CConstaterende datSittard-Geleen
Koppel je AI →
Document · PDF

01.3 Toelichting Bp Munnikstraat Holtum”

Raad 7 oktober 2021, gemeente Sittard-GeleenBij agendapunt: Woningbouwproject Munnikstraat Holtum (75) (Meekels)20.676 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Ruimtelijke inpassing  Een hechte samenhang tussen openbare ruimte, groen en bebouwing, die met name in de naoorlogse wijken zichtbaar is.

Hoofdstuk 3

26

Specifiek voor de dorpen geldt:  het samenhangend ensemble van dorp en landschap, waarbij entrees en dorpsranden niet zijn vormgegeven;  de kleinschalige, informele uitstraling van de openbare ruimte in de historische kern, met overhoeken (vaak beplant), terugspringende rooilijnen en kleine hoogteverschillen;  het vrije zicht op het landschap vanuit veel straten tussen of langs de huizen door. Verschijningsvorm  De pandsgewijze opbouw, de individuele uitstraling, de zorgvuldige architectuur en traditionele materialisering van gebouwen aan de historische routes in de steden en dorpen. De panden zijn goed te onderscheiden. De oudste bebouwing was wit met een donkere plint, opgebouwd uit mergel, Naamse hardsteen en later baksteen. Ondanks het individuele karakter kent het bebouwingsbeeld een zeer sterke samenhang.  Langs de historische bebouwingslinten het behoud en versterken van het traditionele beeld van boerderijgebouwen met hun toegangspoorten. Met de introductie van nieuwe poorten zal terughoudend moeten worden omgegaan.  De meer eenvoudige, projectmatige architectuur in de vroege naoorlogse uitbreidingswijken (jaren vijftig en zestig), in karakter dorps door het gebruik van baksteen en pannendaken.

Doordat deze woningen in serie werden gebouwd kent de straatwand een grote mate van repetitie, maar door de bescheiden schaal en maat van de gebouwen doen ze nog ‘dorps’ aan, zelfs in de steden; Afweging Bij de uitwerking van het voorliggende plan is, voor zover mogelijk, rekening gehouden met de bovengenoemde uitgangspunten. Het bouwplan is voorgelegd aan de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit (ARK). Deze commissie heeft positief geadviseerd. Het plan voldoet aan redelijke eisen van welstand. Bij de omgevingsvergunningaanvraag moet het plan met een overzicht van kleuren, materialen en vormbepalende details ter beoordeling aan de ARK worden voorgelegd voor een definitief advies. 3.4.4 Vigerend beleid cultuurhistorie en archeologie Sittard-Geleen streeft naar het behoud en beheer van archeologische waarden in de bodem als bron van kennis en cultuurbeleving. Cultuurhistorische relicten worden behouden en geaccentueerd. In samenhang met ruimtelijke inrichting, geeft de dynamiek van het verleden mede richting aan heden en toekomst. In het najaar van 2012 is de beleidsnota archeologie en monumenten vastgesteld, met bijbehorende archeologische beleidskaart. De beleidsnota archeologie en monumenten geeft aan welk beleid de gemeente komende jaren zal voeren ten aanzien van archeologie en monumenten.

Ook is eind 2012 de nieuwe Erfgoedverordening Sittard-Geleen 2012 vastgesteld, evenals de verordening Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit (ARK). Afweging Op basis van de gemeentelijke archeologische beleidskaart, ligt het besluitgebied grotendeels binnen een als ‘categorie 2’ en deels binnen ‘categorie 3’ aangeduid gebied. In paragraaf ‘Archeologie’ in het volgende hoofdstuk wordt hier nader op ingegaan.

Hoofdstuk 3

27

3.4.5 Parkeerbeleid Sittard-Geleen Aangezien behoefte is aan een eenduidige en eenvoudige systematiek voor parkeervoorzieningen bij ruimtelijke ontwikkelingen en bouwplannen, heeft de gemeente Sittard-Geleen haar parkeerbeleid in 2012 geactualiseerd in de ‘Beleidsregels nota parkeernormen’ en de ‘Nota Parkeernormen Sittard-Geleen – Parkeernormensystematiek’. Het doel van de nota luidt als volgt: “Het vaststellen van gemeentelijke parkeernormen voor nieuwe ruimtelijke plannen en (herstructurerings)projecten in Sittard-Geleen om in de toekomst de parkeerbehoefte te kunnen faciliteren en de bereikbaarheid en leefbaarheid van Sittard-Geleen te waarborgen.” In de nota wordt overeenkomstig de CROW-publicatie “Parkeerkencijfers, basis voor parkeernormering”, onderscheid gemaakt naar een drietal stedelijke zones, te weten ‘centrum’, ‘schil / overloopgebied’ en ‘rest bebouwde kom’. Daarnaast wordt voor wat betreft de toe te passen parkeernormering rekening gehouden met de stedelijkheidsgraad van een gebied. Het plangebied is voor zowel de stedelijke zone als de stedelijkheidsgraad gelegen in de zone ‘rest bebouwde kom’. In paragraaf ‘Verkeer en parkeren’ in het volgende hoofdstuk wordt nader ingegaan op de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de eisen ten aanzien van parkeervoorzieningen.

3.4.6 Nota Bodembeheer 2021 gemeente Sittard-Geleen Op 17 november 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders de ‘Bodemkwaliteitskaart en bodemfunctieklassenkaart gemeente Sittard-Geleen 2021-2025’ met bijbehorende ‘Nota Bodembeheer 2021 gemeente Sittard-Geleen’ vastgesteld. De Bodemkwaliteitskaart en bodemfunctieklassenkaart met bijbehorende Nota bodembeheer is een uitvloeisel van het landelijke Besluit bodemkwaliteit dat in 2008 in werking is getreden. De Bodemkwaliteitskaart en bodemfunctieklassenkaart met bijbehorende Nota bodembeheer geven aan hoe het binnen het gebied van Sittard-Geleen gesteld is met de diffuse bodemkwaliteit en hoe de gemeente, voor zover het haar bevoegdheden betreft, invulling geeft aan de toetsing van bodemaspecten op beleidsterreinen waar dat aspect een rol speelt. Deze werkvelden zijn: grondverzet/hergebruik, bodemsanering, bouwen en ruimtelijke ontwikkeling. Bij al deze werkvelden worden dezelfde eisen gesteld aan de bodemkwaliteit. Deze benadering staat bekend onder de benaming meersporenbeleid en ligt aan de basis van een duurzame en efficiënte aanpak van de in de gemeente aanwezige diffuse bodemverontreiniging. De nieuwe kaarten en nota zijn een voortzetting van het huidige bodembeleid dat binnen de gemeente wordt gevoerd.

