CConstaterende datSittard-Geleen
Koppel je AI →
Document · PDF

03 Toelichting Bp Holtum Noord IV

Raad 5 oktober 2023, gemeente Sittard-GeleenBij agendapunt: Bestemmingsplan Holtum Noord IV (Salvino) (63)8.295 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

       

        

• • •

• • •

• •

• •

•

•

• •

• •

• • •

•

•

• • • •

•

• •

•

•

• •

•

•

• • •

• • • •

• • •

 

   

Inspraaknota voorontwerpbestemmingsplan ‘Holtum-Noord IV’ 1. Inspraakreactie ‘Inwoners Baakhoven’ Bestemmingsplankaart 1.1 Op de bestemmingsplankaart is het bouwvlak niet juist weergegeven, Verder is het onduidelijk wat de groen, rode en zwarte lijnen betekenen die over het plangebied lopen. Op de plankaart is het aangegeven bouwvlak groter dan op de kaart opgenomen in het rapport 20220111-SIT157-TOEVBP-1.0

Toelichting 1.2 De kleurstelling van de gevelplaten is onvoldoende vastgelegd in het bestemmingsplan. Gelijk aan groene kleuren aan de overzijde van de weg gelegen mega loods. In hoofdstuk 3.3.2 staat zelfs dat er grijstinten gebruikt moeten worden terwijl in eerdere gesprekken is afgesproken om een groen kleurstelling te gebruiken en dit ook zo voor te leggen aan de welstandscommissie. 1.3 In hoofdstuk 3.2.1 wordt onjuist vermeld dat gebruik wordt gemaakt van een bestaand logistiek bedrijventerrein. De voorliggende locatie maakt overeenkomstig het bestaande bestemmingsplan geen onderdeel uit van het logistieke bedrijventerrein Holtum noord III.

1.4 De in hoofdstuk 3.2.2 aangegeven gebiedsaanduiding milieuzone is niet terug te vinden op de plankaart.

De verbeelding zoals opgenomen op ruimtelijkeplannen.nl is het enig juiste plangebied. De diverse lijnen over het plangebied zijn opgenomen voor de gebiedsaanduidingen ‘milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied’, ‘milieuzone - roerdalslenk zone II’, en ‘vrijwaringszone – weg’. De rode lijn heeft betrekking op de gevellijn waaraan in de regels is verbonden dat de gevel van het hoofdgebouw in, of parallel aan deze 'gevellijn' dient te worden gebouwd. De kleur van gebouwen maakt geen onderdeel uit van hetgeen in het bestemmingsplan geregeld wordt. Het regelen van aspecten als kleur is niet ruimtelijk relevant en derhalve niet toegestaan in een bestemmingsplan. Dit mag alleen als sprake is van een beschermd stads- of dorpsgezicht. De kleurstelling komt pas aan de orde bij de toets met betrekking tot omgevingsvergunning, door de commissie ruimtelijke kwaliteit. In het vigerende bestemmingsplan Holtum-Noord III is reeds sprake van een logistiek bedrijventerrein. Op grond van artikel 10.1 bedraagt het bebouwingsoppervlakte van de totale motte (deels bestemd als ‘Bedrijventerrein’ en deels als ‘Groen’) maximaal 37.127 m².

De gebiedsaanduidingen ‘milieuzone - boringvrije zone roerdalslenk zone II’ en ‘milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied’ zijn terug te vinden op verbeelding, behorende bij het bestemmingsplan. Zie www.ruimtelijkeplannen.nl. Beide aanduidingen gelden overigens voor het volledige plangebied.

1.5 De in hoofdstuk 3.2.3 aangegeven conclusie is niet juist. Door de wijziging van het bestemmingsplan wordt juist wel bedrijventerrein aan de bestaande voorraad toegevoegd. In het huidige bestemmingsplan is namelijk geen sprake van bedrijventerrein, maar van een motte. Verder is het bebouwingsoppervlak vele malen kleiner dan in het nieuwe bestemmingsplan wordt voorzien. Er is niet aangetoond dat voldaan kan worden aan artikel 12.1.4 lid 2 van de ontwerp omgevingsverordening Limburg.

1.6 Hoofdstuk 4.1.2 rapportnummer van het akoestisch onderzoek ontbreekt. 1.7 De conclusie van het akoestisch onderzoek is onjuist weergegeven. De reden dat er geen toename van meer dan 2 dB is komt door het aanleggen van een geluidswal tussen loods en A2. Zonder deze geluidswal zou de toename meer dan 2 dB zijn. De geluidswal moet daarom goed in het bestemmingsplan verankerd worden en niet worden neergezet als een groen wal, maar als een geluidswal. De conclusie moet dus ook niet zijn dat het nieuwe bedrijfspand geen relevante invloed heeft op de woningen in Baakhoven. Er moet worden opgenomen dat het situeren van een geluidswal noodzakelijk is om ervoor te zorgen dat het nieuwe bedrijfspand geen relevante invloed heeft op de woningen in Baakhoven. In hoofdstuk 5.2.2 staat bij groen wel de geluidswal opgenomen. De geluidswal van 2,5 meter is onvoldoende rechts zeker vastgelegd in de planregels. Ook de mate van beplanting van deze wal is niet voldoende geregeld in de planregels. Inspreker is van mening dat de geluidwal onvoldoende rechtszeker is opgenomen in de planregels.

Zie reactie onder 1.3. Voorts is het plangebied in het voormalige POL2014, de thans geldende Omgevingsvisie Limburg en bijvoorbeeld ook in de Omgevingsverordening Limburg aangewezen als bedrijventerrein / werklocatie. Volledigheidshalve dient te worden opgemerkt dat binnen de motte (aangeduid als ‘specifieke Bouwaanduiding - motte’), zowel binnen het deel binnen de bestemming ‘Bedrijventerrein’ als het deel binnen de bestemming ‘Groen’ bedrijfsgebouwen mogen worden gebouwd, met een maximale gezamenlijke bebouwingsoppervlakte van 37.127 m². Ten aanzien van de Omgevingsverordening Limburg dient tot slot te worden opgemerkt dat hieraan nog niet getoetst hoeft te worden. De Omgevingsverordening Limburg treedt pas in werking op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt. Desalniettemin wordt voldaan aan de genoemde regeling (en ook de regels van de thans van toepassing zijnde Omgevingsverordening Limburg 2014. Het rapportnummer wordt toegevoegd. Allereerst dient te worden opgemerkt dat de stelling dat zonder de aanleg van de geluidswal aan de westzijde van de A2 sprake is van een toename van meer dan 2 dB op de gevels van de woningen in Baakhoven als gevolg van reflectie onjuist is. Er is sowieso geen sprake van een toename van 2 dB of meer. Tevens is de geluidswal aan de westzijde van de A2 hiervoor niet noodzakelijk.

