CConstaterende datSittard-Geleen
Koppel je AI →
Document · PDF

1 Kadernota vaste activa 2025-2028

Raad 5 juni 2025, gemeente Sittard-GeleenBij agendapunt: Kadernota vaste activa 2025-2028 (Buhler)11.640 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Door de wet over Schatkistbankieren zijn decentrale overheden verplicht het grootste deel van hun (tijdelijke) overtollige geldmiddelen aan te houden in de schatkist van het Rijk. Voor openbare lichamen met een begrotingstotaal kleiner dan of gelijk aan € 500 miljoen is het drempelbedrag gelijk aan 2,0% van het begrotingstotaal, waarbij het drempelbedrag minimaal € 1 miljoen bedraagt. Als deze uitzetting naar verwachting langer dan een jaar duurt is sprake van een financieel vast actief.

24

4 AFSCHRIJVING 4.1 ALGEMEEN Als een investering is geactiveerd, wordt in de boekhouding de waardevermindering tot uitdrukking gebracht in een afschrijvingsbedrag. De afschrijvingsbedragen worden in de jaarrekening verantwoord. De afschrijving is afhankelijk van wettelijke voorschriften, de afschrijvingstermijn en de afschrijvingsmethode. Een naar verwachting duurzame waardevermindering wordt overigens op het moment van constatering als verlies genomen. Afschrijvingen geschieden onafhankelijk van het resultaat. Met afschrijven wordt begonnen in het jaar volgend op het jaar waarin het kapitaalgoed gereed komt/verworven wordt. 4.2 WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN In artikel 64 van het BBV zijn de volgende bepalingen opgenomen betreffende afschrijvingen: 1. De afschrijvingen vinden plaats onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar. Voor inzicht in de activa en de toekomstige benodigde investeringen is het belangrijk om activa consequent en onafhankelijk van het resultaat af te schrijven. 2. Slechts om gegronde redenen mogen de afschrijvingen plaatsvinden op andere grondslagen dan die in het voorgaande begrotingsjaar zijn toegepast. De reden van de verandering wordt in de toelichting op de balans uiteengezet.

Tevens wordt inzicht gegeven in haar betekenis voor de financiële positie en voor de baten en de lasten aan de hand van aangepaste cijfers voor het begrotingsjaar of voor het voorafgaande begrotingsjaar. 3. Op vaste activa met een beperkte gebruiksduur wordt jaarlijks afgeschreven volgens een stelsel dat is afgestemd op de verwachte toekomstige gebruiksduur. Dit betekent dat extra afschrijven op activa met een economisch nut uitsluitend is toegestaan als er sprake is van een duurzame waardevermindering of als het actief eerder buiten gebruik wordt gesteld. 4. De afschrijvingstermijn van kosten van het sluiten van geldleningen en het saldo van agio en disagio mag maximaal gelijk zijn aan de looptijd van de nieuw af te sluiten lening. 5. De afschrijvingstermijn van kosten van onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief mag ten hoogste vijf jaar zijn. 6. Voor bijdragen aan de activa in eigendom van derden is de afschrijvingsduur maximaal gelijk aan die activa waarvoor de bijdrage aan derden wordt verstrekt. In artikel 65 van het BBV zijn de volgende bepalingen opgenomen: 1. Naar verwachting duurzame waardeverminderingen van vaste activa worden onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar in aanmerking genomen. 2. Voorraden en deelnemingen worden tegen de marktwaarde gewaardeerd indien de marktwaarde lager is dan de verkrijgings- of vervaardigingsprijs.

Bij deze waardeverminderingen moet gedacht worden aan nieuwe inzichten in de technische en/of economische levensduur van activa of de aantasting van het vermogen van deelnemingen. 3. Een actief dat buiten gebruik wordt gesteld, wordt afgewaardeerd op het moment van buitengebruikstelling indien de restwaarde lager is dan de boekwaarde. De balanspositie onder het BBV is te typeren als een balans van (rest)boekwaarden welke nog met de burgers moeten worden verrekend. Om deze reden, en ook vanwege de gewenst administratieve eenvoud,

