CConstaterende datSittard-Geleen
Koppel je AI →
Document · PDF

01.3 Toelichting Bp Heistraat Einighausen”

Raad 7 oktober 2021, gemeente Sittard-GeleenBij agendapunt: Woningbouwproject Heistraat Einighausen (76) (Meekels)19.751 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Doordat deze woningen in serie werden gebouwd kent de straatwand een grote mate van repetitie, maar door de bescheiden schaal en maat van de gebouwen doen ze nog ‘dorps’ aan, zelfs in de steden; Afweging Bij de uitwerking van het voorliggende plan is, voor zover mogelijk, rekening gehouden met de bovengenoemde uitgangspunten. Het bouwplan is voorgelegd aan de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit (ARK). Deze commissie heeft positief geadviseerd. Het plan voldoet aan redelijke eisen van welstand. Bij de omgevingsvergunningaanvraag moet het plan met een overzicht van kleuren, materialen en vormbepalende details ter beoordeling aan de ARK worden voorgelegd voor een definitief advies. 3.4.4 Vigerend beleid cultuurhistorie en archeologie Sittard-Geleen streeft naar het behoud en beheer van archeologische waarden in de bodem als bron van kennis en cultuurbeleving. Cultuurhistorische relicten worden behouden en geaccentueerd. In samenhang met ruimtelijke inrichting, geeft de dynamiek van het verleden mede richting aan heden en toekomst. In het najaar van 2012 is de beleidsnota archeologie en monumenten vastgesteld, met bijbehorende archeologische beleidskaart. De beleidsnota archeologie en monumenten geeft aan welk beleid de gemeente komende jaren zal voeren ten aanzien van archeologie en monumenten.

Ook is eind 2012 de nieuwe Erfgoedverordening Sittard-Geleen 2012 vastgesteld, evenals de verordening Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit (ARK). Afweging Op basis van de gemeentelijke archeologische beleidskaart, ligt het besluitgebied geheel binnen een als ‘categorie 3’ aangeduid gebied, met de betekenis ‘AMK-terrein; terrein van hoge archeologische waarde, historische kernen’. Daarnaast is het plangebied specifiek gearceerd als onderzoeksgebied. In paragraaf ‘Archeologie’ in het volgende hoofdstuk wordt hier nader op ingegaan.

Hoofdstuk 3

28

3.4.5 Parkeerbeleid Sittard-Geleen Aangezien behoefte is aan een eenduidige en eenvoudige systematiek voor parkeervoorzieningen bij ruimtelijke ontwikkelingen en bouwplannen, heeft de gemeente Sittard-Geleen haar parkeerbeleid in 2012 geactualiseerd in de ‘Beleidsregels nota parkeernormen’ en de ‘Nota Parkeernormen Sittard-Geleen – Parkeernormensystematiek’. Het doel van de nota luidt als volgt: “Het vaststellen van gemeentelijke parkeernormen voor nieuwe ruimtelijke plannen en (herstructurerings)projecten in Sittard-Geleen om in de toekomst de parkeerbehoefte te kunnen faciliteren en de bereikbaarheid en leefbaarheid van Sittard-Geleen te waarborgen.” In de nota wordt overeenkomstig de CROW-publicatie “Parkeerkencijfers, basis voor parkeernormering”, onderscheid gemaakt naar een drietal stedelijke zones, te weten ‘centrum’, ‘schil / overloopgebied’ en ‘rest bebouwde kom’. Daarnaast wordt voor wat betreft de toe te passen parkeernormering rekening gehouden met de stedelijkheidsgraad van een gebied. Het plangebied is voor zowel de stedelijke zone als de stedelijkheidsgraad gelegen in de zone ‘rest bebouwde kom’. In paragraaf ‘Verkeer en parkeren’ in het volgende hoofdstuk wordt nader ingegaan op de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de eisen ten aanzien van parkeervoorzieningen.

3.4.6 Nota Bodembeheer 2021 gemeente Sittard-Geleen Op 17 november 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders de ‘Bodemkwaliteitskaart en bodemfunctieklassenkaart gemeente Sittard-Geleen 2021-2025’ met bijbehorende ‘Nota Bodembeheer 2021 gemeente Sittard-Geleen’ vastgesteld. De Bodemkwaliteitskaart en bodemfunctieklassenkaart met bijbehorende Nota bodembeheer is een uitvloeisel van het landelijke Besluit bodemkwaliteit dat in 2008 in werking is getreden. De Bodemkwaliteitskaart en bodemfunctieklassenkaart met bijbehorende Nota bodembeheer geven aan hoe het binnen het gebied van Sittard-Geleen gesteld is met de diffuse bodemkwaliteit en hoe de gemeente, voor zover het haar bevoegdheden betreft, invulling geeft aan de toetsing van bodemaspecten op beleidsterreinen waar dat aspect een rol speelt. Deze werkvelden zijn: grondverzet/hergebruik, bodemsanering, bouwen en ruimtelijke ontwikkeling. Bij al deze werkvelden worden dezelfde eisen gesteld aan de bodemkwaliteit. Deze benadering staat bekend onder de benaming meersporenbeleid en ligt aan de basis van een duurzame en efficiënte aanpak van de in de gemeente aanwezige diffuse bodemverontreiniging. De nieuwe kaarten en nota zijn een voortzetting van het huidige bodembeleid dat binnen de gemeente wordt gevoerd.

