CConstaterende datSittard-Geleen
Koppel je AI →
Document · PDF

Beantwoording technische vragen PVV raadsronde

Raad 24 juni 2021, gemeente Sittard-GeleenBij agendapunt: Bestemmingsplan en Exploitatieplan unilocatie Grevenbicht-Obbicht (Meekels) (57)2.997 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Vragen van de PVV en Antwoorden

Vraag 1. Uit de grondeigenarenkaart blijkt dat er een flink aantal verschillende eigenaren zijn, waarvan de grond die nodig is nog verworven moet worden. In de stukken schrijft u dat er met sommigen al overeenstemming is, of wordt verwacht. Kunt u concrete aantallen hierbij vermelden? Mijn vraag is verder of uw college nu al signalen heeft van 1 of meerdere eigenaren die pertinent niet willen verkopen, en wat de redenen hiervoor zijn? Antwoord In totaal zijn er acht grondeigenaren. Eén van de grondeigenaren heeft de koopovereenkomst getekend, met één grondeigenaar is overeenstemming over ruilgronden en is de koopovereenkomst voor de ruilgronden getekend, met één grondeigenaar is een principeakkoord bereikt en is de overeenkomst ter ondertekening opgesteld, met één grondeigenaar is een principeakkoord bereikt over ruilgronden maar de overeenkomst voor deze ruilgronden moet nog vastgesteld worden. Met de andere vier eigenaren wordt het minnelijk overleg voortgezet. Hoewel wij niet kunnen aangeven of er eigenaren zijn die pertinent niet willen verkopen kunnen wij uit de tot heden gevoerde gesprekken afleiden dat de eigenaren niet afwijzend reageren. Vraag 2.

Zo ja, als er eigenaren zijn die “moeilijk doen” (lees: hun eigendomsrecht beschermen), zegt het college dan nu al met 100% zekerheid dat u het eigendom met zekerheid zult gaan onteigenen in die gevallen? In hoeverre zal een onteigeningsprocedure leiden tot vertraging in de projectplanning (concreet graag)? Gaat u zo ver om ook alle bestaande bouwwerken en (hoogstam)bomen op het terrein te slopen om plaats te maken voor dit megaproject? Antwoord Zie ook het antwoord op vraag 1. Omdat alle gronden binnen het plangebied nodig zijn om de Unilocatie te realiseren zal, indien dit het geval mocht worden, tot een verzoek tot onteigening worden overgegaan. Een eventuele onteigeningsprocedure zal (gedeeltelijk) samenvallen met de bouwvoorbereidingswerkzaamheden. Op dit moment kunnen wij niet aangeven of dit tot een daadwerkelijke vertraging zal leiden. Voor de realisatie is het noodzakelijk dat de opstallen en bomen op het terrein verwijderd worden. Vraag 3. Als u nu al aangeeft sowieso te zullen gaan onteigenen, waarom zouden eigenaren dan op voorhand bereidwillig zijn uw prijs te accepteren, als de gedachte leeft dat bij onteigening, dus tegen hun wil in, doorgaans een hogere prijs verschuldigd zal zijn? Antwoord De taxaties zijn gebaseerd op volledige schadeloosstelling waarbij de taxateur is uitgegaan van de volgende grondslagen: 1.

Gronden die ten tijde van de vaststelling van het exploitatieplan door de gemeente zijn aangekocht en op onteigeningsbasis zijn of worden verworven; 2. Gronden die ten tijde van de vaststelling van het exploitatieplan niet door de gemeente zijn aangekocht en waarvoor een verzoekbesluit tot onteigening wordt genomen. De grondprijs wordt dus bij een onteigening niet door de gemeente verhoogd.

