CConstaterende datSittard-Geleen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1.1 - Regels Bp Rijstraat 102 Guttecoven - Omgevingsvergunning voor uitvoeren van werken

Raad 24 februari 2022, gemeente Sittard-GeleenBij agendapunt: Bestemmingsplan Rijstraat 102 Guttecoven (Houtakkers)1.993 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Bijlage 1 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Werken en werkzaamheden BODEM 1. Afgraven (verlagen) definitie: i. Het verwijderen van de bovenste bodemlaag/bodemlagen. b. doel: i. Verschraling: verwijderen van bemeste/verzuurde gronden ii. Tegengaan verdroging in verdroginggevoelige gebieden iii. Grondstoffenwinning (humus, zand, klei, leem) iv. Aanleggen van poelen c. effect: i. Verandering bodemprofiel ii. Verkleining afstand maaiveld-grondwater (ontwateringsdiepte) d. Mogelijke gevolgen voor LNC-waarden (Landschap, Natuur en Cultuurhistorische waarden): i. Vernatting ii. Verlies aan waarden in de bodem (archeologische waarden, bodemkundige waarden) iii. Verlies ecologische gradiënt bij slootkanten, poelen, laagtes en overig microreliëf iv. Verlies microreliëf en aardkundige vormen (bv. oude stroomgeulen, holle wegen, steilranden) v. Verlies vegetatiewaarden a.

2. Ophogen definitie: i. Het opbrengen van grond van elders op de bestaande toplaag b. doel: i. Mogelijk maken van bouwactiviteiten door aanvoer van grond van elders ii. Opheffen van maaivelddaling ten gevolge van inklinking iii. Verschraling door aanvoer van grond van elders c. effect: i. Verandering bodemprofiel ii. Vergroting afstand maaiveld-grondwater (ontwateringsdiepte) d. Mogelijke gevolgen voor LNC-waarden: i. Verdroging ii. Verschraling iii. Verlies microreliëf en aardkundige vormen (bv. oude stroomgeulen, steilranden) iv. Verlies vegetatiewaarden v. Verlies aan bodemleven a.

3. Vergraven a. definitie: i. Het verwijderen van een of meerdere bodemlagen en het daarna weer opbrengen van grond, bestaand uit de oorspronkelijke toplaag en/of grond van elders. b. doel: i. Het graven en opvullen van drainagesystemen en andere sleuven en kuilen c. effect: i. Verandering bodemprofiel ii. Verandering waterhuishouding in de bodem d. Mogelijke gevolgen voor LNC-waarden: i. Verschraling ii. Verandering hydrologische situatie iii. Verlies aan waarden in de bodem (archeologische waarden, bodemkundige waarden) iv. Verlies microreliëf en aardkundige vormen (bv. oude stroomgeulen, steilranden) v. Verlies vegetatiewaarden vi. Verlies aan bodemleven

4. Diepploegen en -woelen a. definitie: i. Het vermengen, keren van (alle) lagen in het bodemprofiel, eventueel tot in de diepere ondergrond. (Eenmalige ingreep met blijvend effect) b. doel: i. Verbetering bodemprofiel voor agrarisch gebruik ii. Vergroten bewortelingsdiepte iii. Vergroten berijdbaarheid iv. Verschraling v. Mengen van kleigrond met onderliggend zand c. effect: i. Homogenisatie van de bodem ii. Vernietiging bodemprofiel iii. Verandering waterhuishouding bodem d. Mogelijke gevolgen voor LNC-waarden: i. Drastische wijziging bodem en daarmee groeiplaatscondities, leefomgeving bodemdieren etc. ii. Verschraling iii. Verandering hydrologische situatie; in gebieden met stagnerend grondwater kan doorbreking van een ondoorlatende laag in de bodem leiden tot verdroging omgeving en leeglopen vennen. iv. Verlies aan waarden in de bodem (archeologische waarden, bodemkundige waarden) v. Verlies microreliëf vi. Verlies vegetatiewaarden vii. Verlies aan bodemleven

5. Egaliseren a. definitie: i. Het verwijderen van het microreliëf in de toplaag (feitelijk een combinatie van ophogen en afgraven) b. doel: i. Wateroverlast en droogtegevoeligheid binnen agrarisch perceel tegengaan ii. Verbetering van de bewerkbaarheid voor agrarisch gebruik iii. Opheffen niveauverschillen die het effect zijn van inklinking c. effect: i. Afvlakken van reliëf ii. Verandering waterhuishouding bodem d. Mogelijke gevolgen voor LNC-waarden: i. Verandering hydrologische situatie ii. Verlies aan waarden in de bodem (archeologische waarden, bodemkundige waarden) iii. Verlies aan biotopen van microreliëf (bermen, hellinkjes, gradiënten hoog-laag