In paragraaf 4.9 wordt nader ingegaan op bodemaspecten in relatie tot de realisatie van de woningen aan de Munnikstraat. 3.4.7 Beleidsplan Afvalwater Westelijke Mijnstreek 2015 Op 12 november 2014 heeft de gemeenteraad van Sittard-Geleen het ‘Beleidsplan Afvalwater Westelijke Mijnstreek 2015’ vastgesteld. In dit beleidsplan is de volgende missie geformuleerd: “De zorg voor de afvalwaterketen wordt zo uitgevoerd dat de volksgezondheid wordt beschermd, een goede leefomgeving wordt bevorderd en schade aan het milieu wordt voorkomen. De kosten worden

Hoofdstuk 3

28

zo laag mogelijk gehouden en er wordt samengewerkt. Iedere partij in de afvalwaterketen – ook de burger – heeft een gedeelde verantwoordelijkheid in de goede zorg voor de afvalwaterketen.” In de visie staat dat er een duurzame afvalwaterketen komt. Afvalwater wordt ingezet om in schone grondstoffen, energie en schoon water te voorzien. Terugwinnen en sluiten van de keten staan centraal. Hemelwater wordt zoveel mogelijk zichtbaar en bovengronds verwerkt. Zo wordt gezien dat het water schoon is en wordt hemelwater mede door gebruik van de openbare ruimte beheersbaar gemaakt. Grondwater wordt op een natuurlijke manier behandeld, waar mogelijk wordt gekozen voor een niet-technische oplossing. Waar het nodig en haalbaar is helpt de gemeente door daden, of door advies te geven over de aanpak van grondwaterproblemen. Om dit perspectief te bereiken zijn voor de drie afvalwatersoorten (stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater) en de beoogde inzet op meer samenwerking, onderstaande doelen en strategieën geformuleerd: Samenwerking Doel Kosten besparen, kwaliteit verhogen, kwetsbaarheid verlagen. Strategie Belang van (afval) waterketen staat voorop. Al het handelen dient in het belang te zijn van de gehele afvalwaterketen. Doelmatige aansturing van de afvalwaterketen wordt gezamenlijk gedaan. Stedelijk afvalwater Doel Adequaat en efficiënt beheren van ons stelsel.

Strategie Beheer en onderhoud als ware het één gezamenlijk areaal. Samen zoeken naar doelmatige en duurzame verbeteringen. Hemelwater Doel Doelmatige en duurzame omgang met hemelwater. Strategie Samen met inwoners inspelen op klimaatverandering. Meer acceptatie van waterhinder. Bij nieuwbouw hemelwater verwerken op eigen terrein. DuurzameGrondwater Doel Een doelmatige en duurzame omgang met grondwater. Strategie Meer aandacht voor mogelijke grondwateroverlast bij nieuwbouw. Regisseursrol nemen op locaties waar overlast wordt ervaren. Samen met inwoners zoeken naar oplossingen. Voor meer informatie over de wijze waarop binnen het plangebied met water wordt omgegaan, wordt verwezen naar paragraaf 4.10 ‘Water’.

Hoofdstuk 3

29

3.4.8 Beleid externe veiligheid Sittard-Geleen Het beleid van de gemeente Sittard-Geleen op het gebied van externe veiligheid is beschreven in de volgende vastgestelde beleidsdocumenten:  Beleidsvisie externe veiligheid Chemelot site / Westelijke Mijnstreek (eindrapport van 31 maart 2010, vastgesteld door de gemeenteraad op 6 juli 2011), Ruimte voor nieuwe generaties met behoud van een verantwoord en aanvaardbaar veiligheidsniveau;  Veiligheidsvisie Spoorzone Sittard-Geleen (13 september 2012), Veiligheid als element van stedelijke planning;  Beleidsregels planologisch afwijkend gebruik fitnesscentra (vastgesteld 3 september 2013) met regels over externe veiligheid;  Beleidsregels kleine binnenspeeltuinen (vastgesteld 12 november 2013) met regels over externe veiligheid. Het beleid is in twee zelfstandige beleidsdocumenten uitgewerkt voor twee deelgebieden binnen de gemeente, namelijk de omgeving van Chemelot en de spoorwegen (de spoorzone). Het beleid heeft de volgende doelen: De gewenste ruimtelijke ontwikkelingen (Woonmilieuvisie Regio Westelijke Mijnstreek “Ruimte voor nieuwe generaties”, 2009; Stadsvisie 2016; Omgevingsvisie Sittard-Geleen 2016), moeten mogelijk zijn met behoud van een verantwoord en aanvaardbaar veiligheidsniveau voor de leefomgeving. De verantwoording van het groepsrisico in relatie tot ruimtelijke ontwikkelingen staat daarbij centraal.

Onder dit ‘hoofddoel’ vallen de volgende doelen:  De risicobenadering: mensen die in Sittard-Geleen werken, wonen of anderszins verblijven, mogen zo weinig mogelijk risico lopen en dit risico moet maatschappelijk verantwoord zijn.  Een goede balans tussen ruimtelijke/economische ontwikkelingen en externe veiligheid.  Het voorkomen dat rampen en ongevallen plaatsvinden.  De gevolgen van een eventuele calamiteit beheersbaar maken om de volksgezondheid en het milieu zoveel mogelijk te beschermen in het geval onverhoopt een ramp of ongeval plaatsvindt.  Een verantwoorde ruimtelijke en economische ontwikkeling in de spoorzone, met een veilige en robuuste spoorinfrastructuur waarbij Sittard-Geleen optimaal bereikbaar blijft via het spoor.

