CConstaterende datSittard-Geleen
Koppel je AI →
Document · PDF

03 Toelichting

Raad 19 september 2024, gemeente Sittard-GeleenBij agendapunt: Bestemmingsplan Bergbezinkbassins (Geilen) (86)12.963 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Bergbezinkbassins Sittard-Geleen Pagina 29 van 41

toename berekend van de stikstofdepositie in de omliggende Natura 2000-gebieden van 0,02 mol/ha/jaar. Negatieve effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden zijn daarmee in de aanlegfase niet op voorhand uit te sluiten. Om deze reden is een ecologische voortoets verricht. Ecologische voortoets In de ecologische voortoets (Bijlage 8) is gekeken of voor de drie habitattypen en twee habitatrichtlijnsoorten, waarvoor geldt dat de kritische depositiewaarde (hierna: KDW) wordt overschreden is onderzocht of de berekende toename van 0,02 mol N/ha/jaar aan stikstofdepositie kan leiden tot een in ecologische zin aantoonbare aantasting van de kwaliteit of oppervlakteverlies van het stikstofgevoelige areaal. Voor deze habitattypen en/of leefgebieden van kwalificerende soorten waarvoor geldt dat de KDW wordt overschreden, is onderzocht of de berekende geringe tijdelijke toename aan stikstofdepositie kan leiden tot een in ecologische zin aantoonbare aantasting van de kwaliteit of oppervlakte verlies van het stikstofgevoelige areaal. Op basis van een gebiedsspecifieke analyse wordt geconcludeerd dat significant negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van alle habitattypen en kwalificerende soorten, ook in cumulatie, kunnen worden uitgesloten. 4.4.3

Betekenis voor het planvoornemen

Uit het stikstofonderzoek blijkt dat negatieve effecten van de stikstofdepositie van het beoogde voornemen op Natura 2000-gebieden in de aanlegfase niet op voorhand zijn uit te sluiten. Om het beoogde voornemen mogelijk te maken, is daarom een ecologische voortoets verricht. Uit deze voortoets volgt dat significant negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van alle habitattypen en kwalificerende soorten, ook in cumulatie, kunnen worden uitgesloten. Stikstof vormt daarmee geen belemmering voor het project.

4.5

Watertoets

4.5.1

Beleidskader

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, alle met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's. Europees beleid Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal beleid Nationaal Waterplan (NW) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet Provinciaal beleid Provinciaal Waterprogramma 2022-2027 (Provincie Limburg) Hoogheemraadschapsbeleid Waterbeheerprogramma Waterschap Limburg 2022-2027 Gemeentelijk beleid Beleidsplan Water en Klimaatadaptatie 2022-2027 Westelijke Mijnstreek Ter toetsing van de beoogde ontwikkeling is voor ieder bergbezinkbassin en/of open buffer een watertoets uitgevoerd. De resultaten daarvan worden behandeld in paragraaf 4.4.2.

Bergbezinkbassins Sittard-Geleen Pagina 30 van 41

4.5.2

Onderzoek

Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Limburg. De aanleg van het bergbezinkbassin en/of de open buffer komt voort uit de basisinspanning riolering en de ecologische toets opgesteld voor het Basisrioleringsplan+ en is lokaal maatwerk. De uitvoeringsmethode voor de aanleg van het bergbezinkbassin en open buffer is afhankelijk van de grondwaterstand. Deze grondwaterstand zal tijdens de uitvoering zo min mogelijk worden aangetast. Eisen van het Waterschap Limburg met betrekking tot de uitvoering worden vooraf afgestemd en tijdens de uitvoering in acht genomen. Het ontwerp van het bergbezinkbassin en/of de open buffer is reeds afgestemd tussen de gemeente, het Waterschapsbedrijf Limburg en het Waterschap Limburg. 4.5.2.1 Sint Jorisstraat Momenteel stort de gemengde riolering bij een tekort aan bergingscapaciteit over op de Geleenbeek. Door tussenplaatsing van een bergbezinkbassin wordt de bergingscapaciteit verhoogd en stort minder water over op de Geleenbeek. Verder komt door de afmeting van het bergbezinkbassin het slib in het rioolwater tot bezinken. Het bergbezinkbassin vermindert dus de hoeveelheid en het aantal overstorten. Ook de vuilbelasting van de overstort neemt af. Hierdoor verkleint de impact van de overstorten op de waterkwaliteit van de Geleenbeek, waarmee de waterkwaliteit verbetert.

