03 Zienswijze Prorail
Tekst van het document
wf{ ProRait AANGETEKEND De gemeenteraad van de de gemeente Sittard-Geleen
Postbus 18 6130 AA Sittard
q
Csmeente n
02 Ol(T, 2024 lngekomen
Darum 1 oktober 2024
Eigenaar
ons kenmerk LJV/MH/01 102024-1
Telefoonnummer
ondeÍwerp Sittard-Geleen;Ontwerp omgevingsvisie Sittard-Geleen 20252040 en de bijbehorende
Marc Heinen 088 231 14 36 marc. heinen@prorail. n I
om gevi n gseffectrapporta ge
Geachte Raad,
Financiön Leefomgeving, Juridische zaken en Vastgoed
Bezoekadres Tulpenburgh Moreelsepark 2 3511 EP Utrecht
Nederland
Postadreg Postbus 2038 3500 GA Utrecht
Nedeíand
M.prorail.nl
De ontwerp omgevingsvisie Sittard-Geler-n202$2040 en de bijbehorende omgevingseffectrapportage, welke met ingang van 12 september 2024lol en met 27 oldober 2024 ter inzage liggen, geeft ProRail aanleiding om de volgende zienswijze in te brengen.
ProRail heeft, als landelijk spoorbeheerder, een visie op de omgeving van het spoor. We delen deze graag met u, zodat u dit mee kunt nemen in de "Omgevingsvisie Sittard-Geleen 20252040" en de bijbehorende om gevi ngseffectrapporta ge. Meer informatie vindt u hier: documen https://www.prorail.nl/siteassets/homepaqe/samenwerken/overheden/documenten/pr t-ororail-en-de-omqevinqsvisies. pdf Ontwikkelinqen ProRail ziet bereikbaarheid per spoor als belangrijke voorwaarde voor ruimtelijke ontwikkelingen die ook een mobiliteitsbehoefte hebben. ProRailwil meedenken bij nieuwbouw van woningen langs het spoor in de nabijheid van stations, de verdichting rond stations en de vrije baan. Dat draagt bij aan de duuzame OV-bereikbaarheid in Nederland. Bouwen nabij het spoor is een samenspel met meerdere belangen dat ook afiaregingen noodzakelijk maakt. ProRail wil daarbij graag een aantal aandachtspunten benoemen die in de uitwerking een rol zouden moeten spelen, met als uitgangspunt dat de bedrijfsvoering en eventueel toekomstige uitbreidingen van ProRail niet worden belemmerd. Verder verzoekt ProRail uw gemeente om haar actief te betrekken bij het verder ontwikkelen van bouwplannen in de directe nabijheid van de spoorbaan, teneinde in gezamenlijk overleg tot overeenstemming te komen c.q. afspraken te maken alvorens tot uitvoering zal worden overgegaan.
Aspect Externe Veiliqheid ProRail vezoekt u voor het aspect Externe Veiligheid in relatie tot Railverkeer gebruik te maken van de meest recente gegevens (Basisnet).
PÍoRàl b.v., Kvk 301 24359
ProRail Aspect Geluid ProRail wijst u erop dat voor het aspect Geluid in relatie tot railverkeer in een akoestisch onderzoek de wettelijk verplichte brongegevens uit het geluidregister spoor gebruikt dienen te worden. Het gebruik van deze brongegevens borgt dat de toekomstige bewoners geen hogere geluidbelasting gaan ondervinden dan op basis van de wettelijke geluidproductieplafonds verwacht mag worden. Aspect Trillinoen ProRail beoogt niet alleen voor gemeenten en provincies die plannen maken in de spooromgeving, maar ook voor toekomstige bewoners rond het spoor een "goede buur" te zijn. lndien de Omgevingsvisie Sittard-Geleen 2025-2040 en de bijbehorende omgevingseffectrapportage en alle in de toekomst daarop gebaseerde ruimtelijke plannen, bebouwing dichtbij het spoor mogelijk maken, kan trillinghinder voor de toekomstige bewoners/gebruikers ontstaan als gevolg van treinverkeer. Hoewel er geen wettelijke normen bestaan voor trillinghinder in dit soort situaties acht ProRail het gewenst dat er in de planvorming wel aandacht voor is. ln het kader van de goede ruimtelijke ordening en de zorgvuldige voorbereiding van besluiten raadt ProRail u aan om het aspect trillinghinder af te wegen, zoals door lnformatiepunt Leefomgeving wordt aanbevolen.
Zie https.//iplo.nl/reqelqevinq/instrumenten/omqevinqsvisie-qemeente/ ProRail raadt u dan ook aan om het aspect trillingen te betrekken bij de Omgevingsvisie en alle in de toekomst daarop gebaseerde ruimtelijke plannen. ln dit kader verwijst ProRail u naar de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen (httos.//www.tweedekamer.nUkamerstukken/brieven
reoerinq/detail?id=2019215245&did=2019
p31 337).
Overweqen Het streven van het Ministerie en ProRail is om de veiligheid op overwegen te verhogen. De ambitie is hierbij om het aantal risico's op overwegen verder naar beneden te brengen. Verder willen voorkomen dat door nieuwe ontwikkelingen de onveiligheid op overwegen kan toenemen. Overwegveiligheid wordt door l&W als een gedeelde verantwoordelijkheid gezien voor spoor- en wegbeheerder. ln samenwerking met u als wegbeheerder willen wij als ProRail verder werken aan de beheersing van risico's op overwegen. Het Rijksbeleid voor ovenregveiligheid, zoals venaroord in de Beleidsagenda Spoorveiligheid 2020- 2025, bevat daarom verplichtingen voor initiatiefnemers van wijzigingen van (het gebruik van) een overweg. Hierin wordt onder andere gesteld dat er bij een wijziging van het gebruik van het spoor danwel van de weg een risicoanalyse opgesteld moet worden met daarin aangegeven hoe een eventuele risicotoename wordt beheerst en gecompenseerd. Een wijziging mag niet leiden tot een afname van de overwegveiligheid, daarnaast geldt vanuit het Strategisch Plan Verkeersveiligheid een verbeteropdracht. W ate roe i l/St a b i I ite it
De stabiliteit van de spoorbaan met bijbehorende voozieningen mag niet worden beïnvloed. Uw gemeente dient te borgen dat plannen en/of werkzaamheden geen invloed hebben op de stabiliteit van de spoorbaan met bijbehorende voozieningen, alsmede op het ongehinderd gebruik van de spoorbaan met bijbehorende voozieningen. Denk daarbij aan de inrichting en/of exploitatie van een Warmte Koude Opslagsysteem of een WADI, maar ook aanpassingen van watergangen. ln het bijzonder merkt ProRail op dat de initiatiefnemer schriftelijk dient aan te tonen dat in het geval van het infiltreren van hemelwater in de nabijheid van de spoorlijn er geen nadelige effecten optreden op de stabiliteit van de hoofdspoorweginfrastructuur met bijbehorende voozieningen."
2t5 Ons kenmerk LJV/MH/o1 102024-1
ProRail Omoevinoswet en beoerkinaenqebiedactiviteiten hoofdspoorweo ProRail wijst u op de in de Omgevingswet c.a. vastgelegde beperkingengebieden voor hoofdspoonruegen. De beperkingengebieden staan vermeld in artikel 3.5 van het Omgevingsbesluit https://wetten.overherd. nl/8WBR0041278/2024-01-01 . Binnen deze beperkingengebieden is voor te verrichten activiteiten op grond van artikel 5.1 lid 2 van de Omgevingswet een vergunning van- of melding aan ProRail vereist. De regels hieromtrent staan in hoofdstuk 9 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Bij meervoudige aanvragen is uw gemeente het bevoegde gezag, waarbij de vergunning alleen verleend kan worden nadat ProRail haar gemandateerde advies met instemming heeft gegeven. Bijenkelvoudige aanvragen blijft de minister bevoegd gezag en zal ProRail namens de minister vergunning verlenen. lndien u een melding moet doen, houdt u er dan rekening mee dat uw melding ten minste 4 weken voor aanvang van de werkzaamheden moet zijn ingediend. lndien u een vergunning moet aanvragen, houdt u er dan rekening mee dat de vergunning voor de aanvang van de werkzaamheden verleend dient te zijn. De behandeltermijn van een volledige, ontvankelijke aanvraag is acht weken (met de mogelijkheid de termrln met maximaal 6 weken te verlengen).
De melding en vergunningaanvraag kunnen worden gedaan/ingediend via het Omgevingsloket httos://omqevinoswet.overheid.nl/. Meer informatie over het indienen van aanvragen of het doen van meldingen onder de Omgevingswet vindt u op onze website https://www.prorail.nl/leveranciers/praktische-informatie/verounninoen-aanvraqen
Spoorweqdoeleinden ProRail vezoekt u zorg te dragen dat gronden welke momenteel voozien zijn van de activiteit Spoonruegdoeleinden of Railverkeer, deze activiteit ook in de toekomst zullen behouden. Ook vezoekt ProRail uw gemeente om geen dubbelactiviteiten mogelijk te maken. lndien desondanks een dubbelactiviteit archeologie wordt opgenomen over de activiteit Spoorwegdoeleinden of Railverkeer, dan zou ProRail graag zien dat deze dubbelactiviteit aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten betreft. Percelen ProRail ln de Omgevingsvisie zijn percelen opgenomen die in eigendom zijn van Railinfratrust B.V./ProRail B.V. (verder te noemen "ProRail"). ProRail merkt in dit kader op dat deze percelen - zonder nadrukkelijke schriftelijke toestemming van ProRail - niet mogen worden gebruikt. Deze percelen zijn door ProRail benodigd ten behoeve van de uitvoering van haar wettelijke taken en voor eventuele toekomstige (uitbreidings)plannen. De percelen van ProRail, alsmede de spoorbaan, dienen door ProRail, haar aannemers of hulpdiensten te allen tijde onbelemmerd toegankelijk te zijn en te blijven met het materieel dat ook momenteel wordt gebruikt voor het uitvoeren van werkzaamheden en in het geval van calamiteiten. Dit geldt ook voor over-/onderbouwingen en/of overkragingen van deze gronden.
