06 Motivering TAM Graetheide nabij 21 Born
Tekst van het document
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22a Graetheide Ong. Born Motivering Gemeente Sittard-Geleen
Projectgegevens: Projectnummer: Datum:
4 augustus 2025
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22a Graetheide Ong. Born Motivering Gemeente Sittard-Geleen
Status:
NL.IMRO.1883.TAMOPGraetheideongON01 concept
Vestiging Baexem Kerkstraat 2 6095 BE BAEXEM 0475 - 45 92 60
Vestiging Ubachsberg Kerkstraat 4 6367 JE VOERENDAAL 045 - 575 32 55
IDN-nummer:
info@aelmans.com www.aelmans.com Op onze dienstverlening zijn de algemene voorwaarden van Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V. van toepassing die u vindt op www.aelmans.com. Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V. is inschreven bij de Kamer van Koophandel onder nummer 14091320. Alleen aan het volledige originele document kunnen rechten worden ontleend door de opdrachtgever. Derden (met uitzondering van bevoegde gezagen) kunnen geen rechten ontlenen aan dit rapport. Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V. is niet aansprakelijk voor schade die direct dan wel indirect voortvloeit uit conclusies, aannames en/of aanbevelingen die vermeld staan in dit rapport. Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V. is niet aansprakelijk voor mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van dit rapport zelf neemt.
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding
5
Hoofdstuk 2 Plangebied en planontwikkeling
7
2.1 2.2 2.3 2.4
7 8 10 11
Plangebied Bestaande situatie Nieuwe situatie Ruimtelijk-visuele effecten
Hoofdstuk 3 Planologisch-juridische situatie
13
3.1 3.2
Bestemmingsplan 'Kern Graetheide' Facetbestemmingsplan 'Parkeren'
13 14
Hoofdstuk 4 Beleid en regelgeving
15
4.1 4.2 4.3
Rijksbeleid en regelgeving Provinciaal beleid en regelgeving Regionaal beleid
15 17 23
4.4
Gemeentelijk beleid en regelgeving
24
Hoofdstuk 5 Aspecten fysieke leefomgeving
27
5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8 5.9 5.10 5.11 5.12
27 28 29 29 30 32 35 36 39 42 43 45
Bodemkwaliteit Geluid Bedrijvigheid Kwaliteit van de buitenlucht Omgevingsveiligheid Cultureel erfgoed Wegen, verkeer en parkeren Water Natuur Kabels, leidingen en vrijwaringszones Duurzaamheid en klimaat M.e.r.-beoordeling
Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid
47
6.1 6.2
Participatie en omgevingsdialoog Financiële uitvoerbaarheid
47 50
Hoofdstuk 7 Artikelsgewijze toelichting
53
7.1 7.2
53 55
TAM-Omgevingsplan Procedure
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Graetheide ong. Born
3
Motivering
4
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Graetheide ong. Born
Hoofdstuk 1
Inleiding
Het is voornemen om een bouwkavel te realiseren aan de Graetheide ong. te Born, tussen de bestaande woningen aan de Graetheide 21 en 23.
Uitsnede topografische kaart met aanduiding plangebied. Voorliggend voornemen is strijdig met het ter plekke vigerende bestemmingsplan 'Kern Graetheide', zoals vastgesteld op 19 december 2012 door de gemeenteraad van Sittard-Geleen. Dit bestemmingsplan maakt sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 onderdeel uit van het tijdelijke deel van het 'Omgevingsplan gemeente Sittard-Geleen'. In de geldende planologisch-juridische regeling zijn géén binnenplanse afwijkingsmogelijkheden opgenomen waarmee de het voornemen alsnog zou kunnen worden vergund. De gemeente Sittard-Geleen heeft middels brief d.d. 19 december 2024 (Bijlage 1) te kennen gegeven onder voorwaarden principemedewerking te willen verlenen aan het voornemen middels een aanpassing in het omgevingsplan. Aan de hand van onderhavige tijdelijke alternatieve maatregel (TAM), wordt een wijzigingsbesluit verzocht bij het bevoegd gezag via de IMRO-standaard. Dit TAM-Omgevingsplan dient als wijzigingsbesluit via de technieken van IMRO. Voor het opnemen in een later geconsolideerd omgevingsplan is een nieuw wijzigingsbesluit nodig conform de Standaard officiële publicaties (STOP) met bijbehorende toepassingsprofielen (TPOD). Onderhavige motivering is opgesteld ter motivering bij het te nemen wijzigingsbesluit.
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Graetheide ong. Born
5
6
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Graetheide ong. Born
Hoofdstuk 2 2.1
Plangebied en planontwikkeling
Plangebied
Onderhavig plangebied ligt aan doodlopende (zij)straat van de Graetheide, achter nummer 21 en naast nummer 23, in het gelijknamige buurtschap ten zuidwesten van de dorpskern Born. De Graetheide is de hoofdweg welke door de buurtschap loopt. De percelen liggende rondom het plangebied hebben allemaal een woonfunctie.
Luchtfoto met aanduiding plangebied
Kadastraal betreft de locatie het perceel Gemeente Sittard-Geleen, perceel Born - sectie I - nummer 1922 (groot: 980 m²).
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Graetheide ong. Born
7
Kadastrale kaart met aanduiding plangebied (rood omlijnd)
2.2
Bestaande situatie
Onderhavig plangebied maakte voorheen onderdeel uit van het woonperceel aan de Graetheide 21. Betreffend deel is momenteel onbebouwd en in gebruik als (verwilderde moes)tuin en huisweide. De bestaande situatie ter plekke van het plangebied wordt gevisualiseerd aan de hand van onderstaand beeldmateriaal.
8
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Graetheide ong. Born
Obliek bestaande situatie
Foto vanuit woonhuis Graetheide 21
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Graetheide ong. Born
9
Foto straataanzicht
2.3
Nieuwe situatie
Onderhavig planvoornemen bestaat uit het realiseren van een nieuw woonperceel waarop, op een later tijdstip, ter plekke een nieuwe levensloopbestendige/nultredenwoning gerealiseerd kan worden. De maatvoeringen van het nieuwe woonperceel (overeenkomend met onderhavig plangebied) zijn weergegeven in onderstaande afbeelding.
Afmetingen woonperceel
10
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Graetheide ong. Born
Voor de toedeling van de functies ter plekke wordt aangesloten bij de op aangrenzende woonpercelen van toepassing zijnde planologisch-juridische situatie. De naar de weg gekeerde bouwgrens van het nieuwe bouwvlak wordt in lijn met de voorgevelrooilijn van naastgelegen woning aan de Graetheide 23 geplaatst. Omwille van het open houden van de visuele connectie met het landelijk gebied aan de achterzijde wordt het bouwvlak op 5 meter uit beide perceelsgrenzen geplaatst. De diepte van het bouwvlak zelf bedraagt 15 meter, analoog aan de voor aangrenzende woonpercelen geldende regelgeving voor de diepte van hoofdgebouwen op de begane grond. In onderstaande afbeelding is vorenstaande omschreven beoogde situatie ter plekke van onderhavig plangebied gevisualiseerd.
Beoogde planologisch-juridische situatie plangebied
2.4
Ruimtelijk-visuele effecten
Ieder nieuwbouwplan gaat gepaard met het optreden van ruimtelijk-visuele effecten. Beoordeeld dient te worden of de effecten die optreden vanuit ruimtelijk-visueel oogpunt aanvaardbaar mogen worden gevonden. Voorliggende planontwikkeling ziet op het realiseren van een nieuwe bouwmogelijkheid zonder concreet bouwplan. Op grond van voorliggende wijziging van het omgevingsplan kan een concrete aanvraag omgevingsvergunning voor een nieuwe woning worden ingediend. Dergelijke aanvraag zal op dat moment worden beoordeeld aan de redelijke eisen van welstand.
