoertochten geldt een meldingsplicht. De melding dient uiterlijk 6 weken voor het plaatsvinden van de wielertoertocht te zijn ingediend bij de burgemeester. 5. De burgemeester kan besluiten het organiseren van een wielertoertochtevenement als bedoeld in het vierde lid te verbieden, indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 6. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994. 7. Het derde lid is niet van toepassing op een krachtens artikel 2:24, tweede lid, aanhef en onder g, aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s. 8. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, aanhef en onder g, weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning van slecht levensgedrag is; 9. Het bestuursorgaan kan nadere regels stellen.
tot en met 250 deelnemers. Voor deze wielertoertochten geldt een meldingsplicht. De melding dient uiterlijk 6 weken voor het plaatsvinden van de wielertoertocht te zijn ingediend bij de burgemeester. 6. De burgemeester kan besluiten het organiseren van een wielertoertochtevenement als bedoeld in het vijfde lid te verbieden, indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 7. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994. 8. Het vierde lid is niet van toepassing op een krachtens artikel 2:24, tweede lid, aanhef en onder g, aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s. 9. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, aanhef en onder h, weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning van slecht levensgedrag is; 10. Het bestuursorgaan kan nadere regels stellen.
Toelichting: Op grond van artikel 2.1 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen is het onder bepaalde omstandigheden verboden om zonder of in afwijking van een gebruiksmelding bij het bevoegd gezag een plaats of gedeelte daarvan in gebruik te nemen of te gebruiken, tenzij daarvoor een evenementenvergunning vereist is in het kader waarvan de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit, overlegd moeten worden. Gemeenten kunnen er dus voor kiezen om in hun APV te bepalen dat bedoelde gegevens bij de aanvraag van een evenementenvergunning overlegd moeten worden. Op grond van artikel 2.1, derde lid, van het Besluit hoeft dan geen afzonderlijke gebruiksmelding meer gedaan te worden. Hiertoe is een tweede lid aan artikel 2:25 van de APV toegevoegd. Dit is eenvoudiger voor de indiener. Artikel 2:27 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:27 lid 1 onder B
Artikel 2:27 lid 1 onder B
Onder horecabedrijf wordt niet verstaan:
Onder horecabedrijf wordt niet verstaan:
•
•
Horecafaciliteiten in een zorginstelling, uitsluitend voor cliënten en bewoners.
Horecafaciliteiten in een zorginstelling.
Toelichting: De definitie is conform Model-APV van de VNG aangepast m.b.t. zorginstellingen.
3
Artikel 2:28a.1, vijfde lid, wordt als volgt gewijzigd: Artikel 2:28a.1 Vergunning, aanhangsel en aanwezigheid leidinggevende
Artikel 2:28a.1 Vergunning, aanhangsel en aanwezigheid leidinggevende
Bestaande tekst
Nieuwe tekst
5. De vergunning en het daarbij horende aanhangsel, of afschriften daarvan, en in voorkomende gevallen een afschrift van de aanvraag, bedoeld in lid 3 onder b en in lid 4 onder b, en de ontvangstbevestiging, of een afschrift daarvan, in de inrichting aanwezig zijn.
5. De vergunning en het daarbij horende aanhangsel, of afschriften daarvan, en in voorkomende gevallen een afschrift van de aanvraag, bedoeld in lid 3 onder b en in lid 4 onder b, en de ontvangstbevestiging, of een afschrift daarvan, behoren in de inrichting aanwezig te zijn.
Toelichting: Deze wijziging is tekstueel van aard. De nieuwe tekst geeft een verplichtend karakter aan de zin, aangezien de vergunning en bijbehorende documenten aanwezig behoren te zijn. Na artikel 2:28d wordt een artikel ingevoegd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst Artikel 2:28e Beëindiging exploitatie Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan.
Toelichting: Het bevoegd bestuursorgaan heeft er belang bij een actueel overzicht te kunnen hebben van de in de gemeente actieve exploitanten. In verband daarmee is bepaald dat, binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, daarvan een kennisgeving moet worden gedaan. Dit is geheel in lijn met de exploitatievergunningplicht voor seksinrichtingen. Na artikel 2:50 wordt een artikel ingevoegd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst Artikel 2:50a Messen en andere voorwerpen als steekwapen 1. Het is verboden op door het college aangewezen openbare plaatsen of in daaraan grenzende voor het publiek openstaande gebouwen of op bij die gebouwen behorende erven messen of andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt, bij zich te hebben. 2. Het verbod geldt niet voor messen of voorwerpen die zodanig zijn ingepakt dat zij niet voor onmiddellijk gebruik gereed zijn. 3. Dit artikel is niet van toepassing voor zover het wapens betreft als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie.
4
Toelichting: Het ‘messenverbod’ (nieuw artikel 2:50a) wordt toegevoegd om aantasting van de openbare orde preventief te voorkomen en de veiligheid te bevorderen. Het wapenbezit in het algemeen en gebruik van steekwapens in het bijzonder is fors toegenomen. Het doel van het artikel is bescherming te bieden tegen mogelijke aantasting van de openbare orde en veiligheid door het bij zich hebben (dragen) van messen en andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt te verbieden. Bestaande tekst Artikel 2:71 Definitie In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in het Vuurwerkbesluit.