Geohydrologische effecten De maaiveldhoogte op de onderzoekslocatie bedraagt ca. 54 m+ NAP. Het freatisch grondwater wordt op basis van de geohydrologische kaarten van de dienst grondwaterverkenning van TNO globaal aangetroffen op ca. 49 m+ NAP. Op basis van detailinformatie uit dezelfde bron kan verder worden geconcludeerd dat het eerste watervoerende pakket zich bevindt in de Formatie van Beegden. Dat is een jonge geologische formatie in het zuidoosten van Nederland. De formatie bestaat uit alle afzettingen van de rivier de Maas op Nederlandse bodem en in de Nederlandse ondergrond, vanaf het Plioceen (5 miljoen jaar geleden) tot het heden. Op basis van voornoemde informatie kan derhalve worden geconcludeerd dat het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie zich op ca. 5 m- maaiveld bevindt. De grondwaterstroming is globaal noordwestelijk gericht. 4.5.2.2 Daniken Momenteel stort de gemengde riolering bij een tekort aan bergingscapaciteit over op de Geleenbeek. Door tussenplaatsing van een bergbezinkbassin en open buffer wordt de bergingscapaciteit verhoogd en stort minder water over op de Geleenbeek. Verder komt door de afmeting van het bergbezinkbassin het slib in het rioolwater tot bezinken. Het bergbezinkbassin en de open buffer verminderen dus de hoeveelheid en het aantal overstorten. Ook de vuilbelasting van de overstort neemt af.

Hierdoor verkleint de impact van de overstorten op de waterkwaliteit van de Geleenbeek, waarmee de waterkwaliteit verbetert. Geohydrologische effecten De maaiveldhoogte op de onderzoekslocatie bedraagt ca. 53,40 m+ NAP en 55,40. Het freatisch grondwater bedraagt op basis van een meting van drie peilbuizen globaal ca. 51 m+ NAP. Op basis van voornoemde informatie kan derhalve worden geconcludeerd dat het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie zich op ca. 4 m- maaiveld bevindt. De onderkant van de open buffer komt boven de grondwaterstand te liggen.

Bergbezinkbassins Sittard-Geleen Pagina 31 van 41

4.5.3

Betekenis voor het planvoornemen

Uit de watertoets blijkt dat de beoogde ontwikkeling geen negatieve gevolgen heeft voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. Sterker nog, de beoogde ontwikkeling draagt bij aan het verbeteren van de waterkwaliteit in het plangebied. Het aspect water vormt daarom geen obstakel voor de beoogde ontwikkeling.

4.6

Bedrijven en milieuzonering

4.6.1

Beleidskader

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ruimtelijke afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en gevoelige functies noodzakelijk. De toelaatbaarheid van bedrijvigheid kan globaal worden beoordeeld met behulp van de methodiek van de VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzondering' (2009). In deze brochure is een bedrijvenlijst opgenomen die informatie geeft over de milieukenmerken van verschillende typen bedrijven. Ook wordt in de lijst op basis van een aantal factoren (geluid, stof, geur en gevaar) een indicatie gegeven van de afstanden tussen bedrijfstypen en een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals rustig buitengebied), waarmee gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening kunnen houden. 4.6.2

Betekenis voor planvoornemen

Bergbezinkbassins en waterbuffers behoren niet tot de inrichtingen waaraan in deze VNG-uitgave een milieucategorie is toegedeeld. Er is derhalve geen richtafstand bepaald voor bergbezinkbassins, ervan uitgaande dat er geen milieubelastende uitstraling op de omgeving is. Een overstort vindt slechts enkele keren per jaar plaats. Dit is zeer beperkt en staat niet in verhouding tot de overlast die het veroorzaakt. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.7

