CConstaterende datSittard-Geleen
Koppel je AI →
Document · PDF

A.1 Ruimtelijke onderbouwing WP HN aspect EV

Raad 22 april 2021, gemeente Sittard-GeleenBij agendapunt: Voorbereidingsbesluit Windpark Holtum Noord (Schmitz) (38)3.155 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

RAPPORT Windpark Holtum-Noord Ruimtelijke onderbouwing Klant:

ENGIE

Referentie: BF3268TPRP2001241209 Status:

0.3/Definitief

Datum:

24 januari 2020

Projectgerelateerd

HASKONINGDHV NEDERLAND B.V.

Koggelaan 21 8017 JN ZWOLLE Transport & Planning Trade register number: 56515154 +31 88 348 65 00 T info@rhdhv.com E royalhaskoningdhv.com W

Titel document: Windpark Holtum-Noord Ondertitel: ROB Windpark Holtum-Noord Referentie: BF3268TPRP2001241209 Status: 0.3/Definitief Datum: 24 januari 2020 Projectnaam: Wind Sittard Geleen Projectnummer: BF3268 Auteur(s): Anja Boekenoogen, Eve Phillips, Mark Groen

Opgesteld door: Anja Boekenoogen Gecontroleerd door: Eve Phillips Datum/paraaf: 23-01-2020, EP Goedgekeurd door: Mark Groen Datum/paraaf: 23-01-2020, MG

Classificatie Projectgerelateerd

Disclaimer No part of these specifications/printed matter may be reproduced and/or published by print, photocopy, microfilm or by any other means, without the prior written permission of HaskoningDHV Nederland B.V.; nor may they be used, without such permission, for any purposes other than that for which they were produced. HaskoningDHV Nederland B.V. accepts no responsibility or liability for these specifications/printed matter to any party other than the persons by whom it was commissioned and as concluded under that Appointment. The integrated QHSE management system of HaskoningDHV Nederland B.V. has been certified in accordance with ISO 9001:2015, ISO 14001:2015 and ISO 45001:2018. 24 januari 2020

ROB WINDPARK HOLTUM-NOORD

BF3268TPRP2001241209

i

Projectgerelateerd

Inhoud 1

Inleiding

1

1.1

Aanleiding

1

1.2

Ligging plangebied

1

1.3

Leeswijzer

1

2

Planbeschrijving

2

2.1

Huidige situatie

2

2.2

Vigerend bestemmingsplan

3

2.3

Planbeschrijving

4

3

Beleidskader

6

3.1

Rijk

6

3.2

Provincie

6

3.3

Gemeente

8

4

Omgevingsaspecten

9

4.1

M.e.r.-beoordeling

9

4.2

Bodem en water

9

4.3

Archeologie

11

4.4

Landschap en cultuurhistorie

11

4.5

Geluid

14

4.6

Externe veiligheid

23

4.7

Ecologie

28

4.8

Slagschaduw

29

4.9

Luchtvaart en radarverstoring

31

5

Uitvoerbaarheid

33

5.1

Maatschappelijk

33

5.2

Economisch

33

6

Conclusies

34

Literatuur

24 januari 2020

35

ROB WINDPARK HOLTUM-NOORD

BF3268TPRP2001241209

ii

Projectgerelateerd

Bijlagen Bijlage 1: MER-beoordeling Bijlage 2: Watertoets Bijlage 3: Archeologisch onderzoek Bijlage 4: Geluidonderzoek Bijlage 5: Berekening Externe Veiligheid Bijlage 6: Effecten windturbines bij Holtum-Noord op vogels Bijlage 7: Memo effecten windturbines Holtum-Noord op vleermuizen Bijlage 8: Inventarisatie grondgebonden flora en fauna (Quick scan) Bijlage 9: Slagschaduw onderzoek Bijlage 10: Radarhindertoetsing TNO Bijlage 11: Radarhindertoetsing burgerluchtvaart