Verder geldt dat in artikel 4.1 onder c en op de verbeelding wordt de wal aangeduid als ‘geluidwal’. Onder artikel 3.4.2 is de geluidwal opgenomen als een voorwaardelijke verplichting. Hierin is opgenomen dat het gebruik van de gronden met de bestemming ‘Bedrijventerrein’ alleen is toegestaan indien ter plaatse van de aanduiding 'geluidwal' zoals bedoeld in artikel 4.1 een geluidwerende voorziening in de vorm van een geluidwal met een hoogte van minimaal 2,5 meter en maximaal 4 meter en met een hellingshoek van maximaal 1:4 is gerealiseerd en in stand wordt gehouden, waarbij deze geluidwal dient te worden voorzien van beplanting om een groene uitstraling te creëren. Hiermee is de geluidwal in voldoende mate geborgd in het bestemmingsplan. Zonder realisatie en instandhouding is het gebruik ten behoeve van ‘Bedrijventerrein’ namelijk niet toegestaan. Voor wat betreft de beplanting van de geluidswal geldt dat er geen wettelijke plicht is om de beplanting vast te leggen in

1.8 Hoofdstuk 4.4, de bebouwing is niet buiten de effectafstand 100% letaal gesitueerd.

1.9 Hoofdstuk 5.2.2. Verkeer; dit is niet juist op de plankaart overgenomen. Op de plankaart is geen bestemming verkeer aangegeven of wordt hier alleen het minuscule hoekje aan de onderzijde bedoeld? 1.10 De gebiedsaanduidingen zoals genoemd in hoofdstuk 5.2.2. zijn niet terug te vinden om de plankaart. 1.11 blz. 36 watermanagement. Hemelwater wordt op Holtum Noord in buffers opgeslagen en vertraagd afgevoerd naar de Geleenbeek. Hier komt nu nog een grote loods bij met het daarbij behorende hemelwater. Is het Waterschap hierin gekend en hoe gaan zij dit regelen ten tijde van hevige neerslag, aangezien de Geleenbeek dichter richting dorp komt te liggen na verbreding A2. Op de tekening zijn er op het terrein van de nieuwe loods geen waterbuffers te zien. Hoe wordt dit extra regenwater opgevangen. 1.12 Blz. 37 MER. Er wordt hier beweerd dat er geen cumulatieve effecten met andere projecten zijn. Die zijn er wel. Er komt weer extra geluidshinder, stikstof, fijnstof etc. bij, boven op de effecten van de reeds aanwezige loods met bijbehorend verkeer en verkeersbewegingen. Opgeteld met de extra belasting van de reeds aanwezige megaloods en alle andere ontwikkelingen rond Baakhoven, is er wel degelijk een cumulatie van effecten. Zie bijlage 2 voor nadere toelichting.

1.13 Blz. 38: vlg. par.4.1 MER zou er geen belemmering zijn vanuit het aspect geluid, dat is onzes inziens wel het geval, zie bovenstaand.

het bestemmingsplan, deze is vanuit akoestisch oogpunt ook niet relevant. Dit vormt een onderdeel van de nadere uitwerking in het kader van de toekomstige omgevingsvergunningaanvraag. Op grond van de uitgevoerde onderzoeken, zoals ook beschreven in de toelichting van het bestemmingsplan, blijkt dat de ontwikkeling vanuit het oogpunt van externe veiligheid inpasbaar wordt geacht. De constatering dat het een klein deel van het plangebied betreft is juist.

De gebiedsaanduidingen zijn terug te vinden op de verbeelding, behorende bij het bestemmingsplan. Zie hiervoor www.ruimtelijkeplannen.nl. Het regenwater wordt opgevangen middels een buizen systeem dat is aangesloten op de bluswatervoorziening voor verdere uitleg wordt verwezen naar de toelichting.

Voor wat betreft het bestaande deel van het bedrijventerrein (en overige reeds gerealiseerde ontwikkelingen in de omgeving) geldt dat de effecten onderdeel uitmaken van de achtergrondwaarden, waarmee de effecten van het voorliggende plan kortom wel degelijk cumulatief berekend zijn. Voor wat betreft de rijksweg A2 geldt dat in het kader van het Tracébesluit reeds een milieueffectrapport is opgesteld en daaruit is gebleken dat de ontwikkeling inpasbaar wordt geacht. De effecten van het voorliggende plan zijn in relatie tot de verbreding van de rijksweg A2 verwaarloosbaar. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de m.e.r.-beoordeling is opgesteld om te bepalen of het opstellen van een milieueffectrapport noodzakelijk is. Op basis van de uitgevoerde onderzoeken kan worden geconcludeerd dat dit niet het geval is. Vooropgesteld dient te worden dat er geen wettelijk kader bestaat voor het berekenen van geluid als gevolg van reflectie van verkeerslawaai op een gebouw. Wettelijk gezien bestaan er vanuit dat oogpunt dus feitelijk sowieso geen belemmeringen. Verder wordt ook ruimschoots voldaan aan de richtafstanden op basis van de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’. Desalniettemin is in het kader van een goede ruimtelijke ordening toch een akoestisch onderzoek

1.14 Blz. 41 smal strookje aan de zuidwestzijde bestemming “verkeer”? Kan hier nog iets onverwachts uitkomen? Extra laaddok etc.? 1.15 Hoe zit het met de veiligheid van Baakhoven tijdens de aanleg van de loods aangezien daar een flinke gasleiding loopt. 1.16 Wordt er eigenlijk rekening gehouden door SG met Baakhoven i.v.m. veiligheid/calamiteiten op Holtum Noord. Blz. 9 Fakkelbrand bv. Ik lees hier nergens iets over.

Planregels 1.17 Regel 3.2 De maximum bouwhoogte is onvoldoende duidelijk vastgelegd. Onduidelijk is waar de aanduiding “maximum bouwhoogte (m)” kan worden teruggevonden. 1.18 Regel 3.2 Bouwhoogte van andere bouwwerken is maximaal 20 meter. In de rapporten wordt uitgegaan van 15 meter. Het is onvoldoende duidelijk wat verstaand wordt onder andere bouwwerken.

1.19 Regel 3.3.2 uit deze regel blijkt ineens dat met andere bouwwerken alle bebouwing wordt verstaan en dat de bebouwing dus 20 meter hoog mag worden zonder afwijkingsbesluit terwijl in alle rapporten wordt uitgegaan van een maximale bouwhoogte van 15 meter.

uitgevoerd, waarbij een koppeling is gelegd met het 2 dBcriterium (Uit afdeling 4 "Reconstructies" van hoofdstuk VI "Zones langs wegen" Wet geluidhinder) om toch een handvat te bieden voor de beoordeling van de eventuele effecten. Uit dit onderzoek is gebleken dat bij geen enkele van de relevante en berekende varianten, sprake is van een significante toename van geluid op de gevels van de woningen in Baakhoven als gevolg van reflectie van verkeerslawaai door de realisatie van het gebouw. Neen, dat is binnen de bestemming verkeer niet mogelijk.

Ten tijde van de bouw van de loods wordt door de leidingbeheerder toezicht gehouden. Baakhoven is meegenomen in de rapportages met betrekking tot externe veiligheid. Het te realiseren gebouw zal een afschermende werking hebben ten behoeve van de veiligheid van Baakhoven. Feitelijk zorgt het gebouw daarom alleen maar voor een extra afscherming ten aanzien van Baakhoven. Vanuit de leidingbeheerder worden sowieso strenge eisen gesteld aan de bouwwerkzaamheden en de wijze waarop het terrein gebruikt gaat worden. De maximum bouwhoogte is duidelijk vastgelegd in de verbeelding. Voor de volledigheid: De bouwhoogte van gebouwen bedraagt maximaal 15 meter.

De bouwhoogte van gebouwen bedraagt 15 meter. De bouwhoogte van andere bouwwerken (dus géén gebouwen) bedroeg in het voorontwerp bestemmingsplan 20 meter en is in het ontwerp bestemmingsplan aangepast naar 15 meter.. Met andere bouwwerken worden voor alle duidelijkheidbouwwerken geen gebouwen bedoeld. Volledigheidshalve worden de regels van de bestemming ‘Bedrijventerrein’ op dit punt verduidelijkt. Waar binnen de bestemming ‘Bedrijventerrein’ wordt gesproken over ‘andere bouwwerken’ wordt dit aangepast naar ‘bouwwerken geen gebouw zijnde’. Planregel in artikel 3.3.2 luidt:” Afwijken bouwhoogte gebouwen”. Dit betekent dat deze regeling ook uitsluitend betrekking heeft op ‘gebouwen’. De stelling dat de bouwhoogte 20 meter hoog mag worden zonder afwijkingsbesluit is onjuist, aangezien de regeling juist een afwijkingsbevoegdheid betreft op grond waarvan, uitsluitend onder de daarin opgenomen voorwaarden, mag worden verhoogd tot maximaal 20 meter. Er is geen sprake van een rechtstreeks toegestane mogelijkheid. Aangezien in de praktijk een bouwhoogte van maximaal 15 meter is voorzien,

1.20 Regel 3.3.3 Hier kan de hoogte van andere bouwwerken ineens 30 meter hoog worden terwijl niet duidelijk is wat onder andere bouwwerken wordt verstaan. 1.21 Regel 3.3.4. Afwijken situering gevellijn mag geen effect hebben op de aan te leggen geluidswal.