25

is de commissie BBV van mening dat voor een stelselwijziging en/of een schattingswijziging geen terugwerkende kracht kan gelden. Er vindt dus geen herrekening of herwaardering over de al afgeschreven waarden plaats. De nog bestaande (rest)boekwaarden worden dus via de nieuwe inzichten afgeschreven. Een stelselwijziging betreft een wijziging van de “vrij te kiezen” waarderingsgrondslagen. Bij een stelselwijziging worden bestaande (rest)boekwaarden niet herrekend, maar over de langere, dan wel kortere, dan wel gelijkblijvende verwachte gebruiksperiode afgeschreven. Een schattingswijziging betreft een wijziging van een verwachte toekomstige gebruiksduur c.q. gebruiksintensiteit dan wel de “naar verwachting” duurzaam lagere gebruikswaarde. De bestaande (rest)boekwaarde wordt niet herrekend, maar over de langere, dan wel kortere, dan wel gelijkblijvende verwachte toekomstige gebruiksduur afgeschreven. Een stelsel- en/of schattingswijziging kunnen niet vanwege louter financiële redenen plaatsvinden, maar alleen op basis van gegronde redenen. 4.3 AFSCHRIJVINGSBASIS 4.3.1 KOSTPRIJS ALGEMEEN In het BBV is verplicht voorgeschreven dat de investeringen worden gewaardeerd op basis van de verkrijgings- of vervaardigingsprijs. Op basis van deze prijs moet dan ook worden afgeschreven.

Op grond als ondergrond van investeringen wordt niet afgeschreven, deze wordt als een afzonderlijk activum in de vaste activa administratie opgenomen. 4.3.2 RESTWAARDE De restwaarde is de waarde van een activum aan het eind van de gebruikstermijn tegen het huidige prijspeil. Het vertegenwoordigt de schatting tegen het huidige prijspeil van de opbrengstwaarde die na de gebruikstermijn nog gerealiseerd kan worden, verminderd met de te maken kosten voor verwijdering of vernietiging van (delen van) het activum. Er wordt bij de bepaling van de restwaarde dus geen rekening gehouden met mogelijke waardeveranderingen vanwege inflatie of deflatie, veranderende marktomstandigheden en dergelijke. Wanneer de verwachte gebruikstermijn korter is dan de verwachte economische levensduur van het activum, zal er altijd sprake zijn van een restwaarde. Aan het einde van de economische levensduur zal er slechts sprake zijn van sloopwaarde. Aan het eind van de afschrijfperiode kan hooguit een boekwaarde overblijven ter grootte van de geschatte restwaarde op basis van het prijspeil op het moment van ingebruikneming. Omdat activa worden gebruikt en gedurende de afschrijfperiode technisch en economisch slijten/verouderen zal de praktijk veelal zijn dat naar een boekwaarde € 0 moet worden afgeschreven, als het voornemen bestaat de activa tot het einde van de mogelijke gebruiksduur te benutten.

Verder geldt dat geen rekening mag worden gehouden met voorgenomen toekomstige bestemmingswijzigingen. Bij parkeergarages wordt de restwaarde vastgesteld op 25% van de aanschafwaarde, uitgaande dat deze nog een functie hebben in de omgeving aan het einde van de levensduur. 4.3.3 INRUILWAARDE De restwaarde moet los worden gezien van de inruilwaarde. Een nieuw actief moet worden gewaardeerd op de verkrijgingsprijs, omdat de verkrijgingsprijs de inkoopprijs en de bijbehorende kosten omvat. De inruilwaarde mag hierdoor niet in mindering worden gebracht op de verkrijgingsprijs. De inruilwaarde resulteert ten opzichte van de boekwaarde in een winst of verlies in de exploitatie (incidenteel resultaat).

26

De inruilwaarde wordt op de boekwaarde van het oude (ingeruilde) actief geboekt. Deze mag niet ten gunste van het nieuwe actief geboekt worden. 4.3.4 VERKOOPRESULTATEN Indien een object met een bepaalde restwaarde wordt verkocht (afgestoten), dient afboeking van de restwaarde (sanering) plaats te vinden. Het verkopen van vaste activa verloopt via de voorraad handelsgoederen. Het actief wordt overgeboekt naar de voorraad handelsgoederen nadat bestuurlijk besloten is het actief te vervreemden. Door de daadwerkelijke verkoop wordt de boekwaarde van het handelsgoed naar de exploitatielasten overgeboekt. De boekwaarde van het verkochte actief is een incidentele last in de exploitatie bij de verkoop. De verkoopopbrengst is een incidente bate in de exploitatie. Boekwinsten en -verliezen worden op deze wijze zichtbaar in de exploitatie. Het transactieresultaat mag niet met de aanschafwaarde van het eventuele vervangingsobject worden verrekend. 4.3.5 BUITENGEBRUIKSTELLING EN DIEFSTAL Als door buitengebruikstelling, inclusief sloop, de boekwaarde duurzaam lager wordt dient dit tot uitdrukking gebracht te worden door extra afschrijving ten laste van de exploitatie. Bij diefstal dient altijd de boekwaarde geheel afgeschreven te worden. Dit is dan een exploitatielast. Een verzekeringsuitkering komt ten gunste van de exploitatie, verantwoording als een bate.