24 januari 2020

ROB WINDPARK HOLTUM-NOORD

BF3268TPRP2001241209

iii

Projectgerelateerd

4.6

Externe veiligheid

Wettelijk kader/beleid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's voor de omgeving vanwege het gebruik, de productie, opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen. In het kader van de externe veiligheid dient, in het geval van een verandering bij de risicobron of in de omgeving daarvan een afweging te worden gemaakt over de externe veiligheidssituaties. Bijvoorbeeld bij het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan. Windturbines kunnen ook risico's veroorzaken voor de omgeving. De risico's worden veroorzaakt door het falen van de windturbine waarbij delen van windturbines op personen en/of objecten of op andere risicobronnen terecht kunnen komen, zoals een buisleiding, een weg of spoorweg. Om deze risico’s te beperken worden eisen gesteld aan de afstand tussen de windturbine en objecten en andere risicobronnen in de omgeving van de windturbine. Deze eisen zijn opgenomen in wet- en regelgeving voor objecten waarin personen aanwezig zijn zoals woningen, ziekenhuizen en scholen (in het Activiteitenbesluit) en voor buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd (in het Besluit externe veiligheid buisleidingen). Voor wegen, spoorwegen en elektriciteitsleidingen hebben de infrastructuurbeheerders eisen gesteld. Aan deze eisen moet worden voldaan als de windturbine op de grond van de infrastructuurbeheerder wordt gerealiseerd.

Als dat niet het geval is, kunnen de eisen als wensen van de infrastructuurbeheerders worden gezien. Onderzoek Voor de berekeningen van toetsings- en risicoafstanden is het productblad van de Vestas V150 gebruikt. Aangezien niet alle gegevens in het productblad zijn opgenomen zijn voor een aantal van deze gegevens generieke gegevens gehanteerd op basis van aannames en/of formules uit het HRW (Handboek risicozonering windturbines, DNV-GL, 2014). De gehanteerde gegevens voor deze berekeningen zijn weergegeven in bijlage 5. Op basis van de gegevens wordt een werpafstand berekend (zie ook bijlage 5) van 209 meter bij nominaal toerental en 581 meter bij overtoeren. Hierbij wordt opgemerkt dat het nominaal toerental conservatief is ingeschat, tussen 12 en 17 rpm zal de trip ingeschakeld worden. Deze ondergrens is aangehouden als nominaal toerental. Dit toerental net als (op basis van het HRW berekende) bladzwaartepunt bepalen voor een belangrijk deel de werpafstanden. In de volgende tabel zijn de toetsingsafstanden voor de verschillende objecten/functies voor de Vestas V150 weergegeven, evenals de relevantie voor de 3 windturbine-posities.

24 januari 2020

ROB WINDPARK HOLTUM-NOORD

BF3268TPRP2001241209

23

Projectgerelateerd

Tabel 4.9: Toetsingscriteria Vestas V150.

Afstand Relevant voor scenario Vestas welke WT V150

Object

Afstandscriterium

Bebouwing

Beperkt kwetsbare objecten ½ rotordiameter / Kwetsbare objecten: masthoogte + ½ rotordiameter of maximale werpafstand bij nominaal toerental

75 / 210 1)

1, 2 en 3

Rijksweg

½ rotordiameter uit de rand van de verharding met een minimum van 30m

75

-

Waterweg

½ rotordiameter uit de rand van de vaarweg met een minimum van 50m

75

-

Spoorweg

7,85 meter + ½ RD uit de rand van het dichtstbijzijnde spoor minimum van 30m

83

-

Ondergrondse buisleidingen

masthoogte + ½ rotordiameter of maximale werpafstand bij nominaal toerental

210

-

Bovengrondse buisleidingen

Maximale werpafstand bij overtoeren

5811)

-

Hoogspannings infrastructuur (zowel Ondergronds als bovengronds)

masthoogte + ½ rotordiameter of maximale werpafstand bij nominaal toerental

210

-

Waterkering

Buiten kernzone

- 2)