1.22 Regel 3.4.1 Strijdig gebruik; hierin moet worden opgenomen dat het plaatsen van verlichting en (verlichte) reclame-uitingen aan de zijde van de A2 niet is toegestaan. Het verbod op het aanbrengen van verlichting en verlichte reclame-uitingen aan de zijde van de A2 is nu onvoldoende geregeld in de planregels.

1.23 Regel 3.4.1. Strijdig gebruik; hierin moet worden opgenomen dat het situeren van laaddoks aan de zijde A2 niet is toegestaan. De locatie van de laaddoks zijn nu onvoldoende rechtszeker vastgelegd in de planregels. 1.24 Regel 3.4.2; de aanduiding geluidwal is niet aangegeven op de plankaart. 1.25 Regel 4.1; aanduiding geluidwal is niet aangegeven op de plankaart 1.26 Regel 4,1; Beplanting moet bestaan uit inheems groen met goede beworteling en verzorging zodat sterfte door droogte niet optreedt. Verder moet de beplanting voldoende maat en hoeveelheid hebben zodat groene inpassing van de loods gewaarborgd is. Dus niet zoals bij grote groen buurman maar een beperkt aantal zeer kleine boompjes. Wordt er een onderhoudsverplichting of herplant verplichting opgelegd indien bomen sterven, te veel wordt weggesnoeid of verwijderd. Dus is de continuïteit gewaarborgd via de uiteindelijke vergunning. 1.27 Regel 4.2; verharding voor verkeer is niet toegestaan. Rondrijdend verkeer rond de loods moet worden uitgesloten. 1.28 Regel 5.2; hier staat voor andere bouwwerken weer een maximumhoogte van 15 meter. Door alle verschillende genoemde hoogtes en wisselende

is overigens besloten om de afwijkingsmogelijkheid in het ontwerp bestemmingsplan te verwijderen. Met andere bouwwerken worden bouwwerken geen gebouw zijnde bedoeld. De mogelijkheid om andere bouwwerken niet zijnde gebouwen van 30 meter hoogte te realiseren, wordt uit de regels verwijderd. Het afwijken van de gevellijn kan geen effect hebben op de geluidwal omdat de gevellijn alleen binnen de bestemming ‘Bedrijventerrein’ geldt. De geluidwal wordt gerealiseerd binnen de bestemming ‘Groen’ die tussen de bestemming ‘Bedrijventerrein’ en Baakhoven ligt. Het is niet mogelijk om verlichting in de planregels uit te sluiten. Uit veiligheidsoverwegingen dient er rondom het bedrijfspand verlichting te worden aangebracht. Hierbij dient te worden opgemerkt dat tegenwoordig veelal gebruik wordt gemaakt van LED-verlichting. Een belangrijk voordeel van LED-verlichting is dat deze verlichting veel beter te richten is (op het terrein zelf) en dat deze ook veel minder strooilicht tot gevolg heeft en daarmee dus ook veel minder overlast voor de omgeving veroorzaakt. Gelet op de afstand tot de woningen aan de overzijde van de rijksweg A2, levert dit kortom geen belemmeringen op. De vrees van de inwoners van Baakhoven is onterecht. De laaddoks zijn gesitueerd aan de westzijde.

De weg aan de achterzijde van de loods is daarbij met name bedoeld als calamiteitenweg en om rond het gebouw te kunnen rijden en is daarom niet geschikt voor de realisatie van laaddoks. De aanduiding ‘geluidwal’ is op de verbeelding aangegeven, binnen de bestemming ‘Groen’ tussen de bestemming ‘Bedrijventerrein’ en de rijksweg A2. De aanduiding ‘geluidwal’ is op de verbeelding aangegeven, binnen de bestemming ‘Groen’ tussen de A2 en de bestemming ‘Bedrijventerrein’. De instandhouding van de beplanting wordt in de planregels vastgelegd. Het soort beplanting wordt in overleg met o.a. Rijkswaterstaat en Baakhoven gerealiseerd. Dit maakt onderdeel uit van de verdere uitwerking in het kader van de omgevingsvergunning en maakt geen onderdeel uit van het bestemmingsplantraject.

Op grond van de planregels is verkeer hier niet toegestaan. Artikel 4.2 heeft betrekking op de bestemming groen, binnen deze bestemming zijn verkeersdoeleinden en bedrijfsmatige bestemmingen sowieso niet toegestaan. Per bestemming verschillen de maximaal toegestane bouwhoogtes en deze zijn vastgelegd in het bestemmingsplan.

benamingen is het erg onduidelijk wat nu de maximale bouwhoogte mag worden. 1.29 Regel 5.3; moet worden geschrapt. Het toestaan van een reclamemast via een andere regelgeving toch mogelijk maken kan gezien worden als onbehoorlijk bestuur. Een reclamemast op deze locatie moet te allen tijde worden verboden. Vooral gezien de lichtoverlast die al veroorzaakt wordt door bedrijventerrein Holtum noord naar het donker gebied aan de overzijde van de A2 is totaal onacceptabel en de lichtoverlast door de al reeds aanwezig reclamemast op korte afstand. Ook is totaal onduidelijk wat het gemeentelijke beleid is met betrekking tot reclame masten waarnaar wordt verwezen. Dit beleid is niet bij de stukken gevoegd. Ons is altijd verteld dat er geen beleid voor is en dat het tegenhouden van dergelijke masten door Sittard-Geleen niet mogelijk is als het niet geregeld is in het bestemmingsplan. Akoestisch onderzoek 1.30 Er is geen akoestisch onderzoek uitgevoerd naar verkeersaantrekkende werking. Er is bijvoorbeeld in het rekenmodel niet meegenomen dat er door de nieuwe loods meer verkeers-/vrachtbewegingen komen op de brug over de A2 (Fly over De Krop, niet de brug bij Gebroek) en over de oprit richting zuiden. De effecten voor Baakhoven zijn hiervan niet in beeld gebracht.

1.31 Er is geen onderzoek uitgevoerd zonder de geluidswal. Hiermee wordt het effect van de geluidswal onvoldoende in beeld gebracht en daarmee wordt ook de noodzaak van realisatie van de geluidswal niet voldoende vastgelegd in het onderzoek.

Artikel 5.3 wordt geschrapt.

In het akoestisch onderzoek is de verkeersaantrekkende werking wel degelijk meegenomen en kwalitatief beschouwd. Zie hiervoor paragraaf 4.1 uit het akoestisch onderzoek dat onderdeel uitmaakt van het voorontwerp bestemmingsplan. Voor wat betreft de opmerking dat de effecten van extra verkeers-/vrachtbewegingen op de omliggende wegen niet in beeld zijn gebracht geldt dus dat deze kwalitatief zijn beschouwd omdat deze gelet op de bestaande intensiteiten een verwaarloosbaar effect zullen hebben. Voor een nadere toelichting wordt nogmaals verwezen naar paragraaf 4.1 van het betreffende onderzoek. Dit aspect is daarmee in voldoende mate beschouwd en onderbouwd. Het is niet geheel duidelijk welke geluidwal wordt bedoeld. Indien de opmerking betrekking heeft op de geluidwal aan de oostzijde van de A2, die wordt aangelegd in het kader van de verbreding van de A2, dan geldt dat er wel degelijk een variant is onderzocht zonder deze geluidwal, namelijk de variant zonder verbreding van de A2 en met het nieuwe bedrijf. Zie tabel 1.1 van het akoestisch onderzoek zoals dit bij het voorontwerp bestemmingsplan was opgenomen.