In paragraaf 4.9 wordt nader ingegaan op bodemaspecten in relatie tot de realisatie van de woningen aan de Heistraat in Einighausen. 3.4.7 Beleidsplan Afvalwater Westelijke Mijnstreek 2015 Op 12 november 2014 heeft de gemeenteraad van Sittard-Geleen het ‘Beleidsplan Afvalwater Westelijke Mijnstreek 2015’ vastgesteld. In dit beleidsplan is de volgende missie geformuleerd: “De zorg voor de afvalwaterketen wordt zo uitgevoerd dat de volksgezondheid wordt beschermd, een goede leefomgeving wordt bevorderd en schade aan het milieu wordt voorkomen. De kosten worden

Hoofdstuk 3

29

zo laag mogelijk gehouden en er wordt samengewerkt. Iedere partij in de afvalwaterketen – ook de burger – heeft een gedeelde verantwoordelijkheid in de goede zorg voor de afvalwaterketen.” In de visie staat dat er een duurzame afvalwaterketen komt. Afvalwater wordt ingezet om in schone grondstoffen, energie en schoon water te voorzien. Terugwinnen en sluiten van de keten staan centraal. Hemelwater wordt zoveel mogelijk zichtbaar en bovengronds verwerkt. Zo wordt gezien dat het water schoon is en wordt hemelwater mede door gebruik van de openbare ruimte beheersbaar gemaakt. Grondwater wordt op een natuurlijke manier behandeld, waar mogelijk wordt gekozen voor een niet-technische oplossing. Waar het nodig en haalbaar is helpt de gemeente door daden, of door advies te geven over de aanpak van grondwaterproblemen. Om dit perspectief te bereiken zijn voor de drie afvalwatersoorten (stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater) en de beoogde inzet op meer samenwerking, onderstaande doelen en strategieën geformuleerd: Samenwerking Doel Kosten besparen, kwaliteit verhogen, kwetsbaarheid verlagen. Strategie Belang van (afval) waterketen staat voorop. Al het handelen dient in het belang te zijn van de gehele afvalwaterketen. Doelmatige aansturing van de afvalwaterketen wordt gezamenlijk gedaan. Stedelijk afvalwater Doel Adequaat en efficiënt beheren van ons stelsel.

Strategie Beheer en onderhoud als ware het één gezamenlijk areaal. Samen zoeken naar doelmatige en duurzame verbeteringen. Hemelwater Doel Doelmatige en duurzame omgang met hemelwater. Strategie Samen met inwoners inspelen op klimaatverandering. Meer acceptatie van waterhinder. Bij nieuwbouw hemelwater verwerken op eigen terrein. Grondwater Doel Een doelmatige en duurzame omgang met grondwater. Strategie Meer aandacht voor mogelijke grondwateroverlast bij nieuwbouw. Regisseursrol nemen op locaties waar overlast wordt ervaren. Samen met inwoners zoeken naar oplossingen.

Hoofdstuk 3

30

Voor meer informatie over de wijze waarop binnen het plangebied met water wordt omgegaan, wordt verwezen naar paragraaf 4.10 ‘Water’. 3.4.8 Beleid externe veiligheid Sittard-Geleen Het beleid van de gemeente Sittard-Geleen op het gebied van externe veiligheid is beschreven in de volgende vastgestelde beleidsdocumenten:  Beleidsvisie externe veiligheid Chemelot site / Westelijke Mijnstreek (eindrapport van 31 maart 2010, vastgesteld door de gemeenteraad op 6 juli 2011), Ruimte voor nieuwe generaties met behoud van een verantwoord en aanvaardbaar veiligheidsniveau;  Veiligheidsvisie Spoorzone Sittard-Geleen (13 september 2012), Veiligheid als element van stedelijke planning;  Beleidsregels planologisch afwijkend gebruik fitnesscentra (vastgesteld 3 september 2013) met regels over externe veiligheid;  Beleidsregels kleine binnenspeeltuinen (vastgesteld 12 november 2013) met regels over externe veiligheid. Het beleid is in twee zelfstandige beleidsdocumenten uitgewerkt voor twee deelgebieden binnen de gemeente, namelijk de omgeving van Chemelot en de spoorwegen (de spoorzone).

Het beleid heeft de volgende doelen: De gewenste ruimtelijke ontwikkelingen (Woonmilieuvisie Regio Westelijke Mijnstreek “Ruimte voor nieuwe generaties”, 2009; Stadsvisie 2016; Omgevingsvisie Sittard-Geleen 2016), moeten mogelijk zijn met behoud van een verantwoord en aanvaardbaar veiligheidsniveau voor de leefomgeving. De verantwoording van het groepsrisico in relatie tot ruimtelijke ontwikkelingen staat daarbij centraal. Onder dit ‘hoofddoel’ vallen de volgende doelen:  De risicobenadering: mensen die in Sittard-Geleen werken, wonen of anderszins verblijven, mogen zo weinig mogelijk risico lopen en dit risico moet maatschappelijk verantwoord zijn.  Een goede balans tussen ruimtelijke/economische ontwikkelingen en externe veiligheid.  Het voorkomen dat rampen en ongevallen plaatsvinden.  De gevolgen van een eventuele calamiteit beheersbaar maken om de volksgezondheid en het milieu zoveel mogelijk te beschermen in het geval onverhoopt een ramp of ongeval plaatsvindt.  Een verantwoorde ruimtelijke en economische ontwikkeling in de spoorzone, met een veilige en robuuste spoorinfrastructuur waarbij Sittard-Geleen optimaal bereikbaar blijft via het spoor.

Het afwegings-/uitvoeringskader dat de gemeente bij het beleid externe veiligheid hanteert, bestaat uit afwegingskaders voor:  Brongericht beleid op basis van Beste Beschikbare Technieken (BBT)  Omgevingsgericht beleid, overdrachtsmaatregelen en effectmaatregelen  Rampenbestrijding  De wettelijke grenswaarde van het plaatsgebonden risico (basisbeschermingsniveau);  Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi, onder meer artikel 12 en 13 en omgevingsvergunningen milieu (bijvoorbeeld emplacementen) waarbij de gemeente het bevoegde gezag is);  De Handreiking Verantwoordingsplicht Groepsrisico (VROM, november 2007);  Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt, onder meer Basisnet spoor);  Het Toetsingskader Externe Veiligheid Spoorzone Dordrecht / Zwijndrecht, TNO (R2004/105) voor bron- en effectmaatregelen (gericht op zelfredzaamheid, beheersbaarheid, bestrijdbaarheid);

Hoofdstuk 3

31

De rapportage van Oranjewoud/Save van 24 maart 2005 (in opdracht van Gemeenschappelijk Brandweerbureau Westelijke Mijnstreek). Voor de spoorzone zijn de volgende maatgevende scenario’s beschreven voor het benoemen van effectmaatregelen: o Warme (en koude) Bleve van LPG o Toxische wolk