Bodem

4.7.1

Beleidskader

In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een gevoeliger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder gevoelig bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. 4.7.2

Onderzoek

Daniken Ten behoeve van de ontwikkeling is voor Daniken een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 4). Hieruit volgden onderstaande resultaten: Verkennend bodemonderzoek In de bovengrond (0,0-0,5 m-mv) zijn licht verhoogde gehalten met cadmium en/of zink Bergbezinkbassins Sittard-Geleen Pagina 32 van 41

aangetoond (MM1 t/m MM4). De licht verhoogde gehalten met zware metalen zijn mogelijk te relateren aan diffuse bodemverontreiniging. Uit de indicatieve toetsing aan het Besluit Bodemkwaliteit blijkt dat de bovengrond bij hergebruik voldoet aan de achtergrondwaarde. Uit toetsing van de analyseresultaten aan het handelingskader PFAS blijkt dat de bovengrond voldoet aan de klasse landbouw/natuur. In de ondergrond (0,5-4,0 m-mv) overschrijdt geen van de onderzochte parameters de achtergrondwaarde (MM5 t/m MM8). Uit de indicatieve toetsing aan het Besluit Bodemkwaliteit blijkt dat de ondergrond bij hergebruik voldoet aan de achtergrondwaarde. Uit een toetsing aan de CROW 400 blijkt dat bij graafwerkzaamheden geen sprake is van een veiligheidsklasse. Wel dient de basishygiëne in acht te worden genomen. Asbestonderzoek In de grove fractie (> 20 mm) zijn visueel geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Uit de asbestanalyses van de mengmonsters (ASB1 & ASB2) van de fijne fractie blijkt dat de restconcentratienorm van 100 mg/kg.ds en de norm voor nader onderzoek (50 mg/kg.ds) in de actuele contactzone niet wordt overschreden. Op basis van het bodemonderzoek kan worden geconcludeerd dat er binnen de onderzoekslocatie milieuhygiënisch gezien geen beperkingen of belemmeringen zijn ten aanzien van de voorgenomen (graaf)werkzaamheden.

Geadviseerd wordt om vrijkomende grond binnen het project of binnen het Bodembeheerplan van de gemeente Sittard-Geleen her te gebruiken. Indien dat niet mogelijk is, is voor de afvoer van de grond mogelijk een partijkeuring conform Besluit Bodemkwaliteit noodzakelijk. Sint Jorisstraat Ten behoeve van de aanleg van het bergbezinkbassin is in 2017 een milieuhygiënisch onderzoek uitgevoerd door Geonius (bijlage 5). Hieruit volgden onderstaande resultaten: De bovengrond (fundatielagen en bermen) is over het algemeen licht verontreinigd met zware metalen, PAK en/of minerale olie. Indicatief getoetst aan de maximale waarden uit het Besluit bodemkwaliteit varieert de bodemkwaliteit tussen “AW” en “industrie”. De bovengrond ter plaatse van het weiland, alsmede de ondergrond op de gehele locatie, is niet of nauwelijks verontreinigd met de onderzochte componenten. Er is geen asbest aangetoond tijdens het verkennend onderzoek naar asbest in bodem/puin. Op basis van het onderzoek naar de kwaliteit van het asfalt blijkt dat de bovenbouw van de gehele asfaltconstructie teerhoudend is. Rekening houdend met een veiligheidsmarge van minimaal 20 mm is sprake van een gemiddelde teerhoudende asfaltdikte van ca. 31 mm. Uitgaande van een asfaltoppervlakte van ca. 1.155 m² komt binnen het onderzochte gebied ca. 360 m³, of ca. 900 ton teerhoudend asfalt vrij.