Het onderzoeken van een variant met verbreding van de rijksweg A2 zonder de geluidwal aan de oostzijde van de A2 is in principe niet zinvol, aangezien de realisatie van de betreffende geluidwal onlosmakelijk verbonden is aan de verbreding van de A2 en de verbreding kortom niet mogelijk is zonder dat de betreffende geluidwal gerealiseerd wordt. De berekeningen ten behoeve van de aanleg van de betreffende geluidwal maken onderdeel uit van het Tracébesluit.

Voorts dient te worden opgemerkt dat inmiddels bekend is dat de geluidwal aan de oostzijde van de A2 in verlengde en verhoogde vorm wordt uitgevoerd. In het akoestisch onderzoek dat onderdeel uitmaakt van het ontwerp bestemmingsplan is daarom alleen nog die variant van de geluidwal berekend.

1.32 Vanuit welke niveau wordt de geluidswal neergelegd, vanaf welk niveau wordt de hoogte van de geluidswal bepaald? Dit moet nadrukkelijk worden vastgelegd zodat de wal inderdaad voldoende hoogte heeft om reflectie te voorkomen.

Indien wordt bedoeld de geluidwal aan de westzijde van de A2, dus tussen de A2 en de bedrijfsloods, dan klopt het inderdaad dat in het akoestisch onderzoek zoals opgenomen in het voorontwerp bestemmingsplan, geen berekening is uitgevoerd zonder deze geluidwal. Dit heeft te maken met het feit dat realisatie ervan middels een voorwaardelijke verplichting in de regels van het bestemmingsplan is verankerd, hetgeen betekent dat de vestiging van een bedrijfspand zonder de betreffende geluidwal niet is toegestaan. Vandaar dat een berekening zonder de geluidwal tussen de toekomstige loods en de A2 vanuit dat oogpunt niet relevant is. Het is immers een situatie waarvan geen sprake kan en zal zijn. Desalniettemin is er in het kader van het akoestisch onderzoek dal onderdeel uitmaakt van het voorontwerp bestemmingsplan een berekening uitgevoerd om te bekijken wat de effecten van reflectie zijn indien tussen de toekomstige loods en de A2 geen geluidwal zou worden gerealiseerd. Hierbij is de maatgevende berekening (met de hoogste toename) als uitgangspunt gehanteerd voor de aanvullende berekening. Uit deze aanvullend uitgevoerde berekening blijkt dat er geen sprake is van een significant verschil. Kortom, ook zonder realisatie van de geluidwal tussen de toekomstige loods en de A2, is er geen sprake van een toename van 2 dB of meer.

Er is dus ook geen sprake van een noodzaak tot realisatie van de betreffende geluidwal, hetgeen niet wegneemt dat deze er wel komt en daarom ook als zodanig in de regels middels een voorwaardelijke verplichting is verankerd. Dit heeft mede te maken met het visuele aspect en daarom dat op de geluidwal ook beplanting is voorzien. Voorts dient te worden opgemerkt dat in het akoestisch onderzoek dat onderdeel uitmaakt van het ontwerp bestemmingsplan, uitsluitend nog wordt gerekend met varianten inclusief de geluidwal aan de westzijde van de A2 (dus tussen de te realiseren bedrijfsloods en de A2), aangezien de realisatie van de bedrijfsloods uitsluitend is toegestaan indien deze geluidwal wordt gerealiseerd. Voor zover de opmerking betrekking heeft op de geluidwal binnen het plangebied, geldt dat de hoogte wordt gemeten vanaf het peil, in 1.41 als volgt gedefinieerd: de gemiddelde hoogte van het aansluitende, afgewerkte terrein ter plaatse van het bouwperceel.

1.33 Er wordt voetstoots van uitgegaan dat de verlengde en verhoogde aarden wal vanuit het A2 project doorgaat. Wat als dat niet het geval is? Dit is nog niet gegarandeerd. Onzes inziens moet er ook een variant berekend worden waarbij de benodigde hoogte van de geluidswal wordt bepaald zonder geluidwal aan de overzijde van de A2. Dus een optie A2-verbreding zonder wal en een optie zonder A2 verbreding en zonder wal. Bovendien wordt de loods al veel eerder gerealiseerd, wat gebeurt er in de tussentijd? Is het mogelijk om geluidsabsorberende beplating te gebruiken?

Voor zover de opmerking betrekking heeft op de geluidwal aan de oostzijde van de A2, die wordt aangelegd in het kader van de verbreding van de A2, dan geldt dat dit niet middels het bestemmingsplan voor Holtum Noord IV kan worden geregeld. Deze geluidwal maak onderdeel uit van het Tracébesluit van de rijksoverheid, welke door de gemeente Echt-Susteren dient te worden vertaald in een bestemmingsplan. De hoogte waarmee is gerekend in het kader van het Tracébesluit, is af te leiden uit de onderzoeken dit in het kader van het betreffende besluit zijn uitgevoerd. Ten aanzien van de verlengde en verhoogde aarden wal geldt dat hiervoor door de gemeenteraad van Sittard-Geleen budget beschikbaar is gesteld, maar gelet op de ligging op het grondgebied van de gemeente Echt-Susteren, valt de juridisch-planologische verankering hiervan onder de verantwoordelijk van de gemeente Echt-Susteren. Inmiddels is echter duidelijk dat de geluidwal aan de oostzijde van de A2 in verlengde en verhoogde variant wordt uitgevoerd. Hierover is een akkoord bereikt en bekrachtigd. Referentiesituatie 1 in het bij het voorontwerp bestemmingsplan gevoegde onderzoek betreft de situatie met de huidige ligging van de A2 zonder het nieuwe bedrijf en deze is onder meer vergeleken met de plansituatie 1, zijnde huidige ligging A2 met het nieuwe bedrijf.

Verder geldt dat realisatie van de geluidwal aan de oostzijde van de A2 onderdeel uitmaakt van het Tracébesluit t.b.v. de verbreding van de A2. Dit betekent dat deze sowieso gerealiseerd wordt op het moment dat de A2 wordt verbreed. aangezien deze onderdeel uitmaakt van het genoemde Tracébesluit. Tot slot dient te worden opgemerkt dat de geluidswal aan de westzijde van de rijksweg A2 onderdeel uitmaakt van het bestemmingsplan en als voorwaardelijke verplichting ook als zodanig is verankerd in de regels. Alle relevante varianten zijn kortom in voldoende mate in beeld gebracht in het akoestisch onderzoek zoals dit bij het voorontwerp bestemmingsplan was gevoegd. Omdat inmiddels zeker is dat de geluidwal aan de oostzijde van de A2 verlengd en verhoogd wordt uitgevoerd ten opzichte van de variant die in het Tracébesluit is opgenomen, is het akoestisch onderzoek in het kader van het ontwerp bestemmingsplan aangepast. Niet relevante varianten zijn verwijderd en het onderzoek richt zich nu uitsluitend op de volgende relevante situaties: Referentiesituatie: Huidige situatie A2 zonder het nieuwe bedrijfspand

Plansituatie 1: Huidige situatie A2 met het nieuwe bedrijfspand en wal/talud aan westzijde Plansituatie 2: Toekomstige situatie A2 inclusief verlengde en verhoogde geluidswal aan de oostzijde van de A2, met het nieuwe bedrijfspand en wal/talud aan de westzijde De varianten die met elkaar worden vergeleken zijn 1. Referentiesituatie wordt vergeleken met plansituatie 1 2. Referentiesituatie wordt vergeleken met plansituatie 2 Uit het aangepaste onderzoek volgt dat in geen van de varianten sprake is van een significante toename van geluid op de gevels van de woningen in Baakhoven. Na realisatie van de verhoogde en verlengde geluidwal is bij het overgrote deel van de woningen zelfs sprake van een afname van het geluid op de gevels van de woningen in Baakhoven in vergelijking met de huidige situatie.