Nieuwe tekst Artikel 2:71 Definitie In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan vuurwerk dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.
Carbidschieten: het in een bus, container, opslagvat of vergelijkbaar voorwerp op explosieve wijze verbranden van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen.
Carbidschieten: het in een bus, container, opslagvat of vergelijkbaar voorwerp op explosieve wijze verbranden van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen.
Toelichting: De bestaande tekst van de definitie van consumentenvuurwerk in de APV Sittard-Geleen week af van de tekst van de Model-APV van de VNG. Bij ministeriële regeling op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit wordt bepaald welk vuurwerk aan particulieren beschikbaar mag worden gesteld. De toevoeging van de categorieaanduidingen F1, F2 of F3 in de bestaande tekst van de definitie in de Model-APV is overbodig. De toevoeging omvat een nadere specificering in het Vuurwerkbesluit. De nieuwe tekst van de definitie van consumentenvuurwerk komt overeen met de nieuwe tekst van de definitie in de Model-APV van de VNG. Artikel 2:78 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen in het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een bevel geven zich gedurende ten hoogste 48 uur niet in een
Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen in het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een tijdelijk verbod opleggen om zich gedurende ten hoogste
5
of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie tenminste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste acht weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.
2.
3. Een bevel krachtens het tweede lid kan slechts worden gegeven als het strafbare feit of de openbare orde verstorende handeling binnen zes maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt. 4. De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid gestelde bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel.
3.
4.
5.
6.
48 uur niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie tenminste eenmaal een tijdelijk verbod als bedoeld in dat lid is opgelegd en die opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een tijdelijk verbod opleggen om zich gedurende ten hoogste acht weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. Een tijdelijk verbod krachtens het tweede lid kan slechts worden opgelegd als het strafbare feit of de openbare orde verstorende handeling binnen zes maanden na het opleggen van een eerder tijdelijk verbod, opgelegd op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt. De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid opgelegde tijdelijke verboden, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een tijdelijk verbod. Het is verboden te handelen in strijd met een krachtens het eerste of tweede lid opgelegd tijdelijk verbod.
Indien de officier van justitie een persoon een gedragsaanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 509hh, tweede lid, onderdeel a, van het Wetboek van Strafvordering, legt de burgemeester aan deze persoon voor hetzelfde gebied niet een tijdelijk verbod op als bedoeld in het eerste of tweede lid.
Toelichting: Het betreft juridisch-technische en redactionele wijzigingen (zoals: ‘een bevel geven’ wordt ‘een tijdelijk verbod opleggen’). Conform Model-APV van de VNG zijn ook twee leden aan het artikel toegevoegd. Hiermee wordt het mogelijk om een boete op te leggen aan degene die een gebiedsontzegging overtreedt.
6
Artikel 2:79a APV wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:79a Sluiting voor publiek toegankelijk gebouw, inrichting of ruimte 1. De burgemeester kan de sluiting bevelen van een voor publiek toegankelijk gebouw, inrichting of ruimte als daar: a. is gehandeld in strijd met artikel 1 van de Wet op de kansspelen; b. door misdrijf verkregen zaken voorhanden, bewaard of verborgen zijn dan wel zijn verworven of overgedragen; c. discriminatie heeft plaatsgevonden op grond van ras, geslacht, seksuele gerichtheid of op welke grond dan ook; d. wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn waarvoor geen ontheffing, vergunning of verlof is verleend of e. zich andere feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het geopend blijven van het gebouw, de inrichting of de ruimte ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde. 2. De burgemeester trekt het sluitingsbevel in als naar zijn oordeel de in het eerste lid genoemde belangen voortzetting van de sluiting niet langer vereisen. 3. De burgemeester draagt zorg voor het aanbrengen van het bevel tot sluiting bij de toegang van het gebouw, de inrichting of de ruimte, of in de directe nabijheid daarvan. 4. De rechthebbende laat toe dat een afschrift van het sluitingsbevel wordt aangebracht. 5. Het is verboden een gebouw, inrichting of ruimte te betreden waarvan de sluiting is bevolen. 6.
Het is de rechthebbende verboden zonder toestemming van de burgemeester bezoekers toe te laten of zelf het gebouw, de inrichting of de ruimte te betreden. 7. Het derde, vierde, vijfde en zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing als de burgemeester krachtens artikel 174a van de Gemeentewet of artikel 13b van de Opiumwet heeft besloten tot sluiting van een woning, een lokaal of een bij de woning of dat lokaal behorend erf.
Artikel 2:79a Sluiting voor publiek toegankelijk gebouw, inrichting of ruimte 1. De burgemeester kan de sluiting bevelen van een voor publiek toegankelijk gebouw, inrichting of ruimte als daar: a. is gehandeld in strijd met artikel 1 van de Wet op de kansspelen; b. door misdrijf verkregen zaken voorhanden, bewaard of verborgen zijn dan wel zijn verworven of overgedragen;
2.
3.
4. 5.