-

1) De werpafstanden bij nominaal toerental en bij overtoeren zijn berekend op basis van de eigenschappen van de turbines conform het HRW. 2) Een (primaire) waterkering kan bezwijken door een bezwijkende windturbine (of onderdelen hiervan). Voor deze studie is geldt dat er geen waterkering nabij de turbinelocaties is. Windturbines en gebouwen De windturbines zijn beoordeeld op basis van Het Handboek risicozonering windturbines (HRW 2014)2. Dit handboek beschrijft de rekenmethodiek voor het risico van windturbines en de afstandscriteria met normen die volgen uit wet- en regelgeving en beleidsregels. De rekenmethodieken als beschreven in de HRW worden gezien als de standaard voor het uitvoeren van risicoanalyses voor windturbines. Op circa 50 meter van locatie windturbine 2 bevindt zich het dichtstbijzijnde bedrijfsgebouw. Bij de overige windturbines liggen bedrijfsgebouwen op grotere afstand (minimaal 90 m). De bedrijfsgebouwen zijn conform de definitie uit het Bevi beperkt kwetsbare objecten. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt een afstandscriterium van een halve rotordiameter. Deze afstand valt tot over het bedrijfspand aan de Trierveldweg 1 te Born op een afstand van iets meer dan 50 meter. Windturbine 2 voldoet hiermee niet aan het afstandscriterium.

Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de normering dat het plaatsgebonden risico ter hoogte van een beperkt kwetsbaar object niet hoger mag zijn dan 10-5/jaar.

2

Handboek risicozonering windturbines (DNV GL, 2014)

24 januari 2020

ROB WINDPARK HOLTUM-NOORD

BF3268TPRP2001241209

24

Projectgerelateerd

Het HRW biedt de mogelijkheid om de risico’s van windturbines meer specifiek te berekenen met specifieke gegevens van de windturbine. Berekeningen op basis van de HRW (zie bijlage 5) laten een afstand zien van circa 40 meter van de mast tot aan de plaatsgebonden risicocontour 10-5 per jaar voor de referentie turbine Vestas V150. Hiermee wordt voor de V150-turbine op alle drie de locaties voldaan aan de minimale afstand uit het activiteitenbesluit tot beperkt kwetsbare objecten. De PR 10-6 contour ligt op 210 meter, zoals in onderstaande afbeelding weergegeven.

Figuur 4.6: Berekende veiligheidscontouren windturbines Holtum-Noord

De PR 10-5/jaar contour is alleen gelegen over de terreinen waar de windturbines ook komen. Binnen deze contour mogen geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten worden gerealiseerd. Met de eigenaren van de terreinen zijn afspraken gemaakt en vastgelegd (privaat rechterlijk) over het gebruik van de gronden ten behoeve van de windmolens en de beperkingen die dit meebrengt ten aanzien van het 24 januari 2020

ROB WINDPARK HOLTUM-NOORD

BF3268TPRP2001241209

25

Projectgerelateerd

gebruik van de onderliggende gronden. Omdat de PR10-5/jaar contouren op eigen terrein zijn gelegen, legt deze risicocontour geen beperkingen voor de omgeving. De PR 10-6/jaar contour is gelegen over terreinen van derden. Binnen deze contour zijn op basis van het activiteitenbesluit kwetsbare objecten niet toegestaan. Kwetsbare objecten zijn woningen, woonschepen, woonwagens, ziekenhuizen, scholen, dagopvang minderjarigen, (bedrijfs)gebouwen waarin grote aantallen personen een groot deel van de dag aanwezig zijn (zoals kantoorgebouwen en hotels met 1500 m2 bruto vloeroppervlak, complexen met meer dan 5 winkels), kampeer- en andere recreatieterreinen. In het kader van externe veiligheid is voorts nog onderzocht of bestaande Bevi bedrijven hinder ondervinden van de ontwikkeling van het windpark. Binnen de werpafstanden van de windturbines zijn de Barge Terminal Born B.V. en Mainfreight gelegen. Mede vanwege recente wijzigingen in de vergunningen worden geen aanvullende veiligheidsrisico’s verwacht. In het kader van de ruimtelijke onderbouwing worden hier nog wel berekeningen voor uitgevoerd om zo nodig mitigerende maatregelen op te nemen.