ProRail vezoekt u tevens alle percelen van ProRail te voorzien van de activiteit Spoorwegdoeleinden of Railverkeer. Bestaande rechten op percelen van derden ten behoeve van bereikbaarheid van ProRail assets dienen behouden te blijven. B u re a u S poorbouwmeester
Bureau Spoorbouwmeester is in 2001 op initiatief van de directies van NS en ProRail opgericht als een onafhankelijk adviserend orgaan voor ontwerp en vormgevingsopgaven binnen de spoorsector. Sinds het ontstaan van het bureau wordt aan en met het Spoorbeeld gewerkt. Het Spoorbeeld is opgesteld voor alle bij het spoor en de spooromgeving betrokken partijen. van de spoorpartners ProRail en NS, stationseigenaren, opdrachtgevers, exploitanten, veryoerders en concessiehouders tot ontwerpers, gebruikers en overheden.
3/5 Ons kenmerk LJV/MH/01 '102024-1
ProRail Het daagt al deze spoorse partijen uit om vanuit het perspectief van reizigers en omgeving met zorg en ambitie aan de opgaven op en rond het spoor te werken. Meer informatie over Spoorbeeld en de voor uw gemeente van belang zijnde documenten (zoals bijvoorbeeld de Visie omgeving spoor en stations, Het stations concept en Het stationskwartier) kunt u vinden op www.spoorbeeld.nl waarnaar ProRail u kortheidshalve venruijst.
Onderstations De binnen het plangebied aanwezige onderstations mogen niet komen te vervallen. Deze onderstations zijn cruciaal voor de elektriciteitsvooziening van de hoofdspoorweginfrastructuur en daarmee voor de berijdbaarheid van het spoor. Tevens vezoekt ProRail u ervoor zorg te dragen dat de onderstations - net als in de huidige situatie - te allen tijde bereikbaar zullen zijn voor onderhouds- en hulpdiensten. Met het oog op potentiële risico's voor het bouwen nabij of boven een onderstation dient rekening te worden gehouden met een afstand van 10 meter gemeten vanaf de gevels van het onderstation. Overioe niloebonden oebouwen en onderqrondse infra De binnen het plangebied aanwezige railgebonden gebouwen en ondergrondse infra, deel uitmakende van de hoofdspoonrueginfrastructuur, al dan niet gelegen op percelen van ProRail, dienen te allen tijde bereikbaar te zijn en te blijven ten behoeve van het spoorwegbeheer en/of voor hulpdiensten. Het functioneren van deze voozieningen mag niet worden beïnvloed door ontwikkelingen in de omgeving.
Zicht op de stationsentree Doordat de stationsomgeving een ideale plek is om je te vestigen, ziet ProRail de laatste jaren steeds meer verdichting en hoogbouw rond het station. Dit komt de vindbaarheid van een station niet ten goede. Reizigers voelen zich hierdoor onzeker, hetgeen een vorm van stress veroozaakt. Ondanks dat er bewegwijzering is blijkt uit onderzoek dat zicht op de hoofdingang de beste manier is om het station te vinden. Zichtlijnen naar het station spelen daar een belangrijke rol in en ProRail wil graag dat binnen de planontwikkelingen de zichtlijnen geborgd blijven. Win dbelev ino en w in dh inde rrisico's Hoogbouw rond het station heeft invloed op de windbeleving van de reiziger. Gemiddeld wachten reizigers 7 tot 10 minuten op een trein en dat doen ze bij voorkeur op het perron waar de trein halteert. Wachten met veel wind draagt niet bij aan een positieve stationsbeleving. Reizigers wachten bij voorkeur warm, beschut en comfortabel. Helaas is er echter niet voldoende wachtgelegenheid voor elke reiziger. Daardoor is het van belang dat in de omgeving rekening wordt gehouden met de windbeleving op het perron. Hoogbouw rond het station heeft ook invloed op de windcirculatie/windstromen en kan risico's opleveren voor omliggende bebouwing (zoals schade aan daken/kappen) door veranderende windbelastingen. Hiermee dient rekening te worden gehouden.
Sch ad uwwerkine o p zo n ne pan ele n ProRail stelt zich als doel om in 2030 CO2 neutraal te opereren. Dat betekent dat vele daken en perronoverkappingen voozien zijn of worden van zonnepanelen om zo voldoende stroom op te wekken voor verlichting, reisinformatie, liften en roltrappen. ProRail verzoekt u derhalve bij het maken van plannen rekening te houden met mogelijke schaduwwerking op de ProRail zonnepanelen en indien nodig met ProRail in contact te treden, zodat voornoemde doelstelling van ProRail voor 2030 haalbaar blijft.
4t5 Ons kenmerk LJV/MH/oí 102024-1
ProRail Zonneoarken / reflectie in relatie tot hoofdspoorweqinfrastructuur Uit een risicoanalyse moet blijken dat zonnepanelen c.a. op bijvoorbeeld parkeerplaatsen en /of geluidschermen en/of langs spoorwegen geen negatief effect hebben op de hoofdspoorweginfrastructuur. Dat moet onder meer uit de vereiste EMC (elektromagnetische compatibiliteit) berekening blijken. En dan met name de weerstandsbeïnvloeding (geen aardingen/aansluitpunten in buurt van het spoor conform bijgevoegde RLN00398) en diverse aspecten met betrekking tot aansluiting op het hoogspanningsnet. Ook voor de weerkaatsing van licht van zonnepanelen dient aangetoond te worden dat aanwezige seinen niet "overstraald" kunnen worden door lichtweerkaatsing door de zonnepanelen. ProRail adviseert u om deze risico's te laten berekenen en voordat gestart wordt met de realisatie van het zonnepark ProRail te voorzien van de uitkomsten. ProRail neemt aan u hiermede voldoende te hebben geïnformeerd en behoudt zich het recht voor in de verder procedure aanvullende c.q. nieuwe opmerkingen/zienswijzen kenbaar te maken.
Met vriendelijke groet,
mr. C.C.F (Caroline) Rulkens Directeur Leefomgeving, Juridische zaken en Vastgoed
5/5 Ons kenmerk LJV lMHlOl'lO2O24jl
ProRait Assetmanagement
Richtlijn Beleid elektromagnetische bei'nvloeding van hoogspanningsverbindingen op de hoofdspoorweginfrastructuur.
Beherende instantie: I n hou d verantwoo rdel ijke : Status.'
Datum van kracht: 01-11-2021 1912 F.l.h mc @d.rnín ol k..hl.m d. Ad.u.t{l 'n ^r.b uig.v.ÉÍd.n v.to..r6udpd.doÍ op.n&.r g.d.n doo, M&l v.. druk lotc xl.lo.toÉ,turoímoioprlk..d.Í.Ht.on6r..ond.Íd.voonlg..nd..cànn
o 2021 a.h.ud.hr & ud d...
AM Techniek AM Treinbeveiliging lokale systemen Definitief
Versie: 003 d t vtu olrh 1ei26rÍEhrLw^o Fn o2@r §nfiomh.i..ífr. d pffid t rl. Èeor'4, d tu &umd d, b n@d mcolllm or.ry olhÍ r.h. soll vt.h Fma..h t.mth Dl&
Documentnummer: RLN00398
ProRail
RLN00398
Beleid elektromagnetische beïnvloeding van hoogspanningsveóindingen op de hswi
INHOUD
1
Revisiegegevens
2
Algemeen
3
..4
Scope Van kracht verklaarde voorschriften en normen Geraadpleegde literatuur Definities en afkortingen .................
2.1
2.2 2.3 2.4
lnleiding
3
4 4 5
5
................7
Opsomming van ongewenste gebeurtenissen... ...................8 Beleid ten aanzien van hoogspanningsverbindingen
4 5 5.1
5.2 5.3 5.3.1
5 6.1
6.2 6.3 6.4 6.5 6.6
7
Eisen aan hoogspanningslijnen ......... Eisen aan hoogspanningskabels. ...... Modelstudie. Aanvulling bij beoordelingscriteria B1lBS ....