Uitgaande van een gemiddelde dikte van de onderbouw van ca. 45 mm, komt binnen het onderzochte gebied ca. 516 m³, of ca. 1.290 ton niet teerhoudend asfalt vrij. Het grondwater is over het algemeen licht verontreinigd met barium, som 1.2-Dichloorethenen, xylenen en/of naftaleen. In het grondwater van peilbuis 002 komt aanvullend een sterke verontreiniging met vinylchloride voor. Vermoed wordt dat het hier gaat om een afbraakproduct van een grondwaterverontreiniging met per en tri ter plaatse van de voormalige chemische wasserij TIPTOP, ca. 300 m ten zuidwesten van de onderzoekslocatie. Aanvullend grondwateronderzoek kan meer inzicht geven de aard en omvang van de grondwaterverontreiniging ter plaatse van de onderzoekslocatie. De aangetroffen sterke verontreiniging met vinylchloride (VC) in het grondwater vormt geen probleem voor de aanleg van een bergbezinkbassin. Het grondwater wordt aangetroffen op ca. 5 meter minus maaiveld en de aanlegdiepte bedraagt 3.5 meter minus maaiveld. Conclusie De grond zal worden gebruikt ten behoeve van een (ondergronds) bergbezinkbassin en zal daarmee geen verblijfsfunctie omvatten. De grond die vrijkomt bij de uitvoeringswerkzaamheden zal grotendeels worden afgevoerd naar een erkend verwerker. Het aspect bodem levert daarom geen beperkingen op voor de voorgenomen ontwikkeling. Om aan te tonen dat dit onderzoek nog

Bergbezinkbassins Sittard-Geleen Pagina 33 van 41

representatief is, heeft in 2022 een actualiserend vooronderzoek plaatsgevonden (bijlage 6). Op basis van het uitgevoerde actualiserende vooronderzoek blijkt dat de onderzoekslocatie sinds het uitgevoerde verkennend en bodemonderzoek onveranderd is gebleven. Derhalve kan gesteld worden dat de resultaten uit het eerder uitgevoerde onderzoek als representatief beschouwd kunnen worden. 4.7.3

Betekenis voor het planvoornemen

Bodem vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.

4.8

Externe veiligheid

4.8.1

Beleidskader

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria, zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico van zware ongevallen met zich mee kunnen brengen. Het beleid voor externe veiligheid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij de besluitvorming rondom ruimtelijke plannen de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt in het externe veiligheidsbeleid het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) gehanteerd. Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De normstelling heeft de status van een grenswaarde die niet overschreden mag worden. Voor kwetsbare objecten wordt in zowel bestaande als nieuwe situaties het niveau van 10-6 per jaar als grenswaarde gehanteerd.

Nieuwe beperkt kwetsbare objecten zijn alleen toegestaan onder een gewichtige motivering. Bestaande beperkt kwetsbare objecten zijn toegestaan binnen de PR 10-6 contour. Het GR kan worden beschouwd als de maat van maatschappelijke ontwrichting in geval van een calamiteit (en drukt dus de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal 10 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit). De normstelling heeft de status van een oriënterende waarde. Deze waarde is geen vastgestelde wettelijke norm. Desondanks hebben overheden en betrokken private instellingen een inspanningsverplichting om te voldoen aan deze oriënterende waarde en dient een toename van het GR bestuurlijk te worden verantwoord. 4.8.2

Betekenis voor planvoornemen

Het planvoornemen voorziet in de realisatie van twee bergbezinkbassins en een waterbuffer. Hiermee wordt geen kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object mogelijk gemaakt. Bovendien gaat vanuit deze activiteit geen externe werking uit in het kader van veiligheid in verband met gevaarlijke stoffen. Externe veiligheid vormt daarmee geen belemmering voor het bestemmingsplan.

Bergbezinkbassins Sittard-Geleen Pagina 34 van 41

4.9

Geluid

4.9.1

Beleidskader

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden onderzocht of na realisatie van het plan sprake is van een aanvaardbare geluidsituatie. Op basis van de Wet geluidhinder (hierna Wgh) zijn er drie geluidsbronnen waarmee rekening dient te worden gehouden bij de vaststelling van ruimtelijke plannen: wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai. De Wgh benoemt situaties wanneer onderzoek nodig is naar geluidhinder en bevat normen voor de voorkeurswaarde en maximaal toelaatbare geluidsbelasting op de gevel van woningen. Daarnaast kan het ook in het kader van een goede ruimtelijke ordening nodig zijn inzicht te geven in de indirecte akoestische gevolgen van het plan bij omliggende bestaande woningen, zoals de akoestische gevolgen van eventueel verkeersaantrekkende werking. 4.9.2