Voor Chemelot en haar omgeving hanteert de gemeente de volgende gebiedsgerichte instrumenten en procedures. Om het groepsrisico te beheersen, zijn op basis van een risicomatrix drie typen gebieden (a, b, c) te onderscheiden binnen het invloedgebied van Chemelot vanaf de terreingrens naar buiten: a) Stand-still voor ruimtelijke ontwikkelingen. Wel vervangende nieuwbouw mogelijk; geen overall toename van personendichtheden. b) Ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk onder voorwaarde van een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico. c) Geen belemmeringen voor ruimtelijke ontwikkeling. Verantwoording groepsrisico blijft wettelijk vereist, maar veiligheid is afdoende te waarborgen op basis van een checklist met algemene aandachtspunten. Opmerking: a en b worden in de beleidsvisie aangeduid als het groepsrisico-relevante gebied van Chemelot. Hier geldt dat de beleidsruimte bij het verantwoorden van het groepsrisico wordt ingevuld, met als randvoorwaarde dat de bestaande beperkte overschrijding van de oriëntatiewaarde niet toeneemt. Dit betekent een stand-still bijdrage van de wijken Lindenheuvel en Krawinkel aan het groepsrisico (geen toename van het aantal personen, bedrijven of woningen saneren, verplaatsen of uitplaatsen wanneer mogelijk). Dit stand-still beginsel is in de bestemmingsplannen voor Lindenheuvel en Krawinkel verankerd.

Samen met stakeholders wordt het instellen van een veiligheidscontour (op grond van artikel 14 uit het Bevi) onderzocht en overwogen De gemeente Sittard-Geleen vertolkt een adviesrol bij omgevingsvergunning milieu Chemelot site B.V. Het uitgangspunt bij Chemelot site is inwaartse zonering (ontwikkelingen met de hoogste veiligheidsrisico’s centraal op de site en ontwikkelingen met de laagste veiligheidsrisico’s aan de rand). Voor de Spoorzone hanteert de gemeente de volgende instrumenten en procedures: 

Een indeling van het spoor in de volgende risicobronnen: o Emplacementen:  Emplacement Sittard (Sittard-Geleen streeft naar onderschrijding van de oriëntatiewaarde)  Emplacement Born  Bedrijfsemplacement Chemelot (valt binnen de Veiligheidsvisie Chemelot) o Baanvakken

Een zone-indeling van de omgeving van het spoor ten behoeve van een gebiedsgerichte benadering: o De PR-contour (plaatsgebonden risico 10-6/jaar) voor zover aanwezig langs de lijn Eindhoven – Maastricht: wettelijke beperkingen voor de omgeving en voorkomen van latente saneringssituaties

Hoofdstuk 3

32

o

 

De 50 meter zone (50 meter gemeten vanuit het hart van het buitenste spoor): Buiten de PR-contour én binnen de 50 meter zone wordt gestreefd naar een bebouwingsvrije ruimte bij nieuwe ontwikkelingen (waaronder ook herstructureringsplannen worden verstaan) o De 200 meter zone (200 meter gemeten vanuit het hart van het buitenste spoor): Buiten de 50 meter zone én binnen de 200 meter zone gelden de volgende regels:  Binnen deze zone wordt gestreefd naar minder grote aantallen mensen  Nieuwe kwetsbare bestemmingen voor groepen van mensen met geen dan wel een beperkte mate van zelfredzaamheid worden voorkomen  De gemeente streeft op basis van vrijwilligheid naar een verplaatsing tot buiten de 200 meter van kwetsbare bestemmingen met mensen die niet of beperkt zelfredzaam zijn  Overige nieuwe kwetsbare bestemmingen worden zover als mogelijk van het spoor geprojecteerd en dienen te worden voorzien van adequate bouwkundige, effect beperkende maatregelen  Bij nieuwe beperkt kwetsbare bestemmingen worden bouwkundige, effect beperkende voorzieningen geïmplementeerd o Het invloedgebied (omvat alle voorgaande zones en strekt zich uit tot 1% letaliteit):  Generiek basisvoorzieningenniveau dat in samenspraak met de brandweer is bepaald:  Plangebied tweezijdig ontsloten  Geen doodlopende straten langer dan 40 meter  Doodlopende straten tot 40 meter voorzien van een keerlus  Eisen

over primaire bluswatervoorziening  De gemeente houdt bij nieuwe ontwikkelingen rekening met infrastructurele maatregelen in de openbare ruimte (waaronder vluchtwegen, opstelplaatsen, blusvoorzieningen)  De gemeente draagt zorg voor een goede voorlichting op het gebied van rampbestrijding De gemeente Sittard-Geleen heeft een proces (inzake interne communicatie, beoordeling, registratie, externe communicatie) ingericht voor het behandelen van nieuwe initiatieven met effect op de veiligheid in de spoorzone. De gemeente Sittard-Geleen in de rol van vergunningverlener bij de omgevingsvergunningen milieu van de emplacementen Sittard en Born (directe invloed op bronmaatregelen). Basisnet spoor: toepassen van risicoplafonds, voorschriften veiligheidszones en plasbrandaandachtsgebieden.

De toetsing van het aspect externe veiligheid, inclusief een toets aan het gemeentelijke beleid, is opgenomen in paragraaf 4.7 Externe veiligheid.

Hoofdstuk 3

33

4.

OMGEVINGSASPECTEN In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en wordt het plan hieraan getoetst.

4.1 Verkeer en parkeren 4.4.1 Verkeer Het plangebied wordt in de nieuwe situatie via drie zijden ontsloten op de Heistraat, de Pastoor Bastinstraat en de Kerkhofweg. Aan de zijde van de Kerkhofweg zal tevens een inrit worden gemaakt die via een pad leidt tot de nieuw aan te leggen parkeerhavens in het midden van het plangebied. Als gevolg van de toevoeging van vijftien woningen, zal er sprake zijn van generatie van verkeersbewegingen door bewoners en bezoekers. Volgens de CROW-rekentool ‘Verkeersgeneratie en Parkeren’ zal het toevoegen van een de woningen leiden tot maximaal circa 99 extra motorvoertuigbewegingen per etmaal. De omliggende wegen kunnen deze geringe verkeerstoename goed verwerken, zeker wanneer dit wordt afgezet tegen de voorgaande situatie, waarin de basisschool nog in gebruik was. Een basisschool van deze omvang (circa vier klassen onderbouw, vier klassen bovenbouw) genereert zo`n 260 autobewegingen op een gemiddelde openingsdag. Wat dat betreft kan worden gesteld dat de verkeerssituatie rustiger wordt en daarmee houdt dit plan een verbetering van de verkeerssituatie in. 4.4.2 Parkeren Op basis van de ‘Nota Parkeernormen Sittard-Geleen – Parkeernormensystematiek’ geldt voor een woning op deze locatie een parkeernorm van 1,7 parkeerplaatsen per woning. Dit resulteert in 25,5 (dus 26) benodigde parkeerplaatsen.

