CConstaterende datSittard-Geleen
Koppel je AI →
Document · PDF

3 Nota van zienswijzen definitieve vvgb vleesvarkensstal Rijstraat 102

Raad 27 juni 2024, gemeente Sittard-GeleenBij agendapunt: Verklaring van geen bedenkingen omgevingsvergunnning varkensstal Rijstraat 102 Guttecoven (Geilen) (64)2.502 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Nota van zienswijzen met betrekking tot de ontwerp-verklaring van geen bedenkingen en de ontwerp-omgevingsvergunning voor het bouwen van een vleesvarkensstal en uitbreiding van een bestaande stal met een biggenstal aan de Rijstraat 102 te Guttecoven. 1.

Zienswijzen op persoonlijke titel van leden van de werkgroep Partij voor de Dieren

Sittard-Geleen: (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) ,

(geanonimiseerd) d.d. 23 januari, ingekomen 29 januari 2024. 1.1 Reclamanten

betwijfelen of de luchtwasser waar in de omgevingsvergunning en in de verklaring bedenkingen van is uitgegaan wel het beloofde geurverwijderingsrendement heeft. Hiertoe verwijzen zij naar een steekproef waaruit zou blijken dat het geurverwijderingsrendement van zogeheten combi-luchtwassers slechts 40 procent bedraagt in plaats van een rendement van 85 procent. van

Reactie: Het betreffende ontwerpbesluit ziet onder meer op de activiteit: het verrichten van een activiteit met effecten op het leefmilieu zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i van de Wabo juncto artikel 2.2a van het Bor. De mer-beoordelingsplicht is gelegen in de aanwijzing als opgenomen in artikel 2.2a, eerste lid, onder f en h,‚ van het Bor. In paragraaf 4.2 van het ontwerpbesluit wordt verwezen naar het mer-beoordelingsbesluit van 18 april 2019 (kenmerk 390755). In dit mer-beoordelingsbesluit is in paragraaf 2.2 een tabel opgenomen met daarin de aangevraagde huisvestigingssystemen en diercategorieën, te weten de Rav-codes D 1.1.15.4 en D 3.2.15.4. Het desbetreffende BWL-nummer BWL 2009.12.V4 van de gecombineerde luchtwassystemen die zullen worden toegepast is eveneens in zowel het mer-beoordelingsbesluit als de omgevingsvergunning genoemd. Op 22 september 2022 is de Regeling geurhinder en veehouderij gewijzigd, waarbij het genoemde huisvestingssysteem is vervangen door het huisvestingssysteem met BWL-nummer 2009.12.V5. Het geurverwijderingsrendement is niet gewijzigd en bedraagt nog altijd 45 procent. Dit betekent dat zowel in het mer-beoordelingsbesluit van 18 april 2019, alsook in de omgevingsvergunning is gerekend met een geurverwijderingsrendement van 45 procent als opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. 1.2.

Verder stellen reclamanten dat de betreffende luchtwassers een negatieve invloed hebben op het dierenwelzijn van de in de betreffende stallen te houden dieren. Reactie:

Dierenwelzijn valt buiten het afwegingskader van de betreffende omgevingsvergunning en is bovendien niet een onderwerp waarvoor het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen het bevoegde gezag is, maar de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) in opdracht van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Dierenwelzijn kan dan ook geen reden zijn om een omgevingsvergunning te weigeren danwel hiertoe voorschriften te verbinden aan de omgevingsvergunning. 1.3. Reclamanten stellen dat het bevoegd gezag zich onterecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van een vergunningplicht ingevolge de Wet natuurbescherming. Hiertoe voeren zij aan dat de referentiesituatie niet overeenkomstig artikel 5 van de door gedeputeerde staten van Limburg vastgestelde ‘Beleidsregels intern en extern salderen in Limburg, december 2019’ is bepaald. Volgens reclamanten is het besluit op dit punt onvoldoende gemotiveerd. Reactie:

Maatschap Salden-Fijten beschikt over een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming. Deze is op 29 augustus 2013 (onder kenmerk 2013/48268) door