Het afwegings-/uitvoeringskader dat de gemeente bij het beleid externe veiligheid hanteert, bestaat uit afwegingskaders voor:  brongericht beleid op basis van Beste Beschikbare Technieken (BBT)  omgevingsgericht beleid, overdrachtsmaatregelen en effectmaatregelen  rampenbestrijding  de wettelijke grenswaarde van het plaatsgebonden risico (basisbeschermingsniveau);  het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi, onder meer artikel 12 en 13 en omgevingsvergunningen milieu (bijvoorbeeld emplacementen) waarbij de gemeente het bevoegde gezag is);  de Handreiking Verantwoordingsplicht Groepsrisico (VROM, november 2007);  het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt, onder meer Basisnet spoor);  het Toetsingskader Externe Veiligheid Spoorzone Dordrecht / Zwijndrecht, TNO (R2004/105) voor bron- en effectmaatregelen (gericht op zelfredzaamheid, beheersbaarheid, bestrijdbaarheid);  de rapportage van Oranjewoud/Save van 24 maart 2005 (in opdracht van Gemeenschappelijk Brandweerbureau Westelijke Mijnstreek). Voor de spoorzone zijn de volgende maatgevende scenario’s beschreven voor het benoemen van effectmaatregelen: - Warme (en koude) Bleve van LPG - Toxische wolk

Hoofdstuk 3

30

Voor Chemelot en haar omgeving hanteert de gemeente de volgende gebiedsgerichte instrumenten en procedures. Om het groepsrisico te beheersen, zijn op basis van een risicomatrix drie typen gebieden (a, b, c) te onderscheiden binnen het invloedgebied van Chemelot vanaf de terreingrens naar buiten: a) Stand-still voor ruimtelijke ontwikkelingen. Wel vervangende nieuwbouw mogelijk; geen overall toename van personendichtheden. b) Ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk onder voorwaarde van een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico. c) Geen belemmeringen voor ruimtelijke ontwikkeling. Verantwoording groepsrisico blijft wettelijk vereist, maar veiligheid is afdoende te waarborgen op basis van een checklist met algemene aandachtspunten. Opmerking: a en b worden in de beleidsvisie aangeduid als het groepsrisico-relevante gebied van Chemelot. Hier geldt dat de beleidsruimte bij het verantwoorden van het groepsrisico wordt ingevuld, met als randvoorwaarde dat de bestaande beperkte overschrijding van de oriëntatiewaarde niet toeneemt. Dit betekent een stand-still bijdrage van de wijken Lindenheuvel en Krawinkel aan het groepsrisico (geen toename van het aantal personen, bedrijven of woningen saneren, verplaatsen of uitplaatsen wanneer mogelijk). Dit stand-still beginsel is in de bestemmingsplannen voor Lindenheuvel en Krawinkel verankerd.

Samen met stakeholders wordt het instellen van een veiligheidscontour (op grond van artikel 14 uit het Bevi) onderzocht en overwogen De gemeente Sittard-Geleen vertolkt een adviesrol bij omgevingsvergunning milieu Chemelot site B.V. Het uitgangspunt bij Chemelot site is inwaartse zonering (ontwikkelingen met de hoogste veiligheidsrisico’s centraal op de site en ontwikkelingen met de laagste veiligheidsrisico’s aan de rand). Voor de Spoorzone hanteert de gemeente de volgende instrumenten en procedures:  Een indeling van het spoor in de volgende risicobronnen: - Emplacementen: o Emplacement Sittard (Sittard-Geleen streeft naar onderschrijding van de oriëntatiewaarde) o Emplacement Born o Bedrijfsemplacement Chemelot (valt binnen de Veiligheidsvisie Chemelot) - Baanvakken 

Een zone-indeling van de omgeving van het spoor ten behoeve van een gebiedsgerichte benadering: - De PR-contour (plaatsgebonden risico 10-6/jaar) voor zover aanwezig langs de lijn Eindhoven – Maastricht: wettelijke beperkingen voor de omgeving en voorkomen van latente saneringssituaties. - De 50 meter zone (50 meter gemeten vanuit het hart van het buitenste spoor): Buiten de PRcontour én binnen de 50 meter zone wordt gestreefd naar een bebouwingsvrije ruimte bij nieuwe ontwikkelingen (waaronder ook herstructureringsplannen worden verstaan). - De 200 meter zone (200 meter gemeten vanuit het hart van het buitenste spoor): Buiten de 50 meter zone én binnen de 200 meter zone gelden de volgende regels: o Binnen deze zone wordt gestreefd naar minder grote aantallen mensen.

Hoofdstuk 3

31

o

 

Nieuwe kwetsbare bestemmingen voor groepen van mensen met geen dan wel een beperkte mate van zelfredzaamheid worden voorkomen. o De gemeente streeft op basis van vrijwilligheid naar een verplaatsing tot buiten de 200 meter van kwetsbare bestemmingen met mensen die niet of beperkt zelfredzaam zijn. o Overige nieuwe kwetsbare bestemmingen worden zover als mogelijk van het spoor geprojecteerd en dienen te worden voorzien van adequate bouwkundige, effect beperkende maatregelen. o Bij nieuwe beperkt kwetsbare bestemmingen worden bouwkundige, effect beperkende voorzieningen geïmplementeerd. - Het invloedgebied (omvat alle voorgaande zones en strekt zich uit tot 1% letaliteit): o Generiek basisvoorzieningenniveau dat in samenspraak met de brandweer is bepaald:  plangebied tweezijdig ontsloten;  geen doodlopende straten langer dan 40 meter;  doodlopende straten tot 40 meter voorzien van een keerlus;  eisen over primaire bluswatervoorziening. o De gemeente houdt bij nieuwe ontwikkelingen rekening met infrastructurele maatregelen in de openbare ruimte (waaronder vluchtwegen, opstelplaatsen, blusvoorzieningen). o De gemeente draagt zorg voor een goede voorlichting op het gebied van rampbestrijding.

De gemeente Sittard-Geleen heeft een proces (inzake interne communicatie, beoordeling, registratie, externe communicatie) ingericht voor het behandelen van nieuwe initiatieven met effect op de veiligheid in de spoorzone. De gemeente Sittard-Geleen in de rol van vergunningverlener bij de omgevingsvergunningen milieu van de emplacementen Sittard en Born (directe invloed op bronmaatregelen). Basisnet spoor: toepassen van risicoplafonds, voorschriften veiligheidszones en plasbrandaandachtsgebieden.

De toetsing van het aspect externe veiligheid, inclusief een toets aan het gemeentelijke beleid, is opgenomen in paragraaf 4.7 Externe veiligheid.

Hoofdstuk 3

32

4.

OMGEVINGSASPECTEN

In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en wordt het plan hieraan getoetst.