4.3.6 HERTAXATIE Vaste activa waarvan de boekwaarde duurzaam lager ligt dan de taxatiewaarde dient de waardevermindering tot uitdrukking gebracht te worden door extra afschrijving ten laste van de exploitatie. Herwaardering is niet toegestaan. 4.4 AFSCHRIJVINGSMETHODEN 4.4.1 ALGEMEEN Ingevolge artikel 51 van het BBV moet in de toelichting op de balans worden aangegeven volgens welke methoden de afschrijvingen worden berekend. Wat betreft de afschrijvingsmethoden hebben wij 2 methodieken: ▪ de lineaire en ▪ de annuitaire methode. De afschrijvingen zijn in principe lineair tenzij expliciet door de Raad voor een andere wijze van afschrijven is gekozen. Zo kan annuïtair afgeschreven worden als tegenover de lasten baten komen te staan die een kostendekkend stabiel niveau dienen te hebben, zoals bijvoorbeeld huren of rechten. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat voor desbetreffende kapitaalgoederen toereikende beheerbudgetten in de begroting zijn opgenomen. 4.4.2 LINEAIR De lineaire methode wil zeggen dat de afschrijving plaatsvindt op basis van een vast bedrag per jaar. 4.4.3 ANNUÏTAIR Bij de annuïtaire methode blijft de annuïteit, zijnde de component rente en afschrijving gelijk. De afschrijving neemt jaarlijks toe en de rente neemt jaarlijks af. Het jaarlijks actualiseren van de omslagrente zorgt voor een jaarlijks wisselende annuïteit.

Tegenover een annuïteit staat minimaal een gelijk bedrag aan kostendekkende inkomsten (tarieven). 27

4.5 AFSCHRIJVINGSTERMIJNEN 4.5.1 ALGEMEEN De te hanteren afschrijvingstermijn op vaste activa is afgestemd op de verwachte toekomstige gebruiksduur. 4.5.2 START AFSCHRIJVINGEN Investeringen starten met afschrijvingen in het jaar volgend op het jaar van gereed melding. Voor het ramen van de kapitaallasten van nieuwe investeringskredieten worden de afschrijvingen geraamd in het jaar volgend op het geprognosticeerde jaar waarin het krediet wordt afgesloten. 4.5.3 AFSCHRIJVINGSTERMIJNEN Voor de lengte van de afschrijvingstermijnen wordt aansluiting gezocht met de periode dat een actief nut oplevert voor de gemeente. De indicatief te hanteren afschrijvingstermijnen zijn opgenomen in bijlage 1, deze lijst is niet limitatief. De verwachte (budgettaire) economische levensduur van een actief is bepalend voor de levensduur.

Immateriële vaste activa

Artikel 64 lid 4 t/m 6 BBV bevat bepalingen over de afschrijving van immateriële vaste activa Afschrijvingsduur: kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen Wanneer kosten van het afsluiten van geldleningen (bijvoorbeeld boeterente) en het saldo van agio en disagio geactiveerd worden, dan is de afschrijvingsduur maximaal gelijk aan de looptijd van de lening. Wordt een lening aangegaan met een looptijd van 25 jaar, dan bedraagt de afschrijvingsduur ook maximaal 25 jaar. Afschrijvingsduur: kosten van onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief Kosten van onderzoek en ontwikkeling (voorbereidingskosten) voor een bepaald actief kunnen geactiveerd worden, mits aan de voorwaarden wordt voldaan zoals gesteld in de onderdelen a t/m d van artikel 60 BBV. De afschrijvingsduur van deze immateriële vaste activa bedraagt op grond van artikel 64 lid 5 BBV ten hoogste vijf jaar. Afschrijvingsduur: voor bijdragen aan activa in eigendom van derden Wanneer wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 61 BBV, kunnen bijdragen aan activa in eigendom van derden geactiveerd worden onder de immateriële vaste activa. De afschrijvingsduur van deze bijdragen is op grond van artikel 64 lid 6 BBV maximaal gelijk aan de afschrijvingsduur van de activa die door de betreffende derden wordt gehanteerd, waarvoor de bijdrage aan derden wordt verstrekt.