10 10
Uitgangspunten ten behoeve van modellering
...............12
Algemeen Modellering Hoogspanningsverbinding Faalwijzen Hoogspanningsverbinding/kabe1.......... Modellering Railinfrastructuur............. Faalwijzen Railinfrastructuur.............. Modellering van de koppelweg
,.,,.,...........,.12
Beoordelingscriteria
........,......,.,'12 ...................13 ...................14 ...................16 ...................16
...........17
Bijlage 1: Bí bovenleiding systeem geleider configuratie............. .....í9 Bijlage 2: 50 Hz immuniteit enkelbenige spoorstroomlopen...............................20
Richtliln
v003
pag. 2124
ProRail
RLN00398
Beleid elektromagnetische beïnvloeding van hoogspanningsverbindingen op de hswi
í
Revisiegegevens Datum
Vorsie
HoofdstuU paragraaf
Wijziging
0í -1 1 -201 3
001
lnitiële versie
01-12-2020
002
Kleine wijzigingen uitgevoerd naar aanleiding van datums/versienummers geactualiseerde normen, vrijgegeven wipigingen in OVS001 11 en aangepaste RIS informatie.
01-11-2021
003
Kleine wijzigingen doorgevoerd in volledige richtlijn op basis van input van verschillende stakeholders (o.a. H5).
Richtlijn
v003
pag. 3124
ProRail
RLN00398
Beleid elektromagnetische beihvloeding van hoogspanningsverbindingen op de hswi
2
Algemeen Deze richtlijn beschrijft het beleid van ProRail met betrekking tot de toegestane elektromagnetische invloed van hoogspanningsverbindingen in beheer bij derden op de hoofdspoorweginfrastructuur in Nederland.
2.1
Scope
-
niet zijnde ProRail Deze richtlijn is van toepassing op hoogspanningslijnen en hoogspanningskabels lijnen en kabels met een nominale spanning van > 1 kV en een nominale bedrijfsfrequentie van < 1 kHz op, onder of boven de hoofdspoorweginfrastructuur. Tevens is de richtlijn van toepassing op in de zone buihoogspanningslijnen en hoogspanningskabels niet zijnde ProRail lijnen en kabels ten het terrein behorende tot de hoofdspoorweginfrastructuur, voor zover het betreft:
-
-
-
1. Het gebied als beschreven in artikel 19 van de Spoorwegwet; 2. Het gebied daarbuiten, voor zover genoemde lijnen en kabels elektromagnetische invloed hebben op de spoorweginfrastructuur. Dit document bevat de eisen aan de hoogspanningsverbindingen in beheer bij derden en geeft een
onderbouwing van deze eisen. Deze onderbouwing vloeit voort uit de eisen voor de veiligheid voor personen die zich op of nabij de spoorbaan bevinden en uit de RAMSHE eisen aan de systemen en apparatuur van de hoofdspoorweginfrastructuur. 2.2
Van kracht verklaarde voorschriften en normen Ref. nr.
Naam document
Nummer
Status
tAI
WedezÍdse beïnvloeding van
NEN 3654:2014
Actueel
NEN-EN 5034í-1:2013
Actueel
buisleidingen en hoogspanningssystemen
tBl
tcl
tDl
Bovengrondse elektrische lijnen boven 45 kV wisselspanning - Deel 1 en 3: Vezameling van nationale normatieve aspecien
Spooruegtoepassingen - lsolatie-coördinatie - Deel 1: Basiseisen - Slagwijdten en kruipwegen voor alle elektrische en elektronische uitrusting Spoonvegen en soortgelijk geleid vervoer - Vaste installaties - Elektrische veiligheid, aarding en retourstromen - Deel 1: Eisen in verband met bescherming tegen elektrische schok
NEN-EN 50341-3:2001 inclusief aanvullingen en correcties NEN-EN 50124-1:2017
Actueel
inclusief aanvullingen en correcties
NEN-EN 50122-1:2O11
Actueel
inclusief aanvullingen en correcties
Spoonregen en soortgeluk geleid vervoer - Elektromagnetische compatibiliteit - Deel 4: Emissie en immuniteit van sein- en telecommunicatieapparatuur
NEN-EN 50121-4.2016
Actueel
tFl
Spoonuegen en soortgelijk geleid vervoer - Elektromagnetische compatibiliteit - Deel 5: Emissie en immuniteit van vast opgestelde voedingsinstallaties en apparatuur
NEN-EN 50121-5:2O17
Actueel
tGl
Ontwerpvoorschrift Tractieenergievoorzieningsysteem; Bovenleiding Bovenleidingsysteem B1
ovs00024-5.1 v5
Actueel
tHI
Spoorwegen en soortgelijk geleid vervoer - Elektromagnetische compatibiliteit - Deel 3-1 : Rollend materieel - Treinen en complete voertuigen
NEN-EN 50121-3-1:2017
Actueel
tE1
Richtlitn
v003
pag. 4124
ProRail
R1N00398
Beleid elektromagnetische beïnvloeding van hoogspanningsverbindingen op de hswi
2.3
Geraadpleegde literatuur Nummor
Status
RICHTLIJN 2OO4I4OIEG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 29 apd'l2OO4 betreffende de minimumvoorschriften inzake gezondheid en veiligheid met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan de risico's van rysische agentia (elektromagnetische velden) (18de bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG)
2004t40t8G
Niet actueel
tsl
Spanningskarakteristieken in openbare elektriciteitsnetten
NEN-EN 50160:2010
Actueel
I1 0I
ICNIRP GUIDELINES for limiting exposure to time-varying electric and magnetic fields (1 Hz - 100 kHz) published in: HEALTH PHYSICS 99(6):81 8-836; 201 0
t1 1I
Mail M. Nusselder/R. Koopal van 28 maart 2013
Í121
Mail V.J.P. Plasmeijer/H. Steenkamp dd. 21 november 2012
tt 3l
Besluit van 12 december 2016, houdende regels inzake elektromagnetische compatibiliteit van uitrusting ter implementatie van richtlijn 2O1 4130lEU (Besluit elektromagnetische compatibiliteit 20'1 6)
Besluit elektromagnetische compatibiliteit 2016
Actueel
Ref. nr, t1I
Naam document Ello Weits, Grenswaarden voor homopolaire stromen
Stalistische analyse van metingen aan een 1 10kv-kabel (Hoogeveen) en twee 22Okv-lijnen (Hessenweg), Movares, Kenmerk CO-EW120006291 - Versie 2.0, Utrecht, 'l3 apnl2012
l2t
R. Koopal, R.M. Paulussen, UITGANGSPUNTEN EMBEïNVLOEDING BETU\A,EROUTE . BESTAANDE PRORAI L I NFRASTRUCTUUR, POBR, 29 september 2005 Versie 2.2
t3l
t41
ts1
R. Koopal, Onderbouwing werkhypothesen m.b.t. GRS enkelbenigeen dubbelbenige geïsoleerde spoorstroomlopen. Aanvulling voor'Vrijgavetraject wijzigingen ProRail voorschriffen; fase 3" t.b.v. parallelloop met de HSL-Zuid, ProRail BB21l25kV Kenmerk BB21-25kV-060281 , Versie 1.0, 'l1 januaÍi 2007 B. Vedelaar, G.W. Keijzer, M. Voesenek, Onderbouwing werkhypothesen m.b.t. GRS enkelbenige- en dubbelbenige geïsoleerde spoorstroomlopen voor "Vrijgavetraject wijzigingen ProRail voorschrifren; fase 3" t.b.v. parallelloop met de HSL-Zuid, Holland Railconsult, lF127500 23O_3A0, Versie 1.5, 20 mei 2005
t6I
Harm van Dijk, Toegestane 50Hz CM stroom door het spoor bij dubbelbenige spoorstroomlopen op de parallelloop met 25kV baanvakken, Movares, VS-HD|-20100122-01, versie 2, 19maart2010
t7t
ITU K26 2008 ( verwijzing naar \Mritebook: Directives concerning the protection of telecommunication lines against harmful effects from electric power and electrified railway lines, Geneva, 2008)
t81
2.4
Ello Weits, Jeroen van Waes, Nick Stalman, Frank Gerritsen, Uit gangspunten EM-beïnvloeding van de HSL-Zuid op de bestaande ProRail infraslructuur voor "Vrijgavetraject wijzigingen ProRail voorschriften; Íase 3" t.b.v. parallelloop met de HSL-Zuid, Holland Railconsult, lF1 14250_320.02, Versie 2.0,11 maad.2OOS
Definities en afkortingen Term
Verklarlng
lB-kabel
lnterlokale blokkabel t.b.v. treinbeveiligingsinstallaties
lT-kabel
lnterlokale telecomkabel (telecomkabel)
OR-blad
Overzicht Retour tekening van treinbeveiligingsinstallaties
OS
Onderstation van Energievoorziening
RH
Relaishuis van Treinbeveiliging
SPW
Spoorwegwet
Richtlijn
v003
pag. 5124
ProRait
RLN00398
Beleid elektromagnetische beihvloeding van hoogspanningsverbindingen op de hswi EM
Elektromagnetische
EMC
Elektromagnetische compatibiliteit
VLD
Volt Limiter Device
CM
Common Mode
DM
Differential Mode
BS
Bovenkant spoorstaaf
hswi
Hoofdspoonrveginfrastrucluur
RAMSHE
Reliability, Availabili§, Maintainabili§, Safety, Health, Environment
TPR
Track Repeater Relais
Richtlijn
v003
pag. 6124
ProRail
R1N00398
Beleid elektromagnetische beihvloeding van hoogspanningsverbindingen op de hswi
3
lnleiding ln het geval van een hoogspanningsverbinding, dat wil zeggen een hoogspanningslijn of hoogspanningskabel in de nabijheid van de hswi moet rekening worden gehouden met de elektromagnetische beïnvloeding van de hoogspanningsverbinding op de hswi. Er is sprake van ontoelaatbare beïnvloeding in die gevallen dat de beïnvloeding kan leiden tot onveilige situaties voor personeel en/of de aantasting van de RAMSHE criteria van de hswi. Deze richtlijn geeft invulling aan het beleid van ProRail in hoedanigheid van beheerder van de hswi met betrekking tot de aanleg, wijzigingl en instandhouding van hoogspanningsverbindingen. Deze richtlijn zal worden gehanteerd bij de behandeling van aanvragen voor vergunning ex artikel 19 van de Spoorwegwet2 maar ook reactief in geschillenprocedures in het kader van omgevingsvergunningen, bestemmingsplannen of tracébesluiten. Tevens dient deze richtlijn te worden gehanteerd bij spoorse functiewijzigingsprojecten, welke uitgevoerd worden in de nabijheid van bestaande hoogspanningsverbindingen. Daarbij geldt dat dit van toepassing is voor functiewijzigingsprojecten waarbij één of meer van de volgende aspecten aan de orde is:
. . .
de positie van het spoor verandert (verplaatsing spoor, aanleg extra sporen) de lT/lB kabellengtes langerworden de secties van de treindectiesystemen langer worden.