Hoe de parkeerbehoefte wordt opgevangen in het plangebied is weergegeven op onderstaande tekening.

Figuur 12. Locaties parkeervoorzieningen nieuwe situatie

Hoofdstuk 4

34

In het binnengebied worden 13 openbare parkeerplaatsen aangelegd ten behoeve van de woningen zonder parkeerplaats op eigen terrein. De acht woningen in het oostelijke woonblok krijgen allemaal een parkeerplaats aan huis. Langs de Pastoor Bastinstraat worden ook nog vijf parkeerhavens gerealiseerd. Hiermee komt het totaal aantal parkeerplaatsen binnen het plangebied op 26. Hiermee wordt voldaan aan de gemeentelijke parkeernormen.

4.2 Geluid 4.2.1 Wegverkeer Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor:  de toevoeging van een nieuwe woning binnen de zone van een weg;  de aanleg van een nieuwe weg;  de reconstructie van een bestaande weg. De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. In een akoestisch onderzoek kunnen wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt buiten beschouwing worden gelaten. Tabel 4.1: Breedte geluidszones langs wegen

Stedelijk gebied

Buiten stedelijk gebied

Aantal rijstroken

Zone breedte

1 of 2

200 meter

3 of meer

350 meter

1 of 2

250 meter

3 of 4

400 meter

5 of meer

600 meter

In de Wgh zijn grenswaarden opgenomen met betrekking tot de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel is 48 dB en mag in principe niet worden overschreden. Onder bepaalde voorwaarden, als maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn en het voldoen aan de grenswaarden onoverkomelijke bezwaren ontmoet van landschappelijke, stedenbouwkundige of financiële aard, mag de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor dient middels een ontheffing een hogere waarde te worden vastgesteld.

Hoofdstuk 4

35

Tabel 4.2: Maximale ontheffingswaarden Situatie

Maximale ontheffings-

Artikel

waarde Stedelijk gebied 

Nieuwe woningen

63 dB

Artikel 83, lid 2 Wgh

Vervangende nieuwbouw

68 dB

Artikel 83, lid 5 Wgh

Buiten stedelijk gebied 

Nieuwe woningen

53 dB

Artikel 83, lid 1 Wgh

Agrarische bedrijfsbebouwing

58 dB

Artikel 83, lid 4 Wgh

Vervangende nieuwbouw

58 dB

Artikel 83, lid 7 Wgh

Vervangende nieuwbouw* binnen de zone van

63 dB

Artikel 83, lid 6 Wgh

een autoweg of autosnelweg

*Met dien verstande dat de vervanging niet zal leiden tot een ingrijpende wijziging van de bestaande stedenbouwkundige functie of structuur en een wezenlijke toename van het aantal geluidgehinderden bij toetsing op bouwplanniveau voor ten hoogte 100 woningen.

Het plangebied is gelegen binnen de zone van de Kapellerweg, waar een maximum snelheid geldt van 60 kilometer per uur. De overige wegen rondom het plangebied zijn 30 kilometer per uur wegen. Gezien de grote afstand tot Kapellerweg (170 meter) en de zeer lage gebruiksintensiteit kan op voorhand met een aan zekerheid grenzende mate van waarschijnlijkheid worden gesteld dat een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde ten gevolge van de Kapellerweg uitgesloten is. 4.2.2 Conclusie Gelezen het bovenstaande en het feit dat het plangebied niet is gelegen in de geluidzone van een industrieterrein of spoorweg, kan worden gesteld dat het aspect geluid vanuit de Wet geluidhinder geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.

4.3 Luchtkwaliteit 4.3.1 Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:  er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;  het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;  het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;  het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit:  het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM;

Hoofdstuk 4

36

het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 (1,2μg/m3).

4.3.2 Conclusie Aangezien in het voorliggende geval sprake is van de realisatie van vijftien woningen, zal er slechts sprake zijn van een zeer geringe toename van het aantal verkeersbewegingen, mede kijkend naar de voorgaande situatie met basisschool. Daarnaast voldoet de huidige luchtkwaliteit in het plangebied en de omgeving blijkens de concentratiekaarten van het RIVM ruimschoots aan de daarvoor geldende normen. Er is dan ook geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. In het Besluit NIBM is verder vastgelegd dat ontwikkelingen tot 1.500 woningen niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Aangezien het aantal verkeersbewegingen nauwelijks toeneemt, kan dan ook worden geconcludeerd dat het project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Op basis van artikel 5.16 Wm lid 1, sub a en c, vormen luchtkwaliteitseisen geen belemmering. De voorgenomen ontwikkeling is kortom niet bezwaarlijk in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer.

4.4 Bedrijven en milieuzonering 4.4.1 Toetsingskader Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 5. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).

Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en

5

‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.

Hoofdstuk 4

37

milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. 4.4.2 Conclusie Met betrekking tot de in het plangebied geprojecteerde woningen kan worden opgemerkt dat er in de directe omgeving van het plangebied geen bedrijven in milieucategorieën zwaarder dan categorie 1 of 2 aanwezig zijn, welke een negatieve invloed kunnen hebben op het leefklimaat ter plaatse, of wiens bedrijfsruimte als gevolg van de voorgenomen ontwikkelingen zal worden beperkt. De nabijgelegen wijkvoorzieningen betreffen allen categorie 1 en 2 bedrijvigheid, welke in principe passend zijn binnen een woonomgeving. Tevens zijn reeds andere woningen dichter bij de betreffende bedrijvigheid gesitueerd, waardoor deze als maatgevend kunnen worden beschouwd. Zo houden de nieuwe woning ten minste 60 meter afstand ten opzichte van café De Buurman, gelegen aan de Heistraat 10 en ruim 300 meter ten opzichte van het garagebedrijf aan Heistraat 58.