6.
7.
7
c. wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn waarvoor geen ontheffing, vergunning of verlof is verleend of d. zich andere feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het geopend blijven van het gebouw, de inrichting of de ruimte ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde. De burgemeester trekt het sluitingsbevel in als naar zijn oordeel de in het eerste lid genoemde belangen voortzetting van de sluiting niet langer vereisen. De burgemeester draagt zorg voor het aanbrengen van het bevel tot sluiting bij de toegang van het gebouw, de inrichting of de ruimte, of in de directe nabijheid daarvan. De rechthebbende laat toe dat een afschrift van het sluitingsbevel wordt aangebracht. Het is verboden een gebouw, inrichting of ruimte te betreden waarvan de sluiting is bevolen. Het is de rechthebbende verboden zonder toestemming van de burgemeester bezoekers toe te laten of zelf het gebouw, de inrichting of de ruimte te betreden. Het derde, vierde, vijfde en zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing als de burgemeester krachtens artikel 174a van de Gemeentewet of artikel 13b van de Opiumwet heeft besloten tot sluiting van een woning, een lokaal of een bij de woning of dat lokaal behorend erf.
Toelichting: De discriminatiegrond (lid 1 sub c) wordt uit het artikel verwijderd naar aanleiding van uitvoerig juridisch onderzoek, waaruit is gebleken dat de discriminatiegrond thans nog onvoldoende basis in jurisprudentie kent om een duidelijk beleidskader op te kunnen vormgeven. De VNG stelt in de Model-APV voor artikel 2:80 met een vergelijkbare strekking op te nemen. Artikel 2:79a uit de APV Sittard-Geleen is echter concreter (beschrijving van gronden) en beter toepasbaar dan de model-bepaling van de VNG. De reeds bestaande bepaling in de APV Sittard-Geleen blijft derhalve gehandhaafd, met dien verstande dat de discriminatiegrond eruit wordt gehaald. De beleidsregels die op grond van dit artikel in concept zijn opgesteld, zullen na wijziging van de APV aan de burgemeester worden voorgelegd ter vaststelling en publicatie. Dit is een logische volgorde, aangezien eerst per APV-wijziging de discriminatiegrond eruit moet worden gehaald, alvorens beleid aan het artikel te koppelen. Op deze wijze sluit het beleid straks direct goed aan bij de vigerende APV-tekst. De artikelen 4:10 t/m 4:12h worden als volgt gewijzigd: Leeswijzer: De rechterkolom “nieuwe tekst” is leidend voor de nummering Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Titel afdeling 3: Het bewaren van houtopstanden
Titel afdeling 3: Activiteiten inzake bomen en houtopstanden
Toelichting: Omvat de afdeling beter n.a.v. de wijzigingen. Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 4:10 Definities
Artikel 4:10 Definities
1.In deze afdeling wordt verstaan onder: a. bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld ingevolge artikel 4.1 Wet natuurbescherming, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;
1.In deze afdeling wordt verstaan onder: a. bebouwingscontour houtkap: De geometrische begrenzing van de bebouwingscontour houtkap als bedoeld in artikelen 11.111 lid 2 onder a Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 5:156b Besluit kwaliteit leefomgeving.
(…) j. woning: het pand waarin de zakelijk gerechtigde woont of is gehuisvest of waarin de aanvrager van een vergunning als bedoeld in artikel 4:11a overeenkomstig het GBA is gehuisvest. Daarmee samenhangend: (…)
j. bomenbeleidsplan: de input voor de wijze waarop de gemeente met bomen omgaat.
k. woning: het pand waarin de zakelijk gerechtigde woont of is gehuisvest of waarin de aanvrager van een vergunning
8
als bedoeld in artikel 4:11a overeenkomstig de BRP is gehuisvest. Daarmee samenhangend: (…)
Toelichting: -
Bebouwde kom Wet natuurbescherming vervalt en wordt bebouwingscontour houtkap. Begrip bomenbeleidsplan toegevoegd onder sub j. Er is voor gekozen om deze definitie onder sub j onder te brengen (in plaats van f, na groenplan), om de wijzigingen binnen het artikel/de leden zo veel mogelijk te beperken. En on om de verwijzingen naar de definities, elders in de APV, zo veel mogelijk te behouden. Deze nieuwe definitie is toegevoegd om te verwijzen naar het bomenbeleidsplan.
Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 4:11 Omgevingsvergunningen voor het vellen van houtopstanden
Artikel 4:11 Doelen
1.Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag houtopstand te vellen of te doen vellen. 2.Het verbod geldt niet voor houtopstanden die op bosbouwkundige of bedrijfseconomische wijze worden geëxploiteerd, tenzij de houtopstand voorkomt op de door het college vastgestelde lijst van waardevolle of beeldbepalende bomen, indien het betreft: a. populieren en wilgen als wegbeplanting en eenrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, tenzij deze zijn geknot; b. vruchtbomen (laagstam) en windschermen om boomgaarden; c. fijnsparren of andere coniferen, niet ouder dan twaalf jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen; d. kweekgoed; e. houtopstand die bij wijze van dunning moet worden geveld; f. houtopstand die deel uitmaakt van als zodanig bij het Bosschap geregistreerde bosbouwondernemingen en niet gelegen is binnen een bebouwde kom tenzij de houtopstand een zelfstandige eenheid vormt die ofwel geen grotere oppervlakte beslaat dan 10 are; ofwel bestaat uit rijbeplanting van niet meer dan 20 bomen, gerekend over het totale aantal rijen. 3.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor: a. een houtopstand in een tuin en erf behorende bij een woning waarbij het oppervlak van het perceel (erf inclusief bebouwing) kleiner dan 2000 m² is, tenzij de
Doelen van deze afdeling inzake bomen en houtopstanden zijn gericht op: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het beschermen van de gezondheid; c. het beschermen van het milieu; d. het duurzaam veiligstellen van de openbare drinkwatervoorziening e. het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden; f. het behoud van cultureel erfgoed inclusief waardevolle landschapselementen; g. de natuurbescherming; h. het tegengaan van klimaatverandering; i. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties; j. het beheer van geobiologische geothermische systemen en ecosystemen; k. het beheer van natuurlijke hulpbronnen; l. het beheer van natuurgebieden; m. het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen; n. de instandhouding van het bos- en landschapsareaal binnen de gemeente; o. de leefbaarheid en aantrekkelijkheid van de woonomgeving.
9
houtopstand voorkomt op de door het college vastgestelde lijst van monumentale en waardevolle bomen; b. bomen in de openbare ruimte, in eigendom van de gemeente en behorende tot de in het kader van het bomenbeleidsplan vastgestelde tertiaire boomstructuur, die in het licht van de uitvoering van een (her)inrichtingsplan of het uitvoeringsplan bomenbeheer na samenspraak met de buurtbewoners dienen te worden gekapt; c. houtopstanden op industrieterreinen van meer dan 1 ha oppervlakte waarvoor het college een groenbeheerplan heeft goedgekeurd, tenzij de houtopstand voorkomt op de door het college vastgestelde lijst van waardevolle of beeldbepalende bomen; d. gemeentelijke bomen in de tertiaire boomstructuur die na toepassing van de criteria ten aanzien van monumentaal en waardevol niet als zodanig in de vastgestelde lijst van waardevolle en monumentale bomen kunnen voorkomen. 4. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt verder niet voor: a. Houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantgezondheidswet of krachtens een aanschrijving of last van het college, zulks onverminderd het bepaalde in artikel 4:12b en 4:12d; b. Het periodiek vellen van hakhout, een houtwal of een beplanting van bosplantsoen ter uitvoering van regulier onderhoud; c. Het periodiek knotten of kandelaberen als cultuurmaatregel bij daarvoor geschikte boomsoorten. d. Het dunnen van houtopstand.
Toelichting: - Het bestaande artikel 4:11 wordt vernummerd naar artikel 4:12 - De doelen zoals vermeld in het nieuwe artikel 4.11, zijn bij voorkeur afgestemd op de omgevingsvisie / groen en bomenbeleid. Tevens worden deze doelen gebruikt om eventuele overtredingen voldoende onderbouwing te geven. Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 4:12 Aanvraag vergunningen
Artikel 4:11a Degene die de regels moet volgen
1.Onverminderd het bepaalde in artikel 7.5 Ministeriële regeling omgevingsrecht kan de vergunning worden aangevraagd door de eigenaar of de zakelijk of publiekgerechtigde tot een houtopstand onder overlegging van een
De regels in deze afdeling moeten worden gevolgd door degene die de activiteit uitvoert of laat uitvoeren, tenzij er iets anders is afgesproken. Deze persoon zorgt
10
volledig groenplan alsmede een overzicht van overige vergunningen nodig voor realisatie van een project. 2.Onverminderd het bepaalde in artikel 7.5 Ministeriële regeling omgevingsrecht kan de vergunning voor het vellen of doen vellen van een houtopstand worden aangevraagd door de overeenkomstig het GBA op het perceel waarop die betreffende houtopstand zich bevindt gehuisveste gebruiker onder overlegging van een akkoordverklaring van de zakelijk gerechtigde alsmede een volledig groenplan en een overzicht van overige vergunningen nodig voor de realisatie van het project. 3.Wanneer door of namens de minister van Economische Zaken (Dienst Regelingen) aan het college een afschrift is toegezonden van de ontvangstbevestiging als bedoeld in artikel 2 van de Boswet, beschouwt het bevoegd gezag dit afschrift mede als een vergunningaanvraag.
ervoor dat de regels over de activiteit worden nageleefd.
Toelichting: - Het oude artikel 4.12 wordt 4:12a. - Dit nieuwe artikel komt voort uit artikel 5.37 lid 1 Omgevingswet dat stelt dat een vergunning geldt voor degene die de activiteit verricht. Bestaande tekst
Nieuwe tekst Artikel 4:11b Wijze van meten De stamomtrek van een houtopstand wordt gemeten op een hoogte van 130 cm vanaf het maaiveld. Bij meerstammigheid wordt de stamomtrek van de dikste stam gemeten.