6. Indrijven van voorwerpen in de grond a. definitie: i. Diep in de grond indrijven van heipalen of andere voorwerpen b. doel: i. Dragers voor bouwwerken aanbrengen, damwanden plaatsen c. effect: i. Bouwen op slappe bodem is mogelijk, afschermen van delen van de bodem ii. Ondergrondse leidingen kunnen beschadigd worden d. Mogelijke gevolgen voor LNC-waarden: i. doorbreken ondoorlatende bodemlagen en daarmee verstoring van de (grond)waterhuishouding

WATERHUISHOUDING 7. Aanleg drainagestelsel a. definitie: i. Het aanbrengen van drainagebuizen in de grond, in het algemeen op een diepte van 80-110 cm -mv. b. doel: i. (Versterken) ontwatering van een of meerdere percelen c. effect: i. Lokale verlaging grondwaterstand -> perceel wordt droger d. Mogelijke gevolgen voor LNC-waarden: i. Verlies aan waarden in de bodem (archeologische waarden) ii. Verdroging -> verzuring iii. Verlies aan natte levensgemeenschappen

8. Aanbrengen onderbemaling a. definitie: i. Bemalen van een of meerdere percelen, waardoor de grondwaterspiegel er lager staat dan in het omringende gebied. b. doel: i. Vergroten afstand maaiveld-grondwaterspiegel, droger maken perceel c. effect: i. Verlaging grondwaterstand -> perceel wordt droger ii. Aantrekken grondwater uit de omgeving -> omgeving wordt droger d. Mogelijke gevolgen voor LNC-waarden: i. Verlies aan natte levensgemeenschappen ii. Inklinking veenbodem (onomkeerbaar) iii. Verdroging -> verzuring

9. Aanleggen van dammen a. definitie: i. Aanbrengen van een permanent, stuwend obstakel over de gehele breedte van een watergang. Hoogte zodanig dat waterloop ten dele of volledig geblokkeerd wordt. b. doel: i. Vasthouden water in een gebied (door verkleinen debiet) ii. Verminderen stroomsnelheid iii. Afsluiten waterloop iv. Afwatering gebied in andere richting dwingen c. effect: i. Afname dynamiek in de waterloop ii. Alleen bij natuurlijke waterloop: afname variatie in oever en waterloop iii. Afname stroomsnelheid iv. Isolatie waterloop t.o.v. het stelsel van waterlopen d. Mogelijke gevolgen voor LNC-waarden: i. Verlies aan levensgemeenschappen van stromend water ii. Verlies variatie in biotopen in waterloop en oever -> verlies aan diversiteit

iii. Verlies natuurlijke karakter van waterloop (landschappelijk aspect) iv. Vernatting v. Verminderen verdroging

10. Aanbrengen van stuwen a. definitie: i. Aanbrengen van een stuwend obstakel waarvan de werking tijdelijk geheel of gedeeltelijk opgeheven kan worden. b. doel: i. Verminderen stroomsnelheid ii. Vasthouden water in een gebied (verkleinen debiet) c. effect: i. Vermindering dynamiek in waterloop ii. Alleen bij natuurlijke waterloop: afname variatie in oever en waterloop iii. Sterk wisselende stroomsnelheid d. Mogelijke gevolgen voor LNC-waarden: i. Verlies aan levensgemeenschappen van stromend water ii. Wegspoelen levensgemeenschappen bij openen stuw iii. Verlies aan variatie in biotopen in waterloop en oever -> verlies aan diversiteit iv. Verdwijnen natuurlijke karakter van waterloop (landschappelijk aspect) v. Vernatting vi. Verminderen verdroging