4.1 Verkeer en parkeren 4.1.1 Verkeer Het plangebied wordt hoofdzakelijk ontsloten op de Munnikstraat. Dit geldt voor het woonhof als voor de woningen die op de Munnikstraat worden georiënteerd; in totaal veertien woningen. De twee vrijstaande woningen in het noorden van het plangebied worden ontsloten via de Martinusstraat. Als gevolg van de toevoeging van zestien woning, zal er sprake zijn van generatie van verkeersbewegingen door bewoners en bezoekers. Volgens de CROW-rekentool ‘Verkeersgeneratie en Parkeren’ zal het toevoegen van een de woningen leiden tot maximaal 113 extra motorvoertuigbewegingen per etmaal. De omliggende wegen kunnen deze geringe verkeerstoename goed verwerken, zeker wanneer dit wordt afgezet tegen de voorgaande situatie, waarin de basisschool nog in gebruik was. Een basisschool van deze omvang (circa vier klassen onderbouw, vier klassen bovenbouw) genereert zo`n 260 autobewegingen op een gemiddelde openingsdag. Wat dat betreft kan worden gesteld dat de verkeerssituatie rustiger wordt en daarmee houdt dit plan een verbetering van de verkeerssituatie in. 4.1.2 Parkeren Op basis van de ‘Nota Parkeernormen Sittard-Geleen – Parkeernormensystematiek’ geldt voor een woning op deze locatie een parkeernorm van 1,7 parkeerplaatsen per woning. Dit resulteert in 27,2 (dus 28) benodigde parkeerplaatsen.

Hoe de parkeerbehoefte wordt opgevangen in het plangebied is weergegeven op onderstaande tekeningen.

Figuur 10: Parkeervoorzieningen aangegeven met een rode punt

Hoofdstuk 4

33

Figuur 11. De twee groen parkeerplaatsen

Figuur 12. De parkeervoorzieningen aan de Munnikstraat

In het binnengebied worden elf openbare parkeerplaatsen aangelegd ten behoeve van de hofwoningen zonder parkeerplaats op eigen terrein. In het Hofje worden twee groen parkeerplaatsen gerealiseerd. De twee woningen aan de Martinusstraat krijgen ieder een parkeerplaats op eigen terrein. De zeven woningen aan de Munnikstraat krijgen allemaal een parkeerplaats aan huis. Daarnaast bestaat de mogelijkheid om naast de twee buitenste gelegen woningen aan de Munnikstraat nog twee parkeerplaatsen te realiseren. Hiermee komt het totaal aantal parkeerplaatsen binnen het plangebied op 24. De overige vier parkeerplaatsen worden opgevangen in de omliggende straten. Hiervoor heeft de gemeente Sittard-Geleen een parkeerdruk-meting uitgevoerd op 2 en 3 oktober 2019 rondom het plangebied. Dit resulteerde in een gemiddelde bezettingsgraad van respectievelijk 38% en 43%. In de directe nabijheid van het plangebied zijn derhalve voldoende parkeergelegenheden aanwezig om deze laatste vier plaatsen op te vangen. Hiermee wordt voldaan aan de gemeentelijke parkeernormen.

Hoofdstuk 4

34

4.2 Geluid 4.2.1 Wegverkeer Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidsgevoelig object, dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat alle spoorwegen en wegen een geluidzone hebben, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen een geluidzone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidbelasting op deze gebouwen of terreinen. Een woning is volgens de Wet geluidhinder een geluidgevoelig object. Het plangebied ligt binnen de onderzoekszone van wegen waarvoor een maximumsnelheid van 50 km per uur of meer geldt. Omdat het besluitgebied is gelegen binnen de geluidszone van omliggende wegen, is er een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar het wegverkeerslawaai. De conclusies van dit onderzoek zijn hieronder samengevat. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport. Econsultancy5 heeft een wegverkeerslawaai uitgevoerd in het kader van de voorgenomen realisatie van 16 nieuwbouwwoningen aan de Munnikstraat te Holtum.

Bij de projectie van een nieuwe geluidgevoelige bestemming binnen de zone van een weg is een akoestisch onderzoek verkeerslawaai noodzakelijk. De geluidgevoelige bestemmingen zijn gelegen in de geluidszone van de A2. In het kader van een goede ruimtelijke ordening worden tevens de nabijgelegen 30 km/uur wegen in het onderzoek betrokken. In het onderzoek wordt de geluidbelasting op de geluidgevoelige bestemmingen inzichtelijk gemaakt en beoordeeld op basis van het toetsingskader. Voor het plangebied is reeds een tekening opgesteld met de projectie van de woningen. Voor elke zijde van de woningen zijn toetspunten ten behoeve van maximaal 3 bouwlagen gemodelleerd. De berekeningen zijn verricht aan de hand van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 en met behulp van het programma Geomilieu, versie 5.21. De geluidsbelasting op de nieuw te bouwen woningen bedraagt hoogstens 48 dB. Er vindt geen overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB plaats. Er gelden vanuit akoestisch oogpunt geen belemmeringen voor de realisatie van het plan. 4.2.2 Industrielawaai Het plangebied is gelegen binnen de geluidzone van de gezoneerde bedrijventerreinen Holtum-Noord en VDL NedCar.

5

Econsultancy, Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Munnikstraat te Holtum, 11495.002 D1, d.d. 3 april 2020

Hoofdstuk 4

35

IPS/VDL NedCar De geluidzone van Industrieterrein IPS Swentibold (o.a. VDL Nedcar) wordt beheerd door de Provincie. Voor IPS Swentibold is er een geluidmodel waarmee de geluidbelasting tót de eerstelijns bebouwing gedetailleerd berekend kan worden. Voor bouwplannen op grotere afstand zoals het onderhavige plan zijn er twee mogelijkheden. Ofwel de geluidbelasting wordt bepaald op basis van conservatieve interpolatie tussen de 55-50 dB(A) contouren ofwel er wordt uitgegaan van de maximaal toelaatbare geluidbelasting voor nieuwbouw, te weten 55 dB(A). Een waarde van 55 dB(A) is in onderhavig geval te verdedigen. Deze zal bij nieuwbouw niet leiden tot een aanscherping van de standaard gevelwering. Daarnaast levert het geen beperking op voor de bedrijven op het IPS terrein en creëert het geen onnodige uitbreidingsruimte aangezien bestaande woningen op kortere afstand bepalend zijn/blijven. Risico op overschrijding van de maximale ontheffingswaarde van 55 dB(A) is, gelet op de situering buiten de 55 dB(A) contour evenmin aanwezig. Door de maximale ontheffingswaarde aan te houden wordt bovendien voorkomen dat bij de komende wijziging van het IPS-terrein (MER en PIP wordt op dit moment voorbereid door provincie) kort achter elkaar nieuwe eisen moeten worden gesteld voor de gevelwering.