Hoofdstuk 4 bevat een opsomming van ongewenste gebeurtenissen ten aanzien van personen en systemen. Hoofdstuk 5 bevat het ProRail beleid ten aanzien van hoogspanningsverbindingen in beheer bij derden. Hoofdstuk 6 beschrijft de modellering van locatiespecifieke studies Hoofdstuk 7 beschrijft de beoordelingscriteria van de modelstudie.
I Hieronder wordt veÍstaan wiiziging van o.a.:
o . . . . . .
Geleiderdoorsnede; Geleiderpositie; Fasevolgorde;
Wjze van aarding (direct, blusspoel geaard, etc); Maximale fasestroom en homopolaire stroom in normaal bedrijf en/of kortsluitsituaties;
Tracéhoogspanningslijn; Aantal circuits per mast.
2 Uittreksel artikel 19 lid 1 SPW: Het is verboden zonder vergunning ... ... binnen de begrenzing
van de hoofdspooMeg aan, op, in, onder, boven of naast de hoofdspoonreg, bouwwerken of andere opstallen op te richten of werken, inrichtingen, kabels, leidingen ...... aan te brengen, te doen aanbrengen ofte hebben, dan wel daarmee veóand houdende werkzaamheden uit te voeren of te doen uitvoeren.
Richtlijn
v003
pag.7124
ProRail
R1N00398
Beleid elektromagneUsche beïnvloeding van hoogspanningsverbindingen op de hswi
4
Opsomm ing van ongewenste gebeurtenissen ln het geval van een hoogspanningsverbinding boven of in de nabijheid van de hswi moet rekening worden gehouden met de risico's van elektromagnetische beïnvloeding van de hoogspanningsverbinding op de hswi. Wanneer de beïnvloeding te groot wordt kan dit leiden tot onveilige situaties, verstoring van de functionaliteit van de hswi en/of de treindienstregeling of versnelde veroudering van de hswi. Spoorvoertuigen kunnen ook hinder ondervinden van de beïnvloeding van hoogspanningsverbindingen. Daar waar dit beïnvloedingsmechanisme bekend is, is dit in deze richtlijn aangegeven. Algemeen geldt dat voldaan moet worden aan het Besluit elektromagnetische compatibiliteit 2016 [13] die geldt voor de elektromagnetische beïnvloeding. De volgende ongewenste gebeurtenissen worden onderscheiden:
1. gevaar voor electrocutie van personen op spoorwegterrein a) Personen kunnen blootgesteld worden aan te hoge aanraakspanningen, bijvoorbeeld bij het aanraken van metalen objecten en het werken aan kabels en (boven-)leidingen; Personen kunnen blootgesteld worden aan capacitieve ontladingen, bijvoorbeeld bij het aanraken van metalen objecten en het werken aan kabels en (boven-)leidingen. beïnvloeding van systemen in de hswi De goede werking van treindetectiecircuits, van het type spoorstroomlopen, kan verstoord worden door 50 Hz vezadiging; b) Spoorvoertuigen kunnen ten gevolge van de 50 Hz-beïnvloeding, te hoge 75 Hz stoorstromen produceren en daarmee de goede werking van treindetectie verstoren; Relaisschakelingen met diode ( bijv. grendel/HRDR) kunnen verstoord worden door 50 Hz beïnvloeding; d) Apparatuur kan ten gevolge van te hoge 50 Hz spanningen defect raken bij kortsluitingen in het hoogspanningsnet; e) Overspanningsbeveiligingen kunnen defect raken ten gevolge van 50 Hz beïnvloe-
b)
2.
a)
c)
ding.
Richtlijn
v003
pag. 8124
ProRail
RLN00398
Beleid elektromagnetische beihvloeding van hoogspanningsveóindingen op de hswi
5
Beleid ten aanzien van hoogspanningsverbindingen Er wordt onderscheid gemaakt tussen de eisen aan hoogspanningslijnen en hoogspanningskabels. lndien niet aan de eisen wordt voldaan, dient te worden gehandeld volgens het bepaalde in 5.3.
5.í
Eisen aan hoogspanningslijnen
1. De hoogspanningslijn dient de spoorbaan haaks te kruisen met een hoek V, waarbij 80 < V < 100 graden, zie figuur 1 ;
2. De minimale afstand (clearance) van de hoogspanningslijn tot de bovenleiding dient te vol3.
doen aan NEN-EN 50341-1:2001 en NEN-EN 50341-3:2001; De hoogspanningslijn dient in het kruisende veld met de spoorbaan dubbelzijdig afgespannen te zijn, in verband met kans op breuk; Een eerste orde3 lijnfout dient binnen maximaal 100 ms afgeschakeld te zijn;
4. 5. Nietkruisende hoogspanningslijnen; a. Niet kruisende hoogspanningslijnen mogen niet aanwezig zijn binnen een afstand van - horizontaal gemeten - 700 m uit het hart van de buitenste spoorbaan;
b. ln afwijking van punt 5a geldt een afstand van 11 meter bij geëlektrificeerde sporen 6. 7. 8.
met een tractiespanning van 25 kV, 50 Hz; De blootstelling van de mens conform NEN EN 50341-3:2001 [B], mag niet meer bedragen dan 100 pT op 1 m boven BS; Hoogspanningsmasten mogen niet worden geplaatst binnen een afstand van ten minste 31 m uit het hart buitenste spoor; Hoogspanningslijnen mogen niet aanwezig zijn binnen een afstand van - horizontaal gemeten - 20 m vanaf de dichtst bij zijnde gevel van een technische ruimte. hoogspanningsverbinding
t 700m
P = 690- lggo
spoorbaan
700m
afstand tot technische ruimtes 20m
L
Figuur 1
5.2
Eisen aan hoogspanningskabels.
1. De hoogspanningskabel dient de spoorbaan haaks te kruisen met een hoek V, waarbij 80 s V s100 graden, zie figuur 1;
2. Niet kruisende hoogspanningskabels met een nominale spanning van à 35 kV. a. Niet kruisende hoogspanningskabels met een nominale spanning van à 35 kV mogen niet aanwezig zijn binnen een afstand van 700 m vanaf het hart van het buitenste spoor;
3
Eerste orde lijnfout: betreft de eerste beveiligingstrap van de kortsluitbeveiliging
Richtlijn
v003
pag. 9l?4
ProRail
R1N00398
Beleid elektromagnetische beïnvloeding van hoogspanningsverbindingen op de hswi
b. ln afiruijking van punt 2a geldt een afstand van '11 meter bij geëlektrificeerde sporen met een tractiespanning van 25 kV, 50 Hz;
3. Niet kruisende drie-aderige hoogspanningskabels met een nominale spanning < 35 kV mogen niet aanwezig zijn binnen een afstand van 1'l m vanaf het hart buitenste spoor;
4. Niet kruisende enkelfasige hoogspanningskabels in driehoek ligging met een nominale span5. 6. 7. 8.
ning van < 35 kV mogen niet aanwezig zijn in het gebied binnen een afstand van 11 m vanaf het hart buitenste spoor; Hoogspanningskabels mogen niet aanwezig zijn binnen een afstand van 20 m gemeten vanaf de dichtst bij zijnde gevel van een technische ruimte; Hoogspanningskabels dienen in een elektrisch geïsoleerde buis onder het spoor doorgevoerd te worden; Binnen een afstand van ten minste 31 m uit het hart buitenste spoor mogen zich geen aardpunten of moffen bevinden. Een eerste ordea kabelfout dient voor kabelverbindingen met een nominale spanning van. > 35 kV maximaal binnen 100 ms afgeschakeld te zijn. < 35 kV maximaal binnen 100 ms afgeschakeld te zijn, tenzij voldaan wordt aan eis 7
a. b.
en er aantoonbaar geen grotere homopolaire aardstroom kan lopen conform algemeen uitgangspunt G3 (zie H6.1), dan is afschakeltijd van een eerste orde kabelfout niet relevant.