1

Vraag 4. In uw raadsvoorstel schrijft u dat het exploitatieplan “een rol van enige betekenis zal gaan spelen in het onteigeningsproces”. Kunt u aangeven wat u hier precies mee bedoelt, aangezien een exploitatieplan nooit een zelfstandige grondslag voor een onteigeningsbesluit kan zijn (artikel 77 Onteigeningswet)? Antwoord In het raadsvoorstel is vermeld dat het exploitatieplan voor de gemeente een aanzet en argumentatie kan vormen om een onteigeningsprocedure te starten. Zoals ook in het raadsvoorstel vermeld, geeft de onteigeningswet namelijk aan dat een onteigening kan plaatsvinden ‘ten behoeve van de uitvoering van’ (in dezen de Unilocatie). Het exploitatieplan omschrijft vervolgens op welke wijze de gemeente het ruimtelijk besluit wil uitvoeren. Dus ook grondeigenaren zijn gehouden om het ruimtelijk besluit uit te voeren. Vraag 5. Denkt u in een eventuele onteigeningzaak te kunnen aantonen te voldoen aan de ladder voor duurzame verstedelijking, en dat dit aspect nog meeweegt voor de rechter, nu u immers zelf schrijft (op pagina 9 van de NvZ) dat in het bebouwde gebied wel degelijk voldoende plek is voor deze ontwikkeling? Heeft u definitief en juridisch sluitend vastliggen dat dit plan voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking? Is de Provincie akkoord? Zo nee, vormt dit dan een potentiële belemmering voor het hele project kijkend naar deze voorwaarde in o.a.

artikel 3.1.6 lid 2 Bro? Antwoord Een plan voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking als het ruimtelijk besluit goed is gemotiveerd. Het college meent dat het plan voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking en dat het ruimtelijke besluit de rechterlijke toets kan doorstaan. De provincie heeft naar aanleiding van het ontwerp van het bestemmingsplan als volgt gereageerd: “Het plan is beoordeeld op de adequate doorwerking van de provinciale belangen. Het overleg over het planvoornemen op grond van artikel 3.1.1 Bro, heeft geleid tot een aantal opmerkingen onzerzijds. Die opmerkingen zijn in het plan meegenomen. Middels een separaat bericht vragen wij nog uw aandacht voor een aantal kansen. Wij zien geen aanleiding om ten aanzien van het plan een zienswijze in te dienen.” De conclusie is dat de provincie akkoord is. Vraag 6. Waarom vind u dat het eigendom van maar liefst 10 van onze inwoners (de grondeigenaren) mag worden opgeofferd voor dit prestigeproject? Wat doet u als de beoogde verwerving niet haalbaar bljikt te zijn? Antwoord Voor de realisatie van de Unilocatie zijn de (gedeeltelijke) percelen nodig van acht eigenaren.

Zoals onder vraag 3 beantwoord zijn de biedingen van de gemeente gebaseerd op volledige schadeloosstelling waarbij het uitgangspunt is gehanteerd dat de verkopende (te onteigenen) partij in de nieuwe situatie in een gelijkwaardige positie wordt gebracht. Zie ook beantwoording op vraag 2.

2

Vraag 7 U schrijft in het raadsvoorstel op pagina 5: “het schetsontwerp is in overleg met de directbetrokkenen tot stand gekomen”. a. Heeft Stichting Behoud Groen Middengebied actief en structureel deelgenomen aan de overlegmomenten, wat was hierbij hun inbreng en op welke wijze heeft u dit concreet verwerkt in het projectplan? Antwoord De Stichting Behoud Groen Middengebied is structureel geïnformeerd over de diverse processtappen in de planontwikkeling en heeft ook regelmatig gebruik gemaakt van de geboden inspraakmogelijkheden. De Stichting heeft zich op het standpunt gesteld dat de realisatie van de unilocatie niet zou moeten plaatsvinden in het middengebied omdat deze ontwikkeling ook zou kunnen worden gerealiseerd binnen de kernen, bijvoorbeeld op de bestaande onderwijs- en sportlocaties. Mede op vraag van de Stichting is in het plan rekening zoveel mogelijk rekening gehouden met het behoud van de openheid in het landschap tussen de kernen Grevenbicht en Obbicht. b. Welke wijzigingen heeft de input vanuit deze Stichting precies teweeg gebracht in het nu voorliggende plan? Antwoord De input van de Stichting heeft ertoe geleid dat de bebouwing - met name de school, gymzaal, kantine- en kleedaccommodatie - wordt gesitueerd aansluitend op de reeds bestaande bebouwing aan de Frankenstraat. c.