Een gemeente kan dus wel een kortere afschrijvingsduur, maar geen langere afschrijvingsduur hanteren dan de afschrijvingsduur die gehanteerd wordt bij derden. De gehanteerde afschrijvingstermijn bij derden kan dus afwijken van de gehanteerde afschrijvingstermijnen bij de gemeente.

28

Materiële vaste activa Op grond van artikel 64, lid 3 BBV dient op vaste activa met een beperkte gebruiksduur jaarlijks afgeschreven te worden volgens een stelsel dat is afgestemd op de verwachte toekomstige gebruiksduur. De gebruiksduur is gelijk aan de verwachte economische of technische levensduur. Dit is niet alleen van toepassing op bijvoorbeeld gebouwen die door de gemeente zelf worden gebruikt of geëxploiteerd, maar ook op gebouwen die door middel van een zakelijk recht ter beschikking worden gesteld (worden vervreemd) aan derden. Ook hierbij is sprake van slijtage en een beperkt verwachte gebruiksduur, waarop de afschrijving moet worden afgestemd. De afschrijvingsduur van de levensduur verlengende investering bestaat uit de resterende levensduur en de verlenging van de levensduur. De afschrijvingsduur van het “oude” activum wijzigt niet. Gebouwen De Gemeente Sittard-Geleen maakt voor de gebouwen onderscheid tussen strategisch en niet strategisch vastgoed. Bij het strategisch vastgoed is het uitgangspunt dat het in stand gehouden wordt totdat er per gebouw anders over besloten wordt. Ook de onderhoudsplannen van dit vastgoed is afgestemd op het in stand houden van deze gebouwen. In de besluitvorming over het herstelplan van de begroting 2018 heeft de Raad ingestemd om de levensduur van het strategisch vastgoed te verlengen van 40 jaar naar 50 jaar.

Wegen De Raad heeft in het herstelplan van de begroting 2018 ingestemd met het voorstel om de levensduur van de wegen buiten de stadscentra te verlengen van 25 naar 40 jaar. De rekenmethodiek en analyses die gehanteerd zijn bij de totstandkoming van het IBOR beleidsplan 2016 gaan uit van een afschrijvingstermijn van de wegen van 40 jaar. De berekening van de benodigde middelen voor vervangingsinvesteringen voor deze wegen is hier op gebaseerd. De ervaring van de afgelopen jaren duidt erop dat de wegen over het algemeen een minimale levensduur van 40 jaar hebben, met uitzondering van de wegen in de stadscentra. In een vergelijking met andere Limburgse gemeenten is gekozen de levensduur van de wegen buiten de stadcentra op 40 jaar te stellen. De wegen in de stadscentra zijn door het intensieve gebruik en de dynamiek eerder aan vervanging toe.

29

5 RENTELASTEN 5.1 ALGEMEEN De kapitaallasten bestaan uit de afschrijvingen en toegerekende rente. Toegerekende rente betreft het doorberekenen van directe financieringslasten aan de taakvelden. De rente die aan de taakvelden wordt doorbelast, wordt conform artikel 13 BBV toegerekend op basis van een bij de begroting (voor)gecalculeerd omslagrentepercentage. De basis hiervoor is de boekwaarde per 1 januari van de vaste activa die bij de taakvelden horen. In de berekening wordt geen rente over het eigen vermogen en de voorzieningen meegenomen. Het percentage van de omslagrente voor de toerekening van rente voor de financiering van de in gebruik zijn de activa, bedoeld in het eerste lid, wordt jaarlijks met de begroting vastgesteld. Het percentage van deze omslagrente wordt bepaald uit het gewogen gemiddelde van het bij de begroting geraamde rentepercentage van de rentekosten op de opgenomen langlopende leningen, kortlopende leningen en kredieten. De uitkomst van dit percentage van de omslagrente wordt zodanig afgerond dat de rentekosten zo goed mogelijk verdeeld worden waarbij afgerond mag worden binnen een marge van 0,5%.