Dit voldoet ruimschoots aan de richtafstanden van de VNG publicatie. Vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering bestaan er kortom geen belemmeringen.

4.5 Geur agrarisch 4.5.1 Toetsingskader Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe planologische projecten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. In de Wgv zijn voor verschillende dieren geuremissienormen opgenomen die de maximale geurbelasting op een gevoelig object bepalen. Als de geuremissie van een dier niet bekend is, stelt de wet minimumafstanden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object. Als die geuremissie wel bekend is, dan moet de geurbelasting worden berekend .De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geureenheden. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het bedrijf mag veroorzaken). Gemeenten mogen, binnen bepaalde bandbreedten, van deze wettelijke normen afwijken als er een gebiedsvisie is opgesteld en een geurverordening is vastgesteld. De gemeente Sittard-Geleen heeft geen dergelijk beleid vastgesteld. 4.5.2 Conclusie In de omgeving van het plangebied (300 meter) zijn geen (intensieve) veehouderijen gelegen. Er is geen sprake van noemenswaardige agrarische voor- of achtergrondbelasting.

Het aspect geur en veehouderijen vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

Hoofdstuk 4

38

4.6 Kabels en leidingen Er zijn blijkens het geldende bestemmingsplan en de risicokaart op of rond het besluitgebied geen kabels of leidingen gelegen met een bestemmingsplanplichtige beschermingszone die van invloed zou kunnen zijn op de voorgenomen ontwikkeling.

4.7 Externe veiligheid 4.7.1 Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met:  activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen;  transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen;  transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd.

Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is.

Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.

Hoofdstuk 4

39

4.7.2 Onderzoek De provinciale risicokaart is gebruikt om een beeld te krijgen van de in de omgeving van het plangebied aanwezige risicobronnen. De kaart bevat een inventarisatie van de risicovolle inrichtingen en opslagen, transportroutes over weg, water en spoor en de relevante buisleidingen. Op onderstaande figuur is een uitsnede opgenomen van de risicokaart.

Figuur 13. uitsnede provinciale risicokaart

De dichtstbijzijnde risicobronnen bestaan uit drie buisleidingen, een ten zuiden op 450 meter, een ten noorden op 700 meter en een ten oosten op 760 meter van het plangebied in Einighausen. Aangezien de woningen worden gerealiseerd ver buiten de PR risicocontouren, is het plaatsgebonden risico geen aandachtspunt. De buisleidingen hebben op basis van de diameter en werkdruk een risicogebied van 160 meter (zuidelijke leiding), 210 meter (leiding A-521-02 ten noorden van het plangebied) en 170 meter (leiding Z-540-01 ten oosten van het plangebied). Iets verder naar het oosten loopt in noordzuidrichting een cluster aan buisleidingen, waarvan het invloedsgebied 310 meter ver reikt. Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedsgebieden van buisleidingen. Binnen 200 meter rondom het plangebied bevinden zich geen wegen waarover het vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Op 3,9 kilometer ten westen bevindt zich het Julianakanaal waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. De PR 10-6 contour reikt niet tot aan de oever. Kijkend naar de stofcategorieën die hier worden vervoerd heeft deze transportroute een invloedsgebied van 1070 meter. Deze is niet van invloed op het plangebied. Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van bedrijventerrein Chemelot, dat zich op circa 2100 meter ten zuidwesten van het plangebied bevindt.

In de Beleidsvisie externe veiligheid Chemelot site/Westelijke Mijnstreek is beschreven dat hier onder voorwaarden nog wel nieuwe ontwikkelingen mogelijk zijn. Op grond van decompositie en analyse van het groepsrisico blijkt het goed mogelijk te

Hoofdstuk 4

40

onderbouwen waar de ruimtelijke ontwikkelingen kunnen plaatsvinden met behoud van het thans gerealiseerde veiligheidsniveau. Dit vertaalt zich in een “hold” van de huidige beperkte overschrijding van de oriëntatiewaarde door het groepsrisico. Bij nadere analyse van het groepsrisico, door een decompositie hiervan, komt naar voren dat twee omgevingen, grenzend aan site-terrein en in relatie tot enkele specifieke installaties (fabrieken) verantwoordelijk zijn voor de huidige overschrijding van de oriëntatiewaarde. Het betreft de omgevingslocaties Lindenheuvel en Krawinkel. Het blijkt verder uit de analyse van het groepsrisico dat er een gebied rond de Chemelot site is aan te geven waarbinnen het nodig en zinvol is nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zorgvuldig te beoordelen in het kader van de verantwoording groepsrisico. Tenslotte blijkt dat buiten voornoemd gebied, nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen goed mogelijk zijn zonder dat de veiligheid in het geding hoeft te zijn. Daarom kunnen voor ontwikkelingen in dit gebied van het invloedsgebied rond de Chemelot site de verantwoordingen van het groepsrisico overwegend een formeel karakter hebben. De bijdrage van de omgevingen aan het groepsrisico zijn zowel op een plattegrond van de omgeving weer te geven als met de eerder weergegeven risicomatrix te visualiseren.

De gebiedsomgeving waarvoor een stand-still zal gelden zijn rood aangegeven. Hier geldt dat de kans en de omvang van het risico naar verhouding het hoogst zijn. De omgeving waar ruimtelijke ontwikkelingen stevig getoetst moeten worden of het bestaande veiligheidsniveau gehandhaafd blijft zijn in beige aangegeven. Deze omgeving heeft in zijn geheel, zelf geen groepsrisico dat de oriëntatiewaarde overstijgt. Het draagt ook erg weinig bij aan het groepsrisico dat boven de oriëntatiewaarde ligt door de totale omgeving in ogenschouw te nemen. De ruimtelijke omgeving waar ontwikkelingen kunnen plaatsvinden zonder dat extra veiligheidsmaatregelen nodig zijn om het veiligheidsniveau op het zelfde niveau te houden zijn blauw aangegeven. Hier zijn de kansen en de omvang van het risico het kleinst. Ook de bijdrage aan het groepsrisico, waar dit boven of nabij de oriëntatiewaarde ligt, is voor deze omgeving niet meer relevant.

Figuur 14. Uitsnede Beleidsvisie externe veiligheid Chemelot site/Westelijke Mijnstreek, ligging plangebied groen omkaderd.