Bent u van mening dat er sprake is van draagvlak bij deze Stichting voor het voorliggende plan? Antwoord Zoals hiervoor aangegeven is de Stichting Behoud Groen Middengebied van mening dat realisatie van de unilocatie op de daarvoor voorziene locatie in het middengebied tussen Grevenbicht en Obbicht onnodig is omdat deze ook elders kan worden gerealiseerd. Daarnaast stelt de Stichting dat realisatie van de unilocatie onwenselijk is omdat dit ten koste gaat van bestaande natuur. Op basis hiervan moet worden geconcludeerd dat er bij de Stichting geen draagvlak is voor het voorliggende plan. Vraag 8. U schrijft in de Nota van Zienswijzen op pagina 2: “Dat diverse voor- en tegenstanders op allerlei manieren hun invloed hebben proberen uit te oefenen, is het democratisch proces ten goede gekomen”. De stichting Laefbaar Obbeeg en Beeg is opgericht op een moment vlak nadat de plannen voor een unilocatie concreet gestalte kregen. In de Ronde van 22 juni 2020 is aangegeven dat een (commissie)lid vanuit één van de politieke raadsfracties mede-oprichter is van die stichting.

PVV stelt aan uw college de vraag of u het een goede zaak vindt dat door een fractielid speciaal een stichting is opgericht met als doel vanuit die stichting invloed uit te oefenen op dit besluitvormingsproces? Hoe kunt u van mening zijn dat een dergelijke verwevenheid tussen actieve politieke deelname enerzijds en profilering middels een maatschappelijke organisatie anderzijds het democratisch proces ten goede komt? Antwoord Het college juicht het toe dat leden van politieke partijen (raadsleden, burgerraadsleden, fractieleden of andere leden) deelnemen aan het maatschappelijk leven in Sittard-Geleen. De gang van zaken zoals in deze vraag weergegeven, is overigens niet correct. De stichting Laefbaar Obbeeg en Beeg heeft tot doelstelling om de leefbaarheid te behouden in de vier kerkdorpen Obbicht, Grevenbicht, Papenhoven en Schipperskerk. Daarbij gaat het om een

3

veilige leefomgeving met faciliteiten die voldoen aan de eisen van de huidige tijd en het behoud van het bruisend verenigingsleven. De Centrale Onderwijs- en Sportvoorziening is daar in de ogen van de Stichting Laefbaar Obbeeg en Beeg een middel toe. Vraag 9. Zienswijze 1.1. trekt in twijfel dat er straks nog genoeg gebruikers en leerlingen zullen zijn voor de unilocatie. In uw antwoord gaat u helemaal niet in op die stelling. Kunt u aangeven waarom u zo’n ruime bouwmassa gaat creëren op de unilocatie terwijl het aantal leerlingen en sporters bij verenigingen een neerwaartse tendens laat zien? Die prognoses nopen toch juist tot een meer terughoudend en meer realistisch ontwerp, waarbij nieuwbouw ook in een van de dorpskernen gerealiseerd kan worden ipv zo grootschalig in het buitengebied? Kunt u alsnog concreet ingaan op deze kengetallen? Antwoord De omvang van de school wordt afgestemd op het aantal leerlingen en de prognose van dat aantal. Dat kan betekenen dat niet het gehele bouwvlak gebruikt hoeft te worden. Voor de leerlingenprognoses verwijst het college naar bijlagen 15 en 17, waarin die prognoses zijn opgenomen. De omvang van de sportaccommodatie is gebaseerd op de kengetallen zoals die door de sportbonden worden gehanteerd. Voor de ontwikkeling van de ledenaantallen verwijst het college naar de bijlagen 16 en 18.

Hieruit blijkt dat met name het aantal leden van de voetbalvereniging nauwelijks afneemt. Bovendien zullen de beide verenigingen gebruik maken van hetzelfde clubgebouw waardoor het ruimtebeslag beperkt blijft. Vraag 10. In zienswijze nummer 1.2 schrijft het college de opmerking van indiener weg die handelt over de flinke toename aan geluid die ontstaat vanwege de markering als evenemententerrein en de diverse nieuwe functies in het weiland naast diens woning. Kan het college enige empathie opbrengen voor het gegeven dat deze inwoners zelf niet gevraagd hebben om in hun achtertuin geconfronteerd te worden met een multifunctioneel maatschappelijk gebouw? Is er geen enkele wijze waarop het college tegemoet kan komen aan deze inwoners, zonder alleen maar de standaardriedel te noemen dat “bij de woning van indiener wordt voldaan aan de grenswaarden voor het maximale geluidniveau”, dat daardoor “de belangen van indiener niet worden geschaad en het woongenot niet onevenredig wordt aangetast”? Zijn bijvoorbeeld mogelijkheden onderzocht van een geluidwal, verdiepte ligging, scherm of geluiddempende vegetatie? De woning die het hier betreft, ligt niet naast maar op ca. 230 meter van de geprojecteerde unilocatie. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat ruimschoots wordt voldaan aan de geluidsnorm. Evenementen zijn op grond van het vast te stellen bestemmingsplan niet toegestaan.

