01.3 Bijlagen bij Toelichting Bp Heistraat Einighausen”
Tekst van het document
Bestemmingsplan Heistraat Einighausen Gemeente Sittard-Geleen Bijlagenboek
Bestemmingsplan Heistraat Einighausen Gemeente Sittard-Geleen Bijlagenboek
Rapportnummer:
P02243_bijlagen
IMRO-identificatienummer:
NL.IMRO.1883.BPHeistraat-VA01
Datum:
3 augustus 2021
Opdrachtgever:
Gemeente Sittard-Geleen
Projectteam BRO:
SSh, BRa
Bron foto kaft:
BRO
Beknopte inhoud:
--
BRO Hoofdvestiging Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl
Heistraat Einighausen
Inhoudsopgave
Bijlagen toelichting
3
Bijlage 1
Ladder voor duurzame verstedelijking
4
Bijlage 2
Quickscan flora en fauna 'Heistraat' te Einighausen
13
Bijlage 3
AERIUS berekening aanleg en gebruik Einighausen
28
Bijlage 4 Toets naar noodzaak archeologisch onderzoekt bv nieuw bestemmingsplan, advies nr. GH19a43
39
Bijlage 5
46
2
Nota van zienswijzen
Bestemmingsplan "Heistraat Einighausen" (ontwerp)
Bijlagen toelichting
Bestemmingsplan "Heistraat Einighausen" (ontwerp)
3
Bijlage 1 Ladder voor duurzame verstedelijking
4
Bestemmingsplan "Heistraat Einighausen" (ontwerp)
Advies
advies
Sittard-Geleen, Ladder voor duurzame verstedelijking, woningbouw, Einighausen project Sittard-Geleen, Ladder voor duurzame verstedelijking, woningbouw, Einighausen datum 16 juli 2020 opdrachtgever Gemeente Sittard-Geleen Projectnummer P02243_1 opgesteld door DG en RV i.a.a.
1. Aanleiding In Einighausen, gemeente Sittard-Geleen speelt het initiatief om een voormalig schoolgebouw te transformeren naar maximaal 15 grondgebonden en levensloopbestendige woningen. Bestemd voor senioren. Het betreffen appartementen en patiowoningen. Het betreft een mix aan: Sociale huur boven de aftoppingsgrens (> € 607,46,voor 1- en 2 persoonshuishoudens /> € 651,03 voor 3en meerpersoonshuishoudens. Middeldure huur (> € 720,42 /boven liberalisatiegrens tot maximaal € 950,-). Middeldure en dure koop (> € 180.000,-). Binnen het huidige bestemmingsplan is de ontwikkeling niet toegestaan. Om de ontwikkeling formeel mogelijk te maken is een wijziging van het bestemmingsplan noodzakelijk. In het Bro (art 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening) (hierna: ‘ladder’) is vastgelegd dat de toelichting bij een bestemmingsplan of projectafwijking moet voldoen aan de systematiek van de Ladder voor Duurzame Verstedelijking. De ladder is een wettelijk verplicht motiveringsinstrument waaraan iedere ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ moet worden getoetst. Het planinitiatief betreft een nieuwe stedelijke ontwikkeling, gezien de omvang van het programma (15 woningen) en de benodigde wijziging van de bestemming van “maatschappelijk naar wonen”.
Per 1 juli 2017 luidt het tweede lid van art. 3.1.6. als volgt: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de
BRO Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl www.bro.nl
behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk
Het doel van de Ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. De Ladder geeft daarmee invulling aan het nationaal ruimtelijk belang gericht op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten.
2. Onderzoek en vraagstel In het navolgende wordt onderzocht of de planontwikkeling te verantwoorden is vanuit de methodiek van de Ladder voor Duurzame Verstedelijking. De hoofdvraag luidt: Voldoet het initiatief aan een (kwantitatieve en kwalitatieve) behoefte en is er sprake van duurzaam ruimtegebruik binnen het verzorgingsgebied? Het antwoord op de hoofdvraag uit dit onderzoek wordt verkregen door middel van ruimtelijk-functioneel onderzoek, waarbij zowel de kwantitatieve als kwalitatieve behoefte aan de ontwikkeling wordt onderzocht binnen het verzorgingsgebied. De ontwikkeling is hierna getoetst aan de ladder. Voor een verdere uitwerking van het onderzoek is verwezen naar de bijlage. Voor het bepalen van de behoefte en het duurzaam ruimtegebruik zijn in dit onderzoek vooral de relevante beleidskaders geanalyseerd. Zuid-Limburg is een krimpgebied en om deze reden kent het een strak woonbeleid, met gedetailleerde voorwaarden voor woningbouw. Daarnaast is ook gekeken naar de actuele prognoses van de huishoudens en woningvoorraadbehoefte in de gemeente Sittard-Geleen.
gebied in die behoefte kan worden voorzien.”
1
Advies Sittard-Geleen, Ladder voor duurzame verstedelijking, woningbouw, Einighausen
3. Conclusie ladder voor duurzame verstedelijking Sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling De ontwikkeling betreft een nieuwe stedelijke ontwikkeling, gelet op de omvang van het programma (15 woningen) en het feit dat wonen in het huidige bestemmingsplan op de locatie niet is toegestaan, waardoor een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk is. In het vigerende bestemmingsplan (Guttecoven en Einighausen, vastgesteld 2009) heeft de locatie de enkelbestemming ‘Maatschappelijk’. Deze wordt gewijzigd naar “Wonen”. Passend binnen behoefte van het ruimtelijk verzorgingsgebied en sprake van duurzaam ruimtegebruik Het ruimtelijk verzorgingsgebied is afgebakend om zo de behoefte in beeld te brengen. Hiervoor is de regionale woningmarkt geanalyseerd, gedefinieerd op basis van verhuisbewegingen. Aan de hand hiervan is de gemeente Sittard-Geleen als verzorgingsgebied bepaald. Binnen deze gemeente vinden ca. 2/3 van de totale verhuisbewegingen plaats. Tevens wordt (in het kader van regionale afstemming op beleidsniveau en woningbouwafspraken) een doorkijk gegeven naar de regio Westelijke Mijnstreek. Het initiatief voldoet aan de behoefte binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied en er is sprake van duurzaam ruimtegebruik conform de Ladder voor Duurzame Verstedelijking. In het navolgende wordt dit beknopt uitgewerkt.