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Graetheide ong. Born
11
Vanuit stedenbouwkundig oogpunt is de frontbreedte van het woonperceel op (circa) 20 meter bepaald. Deze breedte in combinatie met het plaatsen van het bouwvlak op tenminste 5 meter uit beide perceelsgrenzen maakt het mogelijk om de visuele connectie met het landelijk gebied aan de achterzijde open te houden. Daarnaast wordt hiermee voldoende ruimte tussen bouwvolumes gewaarborgd. Het bouwvlak is zodanig gepositioneerd dat het in het verlengde van de voorgevelriollijn van nummer 23 ligt. Hierdoor ontstaat een consistent ruimtelijk beeld waarbij voldoende afstand tussen de openbare weg en nieuwe voorgevel gewaarborgd is. Daarnaast is het groene karakter van de omgeving gewaarborgd, omdat de voor- en achterzijde van het perceel reeds als tuin bestemd zijn. Gelet op bovenstaande wordt geconcludeerd dat de ruimtelijk-visuele effecten van voorliggend project aanvaardbaar zijn.
12
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Graetheide ong. Born
Hoofdstuk 3
Planologisch-juridische situatie
Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 zijn alle geldende ruimtelijke plannen (bestemmingsplannen, wijzigingsplannen, e.d.) onderdeel geworden van het tijdelijk deel van het 'Omgevingsplan gemeente Sittard-Geleen'. Ter plekke van onderhavig plangebied zijn de volgende planologisch relevante regels van toepassing.
3.1
Bestemmingsplan 'Kern Graetheide'
Momenteel geldt ter plekke van onderhavig plangebied het bestemmingsplan 'Kern Graetheide', vastgesteld op 19 december 2012. Dit bestemmingsplan is met de inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel geworden van het tijdelijk deel van het 'Omgevingsplan gemeente Sittard-Geleen'. Ter plekke van onderhavig plangebied zijn de bestemmingen 'Wonen', 'Tuin' en 'Waarde - Archeologie 2' van toepassing.
Uitsnede bestemmingsplan Kern Graetheide met aanduiding plangebied (d.d. 6 maart 2025)
Onderhavig plangebied is in algemene zin bestemd voor reguliere woondoeleinden en (bijbehorenden) tuinen met daarbij behorende voorzieningen (zoals erven, water en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding e.d.). Op basis van artikel 9.2 sub a van het bestemmingsplan mag een hoofdgebouw enkel binnen een bouwvlak gebouwd worden. Aangezien onderhavig perceel geen bouwvlak heeft, mogen ter plekke geen hoofdgebouwen opgericht worden. Het realiseren van een nieuwe woning is op basis van het geldend planologisch-juridische kader dan ook niet mogelijk. Binnen het vigerende planologisch-juridische regime zijn geen binnenplanse en/of buitenplanse wijzigingsbevoegdheden opgenomen om het realiseren van een nieuwe woning ter plekke van onderhavig plangebied alsnog mogelijk te maken. Medewerking is enkel buitenplans mogelijk. Nu geen sprake is van een concreet bouwplan en het voornemen omvat het creëren van een rechtstreekse bouwmogelijkheid, is ervoor gekozen om de planontwikkeling te faciliteren door middel van het wijzigen van
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Graetheide ong. Born
13
het Omgevingsplan via voorliggend TAM-Omgevingsplan.
3.2
Facetbestemmingsplan 'Parkeren'
Op 13 september 2018 is het facetbestemmingsplan 'Parkeren' vastgesteld. Met dit facetbestemmingsplan is sprake van een gebiedsdekkende juridisch-planologische regeling waarin de waarmee een bestuursrechtelijke borging van de voor de gemeente Sittard-Geleen geldende parkeernormen is verankerd.
14
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Graetheide ong. Born
Hoofdstuk 4
Beleid en regelgeving
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het Rijks-, provinciale en gemeentelijke beleid en wordt het planvoornemen hieraan getoetst. Het rijksbeleid wordt besproken aan de hand van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en de instructieregels Rijk (AMvB's). Voor de beschrijving van het provinciale beleid is gebruik gemaakt van de Provinciale Omgevingsvisie (POVI) en de Omgevingsverordening Limburg (OvL). In relatie tot regionaal beleid wordt ingegaan op de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg (SVWZL) en beleidsregel 'Ruim baan voor goede woningbouwplannen'. Tot slot is het gemeentelijke beleid ontleend aan de diverse relevante gemeentelijke visies en beleidsregels.
4.1
Rijksbeleid en regelgeving
4.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: 'NOVI') vastgesteld. In de NOVI staat de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal, waarmee wordt bedoeld dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. In de NOVI wordt gebruik gemaakt van afwegingsprincipes bij het maken van keuzes: 1. 2. 3.
Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; Afwentelen wordt voorkomen.
In de NOVI zijn de volgende belangrijkste keuzes opgenomen: een klimaatbestendige inrichting van Nederland. Dat betekent dat Nederland zodanig wordt ingericht dat het land de klimaatveranderingen aankan. Daarvoor is nodig dat functies meer in evenwicht met natuurlijke systemen (bodem en water) worden ingepast; de verandering van de energievoorziening. Bij de inpassing van duurzame energie dient oog te zijn voor omgevingskwaliteit; de overgang naar een circulaire economie, waarbij Nederland tegelijk goed kan blijven concurreren en een aantrekkelijk vestigingsklimaat kan bieden; de ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland, waarmee wordt gestuurd op een goed bereikbaar netwerk van steden; het bij elkaar plaatsen van zogenaamde logistieke functies (bijvoorbeeld distributiecentra, datacenters) om hiermee de openheid en de kwaliteit van het landschap te behouden; het toekomstbestendig maken van het landelijk gebied in goed evenwicht met de natuur en landschap. Ter uitvoering van de in de NOVI gemaakte keuzes is een Uitvoeringsagenda opgesteld. Daarin staat hoe samen met medeoverheden en de samenleving uitvoering zal moeten worden gegeven aan de NOVI. In de Uitvoeringsagenda staat een overzicht van instrumenten voor de verschillende beleidskeuzes uit de NOVI.
De NOVI wordt uitgewerkt in algemene rijksregels, bestuurlijke afspraken, beleidsprogramma's, inzet van financiële middelen en kennisontwikkeling. Daarnaast wordt gebiedsgericht gewerkt met Omgevingsagenda's en NOVI-gebieden. In de NOVI wordt ten aanzien van Zuid-Limburg aangegeven dat de regio sociaaleconomische en fysieke opgaven heeft die van betekenis zijn in een bijzondere grensoverschrijdende omgeving (met regio's rond het Duitse Aken, het Waalse Luik en het Vlaamse Hasselt). De opgaven die te maken hebben met bereikbaarheid (drielandentrein), circulaire economie (Chemelot) en bevolkingsdaling (voormalige mijnstreek) zijn stuk voor
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Graetheide ong. Born
15
stuk fors en vragen alle drie internationale afstemming en overleg. Een rijksrol is daarbij noodzakelijk. Beoordeling Onderhavige ontwikkeling valt niet binnen een door het rijk in de NOVI gekenmerkte opgave en/of ontwikkeling. 4.1.2 Instructieregels Rijk (AMvB's) De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur: het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving. In deze AMvB's staan regels voor het praktisch uitvoeren van de wet. 4.1.2.1 Omgevingsbesluit Het Omgevingsbesluit richt zich tot alle partijen die in de fysieke leefomgeving actief zijn: burgers, bedrijven en de overheid. Het Omgevingsbesluit regelt in aanvulling op de wet onder meer welk bestuursorgaan het bevoegd gezag is om een omgevingsvergunning te verlenen en welke procedures gelden. Ook regelt dit besluit wat de betrokkenheid is van andere bestuursorganen bij de besluitvorming en een aantal op zichzelf staande onderwerpen, zoals de milieueffectrapportage en financiële bepalingen. 4.1.2.2 Besluit activiteiten leefomgeving Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat, samen met het Besluit bouwwerken leefomgeving, de algemene regels waaraan burgers, bedrijven en overheden zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving.