Windturbines en (rijks)wegen In de 'Beleidsregel voor het plaatsen van windturbines op, in of over rijkswaterstaatwerken' (verder aangeduid met Beleidsregel Windturbines) zijn eisen opgenomen ten aanzien van de afstand tussen windturbines en rijkswegen. Deze beleidsregel, gericht aan Rijkswaterstaat, stelt dat een windturbine niet wordt toegelaten als deze zich binnen 30 meter van de weg bevindt of op de afstand van de halve rotordiameter als de rotordiameter groter is dan 60 meter. In dit onderzoek wordt rekening gehouden met een voorbeeldtype die een rotordiameter heeft van 150 meter, daarmee is de toegelaten afstand 75 meter. De afstand tot de nabij gelegen A2 is ruim 800 meter voor de dichtstbijzijnde windturbine, daarmee wordt aan deze eis voldaan. Voor niet-rijkswegen bestaat geen formeel toetsingskader, daarom zal in afstemming met de gemeente en Rijkswaterstaat naar een geschikte inpassing worden gezocht. Aanvullend op de eisen die in de beleidsregel worden gesteld, is bij het plaatsen van een windturbine op grond in beheer van Rijkswaterstaat een vergunning van de Minister nodig. Voor dit windpark is hiervan geen sprake, waardoor deze beleidsregel niet relevant is. Windturbines en Spoorwegen Er bestaat geen wettelijk kader voor de minimale afstand die aangehouden moet worden tussen een windturbine en een spoorweg.

ProRail heeft hier een interne richtlijn voor opgesteld (Windturbines langs auto-, spoor- en vaarwegen; Beoordeling van veiligheidsrisico's, Rijkswaterstaat en NS Railinfrabeheer”,). Uit deze richtlijn blijkt dat de minimale afstand tussen de windturbine en het dichtstbij gelegen spoor minimaal 7,85 meter + halve rotordiameter is, gemeten vanuit het hart van de dichtstbijzijnde spoorstaaf, met een minimum van 30 meter. Deze richtlijn is van toepassing op situaties waarbij op grond van ProRail een windpark wordt gerealiseerd. Voor dit windpark is hiervan geen sprake, waardoor deze beleidsregel niet relevant is. Windturbines en water(wegen) In de Beleidsregel voor het plaatsen van windturbines op, in of over rijkswaterstaatwerken zijn eisen opgenomen ten aanzien van de afstand tussen windturbines, rijkswegen, vaarwegen en primaire waterkeringen. De beleidsregeling schrijft onder meer voor dat windturbines minimaal 50 meter uit de rand van vaarwegen moeten staan. Dit is met het voorgenomen plan ruimschoots het geval. Ten opzichte van het Juliana kanaal is de minimale afstand 120 m. Ten opzichte van de havens is de afstand kleiner. In de havens is echter sprake van een relatief beperkt aantal scheepvaart bewegingen (Gulick-Gelrehaven ca 200 bewegingen per jaar, Franciscushaven 80 bewegingen per jaar).

Hier zou op basis de Beleidsregel het IPR (individueel passanten risico) en het MR (maatschappelijk risico) berekend kunnen worden om na te gaan of de risico’s acceptabel zijn in relatie tot de Beleidsregel van I&M. Gezien echter het relatief

24 januari 2020

ROB WINDPARK HOLTUM-NOORD

BF3268TPRP2001241209

26

Projectgerelateerd

geringe aantal vaarbewegingen zijn deze risico’s verwaarloosbaar en nauwelijks in termen van IPR of MR uit te drukken. De locaties zijn ook voorgelegd aan Rijkswaterstaat (RWS). RWS heeft aangegeven akkoord te zijn met de aangegeven locaties (zie bijlage 4 van de m.e.r.-beoordeling (bijlage 1)). Windturbines ten opzichte van overige infrastructuur Er zijn geen ondergrondse of bovengrondse buisleidingen of hoogspanningsleidingen aanwezig binnen de afstanden zoals aangegeven in tabel 3 op de vorige pagina. De dichtstbij gelegen hoogspanningsleiding is gelegen aan de overzijde van het kanaal op ruim 400 meter afstand van de geplande turbinelocaties. Trefkansberekeningen Bevi-bedrijven Op basis van de analyse voor de effectafstanden van de windturbines zijn additionele trefkansenberekeningen uitgevoerd voor Barge Terminal en Mainfreight (zie ook bijlage 5 bij de m.e.r.beoordeling (bijlage 1)). Wanneer een installatieonderdeel wordt getroffen dan zal dat leiden tot het falen van deze installatie, waarna de inhoud van die installatie zal uitstromen. Wanneer het een gevaarlijke stof betreft dan zal deze gevaarlijke stof kunnen leiden tot risico’s buiten de inrichting.