Deze werkwijze is daarom recent ook overeengekomen met Sittard-Geleen voor een ander nieuwbouwplan in Holtum. Holtum-Noord In de onderstaande tabel zijn de berekende geluidbelastingen opgenomen in de punten rond het plangebied ten gevolge van het industrieterrein Holtum-Noord. In de kolom “etmaal” is de berekende etmaalwaarde weergegeven. In de kolom “factor” is de forfaitaire factor (de ruimte die nog beschikbaar is op de zonegrens) weergegeven. In de laatste kolom “HGW” is een voorstel gedaan voor de vast te stellen hogere waarde. Ook voor punten waar de brekende waarde inclusief forfaitaire factor juist 50,4 bedraagt, is een HGW van 51 opgenomen. Deze punten liggen immers binnen de 50 dB(A)-zonegrens. En volgende de definities van de Wgh kan alleen de geluidbelasting buiten de zone lager dan 50 zijn. Dan is die erbinnen dus hoger dan 50.

Indien de geluidruimte van het industrieterrein Holtum-Noord en VDL NedCar volledig benut wordt, bedraagt de geluidbelasting ter plaatse van de woning 50-55 dB(A). De voorkeursgrenswaarde wordt hiermee overschreden.

Hoofdstuk 4

36

Op grond van artikel 59 van de Wet geluidhinder wordt een hogere grenswaarde aangevraagd van 55 dB(A). Maatregelen aan de bron en overdrachtsmaatregelen zijn niet mogelijk. Het binnenniveau van 35 dB(A) wordt, gezien de standaard karakteristieke gevelwering van 20 dB, zonder extra geluidwerende maatregelen aan de gevels gewaarborgd. Voor wat betreft de indirecte hinder (geluidhinder op de gevels van omliggende geluidgevoelige gebouwen) als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling, kan gesteld worden dat de ontwikkeling slechts in zeer geringe mate zal leiden tot een toename van het aantal verkeersbewegingen, en er dus ook geen sprake zal zijn van een significante toename van de geluidbelasting op omliggende geluidgevoelige functies. 4.2.3 Afweging Het aspect geluidhinder vormt gezien het bovenstaande geen belemmering voor de voorliggende ontwikkeling. Vanwege de overschrijding van de voorkeursgrenswaarde als gevolg van het industrieterrein Holtum-Noord en VDL NedCar wordt een hogere grenswaarde aangevraagd en gelijktijdig met het bestemmingsplan in procedure gebracht.

4.3 Luchtkwaliteit 4.3.1 Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:  Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde.  Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit.  Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.  Het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit:  het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM.

 het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (1,2μg/m3). 4.3.2 Conclusie Aangezien in het voorliggende geval sprake is van de realisatie van zestien woningen, zal er slechts sprake zijn van een zeer geringe toename van het aantal verkeersbewegingen, mede kijkend naar de huidige situatie met basisschool. Daarnaast voldoet de huidige luchtkwaliteit in het plangebied en de

Hoofdstuk 4

37

omgeving blijkens de concentratiekaarten van het RIVM ruimschoots aan de daarvoor geldende normen. Er is dan ook geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. In het Besluit NIBM is verder vastgelegd dat ontwikkelingen tot 1.500 woningen niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Aangezien het aantal verkeersbewegingen nauwelijks toeneemt, kan dan ook worden geconcludeerd dat het project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Op basis van artikel 5.16 Wm lid 1, sub a en c, vormen luchtkwaliteitseisen geen belemmering. De voorgenomen ontwikkeling is kortom niet bezwaarlijk in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer.

4.4 Bedrijven en milieuzonering 4.4.1 Toetsingskader Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 6. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).

Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid.

6

‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.

Hoofdstuk 4

38

4.4.2 Conclusie Met betrekking tot de in het plangebied geprojecteerde woningen kan worden opgemerkt dat er in de directe omgeving van het plangebied geen bedrijven in milieucategorieën zwaarder dan categorie 1 of 2 aanwezig zijn, welke een negatieve invloed kunnen hebben op het leefklimaat ter plaatse, of wiens bedrijfsruimte als gevolg van de voorgenomen ontwikkelingen zal worden beperkt. De nabijgelegen wijkvoorzieningen betreffen allen categorie 1 en 2 bedrijvigheid, welke in principe passend zijn binnen een woonomgeving. Tevens zijn reeds andere woningen dichter bij de betreffende bedrijvigheid gesitueerd, waardoor deze als maatgevend kunnen worden beschouwd. Ten aanzien van de ten noordwesten en zuidoosten van het plangebied gelegen bedrijventerreinen wordt opgemerkt dat voor de hier toegestane milieucategorieën ruimschoots wordt voldaan aan de hiervoor geadviseerde richtafstanden ten opzichte van het plangebied. Bovendien blijkt uit het akoestisch onderzoek industrielawaai en paragraaf 4.2.2 dat het aspect industrielawaai van de bedrijventerreinen Holtum-Noord en VDL NedCar geen belemmering vormt voor de ontwikkeling van de woningen. Vanuit het aspect milieuzonering bestaan er kortom geen belemmeringen.

4.5 Geur agrarisch 4.5.1 Toetsingskader Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe planologische projecten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. In de Wgv zijn voor verschillende dieren geuremissienormen opgenomen die de maximale geurbelasting op een gevoelig object bepalen. Als de geuremissie van een dier niet bekend is, stelt de wet minimumafstanden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object. Als die geuremissie wel bekend is, dan moet de geurbelasting worden berekend. De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geureenheden. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het bedrijf mag veroorzaken). Gemeenten mogen, binnen bepaalde bandbreedten, van deze wettelijke normen afwijken als er een gebiedsvisie is opgesteld en een geurverordening is vastgesteld. De gemeente Sittard-Geleen heeft geen dergelijk beleid opgesteld. 4.5.2 Conclusie In de omgeving van het plangebied (400 meter) zijn geen (intensieve) veehouderijen gelegen. Er is geen sprake van noemenswaardige agrarische voor- of achtergrondbelasting.

Het aspect geur en veehouderijen vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.6 Kabels en leidingen Er zijn blijkens het geldende bestemmingsplan en de risicokaart op of rond het besluitgebied geen kabels of leidingen gelegen met een bestemmingsplanplichtige beschermingszone die van invloed zou kunnen zijn op de voorgenomen ontwikkeling.