1.34 Blz. 12., tabellen: Huisnummer 3 wordt niet genoemd in de tabellen. Deze woning staat wel op de afbeeldingen 3 en 4, maar heeft geen rekenpunten. Omdat het dorp maar een beperkt aantal woningen heeft verzoeken wij u om alle woningen op te nemen in de tabellen, zodat alle inwoners kunnen zien wat de bouw van de loods betekent voor hun woning. 1.35 Hoofdstuk 4.3; Bij de beschrijving van de vergelijkingen wordt niet vermeld dat ook de geluidswal naast het bedrijf moet zijn aangelegd om de berekende waarden te halen. Wanneer deze geluidswal niet wordt aangelegd is de geluidstoenamen bij een aantal woningen in Baakhoven meer dan 2 dB. Dit detail is daarom nadrukkelijk van belang om te vermelden in het akoestisch onderzoek. Nog beter zou zijn ook een berekening zonder geluidswal toe te voegen.

1.36 Conclusie: Zie voorgaande opmerking onder 6. Dit geldt ook voor de conclusie. Ook hier wordt de indruk gewekt dat de geluidswal direct naast de

Voor wat betreft geluidsabsorberende beplating geldt dat dit voor het bestemmingsplantraject niet relevant is. Materialisatie maakt onderdeel uit van de verdere uitwerking in het kader van de toekomstige omgevingsvergunningaanvraag. Dit neemt overigens niet weg dat er reeds gesprekken plaatsvinden tussen initiatiefnemer en de inwoners van Baakhoven om te bezien in welke mate tegemoet kan worden gekomen aan de wensen van de inwoners van Baakhoven. In het rekenmodel is woning Baakhoven 3 inderdaad niet voorzien van rekenpunten. In het kader van het ontwerp bestemmingsplan is het akoestisch onderzoek hierop aangevuld.

De stelling dat bij een aantal woningen zonder de geluidswal sprake is van een geluidstoename van meer dan 2 dB is onjuist, er is in geen enkele van de berekende varianten sprake van een toename van 2 dB of meer. Het toevoegen van een extra berekening zonder geluidswal aan de westzijde van de rijksweg A2 is niet zinvol, aangezien de realisatie van de betreffende geluidswal middels een voorwaardelijke verplichting is verankerd in het bestemmingsplan en er in de toekomstige situatie dus nooit sprake kan zijn van een situatie met bedrijfsloods en zonder geluidswal tussen de bedrijfsloods en de A2. Deze stelling is onjuist, ook zonder deze wal is geen sprake van een toename van 2 dB of meer. Dit neemt niet weg dat

loods niet van belang is terwijl juist deze wal zorgt voor de minimale toename. Dit moet nadrukkelijk in het rapport vermeld worden. 1.37 Op de tekeningen, achter in het akoestisch rapport, staat de A2 getekend alsof de A2 de hoger gelegen weg is, vergeleken met de brug. Dus dat de weg/brug onder de A2 loopt in plaats van andersom. Als dit zo is dan heeft dit consequenties voor de rekenresultaten gezien de verkeerstoename over de brug bij ingebruikname nieuwe loods.

de geluidswal middels een voorwaardelijke verplichting is verankerd in het bestemmingsplan. In het kader van de uitgevoerde berekeningen is uitgegaan van de juiste gegevens. Dat een grafische weergave wellicht op een onderdeel een andere indruk kan wekken, is verder voor de berekeningen niet relevant.

2. Inspraakreactie Rijkswaterstaat 2.1 Verzoekt rekening te houden met de begrenzing van het Tracébesluit A2. Tevens wordt verzocht bij de situatietekeningen en berekeningen, voor zover nog niet gedaan, rekening te houden met de toekomstige situatie aangaande de ligging en inpassing van de A2. 2.2 Rijkswaterstaat verzoekt betrokken te worden bij de nadere uitwerking van de grondwal. 2.3 Er wordt gesteld dat de infrastructuur deze toename kan verwerken en er geen verkeerskundige problemen te verwachten zijn. Gezien de ligging in de directe nabijheid van de aansluiting wordt verzocht deze verwachting nader te onderbouwen middels een verkeerskundige studie.

De begrenzing is bij het ontwerp bestemmingsplan aangepast. Hierbij is rekening gehouden met de toekomstige ligging van de A2 en de begrenzing van het Tracébesluit.

2.4 In paragraaf 4.10 is ingegaan op het aspect water. Aangegeven is dat de exacte wijze waarop wordt omgegaan met hemelwater en afvalwater nader wordt uitgewerkt in de omgevingsvergunningaanvraag. Rijkswaterstaat vraagt of de afvoer niet plaatsvindt via de bermsloot langs de A2. 2.5 Rijkswaterstaat vraagt betrokken te worden bij de nadere uitwerking van de omgevingsvergunning. Met name vanuit het oogpunt van de verkeersveiligheid.

Het hemelwater van de daken wordt afgevoerd via het bluswaterstelsel. Dwa en vwa worden middels een gescheiden stelsel afgevoerd. De afvoer vindt daarom niet plaats via de bermsloot langs de A2.

3

Rijkswaterstaat wordt betrokken bij de nadere uitwerking van de grondwal. Het betreft slechts een beperkte toename in relatie tot de bestaande intensiteiten. In de toelichting is de verkeerskundige onderbouwing aangevuld. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat de infrastructuur rond het plangebied reeds voldoende is ingericht om de toename van verkeersbewegingen als gevolg van de ontwikkeling te verwerken. Daarbij zijn er geen afwikkelingsproblemen te verwachten en ook geen terugslag op de aansluiting op de A2.

Rijkswaterstaat wordt betrokken bij de nadere uitwerking rondom de vergunningsprocedure.

Inspraak reactie Waterschap Limburg

3.1 In de toelichting wordt aangegeven dat in nabij reeds aangelegde hemelwaterbuffers een overcapaciteit aanwezig is zodat alle hemelwater van het plangebied hierop kan worden aangesloten en vervolgens kan vertraagd worden afgevoerd op de Geleenbeek.

Het Waterschap Limburg wordt betrokken bij de exacte uitwerking van hoe zal worden omgegaan met het hemelwater.

De exacte uitwerking van hoe zal worden omgegaan met het hemelwater zal in de omgevingsvergunning verder aan bod komen. Graag worden wij hierbij betrokken. Daarbij wordt erop gewezen dat het Waterschap Limburg graag inzichtelijk gemaakt ziet worden wat de overcapaciteit van de buffers is en dat bij afvoer naar de in het beheer van het Waterschap Limburg zijnde beek niet de gemeentelijke normen gelden, maar de normen van het Waterschap Limburg (100 mm per m² verhard oppervlak).

4

Inspraakreactie GasUnie

4.1 In de regels van uw ontwerpbestemmingsplan, in het artikel 'Leiding-Gas', zouden wij graag zien dat u een voorrangsbepaling opneemt. Deze voorrangsbepaling is belangrijk voor de waarborging van onze juridische positie.

