Begrippenkader bij presentatie
Tekst van het document
Een aantal aspecten uitgelegd 1.
Begrippenlijst
Asielmigrant/ statushouder Asielzoekers die als vluchteling worden erkend krijgen een vluchtelingenstatus. Zij worden ook wel statushouder of vergunninghouder genoemd. Statushouders zijn gelijkgesteld aan Nederlanders en mogen een opleiding volgen of werken in Nederland. Nareizigers Dit zijn gezinsleden van een statushouder die later nareizen. Bij aankomst in Nederland ontvangen zij gelijk een verblijfsvergunning. Gezinsmigrant Een gezinsmigrant is iemand met een Nederlandse partner, ouder of kind. Meestal gaat het om een partner. Een gezinsmigrant haalt in het land van herkomst al een basis in inburgering. Daar moet iemand aantonen dat hij/ zij taalniveau A1 heeft behaald en basiskennis heeft van de Nederlandse maatschappij. Overige migranten Dit zijn bijvoorbeeld geestelijken en vreemdelingen met een verblijfsvergunning voor een niet-tijdelijk humanitair verblijfsdoel. Leerroutes - De B1-route Deze route duurt maximaal drie jaar en wordt afgesloten met een centraal examen. De norm voor inburgering is B1, deze route kan echter ook op A2-niveau worden afgerond. Na afronding beschikt de inburgeraar over een inburgeringsdiploma. - De onderwijsroute Deze route duurt anderhalf jaar en wordt afgesloten met een centraal examen op minimaal B1-niveau. Na afronding beschikt de inburgeraar over een inburgeringsdiploma.
Het doel is doorstroom naar regulier onderwijs op minimaal MBO-2 niveau. - De zelfredzaamheidsroute (Z-route) Deze route duurt maximaal drie jaar en wordt afgesloten met een eindgesprek bij de gemeente. Verondersteld wordt dat het merendeel van de cursisten maximaal A1-niveau behaalt. Binnen deze route geldt een urenverplichting van 800 uur taal en 800 uur participatie. Na afronding beschikt de inburgeraar over een inburgeringscertificaat. In het individuele geval kan deelname een aantal examenonderdelen worden geregeld. 2. De wettelijke taken voor gemeenten onder de Wet inburgering 2021 1. Brede intake + Plan inburgering en Participatie (PIP) 2. Maatschappelijke begeleiding 3. Financieel ontzorgen 4. Taal en Participatie 5. Voortgang en handhaving 6. Module arbeidsparticipatie (MAP) 7. Participatieverklaringstraject (PVT) 8. Monitoring
3. Inburgeringsplichtig of niet?
4. Taalniveaus Het taalniveau beschrijft een Europese schaal van 6 niveaus voor de beheersing van de diverse vaardigheden: spreken, schrijven, luisteren & lezen. Er zijn 3 niveaus (A, B, C) en deze zijn ieder onderverdeeld in 2 sub niveaus: A Basisgebruiker (starter) A1: vergelijkbaar met onderbouw basisschool A2: vergelijkbaar met groep 6 basisschool (qua grammatica – qua woordenschat is er een substantieel verschil en is gespreksvoering nog moeizaam) B Zelfstandige gebruiker (gevorderd) B1: vergelijkbaar met einde VMBO en MBO 1,2,3 B2: vergelijkbaar met einde MBO4 of HAVO C Vaardige gebruiker (vergevorderd) C1: vergelijkbaar met einde VWO C2: vergelijkbaar met einde HBO/WO