Indien de ontwikkeling van de boekwaarden en de rentelasten en rentebaten en het effect hiervan op het omslagrentepercentage daartoe aanleiding geeft stelt de Raad in de 1e en/of 2e programmarapportage van het lopende jaar een gewijzigd omslagrentepercentage vast. Als voor een investering in een vast actief een specifieke lening is aangetrokken is sprake van projectfinanciering. De rentelasten van deze lening worden toegerekend aan het taakveld waarop de kapitaallasten van het actief worden verantwoord. Rentebaten verkregen door het tijdelijk uitzetten van de ontvangen geldlening worden vanuit het taakveld Treasury doorberekend naar het taakveld waarop de rentelasten worden doorberekend. Provincie Limburg stelt in haar Gemeenschappelijk Financieel Toezichtkader (GTK) dat gemeenten reële, werkelijk te verwachten lasten moeten ramen. Voor nieuwe investeringen wordt daarom op basis van meerjarige prognoses de rentelasten geraamd. 5.2 ONDERHANDEN WERKEN De rente van lopende investeringsprojecten wordt (tenzij anders door de Raad besloten) ten laste van de exploitatie gebracht. 5.2.1 RAMEN RENTELASTEN NIEUW INVESTERINGSPROJECT ▪ 1e jaar: De rentelasten op basis van de verwachte uitgaven in het 1e jaar (jaar t) (verwachte uitgaven 1e jaar x omslagrentepercentage jaar t x verwachte maanden liquiditeitenbeslag / 12 maanden). ▪ 2e e.v.

jaren (jaar t +): Op basis van de verwachte boekwaardes per 1 januari van het desbetreffende jaar. (verwachte boekwaarde per 1 januari x omslagrentepercentage jaar t+1). 5.2.2. RENTELASTEN BEGROTEN Bij het opstellen van de primitieve begroting wordt een inschatting gemaakt van het moment van gereed komen van de lopende investeringsprojecten. En worden op basis van een liquiditeiten prognose de geprognosticeerde boekwaardes per 1 januari voor de komende 4 jaar berekend (verwachte boekwaarde per 1 januari x omslagrentepercentage).

30

Activa die gefinancierd zijn door projectfinanciering maken geen deel uit van de omslagrente. De rentelasten en -baten van de projectfinanciering wordt toegerekend aan deze activa. 5.2.3. RENTELASTEN BOEKEN De rente wordt met behulp van het omslagrentepercentage op basis van de bij de jaarrekening van het voorafgaande jaar vastgestelde boekwaarde geboekt (vastgestelde boekwaarde 1 januari x omslagrentepercentage). Activa die gefinancierd zijn door projectfinanciering maken geen deel uit van de omslagrente. De rentelasten en -baten van de projectfinanciering wordt toegerekend aan deze activa. 5.3 KAPITALISATIE Het gereed melden van onderhanden werken, waarbij de geregistreerde gegevens in het financieel systeem administratief overgeheveld worden van “vaste activa projecten rubriek 7” naar “vaste activa module E-Assets”. 5.4 VASTE ACTIVA GEREED 5.4.1. RENTELASTEN BEGROTEN Rentelasten worden begroot op basis van boekwaarde per 1 januari x omslagrentepercentage. Activa die gefinancierd zijn door projectfinanciering maken geen deel uit van de omslagrente. De rentelasten van de projectfinanciering wordt toegerekend aan deze activa. 5.4.2. RENTELASTEN BOEKEN De rente wordt met behulp van het omslagrentepercentage op basis van de bij de jaarrekening van het voorafgaande jaar vastgestelde boekwaarde geboekt (vastgestelde boekwaarde 1 januari x omslagrentepercentage).

Activa die gefinancierd zijn door projectfinanciering maken geen deel uit van de omslagrente. De rentelasten van de projectfinanciering wordt toegerekend aan deze activa.

31

BIJLAGE 1

AFSCHRIJVINGSTABEL VASTE ACTIVA

Activa categorie 1. Immateriële activa ➢ Kosten voor het sluiten van geldleningen ➢ Kosten van onderzoek en ontwikkeling ➢ Bijdragen aan eigendommen van derden

2.