Betekenis voor planvoornemen

In het plangebied liggen geen geluidsgevoelige objecten. De dichtstbijzijnde geluidsgevoelige objecten van de plangebieden liggen op minimaal 60 meter. Daarbij worden op grond van het bestemmingsplan geen geluidsproducerende of geluidsgevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt. Een bergbezinkbassin wordt middels de Wet geluidhinder en het Activiteitenbesluit niet aangemerkt als een geluidsgevoelig object. Tevens genereert een bergbezinkbassin minimale geluidsfrequenties en heeft het geen verkeersaantrekkende werking. Een akoestisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.

4.10

Geur

4.10.1 Beleidskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient rekening gehouden te worden met geurhinder. Het geuraspect dient te worden meegewogen bij plannen die geurgevoelige objecten mogelijk maken. Het is niet toegestaan om zonder meer nieuwe geurgevoelige objecten mogelijk te maken binnen de geurcontour van bestaande bedrijven in het kader van een goed woon- en leefklimaat. 4.10.2 Betekenis voor planvoornemen Dit plan maakt geen geurgevoelig object mogelijk. Andersom dient wel rekening gehouden te worden met geurgevoelige objecten in de omgeving. De tijdelijke opslag van gemengd rioolwater kan mogelijk geuroverlast in de nabijheid van het bassin veroorzaken. Op grond van het Activiteitenbesluit wordt rekening gehouden met de afstand van de overstort tot een geurgevoelig object, wanneer dit op minder dan 50 meter afstand ligt. Voor de locatie van de waterbuffer en de bergbezinkbassins geldt, dat er geen geurgevoelige objecten binnen 50 meter van het plangebied liggen. Het milieuaspect geur vormt daarmee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Aanvullend wordt in het kader van een goede ruimtelijke ordening op het dek van het bassin een geurfilter aangebracht, om de lucht uit het bassin te zuiveren. Hierdoor wordt de potentiële geur van het bergbezinkbassin beperkt.

Bergbezinkbassins Sittard-Geleen Pagina 35 van 41

4.11

Luchtkwaliteit

4.11.1 Beleidskader In de Wet Milieubeheer (Wm) zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. Hierbij is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu moet worden voldaan en grenswaarden waaraan in de toekomst moet worden voldaan. De meest kritische stoffen zijn stikstofdioxide en fijnstof. Voor de andere in de Wm genoemde stoffen, wordt in Nederland, behoudens bijzondere situaties, overal voldaan aan de vereisten. Op grond van artikel 5.16 Wm verlenen college van burgemeester en wethouders alleen een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan wanneer aannemelijk is dat gemaakt dat: Het vergunde plan niet leidt niet tot het overschrijden van de in de wet genoemde grenswaarden, of; De luchtkwaliteit als gevolg van het vergunde plan per saldo verbetert of ten minste gelijkt blijft, of, bij een beperkte toename, door een met de ontwikkeling samenhangende maatregel of effect, per saldo verbetert, of; Het vergunde plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof waarvoor in de wet grenswaarden zijn opgenomen, of; De ontwikkeling is opgenomen of past in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit.

Volgens de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (NIBM)' is een toetsing aan de grenswaarden van de luchtkwaliteit niet nodig wanneer het gaat om een ruimtelijk project of activiteit waarvan de bijdrage aan de luchtverontreiniging klein is. 4.11.2 Betekenis voor planvoornemen Het planvoornemen heeft gelet op de aard van de ontwikkeling geen invloed op de luchtkwaliteit. Ook worden bergbezinkbassins en waterbuffers niet aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van luchtkwaliteit. Vanuit luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor het planvoornemen.