Gedeputeerde Staten van Limburg verleend. Bij het onderhavige plan zijn een tweetal AERIUS- berekeningen uitgevoerd bekend onder document B B3a AERIUS referentiesituatie_ gebruik tov beoogd gebruik RZntdcuêj Aa4.pdf, 31 juli 2023 en B- B3b AERIUS randeffect gebruik _refsituatie_tov_ gebruik RZntdcu8jAa4. pdf, 31 juli 2023. De betreffende documenten maken ook onderdeel uit van het besluit. Middels de bij de aanvraag gevoegde AERIUS-berekeningen is de reeds vergunde situatie (op grond van het besluit van 29 augustus 2013) vergeleken met de voorgenomen situatie. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen activiteiten geen toename van stikstofdepositie tot gevolg hebben. Het is onduidelijk waar reclamant op doelt ten aanzien van de referentiesituatie als bedoeld in de door Gedeputeerde Staten van Limburg vastgestelde ‘Beleidsregels intern en extern salderen in Limburg, december 2019’. Inmers is hier sprake van een verleende vergunning op grond van de Wet natuurbescherming en dient van die vergunde situatie te worden uitgegaan. -

2.

Zienswijzen Next advocaten

namens

de besloten

vennootschap Tarpanen B.V. en 1 februari 2024, ingekomen

(geanonimiseerd)‚d.d. op 2 februari 2024. 2.1. Reclamanten

zijn van mening dat het besluit in strijd is met de eisen van een goede ruimtelijke ordening. Hiertoe voeren zij aan dat de betreffende locatie niet geschikt is voor een uitbreiding van de intensieve veehouderij. Ook voeren zij aan dat er ten onrechte medewerking wordt verleend aan het bouwen buiten het bouwvlak. Reactie. Uit de motivering

van

met de

onderbouwing ruimtelijke ordening.

het

ontwerp besluit van de omgevingsvergunning en uit de ruimtelijke bijbehorende onderzoeksrapporten blijkt dat sprake is van een goede

Door nieuwbouw aan de Rijstraat vindt centralisatie van de bedrijfsvoering plaats en is innovatie goed uitvoerbaar door de best beschikbare technieken toe te passen. Vanwege de ligging van het projectgebied op afstand van woonbebouwing en de reeds aanwezige bestaande bebouwing binnen het projectgebied zijn de ruimtelijke effecten

acceptabel. De uitbreiding van de bouwkavel en nieuwbouw worden gecompenseerd door sloop van bedrijfsgebouwen aan de Dorpsstraat 60 in Guttecoven. De voormalige boerderijwoning wordt deels gesloopt en vervangen door een nieuwe burgerwoning. Ook de bestaande stallen, waaronder een varkensstal worden gesloopt. Verder is een landschappelijk inpassingplan (LIP) uitgewerkt, waarbij onder andere in overleg met Rijkswaterstaat, rekening is gehouden met het vastgesteld ‘Tracébesluit A2’ (verbreding A2). Hiermee wordt uitbreiding en bouwen buiten het bouwvlak voldoende gecompenseerd. 2.2. Reclamanten stellen voorts dat een vergunning, als in casu aangevraagd, zowel gezien de ruimtelijke gevolgen, als gezien de gevolgen voor de leefomgeving ter plaatse, alsook gezien de gevolgen voor ter plaatse aanwezige natuur- en landschapswaarden, alleen mag worden verleend wanneer dit geschiedt ten behoeve van een bedrijf dat niet alleen in de zin van het bestemmingsplan als een reëel agrarisch bedrijf kan worden gekwalificeerd, maar ook anderszins kan worden beschouwd als een bedrijf waarvan het behoud ook op langere termijn in voldoende mate en op duurzame wijze is verzekerd, zowel in bedrijfseconomisch opzicht, alsook op milieutechnisch verantwoorde wijze.

Reclamanten verwijzen hierbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1268. Volgens reclamanten is in casu geen sprake van een volwaardige intensieve veehouderij als bedoeld in artikel 5.1 sub a van de planregels en ziet de aanvraag feitelijk louter op een stal op afstand bij een bedrijf dat elders gevestigd is. Reactie:

Vanuit milieutechnisch oogpunt gezien is de locatie Rijstraat 102 te Guttecoven een zelfstandige inrichting en geen onderdeel van een andere locatie. De verwijzing naar de uitspraak van de Raad van State gaat hier niet op. In onderhavige kwestie wordt afgeweken van het bestemmingsplan, dus de interpretatie van het bestemmingsplan en de bebouwingsmogelijkheden van het perceel met de bestemming “agrarisch – intensieve veehouderij” zoals aangegeven in de uitspraak zijn in zoverre niet relevant. Daarnaast wordt niet onderbouwd waarom er geen sprake van een volwaardig agrarisch bedrijf zou zijn. Het feit dat initiatiefnemer woonachtig is elders in de straat, doet daaraan niet af. 2. 3. Verder voeren reclamanten aan dat ten onrechte geen milieueffectrapportage voorafgaand aan de betreffende ontwerpvergunning is opgesteld. Hiertoe voeren zij aan dat in paragraaf 4. 2 van het ontwerpbesluit ten onrechte is vermeld dat de in kolom 2 (van het Besluit mer) opgenomen drempelwaarde wordt onderschreden. In de betreffende kolom 2 is namelijk zowel voor het houden van vleesvarkens als voor het houden van gespeende biggen een afzonderlijke drempelwaarde opgenomen en de voorgenomen activiteit richt zich op beide activiteiten. Volgens reclamanten had met deze cumulatie van activiteiten rekening gehouden moeten worden.