5.3
Modelstudie Verbinding < 35 kV: lndien de hoogspanningskabelverbinding(en) aan alle bovenstaande eisen in H5.2, behalve aan eis 7 voldoet, volstaat een potentiaaltrechter bepaling. ln andere gevallen dient alle relevante informatie (prqectgegevens, tracétekening, kabelspecificaties, aardingsprincipe, netwerktopologie, nominale bedrijfsspanning, nominale stroom, korlsluitstromen) aangeleverd te worden en in overleg met ProRail afgestemd te worden welke verdere actie vereist is. Er dient in dit geval rekening gehouden te worden met het uitvoeren van een locatiespecifieke studie conform het beschrevene onder 'Verbinding > 35
kv'.
Verbinding à 35 kV: lndien de hoogspanningsverbinding(en) niet aan de eisen in H5.1, respectievelijk H5.2 voldoen, dan dient een locatiespecifieke studie plaats te vinden. De studie dient conform de uitgangspunten van de modellering van Hoofdstuk 6 plaats te vinden. De uitkomsten dienen te worden beoordeeld op basis van Hoofdstuk 7. lndien de hoogspanningsverbinding niet aan de beoordelingscriteria in hoofdstuk 7 voldoet, dient nader overleg plaats te vinden tussen betrokken partijen over de verdere maatregelen. Hierbij kan sprake zijn van bijvoorbeeld een tracéwijziging of het verhogen van de immuniteit van de ProRail installaties voor de EM-velden.
5.3.í
Aanvulling bij beoordelingscriteria B1/85 Voor beoordelingscriterium B1 is onderstaande aanvulling van toepassing bij gebruikmaking van de lengte-afhankelijke normwaarden aangaande enkelbenige spoorstroomloopsecties. Voor de veiligheidswaarde van beoordelingscriterium 85 is tevens onderstaande aanvulling van toepassing.
5.3.1.1 Aannemelijk maken van resultaten Resultaten uit de modelstudie dienen conform onderstaande categorisering (H5.3.1.2 Um H5.3.1.4) aannemelijk te worden gemaakt. Mogelijke maatregelen worden als opties gepresenteerd en de a
Eerste orde kabelfout: betrefi de eerste beveiligingstrap van de kortsluitbeveiliging. De traagst ingestelde eerste beveiligingstrap is hierin maatgevend (fase - aarde of fase - fase).
Richtlijn
v003
pag. 10124
ProRail
RLN00398
Beleid elektromagnetische beïnvloeding van hoogspanningsveóindingen op de hswi
voorgestelde maatregelen dienen te worden afgestemd met ProRail bij voorkeur na advies van een ingenieursbureau dat door ProRail erkend is voor zowel werkzaamheden aan de beveiliging als werkzaamheden aan tractievoeding.
.2 Resultaatwaarden < 50% grenswaarden lndien de B1 & 85 resultaatwaarden van de modelstudie na maatregelen minder dan 50% van het meest bepalende5 susceptibiliteitsniveau bedraagt dienen de resultaten aannemelijk te worden gemaakt door deze te vergelijken met een reeds uitgevoerde studie in een vergelijkbare situatie. 5.3.'l
5.3.1.3 Resultaatrraarden à 50% grcnswaarden lndien de resultaten van de modelstudie voor de criteria 81 en 85 na maatregelen meer dan 50% van de susceptibiliteitsniveau's bedragen, dan dienen de resultaten aannemelijk te worden gemaakt. Dit dient gedaan te worden door middel van een vergelijkende studie waarbij de B1 & 85 resultaatwaarden uit de eerste modelstudie gereproduceerd worden. Hierbij mogen alleen verklaarbare verschillen overblijven. Deze vergelijkende studie dient onafhankelijk uitgevoerd en gemodelleerd te worden door een ander bureau.
5.3.1.4 Aanvullend op H5.3.1.3 bij resultaatwaarden à 80% grenswaarden Resultaatwaarden à 80% grenswaarden kunnen worden toegestaan, indien de belasting van de lijn de eerste periode ruim onder de ontwerpwaarden ligt en het gebruik van de verbindingen over de jaren heen gestaag oploopt tot belastingen die resulteren in resultaatwaarden > 80% grenswaarden. Toestemming hiervoor in expliciete afstemming met ProRail (o.a. op basis belasting en belastingprognoses). ln deze gevallen dienen locatiespecifieke afspraken overeengekomen te worden, waar (wanneer van toepassing) maatregelen zoals monitoring/bewaking en het realiseren van afgestemde mitigerende maatregelen in opgenomen zijn.
5
meest bepalende is daar waar de rekenwaarde het dichts de grenswaarde nadert.
Richtlijn
v003
pag. 11124
ProRail
R1N00398
Beleid elektromagnetische beïnvloeding van hoogspanningsverbindingen op de hswi
6
Uitgangspunten ten behoeve van modellering
6.í
Algemeen Nr
Uitgangspunt
Bron, achtergrond en toelichting
G1
Bij het ontwerp dient aangetoond le worden dat aan te leggen kabels geen elektromagnetische invloed hebben op de veilige exploitatie van de spooMeg.
RLN00427-2, eis 3.20: "Bij het ontwerp dient aangetoond te worden dat aan te leggen kabels geen elektromagnetische invloed hebben op de veilige exploitatie van de spoorweg". Deze richtlijn is de vervanger voor het'Wtte Boekje'.
G2
lndien een nieuwe hoogspanningsveóinding een bijdrage levert van maximaal 2oo/o vàtr het beoordelingscÍiterium voor alle bedrijfstoestanden, uitgezonderd kortsluitingen, behoeven niet alle bestaande veóindingen te worden gemodelleerd. Bij een hogere bijdrage dan 2oo/o moeten ook de bestaande verbindingen binnen een a6tand van 700 m worden meegenomen in de
Hier is gekozen voor 20o/o conform NEN3654:20'14 Bijlage D. [Al
berekeningen. G3
Drie-aderige driefase hoogspanningskabels <35 kV of in driehoek gebundelde driefase een-aderige kabels <35 kV mogen buiten beschouwing gelaten worden, indien er geen homopolaire aardstroom groteÍ dan 1 A kan gaan lopen.
Aannemelijk maken dat de homopolaire stroom lager ligt cían 1 A, brvoorbeeld indien het een drie aderige kabelveóinding betreft, waarbij van ten hoogste één zijde de aangesloten transformator het sterpunt is ge-
G4
Capacitieve beïnvloeding: Dat wordt niet berekend
Capacitieve beïnvloeding is geregeld in de overige ProRail regelgeving, zowel ten aanzien van de werkvoorschriften in de omgeving van hoogspanningsverbindingen, als voor de ontwerpvoorschriften voor het plaatsen van geleidende objecten onder en in de omgeving van hoogspanningsverbindingen.
G5
Uitgangspunt bij aanwezigheid van 50 Hz spoorstroomlopen betreft het ombouwen van 50 Hz naaÍ75H2 spoorstroomlopen.
Op basis van historische casussen is gebleken dat 50 Hz spoorstroomlopen dusdanig gevoelig zijn dat er altijd overschrijdingen ziin. De aanpassing is technisch relatief eenvoudig. Deze mitigerende maatregel daarom in geval 50 Hz spoorstÍoomlopen direcl mee-
aard.
nemen.
6.2
Mode!!ering Hoogspanningsverbinding Nr
Uitgangspunt
T1
De hoogspanningslijn/kabel wordt gemodelleerd volgens het werkelijke mastbeeld/werkelijke kabelbed.
Í2
Bij hoogspanningslijnen dient voor het bepalen van de elektrische en magnetische velden bij een spoorlijn, rekening gehouden te worden met de minimale hoogten van de geleiders volgens het ontwerp. De minimale hoogte van de geleiders is gebaseerd op de hoogste temperatuur, de hoogten van de masten en de ahtand tussen de masten.
Bron, achtergrond en toelichting
Bij geleiderbreuk wordt de hoogspanningslijn direct (normaliter binnen 100 msec) afgeschakeld. ln de praktijk wordt hier voor wat betreft de elektrische beïnvloeding dan ook geen rekening mee gehouden. Voor mechanische beïnvloeding (minimale afstand boven de spoorstaven en boven het bovenleidingsysteem) moet er echter wel rekening mee worden gehouden.
Voor de mechanische beïnvloeding dient met breuk in één van de velden in een vak, niet zijnde het kruisende veld, rekening te worden gehouden met een grotere zeeg. Toepassing van speciale ophangingen (halfuerankeringen) of afspanningen aan beide zijden van de kruising kunnen het extra dooóangen van de geleiders bij breuk in een ander veld verkleinen. De minimale afstand boven spoorstaven bij breuk dient te voldoen aan NEN-EN 50341-3, art. 5.4.5.3. [B]. Voor het berekenen van de inductieve beïnvloeding van een hoogspanningslijn wordt de hoogte van de geleiders berekend door de gemiddelde ophanghoogte van een geleider aan beide zijden van het veld te verminderen met 2/3 deel van de maximale zeeg. T3
Bij de berekening van lijnen en kabels dient minimaal rekening worden gehouden met:
.
Richtlijn
De maximale stroombelasting bij normaal bedri.lf per circuit;
v003
Onder onderhoud wordt verstaan de situatie dat bij het uitschakelen van een verbinding het totale vermogen wordt overgenomen door de overblijvende verbinding(en).
pag. 12124
ProRait
R1N00398
Beleid elektromagnetische beïnvloeding van hoogspanningsverbindingen op de hswi
.