Kwantitatieve behoefte Er is geen sprake van een kwantitatieve behoefte (in aantallen) aan nieuwe woningen in de gemeente Sittard-Geleen. Deze conclusie komt voort uit de beleidskaders en de meest
1
actuele prognoses. Dit betekent echter niet dat een planontwikkeling geen doorgang kan vinden. Ondanks dat er over de hele linie bezien geen behoefte is aan nieuwe woningen in de Westelijke Mijnstreek, is er wel tekort/behoefte aan diverse typen woningen binnen de woningmarkt. Dat betekent vooral dat zorgvuldig moet worden omgesprongen met nieuwe plannen i.r.t. bestaande voorraad en harde plancapaciteit. In voorliggend planinitiatief zal hiermee rekening gehouden moeten worden via de compensatieregeling (zie verderop). Kwalitatieve behoefte Er is sprake van een kwalitatieve behoefte aan het planinitiatief. In de Westelijke Mijnstreek waartoe gemeente SittardGeleen behoort, is er vooral behoefte (tekort) aan levensloopbestendige nultredenwoningen en binnen de woontypes; sociale huur (boven de aftoppingsgrens, vrije sector huur en koopwoningen duurder dan 180.000 euro1). Daarnaast wordt ingezet transformatielocaties en versterking binnen de kernen en nabij de voorzieningen.
gemeente het op zich neemt. Kortom er zal worden voldaan aan het beleid. Ook past het initiatief binnen de voorwaarden van het regionale afwegingskader (zie ook Regionale Structuurvisie wonen, Westelijke Mijnstreek, 2011). Waarin wordt ingezet op het toevoegen van levensloopbestendige nultredenwoningen, die geschikt zijn (of te maken zijn) voor senioren met een (toekomstige) zorgvraag. Verder wordt voorzien in transformatie en inbreiding. Bij het toevoegen van nieuwe woningen moet gelet worden op eventuele effecten op de woningmarkt en in het verlengde daarvan het woon-, leef- en ondernemersklimaat. De effecten van het initiatief zijn beperkt een aanvaardbaar. Het betreft een kleinschalige woningbouwontwikkeling, waarbij het beperkte effect bovendien zal worden gecompenseerd. Tot slot sluit het initiatief aan bij het algemene uitgangspunt van de ladder te weten duurzaam ruimtegebruik. Het betreft een transformatielocatie binnen bestaand stedelijk gebied (kern Einighausen).
Het planinitiatief voorziet hierin. Een voormalig schoolgebouw wordt getransformeerd naar maximaal 15 levensloopbestendige, kleinere woningen voor een- en tweepersoonshuishoudens en levensloopbestendige koopwoningen, binnen de genoemde prijs-segmenten. Verder zijn er versoepelde compensatieregelingen voor het initiatief van toepassing. Het initiatief valt namelijk binnen de kaders van de regeling voor ‘Kwalitatief Goede Plannen’. Er moet harde plancapaciteit worden geschrapt of een compensatiebijdrage worden gedaan, maar dit is niet langer in een verhouding 1:4 maar 1:1 (zie ook de Regionale Structuurvisie Wonen, ZuidLimburg, 2016). Gemeente geeft aan dat de keuze voor inbrengen plancapaciteit of een compensatiebijdrage, in beginsel de keuze van de ontwikkelaar is. Een derde variant is dat
Woonmonitor 2019.
donderdag 16 juli 2020
2
Advies Sittard-Geleen, Ladder voor duurzame verstedelijking, woningbouw, Einighausen
Bijlage: Onderbouwing woningbouwbehoefte Verzorgingsgebied Het verzorgingsgebied is het gebied waarbinnen vraag en aanbod van woonruimte plaatsvindt, ook wel de woningmarkt. De woningmarktafbakening verschilt per initiatief en valt niet per definitie samen met een bestuurlijke regio. Een belangrijke indicator voor het functioneren van de regionale woningmarkt is het aantal verhuisbewegingen/ migratiestromen binnen en naar de betreffende gemeente/woonplaats. Uit de volgende tabel blijkt dat het merendeel van de verhuizingen (65%) binnen de eigen gemeente (Sittard-Geleen) plaatsvindt. Om deze reden en gelet op de relatief beperkte omvang van de woningbouwontwikkeling, is gemeente Sittard-Geleen als relevant verzorgingsgebied aangehouden.
Tabel 1:
Verhuizingen binnen en naar gemeente Sittard-Geleen (CBS 2017), verhuizingen binnen en naar gemeente
Verhuisbewegingen
Absoluut
Relatief (%)
Binnen gemeente verhuisd
6.141
65%
Tussen gemeente verhuisd
3.261
45%
Verhuisbewegingen totaal
9.402
100%
Echt-Susteren
353
4%
Maastricht
276
4%
Stein
275
3%
Heerlen
251
3%
Beek
227
2%
Schinnen
177
2%
Eindhoven
117
1%
Roermond
98
1%
Brunssum
78
1%
Kerkrade
77
1%
1.929
22%
Vanuit gemeente naar Sittard-Geleen
Totaal top 10
donderdag 16 juli 2020
3
Advies Sittard-Geleen, Ladder voor duurzame verstedelijking, woningbouw, Einighausen
Beleidskaders Provincie Limburg; POL 2014 (consolidatie 2018) Dit beleidsstuk beschrijft dat nieuwe woningbouwontwikkelingen in de kaders van de Regionale Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg (RSWZL) moet passen. De toelichting bij de ontwikkeling bevat een verantwoording van de wijze waarop hieraan invulling is gegeven. Als een ruimtelijk plan niet voldoet aan de kaders van de RSWZL, kunnen Gedeputeerde Staten, rekening houdend met het standpunt van het Regionaal Bestuurlijk Overleg, gelegenheid bieden voor maatwerk. De toelichting bij het plan bevat tevens een verantwoording van de bijdrage die met de vaststelling van dat ruimtelijk plan wordt geleverd aan de regionale opgave gericht op het terugdringen van de planvoorraad van nog onbenutte bouwmogelijkheden voor woningen. Regionale Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg (2016) De Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg (SVWZL) is een gezamenlijke, Zuid-Limburgse ruimtelijke visie op de woningmarkt, opgesteld. Doel is het creëren van een excellent woon- en leefklimaat in Zuid-Limburg door een goed functionerende woningmarkt met aantrekkelijke, elkaar aanvullende woonmilieus. Zuid-Limburg is verdeeld in een aantal woonmilieus en subregio’s. Kern Einighausen behoort tot het landelijke woonmilieu en de subregio Westelijke Mijnstreek. De transformatieopgave per gemeente staat centraal in de ontwikkeling van de woningvoorraad.
Om de gewenste kwantitatieve omvang van de woningvoorraad te bepalen wordt de transformatieopgave per gemeente uit de Woonmonitor gebruikt als de kwantitatieve koersbepalende opgave om te komen tot een gezonde woningmarkt met voldoende marktspanning. De transformatieopgave is een koersbepalende opgave voor de ontwikkeling van de woningvoorraad. De transformatieopgave wordt vastgesteld per gemeente en is beleidsneutraal. Het betreft daarmee geen afdwingbare
donderdag 16 juli 2020
bouw-of sloopopgave. Uitgangspunt is hierbij, dat toevoeging van woningen moet leiden tot vernieuwing en niet tot ‘meer van hetzelfde’, waardoor een balans ontstaat tussen vraag en aanbod. Om in te kunnen spelen op toekomstige (economische) ontwikkelingen is er flexibiliteit ingebouwd door ontwikkelingen tweejaarlijks te monitoren en door strategische projecten in de Zuid-Limburgse woningmarkt. Eén van de grootste opgaven de komende jaren is een gevolg van de ontwikkelingen in het (scheiden van) wonen en zorg. De vergrijzing in Zuid-Limburg heeft het effect, dat er steeds meer ouderen afhankelijk worden van zorg. Volgens de prognoses stijgt het aantal ouderen (ouder dan 75 jaar) van 58.000 in 2015 naar ruim 86.000 in 2030. In de praktijk betekent dit, dat mensen genoodzaakt worden thuis te blijven wonen. Hierdoor verschuift ook de vraag naar meer levensloopbestendige (zorg)woningen. Naast de leegstand en het overschot aan woningen kampt Zuid-Limburg met het probleem dat de plancapaciteit in ZuidLimburg vele malen groter is dan de kwantitatieve behoefte aan woningen. Er is planologisch te veel ruimte. Er zijn in Zuid-Limburg grofweg 8.000 harde plannen, dat wil zeggen nieuwbouwplannen vastgelegd in bestemmingsplannen. Daar staat een behoefte tegenover die vaak beperkt of zelfs negatief is. Om deze reden zijn er 3 stappen, om te komen tot een goede woningmarktprogrammering: 1.