Hoofdstuk 4

39

4.7 Externe veiligheid 4.7.1 Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met:  activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen;  transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen;  transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd.

Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.

Hoofdstuk 4

40

Figuur 13. Uitsnede risicokaart.nl, plangebied groen omkaderd.

Risicovolle inrichtingen Het plangebied ligt op basis van de risicokaart niet binnen de plaatsgebonden risicocontour 10 -6 van een risicobron. De dichtstbijzijnde risicovolle inrichting NedCar BV is gelegen op circa 580 meter ten zuidoosten van het plangebied en vormt daarmee geen belemmering. Binnen deze inrichting bevinden zich enkele risicobronnen, waarvan de grootste PR 10 -6 afstand 145 meter bedraagt. Op circa 1,4 kilometer ten noorden van het plangebied is Rail Terminal Born gelegen. Aan de Holtum Noordweg liggen hier zowel de Barge Terminal BV als de Rail Terminal Born BV. Bij beide terminals vindt opslag en overslag van gevaarlijke stoffen plaats. Uit de provinciale risicokaart blijkt dat de PR 10-6 contour binnen de inrichtingsgrenzen blijft. Het plaatsgebonden risico levert daarom geen ruimtelijke beperkingen op. Met betrekking tot het groepsrisico wordt op de risicokaart geen invloedsgebied weergegeven. De terminals komen eveneens niet terug in de Richtafstandenlijst tabel 1 (Richtafstandenlijst tabel 1 behoort tot de Handreiking bedrijven en milieuzonering, maart 2009). Uit het onderzoek ten behoeve van het bedrijventerrein Holtum III is gebleken het groepsrisico bij de terminals verwaarloosbaar is en bronmaatregelen daarom niet noodzakelijk zijn.

Vanwege de op- en overslag van mogelijke gevaarlijke stoffen zijn de terminals relevant voor de verantwoording van het groepsrisico. Daarnaast dient opgemerkt te worden dat het spoorwegemplacement Born ten zuidwesten van het plangebied is gelegen. Dit emplacement is echter niet opgenomen in het Basisnet en ter plaatse zijn ook geen risicovolle activiteiten vergund. Vanuit het aspect externe veiligheid is de ligging ten opzichte van het emplacement dan ook niet relevant. Buisleidingen Op circa 200 meter ten westen van het plangebied ligt een aardgastransportleiding van Gasunie (Z540-01-KR). Gezien deze afstand ligt het plangebied echter niet binnen het invloedsgebied van deze buisleiding. De buisleiding heeft een PR van 0 meter, een 1% letaliteitsafstand van 160 meter en een

Hoofdstuk 4

41

100% letaliteitsafstand van 80 meter. Voor het overige zijn er in de omgeving geen buisleidingen aanwezig die van invloed kunnen zijn op de voorliggende ontwikkeling. Transportroutes Als gevolg van de inwerkingtreding van het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Wet Basisnet is het niet meer noodzakelijk om een kwalitatief onderzoek op te stellen of de verantwoordingsplicht van het groepsrisico in te vullen als de planlocatie buiten een zone van 200 meter ten opzichte van risicobronnen gelegen is. Uit de risicokaart valt op te maken dat het besluitgebied op circa 400 meter van de rijksweg A2, die behoort tot het transportroutedeel autosnelweg A2 Grathem - Urmond. Gezien deze grote afstand ligt het besluitgebied buiten het invloedsgebied van de betreffende weg. Kortom, in het kader van de voorliggende ontwikkeling vormt de ligging ten opzichte van de A2 geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. In de omgeving van het plangebied zijn komen in het westen enkele spoorlijnen voor. Hierover vindt geen transport van gevaarlijke goederen plaats, waardoor deze niet van invloed zijn op de veiligheid. Op 1,1 kilometer ten westen van het plangebied bevindt zich het Julianakanaal, waarover risicovol transport plaatsvindt. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 van deze waterweg reikt ter hoogte van het plangebied niet tot buiten de oeverlijn.

Gezien de stofgroepen die getransporteerd worden over deze route, bedraagt de afstand van het invloedsgebied 1070 meter. Gezien de afstand tot het Julianakanaal ligt het plangebied buiten het invloedsgebied van deze transportroute. Beleidsvisies Zoals gesteld in hoofdstuk 3 beschikt de gemeente Sittard-Geleen over een beleidsvisie externe veiligheid voor de Chemelot site/Westelijke Mijnstreek. Het plangebied is ver buiten het invloedsgebied van het Chemelot terrein gelegen. Het gestelde in de visie is derhalve niet relevant voor de onderhavige ontwikkeling in Holtum. Tevens beschikt de gemeente over een beleidsvisie externe veiligheid voor ontwikkelingen in spoorzones. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling plaatsvindt op grote afstand van spoorwegen waarover transport van gevaarlijke goederen plaatsvindt, wordt gesteld dat wordt voldaan aan de visie, c.q. dat de betreffende visie niet relevant is voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.7.2 Afweging Vanuit het aspect externe veiligheid bestaan er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling op de voormalige schoollocatie in Holtum.

4.8 Ecologie 4.8.1 Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet

Hoofdstuk 4

42

in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden. 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard. 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden.

Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.

Hoofdstuk 4

43

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;  soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);  soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5);  andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 4.8.2 Onderzoek Er is door BRO7 een onderzoek uitgevoerd voor het plangebied, in de vorm van een quickscan flora en fauna. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen.

4.8.3 Quickscan flora en fauna Gelet op de potentiele ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht te worden genomen:  Met betrekking tot de sloop zijn overtredingen ten aanzien van het verstoren/verwijderen van verblijfplaatsen van een vleermuissoort op basis van de quickscan niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek gedurende het juiste seizoen dient hieromtrent uitsluitsel te geven.  In verband met een mogelijke verblijfplaats van de steenmarter zal de sloop plaats moeten vinden in de vrijgestelde periode van deze soort (van 15 augustus tot en met februari).  Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten.  In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.