Toelichting: Deze meetwijze stond ook al in de definitie van boom in artikel 4:10 onder b. boom (definitie) van de oude APV. Het betreft dus een aanvulling op artikel 4:10, sub b.
11
Bestaande tekst
Nieuwe tekst Artikel 4:11c De afstand tot de erfgrens De afstand tot de erfgrens als bedoeld in artikel 5:42, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek is vastgesteld op 0,5 meter voor bomen, gemeten in het midden van de stamvoet van de boom op 0,1 meter boven het maaiveld, en vastgesteld op een nihil afstand voor heesters en heggen. Dit geldt voor bomen, heesters en heggen in privaat eigendom.
Toelichting: Het nieuwe artikel 4:11c, was het oude artikel 4:12c. Bestaande tekst
Nieuwe tekst Artikel 4:11d Zorgplicht Als degene die een activiteit verricht of laat verrichten weet, of redelijkerwijs kan vermoeden, dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de doelen, met het oog waarop de regels in deze afdeling zijn gesteld, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; of c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
Toelichting: De wetsystematiek kent algemene en specifieke zorgplichten. De algemene zorgplicht voor eenieder (burger, bedrijf en overheden) tot zorg voor de leefomgeving en de plicht om negatieve gevolgen van activiteiten voor de leefomgeving te voorkomen staat in artikelen 1.6 en 1.7 Omgevingswet. Deze algemene zorgplichten dienen juridisch aangevuld te worden met specifieke zorgplichten. Handhaving kan bestuursrechtelijk op grond van artikel 18.1 Omgevingswet.
12
Bestaande tekst
Nieuwe tekst Artikel 4:11e Oogmerken De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van de natuur; b. het beschermen van de gezondheid en het tegengaan van klimaatverandering; c. het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden; d. de beeldbepalende waarde van houtopstand; e. de cultuurhistorische waarde van houtopstand f. een kwalitatief goed bomenbestand.
Toelichting: Deze oogmerken zijn bij voorkeur afgestemd op de doelen (artikel 4:11) en uitwerkingen van Omgevingsvisie/bomenbeleid/omgevingsprogramma groen etc. In geval van overtreding leveren deze oogmerken een bijdrage in de onderbouwing hiervan. Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Dit was voorheen artikel 4:11 Omgevingsvergunningen voor het vellen van houtopstanden
Artikel 4:12 Aanwijzing vergunningsplichtige gevallen
(…)
(…)
2.Het verbod geldt niet voor houtopstanden die op bosbouwkundige of bedrijfseconomische wijze worden geëxploiteerd, tenzij de houtopstand voorkomt op de door het college vastgestelde lijst van waardevolle of beeldbepalende bomen, indien het betreft: a. populieren en wilgen als wegbeplanting en eenrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, tenzij deze zijn geknot; b. vruchtbomen (laagstam) en windschermen om boomgaarden; c. fijnsparren of andere coniferen, niet ouder dan twaalf jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen; d. kweekgoed; e. houtopstand die bij wijze van dunning moet worden geveld;
2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor bomen behorend tot houtopstand als bedoeld in artikel 11.111 lid 2 Besluit activiteiten leefomgeving: a. houtopstand die gelegen is buiten de bebouwingscontour, tenzij de houtopstand een zelfstandige eenheid vormt die: 1e. ofwel een oppervlakte beslaat kleiner dan 10 are; 2e. ofwel bestaat uit rijbeplanting van 20 of minder bomen, gerekend over het totale aantal. 3e bomen of erven en in tuinen; b. bomen en houtopstand buiten de bebouwingscontour die zijn aangewezen als gemeentelijk erfgoed (gemeentelijke monument) of deel uitmaken van het waardevolle cultuurlandschap.
13
f. houtopstand die deel uitmaakt van als zodanig bij het Bosschap geregistreerde bosbouwondernemingen en niet gelegen is binnen een bebouwde kom tenzij de houtopstand een zelfstandige eenheid vormt die ofwel geen grotere oppervlakte beslaat dan 10 are; ofwel bestaat uit rijbeplanting van niet meer dan 20 bomen, gerekend over het totale aantal rijen. 3.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor: a. een houtopstand in een tuin en erf behorende bij een woning waarbij het oppervlak van het perceel (erf inclusief bebouwing) kleiner dan 2000 m² is, tenzij de houtopstand voorkomt op de door het college vastgestelde lijst van monumentale en waardevolle bomen; b. bomen in de openbare ruimte, in eigendom van de gemeente en behorende tot de in het kader van het bomenbeleidsplan vastgestelde tertiaire boomstructuur, die in het licht van de uitvoering van een (her)inrichtingsplan of het uitvoeringsplan bomenbeheer na samenspraak met de buurtbewoners dienen te worden gekapt; c. houtopstanden op industrieterreinen van meer dan 1 ha oppervlakte waarvoor het college een groenbeheerplan heeft goedgekeurd, tenzij de houtopstand voorkomt op de door het college vastgestelde lijst van waardevolle of beeldbepalende bomen; d.