Ook bepaalt het besluit voor welke van deze activiteiten een omgevingsvergunning nodig is. Dit besluit bevat regels om het milieu, waterstaatwerken, wegen en spoorwegen, zwemmers en cultureel erfgoed te beschermen. De regels ter bescherming van het spoor en de zwemmers worden met het Invoeringsbesluit Omgevingswet ingevoegd. 4.1.2.3 Besluit bouwwerken leefomgeving Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) bevat, samen met het Besluit activiteiten leefomgeving, de algemene regels waaraan burgers en bedrijven zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Dit besluit bevat regels over veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid bij het (ver)bouwen van een bouwwerk, de staat van het bouwwerk, het gebruik van het bouwwerk en het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden.
4.1.2.4 Besluit kwaliteit leefomgeving Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat regels ter bescherming van de nationale belangen aan de hand van instructieregels, waaronder: waarborgen van veiligheid; beschermen van waterbelangen; beschermen van gezondheid en milieu, waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit; beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed, waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking; het behoud van ruimte voor toekomstige functies voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden; het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten, waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën.
16
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Graetheide ong. Born
Beoordeling In Hoofdstuk 5 van voorliggende motivering worden de aspecten van de fysieke leefomgeving behandeld. Voor zover de instructieregels relevant zijn voor de voorliggende ontwikkeling, worden deze regels in Hoofdstuk 5 bij het betreffende aspect behandeld. 4.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor plannen die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Het is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Op grond van artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) heeft de Ladder voor duurzame verstedelijking betrekking op een stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. De aard en omvang van het plan in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende substantieel is. Hierbij wordt rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling en, indien de ontwikkeling buiten het stedelijk gebied is voorzien, de mogelijkheden om binnen het stedelijk gebied in die behoefte te kunnen voorzien. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging of afwijking van de regels van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist. Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan voor een stedelijke ontwikkeling.
Op de vraag wanneer precies sprake is van een 'stedelijke ontwikkeling' heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zich gebogen in een overzichtsuitspraak d.d. 28 juni 2017 (zaaknummer: 201608869/1/R3). In die uitspraak is onder andere overwogen dat een woningbouwplan van 12 of meer woningen een stedelijke ontwikkeling betreft. Beoordeling Onderhavige ontwikkeling ziet op het realiseren van een bouwkavel binnen onderhavig projectgebied. Van een (nieuwe) stedelijke ontwikkeling is bij voorliggende ontwikkeling geen sprake, waardoor verdere toepassing van de lader voor duurzame verstedelijking niet aan de orde is. 4.1.4 Conclusie Rijksbeleid en regelgeving Gelet op vorenstaande is onderhavig planvoornemen niet in strijd met het beleid en de regelgeving op Rijksniveau.
4.2
Provinciaal beleid en regelgeving
4.2.1
ProvinciaalOmgevingsvisie (POVI)
4.2.1.1 Algemeen Op 15 december 2020 is de Omgevingsvisie vastgesteld door Gedeputeerde Staten, waarna vervolgens Provinciale Staten deze op 1 oktober 2021 hebben vastgesteld. De Omgevingsvisie Limburg is op 25 oktober 2021 in werking getreden. In algemene zin is de Omgevingsvisie een strategische en lange termijn visie (2030-2050) op de fysieke leefomgeving. In de visie worden onderwerpen zoals wonen, infrastructuur, milieu, water, natuur, landschap, bodem, ruimtelijke economie, luchtkwaliteit en cultureel erfgoed omschreven. Daarnaast worden tevens de aspecten gezondheid, veiligheid en een gezonde leefomgeving - indachtig de Omgevingswet - in de Omgevingsvisie meegenomen.
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Graetheide ong. Born
17
4.2.1.2 Hoofdopgaven In de omgevingsvisie worden door de provincie drie hoofdopgaven onderscheiden die Limburg-breed spelen. Weliswaar verschillen de accenten per gebied en per sector. De hoofdopgaven zijn: 1.
2. 3.
Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving: a. in stedelijk c.q. bebouwd gebied; b. in landelijk gebied; Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie); Klimaatadaptatie en energietransitie.
4.2.1.3 Limburgse principes en algemene zonering Bij het maken van afwegingen op het gebied van de fysieke leefomgeving hanteert de provincie de volgende principes: 4. 5. 6. 7.
gestreefd wordt naar een inclusieve, gezonde en veilige samenleving; de kenmerken en identiteit van gebieden staan centraal; meer stad, meer land; zorgvuldig omgaan met ruimte en voorraden, boven- én ondergronds.
Voor het toekomstbeeld voor Limburg hanteert de provincie een indicatieve zonering. De verschillende categorieën worden ondergebracht bij drie hoofdtypes: 1.
2.
3.
landelijke gebieden: a. groenblauwe mantel b. Natuurnetwerk Limburg (inclusief Natura2000-gebied) c. Buitengebied bebouwde gebieden: a. stedelijk gebied b. stedelijk centrum c. landelijke kern d. werklocaties infrastructuren: a. (inter)nationale weg b. provinciale weg c. (inter)nationale spoorweg d. (inter)nationale waterweg e. (lucht)haven f. (inter)nationale leidingstrook
Onderhavig projectgebied is gelegen in de zone 'landelijke kern'.
18
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Graetheide ong. Born
Provinciale zoneringenkaart met plangebied
Ten aanzien van de 'landelijke kernen' geeft de provincie in de omgevingsvisie het volgende aan: Landelijke kernen De leefbaarheid en vitaliteit van de kernen in het landelijk gebied is belangrijk. Een aantal kernen vervult op sommige terreinen een regionale verzorgende functie met onderwijs, zorg, cultuur, winkels en werklocaties. De zorg voor een goede kwaliteit van de leefomgeving en een goede bereikbaarheid zijn hier belangrijke uitgangspunten. Wanneer onderhavig initiatief wordt getoetst aan bovengenoemde waarde kan worden gesteld dat het voornemen, gezien de aard van de ontwikkeling (wonen), passend is binnen deze beleidsuitgangspunten van de Provincie Limburg. Het voornemen speelt zich af binnen een bestaande landelijke kern te midden van twee bestaande woningen. 4.2.1.4 Thematische visies De provincie onderscheidt in de omgevingsvisie de volgende thematische visies: wonen en leefomgeving veiligheid en gezondheid cultuur, sport en erfgoed economie werklocaties mobiliteit energie land- en tuinbouw water natuur landschap bodem en ondergrond
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Graetheide ong. Born
19
Per thema beschrijft de provincie in de omgevingsvisie het provinciale belang, de opgave, de ambities en waar de provincie voor kiest. Voor onderhavig project is sprake van een ontwikkeling gericht op wonen. Daarop wordt in de (provinciale) thematische visie 'Wonen en leefomgeving' ingegaan. Aangegeven wordt dat er op het gebied van wonen en leefomgeving veel uitdagingen en kansen liggen. Zo vermeldt de omgevingsvisie het volgende: 'De woningbehoeften van de Limburgers veranderen. Daarom kiezen wij voor een goed doordacht, flexibel beleid op hoofdlijnen. Hiermee spelen we in op de huidige opgaven én de te verwachten uitdagingen in de toekomst. De woonbehoeften van onze inwoners zijn hierbij leidend.' Voorts wordt het volgende aangegeven: 'Wat betreft onze ambitie is het succes van de woningmarkt onlosmakelijk verbonden met de sociaaleconomische- en gezondheidssituatie van de inwoners in de steden en dorpen en het voorkomen van segregatie. Door het in balans brengen van vraag en aanbod kunnen we een tekort aan woningen voor bepaalde doelgroepen voorkomen.