In de bovenstaande figuur zijn de drie onderscheiden typen omgevingen schetsmatig herkenbaar. De gebruikte kleuren voor de matrix-indeling zijn overgenomen in de schets. De grens van het blauwe gebied is tevens de grens van het invloedsgebied. Het plangebied is gelegen in de blauwe zone van het

Hoofdstuk 4

41

invloedsgebied, wat betekent dat er geen belemmeringen zijn voor ruimtelijke ontwikkeling. Verantwoording groepsrisico blijft wettelijke vereist, maar de veiligheid is afdoende te waarborgen op basis van de algemene aandachtspunten. Wat betreft de beperkte verantwoording bestaan er geen feitelijke mogelijkheden om middels het voorliggende plan de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp direct te beïnvloeden. De bestrijding en de beperking van de omvang van een ramp vindt voor zover mogelijk plaats bij de risicobron. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het plangebied bij eventuele calamiteiten goed bereikbaar is voor de hulpdiensten. In dit geval uitsluitend calamiteiten met giftige gassen en vloeistoffen (toxisch scenario) relevant. Voor blootstelling aan een toxische gaswolk biedt ‘schuilen’ in combinatie met het sluiten van ramen en deuren de eerste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Bij bestaande bouwwerken worden geen aanvullende maatregelen getroffen om mogelijke indringing van toxisch gas te verminderen. Aanpassing van oude gebouwen op dit punt is ingrijpend en kostbaar.

Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelingsinstallatie waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen, dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen. Dit geldt dus ook voor de nieuw te realiseren woning. Vluchten is een andere wijze van zelfredzaamheid bij een toxische gaswolk. Het plangebied is goed ontsloten en er zijn vluchtroutes in meerdere richtingen aanwezig. Van belang is verder dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en AlarmeringSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding en mogelijk in de toekomst via NL-alert. Verder informeert de veiligheidsregio c.q. gemeente haar inwoners over de handelingsstrategie bij calamiteiten. Tevens is de Veiligheidsregio Zuid-Limburg om advies gevraagd. Het advies zal na ontvangst in deze toelichting worden verwerkt. 4.7.3 Conclusie Kijkend naar de bovenstaande analyse, kan worden gesteld dat er vanuit het aspect externe veiligheid geen belemmeringen bestaan voor de voorgenomen planontwikkeling.

Hoofdstuk 4

42

4.8 Ecologie 4.8.1 Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden.

Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig.

Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk,

Hoofdstuk 4

43

genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;  soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);  soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5);  andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag.

Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 4.8.2 Onderzoek Er is door BRO6 een onderzoek uitgevoerd voor het plangebied, in de vorm van een quickscan flora en fauna. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. 4.8.3 Samenvatting Gelet op de potentiele ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht te worden genomen:  Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten;  In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen.

Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. 4.8.4 Stikstof Sinds de buitenwerkingstelling van het Programma aanpak stikstof (PAS) is er voor projecten een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig, indien blijkt dat het project een stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jaar op een stikstofgevoelige habitat in een Natura2000-gebied tot gevolg heeft. Ten 6

BRO, Quickscan flora en fauna ‘Heistraat’ te Einighausen, projectnummer P02243, d.d. 5 december 2019

Hoofdstuk 4

44

behoeve van de woningbouwontwikkeling is er daarom met de wettelijk voorgeschreven AERIUS-calculator een berekening gemaakt van de stikstofdepositie ten gevolge van de aanleg- en gebruiksfase van het plan7. De berekeningen zijn toegevoegd aan de bijlagen bij deze toelichting. Conclusie luidt dat zowel de aanleg- als de gebruiksfase niet leidt tot stikstofdepositiewaarden hoger dan 0,00 mol per hectare per jaar. Het aspect stikstof vormt daarmee geen belemmering voor het planvoornemen. 4.8.5 Conclusie Gelezen het bovenstaande en de uitgevoerde vervolgonderzoeken, kan worden geconcludeerd dat er vanuit het aspect ecologie geen belemmeringen bestaan voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.9 Bodem In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk. Op 17 november 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders de ‘Nota Bodembeheer 2021 gemeente Sittard-Geleen’ vastgesteld. Samen met de bodemkwaliteitskaart en de bodemfunctieklassenkaart geeft het Bodembeheerplan het toetsingskader voor het omgaan met diffuus verontreinigde grond binnen Sittard-Geleen. Wat betreft de te hanteren bodemkwaliteitsdoelstellingen kent de Wet ruimtelijke ordening beleidsvrijheid die in het Bodembeheerplan, voor ruimtelijke ontwikkelingen, als volgt is ingevuld.

Het ruimtelijke plan is gelegen in de bebouwde kom van Einighausen en vanuit de Wet ruimtelijke ordening is dan ook de gemeente bevoegd gezag voor het beoordelen van de bodemkwaliteit. Bodemkwaliteitsdoelstellingen Algemeen geldt hierbij dat op een locatie alleen sanerende maatregelen moeten worden getroffen, indien er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Voor wat betreft de saneringsdoelstelling bij saneringen van historische verontreinigingen (ontstaan vóór 1987) wordt onverkort aangesloten bij de functiewaarden uit het generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit. Bij de sanering van niet-historische verontreinigingen (ontstaan vanaf 1987) geldt de verwijdering van de veroorzaakte verontreiniging c.q. de herstelplicht van de bodemkwaliteit.