De voorgestelde voorrangsbepaling wordt overgenomen.

5 Inspraakreactie provincie Limburg Wet natuurbescherming - soortenbescherming 5.1 Opgemerkt wordt dat er is geen sprake is van een overtreding van een verbodsbepaling als er gewerkt wordt buiten en broedseizoen en er vleermuisvriendelijke verlichting wordt gebruikt langs de bestaande vliegroutes. Wet natuurbescherming – gebiedsbescherming 5.2 Gesteld wordt dat het gebruikte toetsingskader voor Belgische effecten niet meer actueel is. Daarnaast zijn de AERIUS berekeningen niet uitgevoerd met de meest actuele versie. Verzocht wordt om beide punten aan te passen.

Akoestisch onderzoek 5.3 Door de provincie Limburg is in relatie tot het bij het bestemmingsplan gevoegde akoestisch onderzoek in z’n algemeenheid het volgende opgemerkt: “De thans voorliggende beoordeling is niet gebaseerd om een wettelijke beoordelingsmethodiek. Het woon- en leefklimaat wordt thans niet in voldoende mate beschouwd omdat gebruik wordt gemaakt van een methode die hiervoor niet bedoeld is. De beoordelingsgremia die wel hiertoe regulier gebruikt worden, zijn niet toegepast (Schrikkelcirculaire, VNG handreiking, Abm etc,), noch worden ze genoemd. Het hanteren van het reconstructie effect is daarnaast niet de meest voor

De conclusie is juist en komt voor uit het uitgevoerde flora en fauna onderzoek. Bij de verdere uitwerking wordt uiteraard rekening gehouden met de genoemde voorwaarden.

Het toetsingskader voor Belgische effecten is inmiddels inderdaad gewijzigd. De rapportage is hierop aangepast. In de tussentijd is inderdaad een nieuwe versie van AERIUS Calculator beschikbaar gekomen. De berekening is opnieuw uitgevoerd met de meest actuele versie van AERIUS Calculator. Ook uit de nieuwe berekening blijkt dat er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden. Het akoestisch onderzoek is uitgevoerd om de omwonenden in met name Baakhoven tegemoet te komen. In het kader van een goede ruimtelijk ordening zijn de akoestische consequenties onderzocht van eventuele reflectie van het verkeerslawaai van de A2 op het bedrijfspand, voor de relevante bestaande woningen in Baakhoven aan de overzijde van de A2. Voor de beoordeling van de geluidbelastingen vanwege deze reflectie zijn geen wettelijke geluidnormen voorhanden. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt aangesloten bij het zogenoemde 2 dB-criterium uit de Wet geluidhinder. Het 2 dB-criterium is formeel alleen van toepassing bij de fysieke wijziging van een weg.

de hand liggende beoordelingsmethode. Het had voor de hand gelegen om de optredende gevelbelasting van woningen te beoordelen en van daaruit conclusies te trekken. De woningen hebben bovendien op dit moment al een hoge gevelbelasting, de verbreding van de A2 en de hierin voorziene maatregelen, zal leiden tot een verlaging van de gevelniveaus. Uit de resultaten maak ik vervolgens op dat wederom een verslechtering optreedt. Dus ook dit betekent een verslechtering van het woon- en leefklimaat naar de toekomst toe, waar nu niet bij stil wordt gestaan, bij gebruik van de huidige methode. Mijns inziens moet gewoon naar de gevelwaarden worden gekeken en van daaruit moet geconcludeerd worden dat een verdere toename van de gevelwaarden niet wenselijk is. Daarnaast worden er maatregelen in de overdracht meegenomen in de beoordeling, die niet in eigendom zijn van de initiatiefnemer. Dit kan niet. Deze maatregelen kunnen niet worden meegenomen, om de reden dat de wijziging (waar initiatiefnemer geen zeggenschap over heeft) aan deze maatregelen direct effect heeft op de geluidimmissie van de inrichting. Een uitzondering zou gemaakt kunnen worden als er een overeenkomt met de grondeigenaar (zijnde RWS) aan ten grondslag ligt.

In deze overeenkomst moet opgenomen worden dat er geen wijzigingen aan de voorzieningen mogen worden uitgevoerd zonder dat de effecten van de inrichting meegewogen en mee beoordeeld worden.”

5.4 “Met betrekking tot de VNG-handreiking kan de inrichting waarschijnlijk voldoen. Uitgaande van een goederenwegvervoersbedrijfsgebouw (b.o. > 1.000 m2) kan voldaan worden aan de richtafstanden van 100 meter (geluid) en 30 meter

Deels worden (en zijn) de aangehaalde beoordelingsgremia inderdaad regulier gebruikt bij een (dit) bestemmingsplan (VNG-handreiking -> er wordt ruimschoots voldaan aan de van toepassing zijnde richtafstand). De overige kaders (Abm en Schrikkelcirculaire) zijn pas van toepassing in een latere fase (na vaststelling van het bestemmingsplan) bij aanvraag om een Omgevingsvergunning. Er is niet (wederom) sprake van een verslechtering. Bij geen van de woningen is sprake van een relevante toename van de geluidbelasting (van 2 dB of meer). Daarnaast is bij een groot deel van de woningen (afhankelijk van de plansituatie) sowieso geen sprake van een toename van de geluidbelasting. Tevens wordt er middels de toegepaste methode wel naar de verslechtering gekeken, echter in relatieve zin (aantal dB toe/afname) en niet in absolute zin (hoogte geluidbelasting). Het zijn geen maatregelen (die genomen worden in het kader van het bestemmingsplan “Holtum-Noord IV”) en zo worden ze ook niet genoemd, maar mogelijke varianten (van maatregelen t.b.v. de A2) in het kader van de wegverbreding ‘Het Vonderen – Kerensheide’.

Het onderzoek betreft het inzichtelijk maken van een eventuele toe/afname van de geluidbelasting vanwege verkeer op de A2 ter plaatse van woningen door de komst van het bedrijfsgebouw, waarbij gekeken is naar de mogelijke varianten van de A2 (bestaande situatie en twee nieuwe situaties van verbreding van de A2). Volledigheidshalve dient te worden opgemerkt dat inmiddels zeker is dat de geluidwal aan de oostzijde van de A2 verlengd en verhoogd wordt uitgevoerd ten opzichte van de variant die in het Tracébesluit is opgenomen. In het kader van het ontwerp bestemmingsplan is het akoestisch onderzoek dan ook aangepast hierop. Niet relevante varianten zijn verwijderd en het onderzoek richt zich nu uitsluitend op de volgende relevante situaties. Uit het aangepaste onderzoek volgt dat in geen van de varianten sprake is van een significante toename van geluid op de gevels van de woningen in Baakhoven. Na realisatie van de verhoogde en verlengde geluidwal is bij het overgrote deel van de woningen zelfs sprake van een afname van het geluid op de gevels van de woningen in Baakhoven in vergelijking met de huidige situatie.

Binnen het plangebied zijn bedrijven toegestaan van maximaal milieucategorie 3.2 en dan ook nog uitsluitend bedrijven gericht op distributie, op- en overslag daaronder begrepen bedrijven waarbij lichte assemblage kan plaatsvinden en (dienstverlenende) bedrijven ten behoeve

(EV). Dit zijn echter richtafstanden, een AR kan altijd uitsluitsel geven en dat is ook de strekking van het Abm. Een dergelijke beoordeling mis ik.”