Elke woonregio stelt een kwalitatief afwegingskader vast (of heeft dit al gedaan), dat aangeeft aan welke kwalitatieve voorwaarden bestaande en nieuwe woningbouwplannen moeten voldoen om op de regionale programmering te belanden (zie verderop). In het proces om de planvoorraad te reguleren wordt als eerste gekeken naar de kwaliteit van bestaande nieuwbouwplannen ten opzichte van de kwaliteit van de bestaande woningvoorraad: betreft het woonproduct een segment/woonmilieu
2.
waarvan er al voldoende in de bestaande woningvoorraad te vinden is of voegt het woonproduct nieuwe kwaliteiten toe en versterkt het woongebieden? Er is geen aanleiding om plannen toe te voegen, die al (kwantitatief en kwalitatief) voldoende te vinden zijn in de bestaande planvoorraad: gaat het om een woonproduct dat ook al te vinden is in een plan dat al verder is gevorderd in de planning of uitvoering en nog steeds als passend wordt beoordeeld? De veranderende bevolkingssamenstelling en het veranderende voorzieningenlandschap leiden ertoe dat ook de Zuid-Limburgse gemeenten hun ruimtelijke ontwikkelingsstrategie gaan richten op het versterken van de bestaande stads- en dorpscentra, om zo voldoende draagkracht te organiseren en de voorzieningenstructuur in kernen te behouden. Dit betekent: geen nieuwe uitleglocaties meer, maar juist focus op herstructurering, inbreiding, herbestemming van (waardevol) leegstaand vastgoed, de invulling van rotte plekken en functiemenging. De programmering wordt ook vanuit deze ruimtelijke bril bekeken en afgewogen. Als instrument wordt hiervoor de woonmilieukaart van Atrivé gebruikt. Dit heeft een aantal consequenties: a. De bestaande planvoorraad ‘in de wei’ concurreert met (het versterken van) bestaande centra en de herbestemming van waardevol vastgoed.
Daarom zullen in de subregionale woningmarktprogrammeringen deze nieuwbouwplannen geen plaats meer krijgen. Het uitgangspunt is dat deze plannen zoveel mogelijk in de loop der tijd afgevoerd worden van de programmering. Dit geldt ook als er sprake is van planologisch-juridisch harde plannen. Juist daarvoor wordt met deze structuurvisie een stap gezet onderweg naar het wegbestemmen van deze plannen door de gemeenteraad, conform de daarvoor geldende wettelijke procedures.
4
Advies Sittard-Geleen, Ladder voor duurzame verstedelijking, woningbouw, Einighausen
b.
3.
2
Binnen de programmering verdient herinvulling van waardevol bestaand vastgoed expliciet aandacht te krijgen. Dat betekent niet dat ‘wonen’ altijd de juiste functie is om leegstaand vastgoed in te vullen. Dit ligt aan de courantheid van vastgoed, de locatie en de behoefte. Ook betekent deze focus geen onbeperkte kwantitatieve toevoeging voor de locaties. Het toevoegen van woningen op de ene plek heeft gevolgen voor een andere plek en moet dan ook bekeken worden vanuit de kwantitatieve opgave en moet ook gecompenseerd worden (o.a. door sloop, samenvoeging of onttrekken planvoorraad). In de regionale woningmarktprogrammering worden kwalitatieve afspraken gemaakt over de condities waaronder woningen (herbestemming, inbreiding, rotte plekken en functiemenging) aan de planvoorraad kunnen worden toegevoegd. Uiteraard blijft ook hier de kwantitatieve balans in de woningmarkt in zijn algemeenheid voorop staan en moeten deze processen jaarlijks goed gemonitord worden. Woningbouwprojecten hebben vaak een lange doorlooptijd. In de loop van die tijd kan de mate waarin het project aansluit bij de behoefte (lees: bij actuele kwantitatieve en kwalitatieve eisen) afnemen. In zo’n geval is het project niet afgerond. Afronding op de oorspronkelijk beoogde manier is niet gewenst. Er wordt dan uitgegaan van maatwerk.
Er moet in deze gevallen gezocht worden naar een aanpassing van het plan om tot afronding te komen, waarbij de locatie alsnog stedenbouwkundige kwaliteit biedt. Uitgangspunt hierbij is een aanpassing van het plan die aansluit bij de marktbehoeften. Als dit betekent dat hogere aantallen benodigd zijn, dient elders in de regionale woningmarktprogrammering méér plancapaciteit geschrapt te worden of in de bestaande voorraad ter compensatie te worden ges\loopt. Verantwoorde
afbouw van bestaande woningbouwlocaties heeft prioriteit boven woningbouwplannen met dezelfde marktsegmenten die nog niet in aanbouw zijn. Tot slot geldt In Zuid-Limburg geldt een compensatieregeling voor nieuwe woningbouwinitiatieven, deze regeling is recent versoepeld2. Deze compensatieregeling houdt in dat woningbouwinitiatieven gecompenseerd moeten worden met onttrekkingen of sloop van de huidige woningvoorraad. Voor het planinitiatief is regel 2 ‘Kwalitatief Goede Plannen’ relevant. Dit betreffen woningbouwplannen ter grootte van maximaal 25 woningen gericht op betaalbare levensloopbestendige sociale huurwoningen (max. €720,42 huur per maand, voor met name starters) en middeldure huurwoningen (tot max. € 950 huur per maand) en vergelijkbare betaalbare levensloopbestendige koopwoningen voor starters. Voorwaarde is wel, dat deze woningen gebouwd worden in de dorpskernen en de stedelijke centra. Bijvoorbeeld: transformaties van commercieel vastgoed naar wonen in centra of kernen, bedoeld voor sociale doelgroepen, senioren en starters. De compensatieregeling bestaat uit het volgende: Compensatie door het schrappen van reeds bestaande harde plancapaciteit uit de regionale woningmarktprogrammering in een verhouding 1:1. Financiële compensatie door een percentage van de WOZ-waarde (7%) conform de regeling kleine woningbouwinitiatieven, maar dan voor maximaal 25 woningen.