Afschrijvingstermijn in jaren Restant looptijd van de lening 5 Maximaal jaren door derde gehanteerd

Materiële vaste activa: ➢ Investeringen met een economisch nut: ▪ Grond ▪ Gebouwen (strategisch vastgoed): - nieuwbouw - renovatie ▪ Gebouwen (niet strategisch vastgoed): - nieuwbouw - renovatie ▪ Scholen ▪ Tijdelijke gebouwen ▪

Parkeergarages

▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

Woonwagenlocaties Woonwagens Technische installaties Inventaris en meubilair Inrichting schoolgebouwen Kantoormachines (niet zijnde automatiseringsapparatuur) Parkeervoorzieningen Parkeermeters en -automaten Gereedschappen en overig materiaal Kleine gereedschappen en materialen Containers 14 tot 30 m3 (o.a. milieuparken) Minicontainers 40, 120 en 240 liter (huisvuilinzameling) Grote werktuigen (o.a. rollpacker, perscontainerinstallatie) Bovengrondse afvalinzamelingstallaties Ondergrondse afvalinstallaties Tractoren Kraanwagens Vrachtauto’s Heftrucks Pick-ups Personenauto’s Automatisering hardware incl. gekoppelde software Software Telefooncentrale Pc’s, laptops, printers en tablets Riolering

32

Geen afschrijving 50 25 40 25 40 Variabel, afhankelijk van gebruiksduur 50 met restwaarde 25% van de aanschafwaarde 25 15 15 10 10 5 25 10 10 Niet activeren, direct nemen 15 10 10 10 10 10 10 10 10 10 5 5 7 7 Niet activeren, direct nemen 40

Activa categorie ▪ Haven:

Afschrijvingstermijn in jaren 50

Investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut ▪ Wegen (stadscentra): - eerste aanleg (excl. grond) - ingrijpende reconstructies ▪ Wegen (buiten stadscentra):- eerste aanleg (excl. grond) - ingrijpende reconstructies ▪ Grond openbare ruimte, aankoop vanaf 2024 ▪ Openbare verlichting ▪ Verkeersregelinstallaties ▪ Civieltechnische kunstwerken ▪ Openbaar groen ▪ Begraafplaatsen ▪ Speeltuinen:- aanleg - inrichting 3. Financiële vaste activa: ➢

33

25 25 40 40 Geen afschrijving 25 15 40 25 25 25 10 Geen afschrijving.

BIJLAGE 2

DIVERSE ARTIKELEN BESLUIT BEGROTING EN VERANTWOORDING (BBV)

Het besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV) is sinds 1 januari 2004 van kracht. Onderstaand zijn de richtlijnen opgenomen met betrekking tot de indeling van de balans en de waardering van activa. Paragraaf 4.5.3. Vaste activa Artikel 33 Onder de vaste activa worden afzonderlijk opgenomen de immateriële, de materiële en de financiële vaste activa. Artikel 34 In de balans worden onder de immateriële vaste activa afzonderlijk opgenomen: a. kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen en het saldo van agio en disagio; b. kosten van onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief; c. bijdragen aan activa in eigendom van derden. Artikel 35 1. In de balans worden onder de materiële vaste activa afzonderlijk opgenomen: a. investeringen met een economisch nut; b. investeringen met een economisch nut, waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven; c. investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut. 2. Van de materiële vaste activa wordt aangegeven welke in erfpacht zijn uitgegeven. Artikel 36 In de balans worden onder de financiële vaste activa afzonderlijk opgenomen: a. kapitaalverstrekkingen aan: 1. deelnemingen; 2. gemeenschappelijke regelingen; 3. overige verbonden partijen; b. leningen aan: 1. openbare lichamen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Wet financiering decentrale overheden; 2.

woningbouwcorporaties; 3. deelnemingen; 4. overige verbonden partijen; c. overige langlopende leningen; d. uitzettingen in ’s Rijks schatkist met een rente typische looptijd van één jaar of langer; e. uitzettingen in de vorm van Nederlands schuldpapier met een rente typische looptijd van één jaar of langer; f. overige uitzettingen met een rente typische looptijd van één jaar of langer.