Reactie: Er is hier geen sprake van verplichting tot cumulatie en de categorieën dienen afzonderlijk te worden beoordeeld. Daarnaast dient te worden vermeld dat al zou sprake zijn van het overschrijden van de drempelwaarde dit niet leidt tot een directe plicht tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Immers zijn in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit mer die plannen en projecten opgenomen waarvoor middels een (vormvrije) mer-beoordeling dient te worden afgewogen of sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu en dus of er een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. In dit geval is sprake van het onderschrijden van de grens als vermeld in kolom 2 in onderdeel D. 14. Echter, indien sprake zou zijn geweest van het overschrijden van de drempelwaarden zou exact dezelfde afweging zijn gemaakt. Immers hebben wij in ons besluit vormvrije mer-beoordeling op grond van het bepaalde in artikel 7. 17, derde lid van de Wm aan dezelfde criteria als opgenomen in bijlage III van de EEG- richtlijn milieueffectbeoordeling getoetst als zou zijn gedaan bij een (niet vormvrije) mer-beoordeling. Dit maakt de uitkomst dat geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten zijn en dus de verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage niet anders.

Overigens kan pas dan direct sprake zijn van een verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage indien de activiteit is vermeld in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit mer. Onderhavig initiatief is niet vermeld in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit mer en kan derhalve niet leiden tot een directe verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. 2. 4. Ook kunnen reclamanten zich niet verenigen met de in het ontwerpbesluit opgenomen overwegingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming. Hiertoe voeren reclamanten aan dat in het onderzoeksrapport van adviesbureau Aelmans dat aan de ruimtelijke onderbouwing en de overwegingen op dit punt ten grondslag ligt onjuiste uitgangspunten zijn gehanteerd. Zo zijn de vergunningen die aan het bepalen van de referentiesituatie ten grondslag liggen voor reclamanten niet in te zien en derhalve niet verifieerbaar. Ook stellen reclamanten dat niet onderbouwd is dat in het kader van de in 2013 verleende natuurvergunning een passende beoordeling als bedoeld in artikel 2. 7 van de Wnb heeft plaatsgevonden. Reactie: Allereerst dient te worden opgemerkt dat eenmaal verleende vergunningen openbaar zijn en desgevraagd voor eenieder zijn in te zien. Dat de vergunningen die aan het bepalen van de referentiebepaling ten grondslag liggen niet zouden zijn in te zien en derhalve niet

verifieerbaar zijn is dan ook onjuist. Maatschap Salden-Fijten beschikt over een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming. Deze is op 29 augustus 2013 (onder kenmerk 2013/48268) door Gedeputeerde Staten van Limburg verleend. Bij het onderhavige plan zijn een tweetal AERIUS- berekeningen uitgevoerd bekend onder document B B3a_AERIUS_referentiesituatie_gebruik_tov_beoogd_gebruik_RZntdcu8j Aa4. pdf, 31 juli 2023 en B- B3b_AERIUS_randeffect_gebruik_refsituatie_tov_gebruik_RZntdcu8jAa4. pdf, 31 juli 2023. De betreffende documenten maken ook onderdeel uit van het besluit. Middels de bij de aanvraag gevoegde AERIUS-berekeningen is de reeds vergunde situatie (op grond van het besluit van 29 augustus 2013) vergeleken met de voorgenomen situatie. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen activiteiten geen toename van stikstofdepositie tot gevolg hebben. 2. 5. Reclamanten zijn daarnaast van mening dat in het ontwerpbesluit en de daaraan ten grondslag liggende stukken onvoldoende is aangetoond dat toepassing van het desbetreffende stalsysteem (een gecombineerde luchtwasser) daadwerkelijk leidt tot een reductie van de emissie als in de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav) is verondersteld.