5.5 “Bij een akoestisch onderzoek behoort een volledige beoordeling van het geluid en niet slechts een deel. Naast de beoordeling van de Schrikkelcirculaire, VNG-handreiking, Abm, ontbreekt een beoordeling van het gezoneerde industrieterrein. Thans is ons gebleken dat de inrichting niet is gelegen op het gezoneerd industrieterrein, maar net daarbuiten. Voor een volledige beoordeling dient dit wel beschreven te worden, daar de Wgh hier wel van toepassing is.” 5.6 “In de Atlas leefomgeving is sprake van beduidend hogere geluidniveaus. Voor Baakhoven 4 en 5 (Gebouw 1 en 2), is de gevelbelasting 66-70 dB en voor Baakhoven 7 (G5) 61-65 dB. Dit zijn hoge gevelwaarden. De berekende waarden komen lager uit (referentie situatie 1). De vraag is hoe dit te verklaren is, daar wij de intensiteiten niet kunnen verifiëren.”

5.7 “In tabel 1 is de huidige situatie onder referentiesituatie 1 niet gelijk aan dezelfde situatie in tabel 2 en 3. Dit zou volgens de variantenstudie wel zo moeten zijn, conform paragraaf 2.3.”

5.8 “Het aantal voertuigen bij de stikstofberekening en het akoestisch rapport (genoemd onder indirecte hinder) komen niet met elkaar overeen en wijken significant af. De voertuigbewegingen tussen het AR en Aerius komen niet overeen. Aerius gaat uit

van of in een directe relatie met bovengenoemde bedrijven en die voorkomen in milieucategorieën 2 en 3 van de Staat van bedrijfsactiviteiten en die geheel of gedeeltelijk gebruikmaken van de door de rail- en/of bargeterminal aangeboden dienstverlening, één en ander zoals vastgelegd in artikel 3.1 van de regels. Hiervoor geldt op grond van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' een richtafstand van 100 meter ten opzichte van milieugevoelige functies. Binnen een afstand van 100 meter van de bestemmingsgrens van de bestemming ‘Bedrijventerrein’ binnen het plangebied zijn geen milieugevoelige functies aanwezig of juridisch-planologisch toegestaan. De dichtstbij gelegen milieugevoelige woningen liggen op circa 230 meter ten zuidoosten van het plangebied, aan de overzijde van de Rijksweg A2. Één en ander zoals ook is weergegeven in paragraaf 4.7 van de toelichting van het voorontwerp bestemmingsplan. Onderzoeken naar en beoordeling in het kader van het Activiteitenbesluit milieubeheer (Abm) en de Schrikkelcirculaire zijn pas van toepassing is een latere fase (na vaststelling van het bestemmingsplan) bij aanvraag om een omgevingsvergunning.

Voor het door Kragten uitgevoerde onderzoek is gebruik gemaakt van de gegevens (intensiteiten, verdeling, wegdek en snelheden) uit het Geluidregister. De geluidbelastingen uit het onderzoek zijn globaal vergeleken met die uit de Atlas Leefomgeving (en uit het akoestisch onderzoek behorende bij het Tracébesluit A2 Wegverbreding Het Vonderen Kerensheide). Deze komen goed met elkaar overeen. ‘Verwarring’ zit ‘m in het feit dat in de tabellen in het rapport van Kragten het meest negatieve verschil in geluidbelastingen is gepresenteerd. Dit hoeft niet persé op te treden ter plaatse van een rekenpunt met de hoogste geluidbelasting. In de bijlagen van het rapport staan alle geluidbelastingen, dus ook de hoogste. Gekeken is naar het meest negatieve verschil in geluidbelastingen. Voor ref 1 geldt dat dit voor een aantal gebouwen/adressen een ander rekenpunt (zie 3e kolom) betreft dan voor ref 2/3 zoals opgenomen in het bij het voorontwerp bestemmingsplan gevoegde onderzoek. Voorts dient te worden opgemerkt dat het onderzoek in het kader van het ontwerp bestemmingsplan is geactualiseerd. In het akoestisch onderzoek staat in paragraaf 4.1 een aantal van 781 mvt/etmaal en bijbehorende verdeling in personenwagens en vrachtwagens genoemd. Die komt overeen met de genoemde aantallen in tabel 4 in paragraaf 4.3.2 van de stikstofberekening, met dien verstande dat in de

van een groter aantal voertuigen. Dit heeft ook consequenties voor de indirecte hinder. Rapporten en uitgangspunten moeten met elkaar in overeenstemming zijn.”

Stikstofdepositie 5.9 Geheel onterecht wordt aangehouden dat het perceel voorheen in gebruik was als agrarisch perceel. In het bestemmingsplan van 2012 is dit perceel bestemd als groenvoorziening. Buiten onderhoudswerkzaamheden (maaien) heeft hier geen bemesting plaatsgevonden. Door thans een bedrijfsfunctie toe te kennen aan het perceel zal de stikstofdepositie toenemen ter plaatse in plaats van afnemen omdat er geen sprake is van een agrarische referentiesituatie. Of dit ook een verslechtering ter plaatse van natuurgebieden betekent zal opnieuw beoordeeld moeten worden. Voor de buurlanden is immers thans wel sprake van een verhoging van de N-depositie omdat er geen referentiewaarde is met een N-depositie.

betreffende tabel 4 overeenkomstig de kengetallen van het CROW een onderscheid is gemaakt tussen licht verkeer (620 mvt/etmaal), middelzwaar verkeer (42 mvt/etmaal) en zwaar verkeer (119 mvt/etmaal). Tezamen 781 mvt/etmaal, overeenkomstig de gehanteerde 781 mvt/etmaal in het akoestisch onderzoek. Kortom, de rapporten en uitgangspunten zijn met elkaar in overeenstemming. De stelling dat geheel onterecht wordt aangehouden dat het perceel voorheen in gebruik was al agrarisch perceel is onjuist. Het perceel is namelijk in de huidige situatie nog altijd in agrarisch gebruik. In het kader van stikstofdepositie is maatgevend de feitelijk aanwezige en juridisch-planologisch legale situatie ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan. Binnen het plangebied is op grond van het overgangsrecht nog immer sprake van agrarisch gebruik, aangezien de ontwikkeling zoals deze in het vigerende bestemmingsplan was beoogd, nooit tot realisatie is gekomen. Dit zal als zodanig het geval zijn tot het moment dat er sprake is van een (nieuw) onherroepelijk bestemmingsplan, waarna pas zal worden overgegaan tot realisatie van het plan waarvoor het nieuwe bestemmingsplan is opgesteld. Dit impliceert ook dat op het moment van vaststelling van het in procedure gebrachte bestemmingsplan, agrarisch gebruik het feitelijk aanwezige en juridisch-planologisch legale gebruik betreft.

Verder impliceert het bovenstaande dat ook de opmerking over een verhoging van de stikstofdepositie op Natura 2000gebieden in buurlanden onjuist is, omdat uit de berekeningen volgt dat hier geen sprake van is. Dit geldt voor alle duidelijkheid ook voor de geactualiseerde berekening.

Provinciale omgevingsverordening 5.10 Opgemerkt wordt dat het terrein is aan te merken als een gebied dat een middelgrote kans op overstromen. Dit dient meegenomen te worden in de overwegingen voor de aard van de bedrijven die zich hier kunnen vestigen. Het vestigen van bedrijven waarbij (milieu)gevaarlijke stoffen in grote hoeveelheden worden opgeslagen is hier wellicht niet wenselijk (zonder maatregelen / voorzieningen).