Daarnaast heeft dit een positief effect op ongewenste leegstand met de bijbehorende ondermijnings- en leefbaarheidsproblemen.' Het provinciale beleid ten aanzien van wonen heeft een vertaling gekregen in de in maart 2023 door partijen (provincie Limburg, alle gemeenten in Limburg, woningcorporaties, en waterschap) ondertekende 'Limburgse Woondeal 2023-2030'. In deze woondeal is afgesproken dat voor de drie woonregio's in Limburg (Noord-Limburg, Midden-Limburg en Zuid-Limburg) er minimaal 26.550 woningen bij komen. Daarbij is tevens de ambitie uitgesproken voor nog eens 20.000 woningen extra. Op grond van de woondeal wordt gestreefd naar een productie van circa 3.000 woningen per jaar. Met de Woondeal Limburg wordt gestreefd naar betaalbaar wonen voor iedereen. De insteek van voorliggende planontwikkeling is het kunnen realiseren van een levensloopbestendige c.q. nultredenwoning woning waarmee een bijdrage kan worden geleverd aan de doorstroming op de woningmarkt. 4.2.1.5 Gebiedsgerichte visies Naast de thematische visies gaat de provincie in de omgevingsvisie ook in op de gebiedsgerichte visies. Daarbij wordt ingegaan op de visie op bovenregionaal niveau, om vervolgens de visies voor Noord-, Middenen Zuid-Limburg uiteen te zetten. De provincie ziet grote uitdagingen voor de Limburgse steden en dorpen.
Deze moeten ook in de toekomst een aantrekkelijke en leefbare thuisbasis voor de inwoners zijn. De Limburgse steden en dorpen krijgen de komende decennia te maken met grote gecompliceerde vraagstukken en transities. Het is belangrijk om de transities en opgaven in het bebouwd gebied in samenhang op te pakken en te sturen aan de voorkant. Bij veel vraagstukken in het bebouwd gebied geldt dat de overheid, maatschappelijke organisaties en het bedrijfsleven samen oplossingen moeten vinden. De provincie geeft aan dat een belangrijke rol is weggelegd voor de gemeenten. Een toenemend aantal vraagstukken overstijgt echter het lokale niveau en vraagt om gezamenlijk optrekken van gemeenten in regionaal verband. De provincie wil de gemeenten daarbij ondersteunen. Op onderdelen geeft ze, gezien de provinciale belangen, ook richting aan die ontwikkeling. Daarbij kijkt de provincie breed, ook over provincie- en landsgrenzen heen. Verder blijven voor de provincie compacte steden het uitgangspunt. Nieuwe stedelijke ontwikkelingen moeten zoveel mogelijk een plek krijgen binnen het bebouwd gebied. Dit om de diversiteit tussen stad en land, tussen dynamisch en rustiger en tussen wonen, werken en recreëren als kwaliteit van de leefomgeving te kunnen behouden. Met instructieregels in de Omgevingsverordening blijven de provincie dit ladderprincipe en de keuze voor 'meer stad' ondersteunen.
Daarbij hebben is aandacht voor compacte binnensteden, het behoud van basisvoorzieningen en leefbaarheid. Hierbij zijn niet toevallige grenzen maar het dagelijks leefpatroon van de inwoners doorslaggevend. De provincie ondersteunt gemeenten bij het oplossen van vraagstukken op
20
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Graetheide ong. Born
het gebied van leefbaarheid en bij sociale opgaven met betrekking tot achterstanden in participatie, onderwijs en gezondheid. Beoordeling Voorliggende planontwikkeling past binnen het provinciale beleid zoals omschreven in de POVI. 4.2.2
Omgevingsverordening Limburg
4.2.2.1 Algemeen De Omgevingsvisie Limburg is een zelfbindend document en bindt daarmee enkel de provincie Limburg. Daar waar de provincie van mening is dat het noodzakelijk is om bindende regels te stellen voor de uitwerking van onderdelen van beleid in de POVI, dan gebeurt dit in de omgevingsverordening. In de Omgevingsverordening Limburg staan de provinciale regels op het gebied van milieu, provinciale wegen, (grond-)water, grond, landbouw, natuur, wonen en ruimte. De Omgevingsverordening Limburg bevat twee soorten regels: instructieregels gericht tot gemeenten of het waterschap. Dit zijn opdrachten aan de gemeenten en het waterschap die de gemeenten moeten verwerken in het gemeentelijke bestemmingsplan (Omgevingsplan) en het waterschap moet verwerken in de waterschapsverordening. Pas na het verwerken van de provinciale instructieregels in het gemeentelijke bestemmingsplan, of in de waterschapsverordening krijgen deze regels effect op activiteiten van inwoners en bedrijven. regels voor activiteiten die rechtstreeks voor alle inwoners en bedrijven gelden, of voor specifieke doelgroepen. 4.2.2.2 Gebiedsaanduidingen Bij de OvL behoren een aantal thematische kaarten. Deze kaarten zijn digitaal raadpleegbaar, waarbij op perceelniveau kan worden beoordeeld welke provinciale regels uit de OvL van toepassing zijn.
Ter plekke van onderhavig plangebied zijn een aantal gebiedsaanduidingen van toepassing; deze zijn opgenomen in onderstaande figuur. Op onderhavig planvoornemen zijn de volgende provinciale regels van toepassing:
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Graetheide ong. Born
21
Gebiedsaanwijzingen Omgevingsverordening Limburg ter plaatse van het plangebied
Instructieregels landelijke kernen In artikel 12.1 van de Omgevingsverordening Limburg is voorgeschreven dat bij de realisatie van één of meerdere woningen in de daartoe op te stellen motivering bij een omgevingsplan beschreven wordt dat: a. b. c.
d. e.
rekening is gehouden met de hoofdstukken 3 (Limburgse principes en algemene zonering) en 5 (wonen en leefomgeving) van de provinciale omgevingsvisie; sprake is van behoefte in kwaliteit en kwantiteit op basis van actueel onafhankelijk regionaal behoefteonderzoek; over de behoefte aan realisatie van deze woningen overeenstemming bestaat binnen de regio Noord-Limburg of Midden-Limburg of Zuid-Limburg. De regio's bepalen eigenstandig de regionale overeenstemming, organiseren hun eigen regionale overleggen en dragen zorg voor actuele regionale woonvisies en regionale onderzoeken; het omgevingsplan is opgenomen in de Limburgse systematiek van monitoring; realisatie van de woningen beoogd is binnen 5 jaar na vaststelling van het omgevingsplan en dat, als deze termijn niet wordt gehaald, hoe en wanneer de mogelijkheid tot realisatie van deze woningen komt te vervallen.