Een combinatie van compensatiemaatregelen bijvoorbeeld een combinatie van bestaande en versoepelde compensatiemaatregelen.
zeer landelijk in de kleine dorpskernen. Om deze ambities voor de Westelijke Mijnstreek te bereiken, benoemen de gemeenten drie hoofduitgangspunten. 1. De regio wil ruimte bieden aan ontwikkelingen die bijdragen aan een goed woon- en leefklimaat in de Westelijke Mijnstreek. 2. De regio draagt zorg voor een evenwichtige regionale woningmarkt, kwantitatief en kwalitatief. 3. De regio werkt hieraan via een gebiedsgerichte benadering; door samenwerking en een integrale aanpak. Afwegingskader voor woonontwikkelingen in de regio Woonontwikkelingen moeten bijdragen aan de gewenste kwalitatieve ruimtelijke en volkshuisvestelijke ontwikkeling van de regio. De volgende vier criteria benoemd waaraan plannen getoetst worden: 1. Gewenst woningbouwprogramma: toevoegingen van nultredenhuur- en koopwoningen zijn gewenst, evenals ruimere eengezinskoopwoningen. Dit zijn de kansrijke marktsegmenten waar vraag naar is. 2. Daarbij hoort een transformatie (onttrekking door sloop, samenvoegen of anderszins) van kwetsbare marktsegmenten: eengezins- huurwoningen, huurappartementen zonder lift en eenvoudige koopwoningen. 3. Inbreiding voor uitbreiding: gericht op een zorgvuldig ruimtegebruik en versterken van de kwaliteit in bestaande woongebieden. 4.
Wonen met zorg en levensloopgeschikt wonen in woonservicezones: zodat mensen in de regio in staat zijn om, ook met een zorgvraag, zo lang mogelijk zelfstandig te wonen in de nabijheid van woonzorgvoorzieningen.
Structuurvisie Wonen, Westelijke Mijnstreek, 2011 De regio wil blijven werken aan een aantrekkelijke woon- en leefomgeving. Hier is het prettig wonen in gevarieerde, hoogwaardige woonmilieus, van stedelijk in de kern van Sittard tot
Richtinggevend vastgesteld in het BO Wonen Zuid-Limburg d.d. 21 maart 2019.
donderdag 16 juli 2020
5
Advies Sittard-Geleen, Ladder voor duurzame verstedelijking, woningbouw, Einighausen
Regionale woningmarktprogrammering Elke woonregio (Maastricht-Heuvelland, Parkstad Limburg en Westelijke Mijnstreek) stelt een kwalitatieve regionale woningmarktprogrammering van nieuwbouw en sloop vast, op basis van de kwantitatieve transformatieopgave. Hierbij wordt de bestaande planvoorraad eerst gereduceerd door vanuit de bestaande woningvoorraad te kijken naar markttechnisch aantrekkelijke woningbouwplannen. Daarna zullen ook bestaande uitbreidingslocaties in de planvoorraad worden geschrapt – die concurreren met (het versterken van) de be-
staande centra – in lijn met de Ladder voor Duurzame Verstedelijking en de POL-principes ‘meer stad, meer land’ en het ‘verweven van functies’ op de bestaande planvoorraad. Woonmonitor 2019 De Zuid-Limburgse kwantitatieve woonopgave kan gevisualiseerd worden door de indicatoren woningvoorraad, huishoudens en plancapaciteiten met elkaar te combineren (zie figuur 1).
Wat opvalt is dat als alle plannen gerealiseerd zouden worden, er een overschot aan woningen zou zijn, gegeven de geprognosticeerde huishoudensontwikkeling. Er zal dus terughoudend moeten worden omgesprongen met de plancapaciteiten. Waarbij, doelgroepen, behoeften en type woningen centraal staan. Hierin is van belang dat het woningaanbod niet volledig aansluit op de actuele behoefte. In algemene zin zijn er tekorten voor de volgende doelgroepen: eenpersoonshuishoudens, starters, zorgbehoevenden en senioren, sociale en middenhuur, woonurgenten en arbeidsmigranten. Dit vertaalt zich in tekorten aan appartementen (met lift) en levensloopbestendige woningen (bijvoorbeeld nultredenwoningen). Verder uitgespecialiseerd naar de Westelijke Mijnstreek waartoe gemeente Sittard-Geleen behoort, blijkt dat er vooral behoefte (tekort) is aan levensloopbestendige nultredenwoningen en binnen de woontypes; sociale huur (boven de aftopgrens, vrij sector huur en koopwoningen duurder dan 180.000 euro). Er wordt in de woonmonitor geen melding gemaakt van de woonmilieus, beschreven in de RSVWZL. Gemeente Sittard-Geleen; Woonvisie 2016 De woonvisie loopt af. Deze zal waarschijnlijk worden vervangen door de Transformatievisie Wonen op niveau Westelijke Mijnstreek. Deze visie wordt momenteel uitgewerkt en in college en Raad gebracht.
De transformatievisie (Westelijke Mijnstreek) is een uitwerking van de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg. De visie geeft een actueel beeld van de gezamenlijke opgave en mogelijke oplossingen voor een toekomstbestendige woningvoorraad in de Westelijke Mijnstreek. Het is echter nog geen vigerend beleidsstuk.
Figuur 1: Kwantitatieve woonopgave Zuid-Limburg (Woonmonitor 2019)
donderdag 16 juli 2020
6
Advies Sittard-Geleen, Ladder voor duurzame verstedelijking, woningbouw, Einighausen
De Woonvisie Sittard-Geleen 2016-2020 legt uitdrukkelijk de relatie met de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg. Er is sprake van een transformatieopgave voor de bestaande woningvoorraad en deze is zowel kwalitatief als kwantitatief van aard en zal waarschijnlijk voornamelijk landen in de particuliere koopsector. Samen met partners dient gezocht te worden naar oplossingen voor het onttrekken van woningen aan de particuliere woningvoorraad. Om te zorgen voor voldoende woningen passend bij de (toekomstige) omvang van de bevolking dient de gemeente de komende jaren in te zetten op vermindering van de harde planvoorraad, het stimuleren van kwalitatieve verbetering/aanpassing van de bestaande woningvoorraad en de versterking van de diversiteit van met name de suburbane woonmilieus. Kansen liggen er voor transformatie van koop naar (tijdelijke) huur, transformatie naar zorggeschikte en/of zorgwoningen. Kwantitatieve transformatie-opgave De kwantitatieve transformatieopgave uit de Woonmonitor (2015) geeft de absolute afname van de woningvoorraad weer welke nodig is om de woningmarkt kwantitatief in balans te brengen. Voor Sittard-Geleen is deze afname geprognotiseerd op -1.208 woningen voor de periode tot 2020. Om een ongewenste toename van de woningvoorraad en daarmee leegstand tegen te gaan geldt in Sittard-Geleen de regel ‘1 erbij is 1 eraf’: nieuwbouw is alleen mogelijk als er
Tabel 2:
Kwalitatieve transformatie-opgave Er is er sprake van een kwalitatieve mismatch. De huidige kwaliteit van de woningen sluit onvoldoende aan bij de huidige en toekomstige behoeften en woonwensen van de inwoners. Er ligt dus een opgave om de woningvoorraad beter aan te sluiten bij de huidige en toekomstige behoeften van de inwoners (een goede product-markt combinatie). Deze opgave dwingt de gemeente te sturen op kwaliteit waardoor nieuwe woonkwaliteiten gerealiseerd kunnen worden. Daarom worden alle woningbouwplannen beoordeeld aan de hand van een regionaal kwalitatief afwegingskader. Door doelgericht ‘slechte’ woningen uit de markt te halen ontstaat er beperkt ruimte voor toevoeging van onderscheidende woonmilieus en woningen met een goede product-markt combinatie. De ruimte die ontstaat als gevolg van verdunning van de bestaande woningvoorraad kan in beperkte mate worden ingezet voor transformatielocaties voor verzorgd wonen in de kernen nabij voorzieningen en de ontwikkeling van kleinschalige bijzondere/onderscheidende woonmilieus of initiatieven voor specifieke doelgroepen.