Bergbezinkbassins Sittard-Geleen Pagina 36 van 41

Hoofdstuk 5

5.1

Juridische opzet

Standaard en plansystematiek

Het bestemmingsplan is een ruimtelijk besluit, waarin de regels voor het gebruik en het bebouwen van gronden worden vastgelegd. In een bestemmingsplan wordt door middel van bestemmingen en aanvullende aanduidingen aangegeven op welke gronden welke functies toegestaan zijn en hoe deze gronden bebouwd mogen worden. Om de vergelijkbaarheid te bevorderen bestaat er een landelijke standaard voor de verbeelding van bestemmingsplannen (SVBP2012). De toepassing van de SVBP2012 is verplicht. Hiermee wordt geborgd dat alle bestemmingsplannen overeenkomen voor wat betreft kleurgebruik, naamgeving, gebruik van arceringen en dergelijke.

5.2

Opzet bestemmingsplan

Deze paragraaf geeft een toelichting op het juridisch plangedeelte van dit bestemmingsplan; de planregels en de verbeelding. 5.2.1

Verbeelding

In de digitale omgeving zijn de bestemming en de daarbij geldende regels reeds gekoppeld. Nadat op de verbeelding de locatie is opgezocht waarover informatie wordt gewenst, kan in de regels worden nagelezen welke mogelijkheden zijn vastgelegd. Uit het samenstel van de verbeelding en de regels blijkt wat wordt toegelaten. Op de verbeelding zijn alle functies zodanig bestemd, dat het direct mogelijk is om met het bijbehorende renvooi (verklaring van de bestemmingen) te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied zijn gegeven. Uitgangspunt daarbij is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie bevat. 5.2.2

Regels

De regels bevatten de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. De regels zijn gebaseerd op de regels uit het bestemmingsplan 'Geleenbeekdal', 'Buitengebied Sittard', 'Veegplan' en op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012). De regels zijn onderverdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: Hoofdstuk 1: Inleidende regels; Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels; Hoofdstuk 3: Algemene regels; Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels. Hoofdstuk 1 Inleidende regels In Artikel 1 ('Begrippen') is een omschrijving gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Vervolgens is in Artikel 2 ('Wijze van meten') een omschrijving gegeven van de te gebruiken wijze van meten. Bergbezinkbassins Sittard-Geleen Pagina 37 van 41

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels De regels in verband met de bestemmingen kennen allen een gelijke opbouw (voor zover van toepassing). De bestemmingsomschrijving betreft de centrale bepaling van elke bestemming. Het betreft een omschrijving waarin limitatief de functies worden genoemd, die binnen de bestemming zijn toegestaan. De bouwregels zijn direct gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving. Ook het gebruik van grond en bebouwing is gekoppeld aan de bestemmingsomschrijving. In de bouwregels staan uitsluitend bepalingen die betrekking hebben op het bouwen. Bouwregels zijn dan ook alleen van toepassing bij de toetsing van het aanvragen van een omgevingsvergunning. Door middel van een omgevingsvergunning kan het bevoegd gezag afwijken van enkele bouwregels. De specifieke gebruiksregels vormen een nadere concretisering van het toegestane gebruik. Aan de gronden in het plangebied zijn de volgende bestemmingen toegekend: Artikel 3 Agrarisch Binnen de bestemming 'Agrarisch' is hobbymatig agrarisch gebruik, extensief dagrecreatief medegebruik en agrarisch natuurbeheer toegestaan en zijn de gronden geschikt voor water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Daarnaast zijn de gronden voorzien van de aanduiding 'volkstuin', hetgeen betekent dat ter plaatse van deze gronden tevens volkstuinen zijn toegestaan.

Naast deze doeleinden zijn bijbehorende voorzieningen zoals paden, wegen en parkeervoorzieningen toegestaan. Artikel 4 Groen De gronden hebben de bestemming 'Groen' gekregen, waarbinnen onder andere groenvoorzieningen, maar ook water en waterhuishoudkundige voorzieningen zijn toegestaan. Daarmee wordt de realisatie van de bergbezinkbassins en de open buffer mogelijk gemaakt. De bestemming 'Groen is passend bij het karakter van het gebied. Na realisering van het bergbezinkbassin en de buffers krijgen de gronden weer een groen karakter. Artikel 5 Verkeer - Verblijfsgebied Alle wegen in het plangebied zijn bestemd tot de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' Artikel 6 Waarde - Archeologie 3 en Artikel 7 Waarde - Archeologie 4 Deze dubbelbestemmingen zijn opgenomen voor bescherming en veiligstelling van archeologische waarden, in lijn met de huidige bestemmingsregeling in het gebied. Artikel 8 Waarde - Cultuurhistorie Ten aanzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie' wordt gestreefd naar behoud, herstel en versterking van de cultuurhistorische waarden door het tegengaan van verdere versnippering van historische patronen, handhaving van incidentele objecten zonder enig verband met de oorspronkelijke situatie, toevoeging van nieuwe elementen, anders dan bedoeld als reconstructie van de oorspronkelijke situatie.