Voorliggende planontwikkeling impliceert de toevoeging van een extra woning. Deze woningtoevoeging past binnen de algemene beleidskaders van de provincie, alsook binnen het beleid van de gemeente (zie paragraaf 4.4). Op de afstemming woningtoevoeging met de (sub)regio wordt in paragraaf 4.3 ingegaan. Overstromingskansgebied E Op grond van de provinciale regels geldt, met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, voor 'overstromingskansgebied E' een gemiddelde overstromingskans van 1:100 per jaar als omgevingswaarde. Dit betreft een inspanningsverplichting voor het waterschap waaraan
22
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Graetheide ong. Born
uiterlijk in 2035 dient te zijn voldaan. Op het aspect water wordt later in paragraaf 5.8 van voorliggende motivering ingegaan. Beoordeling Voorliggende planontwikkeling past binnen de provinciale regels zoals opgenomen in de OvL. 4.2.3 Conclusie provinciaalbeleid en regelgeving Gelet op vorenstaande uiteenzetting vormt het relevante provinciale beleid en regelgeving geen belemmeringen voor onderhavig plan.
4.3
Regionaal beleid
4.3.1 Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg Op 19 november 2016 heeft de gemeenteraad van Sittard-Geleen ingestemd met de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg (SVWZL). De SVWZL is een gezamenlijke, Zuid-Limburgse ruimtelijke visie op de woningmarkt, opgesteld door de Zuid-Limburgse gemeenten. Op grond van het geldende bestemmingsplan is ter plekke van het projectgebied één wooneenheid toegestaan. In het kader van het geldende woningbouwbeleid, zoals vastgelegd is in de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg (SVWZL) en deels nader uitgewerkt in de beleidsregel 'Ruim baan voor goede woningbouwplannen 2021' (waarop hierna nader wordt ingegaan), betekent onderhavige project een (netto) toevoeging van twee wooneenheden. Op grond van beleidsafspraak VI van de SVWZL is voor deze netto toevoeging in beginsel compensatie vereist. Deze compensatie kan inhouden: Het onttrekken van een gelijk aantal woningen als netto beoogd is; Het onttrekken van bestaande plancapaciteit (1:1, 1:2 of 1:4) voor de netto toe te voegen woningen; Het leveren van een financiële bijdrage in het subregionale sloopfonds. Van deze compensatie kan echter ontheffing worden verleend als het bouwplan past binnen de beleidsregel 'Ruim baan voor goede woningbouwplannen 2021'.
Het actuele woningbouwbeleid is vastgelegd in de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg (SVWZL), aangevuld met de op 28 januari 2021 door de gemeenteraad van Sittard-Geleen vastgestelde beleidsregel 'Ruim baan voor goede woningbouwplannen 2021'. 4.3.2 Beleidsregel 'Ruim baan voor goede woningbouwplannen2021' Op grond van de nieuwe beleidsregel hoeven 'goede woningbouwplannen' niet meer te worden gecompenseerd. Of sprake is van een goed woningbouwplan wordt bepaald aan de hand van drie criteria: Criterium 1: Het plan heeft maatschappelijke meerwaarde Een woningbouwplan heeft maatschappelijke meerwaarde wanneer bijvoorbeeld sprake is van één van de volgende situaties: Aantoonbare verbetering van de leefbaarheid in centra en kernen; Herstructurering/vervangingsbouw van woningen; Hergebruik van winkels of (ander) bestaand waardevol vastgoed met passende woningbouw; Aantoonbare bijdrage aan de transformatie van de bestaande woningvoorraad. Daarbij wordt aangesloten op het ruimtelijke uitgangspunt dat inbreiding boven uitbreiding gaat.
Criterium 2: Het plan is planologisch aanvaardbaar
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Graetheide ong. Born
23
Een plan is (ruimtelijk) planologisch aanvaardbaar als het voldoet aan de Ladder van Duurzame verstedelijking (Besluit ruimtelijke ordening; artikel 3.1.6. lid 2) voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Dit betekent dat een beschrijving van de kwalitatieve en kwantitatieve behoefte nodig is: Criterium 2a: Het plan sluit aan bij de kwantitatieve behoefte Criterium 2b: Het plan sluit aan bij de kwalitatieve behoefte Criterium 3: Het plan is (sub)regionaal afgestemd Het derde criterium betreft subregionale afstemming, zodat gezamenlijke oordeelsvorming plaatsvindt en het gemeenschappelijk belang voorop blijft staan (geen onderlinge concurrentie en overschotten op subregionale niveau). De sub regio bepaalt of het plan aan de subregionale woningmarktprogrammering wordt toegevoegd.
Met het realiseren van een extra woning kan tegemoet worden gekomen aan huidige schaarste op de woningmarkt. Daarnaast zorgt het realiseren van nieuwe woning in Graetheide ervoor dat de leefbaarheid van het dorp op pijl gehouden wordt. Uit het Woonbehoefteonderzoek Sittard-Geleen (13 oktober 2023), waarop nader wordt ingegaan in paragraaf 4.4.2, blijkt voorts dat in de gemeente overall een behoefte bestaat aan nultredenwoningen. In dit woonbehoefteonderzoek wordt geadviseerd om in te zetten op dit type woningen. Aan dergelijk woningtype is in alle prijscategorieën (tot € 280.000, tussen € 280.000 en € 355.000, en meer dan € 355.000) behoefte. Verder wordt aangegeven dat het belangrijk is om rekening te houden met ouderen die graag in hun eigen dorp willen blijven wonen. Dit betreft de ouderen in de landelijke kernen of dorpslinten (waartoe Graetheide behoort). In het woonbehoefteonderzoek wordt geadviseerd om voor deze doelgroep geconcentreerd in kleine omvang passende woningen aan te bieden in deze dorpen. Voorliggend plan impliceert het kunnen realiseren van een nultredenwoning in het duurdere segment en komt daarmee tegemoet aan de in het woonbehoefteonderzoek geconstateerde woningbehoefte. Onderhavige woningtoevoeging is subregionaal afgestemd.
Deze Bestuurscommissie Wonen heeft ingestemd met de woningtoevoeging en de nieuwe woning toegevoegd aan de regionale woningmarktprogrammering. 4.3.3 Conclusie regionaal beleid Het plan is passend binnen het regionale (woning)bouwbeleid. Er bestaan geen onoverkomelijke belemmeringen met betrekking tot voorliggende planontwikkeling.
4.4
Gemeentelijk beleid en regelgeving
4.4.1 Omgevingsvisie 2025-2040 Samen stad en dorp maken In maart 2025 heeft de gemeenteraad van Sittard-Geleen de nieuwe omgevingsvisie vastgesteld. Dit betreft een langetermijnvisie op de fysieke leefomgeving waarin wordt ingegaan op onderwerpen zoals wonen, bedrijven, infrastructuur, landschap, water, natuur en erfgoed. Daarnaast wordt in de omgevingsvisie vastgelegd hoe de gemeente bijdraagt aan maatschappelijke doelen. De omgevingsvisie vormt het kader voor beleid, initiatieven en samenwerking met inwoners, organisaties en bedrijven. In de omgevingsvisie worden tien ambities c.q. beleidsprioriteiten uitgesproken: Ruimte voor ontmoeten Gezond bewegen Cultuur en erfgoed Goede woonkwaliteit Circulaire bedrijvigheid Duurzame logistiek
24
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Graetheide ong. Born
Gezondere en schonere omgeving Groene wijken en dorpen Water en bodem sturend Verbinding tussen Heuvelland en Maasvallei Op basis van de omgevingsvisie is onderhavig plangebied gelegen in de aanduiding 'Dorpen'. Binnen deze dorpen wordt onder andere ruimte geboden aan inbreiding met nieuwe woningen die voldoen aan de actuele woningbehoeften. Nieuwe woningen dienen levensloopbestendig of nultreden te worden uitgevoerd en zijn van voldoende kwaliteit en oppervlakte. Onderhavig voornemen past binnen de uitgangspunten van de gemeente zoals opgenomen in de omgevingsvisie. Sprake is van het creëren van een mogelijkheid tot realisatie van een nultredenwoning op een logische plek in Graetheide (inbreiding). 4.4.2 Woningbehoefteonderzoek Sittard-Geleen (WBO) Het woningbehoefteonderzoek Sittard-Geleen (13 oktober 2023) is uitgevoerd als verdieping op het woningbehoefteonderzoek voor de Westelijke Mijnstreek en de Provincie Limburg. Uit de WBO volgt dat binnen de gemeente sprake is van een afname van het aantal inwoners door natuurlijke krimp. De adviezen uit de WBO zijn: Optimaliseer kwalitatieve woningbouwprogrammering en zet nadrukkelijk in op nultredenwoningen. Zet instrumenten in om betaalbare woningen te realiseren. Betaalbare woningen staan onder druk vanwege de forse prijsstijgingen.