Op basis van de Risicokaart blijkt inderdaad dat sprake is van een middelgrote kans op overstromingen. Ditzelfde geldt overigens voor het gehele bedrijventerrein Holtum-Noord, maar ook de diverse omliggende kernen als Buchten, Born, Roosteren en ook Baakhoven. In het voorliggende geval is sowieso geen sprake van de mogelijkheid om (milieu)gevaarlijke stoffen in grote hoeveelheden op te slaan. Zo zijn Bevi-inrichtingen in de specifieke gebruiksregels van de bestemming ‘Bedrijventerrein’ expliciet uitgesloten. Daarnaast is in de regels een (dynamische) verwijzing opgenomen naar de regels in de provinciale omgevingsverordening ten aanzien van het grondwaterbeschermingsgebied. Hiermee is in voldoende mate verzekerd dat geen activiteiten kunnen plaatsvinden m.b.t. (milieu)gevaarlijke stoffen.

5.11 Gesteld wordt dat het plan gelegen in het grondwaterbeschermingsgebied volgens ruimtelijke plannen. Er gelden hier additionele regels. Het grondwaterbeschermingsgebied en de boringsvrije zone Roerdalslenk zijn goed opgenomen. Het lijkt dat alleen de regels over boringen en het roeren van de grond van toepassing zijn, maar er gelden meer regels. Verzocht wordt voor de volledigheid van regels een verwijzing op te nemen naar de Omgevingsverordening Limburg.

Bodem 5.12 Opgemerkt wordt dat de verontreiniging van percelen naast autosnelwegen mogelijk is. Verhoogde gehalten lood en PAK’s zijn aannemelijk. Aangegeven wordt dat wordt getwijfeld of het uitvoeren van een historisch onderzoek afdoende is. Gesteld wordt dat in overleg met een bodemdeskundige een overweging gemaakt dient te worden om een verkennend onderzoek uit te laten voeren conform NEN5740. Externe veiligheid 5.13 Aangegeven wordt dat het op basis van artikel 6.5.1 van het bestemmingplan op de grond verboden is om grondroeractiviteiten te verrichten (bijvoorbeeld het aanbrengen van rioleringen, kabels, leidingen en drainage), gesloten verhardingen aan te leggen, het permanent opslaan van goederen waaronder ook begrepen het opslaan van afvalstoffen en het plaatsen van onroerende objecten zoals lichtmasten, wegwijzers en ander straatmeubilair. Dergelijke voorzieningen en activiteiten zijn naar mening van de provincie Limburg passend bij een distributiecentrum en de regels vanuit het bestemmingsplan kennen een veiligheidsafstand toe aan de bron en zorgen voor een continue bereikbaarheid. Dit wordt thans niet voldoende onderbouwd. 5.14 Gesteld wordt dat een deel van het gebouw over de gasleiding geplaatst kan worden. Dit wordt onwenselijk geacht.

Volledigheidshalve dient te worden opgemerkt dat het plangebied op grond van de kaarten behorende bij de Beleidsregels grote rivieren geen onderdeel uitmaakt van het rivierbed van de Maas en daarmee dus niet binnen het stroomvoerend regime valt, niet binnen het bergend regime valt en evenmin binnen het gedeelte van het rivierbed waar §6 van Hoofdstuk 6 van het Waterbesluit niet van toepassing is (artikel 6.16 van het Waterbesluit). Vanuit dat kader bestaan er kortom geen beperkingen. Terecht wordt opgemerkt dat sprake is van ligging binnen een (freatisch) grondwaterbeschermingsgebied en ligging binnen de boringsvrije zone Roerdalslenk II. De in het voorontwerp bestemmingsplan opgenomen regels zijn gebaseerd op de regels zoals deze zijn opgenomen in de thans geldende Omgevingsverordening Limburg 2014 en zijn op een vergelijkbare wijze opgenomen als in vele andere bestemmingsplannen in Sittard-Geleen. Desalniettemin worden de regels in het bestemmingsplan overeenkomstig het verzoek van de provincie Limburg vervangen door een (dynamische) verwijzing naar de thans geldende provinciale verordening. In het voorliggende geval is de gemeente Sittard-Geleen bevoegd gezag inzake de beoordeling van de bodemkwaliteit.

De bodemspecialist van de gemeente Sittard-Geleen heeft geoordeeld dat in het kader van de bestemmingsplanprocedure de bodemkwaliteit middels het uitgevoerde onderzoek in voldoende mate in beeld is gebracht.

Artikel 6.5.1 heeft betrekking op de dubbelbestemming ‘Leiding – Gas’ die is opgenomen voor het tracé van de gasleiding en de bijbehorende juridisch-planologische beschermingszone. Middels deze dubbelbestemming wordt geborgd dat eventuele werkzaamheden in de nabijheid van de gasleiding te allen tijde op voorhand afgestemd dienen te worden met de leidingbeheerder, in dit geval de Gasunie. In het kader van de beoogde ontwikkeling heeft ook afstemming plaatsgevonden met de Gasunie. Gelet op de afstemming met de Gasunie, de uitgevoerde externe veiligheidsonderzoek en het opgevraagde advies van de Veiligheidsregio, valt niet in te zien waarom dit thans niet voldoende onderbouwd zou zijn.

De stelling dat het onwenselijk is dat een gebouw over de gasleiding geplaatst kan worden is juist. De stelling dat een deel van het gebouw op grond van het bestemmingsplan

Een brand in het gebouw kan eveneens schade toebrengen aan de ondergrondse aardgasleiding en dus aan belangrijk onderdeel van de infrastructuur. De 100% letaliteit is gelegen 80 meter. Dit betekent dat bij een calamiteit ¾ van het pand de calamiteit waarschijnlijk niet overleefd. Het overige deel van aanwezigen kan door gebouwschade eveneens letaal letsel oplopen. In een apart rapport volgt dat de GR-oriëntatiewaarde niet wordt overschreden. Gesteld wordt dat dit niets over schade aan het gebouw zegt omdat de bron in het gebouw zit. Opgemerkt wordt dat dit serieus moet worden bekeken door EV specialisten.

5.15 Een advies van de Veiligheidsregio wordt gemist bij de stukken.

5.16 Opgemerkt wordt dat een beschrijving van mogelijke beperkingen voor het gebruik van het gebouw en daarnaast de invloed van een functietoekenning van een bedrijf dat activiteiten uitvoert met gevaarlijke stoffen, gemist wordt.

over de gasleiding kan worden geplaatst is echter onjuist. Het bouwvlak is gesitueerd op 5 meter afstand van de betreffende gasleiding en volledig buiten de beschermingszone die voor deze gasleiding middels de dubbelbestemming ‘Leiding – Gas’ is opgenomen. Volledigheidshalve wordt hierbij opgemerkt dat de beschermingszone in z’n totaliteit een breedte heeft van 10 meter, 5 meter ter weerszijden uit het hart van de leiding. De stelling dat de bron in het gebouw zit is daarmee eveneens onjuist. Volledigheidshalve dient te worden opgemerkt dat het aspect externe veiligheid middels de uitgevoerde onderzoeken en het advies van de veiligheidsregio zorgvuldig in beeld is gebracht. Het advies van de veiligheidsregio is, zoals te doen gebruikelijk, opgevraagd in het kader van het wettelijk verplichte vooroverleg, gelijktijdig met de inspraakprocedure in het kader van het voorontwerp bestemmingsplan. Het advies is dan ook opgenomen in het ontwerp bestemmingsplan. In de specifieke gebruiksregels zijn Bevi-inrichtingen reeds expliciet uitgesloten, dus het uitvoeren van activiteiten met gevaarlijke stoffen in een mate dat sprake is van een risicovolle inrichting (Bevi-inrichting) zijn sowieso niet aan de orde.

Daarnaast wordt voor wat betreft de toegestane bedrijfstypen verwezen naar de bestemmingsomschrijving van de bestemming ‘Bedrijventerrein’ (artikel 3.1) en de bijbehorende staat van bedrijfsactiviteiten (bijlage 1 bij de regels).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=SittardGeleen&id=456286fe-2566-417b-bf37-ef8d36de6dd0