gemeentelijke bomen in de tertiaire boomstructuur die na toepassing van de criteria ten aanzien van monumentaal en waardevol niet als zodanig in de vastgestelde lijst van waardevolle en monumentale bomen kunnen voorkomen. 4. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt verder niet voor: a. Houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantgezondheidswet of krachtens een aanschrijving of last van het college, zulks onverminderd het bepaalde in artikel 4:12b en 4:12d; b. Het periodiek vellen van hakhout, een houtwal of een beplanting van bosplantsoen ter uitvoering van regulier onderhoud;
c. een houtopstand in een tuin en erf behorende bij een woning waarbij het oppervlak van het perceel (erf inclusief bebouwing) kleiner dan 2000 m² is, tenzij de houtopstand voorkomt op de door het college vastgestelde lijst van monumentale en waardevolle bomen; d. bomen in de openbare ruimte, in eigendom van de gemeente en behorende tot de in het kader van het bomenbeleidsplan vastgestelde tertiaire boomstructuur, die in het licht van de uitvoering van een (her)inrichtingsplan of het uitvoeringsplan bomenbeheer na samenspraak met de buurtbewoners dienen te worden gekapt; e. houtopstanden op industrieterreinen van meer dan 1 ha oppervlakte waarvoor het college een groenbeheerplan heeft goedgekeurd, tenzij de houtopstand voorkomt op de door het college vastgestelde lijst van waardevolle of beeldbepalende bomen; f. gemeentelijke bomen in de tertiaire boomstructuur die na toepassing van de criteria ten aanzien van monumentaal en waardevol niet als zodanig in de vastgestelde lijst van waardevolle en monumentale bomen kunnen voorkomen. g. Houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantgezondheidswet of vanwege een op grond van artikel 172, tweede lid, van de Gemeentewet of artikel 4, tweede lid, van de Wet veiligheidsregio’s gegeven bevel, zulks onverminderd het bepaalde in artikelen 12 en 13. h.
Het periodiek vellen van hakhout, een houtwal of een beplanting van bosplantsoen ter uitvoering van regulier onderhoud; i. Het periodiek knotten of kandelaberen als cultuurmaatregel bij daarvoor geschikte boomsoorten. j. Het dunnen van houtopstand.
14
Toelichting: - Het nieuwe artikel 4:12 is het oude artikel 4:11. De indeling van het artikel is aangepast met dien verstande dat enkele leden zijn weggehaald en in subonderdelen zijn ondergebracht. Het artikel is in twee leden verdeeld om de leesbaarheid van het artikel te verbeteren. - Dit artikel en genoemde algemene uitzonderingen voor het gehele grondgebied der gemeente berustten op artikel 15 lid 2 Boswet, dat is vervallen en niet overgenomen in de Wet natuurbescherming noch in de Omgevingswet. Nu gelden wel min of meer deze uitzonderingen als specifieke afgrenzing waarover GS en/of Minister bevoegd zijn ten opzichte van gemeentelijke kapverbod o.g.v. art. 11.111 lid 2. Bestaande tekst
Nieuwe tekst
artikel 4:12 Aanvraag vergunning
Artikel 4:12a Aanvraag vergunning
1.Onverminderd het bepaalde in artikel 7.5 Ministeriële regeling omgevingsrecht kan de vergunning worden aangevraagd door de eigenaar of de zakelijk of publiekgerechtigde tot een houtopstand onder overlegging van een volledig groenplan alsmede een overzicht van overige vergunningen nodig voor realisatie van een project. 2.Onverminderd het bepaalde in artikel 7.5 Ministeriële regeling omgevingsrecht kan de vergunning voor het vellen of doen vellen van een houtopstand worden aangevraagd door de overeenkomstig het GBA op het perceel waarop die betreffende houtopstand zich bevindt gehuisveste gebruiker onder overlegging van een akkoordverklaring van de zakelijk gerechtigde alsmede een volledig groenplan en een overzicht van overige vergunningen nodig voor de realisatie van het project. 3.Wanneer door of namens de minister van Economische Zaken (Dienst Regelingen) aan het college een afschrift is toegezonden van de ontvangstbevestiging als bedoeld in artikel 2 van de Boswet, beschouwt het bevoegd gezag dit afschrift mede als een vergunningaanvraag
1. Onverminderd het bepaalde in artikelen 7.3 en 22.299 Omgevingsregeling kan de vergunning worden aangevraagd door de eigenaar of de zakelijk of publiekrechtelijk gerechtigde tot een houtopstand onder overlegging van een volledig groenplan alsmede een overzicht van overige vergunningen nodig voor realisatie van een project. 2. Onverminderd het bepaalde in artikelen 7.35 en 22.299 Omgevingsregeling kan de vergunning voor het vellen of doen vellen van een houtopstand worden aangevraagd door de overeenkomstig de BRP op het perceel waarop die betreffende houtopstand zich bevindt gehuisveste gebruiker onder overlegging van een akkoordverklaring van de zakelijk gerechtigde alsmede een volledig groenplan en een overzicht van overige vergunningen nodig voor de realisatie van het project.