34

Hoofdstuk V. Waardering, activeren en afschrijven Artikel 59 1. Alle investeringen worden geactiveerd. 2. In afwijking van het eerste lid worden kunstvoorwerpen met een cultuur-historische waarde niet geactiveerd. Artikel 60 Kosten van onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief kunnen worden geactiveerd indien: a. het voornemen bestaat het actief te gebruiken of te verkopen; b. de technische uitvoerbaarheid om het actief te voltooien vaststaat; c. het actief in de toekomst economisch of maatschappelijk nut zal genereren en; d. de uitgaven die aan het actief zijn toe te rekenen betrouwbaar kunnen worden vastgesteld. Artikel 61 Bijdragen aan activa in eigendom van derden kunnen worden geactiveerd, indien: a. er sprake is van een investering door een derde; b. de investering bijdraagt aan de publieke taak; c. de derde zich heeft verplicht tot het daadwerkelijk investeren, op een wijze zoals is overeengekomen en; d. de bijdrage kan worden teruggevorderd, indien de derde in gebreke blijft of de provincie onderscheidenlijk gemeente anders recht kan doen gelden op de activa die samenhangen met de investering. Artikel 62 1. Alle vaste activa worden voor het bedrag van de investering geactiveerd. 2. In afwijking van het eerste lid worden de bijdragen van derden die in directe relatie staan met het actief op de waardering daarvan in mindering gebracht. 3.

In afwijking van het eerste lid moeten de voorzieningen, bedoeld in artikel 44, eerste lid, onder d, in mindering gebracht worden op de investeringen, bedoeld in artikel 35, eerste lid, onder b. Artikel 63 1. Activa worden gewaardeerd op basis van de verkrijgings- of vervaardigingsprijs. 2. De verkrijgingsprijs omvat de inkoopprijs en de bijkomende kosten. 3. De vervaardigingsprijs omvat de aanschaffingskosten van de gebruikte grond- en hulpstoffen en de overige kosten, welke rechtstreeks aan de vervaardiging kunnen worden toegerekend. In de vervaardigingsprijs kunnen voorts worden opgenomen een redelijk deel van de indirecte kosten en de rente over het tijdvak dat aan de vervaardiging van het actief kan worden toegerekend; in dat geval vermeldt de toelichting dat deze rente is geactiveerd. 4. Voor in erfpacht uitgegeven gronden geldt de uitgifteprijs van eerste uitgifte als verkrijgingsprijs. Gronden in eeuwigdurende erfpacht worden gewaardeerd tegen registratiewaarde. 5. Van activa waarvan de bestemming verandert, wordt de actuele waarde van de nieuwe bestemming in de toelichting op de balans opgenomen. 6. In afwijking van het eerste lid is waardering tegen actuele waarde toegestaan voor de activa van de Nazorgfondsen bedoeld in artikel 15.47 van de Wet milieubeheer. 7.

Passiva worden gewaardeerd tegen de nominale waarde, met uitzondering van voorzieningen die tegen contante waarde zijn gewaardeerd. 8. Eventuele voorzieningen wegens oninbaarheid worden met de boekwaarde van leningen en vorderingen verrekend. 35

Artikel 64 1. De afschrijvingen geschieden onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar. 2. Slechts om gegronde redenen mogen de afschrijvingen geschieden op andere grondslagen dan die welke in het voorafgaande begrotingsjaar zijn toegepast. De reden van de verandering wordt in de toelichting op de balans uiteengezet. Tevens wordt inzicht gegeven in haar betekenis voor de financiële positie en voor de baten en de lasten aan de hand van aangepaste cijfers voor het begrotingsjaar of voor het voorafgaande begrotingsjaar. 3. Op vaste activa met een beperkte gebruiksduur wordt jaarlijks afgeschreven volgens een stelsel dat is afgestemd op de verwachte toekomstige gebruiksduur. 4. In afwijking van het derde lid is de afschrijvingsduur voor de immateriële vaste activa, bedoeld in artikel 34 onder a, maximaal gelijk aan de looptijd van de lening. 5. In afwijking van het derde lid is de afschrijvingsduur voor de immateriële vaste activa, bedoeld in artikel 34 onder b, ten hoogste vijf jaar. 6. Voor bijdragen aan de activa in eigendom van derden, bedoeld in artikel 34, onderdeel c, is de afschrijvingsduur maximaal gelijk aan die van de activa waarvoor de bijdrage aan derden wordt verstrekt. Artikel 65 1. Naar verwachting duurzame waardeverminderingen van vaste activa worden onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar in aanmerking genomen. 2.

Voorraden en deelnemingen worden tegen de marktwaarde gewaardeerd indien de marktwaarde lager is dan de verkrijgings- of vervaardigingsprijs. 3. Een actief dat buiten gebruik wordt gesteld wordt afgewaardeerd op het moment van buitengebruikstelling, indien de restwaarde lager is dan de boekwaarde.

36

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=SittardGeleen&id=6d3d5c64-1118-4881-aeb2-83493036a5ab