Daarnaast is het zeer lastig om voldoende betaalbare woningen te realiseren door onder andere sterk opgelopen bouwkosten. Zorg voor een gedifferentieerd programma om diversiteit en leefbaarheid op gebiedstypeniveau te behouden en/of vergroten. Dit advies wordt gegeven ondanks dat er veel overlap bestaat in de woningbehoefte tussen de verschillende gebiedstypen en deze deels inwisselbaar zijn, vooral binnen de kernen. De reden achter dit advies is het behouden en/of vergroten van de diversiteit en leefbaarheid door het toevoegen van kwalitatief sterke woningen. Zet in op een adaptief en anticyclisch woningbouwprogramma. Hierbij gaat het om een integrale samenwerking tussen wonen, gebiedsontwikkeling, planeconomie en de corporaties. 1. Voor de lange termijn gaat het om adaptief programmeren gericht op flexibiliteit om zo mee te kunnen bewegingen met de ontwikkelingen op de woningmarkt. 2. Voor de korte termijn gaat het om proactief programmeren gericht op doorbouwen door in te zetten op segmenten die robuust zijn (waar in alle scenario's behoefte aan is) en minder gevoelig zijn voor acute marktontwikkelingen. Denk na over geclusterde woonvormen voor ouderen om doorstroming te bevorderen. Monitor demografische en economische kantelpunten. Benut flexibele en tijdelijke woonvormen voor korte termijn vraag.
In de WBO zijn de huishoudensontwikkelingen uiteengezet waarbij rekening is gehouden met het woonmilieu en inkomen van huishoudens. Daaruit volgt dat behoefte bestaat aan nultredenwoningen in de huursector en in de koopsector (in alle prijsklassen) met name voor de doelgroep ouderen. Daarnaast bestaat een overschot aan niet-toekomstbestendige koopwoningen en sociale huurappartementen zonder lift, zowel op korte als op lange termijn. Onderhavig planvoornemen past binnen de woningbehoefte daar een mogelijkheid voor een nultreden-/levensloopbestendige woning ontstaat. De precieze vorm en omvang van deze woning wordt op een later tijdstip bepaald en beoordeeld in het kader van de te doorlopen vergunningprocedure.
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Graetheide ong. Born
25
4.4.3 Beleidsregel kwalitatieve woningtoevoegingen Sittard-Geleen 2024 De gemeenteraad van Sittard-Geleen heeft op 26 november 2024 de Beleidsregel kwalitatieve woningtoevoegingen Sittard-Geleen 2024 vastgesteld. Het doel van deze beleidsregel is het zorgen dat nieuwe woningen van voldoende kwaliteit zijn, waarbij een minimaal oppervlak de grondslag daarvoor biedt. Uit artikel 2 van deze beleidsregel volgen de voorwaarde voor het via een buitenplanse omgevingsplanactiviteit realiseren van één of meerdere woning: de gebruiksoppervlakte van de nieuw te realiseren woning bedraagt minimaal 70 m2 ; in een vrijstaand bijgebouw wordt geen woning gerealiseerd; de belangen van gebruikers en/of eigenaren van nabijgelegen gronden en bouwwerken worden niet onevenredig geschaad; de nabijgelegen bedrijven worden niet in hun bedrijfsvoering (en uitbreidingsmogelijkheden) beperkt; op eigen terrein wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid conform het geldend parkeerbeleid; en van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is sprake. Aan de eis betreffende de gebruiksoppervlakte kan het bevoegd gezag afwijken voor zover deze afwijking naar haar oordeel evenredig is en door bijzondere omstandigheden en gelet op de met de beleidsregel te dienen doelen noodzakelijk is (artikel 6 Beleidsregel).
Voor de nieuwe woning gelden gelet op artikel 7 van deze beleidsregel de volgende aandachtspunten: de nieuw te realiseren woning wordt zo veel mogelijk duurzaam en klimaatbestendig gerealiseerd; de nieuw te realiseren woning beschikt over een buitenruimte, zoals tuin, dakterras of balkon; de nieuw te realiseren woning beschikt over voldoende opslagruimte, onder andere ten behoeve van het huishoudelijk afval en de stalling van fietsen; de nieuw te realiseren woning beschikt over voldoende daglichttoetreding; de nieuw te realiseren woning wordt zoveel mogelijk levensloopbestendig gerealiseerd. Onderhavig planvoornemen past binnen deze beleidsregel daar de bouwkavel groot genoeg zal zijn om aan de minimaal vereiste gebruiksoppervlakte te voldoen. Het minimale gebruiksoppervlakte van 70 m² wordt voorts in de regels behorende bij voorliggend plan vastgelegd. Daarbij komt dat op het perceel geen bijgebouwen aanwezig zijn en de belangen van de eigenaren/gebruikers van nabijgelegen gronden niet geschaad zullen worden. Deze eigenaren/gebruikers dienen op dit moment reeds rekening te houden met de woonfunctie van het perceel. Enkel een woning wordt toegevoegd. Verder bevinden zich geen bedrijven in de directe omgeving van het plangebied. Betreffende de aandachtspunten geldt dat de duurzaamheid in het Bbl wordt geregeld.
Aan de regels uit paragraaf 4.4 van het Bbl dient de woning te voldoen als daarvoor een omgevingsvergunning aangevraagd wordt. Het perceel heeft aan de voor- en achterzijde een ruime buitenruimte. Ook biedt het perceel de mogelijkheid om aan de andere aandachtspunten te voldoen, maar hiervoor kan nog geen concrete invulling aan gegeven worden gelet op de aard van onderhavig voornemen. Dat de woning levensloopbestendig gerealiseerd wordt, wordt in de regels behorende bij voorliggend plan gewaarborgd. De eis betreffende parkeergelegenheid zal behandeld worden als onderdeel van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties in Hoofdstuk 5. 4.4.4 Conclusie gemeentelijk beleid en regelgeving Gelet op vorenstaande uiteenzetting van het gemeentelijk beleid wordt geconcludeerd dat onderhavig planvoornemen niet strijdig is met het gemeentelijk beleid.
26
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Graetheide ong. Born
Hoofdstuk 5
Aspecten fysieke leefomgeving
Bij de realisatie van een planontwikkeling moet rekening gehouden worden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de voor het onderhavige plan relevante aspecten.