Toelichting: - Het nieuwe artikel 4:12a is het oude artikel 4:12. - Ten aanzien van lid 1 en 2: Wijzing verwijzing volgens relevante en geldende wetgeving. -
Ten aanzien van lid 3: Strikt gesproken vervalt de gemeentelijke bevoegdheid inzake houtopstand als GS/Minister bevoegd is o.g.v. art. 11.111 lid 2 en 5.156b Bkl. Niettemin zou het praktisch zijn als de
15
gemeente mee kan lezen met iedere kapmelding bij GS/Minister en daarover advies aan GS/Minister kan uitbrengen. Bestaande tekst
Nieuwe tekst
artikel 4:12a Weigeringsgronden
Artikel 4:12b Beoordelingscriteria
1.
1.
(…) d.Houtopstand gelegen in een beschermd natuurmonument in de zin van de Wet natuurbescherming, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;
(…) d. Houtopstand gelegen in een Natura 2000 gebied of ander natuurgebied in de zin van Hoofdstuk 11 Besluit activiteiten leefomgeving;
(…)
(…) g. klimaatadaptatie; h. leefbaarheid en gezondheid.
2.Het bevoegd gezag kan bij het weigeren of het onder voorschriften verlenen van een vergunning tevens de boomwaarde als motivering hanteren. Zij verwijst zoveel mogelijk naar gemeentelijke bestemmings-, groen-, bomen- of landschapsplannen en de daarin vermelde in het eerste lid genoemde waarden. 3.Voor houtopstanden voorkomende op de gemeentelijke lijst van monumentale en waardevolle bomen (zie ook artikel 4:12f, eerste lid) wordt in beginsel geen vergunning verleend.
2. Het bevoegd gezag kan bij het weigeren of het onder maatwerkvoorschriften verlenen van een vergunning tevens de boomwaarde als motivering hanteren. Zij verwijst zoveel mogelijk naar gemeentelijke omgevingsvisie en programma’s inzake groen of bomen en de daarin vermelde in het eerste lid genoemde waarden, oogmerken en doelen. 3. Voor houtopstanden voorkomende op de gemeentelijke lijst van monumentale en waardevolle bomen wordt in beginsel geen vergunning verleend.
(…)
(…)
5.Een vergunning kan worden geweigerd indien de aanvrager van de vergunning niet, of niet tijdig, of niet volledig de aanwezigheid heeft gemeld van een monumentale en waardevolle boom of anderszins waardevolle houtopstand aan het bevoegd gezag. 6.Een vergunning kan worden geweigerd indien het ingediende groenplan niet door het bevoegd gezag is goedgekeurd.
5. Een vergunning kan worden geweigerd indien het ingediende herplant plan niet door het bevoegd gezag is goedgekeurd.
16
Toelichting: - Ten aanzien van wijziging titel en toevoeging lid 1, sub g en h: Deze beoordelingscriteria zouden logisch uit de doelen en oogmerken moeten voortvloeien en zoveel mogelijk objectief meetbaar gemaakt mogen worden. - Ten aanzien van wijziging lid 1, sub d: Wijzing verwijzing volgens relevante en geldende wetgeving. - Ten aanzien van wijziging lid 2: zie bovenstaande toelichting. - Ten aanzien van wijziging lid 3: verwijzing is niet meer van toepassing. - Ten aanzien van wijziging lid 5: Dit kan helaas niet meer vanwege het landelijke Omgevingsloket met uniform aanvraagformulier. Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Dit was voorheen artikel 4:12b Bijzondere vergunningsvoorschriften
Artikel 4:12c Maatwerkvoorschriften vergunning
1.Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig een door het bevoegd gezag goedgekeurd groenplan moet worden heringericht. Indien het gemeentelijk beleid of een ander plan de te vellen houtopstand direct of indirect als waardevol omschrijft, wordt, zo veel mogelijk, een herplantplicht opgelegd. 2.Wordt een voorschrift als bedoeld in het eerste lid gegeven, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze nietgeslaagde beplanting moet worden vervangen. 3.Tot aan de vergunning te verbinden voorschriften kunnen aanwijzingen behoren ter bescherming van in en rond de houtopstand voorkomende flora en fauna. 4.Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan behoren het voorschrift dat pas tot vellen mag worden overgegaan indien andere vergunningen of ruimtelijke ordeningsprocedures definitief geworden zijn of de (financiële) voortgang van werken voldoende gewaarborgd zijn. 5.Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan tevens behoren het voorschrift dat ten behoeve van de uitvoering van het bomenbeheersplan aan de gemeente een financiële bijdrage wordt voldaan die gelijk is aan de boomwaarde van de houtopstand welke op grond van de vergunning kan worden geveld.