Ook de gebouwen krijgen geen bestemming die multifunctioneel maatschappelijke gebruik toe staan. Het college acht de genoemde maatregelen, mede gezien de andere belangen, om bovenstaande redenen niet noodzakelijk en evenmin wenselijk. Vraag 11. In uw antwoord op zienswijze 2.1 schrijft u dat aan de ladder voor duurzame verstedelijking zal worden voldaan. U stelt namelijk dat een integraal sport- en onderwijsconcept noodzakelijk is, en dat hiervoor binnen de kernen Grevenbicht en Obbicht geschikte locaties ontbreken. Echter schrijft u even verderop op pagina 9 dat de huidige sportlocatie in Obbicht groot genoeg is om de onderwijs- en sportvoorzieningen te huisvesten. U acht die plek ongeschikt omdat deze deels grenst aan de natuur. Kan het niet juist een meerwaarde zijn dat kinderen dichter bij de natuur en bij de dorpskern onderwijs krijgen? In plaats van langs een drukke weg te midden van landbouwterrein in het buitengebied?

4

Het college acht de vrijkomende sportlocatie Obbicht ongeschikt om de unilocatie te realiseren. De argumenten daarvoor staan onder meer onder de reactie 1.2. Het college ziet voor de locatie Obbicht mogelijkheden om de natuur- en landschapswaarden te versterken. Het college vindt het tevens van belang dat zowel de kinderen maar ook de sporters dichtbij hun dorp naar school kunnen respectievelijk kunnen sporten. Maar dat geldt dan wel voor de inwoners van beide dorpen en niet enkel voor die van Obbicht. Gezien de verkeersintensiteit (zie ook bijlage 9 bij het bestemmingsplan) beschouwt het college de Kempenweg niet als een drukke weg. Vraag 12. U verwijst naar de passage van HeusschenCopier (pagina 11): “de open ruimte tussen Grevenbicht en Obbicht draagt bij aan de herkenbaarheid van de beide kernen. Het zacht glooiende open landschap met daarin de herkenbare geomorfologie van het prehistorische Maasdal en de vergezichten als gevolg van het coulissenachtige landschap zijn veruit de belangrijkste kwaliteiten in dit gebied”. Dat is een mond vol. Waarom is uw college bereid deze uiterst waardevolle en poëtische kwaliteiten op te offeren door de beoogde unilocatie vol te bouwen met stenen, parkeervakken, tennisverhardingen, voetbalvelden, lichtmasten en dergelijken? Antwoord Het college erkent dat het gebied tussen de beide dorpen een kwaliteit heeft.

Die kwaliteit zit met name in de openheid van het landschap. Om die reden is het gebied in het POL2016 als bronsgroen landschap aangemerkt. Bij het nemen van een ruimtelijk besluit moeten belangen worden afgewogen. Het college acht het belang van de realisatie van de unilocatie in het middengebied van een hoger belang dan het belang van het behoud van de huidige kwaliteit van het landschap. Hierbij zijn tevens de versterking van de natuur- en landschapswaarden van de beide vrijkomende sportlocaties in de overwegingen meegenomen. Het college verwijst voor de motivering naar de nota van zienswijzen en de toelichting behorende bij het bestemmingsplan. Samengevat wil het college beide voorzieningen centraal tussen de beide dorpen realiseren zodat het behoud van de beide voorzieningen het best geborgd is. Het college streeft ernaar beide voorzieningen te behouden voor de beide dorpen. Een geschikte locatie voor de beide voorzieningen binnen het bestaand stedelijk gebied in Grevenbicht en Obbicht is vanwege eerder vermelde redenen niet beschikbaar. Bovendien is het college van mening dat met de situering van gebouwen en de beperkingen die gelden voor het plaatsen van bouwwerken en lichtmasten op de voetbalvelden de openheid zoveel mogelijk wordt behouden. Vraag 13. In uw antwoord op zienswijze 5.1 schrijft u dat “alleen ruimtelijk relevante verkeersaspecten moeten worden beoordeeld.