11. Aanleggen, verbreden of verbeteren van sloten en greppels a. definitie: i. Aanleggen van sloten of greppels, verbreden en/of uitdiepen van bestaande sloten en greppels. b. doel: i. Verbeteren ontwatering agrarische gronden. c. effect: i. Verkleining afstand maaiveld-grondwaterspiegel (ontwateringsdiepte) ii. Vergroten oppervlakkige afstroming neerslagwater iii. Droger worden omgeving iv. Verlies aan levensgemeenschappen van slootkanten door steiler worden talud d. Mogelijke gevolgen voor LNC-waarden: i. Aantrekken kwelstromen in nieuwe of uitgediepte sloten -> voor natuur waardevol kwelwater wordt afgevoerd en bereikt maaiveld niet ii. Verdroging omgeving -> verlies aan natte biotopen, verzuring iii. Tijdelijke en blijvende schade aan levensgemeenschappen van sloten en slootkanten iv. Toename extremen in waterafvoer -> moeilijker bestaan voor levensgemeenschappen van sloten en slootkanten v. Verlies aan waterplanten (door schonen en door verandering in waterafvoer en beekprofiel)-> verbraseming; slechtere waterkwaliteit vi. Verandering percelering (landschappelijk/cultuurhistorisch aspect) vii. Verandering karakter sloten en greppels (landschappelijk aspect)

12. Dempen sloten en greppels a. definitie: i. Dichten van sloten of greppels met van elders aangevoerde grond b. doel: i. Verkleinen waterafvoer van agrarische gronden ii. Wijzigen perceelsindeling c. effect: i. Natter worden van omliggende gebied ii. Afname totale slootlengte d. Mogelijke gevolgen voor LNC-waarden: i. Verlies aan biotopen voor levensgemeenschappen van sloten, slootkanten ii. Verdwijnen verbindingszone voor planten en dieren iii. Vernatting omgeving iv. Verandering kavelpatroon

13. Dempen van kleine geïsoleerde wateren a. definitie: i. Dichten van kleine wateren (poelen, vennen, wielen, afgesneden meanders) met van elders aangevoerde grond b. doel: i. Egaliseren agrarisch perceel ii. Vergroting oppervlak agrarisch bruikbare grond iii. Efficiëntere bewerking agrarische grond mogelijk maken c. effect: i. Verlies aan kleine wateren ii. Egalisatie landschap iii. Toename kwel in directe omgeving d. Mogelijke gevolgen voor LNC-waarden: i. Verlies aan biotopen voor levensgemeenschappen van poelen, vennen, oevers ii. Verlies aan voortplantingsplaatsen voor amfibieën iii. Vernatting directe omgeving

14. Aanbrengen oeverbeschoeiing: a. definitie: i. Het aanbrengen van houten of betonnen versteviging op of voor een oever b. doel: i. Tegengaan van wegslaan van de oevers door waterstroming of golfslag c. effect: i. Stabilisatie oevers (plaats en vorm) ii. Verloren gaan natuurlijke oever iii. Onderbreking gradiënt nat-droog iv. Oever wordt hoger en steiler (90° t.o.v. wateroppervlak)

d. Mogelijke gevolgen voor LNC-waarden: i. Oevers worden niet-passeerbare barrières voor veel diersoorten (o.a. das, egel, kikker), en kosten daardoor dierenlevens ii. Verdwijnen of aantasting van groeiplaats voor oevervegetaties iii. Verdwijnen natuurlijke oevers en variatie daarin (bv. nestgelegenheid voor ijsvogels).

BEPLANTINGEN 15. Rooien van houtgewas a. definitie: i. Het verwijderen van bomen en/of struiken (solitairen of in de vorm van bos, houtsingels, houtwallen) b. doel: i. Verwijderen van ziek plantmateriaal ii. Onderhoud - uitdunning iii. Hinder voor agrarische bedrijfsvoering verminderen c. effect: i. Grotere openheid landschap ii. Verlies aan beschutting, schaduw d. Mogelijke gevolgen voor LNC-waarden: i. Verlies aan biotopen voor levensgemeenschappen van struweel, houtwallen, bos ii. Verlies aan oriëntatiepunten en -lijnen voor veel diersoorten (o.a. vlinders, vleermuizen, marterachtigen) iii. Verlies aan slaap/schuilplaatsen, nestgelegenheid, dekking tegen weersomstandigheden iv. Grotere openheid, betekent soms toename leefgebied weidevogels v. Verlies aan landschapselementen (landschappelijk, cultuurhistorisch aspect)

16. Aanplanten van houtgewas (uitgezonderd: boomteelt) a. definitie: i. Het planten van bomen en/of struiken b. doel: i. Vergroten natuurwaarden, landschappelijke kwaliteit ii. Houtproductie iii. Bescherming tegen wind c. effect: i. Verminderen openheid landschap ii. Toename houtgewas/landschapselementen iii. Meer beschutting, schaduw d. Mogelijke gevolgen voor LNC-waarden: i. Toename biotopen voor levensgemeenschappen van struweel, houtwallen, bos e.d. ii. Nieuwe oriëntatiepunten en -lijnen voor veel diersoorten iii. Beschutting voor planten en dieren iv. Minder openheid, kan verlies betekenen voor leefgebied weidevogels v. Ander landschapsbeeld