In deze analyse wordt onderzocht of de faalkans van de installatieonderdelen van deze inrichtingen door toedoen van de geplande windturbines significant toeneemt en, als dat zo is, of de risico’s nog onder de acceptatiecriteria uit het Bevi blijven. Een significante toename van de bestaande faalkans is een verhoging van de catastrofaal falen faalkans met minimaal 10% (Handleiding risicoberekeningen Bevi v3.3). Wanneer de trefkans onder deze 10% blijft dan hoeft de additionele faalkans ten gevolge van windturbines niet meegenomen te worden in de risicoberekeningen. Barge Terminal Born Bij Barge Terminal worden containers met goederen (waaronder gevaarlijke stoffen) over- en (tijdelijk) opgeslagen. Voor zowel de overslag als de (tijdelijke) opslag zijn trefkansen berekend. Het toevoegen van de trefkans van een windturbine verhoogt de faalkans van een container. De berekeningen (zie bijlage 5 m.e.r.-beoordeling) tonen aan dat de windturbines geen relevante risico’s toevoegen voor de activiteiten van Barge Terminal. Mainfreight Mainfreight is een distributiebedrijf waar goederen (waaronder gasflessen) worden opgeslagen. Op basis van de vergunningsaanvraag (2019) en het QRA-rapport van Mainfreight (2018) is onderzocht of de faalkansen significant toenemen door de plaatsing van de windturbines.

De berekeningen (zie bijlage 5 m.e.r.-beoordeling) tonen aan dat de windturbines geen relevante risico’s toevoegen voor de activiteiten van Mainfreight. Conclusie Uit de risicobeoordeling volgt dat de veiligheidsnormen en het daarbij gehanteerde beleid niet worden overschreden als gevolg van het voornemen. De PR 10-6/jaar contour is gelegen over terreinen van derden. Binnen deze contour zijn op basis van het activiteitenbesluit kwetsbare objecten niet toegestaan. Kwetsbare objecten zijn woningen, woonschepen, woonwagens, ziekenhuizen, scholen, dagopvang minderjarigen, (bedrijfs)gebouwen waarin grote aantallen personen een groot deel van de dag aanwezig zijn (zoals kantoorgebouwen en hotels met 1500 m2 bruto vloeroppervlak, complexen met meer dan 5 winkels), kampeer- en andere recreatieterreinen. In het bestemmingsplan ‘Bedrijventerreinen Born: Holtum Noord I & II en Sluisweg e.o.’ is de omgeving aangeduid als industrie. Het bestemmingsplan sluit de realisatie van nieuwe kwetsbare objecten niet expliciet uit. Binnen de PR10-6/jaar contour zouden dit dus bedrijfsgebouwen kunnen zijn waar grotere

24 januari 2020

ROB WINDPARK HOLTUM-NOORD

BF3268TPRP2001241209

27

Projectgerelateerd

aantallen personen aanwezig zijn, gerealiseerd kunnen worden. Zodra er een wijziging in het bestemmingsplan wordt doorgevoerd moeten kwetsbare objecten binnen deze contour uitgesloten worden.

4.7

Ecologie

Inleiding Natuurwaarden zijn op verschillende manieren beschermd, via het wettelijk spoor en via de ruimtelijke ordening. Internationale richtlijnen, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn, hebben een vertaling gekregen naar Nederlandse wetten. Sinds 1-1-2017 vormt de Wet natuurbescherming (Wnb) het wettelijk kader voor bescherming van zowel (Natura 2000) gebieden, als soorten. Onderzoek Broedvogels Op alle drie de locaties komen algemeen voorkomende broedvogels voor in de directe omgeving, zie ook bijlage 6. Als er voor de realisatie van de windturbines op deze locaties opgaande begroeiing of bomen moeten worden verwijderd dan dient hier rekening mee te worden gehouden. Als dit nodig blijkt kunnen de volgende maatregelen worden genomen om effecten op broedvogels te beperken: • Verwijderen van opgaande begroeiingen in het werkgebied voordat het broedseizoen begint. Daarna kan ook in het broedseizoen gewerkt worden. Dit is vooral geschikt voor locaties waar de vegetatie toch al verwijderd zal moeten worden; • Werkzaamheden buiten het broedseizoen uitvoeren (globaal buiten de periode 15 maart tot en met 15 juli) of vóór aanvang van het broedseizoen beginnen en vervolgens doorwerken (zoals nu reeds het geval). Door de continue verstoring zullen zich geen verstoringsgevoelige soorten vestigen.