4.8.4 Stikstof Sinds de buitenwerkingstelling van het Programma aanpak stikstof (PAS) is er voor projecten een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig, indien blijkt dat het project een stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jaar op een stikstofgevoelige habitat in een Natura2000-gebied tot gevolg heeft. Ten behoeve van de woningbouwontwikkeling is er daarom met de wettelijk voorgeschreven AERIUS-calculator een berekening gemaakt van de stikstofdepositie ten gevolge van de aanleg- en gebruiksfase van het plan8. 7 8

BRO, Quickscan flora en fauna Munnikstraat 10 te Holtum, projectnummer P02242, d.d. 18 november 2019 M-Tech, AERIUS berekening aanleg en gebruik Holtum, 27 november 2019

Hoofdstuk 4

44

De berekeningen zijn toegevoegd aan de bijlagen bij deze toelichting. Conclusie luidt dat zowel de aanleg- als de gebruiksfase niet leidt tot stikstofdepositiewaarden hoger dan 0,00 mol per hectare per jaar. Het aspect stikstof vormt daarmee geen belemmering voor het planvoornemen. 4.8.5 Vervolgonderzoek: vleermuizen De sloop van de bebouwing binnen het plangebied aan de Munnikstraat kan negatieve gevolgen hebben voor vleermuizen, wat een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming betreft. Daarom zal middels soortgericht vervolgonderzoek eerst inzichtelijk moeten worden of in de huidige situatie verblijfplaatsen aanwezig zijn van de betreffende soort(groep)en. Een vervolgonderzoek naar vleermuizen loopt van half mei tot en met eind september. Bij de aanwezigheid van een vaste rust- en verblijfplaats van een vleermuizensoort is één van de onderdelen van de noodzakelijke maatregelen het tijdig aanbieden van temporele alternatieve verblijfsmogelijkheden (bijvoorbeeld vleermuiskasten). Afhankelijk van de aanwezige verblijfsfunctie(s), dienen meerdere geschikte alternatieve verblijfsmogelijkheden te worden aangeboden die de te verstoren/verwijderen verblijfplaatsen (tijdelijk) kunnen opvangen.

Daarbij geldt conform de Wet natuurbescherming voor de vervanging van verblijfplaatsen, afhankelijk van de aangetroffen verblijfsfunctie, een gewenningsperiode van minimaal 3 à 6 maanden waarin vleermuizen actief zijn, alvorens met de sloopwerkzaamheden ter plaatse van de verblijfplaats mag worden gestart. De wintermaanden mogen hierbij dus niet worden meegerekend. Bij de aanwezigheid van een kraamverblijf dienen alternatieve kraamverblijven zelfs minimaal een volledig kraamseizoen (mei – juli) aanwezig te zijn geweest tegelijkertijd met de huidige verblijfplaats. Dit kan tot gevolg hebben dat bij het aantreffen van een verblijfplaats pas in het seizoen na het verlenen van de ontheffing voor het verstoren ervan kan worden gesloopt. Om tijdsverlies te voorkomen zijn vooraf aan het vleermuizenonderzoek al alternatieve verblijfplaatsen geplaatst, conform hetgeen is gesteld in het kennisdocument van de te verwachten soorten en verblijffuncties. Daarnaast dient voor het verwijderen van de huidige nest- en verblijfplaats een ontheffing te worden aangevraagd bij de betreffende provincie of omgevingsdienst, in dit geval de provincie Limburg.

Een ontheffingsaanvraag dient te worden onderbouwd met een activiteitenplan waar juridische en ecologische aspecten als de specifieke maatregelen en werkzaamheden, de gunstige staat van instandhouding, het wettelijk belang, een alternatievenafweging en de planning in zijn opgenomen. Na het verkrijgen van de ontheffing kunnen de werkzaamheden ter plaatse van de aangetroffen verblijfplaats worden uitgevoerd, mits aan alle voorwaarden uit de ontheffing wordt voldaan en de gevoelige periodes worden ontzien. De provincie Limburg neemt normaliter binnen 20 weken een besluit over de aanvraag. Resultaten vervolgonderzoek vleermuizen Naar aanleiding van de uitgevoerde quickscan flora en fauna is door BRO een nader ecologisch veldonderzoek naar vleermuizen uitgevoerd.9 Onderstaand wordt kort ingegaan op de resultaten van het onderzoek. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage dat als separate bijlage aan onderhavige toelichting is toegevoegd.

9

BRO, ‘Resultaten vervolgonderzoek vleermuis Munnikstraat 10 te Holtum’, projectnr.: P02242, d.d. 1 december 2020.

Hoofdstuk 4

45

Binnen en in de directe omgeving van het plangebied zijn geen rust- en verblijfplaatsen van een vleermuissoort waargenomen. Overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming met betrekking tot huismus, gierzwaluw en een vleermuissoort is uitgesloten. Er hoeft geen ontheffing te worden verkregen, noch zijn er enige vervolgstappen noodzakelijk met betrekking tot deze soort(groep)en. Wel dienen de volgende maatregelen in acht te worden genomen:  De kap van het opgaand groen dient buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd. Het broedseizoen loopt globaal van half maart t/m half augustus.  Met betrekking tot de zorgplicht dienen eventueel aangetroffen dieren tijdens de werkzaamheden de kans te krijgen om het plangebied zelfstandig te verlaten. Bij soorten als egel en gewone pad kunnen de dieren met beleid verplaatst worden naar een veilige plek buiten het plangebied. 4.8.6 Conclusie Gelezen het bovenstaande en de uitgevoerde vervolgonderzoeken, kan worden geconcludeerd dat er vanuit het aspect ecologie geen belemmeringen bestaan voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.9 Bodem 4.9.1 Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Op 17 november 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders de ‘Nota Bodembeheer 2021 gemeente Sittard-Geleen’ vastgesteld. Samen met de bodemkwaliteitskaart en de bodemfunctieklassenkaart geeft het Bodembeheerplan het toetsingskader voor het omgaan met diffuus verontreinigde grond binnen Sittard-Geleen. 4.9.2 Onderzoek Aelmans Eco B.V. heeft een verkennend bodem- en asbestonderzoek10 uitgevoerd ter plaatse van het adres Munnikstraat 8-10 te Holtum (gemeente Sittard-Geleen). Onderstaand is een korte samenvatting van de bevindingen opgenomen. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen.

Het te onderzoeken terrein betreft een gedeelte van een speelplaats/oprit en grasveld gelegen rondom een voormalige basisschool. Opdrachtgevers zijn voornemens de alhier gevestigde school te slopen en onderhavig gebied in te richten ten behoeve van woondoeleinden.