7

M-Tech, AERIUS berekening aanleg en gebruik Einighausen, 27 november 2019

Hoofdstuk 4

45

De mogelijkheden voor het hergebruik van grond Hierbij sluit de gemeente aan bij het generieke kader uit het Besluit bodemkwaliteit. Dat wil zeggen: een partij her te gebruiken grond moet voldoen aan de bodemfunctieklasse (volgens de bodem-functieklassenkaart) van de ontvangende bodem en aan de bodemkwaliteitsklasse (volgens de bodemkwaliteitskaart) van de ontvangende bodem. In de concrete gevallen geldt de strengste van beide eisen. De mogelijkheden om gebruik te maken van informatie uit de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel voor de bodemkwaliteit Gebruik van de bodemkwaliteitskaart is ook mogelijk om bij ruimtelijke ontwikkelingen een voldoende betrouwbare voorspelling te kunnen doen over de te verwachten bodemkwaliteit. Algemeen geldt hierbij dat bij locaties die geen puntbron zijn c.q. naar verwachting niet beïnvloed zijn door een puntbron, de bodemkwaliteitskaart gebruikt kan worden om die voorspelling te doen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen op locaties waar mogelijk sprake is van ernstige bodemverontreiniging, op locaties die zijn uitgezonderd van de bodemkwaliteitskaart en bij gronden met de bestemming moestuin/volkstuin, dient altijd een verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Het uitvoeren van een historisch bodemonderzoek is mogelijk ter onderbouwing van de verwachting dat de bodem geen puntbron is c.q.

niet beïnvloed is door een puntbron, en (vermoedelijk) geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. In casus is sprake van een locatie waar voorheen enkele maatschappelijke gebouwen waren gevestigd. Deze zijn inmiddels gesloopt. Na de sloop is de locatie aangevuld met aangevoerde, schone grond met AP04 verklaringen, die in 2015/2016 zijn afgegeven. De locatie is daardoor onverdacht op het voorkomen van bodemverontreinigingen. De bodem is geschikt voor de beoogde functie (wonen)

4.10 Water Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Beschrijving waterrelevant beleid In december 2015 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een robuust en toekomstbestendig watersysteem. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen. Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015 en vervangt dit plan én de partiële herzieningen hiervan. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Op provinciaal niveau kent de provincie Limburg als uitgangspunten (in het POL2014) dat verdroging zo veel mogelijk tegengegaan dient te worden en dat waterkwaliteit, met het oog op een duurzaam ge-

Hoofdstuk 4

46

bruik in de toekomst, erg belangrijk is. Tevens sluit de provincie aan bij het streven naar de bevordering van infiltratie van water in de bodem om zodoende water meer terug te brengen in stedelijk gebied. Binnen het Waterbeheerplan 2016-2021 van Waterschap Limburg is integraal waterbeheer een belangrijk begrip. Ook hier speelt verdroging en waterkwaliteit een belangrijke rol in het beleidsproces. Ter invulling van (specifiek) ecologische functies stelt het Waterschap onder andere dat ter voorkoming van verdroging, grondwaterstanden (daar waar dat mogelijk is) verhoogd moeten worden door peilbeheer. Ook dient het rioleringsbeheer door gemeenten op en aan de aan watergangen en -plassen toegekende functies afgestemd te worden. Naast deze ecologische functies dienen er ook mensgerichte hoofdfuncties ten behoeve van industrie of drinkwater ingepast te worden. Tevens dient er plaats te zijn voor mensgerichte nevenfuncties. Kenmerken van het watersysteem De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied (en omgeving), kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater, oppervlaktewater, hemelwater, ecosysteem en afvalwater.

Grondwater Het plangebied is niet gelegen binnen een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied, zoals deze zijn opgenomen in de Omgevingsverordening Limburg 2014. Oppervlaktewater Binnen het plangebied en de directe omgeving is geen primair oppervlaktewater gelegen waarmee bij het initiatief rekening hoeft te worden gehouden. Ecosystemen In het plangebied en de directe omgeving liggen geen specifieke en/of waardevolle droge of natte ecosystemen, die een belemmering zouden kunnen vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. Afvalwater De nieuwe woning zal worden aangesloten op het aanwezige rioolstelsel in de straat. De capaciteit van deze riolering is voldoende voor de afvoer vanuit de nieuwe woningen en zal indien nodig worden aangepast. Hemelwater Op 1 april 2019 is de nieuwe Keur van Waterschap Limburg vastgesteld. Volgens de Keur geldt voor nieuwe ruimtelijke plannen een norm van 80 mm in 2 uur. Voor de nieuwe bebouwing binnen het plangebied zullen voorzieningen worden aangelegd teneinde een bui van 80 mm in het plangebied te kunnen bergen en infiltreren. Bij een concreet bouwplan zal nader worden uitgewerkt welke voorzieningen gerealiseerd worden en wordt berekend wat de capaciteit hiervan dient te zijn. Overleg waterbeheerder Sinds de inwerkingtreding van de nieuwe Keur van Waterschap Limburg geldt geen ondergrens meer voor het opvragen van een wateradvies.

Onderhavig plan is ter beoordeling voorgelegd aan Waterschap Limburg. Voor nieuwe ruimtelijke plannen wordt de norm van 80 mm in 2 uur gehanteerd. Daarnaast is bij nieuwe ontwikkelingen het streven om zoveel mogelijk klimaat adaptief aan te leggen.

Hoofdstuk 4

47

4.11 Archeologie 4.11.1 Toetsingskader De Nederlandse wetgeving ten aanzien van archeologische waarden is momenteel aan veranderingen onderhevig. De Monumentenwet 1988 is vanaf 1 juli 2016 deels overgegaan in de Erfgoedwet. De onderdelen over omgevingsrecht uit de Monumentenwet gaan (naar verwachting) in 2021 over naar de Omgevingswet. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode 2016-2021. De Erfgoedwet en de Omgevingswet regelen de omgang met het archeologisch erfgoed. Uitgangspunt van de wetgeving is om het archeologisch erfgoed zoveel mogelijk ter plekke te bewaren en beheermaatregelen te nemen om dit te bewerkstelligen. Op grond van deze wetten worden gemeenten verantwoordelijk geacht voor de bescherming van archeologische waarden.

Artikel 9.1 (overgangsrecht omgevingswet) van de Erfgoedwet zegt: Voormalig artikel 38a: De gemeenteraad houdt bij de vaststelling van een bestemmingsplan of een beheersverordening als bedoeld in artikel 3.1, onderscheidenlijk artikel 3.38, van de Wet ruimtelijke ordening en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (lees: archeologische resten) Voormalig artikel 41: De aanvrager van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (o.a. gebruiken van gronden in strijd met een bestemmingsplan) kan in het belang van de archeologische monumentenzorg worden verplicht een rapport over te leggen, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1.1 van die wet in voldoende mate is vastgesteld. In 2012 heeft de gemeente Sittard-Geleen de “beleidsnota Archeologie en Monumenten gemeente Sittard-Geleen” vastgesteld8. Onderdeel van deze beleidsnota is een archeologische beleidskaart, die gebaseerd is op een aantal archeologische verwachtingskaarten9. De archeologische verwachtingskaarten geven inzicht in de (verwachte) aanwezigheid van archeologische resten.