Reclamanten achten dit gebrek aan voorbereiding en motivering met name van belang nu deze aanname niet alleen bepalend is voor de stelling van adviesbureau Aelmans dat bij realisatie van het voorgenomen besluit de facto sprake is van een vermindering van emissie op de dichtstbij gelegen Natura 2000-gebieden, maar ook voor de stelling dat op het naastgelegen bedrijf respectievelijk de daarbij behorende bedrijfswoning van reclamanten ondanks de uitbreiding van het veebestand sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefmilieu waar het gaat om de blootstelling aan fijnstof en geurhinder. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijzen reclamanten naar de uitspraak van de rechtbank Noord Nederland van 29 februari 2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:543. Reactie: De verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Noord- Nederland van 29 februari 2023, ECLI:NL:RBNE:2023:543 gaat hier niet op. Uit de betreffende uitspraak volgt dat onder verwijzing naar de emissiefactoren in de Rav voor luchtwassers niet zondermeer gesteld kan worden dat significante gevolgen voor de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden vanwege de gebruikmaking van een stalsysteem en luchtwassers uitgesloten zijn. In onderhavige casus is allereerst van belang te vermelden dat Maatschap Salden Fijten beschikt over een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming.

Zoals bovenstaand in reactie op zienswijze ad. 4 al vermeld zijn ten behoeve van onderhavige aanvraag een tweetal AERIUS- berekeningen uitgevoerd. Er is daarbij niet zondermeer verwezen naar emissiefactoren in de Rav. Uit de AERIUS- berekeningen volgt dat geen sprake is van een toename van stikstofdepositie op enig Natura-2000 gebied. Daarmee is terecht geconcludeerd dat van een vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming geen sprake is. 2. 6. De inrichting betreft geen zelfstandig bedrijf, maar een stalruimte die ten dienste staat van het bedrijf gevestigd op adres Rijstraat 12 Guttecoven. De aanvraag ziet daarmee niet op een volwaardige intensieve veehouderij als bedoeld in artikel 5. 1 sub a van de planregels. Daarvoor is de economische activiteit zoals die nu en in de toekomst zal worden uitgeoefend op locatie te klein. Reactie: Zoals eerder onder 2. 2 aangegeven betreft het hier een zelfstandige inrichting en geen onderdeel van een andere lokatie. Initiatiefnemer kan via een rekenmodel van Wageningen University Research (voorheen Landouw Economisch Instituut) aantonen dat er vanuit economisch oogpunt sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf.

Door Wageningen UR is een rekenmodule ontwikkeld waarmee voor elke bedrijfssituatie de bedrijfsomvang kan worden vastgesteld. Hiermee is ook de specifieke bedrijfssituatie voor het planvoornemen van initiatiefnemer aan Rijstraat 102 doorgerekend. Omdat binnen de vleesvarkensstal dieren liggen vanaf ca. 20-23 kg tot 110 kg is gerekend met een gemiddelde van 50-80 kg. Uit de berekening, blijkt dat: • de Standaard Opbrengst (SO) € 1. 571. 320,00 bedraagt en • de Standaard Verdien Capaciteit (SVC) 172. 845,00 bedraagt. Hiermee wordt het bedrijf gerangschikt onder de klasse ‘grote bedrijven’ (SVC 100. 000250. 000 euro). Deze bedrijven zijn van dusdanige omvang dat voor ongeveer 2,5 tot 5 aje (arbeidsjaareenheden) een gemiddelde toegevoegde waarde kan worden gerealiseerd. Op basis van bovenstaande is op de locatie Rijstraat 102 te Guttecoven sprake van een volwaardige bedrijfsomvang. Ad 7 Intensieve veehouderij is qua ammoniakuitstoot onwenselijk, maar tast ook het woonen leefklimaat aan in die zin dat sprake is van aanzienlijke geurhinder die in ieder geval ten koste gaat van de in het bedrijf gevestigde bedrijfswoning. Reactie: Een goed woon- en leefklimaat dient te worden afgewogen in het kader van een goede ruimtelijke ordening.

In ieder geval dient te worden opgemerkt dat uit de berekeningen met het programma V-Stacks volgt dat de geurbelasting op alle toetspunten onder de wettelijke geurnorm blijft. Tevens dient te worden opgemerkt dat voldaan wordt aan de wettelijke afstandsnormen zoals opgenomen in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Dit is reeds overwogen in het besluit vormvrije mer-beoordeling van 18 april 2019 (kenmerk 390755). De zienswijzen vormen geen aanleiding om af te zien van het afgeven van een verklaring van geen bedenkingen noch om af te zien van het verlenen van de omgevingsvergunning.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=SittardGeleen&id=5c02872d-9b68-4955-b498-57490dd3ba13