10

Aelmans Eco B.V., Verkennend bodem- en asbestonderzoek Munnikstraat 8-10 te Holtum, rapportnummer E201909.006/HWO, d.d. 25 mei 2020

Hoofdstuk 4

46

Bovengrond De bovengrond van onderhavig perceel is analytisch onderzocht in de grondmengmonsters 1 t/m 3. Uit de analyseresultaten van deze grondmengmonsters blijkt, dat enkele marginaal verhoogde concentraties kobalt of zink worden aangetroffen. Voornoemde concentraties zijn van dien aard dat deze weliswaar de achtergrondwaarden overschrijden, doch niet de bodemindex of interventiewaarden. Daarnaast overschrijden voornoemde parameters niet de maximale waarden voor de klasse wonen. Op basis van een indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit kan de bovengrond, ondanks de lichte overschrijdingen als klasse AW2000 grond bestempeld worden. Ondergrond De ondergrond is analytisch onderzocht in de grondmengmonsters 4 en 5. Uit de analyseresultaten van de grondmengmonsters blijkt, dat enkele concentraties zware metalen en PCB de achtergrondwaarden (AW2000) overschrijden, doch niet de bodemindex en/of interventiewaarden. Voornoemde lichte overschrijdingen zijn van dien aard dat deze geen directe belemmeringen opleveren voor het beoogde gebruik. Op basis van een indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit kan de ondergrond c.q. onderlagen deels als klasse industrie (MM 4) en deels als klasse wonen grond (MM 5) gekwalificeerd worden. PFAS Uit de resultaten van het PFAS onderzoek blijkt, dat diverse licht verhoogde concentraties PFAS worden aangetroffen.

De aangetroffen concentraties zijn van dien aard dat deze weliswaar de detectiegrenzen overschrijden doch dermate marginaal zijn dat deze geen directe invloed hebben op de uiteindelijke kwalificatie van de grondlagen. Asbest Tijdens het verrichten van het bodemonderzoek zijn visueel geen specifieke asbestverdachte materialen aangetoond. Teneinde de visuele bevindingen analytisch te bevestigen is besloten om een tweetal grondmengmonsters analytisch op asbest in grond in te zetten. Uit de resultaten blijkt, dat er geen asbest is aangetroffen. Op basis van vorenstaande kan de hypothese “onverdacht” met betrekking tot asbest worden bevestigd. De hypothese “diffuus” wordt op basis van de onderzoeksresultaten bevestigd. Voor wat betreft de onderzoekslocatie zijn er geen aanleidingen om over te gaan tot het uitvoeren van een nader onderzoek. 4.9.3 Conclusie Resumerend kan gesteld worden dat ondanks de licht verhoogde concentraties in zowel de boven- en ondergrond, deze vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen directe belemmeringen vormen voor het voorgenomen gebruik van onderhavig perceel ten behoeve van woondoeleinden.

4.10 Water Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt.

Hoofdstuk 4

47

Beschrijving waterrelevant beleid In december 2015 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een robuust en toekomstbestendig watersysteem. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen. Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015 en vervangt dit plan én de partiële herzieningen hiervan. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Op provinciaal niveau kent de provincie Limburg als uitgangspunten (in het POL2014) dat verdroging zo veel mogelijk tegengegaan dient te worden en dat waterkwaliteit, met het oog op een duurzaam gebruik in de toekomst, erg belangrijk is. Tevens sluit de provincie aan bij het streven naar de bevordering van infiltratie van water in de bodem om zodoende water meer terug te brengen in stedelijk gebied. Binnen het Waterbeheerplan 2016-2021 van Waterschap Limburg is integraal waterbeheer een belangrijk begrip. Ook hier speelt verdroging en waterkwaliteit een belangrijke rol in het beleidsproces.

Ter invulling van (specifiek) ecologische functies stelt het Waterschap onder andere dat ter voorkoming van verdroging, grondwaterstanden (daar waar dat mogelijk is) verhoogd moeten worden door peilbeheer. Ook dient het rioleringsbeheer door gemeenten op en aan de aan watergangen en -plassen toegekende functies afgestemd te worden. Naast deze ecologische functies dienen er ook mensgerichte hoofdfuncties ten behoeve van industrie of drinkwater ingepast te worden. Tevens dient er plaats te zijn voor mensgerichte nevenfuncties. Kenmerken van het watersysteem De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied (en omgeving), kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater, oppervlaktewater, hemelwater, ecosysteem en afvalwater. Grondwater Het plangebied is niet gelegen binnen een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied, zoals deze zijn opgenomen in de Omgevingsverordening Limburg 2014. Wel ligt het plangebied binnen de boringsvrije zone Roerdalslenk zone II. In paragraaf 3.2.2 is hier reeds nader op ingegaan en is gebleken dat dit niet tot belemmeringen leidt. Oppervlaktewater Binnen het plangebied en de directe omgeving is geen primair oppervlaktewater gelegen waarmee bij het initiatief rekening hoeft te worden gehouden.

Ecosystemen In het plangebied en de directe omgeving liggen geen specifieke en/of waardevolle droge of natte ecosystemen, die een belemmering zouden kunnen vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. Afvalwater De nieuwe woning zal worden aangesloten op het aanwezige rioolstelsel in de straat. De capaciteit van deze riolering is voldoende voor de afvoer vanuit de nieuwe woningen en zal indien nodig worden aangepast.

Hoofdstuk 4

48

Hemelwater Op 1 april 2019 is de nieuwe Keur van Waterschap Limburg vastgesteld. Volgens de Keur geldt voor nieuwe ruimtelijke plannen een norm van 80 mm in 2 uur. Voor de nieuwe bebouwing binnen het plangebied zullen voorzieningen worden aangelegd teneinde een bui van 80 mm in het plangebied te kunnen bergen en infiltreren. Bij een concreet bouwplan zal nader worden uitgewerkt welke voorzieningen gerealiseerd worden en wordt berekend wat de capaciteit hiervan dient te zijn. Overleg waterbeheerder Sinds de inwerkingtreding van de nieuwe Keur van Waterschap Limburg geldt geen ondergrens meer voor het opvragen van een wateradvies. Onderhavig plan is ter beoordeling voorgelegd aan Waterschap Limburg. Voor nieuwe ruimtelijke plannen wordt de norm van 80 mm in 2 uur gehanteerd. Daarnaast is bij nieuwe ontwikkelingen het streven om zoveel mogelijk klimaat adaptief aan te leggen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=SittardGeleen&id=81e2a92a-bc23-4a8e-8788-c96ff680a035