De verwachtingskaarten zijn vervolgens omgezet naar één beleidskaart. Op de archeologische beleidskaart zijn gebieden waarvoor dezelfde beleidsuitgangspunten gelden samengevoegd. Zo zijn er zeven archeologische beleidscategorieën ontstaan (zie onderstaande tabel). Beleidscategorie

Verwachting/waarde

1

AMK-terrein; terrein van zeer hoge archeologische waarde, beschermd

2

AMK-terrein; terrein van zeer hoge en hoge archeologische waarde AMK-terrein; terrein van hoge archeologische waarde, kern Sittard AMK-terrein; terrein van archeologische waarde Zone rondom ARCHIS-waarneming/vondstmelding/vindplaats

8 9

3

AMK-terrein; terrein van hoge archeologische waarde, historische kernen

4

Hoge verwachting voor droge landschapen

Gemeente Sittard-Geleen, 2012. Beleidsnota Archeologie en Monumenten gemeente Sittard-Geleen. Verhoeven, M.P.F. & G.R. Ellenkamp, 2010. Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart voor de gemeente Sittard-Geleen. RAAPrapport 2144. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Weesp.

Hoofdstuk 4

48

Hoge verwachting voor droge landschapen, provinciaal aandachtsgebied Middelhoge verwachting voor droge landschappen Middelhoge verwachting voor droge landschappen, provinciaal aandachtsgebied Hoge verwachting voor natte landschappen Hoge verwachting voor natte landschappen, Maasafzettingen Middelhoge verwachting voor natte landschappen Onbekende verwachting voor droge en natte landschappen 5

Lage verwachting voor droge landschappen, provinciaal aandachtsgebied

6

Lage verwachting voor droge en natte landschappen

7

Lage verwachting voor ontgronde gebieden Lage verwachting voor vrijgegeven onderzoeksgebieden

Op de beleidskaart ligt het plangebied in beleidscategorie 3. Het betreft een AMK-terrein van hoge archeologische waarde (historische kern). Dat wil zeggen dat toekomstige bodemingrepen niet groter mogen zijn dan 100 m 2 en niet dieper mogen gaan dan 30 cm – mv. Op de beleidskaart staat het plangebied verder afgebeeld als een zone dat reeds onderzocht is, maar waarvan het plangebied niet is vrijgegeven of waarvan het selectiebesluit niet bekend is. Daarom is door de gemeentelijke archeoloog van Sittard-Geleen een onderzoeksnotitie opgesteld voor het plangebied. 10 In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies van het adviesdocument vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. 4.11.2 Conclusie reeds uitgevoerd onderzoek In het plangebied is reeds een bureau- en verkennend booronderzoek uitgevoerd in 2010, waarbij de boringen hebben uitgewezen dat het plangebied verstoord is. Slechts in één boring is een deel van een Bt-horizont aangetroffen. In de overige boringen is geen Bt-horizont meer aanwezig en vertonen de boringen een verstoord profiel tot circa 75 cm – mv (aanwezigheid piepschuim en baksteenresten). Recent onderzoek door RAAP in het noorden van het plangebied heeft eveneens aangetoond dat grote delen tot circa 3 m –mv verstoord zijn door de sloop van het voormalige schoolgebouw en sporthal.

Wel is er op circa 2,5 m – mv mogelijk nog een middenpaleolithisch niveau aanwezig, maar dit is nog niet met zekerheid aangetoond. Mogelijk dat de toekomstige rioolwerkzaamheden in de Heistraat hier meer duidelijkheid over kunnen geven. De kans op aantreffen van een middenpaleolithische vindplaats in het plangebied, wordt echter zeer klein geacht. Op basis van de reeds uitgevoerde onderzoeken en de te verwachten verstoringen, kan het plangebied bijgesteld worden naar beleidscategorie 7. Er wordt geadviseerd om het plangebied vrij te geven. In het nieuwe bestemmingsplan hoeft de dubbelbestemming waarde-archeologie niet opgenomen te worden. 4.11.3 Meldingsplicht Tot slot dient te worden aangetekend dat, hoewel er geen archeologische restricties voor het plangebied gelden, bij een verstoringsdiepte groter dan 30 cm te allen tijde een meldingsplicht geldt voor de aanvang van de werkzaamheden.

10

Gemeente Sittard-Geleen, Toets naar noodzaak archeologisch onderzoek t.b.v. nieuw bestemmingsplan, advies nr. GH19a43, d.d. 17 januari 2020.

Hoofdstuk 4

49

1. De aanvang van het bouwrijp maken van het perceel dient twee weken voor de werkstart aan de gemeentelijk archeoloog te worden gemeld. 2. De mogelijkheid dat er in het plangebied archeologische vondsten worden gedaan, kan – gezien de ligging binnen de historische kern van Einighausen – niet helemaal uitgesloten worden. Wij willen nadrukkelijk wijzen op de wettelijke verplichting (Monumentenwet van 1988, artikel 53 & 54) om archeologische vondsten te melden. Bij het doen van vondsten waarvan vermoed wordt dat het om archeologische vondsten of sporen gaat, bent u verplicht deze onmiddellijk te melden bij de bevoegde instantie, in dit geval de gemeente. U kunt uw vondsten melden bij de gemeentelijk archeoloog en aan de gemeentelijk projectleider of de gemeentelijk contactpersoon van uw project.

4.12 Cultuurhistorie Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen monumenten of andere cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig, waarop met de voorliggende ontwikkeling invloed wordt uitgeoefend. De reeds gesloopt basisschool betrof gedeeltelijk een gemeentelijk monument. Op de provinciale cultuurhistorische waardenkaart is het plan niet aangemerkt als cultuurhistorisch waardevol of van betekenis, enkel dat Einighausen een sinds 1833 weinig tot matig veranderende dorpskern betreft. Aangezien het voorliggende initiatief geen invloed uitoefent op (cultuur)historische waarden, vormt de ligging en voorgenomen herontwikkeling geen belemmering. Vanuit het aspect cultuurhistorie zijn er kortom geen belemmeringen voor de voorliggende ontwikkeling.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=SittardGeleen&id=f6f37b84-0424-45b4-aeab-b47a24eb7038