Prognose inwoners, huishoudens en woningvoorraad gemeente Sittard-Geleen3
Gemeente Sittard-Geleen
3
woningen gesloopt of onttrokken worden aan de woningvoorraad. Dit komt overeen met de provinciale compensatieregeling (zie voorgaand).
2020
2025
2030
2035
2040
Inwonertal
92.640
92.400
90.970
89.000
86.020
Huishoudens
44.990
45.060
45.270
44.820
43.780
Woningvoorraad
46.430
46.470
47.190
47.250
46.870
De gemeente wenst voldoende aanbod van zorgwoningen en zorggeschikte woonomgevingen. Zorgwoningen die bedoeld zijn voor extramurale zorgvragers worden ingedeeld in de categorie ‘geschikt wonen’ en ‘verzorgd wonen’. Hiertoe behoren ook de senioren/nultredenwoningen. Er ligt een beperkte nieuwbouwopgave waarbij het concept van zorgwoningen aangepast wordt naar clusters van kleinere betaalbare wooneenheden, met meer algemene voorzieningen. Nieuwbouw van zowel zorggeschikte woningen als woningen voor verzorgd wonen is aanvullend op de bestaande woningvoorraad. Er liggen beperkte ontwikkelkansen voor zowel de koop- als huursector, voornamelijk in het bestaand vastgoed (zoals monumenten) en bij voorkeur in de grotere kernen nabij (zorg)voorzieningen. Bevolkings- en huishoudensprognose In de volgende tabel is de prognose gegeven voor het inwonertal, het aantal huishoudens en de woningvoorraad. Conclusie; kwantitatieve behoefte Op basis van het voorgaande is de conclusie dat er geen sprake is van een kwantitatieve behoefte aan nieuwe woningen in de gemeente Sittard-Geleen. Deze conclusie komt voort uit de beleidskaders en de meest actuele prognoses. Dit betekent echter niet dat een planontwikkeling geen doorgang kan vinden. Ondanks dat er over de hele linie bezien geen behoefte is aan nieuwe woningen, is er wel tekort/behoefte aan diverse typen woningen.
Dit is de kwalitatieve behoefte.
Conclusie; kwalitatieve behoefte De kwalitatieve behoefte aan nieuwe woningen en de voorwaarden voor het toevoegen van nieuwe woningen is beschreven in de voorgaand beschreven beleidskaders.
Bron: Primos Online, 2020, ABF Research
donderdag 16 juli 2020
7
Advies Sittard-Geleen, Ladder voor duurzame verstedelijking, woningbouw, Einighausen
In de Westelijke Mijnstreek waartoe gemeente Sittard-Geleen behoort, is er vooral behoefte (tekort) aan levensloopbestendige nultredenwoningen en binnen de woontypes; sociale huur (boven de aftopgrens, vrij sector huur en koopwoningen duurder dan 180.000 euro). Daarnaast wordt ingezet transformatielocaties en versterking binnen de kernen en nabij de voorzieningen. Het planinitiatief voorziet hierin. Een voormalig schoolgebouw wordt getransformeerd naar maximaal 15 levensloopbestendige, kleinere woningen voor een- en tweepersoonshuishoudens en levensloopbestendige koopwoningen, binnen de genoemde prijssegmenten. Verder zijn er versoepelde compensatieregelingen voor het initiatief van toepassing. Het initiatief valt namelijk binnen de kaders van de regeling voor ‘Kwalitatief Goede Plannen’. Weliswaar moet er nog steeds harde plancapaciteit worden geschrapt, maar dit is niet langer in een verhouding 1:4 maar 1:1 (zie ook de Regionale Structuurvisie Wonen, Zuid-Limburg, 2016). Ook past het initiatief binnen de voorwaarden van het regionale afwegingskader (zie ook Regionale Structuurvisie wonen, Westelijke Mijnstreek, 2011). Tot slot sluit het initiatief aan bij het algemene uitgangspunt van de ladder te weten duurzaam ruimtegebruik. Het betreft een transformatielocatie binnen bestaand stedelijk gebied (kern Einighausen).
donderdag 16 juli 2020
8
Bijlage 2 Quickscan flora en fauna 'Heistraat' te Einighausen
Bestemmingsplan "Heistraat Einighausen" (ontwerp)
13
Notitie
: Quickscan flora en fauna ‘Heistraat’ te Einighausen
Datum Opdrachtgever Projectnummer Opgesteld door Interne controle:
: 5 december 2019 : Gemeente Sittard-Geleen : P02243 : NL : MvdS
Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen geldt dat deze in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid moeten worden uitgevoerd. In het kader van een bestemmingsplanwijziging ten behoeve van de realisatie van 15 woningen op een grasveld, is door middel van een verkennend flora- en faunaonderzoek (quickscan) een beoordeling gemaakt van de mogelijke effecten die het plan kan hebben op beschermde natuurwaarden. Hierdoor wordt duidelijk of het plan in overeenstemming is met de natuurwetgeving. De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Omtrent houtopstanden is de voormalige nationale Boswet eveneens in de Wet natuurbescherming opgenomen. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Werkwijze quickscan flora en fauna In de quickscan zijn de gevolgen van de ruimtelijke ingreep afgezet tegen potentieel aanwezige natuurwaarden die vanuit de Wet natuurbescherming en provinciaal beleid zijn beschermd.
Deze werkwijze vloeit voort uit de brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken van december 2016. Om een beeld te krijgen van de natuurwaarden is op 20 november 2019 tussen 13:30 tot 14:30 uur door een ecoloog van BRO1 een verkennend veldbezoek gebracht aan het plangebied en de directe omgeving hiervan. Het was circa 6°C, licht bewolkt, zonder neerslag, met een noordoostenwind van 2 Bft. Tijdens het veldbezoek is gelet op de potentiele aanwezigheid van beschermde soorten op basis van het aanwezige habitat en nest-/verblijfsmogelijkheden. Daarnaast is aan de hand van verspreidingsatlassen, soortgerichte literatuur, NDFF-gegevens en op basis van ‘expert judgement’ nagegaan welke 1
BRO is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus en heeft als doel kwaliteitsbevordering en belangenbehartiging. Onze werkzaamheden voeren wij dan ook uit volgens de door het NGB vastgestelde gedragscode (versie juni 2008, aangevuld in februari 2010). De medewerkers binnen de discipline ecologie voldoen aan de door het Ministerie van EZ genoemde voorwaarden voor ter zake deskundigen op het gebied van ecologisch onderzoek.