De maximale stroombelasting bij afirijkend bedrijf per circuit (onderhoud);
. .
De maximale één-fase kortsluitstromen.
Opmerking: lndien de netbeheerder de stroom/ het kortsluitvermogen laat toenemen boven de bij T3 bepaalde waardes, dan dient deze situatie opnieuw bij ProRail aangemeld te worden.
De maximale drie-fase kortsluitstroom, in geval van een blusspoel geaard netwerk.
Kortsluitingen in grondkabels ten gevolge van werkzaamheden worden niet gemodelleerd.
r4
Bij de berekening dient voor de stroom in de fasegeleiders rekening te worden gehouden met een aanvullende homopolaire stroom lo die 10% van de maximale normale component van de fasestroom is. Deze maximale normale component is aÍhankelijk van de bedri.lfstoestand.
Op basis van het dossier Hoogeveen Beilen is 9% bepaald als maximale homopolaire stroom [1].
Vooóeeld modellering homopolaire stromen in normaal bedrijf:
- Een dubbelcircuit verbinding is ontworpen op een maximale stroom van 40004 per circuit (en dus per fase);
- ln normaal bedriÍ loopt er in dit vooöeeld maximaal 50% van deze ontwerpstroom percircuit in verband
met N-1; J
rO -
l"+lb+1,
- Per fase dient 10% van de stroom opgeteld te worden. Dat is in normaal bedrijf 50%-4004=2004 per fase. Merk op:
3
- Momenteel wordt aangenomen dat bij meerdere cir-
De bedrijfstoestanden dienen te bevatten:
cuits de onderlinge homopolaire stromen in fase zijn. Dit is beschouwd als een conservatieve aanpak. Aan een verdere verfijning van dit criterium wordt gewerkt, waarbij ook de onderlinge fasehoeken van de homopolaire stroom in verschillende circuits wordl beschouwd. - Ook de geaarde retourgeleiders in het bronsysteem, zoals de bliksemdraden en mantels van kabels dienen voor de berekening correct te worden meegenomen. De stromen door alle geaarde geleiders inclusief de fasehoeken dienen in de beïnvloedingsberekening meegenomen te worden. Op basis van deze berekende stroomverdeling dient de beïnvloeding bepaald te worden.
. Onderhoud.
- De aardraden in het Tenneï hoogspanningsnet zijn
I
I
i L
a
I
. Normaal bedrijf;
wordt het circuil dat in onderhoud is 2 zijdig geaard. Voor het circuit dat niet in onderhoud is dient de maximale homopolaire stroom genomen te worden. Voor een dubbelcircuit verbinding dient dan in de modellering gerekend te worden met een homopolaire stroom van 10% van de ontwerpwaarde. Bi.l onderhoud
over de hele lengte van de verbindingen doorverbonden.
- De inverse componenl is nul verondersteld.
Homopolaire stroom dient niet te worden meegenomen als deze door de netwerktopologie onmogeliik kan lopen. Een voorbeeld is een zwevend middenspanningsnet waarbij het aannemelijk is dat de homopolaire impedantie groter dan 1 0 kO is. De netwerkbeheerder dient hiervoor een ondeóouwing aan te leveren.
T5
De gebieden dienen te worden gespeciÍiceerd waar een eerste orde lijn- of kabelfout niet binnen 100 ms afgeschakeld wordt.
Hierbii dient rekening gehouden worden met het type hoofdbeveiliging, of er communicatie tussen de stations aanwezig is en of deze redundant is. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met de eigen tijd van de vermogensschakelaar. De kans op falen van de vermogensschakelaar/relais tijdens een kortsluiting wordt voldoende klein geacht.
6.3
Faalwijzen Hoogspanningsverbinding/kabel Nr
Richtliin
Bron, achtergrond en toelichting
Uitgangspunt
v003
pag. 13124
ProRail
R1N00398
Beleid elektromagnetische beïnvloeding van hoogspanningsverbindingen op de hswi FT1
Bij kortsluitingen dient rekening te worden gehouden met:
o r
6.4
De aanvrager dient aan te geven welke faalwijzen van toepassing zijn.
I fase kortsluitingen; 3 fase kortsluiting indien het een blusspoel geaard net betreft.
Modellering Railinfrastructuur Nr
Uitgangspunt
Bron, achtergrond en toelichting
Pt
De minimale afstand (clearance) van de hoogspanningslijn tot de bovenleiding dient te voldoen aan NENEN 50341-3 [B].
Voor de modellering wordt bovenleidingsysteem B'l
Bovenleidingsysteem
toegepast.
geleiderconfi guratie: zie bijlage
1.
P2
Locaties van onder- en schakelstations dienen conform vigerende OR bladen te worden gemodelleerd.
OR bladen kunnen opgevraagd worden via www.sooordata.nl onder https://www.sooordata.nl/steleen-vraae of via 088-2315700
P3
Locaties van dwarsverbindingen dienen conform vigerende OR bladen te worden gemodelleerd.
OR bladen kunnen opgevraagd worden via www.sooordata.nl onder https://www.spoordata.nl/steleen-vraao of via 088-231 5700
P4
Afleidweerstand van spoorstaven: beschouwd worden configuraties met een spoorstaaf-aarde weerstand van 100, 10 en 2.5 okm.
Genoemde waarden zijn per spoorstaaf.
P5
Retour van DC baanvakken worden afgesloten met een karakteristieke impedantie van.
Z6n.(voor 50Hz) berekenen uit de som van de parallelle impedantie van de spoorstaven en hel retourpad aarde waarbij:
Zarstuit=y'( Raneio X Ztanss)
. .
Weerstand spoorstaven: 0,044 Q/km per spoorstaaf retour pad aarde bij 50Hz: (0,050 + j 0,880) O/km (nog te onderbouwen in een volgende uitgave)
Modellering van Zr.nss mag ook op basis van meetwaarden. P6
De minimale 50 Hz onderstationsimpedantie (tussen bovenleiding en spoorstaven) op het 1 500 VDCbaanvak is:
zie l2l
(0,007 + j0,082) o. P7
Bij het recuperen van een trein (energie terug leveren) kan de gelijkrichter in een onderstation speÍren.
Voor 50Hz stromen, gedraagt het onderstation zich dan als een open verbinding; de 50Hz spanning tussen bovenleiding en spoor is dan maximaal. Er kan vanuit gegaan worden dat de geliikrichters in het onderstation uit diodegelUkrichters bestaan.
P8
Voor de afstand van het kabelbed tot het hart van het buitenspoor dient 4.5m meter te worden gehanteerd.
P9
Het kabelbed bij parallelloop bevat: 3kV 75 Hz kabel (2x16) met een aardscherm van 16 mm2. De 3kV kabel is tweezijdig geaard bij de onderstations. De totale DC weerstand van de kabelmantel en twee aardverspreidingsweerstanden is 7,5 O.
lB-kabel (62 x 0,8 aderig), zwevend uitgevoerd. lT kabel: Gearmeerde P|WY-lT-kabel met een kabelscherm van 30 mm2, zwevend uitgevoerd.
Conform [2], [3]. Voor de modellering wordt de 3kV kabel geacht te lopen van OS naar OS. Voor de modellering worden de lB en lT kabel geacht te lopen van RH naar RH. De totale DC weerstand van de kabelmantel en twee aardverspreidingsweerstanden kan variëren van 5 tot '10 O. De berekeningen hoeven slechts te worden uitgevoerd met 7,5 O. Omdat de mantel van de 3kV kabel verbonden is met de metalen HS kast is deze spanning voor generiek publaek toegankelijk.
P10
Richtlijn
Voor de diepte van de kabelgeul dient 1,2m onder BS (0,6 m onder maaiveld) te worden gehanteerd. Hierin liggen de l8 en lT kabel. De 3kV kabel dient hier 0,3 m onder worden verondersleld.
v003
De feitelijke diepte van de kabelgeul is: tussen de 0,9m en de 1,5m onder BS. Voor de modellering wordt het gemiddelde toegepast. Uitgegaan wordt van een maximale breedte van de geul van 60 cm.
pag. 14124
ProRail
RLN00398
Beleid elektromagnetische beïnvloeding van hoogspanningsveöindingen op de hswi P1 1
DM spanning kabels De magnetische beïnvloeding bij circuitaders in één kabel mag verwaarloosbaar worden verondersteld.
P12
CM spanning kabels Om de worst case spanning te verkri.jgen, dienen in de modellering de kabelcircuits aan één zijde te worden geaard.
Richtlijn
v003
Circuitaders in gescheiden kabels worden buiten beschouwing gelaten.
lndien het scherm oÍ de ader van een kabelcircuit aan één zijde aan aarde ligt, zal de hoogste spanning tussen een ader van de lB- of lT-kabel en aarde komen te staan.
pag. 15124
ProRail
R1N00398
Beleid elektromagnetische beïnvloeding van hoogspanningsveóindingen op de hswi
6.5
Faalwijzen Railinfrastructuur Opmerking: Daar waar mogelijk dient gebruik gemaakt te worden van een Worst Case benadering
6.6
Nr
Uitgangspunt
Bron, achtergrond en toelichting
FP1
Er bevindt zich een defecte VLD-O6 in de railinfrastructuur. Bij een defect ontstaat hier een verbinding spoorstaaí aarde met een afleidweerstand van 0.25 Q.