Dit is niet de verkeersveiligheid van de inrichting van de weg”. Bent u het met de PVV eens dat een dergelijk ambitieus plan, waarin kinderen, ouders en docenten vanuit de kern naar het buitengebied moeten gaan wel degelijk de beschikking moeten krijgen over een zo veilig mogelijke situatie? En dat dus niet enkel de verkeersintensiteit van belang is, maar ook de complete positionering en inrichting zoals de weggesteldheid, belijningen en ontsluitingsroute? U schrijft immers bij zienswijze 7.14 op pagina 30 dat “deze maatregelen zijn vermeld op pagina 8 van het rapport” en dat “het merendeel van deze maatregelen” wordt uitgevoerd. Bevat het exploitatieplan voldoende middelen om ook de weggesteldheid en álle noodzakelijke maatregelen te treffen die de veiligheid optimaliseren?

Antwoord Binnen het krediet voor de Unilocatie is rekening gehouden met verkeerskundige maatregelen en aanpassingen. Zo wordt er ter plaatse van de ingang van de Unilocatie een oversteekplaats op de Kempenweg gerealiseerd middels het aanleggen van plateau met

5

uitbuigende fietspaden. De snelheid ter plaatse van deze oversteekplaats wordt 30 km/uur. Tussen deze oversteekplaats en de komingang van Obbicht worden op de Kempenweg aan beide zijden fietsstroken van 1,90 m¹gerealiseerd. Daarnaast zal het trottoir aan de westzijde verbreed worden verbreed tot 1,20 m¹ (aan de oostzijde is reeds een breder trottoir aanwezig. Op te T-splitsing Frankenstraat – Houtstraat zal een plateau met een oversteekplaats worden gerealiseerd. De snelheid ter plaatse is al 30 km/uur. Zie ook bijlage 11.3 van het exploitatieplan.

Vraag 14. U stelt bij zienswijze 11.2 dat de bestaande sportaccommodatie Obbicht ongewenst c.q. ongeschikt is voor centrale huisvesting (als alternatief voor de door u beoogde unilocatie in het Middengebied). Als reden(ering) noemt u onder andere dat die locatie in het bestemmingsplan Grensmaas ligt en niet in het plangebied voor de kern Obbicht. Ook zegt u dat de bestemming “recreatieve doeleinden” aldaar een samenstel van bebouwing niet mogelijk maakt en dat die plek niet als bestaand stedelijk kan worden beschouwd. Bent u het met de PVV eens dat al deze argumenten ook gelden tegen de door u beoogde unilocatie in het Middengebied? En dat het dus een gelegenheidsargument is om deze te laten pleiten tegen het inbreidingsalternatief in Obbicht? U suggereert in uw diskwalificatie van deze inbreidingsvariant namelijk dat het bestemmingsplan leidend zou zijn. Als dat zo is, bent u het dan met de PVV eens dat om diezelfde reden bebouwing in het Middengebied zeer zeker ook niet mogelijk kan zijn, aangezien het bestemmingsplan daar niets anders toestaat dan aardappelen? Of laat u ten aanzien van uw voorkeurslocatie de gelegenheidsargumentatie los? Graag uitleg hierover. Antwoord Het college reageert in het antwoord op zienswijze 11.2. In zienswijze 11.2 wordt gesteld dat de sportlocatie Obbicht is gelegen binnen het bestaand stedelijk gebied.

Het college staat op het standpunt dat de sportlocatie Obbicht niet binnen het bestaand stedelijk gebied is gelegen en heeft dat beargumenteerd. De motivering bestaat uit een aantal argumenten waar het bestemmingsplan er één van is. De door de PVV genoemde argumenten gelden ook voor het middengebied maar daar gaat zienswijze 11.2 niet over. Vraag 15. Hoe verklaart u dat het Middengebied wél wordt uitgesloten voor het plaatsen van zonnepanelenvelden, terwijl u een véél ingrijpendere inbreuk op het landschap, namelijk het volbouwen van het landelijke gebied met een omvang van ettelijke hectares wél toestaat? Waarom meet het College met 2 maten, terwijl vrijwel dezelfde afwegingscriteria gelden. Antwoord Het college is van mening dat het plaatsen van zonnepanelen in het gehele plangebied ingrijpender is op de landschappelijke kwaliteit van de locatie dan de ontwikkeling zoals die nu ter besluitvorming voorligt. In het plan is immers zoveel mogelijk rekening gehouden met de kwaliteit van het gebied. Zie daarvoor ook de beantwoording op vraag 12.

6

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=SittardGeleen&id=926a4781-3fbc-4439-bdfc-5a47c6b9f3dd