Artikel 9 Waarde - Ecologie De dubbelbestemming 'Waarde - Ecologie' is opgenomen voor de bescherming van de natuur- en landschapswaarden in het gebied. Binnen de dubbelbestemming zijn verschillende regels opgenomen die moeten leiden tot het behoud en de versterking van de bestaande natuurgebieden. Artikel 10 Waterstaat - Meanderzone Bergbezinkbassins Sittard-Geleen Pagina 38 van 41

De dubbelbestemming 'Waterstaat - Meanderzone' is bestemd voor primair water dat door natuurlijke verplaatsing zijn bedding kan verleggen. Daarnaast is ter zake bescherming, beheer en onderhoud de regelgeving van de Keur van het waterschap van toepassing.

Hoofdstuk 3 Algemene regels In hoofdstuk 3 van de regels is een aantal standaardregelingen van de gemeente Sittard-Geleen opgenomen te weten, de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels en algemene afwijkingsregels.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels In het laatste hoofdstuk van de regels is het (standaard) overgangsrecht uit het Besluit ruimtelijke ordening en de slotregel opgenomen.

Bergbezinkbassins Sittard-Geleen Pagina 39 van 41

Hoofdstuk 6

Economische uitvoerbaarheid

In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is in artikel 6.2.1 een opsomming gegeven van de bouwplannen die worden beschouwd als bouwplan in de zin van artikel 6.12 Wro waarvoor een exploitatieplan dient te worden vastgesteld indien het kostenverhaal niet anderzins is geregeld (dat wil zeggen indien men geen anterieure privaatrechtelijke overeenkomst heeft kunnen sluiten met de ontwikkelende partij). Met het planvoornemen is geen sprake van een bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. Dit betekent dat de gemeenteraad niet verplicht is om een exploitatieplan op te stellen of dat het kostenverhaal anderszins verzekerd dient zijn. Voor de kosten die uit de ontwikkeling voortvloeiten zijn door de gemeente gelden gereserveerd.

Bergbezinkbassins Sittard-Geleen Pagina 40 van 41

Hoofdstuk 7

7.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Proces

De tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan met de daarbij behorende stukken en het ontwerpbesluit moet worden gepubliceerd waarbij de gelegenheid wordt geboden om zienswijzen in te dienen bij de gemeenteraad. Nadat de gemeenteraad een besluit over de vaststelling van dit bestemmingsplan heeft genomen, ligt het plan wederom ter inzage. Belanghebbenden kunnen dan in beroep gaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als geen beroep is ingesteld en is dan onherroepelijk. Indien er wel beroep is ingesteld dan treedt de herziening ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling op het beroepschrift.

7.2

Overleg en participatie

De procedure van het bestemmingsplan is vastgelegd in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Gedurende deze procedure kan eenieder binnen de termijn van terinzagelegging van het ontwerp van het bestemmingsplan naar keuze schriftelijk of mondeling een zienswijze over het ontwerpbestemmingsplan indienen. Het ontwerp-bestemmingsplan heeft vanaf 20 december 2023 gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode is eenieder in de gelegenheid gesteld zienswijzen tegen het ontwerp-bestemmingsplan in te dienen. Er zijn tijdens deze periode geen zienswijzen ingediend. Het bestemmingsplan is vervolgens door de gemeenteraad van Sittard-Geleen vastgesteld.

Bergbezinkbassins Sittard-Geleen Pagina 41 van 41

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=SittardGeleen&id=1365936e-4ec0-4a7b-96ac-7a900e31185d