Bij kruisingen moet de 50 Hz stroom via aarde lokaal binnentreden. Een aardfout is hieöii maatgevend. Een VLD-O wordt toegepast bij kunstuverken en kan een zeer lage alleidweerstand hebben. Bij aanwezigheid stalen bruggen, betonnen kunstwerken doonekenen met 0.25 O.
FP2
Er bevindt zich een defecte paalspoorstaafverbinding. Bij een defect ontstaat hier een verbinding spoorstaaf aaÍde met een afleidweerstand van 2.5 O. Gerekend dient te worden met 4 defecte paalspoorstaafuerbindingen behorende bij 4 opeenvolgende bovenleidingpalen.
Bij afi,r/ezigheid van een VLD-O zullen paalspoorstaafverbindingen maatgevend zijn. PaalspoorstaaÍverbindingen worden bij elk metalen portaal van een bovenleidingveld toegepast. Deze gaan echter veelvuldig defect en als deze defect gaan betreft het vaak meerdere velden achter elkaar. Daarom wordt uitgegaan van 4 defecte paalspoorstaafuerbindingen.
FP3
Er bevindt zich een tweede defecte VLD-O (zie FP'l ) op aÉtand met een afleidweerstand van 0.25 O (modelleren als lopende aardfout).
Bij parallelloop kan een verder gelegen aardfout een hefboompje vormen waarmee de spanning omhoog gaat. Ook hier is de VLD-O maatgevend. Een aardfout op aÍstand komt in de praKijk ahijd voor. Deze 0.25 O aardfout is aanwezig in de parallel lopende spooöaan.
Modellering van de koppelweg Nr
Uitgangspunt
Bron, achtergrond en toelichting
K,I
De soorteli.ike weerstand van de grond bedraagt vanaÍ 30m diepte 70 om.
Er wordt met een homogeen bodemmodel gerekend, identiek aan het HSL uitgangspunten document [3].
lndien meetwaarden bekend zijn van de grond tot op indringdiepte, dan kunnen deze meetwaarden worden gehanteerd. K2
De soortelijke weerstand pE van de toplaag kan varieren tussen de 10 Om en 1000 ílm-
6 Voltage Limiter
Richtlitn
Onder toplaag wordt verstaan tot 30m diepte.
Device type O, Zie NEN-EN 50122-1 [Dl
v003
pag. 16124
ProRail
R1N00398
Beleid elektromagnetische beïnvloeding van hoogspanningsverbindingen op de hswi
7
Beoordelingscriteria Nr
Uitgangspunt
Bron, achtergrond en toelichting
B1
CM beoordeling railinfra (Spoorstroomlopen: type
Continue verschijnselen:
Enkelbenig zÍn bepalend).
.
Beoordelingscriterium voor continue verschijnse-
.
len:
. .
Max 20 Vcu,
2OV OVS601 1 1 -2 hoofdstuk 5.5 700m op basis
van 2A criterium met 10Q aardfout [uitzoeken]; 58A OVS60'11'1-3 hoofdstuk 3.3 700m op basis van 2A. Zie Í41.
Let op: Voor 50 Hz spoorstroomlopen (OVS601 1 1-6,7) geldt een criterium van 1 Vcru / 0,5 Acu. (zie echter ook uitgangspunt G5)
Max 58 Acu
Kortere spoorstroomlopen mogen worden beoordeeld op de immuniteit behorende bij de lengte van de spoorstroomloop conform B|lage 2 "50 Hz immuniteit enkelbenige spoorstroomlopen", mits met ProRail overeen gekomen is dat dit ook in de toekomst is geborgd en op de OR bladen een parallelloop met een hoogspanningslijn is gemarkeerd. N.B. : Gebruikmaken van bovenstaande lengteafhankelijkheid vereist het volgen van de aanvulling in
H5.3.1
Kortsluitverschijnselen:
CM beoordeling railinfra (Spoorstroomlopen: type Enkelbenig ziin bepalend).
Beoordelingscriterium voor kortsluitverschiinselen
. o
. :
.
Max 65 Vcu voor verschijnselen > 1 00 msec en <= 500 msec;
OVS601 l1-2 hoofdstuk 5.5 op maximale lengte 600m heeft deze een immuniteit van 65V. Zie [5!; 58A OVS601 1 1-3 hoofdstuk 3.3 700m op basis van 2A criterium (nog te ondeöouwen). Zie [51.
Max 58 Acu voor v€rschijnselen > 100 msec en <= 500 msec.
lndien beveiliging staat op een clearance lime <=1 O0msec dan hoeven kortsluitingen ten behoeve van EB spoorstroomlopen niet te worden beoordeeld.
82
CM beoordeling railinfra (voor baanvakken met alleen dubbelbenige spoorstroomlopen):
. o B3
Max 250 Acu voor verschajnselen langer dan 100 msec.
150 V continue; 650 V í00 msec.
Psofometrische stoorspanning op modemverbindingen:
o o
lndien beveiliging staat op een clearance time <='100 msec dan hoeven kortsluitingen ten behoeve van dubbelbenige spoorstroomlopen niet te worden beoordeeld.
NEN-EN 50124-1:2001 , inclusief aanvullingen en correcties [C].
CM spanning aders railinfra apparatuur:
o . B4
Max 65 Vcu voor verschijnselen langer dan 100 msec;
zie [6]
Maximaal -45dBmp voor dataveöindingen;
Maximaal 1oAp in bovenleiding.
Definities conform NEN-EN 50121-3-1 , Annex A tHt.
Analoge telecomverbindingen kunnen worden beïnvloed door geïnduceerde spanningen. CM spanning die op aderparen worden geïnduceerd vertalen zich in DM spanning via kleine asymetrieën in de apparatuur [7]. ln eerste benadering kan worden aangenomen dat de LCL van de apparatuur -46d8 is. Ook is bij toelating van treinen altijd geëist dat de psometísche stroom onder cle 1oAp ligt. Analoge telecomverbindingen verdwijnen (invoering glasvezelverbindingen) maar deze waarden geven ook een bescherming tegen nelresonantie en beïnvloeding van lussen.
Voor normale veóindingen is deze eis niet maatgevend; echter wanneer deze verbinding aansluit op een HVDC verbinding of een grootverbruiker met veel vermogenselektronica, (biivoorbeeld een aluminium Íabriek, hoogovens, e.d.) dient deze toetsing te worden uitgevoerd. B5
50Hz spanningscomponent in de '1500 VDC tractiespanning:
.
Richtlijn
Maximaal í 6V/40V (RMS, tijdsduur 1s) ( beschikbaarheid/veiligheid).
v003
Rijdend materieel kan bij een 50 Hz spanningscomponent in de 1500V DC tractiespanning, problemen in de railinfrastructuur veroozaken. ln de RIS is opgenomen dat rijdend materieel bij een 5oVson. spanning onder
pag. 17124
ProRail
R1N00398
Beleid elektromagnetische beïnvloeding van hoogspanningsverbindingen op de hswi de vereiste 5.3 Azsx, blijft. Voor bestaand materieel is dit vastgelegd in [31. Voor enkelbenige spoorstroomlopen wordt een grenswaarde van 1.7 N4.25 A ( T > 1.8 s) (beschikbaarheid/veiligheid) gehanteerd. Wanneer deze lineair worden geschaald (aanname), dan komt men uil op een spanning van 16 V/40 V. 1s tijd is gebaseerd op aanwezigheid TPR relais in de schakeling.
N.8.. Bij overschijding van 50%o van de veiligheidswaarde wordt het volgen van de aanvulling in H5.3.1
vereist. B6
B7
Aanraakspanning kabelmantel-aarde en spoorstaven-aarde conform NEN-EN 50122-1:2011, inclusieÍ aanvullingen en correcties IDl
NEN-EN 50122 deel 3 wordt in het kader van deze berekeningen niet gehanteerd. Volstaan wordt met de waarden genoemd in NEN-EN 50122-1 Í121.
Magneetvelden conform :
Een risico is dat oudere apparatuur niet getest is. Er zijn geen concrete aanwijzingen dat dit een probleem hoeft te zijn, wanneer getoetst wordt aan '10 fum.
. .
NEN-EN 50121-4 [EI NEN-EN 50121-5 [Fl
Het Power Frequency Magnetic Field (PFMFsoxJ dient maximaal 10 A/m te zijn.
(De maximale waarde ligt een factor 10 lager dan de 50 Hz-immuniteitswaarde uit de norm.)
Alleen als alle apparatuur en objecten in het desbetreffende studiegebied aantoonbaar voldoen aan de NEN-EN50121-415 enloÍ R1N00007 dan mag getoetst worden aan een maximaal PFMFsoxz van 50 tum. B8
Elektrische velden van een hoogspanningslijn dienen tot een hoogte van ten minste 1 m boven het hoogste punt van een spoorlijn niet groter te zijn dan 10 kv/m, rekening houdend met de nominale spanning van de hoogspanningsli.jn, vermeerderd met 10% (hoogste systeemspanning).
Voor blootstelling van werknemers aan 50 Hz elektrische velden is in richtlijn 200414018G [8] van het Europees Parlement en de Raad een actiewaarde van 10 kV/m gegeven. Om zonder aanvullende maatregelen toch werkzaamheden le kunnen uitvoeren in en nabij een spoorlijn, moet in het gebied waarbinnen zich tijdens uitvoering van werkzaamheden mensen kunnen begeven, het elektrische veld kleiner zijn dan deze actiewaarde. Uit praktische overwegingen wordt ervan uitgegaan dat zich tot een hoogte van 'l m boven het hoogste punt van onderdelen van de spoorlijn mensen kunnen bevinden. Om dit te berekenen mag uitgegaan worden van een vrije veld aanname boven de spoorse infra.