5.1
Bodemkwaliteit
5.1.1 Algemeen Indien sprake is van een planologische functiewijziging, dient te worden aangetoond dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies in de fysieke leefomgeving ter plekke. Ofwel dient bezien te worden of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse geschikt is voor het voorgenomen gebruik. De regels met betrekking tot aspect bodemkwaliteit zijn opgenomen in het Bkl. De inhoud van deze regels is opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 (Bkl). Dit besluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Als uitgangspunt geldt dat onaanvaardbare risico's voor de gezondheid van de mens vanwege het gebruik van de bodem dienen te worden voorkomen (artikel 2.28, lid i Omgevingswet). In dit kader is het van belang om na te gaan wat de kwaliteit van de bodem binnen het projectgebied is en of dit nog aanvaardbaar c.q. toelaatbaar wordt geacht voor de beoogde functietoedeling. Bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie moet de kwaliteit van de bodem ten minste voldoen aan daarvoor gestelde interventiewaarden (bijlage IIA Bal). De gemeente kan echter in haar Omgevingsplan ook afwijkende lokale waarden vastleggen, voor zover de maximale grenswaarden als bedoeld in artikel 5.89j, tweede lid, van het Bkl niet worden overschreden.
5.1.2 Beoordeling Voorliggend project voorziet in het mogelijk maken van een nieuwe bodemgevoelig gebouw (woning). In dat kader is ten behoeve van het project een bodemonderzoek uitgevoerd om te kunnen beoordelen of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. De rapportage van dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 2. Uit het uitgevoerde onderzoek blijkt dat visueel geen specifieke verontreinigingen of bodemvreemde materialen zijn aangetroffen. Uit de analyse van het analysitische onderzoek van de boven- en ondergrond blijkt dat in de ondergrond bij één boorpunt een lichte overschrijding is aangetroffen welke de normwaarden overschrijden. Op basis van een indicatieve toetsing kan de boven- en ondergrond als klasse Landbouw/Natuur bestempeld worden en wordt als 'onverdacht' aangemerkt. Gelet op de bevindingen van het bodemonderzoek en het analystisch asbestonderzoek wordt de grond als 'onverdacht' op asbest aangemerkt. 5.1.3 Conclusie bodemkwaliteit Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'bodemkwaliteit' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het omgevingsplan.
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Graetheide ong. Born
27
5.2
Geluid
5.2.1 Algemeen Als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de regels over geluid uit het Activiteitenbesluit milieubeheer komen te vervallen. Deze regels zijn tijdelijk verhuisd naar het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente ('de bruidsschat'). Gemeenten zijn aan zet om gedurende de overgangsperiode (tot 1 januari 2032) eigen regels over geluid op te nemen in het omgevingsplan, mits daarbij wordt voldaan aan de bepalingen uit het Bkl. Zolang een gemeente nog geen eigen regels heeft, zijn regels voor geluid opgenomen in afdeling 22.3 en 22.4 van het omgevingsplan. Voor niet-lokale infrastructuur stelt het Rijk of de provincie regels in een projectbesluit. Bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelige gebouw moet het bevoegd gezag het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. De instructieregels hierover in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) heeft het Rijk gesteld voor de bescherming van de gezondheid en het milieu. Beoordeeld dient te worden of sprake is van het realiseren van een geluidgevoelig gebouw (3.21 Bkl) of geluidgevoelige ruimte (3.22 Bkl). Indien hiervan sprake is, dient tevens te worden beoordeeld of sprake is van de ligging in een geluidaandachtsgebied (3.20 Bkl).
Wanneer nieuwe activiteiten worden toegelaten in het omgevingsplan, zijn instructieregels voor activiteiten van toepassing (5.59 Bkl). In deze paragraaf wordt ingegaan op geluid door wegen, spoorwegen, en industrieterreinen. In paragraaf 5.3 wordt ingegaan op geluid door (bedrijfs)activiteiten. 5.2.2
Beoordeling
Bij voorliggend project is sprake van het kunnen realiseren van een nieuw geluidgevoelig gebouw. Ten behoeve van onderhavig voornemen is akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidsbelasting op de gevel ten gevolgen van het omliggende wegennet. Deze geluidsbelasting is getoetst aan de normstelling uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. Tevens is bepaald wat de gezamenlijke geluidsbelasting ter hoogte van de bouwkavel is, zodat bepaald kan worden of extra geluidswerende maatregelen noodzakelijk zijn. De berekeningen van de geluidsbelasting zijn uitgevoerd met behulp van de rekenmethode, volgens de Aanvullingsregeling geluid Omgevingswet. Hiertoe is gebruik gemaakt van het rekenprogramma Geomilieu van DGMR. De rapportage van dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 3. Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek is gebleken dat de standaardwaarde van 50 dB op geen enkele gevel overschreden wordt. Dit betekent dat geen maatregelen getroffen hoeven te worden. Daar het gezamenlijk geluid kleiner of gelijk is aan 53 dB is nader onderzoek voor het bepalen van de gevelwering niet nodig. Bij toepassing van standaard bouwmaterialen is een binnenniveau van 33 dB gewaarborgd. 5.2.3 Conclusie geluid Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'geluid' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het omgevingsplan.
28
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Graetheide ong. Born
5.3
Bedrijvigheid
5.3.1 Algemeen Bij een ontwikkeling in de fysieke leefomgeving dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en (waar mogelijk) te bevorderen. Bij de milieuzonering kan gebruik worden gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) vervaardigde nieuwe VNG-handreiking 'Activiteiten en milieuzonering (2024)'. In tegenstelling tot de eerdere VNG-uitgave(n) wordt niet meer gebruikgemaakt van zones met oplopende milieucategorieën en een Lijst van activiteiten, echter gaat de nieuwe handreiking uit van zones met oplopende beschikbare milieugebruiksruimte per activiteit, zónder een Lijst van activiteiten bij de regels. Deze nieuwe systematiek sluit beter aan bij de integratie van ruimte en milieu onder de Omgevingswet. 5.3.2 Beoordeling De meest nabijgelegen bestaande bedrijfsactiviteiten zijn gevestigd op circa 75 meter (Graetheide 6: specifiek bestemd voor tentenverhuur) en op circa 95 meter afstand (Graetheide 24: bestemd als groothandel in bouwmaterialen). Deze bestaande bedrijfsactiviteiten zijn niet van invloed op het woon- en leefklimaat ter plekke van onderhavig plangebied.
Daarnaast wordt als gevolg van voorliggende planontwikkeling geen nieuwe bedrijfsactiviteiten mogelijk gemaakt die van invloed kunnen zijn op het woon- en leefklimaat in de (directe) omgeving. 5.3.3 Conclusie bedrijfsmatige activiteiten Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'bedrijvigheid' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het omgevingsplan.
5.4
Kwaliteit van de buitenlucht
5.4.1 Algemeen Bij een evenwichtige toedeling van functies dient ook rekening gehouden te worden met het belang van de bescherming van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Ow). Omdat luchtverontreiniging kan zorgen voor negatieve gezondheidseffecten bij de mens, is het belang om het thema luchtkwaliteit hierin mee te nemen. Een afwijking van het omgevingsplan kan invloed hebben op de luchtkwaliteit en op de gezondheid van de mens. Daarom dienen deze gevolgen in kaart te worden gebracht. Ten behoeve van voorliggend project zijn de relevante wijzigingen ten aanzien van luchtkwaliteit geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid van de afwijking van het omgevingsplan beoordeeld. Dit is gedaan aan de hand van de instructieregels vermeld in paragraaf 5.1.4 in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). 5.4.2 Toetsing In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is aangegeven in welke gevallen een beoordeling van de luchtkwaliteit noodzakelijk is (paragraaf 5.1.4.1). Of een beoordeling nodig is, hangt af van de activiteit, de locatie en het effect van de activiteit en de mate van het effect. Binnen de getalsmatige grenzen van de 'Standaardgevallen NIBM, zoals opgenomen in artikel 5.54 van het Bkl, draagt een plan altijd 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.