1.Tot de aan de vergunning te verbinden maatwerkvoorschriften kan behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig een door het bevoegd gezag goedgekeurd groenplan moet worden heringericht. Indien het gemeentelijk beleid of een ander plan de te vellen houtopstand direct of indirect als waardevol omschrijft, wordt, zo veel mogelijk, een herplantplicht opgelegd. 2.Wordt een maatwerkvoorschrift als bedoeld in het eerste lid gegeven, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze nietgeslaagde beplanting moet worden vervangen. 3.Tot aan de vergunning te verbinden maatwerkvoorschriften kunnen aanwijzingen behoren ter bescherming van in en rond de houtopstand voorkomende flora en fauna. 4.Tot de aan de vergunning te verbinden maatwerkvoorschriften kan behoren het voorschrift dat pas tot vellen mag worden overgegaan indien andere vergunningen of ruimtelijke ordeningsprocedures definitief geworden zijn of de (financiële) voortgang van werken voldoende gewaarborgd zijn. 5.Tot de aan de vergunning te verbinden maatwerkvoorschriften kan tevens behoren het voorschrift dat ten behoeve van de uitvoering van het bomenbeheersplan aan de gemeente een financiële bijdrage wordt voldaan die gelijk is aan de boomwaarde van de houtopstand welke op grond van de vergunning kan worden geveld.
17
Toelichting - Het nieuwe artikel 4:12c is het oude artikel 4:12b. - Enkel tekstuele aanpassingen verricht als gevolg van titelwijziging. Bestaande tekst
Nieuwe tekst
artikel 4:12d Herplant/instandhoudingsplicht
4.12d Maatwerkvoorschriften herplant/instandhoudingsplicht
(…)
(…)
Toelichting: - wijziging titel meer omvattend voor het artikel en aansluitend op de overige wijzigingen. Bestaande tekst
Nieuwe tekst
artikel 4:12e schadevergoeding Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende door de toepassing van artikel 4:11, artikel 4:12 of artikel 4:12d, schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te komen en waarvan de vergoeding niet anderszins is verzekerd, kent het bevoegd gezag hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe
Toelichting: - Het oude artikel 4:12 e komt te vervallen. - Dit artikel stond er in vanwege artikel 13 lid 4 Boswet, dat reeds in 2015 vervallen is. Het was een dode letter: werd in de praktijk nooit toegepast noch gebruik van gemaakt. Bestaande tekst
Nieuwe tekst
artikel 4:12f Monumentale en waardevolle bomen
Artikel 4:12e Monumentale en waardevolle bomen
1.Het college kan een lijst van monumentale en waardevolle bomen en houtopstanden vaststellen.
1. Het college kan een lijst van monumentale en waardevolle bomen en houtopstanden vaststellen als mede bomen, houtopstand of landschapselementen aanwijzen als erfgoed of waardevol cultuur landschap.
2.Voor de op de lijst van monumentale en
2. Voor de op de lijst van monumentale en
18
waardevolle bomen en houtopstanden vermeld staande bomen en houtopstanden kan in beginsel geen kapvergunning worden afgegeven, tenzij sprake is van een ernstige bedreiging van de openbare veiligheid, noodtoestand of andere uitzonderlijke situaties.
waardevolle bomen en houtopstanden vermeld staande bomen en houtopstanden kan in beginsel geen vergunning worden afgegeven, tenzij sprake is van een ernstige bedreiging van de openbare veiligheid, noodtoestand of andere uitzonderlijke situaties.
(…)
(…)
Toelichting: - Het nieuwe artikel 4:12e is het oude artikel 4:12f. - De wijzigingen zijn meer omvattend voor het artikel en aansluitend op overige wijzigingen. Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 4:12g Bescherming bomen 1.Het is verboden om houtopstanden die openbaar eigendom zijn: a. te beschadigen, te bekladden of te beplakken; b. daaraan snoeiwerken te verrichten. 2.het is verboden om een of meer voorwerpen in of aan een openbare houtopstand aan te brengen of anderszins te bevestigen, behoudens vergunning van het college Toelichting: - Het oude artikel 4:12g komt te vervallen. - Het artikel heeft geen meerwaarde gezien de algemene zorgplicht in art. 7 hierboven en de algemene zorgplichten van artikelen 1.6 en 1.7 Omgevingswet. In samenhang met artikel 18.1 Omgevingswet. - Ook geldt een algemeen verbod tot het beschadigen van openbaar eigendom, bijvoorbeeld artikel 424 Wetboek van Strafrecht (‘straatschenderij’). Artikel 6:2, eerste lid, onder b en onder c, wordt als volgt gewijzigd: Artikel 6:2 Toezichthouders
Artikel 6:2 Toezichthouders
Bestaande tekst 1.Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast:
Nieuwe tekst 1.Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast:
b. Medewerkers werkzaam als, toezichthouder bij team Handhaving;
b. Medewerkers werkzaam als, toezichthouder bij team Toezicht en Handhaving;
19
c. Medewerkers in dienst van de Regionale Uitvoeringsdienst Zuid-Limburg (RUD);
c. Medewerkers in dienst van de Omgevingsdienst Zuid-Limburg (OD);
Toelichting: Deze wijziging is tekstueel van aard. De nieuwe tekst onder het eerste lid, onderdeel b, sluit beter aan bij de formele benaming van team Toezicht en Handhaving. De wijziging in het eerste lid, onderdeel c, betreft de naamswijziging van de regionale uitvoeringsdienst Zuid-Limburg (RUD). Per 1 juli 2024 heeft deze gemeenschappelijke regeling haar naam gewijzigd naar Omgevingsdienst Zuid-Limburg (OD).
20