1
beschermde planten- en diersoorten er voor kunnen komen binnen en nabij het plangebied en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Limburg geraadpleegd. Aan de hand van het verkennende onderzoek is vervolgens beoordeeld welke beschermde soorten daadwerkelijk voor (kunnen) komen binnen het plangebied en is er vervolgens een inschatting gemaakt van de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling op beschermde natuurwaarden. Planbeschrijving Het plangebied is gelegen in het centrum van Einighausen, ten zuiden van het kerkgebouw ‘Onze-LieveVrouw Tenhemelopneming’. Daarnaast wordt het omsloten door de Heistraat, Kerkhofweg en Pastoor Bastinstraat. In figuur 1 is de topografische ligging van het plangebied weergegeven.
Figuur 1. Topografische kaart ligging van het plangebied (1:25.000)
Huidige situatie Het plangebied bestaat momenteel uit een grasveld met enkele bomen langs de kant van de weg. In figuur 2 is een luchtfoto van het plangebied en de directe omgeving weergegeven. De figuren 4 t/m 9 geven een impressie van het plangebied, middels foto’s die zijn genomen tijdens het verkennende veldbezoek. Toekomstige situatie De initiatiefnemer is voornemens om het plangebied bouwrijp te maken en hierbinnen 15 woningen te realiseren. Figuur 3 geeft een beeld van de toekomstige situatie.
2
Figuur 2. Luchtfoto van het plangebied en de directe omgeving
Figuur 3. Toekomstige situatie plangebied
3
Figuur 4. Plangebied gezien vanaf de Kerkhofweg
Figuur 5. Plangebied gezien vanaf de Kerkhofweg
Figuur 6. Plangebied gezien vanaf Pastoor Bastinstraat met kerkgebouw op achtergrond
Figuur 7. Plangebied gezien vanaf hoek Heistraat en Pastoor Bastinstraat
Figuur 8. Ondergrondse waterretentie noordelijk gedeelte plangebied
Figuur 9. Plangebied gezien vanaf midden Pastoor Bastinstraat
4
Toetsing gebiedsbescherming Wettelijke gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Grensmaas”, bevindt zich op circa 4,3 kilometer afstand ten noorden van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Daar de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van 15 woningen betreft, is een toename aan stikstofuitstoot te verwachten. Een toename van stikstofdepositie op een Natura 2000gebied is niet uit te sluiten.
Vervolgonderzoek in de vorm van een AERIUS-berekening dient uit te wijzen of er een toename van stikstofdepositie plaatsvindt. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Binnen de provincie Limburg bestaat het NNN uit de goudgroene natuurzone. Daarnaast worden ook de zilvergroene natuurzone en bronsgroene landschapszone beleidsmatig beschermd. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.
Het plangebied is niet gelegen binnen het goudgroene natuurzone (zie figuur 10). Het dichtstbijzijnde onderdeel van het goudgroene natuurzone ligt ongeveer 2 kilometer ten westen van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het goudgroene natuurzone niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het goudgroene natuurzone wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.
5
Figuur 10. Ligging goudgroene natuurzone (groen), zilvergroene natuurzone (geel), bronsgroene landschapszone (blauw) ten opzichte van perceel plangebied (rood omlijnd)
Toetsing beschermde houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Aangezien het plangebied zich binnen de bebouwde kom bevindt is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde.
6
Toetsing soortenbescherming De Wet natuurbescherming heeft, voor wat betreft soortenbescherming, betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën:
Vogels (artikel 3.1 Wet natuurbescherming) Europees beschermde soorten (artikel 3.5 Wet natuurbescherming) Nationaal beschermde soorten (artikel 3.10 Wet natuurbescherming)
Beschermde soorten vanuit nationaal oogpunt betreffen soorten uit ‘bijlage A en B’ van de Wet natuurbescherming. Beschermde soorten vanuit Europees oogpunt betreffen soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bijlage 1 verdrag van Bonn, en alle in Europa inheemse vogels (Vogelrichtlijn). De drie beschermingsregimes kennen elk hun eigen verbodsbepalingen. De verbodsbepalingen voor vogels en overige Europese soorten (categorie 1 en 2) zijn letterlijk overgenomen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor de andere, ‘nationaal’ beschermde soorten (categorie 3) gelden verbodsbepalingen die geïnspireerd zijn op de Habitatrichtlijn, maar in sommige opzichten minder streng zijn. In tabel 1 zijn de verbodsbepalingen per regime weergegeven. Tabel 1. Verbodsbepalingen per categorie beschermde soorten Vogels (artikel 3.1 Wnb)
Europees beschermde soorten
Nationaal beschermde soorten
(artikel 3.5 Wnb)
(artikel 3.10 Wnb)
Art 3.1 lid 1
Art 3.5 lid 1
Art 3.10 lid 1a
Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen
Het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen
Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen
Art 3.1 lid 2
Art 3.5 lid 4
Art 3.10 lid 1b
Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen
Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen
Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen
Art 3.1 lid 3
Art. 3.5 lid 3
-
Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben
Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen
Art 3.1 lid 4 en lid 5
Art 3.5 lid 2
Het is verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort
Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren
-
Art 3.5 lid 5
Art 3.10 lid 1c
Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen
Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen
-
7
De Wet natuurbescherming regelt dat de provincie bevoegd gezag is en de lijst met te beschermen soorten kan afstemmen op de situatie in de provincie. De soortbescherming kan hierdoor per provincie verschillen. In het algemeen gelden voor alle drie de categorieën de zogenoemde verbodsregels. Een ontheffing hierop wordt voor de Nationaal beschermde soorten (art. 3.10 Wnb) met een lichte toets verleend. Voor de vogels en Europees beschermde soorten geldt een zware toetsing. Het verschil binnen provincies zit vooral in het aantal nationaal beschermde soorten met een vrijstelling bij onder meer ruimtelijke ontwikkelingen. Zo zijn, in tegenstelling tot de meeste provincies, eekhoorn, steenmarter, hazelworm en levendbarende hagedis vrijgesteld in bepaalde periodes in het jaar in Limburg. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.11 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen.
De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend. Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten. Treden er effecten op, dan dient er gekeken te worden of er (provinciale) vrijstelling verleend kan worden (al dan niet door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode), of dat er een alternatieve oplossing mogelijk is waardoor er geen negatief effect kan plaatsvinden. Indien dit niet mogelijk is, zal ontheffing aangevraagd moeten worden op basis van een geldig wettelijk belang, waarbij de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten niet in het geding komt. De ontheffing kan dan onder voorwaarden worden verleend. Vogels In de ‘Beleidsregels ten behoeve van de passieve soortbescherming onder de Wet natuurbescherming in Limburg’ van de provincie Limburg (6 december 2017) is een aangepaste lijst met jaarrond beschermde nesten gepubliceerd. Hier wordt onderscheid gemaakt in verschillende categorieën vogelnesten die beschermd zijn binnen de provincie Limburg. Van de meeste vogelsoorten zijn de nesten uitsluitend beschermd wanneer deze tijdens de broed- en nestperiode in gebruik zijn.