Zoogdieren Ten aanzien van de bever dient tijdens de aanlegfase van de windturbine op locatie 3 rekening te worden gehouden met de gevoelige periode van deze soort. Dit is de voorplantingsperiode, welke voor de bever van mei tot augustus duurt. Gedurende deze periode mogen er geen werkzaamheden op het land plaatsvinden binnen 100 meter van een beverburcht. Geadviseerd wordt om bij voorbaat de werkzaamheden buiten deze periode uit te voeren. Dan is verstoring van de bever(burcht) niet aan de orde. Indien toch binnen deze periode gewerkt moet worden, dan zal een aanvullend onderzoek uit moeten wijzen welke burchten precies in gebruik zijn en wat de exacte locatie daarvan is. Ook dient binnen een straal van 30 meter tot de burchten alle begroeiing ongemoeid te blijven. Dit geldt ook voor de oude burcht, tenzij aanvullend onderzoek uitwijst dat deze niet meer in gebruik is. Daarnaast mogen er geen werkzaamheden plaatsvinden als het water grenzend aan de burcht bevroren is. Het advies is bijgevoegd als bijlage 8. Vleermuizen Ten behoeve van het voornemen zijn de effecten van de windturbines op vleermuizen bepaald, zie bijlage 7. Op basis van het onderzoek kunnen onderstaande conclusies worden getrokken: ▪ De watervleermuis wordt niet als aanvaringsslachteroffer verwacht vanwege het beperkte voorkomen binnen het plangebied en de lage vlieghoogte.

Verbodsovertredingen uit de Wnb zijn uitgesloten. ▪ Voor de gewone dwergvleermuis wordt het aantal aanvaringslachtoffers per jaar op maximaal 12 geschat. ▪ Het opzettelijk doden van vleermuizen is verboden onder de Wnb (art. 3.5, lid 1). Voor de gewone dwergvleermuis is het dus noodzakelijk om een ontheffing aan te vragen.

24 januari 2020

ROB WINDPARK HOLTUM-NOORD

BF3268TPRP2001241209

28

24 januari 2020

ROB WINDPARK HOLTUM-NOORD

Turbine V150 Scenario nominaal Overtoeren

Werpafstand 209 581

Turbine V150 PR kans PR afstand 1,00E-04 5 1,00E-05 40 1,00E-06 210 1,00E-07 210 1,00E-08 210 1,00E-09 332

1,00E-10

1,00E-09

1,00E-08

1,00E-07

0

100

200

300

400

500

600

700

Totaal PR

Bladbreuk

Gondel of rotorbreuk

Solidity rotor bij torenbreuk Vast

Turbine V150

Mastbreuk

Turbine V150

Turbinekenmerken Afkorting Waarde Eenheid Bron 1,00E-03 Nominaal vermogen Pnom 4 MW schatting IEC klasse IEC IEC-2 schatting Hoogte rotatiepunt H 123,0 m schatting Bladzwaartepunt Rz 27,0 m HRW (formule) 1,00E-04 Nominaal toerental 12,0 rpm productblad (trip) Lengte afgebroken blad Lblad 73,0 m HRW (formule) Oppervlak afgebroken blad Ab 252 m2 HRW (formule) Rotordiameter D 150,0 m HRW (formule) 1,00E-05 Diameter toren (d) diametertoren 4,0 m schatting Maximale lengte gondel (l) lengtegondel 12,8 m productblad Hoogte gondel (h) hoogtegondel 3,4 m productblad Breedte gondel breedtegondel 4,2 m productblad 1,00E-06

Turbine

Projectgerelateerd

Bijlage 5: Berekening Externe Veiligheid

BF3268TPRP2001241209

40

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=SittardGeleen&id=f373baae-4e7f-4bb9-a427-1c5c8ffc5e70