17. Omzetten van grasland in bouwland of sierteeltgrond a. definitie: i. Verwijderen gras en aanplanten of inzaaien van andere gewassen b. doel: i. Gebruik grond voor de teelt van gewassen voor voedselproductie of productie van diervoeders c. effect: i. Grasland verdwijnt, perceel krijgt andere functie d. Mogelijke gevolgen voor LNC-waarden: i. Verlies aan graslandvegetaties en bijbehorende fauna ii. Fourageerplaats voor enkele diersoorten gaat verloren (o.a. das) iii. Verkleining areaal weidevogelgebied

18. Omzetten van grasland in boomkwekerij a. definitie: i. Verwijderen gras en aanplanten van gewassen of jonge bomen, die permanent een bepaalde hoogte (soms meer dan 1m) hebben b. doel: i. Gebruik grond voor het opkweken van sierteelten of bomen c. effect: i. Grasland verdwijnt, perceel krijgt functie van sierteeltrond of boomkwekerij d. Mogelijke gevolgen voor LNC-waarden: i. Verloren gaan van graslandvegetaties en bijbehorende fauna ii. Fourageerplaats voor enkele diersoorten verdwijnt (o.a. das) iii. Verkleining areaal weidevogelgebied iv. Verandering landschapsbeeld (openheid gaat verloren)

19. Omschakeling van bouwland naar boomteelt a. definitie: i. Het aanplanten van gewassen of jonge bomen, die permanent een bepaalde hoogte (soms meer dan 1m) hebben b. doel: i. Gebruik grond voor het opkweken van sierteelten of bomen c. effect: i. Akkerbouwgrond verdwijnt, perceel krijgt functie van sierteeltrond of boomkwekerij d. Mogelijke gevolgen voor LNC-waarden: i. Verloren gaan van biotoop voor soorten / Fourageerplaats, die (deels) afhankelijk zijn van akkerbouwgronden ii. Verandering landschapsbeeld (openheid gaat verloren)

INFRASTRUCTUUR EN ONTSLUITING 20. Aanbrengen van verhardingen a. definitie: i. Het bestraten of asfalteren van de bodem b. doel: i. Tegengaan vervuiling bodem en grondwater (bv. door aanleg mestplaat, ondergrond voor containerteelt) ii. Aanleggen ontsluitingspad in weilanden of akkers iii. Aanleggen van langzaam verkeer routes of parkeerplaatsen ten behoeve van recreatief medegebruik c. effect: i. Afsluiting bodem ii. Oppervlakkige afvoer neerslag (met evt. verontreiniging) naar randen verharding d. Mogelijke gevolgen voor LNC-waarden: i. Biotoop voor soorten die in de bodem leven gaat verloren ii. Verharding is barrière voor kleine diersoorten (o.a. muizen, amfibieën, insecten) iii. Vermindering infiltratie kan groeiplaats vegetatie in de directe omgeving beïnvloeden iv. Archeologisch interessante bodem wordt ontoegankelijk v. Verstening buitengebied

21. Aanbrengen van ondergrondse leidingen a. definitie: i. Vergraven en eventueel plaatselijk rooien van houtgewas b. doel: i. Leggen van diverse leidingen c. effect: i. als bij vergraven en rooien houtgewas d. Mogelijke gevolgen voor LNC-waarden: i. Als bij vergraven en rooien houtgewas

22. Wijzigen perceelsindeling a. definitie: i. Verwijderen bestaande perceelsgrenzen en/of aanbrengen nieuwe perceelsgrenzen (sloten, afrasteringen, hagen, houtwallen) b. doel: i. Efficiënter gebruik van agrarische grond mogelijk maken, veldsituatie aanpassen aan eigendomssituatie c. effect: i. Verdwijnen van perceelsgrenzen ii. Nieuwe perceelsgrenzen d. Mogelijke gevolgen voor LNC-waarden: i. het verkavelingspatroon verandert

ii. patroon van watergangen verandert iii. schaalvergroting/schaalverkleining iv. verdwijnen/toevoegen verbindingswegen (perceelsranden) en oriëntatielijnen voor sommige diersoorten

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=SittardGeleen&id=23c3c3ce-71c2-4c65-9c29-2e4c36eaf7bc