Het gaat om soorten die jaarlijks nieuwe nesten maken. Van een aantal soorten roofvogels en uilen, koloniebroeders en gebouw bewonende vogelsoorten (‘categorie 1-3 soorten’) zijn de nesten en de functionele leefomgeving jaarrond beschermend. Ten slotte is er een categorie nesten van vogelsoorten die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed, maar die over voldoende flexibiliteit beschikken om, als die broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen (‘categorie 4-soorten’). Op het terrein is geen bebouwing aanwezig. Hierdoor kunnen broedlocaties van soorten als boerenzwaluw, huismus en gierzwaluw worden uitgesloten. In de opgaande beplanting binnen en rond het
8
plangebied bevinden zich tevens geen jaarrond beschermde nesten van vogels als havik en ransuil. Wel kunnen hier mogelijk “algemene” soorten als merel, roodborst, heggenmus, zwartkop, winterkoning en houtduif tot broeden komen. Toetsing Bij uitvoering van de plannen gaan geen nestlocaties van soorten met een jaarrond beschermde status verloren. Bij de werkzaamheden kunnen wel nesten verloren gaan die niet jaarrond zijn beschermd. Voor de betreffende vogelsoorten geldt dat, indien het verwijderen van het opgaand groen buiten het broedseizoen wordt uitgevoerd, er redelijkerwijs geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot broedvogels. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Bij twijfel over de aan/afwezigheid van een vervroegd of verlaat broedgeval (bijvoorbeeld van een houtduif) dient een controle hieromtrent zekerheid te bieden. De voorgenomen plannen zullen geen afname van essentieel broedhabitat veroorzaken van een vogelsoort, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties is dan ook uitgesloten.
Vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens van de Zoogdiervereniging is het plangebied gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, meervleermuis en watervleermuis. Er is geen bebouwing aanwezig binnen het plangebied. Daarnaast zijn er geen geschikte verblijfplaatsen in de bomen aangetroffen zoals holtes of loshangend schors. Er is geen sprake van potentieel (essentieel) foerageergebied en/of vliegroutes, gezien het ontbreken van aspecten als grote hoeveelheden opgaand groen, oppervlaktewater en lijnvormige landschapselementen. Toetsing Binnen het plangebied zijn geen potentiele verblijfplaatsen aanwezig. Bij uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling zal er geen sprake zijn van (potentiële) overtreding met betrekking tot vaste rust- of verblijfplaatsen, vliegroutes of foerageerhabitat voor vleermuizen. Grondgebonden zoogdieren Het plangebied vormt matig geschikt habitat voor grondgebonden zoogdieren. Soorten als egel, dwergspitsmuis en huisspitsmuis kunnen in het plangebied worden waargenomen. Doordat het plangebied enkel uit gazon en enkele bomen bestaat betreft de ontwikkeling geen afname van essentieel foerageergebied voor deze soorten. Daarbij geldt voor al deze soorten een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling.
In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om tijdens de werkzaamheden voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen, met name een relatief trage soort als de egel die onder dichte beplanting verscholen kan zitten. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs
9
mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Dieren moeten de gelegenheid krijgen om het werkgebied zelfstandig en veilig te kunnen verlaten. Indien noodzakelijk dienen soorten zorgvuldig te worden verplaatst naar buiten het werkgebied. Volgens de verspreidingsgegevens komen in de omgeving van het plangebied ook de niet (volledig) vrijgestelde soorten steenmarter, eekhoorn en das voor. Er zijn geen holen of nesten in de grond of in de bomen aangetroffen die zouden kunnen dienen als schuil- of nestplaats voor een steenmarter. Binnen het plangebied zijn tevens geen nesten of sporen van de eekhoorn aangetroffen. Gezien de ligging in het dorp is aanwezigheid van das eveneens uitgesloten. De aanwezigheid van andere strenger beschermde grondgebonden zoogdiersoorten zijn op basis van de verspreidingsgegevens en/of het ontbreken van geschikt habitat eveneens redelijkerwijs uitgesloten Toetsing Met de ontwikkeling binnen het plangebied gaan geen verblijfplaatsen van niet-vrijgestelde soorten verloren. Ook gaat er geen (essentieel) leefgebied van een grondgebonden zoogdiersoort verloren. Inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties van soorten en overtreding van de Wnb is niet aan de orde. In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen.
Reptielen Volgens verspreidingsgegevens van RAVON zijn in de omgeving van het plangebied waarnemingen bekend van de hazelworm en levendbarende hagedis. De waarnemingen hebben betrekking op de natuurgebieden in de omgeving. Het plangebied zelf en de directe omgeving biedt geen geschikt habitat voor deze soorten. Het voorkomen ervan binnen het plangebied is daarmee dan ook uitgesloten. Toetsing Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van reptielen zijn op voorhand uitgesloten. Amfibieën In de omgeving van het plangebied zijn algemene soorten bekend als bruine kikker, gewone pad, bastaardkikker en kleine watersalamander. Volgens de verspreidingsgegevens zijn in de omgeving van het plangebied ook de niet vrijgestelde rugstreeppad, boomkikker, heikikker, vuursalamander, Alpenwatersalamander en kamsalamander bekend. Het plangebied bevat echter geen oppervlaktewater of schuilgelegenheid, waardoor de aanwezigheid van de meeste van deze soorten binnen het plangebied redelijkerwijs is uitgesloten. Met betrekking tot een incidenteel passerend individu van een algemene (vrijgestelde) soort is enkel de zorgplicht van toepassing. Toetsing De voorgenomen plannen zullen geen afname van geschikt essentieel habitat van een amfibieënsoort veroorzaken, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van populaties en overtreding van de Wnb is dan ook uitgesloten.
In het kader van de algemene zorgplicht is het wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor eventueel passerende individuen.
10
Vissen Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater binnen het plangebied kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten. Toetsing Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde vissen zijn op voorhand uitgesloten. Ongewervelde diersoorten In de ruime omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van grote vos, iepenpage, kleine ijsvogelvlinder, veldparelmoervlinder, bosbeekjuffer en teunisbloempijlstaart. Al deze soorten stellen echter zeer specifieke eisen aan hun habitat, die in het plangebied niet aanwezig zijn. Aanwezigheid van de overige beschermde libellen en vlinders is vanwege de verspreiding en/of aanwezig habitat uitgesloten. Aantasting van (deel)populaties van een beschermde libellen- of vlindersoort is met zekerheid niet aan de orde. De aanwezigheid van de overige beschermde ongewervelde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, is eveneens uitgesloten. Binnen het plangebied en in de omgeving is hiervoor geen geschikt habitat aanwezig. Toetsing Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde ongewervelde soorten zijn op voorhand uitgesloten. Vaatplanten In de directe omgeving van het plangebied zijn beschermde soorten bekend als groot spiegelklokje, grote leeuwenklauw, ruw parelzaad en wolfskers. Deze soorten stellen echter zeer specifieke eisen aan hun standplaatsen.
Gezien het aanwezige biotoop en binnenstedelijke ligging van het plangebied is de aanwezigheid van dergelijk beschermde vaatplanten redelijkerwijs uitgesloten Toetsing Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde vaatplanten zijn op voorhand uitgesloten.
11
Conclusie Gelet op de potentiele ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht te worden genomen:
Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten; In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.