Volgens artikel 5.54 onder b van het Bkl leidt het toelaten van gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie van stikstofoxide (NO2) en fijnstof (PM10) van 1,2 ug/m3 of minder als het gaat over het toelaten van woonfuncties of nevengebruiksfuncties daarvan, met:
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Graetheide ong. Born
29
één ontsluitingsweg: ten hoogste 1.500 woningen; of twee ontsluitingswegen: ten hoogste 3.000 woningen. Bij voorliggend planvoornemen is geenszins sprake van een project van dergelijke omvang. Het voornemen ziet op het realiseren van één bouwkavel binnen de lintbebouwing van Graetheide. Deze lintbebouwing is gelegen aan de ontsluitingsweg 'Graetheide/Oude Baan' en behoort tot een kleine buurtschap. Gesteld kan worden dat het voornemen binnen de 'Standaardgevallen NIBM' en zo ook het 3% criterium van de NIBM-grens blijft. De voorgenomen ontwikkeling draagt hierdoor 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. 5.4.3 Conclusie kwaliteit van de buitenlucht Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'kwaliteit van de buitenlucht' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het omgevingsplan.
5.5
Omgevingsveiligheid
5.5.1 Algemeen Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met risico's van branden, rampen en crises (paragraaf 5.1.2 Bkl). We willen in Nederland gezond en veilig leven, maar ook ruimte voor economische groei behouden. Daarbij speelt ook omgevingsveiligheid een rol. Bij omgevingsveiligheid gaat het om de risico's van het gebruik en transport van gevaarlijke stoffen over weg, spoor, water of via buisleidingen, de veiligheid van bedrijven en de veiligheid van nieuwe, zich snel ontwikkelende technologieën. Daarbij gaat het om de 'feitelijke' risico's (met soms grote onzekerheden), maar ook om hoe risico's worden ervaren. De aanwezige risico's zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg en het water) en kabels en leidingen. Deze aspecten worden in de navolgende (sub)paragrafen nader toegelicht. Ten aanzien van risico's wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico betreft de kans per jaar dat iemand, die continu en onbeschermd op een plek verblijft, overlijdt als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen.
Daarvoor geldt een grenswaarde van 10-6, ofwel een kans van maximaal 1 op één miljoen. Deze grenswaarde dient volgens het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in het Omgevingsplan in acht te worden genomen voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties geldt dat slechts rekening moet worden gehouden met de grenswaarde. Groepsrisico Het groepsrisico drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen (minimaal 10) overlijdt, als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het aandachtsgebied van een risicovolle activiteit. 5.5.2 Beoordeling Voor het in beeld brengen van mogelijke veiligheidsrisico's is het Register Externe Veiligheid (REV) online geraadpleegd. Op deze kaart is informatie opgenomen over transportroutes, buisleidingen en risicovolle activiteiten.
30
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Graetheide ong. Born
Uitsnede Atlas Leefomgeving - Register Externe Veiligheid, 2024
Uit het REV blijkt dat de volgende risicovolle activiteiten in de omgeving van het plangebied plaatsvinden. Buisleiding Op ongeveer 163 meter afstand van het plangebied is een buisleiding gelegen. Gelet op artikel 5.13 lid 1 sub b jo. Bijlage VII onderdeel D2 geldt bij een buisleiding een te berekenen afstand. Uit het REV volgt dat voor deze buisleiding een brandaandachtsgebied bestaat van circa 33 meter. Daarnaast geldt hierbij de contour PR 10-6. Uit de REV blijkt dat deze strak rondom de buisleiding aanwezig is. Vorenstaande contour heeft derhalve geen tot weinig effect op de directe omgeving, laat staan onderhavig planvoornemen. Basisnet Water Op ongeveer 249 meter afstand van het plangebied is een Basisnet Water, het Julianakanaal, gelegen. Gelet op artikel 5.13 lid 1 sub a jo. Bijlage VII onderdeel C van het Bkl geldt bij een Basisnet Water een brandaandachtsgebied van 30 meter en een explosieaandachtsgebied van 200 meter. Het gifwolkaandachtsgebied bedraagt, gelet op het REV, circa 299 meter. Gelet op vorenstaande ligt onderhavig plangebied binnen het gifwolkaandachtsgebied van deze basisnet. De ligging binnen dit aandachtsgebied impliceert dat rekening gehouden moet worden met de bereikbaarheid voor hulpdiensten. Onderhavig planvoornemen levert geen veranderingen op voor de bereikbaarheid van hulpdiensten.
Zij dienen in geval van nood gebruik te maken van dezelfde routes als voor de woningen in de omgeving van het plangebied. Daarbij komt dat de woning aan de rechterzij van twee kanten uit benaderd kan worden terwijl de woning die schuin tegenover het plangebied ligt slechts van één zijde goed bereikbaar is. Betreffende de vluchtmogelijkheden zal in het toekomstige bouwplan rekening moeten worden gehouden met de veiligheid. Hieraan kan de gemeente in dat geval ook nadere eisen stellen.
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Graetheide ong. Born
31
Voor onderhavig planvoornemen brengt het gifwolkaandachtsgebied geen verdere risico's met zich mee welke reeds nu gewaarborgd moeten worden. Het gifwolkaandachtsgebied speelt vooral een rol bij woningbouw. Voor nieuwbouw wordt hier invulling aan gegeven in het Bbl qua afsluitbaarheid mechanische ventilatie. Derhalve vormt dat het gifwolkaandachtsgebied geen belemmering voor onderhavig planvoornemen vormt. 5.5.3 Conclusies omgevingsveiligheid Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'omgevingsveiligheid' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het omgevingsplan.
5.6
Cultureel erfgoed
5.6.1 Algemeen In de Omgevingswet wordt cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving als volgt afgebakend: 'monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het Omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet'. Bij 'ander cultureel erfgoed' gaat het zowel om roerend erfgoed ('cultuurgoederen') als immaterieel cultureel erfgoed voor zover dat aan een specifieke plek gebonden is. De gemeente moet voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime opnemen in het Omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving staan hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze regels gaan over: ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; verplaatsing van beschermde monumenten; gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; aantasting van de omgeving van een beschermd monument; aantasting van karakteristieke stads- of dorpsgezichten en cultuurlandschappen; conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. 5.6.2
Beoordeling
5.6.2.1 Archeologie De Erfgoedwet en de Omgevingswet regelen de omgang met het archeologisch erfgoed. Uitgangspunt van de wetgeving is om het archeologisch erfgoed zoveel mogelijk ter plekke te bewaren en beheermaatregelen te nemen om dit te bewerkstelligen. Op grond van deze wetten worden gemeenten verantwoordelijk geacht voor de bescherming van archeologische waarden. In 2012 heeft de gemeente Sittard-Geleen de 'beleidsnota Archeologie en Monumenten gemeente Sittard-Geleen' vastgesteld. Onderdeel van deze beleidsnota is een archeologische beleidskaart, die gebaseerd is op een aantal archeologische verwachtingskaarten. De archeologische verwachtingskaarten geven inzicht in de (verwachte) aanwezigheid van archeologische resten. De verwachtingskaarten zijn vervolgens omgezet naar één beleidskaart. Op de archeologische beleidskaart zijn gebieden waarvoor dezelfde beleidsuitgangspunten gelden samengevoegd. Zo zijn er 7 archeologische beleidscategorieën ontstaan (zie onderstaande tabel). Beleidscategorie 1 2 3