B9
Richtlijn
Magnetische velden van een hoogspanningslijn of hoogspanningskabel dienen op 1 m boven maaiveld maximaal 100 pT te bedragen.
v003
Volgens de ICNIRP richtlijn voor Limiting exposure to time-varying electric and magnetic fields (1 Hz - 100 kHz), gepubliceerd in Health Physics 99(6):818-836; 2010 [10] moet voor algemene bevolking rekening worden gehouden met een grenswaarde van 200 pT en voor beroepsbevolking (occupasional exposure) 500 pT. lN NEN-EN 5034'l-3 (art. 5.6.1) [B] is aanbevolen om op 1 m boven maaiveld een grenswaarde te hanteren van 100 pT.
pag. 18124
ProRail
RLN00398
Beleid elektromagnetische beïnvloeding van hoogspanningsverbindingen op de hswi
Bijlage 1: 81 bovenleiding systeem geleider configuratie Zie ook OVS000024-5.1 tcl. 1 500
Vdc-sporen
Weerstand
Diameter [mm]
x coördinaat [m]
y coördinaat [ml
9.60
-2,72
0.05 0.05
Io/km] spoorstaaf 1 spoor 1
0.044
9.60
-1,28
draagkabel spoor 1
0.'t21
136
-2
8.s0
rijdraad 1 spoor 1
0.1 83
1.20
-2,02
5.50
rijdraad 2 spoor I
0.1 83
1.20
-1,98
5.50
versterkingsgeleider spoor 1
0.121
136
-5,22
8.50
spoorstaaÍ 1 spoor 2
0.044
960
2,72
0.05
spoorstaaf 2 spoor 2
0.0.t4
9.60
1.28
0.05
draagkabel spoor 2
0.121
1.36
2
8.50
rijdraad 'Í spoor 2
0.1 83
1.20
2.02
5.50
rijdraad 2 spoor 2
0.1 83
1.20
1,98
5.50
versterkingsgeleider spoor 2
0.121
1.36
5.22
8.50
Richtlijn
t
0.044
spoorstaaf 2 spoor 'l
v003
pag. 19124
ProRail
R1N00398
Beleid elektromagnetische beihvloeding van hoogspanningsverbindingen op de hswi
Bijlage 2:50 Hz immuniteit enkelbenige spoorstroomlopen Spoorstroomlopen in ATB gebied mogen worden beoordeeld op de maximale lengte met ATB volgens OV231.101 mits: De daadwerkelijke lengte korter is dan maximale lengte.
Tabel 1: maximale toegestane spoorstroomloop lengtes (m) bij nieuwbouw.
0vs OVS paragraaf:
Schakeling
60111-2
60111-2
60í 11-2
601íí-3
601't't -3
601í í -3
601í í -2
601 I I -2
5.1
5.2
5.3
3.10
3.3
3.7
5.9
5.5
5.7
75GE0-0
75GE0-1
75GE0-2
75GE3{
75GE1-O
75GE2-0
75GE3-í
75GE1-1
75G82-1
Zonder ATB
Met ATB Met condensator
Normaal Code
Max. sectie lenote (m)
60111-2
norTn.
ovw.
met con-
V+R
sectie
sectie
densator
ziide
normaal
< 620
s 350
<55 <55
< 700
nabii O.S.
s 300 s 150
< 700
Code R
V+R
ziide
ziide
ziide
ziide
ziide
s 400
< 340
3 300
s 600
s200
s170
< 300
5 600
s 550 s 550
R
Kortere spoorstroomlopen mogen worden beoordeeld op de immuniteit behorende bij de daadwerkelijke lengte van de spoorstroomloop conform mits.
o Dit met de beheerder overeen gekomen is zodat dit ook in de toekomst is geborgd en . Op de OR bladen een parallelloop met een hoogspanningslijn is gemarkeerd. De lengte afhankelijk immuniteit is voor de common mode stroom gegeven in tabel 2 en spoorstaaf aarde spanning in tabel 3. Voor kortsluitingen langer dan 100 ms maar korter dan 500 ms mag worden gerekend met de immuniteiten volgens tabel 4 voor de stromen door de spoorstaven en tabel 5 voor de spoorstaaf aarde spanning.
Richtlijn
v003
pag. 20124
ProRail
RLN00398
Beleid elektromagnetische beïnvloeding van hoogspanningsverbindingen op de hswi
Tabel 2: Berekende 50 Hz stoorstroom immuniteit EB spoorstroomlopen (max. stoorstroom door relais 2A)
0vs
60'111-2
60111-2
60í 11-2
601 í't -3
60111-2
6011í-2
5.í
5.2
5.3
60í 1í -3 3.10
60í í 1-3
OVS oeradr.
3.3
3.7
5.9
5.5
5.7
rchakalino
75GEO-O
75GE0-í
75GEO-2
75GE3-0
75GE1-0
75G82-O
75GE3-í
75GEí.í
75GE2-1
Lenote íml
I max. 50 Hz. door tractiobeen (A) 886
346
0-25 25-50
21'13
006
I 839
1405
2',t13
1405
057
504
920
661
1057
703
673
943
50-75
705
336
6í3
469
705
469
449
629
449
75-1 00
529
253
460
352
529
352
337
472
337
1
1
1
346
601í í -2
1
1
673
100-'125
423
368
302
423
282
270
378
270
125-150
353
307
25'.!
353
235
225
315
225
50-1 75
303
263
216
303
202
193
193
175-200
265
230
189
265
176
169
270 236
200-225 225-250
235
205
't 9't
235
't57
150
210
150
212
184
172
212
141
135
189
135
250-275
í93
168
't 56
193
129
123
172
123
275-300
177
154
143
177
118
113
158
113
300-325
í63
142
141
163
117
146
104
325-350
152
132
13'l
152
108
135
97
350-375
142
123
122
142
101
126
90
375400 400425 425450 450475
'133
116
114
133
95
118
85
'101
109
't14
89
111
80
95
103
108
84
105
76
90
97
't02
80
100
72
475-500
86
93
97
76
95
68
1
169
500-525
82
88
92
72
90
65
525-550
78
84
88
69
86
62
550-575
75
81
84
66
82 79
575-600
72
77
81
63
600-625
69
74
78
65
625{50 650{75
66
71
75
63
64
69
72
60
675-700
62
66
70
58
Richtlijn
v003
pag. 21124
ProRail
R1N00398
Beleid elektromagnetische beïnvloeding van hoogspanningsveóindingen op de hswi Tabel 3: Berekende 50 Hz immuniteit EB spoorstroomlopen spoorstaaf aarde spanning M bij 10 O aardfout en 2.5 Okm alïeidweerstand (bij 2 A stoorstroom door TR relais)
ovs
601 11-2
601 í í-2
60í 11-2
OVS oaraqr.
5.1
5.2
5.3
schakelino
75GE0-0
75GE0-í
75GE0-2
Lenqte íml
60111a 3.r0
601í í -3
601í í -3
60't11-2
60't11-2
3.3
3.7
5.9
5.5
5.7
75GE3-O V max. 50 Hz. door tractiebeon (V)
75GEí-O
7sGE2-0
75GE3-1
75GEí.1
75c82-',1
60't í 1-2
0-25
62,1
58,6
53,5
51 ,4
33,4
44,1
38,3
48,5
50.0
25-50
58,7
54,5
5',1 ,7
48,1
41 ,5
36,5
45,7
47.2
50-75
55,7
51,0
50,2
45,4
31,4 29,6
39,3
35,1
43,4
44.8
75-1 00
53.2
48.0
48.9
42.8
28.1
37.3
32.6
37.7
42.8
1
00-1 25
51,0
47,8
40,9
26,8
35,7
31,5
36,1
41 .1
1
25-1 50
49,1
46,8
39,1
25,7
34,2
30,6
34,6
39.5
75
47,5
45,9
37,6
24,7
33,0
29,8
33,4
38.2
17s-200
46.0
45,1
36,2
23,8
31,8
27,9
28,9
36.9
200-22s
44,6
44,4
35,1
23,0
30,8
27,3
28,0
35.9
225-250
43,4
43,8
34,1
22,3
29,9
26,7
27,1
250-275 275-300
42,3
43,2
33,2
2',1,7
29,1
26,'l
26,4
34.9 34.0
41,3
42,7
33,6
21.7
28,9
25,7
24,1
33.2
300-325
40,4
350-375
41 ,4
31,6
20,6 20,2
28,2 27,6 27,1
25,2 24,8 24,4
23.5 23,0 22,5
32.5
39,6 38,8
32,9 32,2
21,2
325-350
42,3 41,8
375-400
33,4
41 ,1
31,9
19,7
26,5
24,1
22,0
30.6
400425 425450 450475
32,8
31,4
26,0
23,8
21 ,5
32,2
40,7 40,4
30,9
25,6
23,5
21 ,1
29.6 29.6
31,7
40,1
30,4
475-500
31 ,2
39,9
30,6
25,2 24,8
23,2 23,0
20,8 20,4