Daarnaast zal met betrekking tot het onderdeel Natura 2000, middels een enkelvoudige AERIUS-berekening, inzichtelijk moeten worden gemaakt of er sprake is van een significantie toename van de stikstofdepositie ter plaatse van Natura 2000-gebieden. Vervolgonderzoek ten behoeve van het goudgroene natuurzone en/of toetsing aan het onderdeel houtopstanden (voormalige Boswet) is bij dit plan verder niet aan de orde. Aanbevelingen Het plangebied biedt in de huidige situatie geen vaste nest- en verblijfsmogelijkheden voor huismus, gierzwaluw en vleermuizen, terwijl de ligging en omgeving van het plangebied zich hier wel voor lenen. Met een geringe inspanning, bijvoorbeeld door het inbouwen van neststenen of vleermuiskasten en/of de dakranden/spouwmuren toegankelijk te maken, kan de nieuwbouw wel gaan fungeren als vaste rusten verblijfplaats voor huismussen, gierzwaluwen en/of vleermuizen. Gelet op het steeds verder verdwijnen van broed- en verblijfsgelegenheid kunnen relatief eenvoudige maatregelen een positief effect hebben op de lokale populatie van een soort. Vogelbescherming Nederland heeft samen met BAM Utiliteitsbouw een checklist ontwikkeld, waarmee een bouwonderneming zijn projecten en de directe omgeving natuurvriendelijker kan maken.
Door middel van het beantwoorden van enkele ja/nee vragen, kunnen eenvoudige maatregelen worden toegepast die goed zijn voor de stadsnatuur en speciaal voor vogels. Deze checklist is voor iedereen gratis te downloaden van de website van Vogelbescherming (www.vogelbescherming.nl/checklist/). Daarnaast is er tevens een brochure beschikbaar omtrent het vleermuisvriendelijk bouwen. Deze brochure is onder andere te vinden op de website van de Zoogdiervereniging (www.zoogdiervereniging.nl/brochure-verschenen-over-vleermuisvriendelijk-bouwen/).
12
Samenvatting In onderstaande tabel is samengevat of de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kan hebben op beschermde soorten en/of gebieden, en wat de eventuele vervolgstappen zijn, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is tevens weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel 2. Overzicht (potentiele) aanwezigheid beschermde soorten/gebieden en te nemen vervolgstappen
Soortgroep
Potentieel
Sprake van
Vervolgtraject / maatre-
Bijzonderheden / opmerkin-
aanwezig
overtreding
gelen
gen
Ja
Te voorkomen
Plangebied buiten broedAlgemeen
seizoen bouwrijp maken of controle vooraf
Broedvogels Jaarrond
Globale broedseizoen loopt van maart tot half augustus
Nee
Nee
-
-
Nee
Nee
-
-
Nee
Nee
-
-
Nee
Nee
-
-
Grondgebonden zoogdieren
Ja
Te voorkomen
Zorgplicht afdoende
Reptielen
Nee
Nee
-
Amfibieën
Ja
Te voorkomen
Zorgplicht afdoende
Vissen
Nee
Nee
-
-
Ongewervelden
Nee
Nee
-
-
Vaatplanten
Nee
Nee
-
-
Afstand tot
Sprake van
gebied
aantasting
Natura 2000
ca. 4,3 km
Mogelijk
AERIUS-berekening
Natuurnetwerk Nederland
ca. 2 km
Nee
-
Houtopstanden
-
Nee
-
beschermd Verblijfplaatsen Vleermuizen
Foerageerhabitat Vliegroutes
Gebiedsbescherming
Vervolgtraject
Heeft betrekking op een soort als de egel Heeft betrekking op een soort als de gewone pad
Bijzonderheden / opmerkingen Uitvoering mogelijk indien uitkomst onder 0,00 mol/ha/j Wezenlijke ecologische waarde en kenmerken blijven gelijk Niet van toepassing
13
Geraadpleegde bronnen Algemene Literatuur
Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (red.) 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse
Dietz C., O. von Helversen & D. Nill 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. De Fontein/Tirion
Limpens, H., J. Regelink & R. Koelman 2010. Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen.
Ministerie van Economische Zaken 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbe-
Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, Leiden / European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden.
Uitgevers, Utrecht.
scherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag.
SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse fauna 5. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.
Algemene websites
Bij12.nl (kennisdocumenten van o.a. huismus, gierzwaluw en diverse vleermuissoorten)
Eis-nederland.nl (soortgegevens ongewervelden)
Floron.nl (soortgegevens planten)
Ravon.nl (soortgegevens amfibieën, reptielen en vissen)
Sovon.nl (soortgegevens vogels)
Synbiosys.alterra.nl/natura2000 (Natura 2000-gebieden)
Verspreidingsatlas.nl/planten (verspreidingsgegevens planten)
Vlinderstichting.nl (soortgegevens vlinders en libellen)
Wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2019-01-01 (wettekst Wet natuurbescherming)
Zoogdiervereniging.nl (soortgegevens zoogdieren)
Bronnen Limburg
van Buggenum, H.J.M., R.P.G. Geraerds & A.J.W. Lenders (red.) 2009. Herpetofauna van Limburg. Verspreiding en ecologie van amfibieën en reptielen in de periode 1980-2008. Stichting Natuurpublicaties Limburg, Maastricht.
Beleidsregels ten behoeve van de passieve soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming in Limburg, Gedeputeerde Staten van Limburg, 6 december 2017
Hermans, J.T., R.W. Akkermans, F. Mertens, J. van der Weele & H.W.G. Heijligers 2004. Werkatlas libellen in Limburg. Inventarisatiegegevens periode 1977-2003. Stichting Natuurpublicaties Limburg, Roermond.
Huizinga, C.E., L.S.G.M. Verheggen & R.W. Akkermans 2005. Werkatlas zoogdieren in Limburg. Stichting Natuurpublicaties Limburg, Roermond.
Huizinga, C.E., R.W. Akkermans, J.C. Buys, J. van der Coelen, H. Morelissen & L.S.G.M. Verheggen 2010. Zoogdieren van Limburg. Verspreiding en ecologie in de periode 1980-2007. Stichting Natuurpublicaties Limburg, Maastricht.
Kurstjens, G., B. Peters & K. van Looy 2010. De flora van het Maasdal. Ontwikkelingen van bijzondere soorten sinds de start van natuurontwikkeling vanaf 1994. Deelrapport 7. Kurstjens ecologisch adviesbureau, Beek-Ubbergen / Bureau Drift, Berg en Dal / INBO, Brussel.
Natuurgegevensprovincielimburg.nl (natuurgegevens provincie Limburg)
Polviewer.nl (NNN en beschermde gebieden in Limburg)
14
Bijlage 3 AERIUS berekening aanleg en gebruik Einighausen
28
Bestemmingsplan "Heistraat Einighausen" (ontwerp)
Dit document bevat rekenresultaten van AERIUS Calculator. Het betreft de hoogst berekende stikstofbijdragen per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, op basis van rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant. De berekening op basis van stikstofemissies gaat uit van de componenten ammoniak (NH3) en/of stikstofoxide (NOx). Wilt u verder rekenen of gegevens wijzigen? Importeer de pdf dan in Calculator. Voor meer toelichting verwijzen wij u naar de website www.aerius.nl.