CConstaterende datsint-michielsgestel
Koppel je AI →
Document · PDF

5. B Loofaert 63

Gemeenteraad 29 juni 2023, gemeente sint-michielsgestelBij agendapunt: 12.2 - Bijlagen behorende bij toelichting16.550 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Ruimtelijke onderbouwing Loofaert 63 te Berlicum

19-10-2022

Colofon Rapport: Ruimtelijke onderbouwing, Loofaert 63 te Berlicum Status: Definitief Datum: juni 2022

Opdrachtnemer Geling Advies Postbus 12 5845 ZG Sint Anthonis www.gelingadvies.nl

© OKTOBER 2022

GELING ADVIES

ALLE RECHTEN VOORBEHOUDEN. NIETS UIT DEZE UITGAVE MAG WORDEN VERVEELVOUDIGD DOOR MIDDEL VAN DRUK, FOTOKOPIE, MICROFILM, GELUIDSBAND, ELEKTRONISCH OF OP WELKE ANDERE WIJZE DAN OOK, EN EVENMIN IN EEN GEAUTOMATISEERD GEGEVENSBESTAND WORDEN OPGESLAGEN, ZONDER VOORAFGAANDE SCHRIFTELIJKE TOESTEMMING VAN GELING ADVIES. AAN DE INHOUD VAN DIT RAPPORT KUNNEN GEEN RECHTEN WORDEN ONTLEEND. GELING ADVIES VERWERPT ELKE AANSPRAKELIJKHEID VOOR EEN ANDER GEBRUIK VAN DEZE TEKST DAN VOOR DE SITUATIE WAARVOOR DEZE WORDT UITGEBRACHT. DE INFORMATIE IN DEZE TEKST IS ONDER VOORBEHOUD EN KAN VERANDERD WORDEN ZONDER VOORAFGAANDE KENNISGEVING.

Ruimtelijke onderbouwing, Loofaert 63 te Berlicum

INHOUDSOPGAVE 1 INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging en begrenzing van het plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan

1 1 1 3

2 PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie 2.2 Voorgenomen ontwikkeling

4 4 5

3 BELEIDSTOETS 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening 3.1.3 Nationaal Waterbeleid 3.1.4 Het Nationaal Milieubeleidsplan 4 (NMP4) 3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Structuurvisie 2010 – partiele herziening 2014 3.2.2 Omgevingsvisie Noord-Brabant 3.2.3 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant 3.2.4 Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021 3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Structuurvisie buitengebied Sint-Michielsgestel 3.3.2 Actualisatieplan Buitengebied

8 8 8 9 10 11 11 11 14 15 18 19 19 24

4 MILEUHYGIENISCHE EN PLANOLOGISCHE VERANTWOORDING 4.1 Mer-beoordeling 4.2 Archeologie en cultuurhistorie 4.2.1 Archeologie 4.2.2 Cultuurhistorie 4.3 Natuurbescherming 4.4 Waterparagraaf 4.5 Bodem 4.6 (Ondergrondse) infrastructuur 4.7 Bedrijven en milieuzonering 4.8 Geurhinder 4.9 Geluid 4.10 Luchtkwaliteit 4.11 Externe veiligheid 4.12 Verkeer en parkeren 4.13 Spuitzones

26 26 26 26 27 28 29 31 31 31 33 34 34 36 38 40

Ruimtelijke onderbouwing, Loofaert 63 te Berlicum

5 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

41

6 MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID

42

Ruimtelijke onderbouwing, Loofaert 63 te Berlicum

1 1.1

INLEIDING

AANLEIDING De locatie aan de Loofaert 63 te Berlicum heeft momenteel een agrarische bestemming met als nevenactiviteit een las- en constructiebedrijf. De agrarische activiteiten zijn door jaren heen steeds minder geworden. Het voornemen is om de bestemming te wijzigen naar ‘Bedrijf’ waarbij het lasen constructiebedrijf voortgezet wordt als hoofdtak. Daarnaast is het voornemen om binnen de bestaande bebouwing 20 units te maken. Deze units worden verhuurd aan particulieren welke bijvoorbeeld een klassieke auto willen stallen en daar zelf aan willen sleutelen. Daarnaast is verhuur van units aan bijvoorbeeld ZZP’ers mogelijk, waarbij de unit uitsluitend ten behoeve van opslag gebruikt wordt. Ten behoeve hiervan wordt de nadere functieaanduiding ‘bedrijfsverzamelgebouw’ opgenomen. De gemeente heeft een positief standpunt ingenomen en dit te kennen gegeven door middel van een principebesluit. Besluit is genomen door het college van burgemeester en wethouders. De wijziging van de bestemming kan meegenomen worden in een veegplan van de gemeente Sint Michelsgestel.

1.2

LIGGING EN BEGRENZING VAN HET PLANGEBIED Het plangebied is gelegen in het buitengebied, tussen de kernen Berlicum en Maliskamp, binnen de gemeente Sint Michelsgestel. In de navolgende figuren is de ligging en de begrenzing van het plangebied weergegeven.

Ruimtelijke onderbouwing, Loofaert 63 te Berlicum

1

Figuur 1 Plangebied Loofaert 63 Berlicum

Ruimtelijke onderbouwing, Loofaert 63 te Berlicum

2

1.3

VIGEREND BESTEMMINGSPLAN Voor de locatie zijn twee bestemmingsplannen van toepassing, dit betreffen: “Buitengebied Sint-Michelsgestel”, zoals vastgesteld op 25-012013 en “Actualisatie Buitengebied Sint-Michelsgestel”, zoals vastgesteld op 17-12-2017. Op basis van deze bestemmingsplannen heeft het perceel de bestemming “Agrarisch met waarden – Landschapswaarden”. Dit perceel kent een bouwvlak. Aan dit bouwvlak is de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – constructie- en lasbedrijf’ toegekend. Daarnaast is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ van toepassing. Tot slot zijn toegekend de gebiedsaanduidingen ‘overige zone – leefgebied van dassen’ en ‘reconstructiewetzone – verwevingsgebied’.

Figuur 2 Ligging binnen bestemmingsplan

Ruimtelijke onderbouwing, Loofaert 63 te Berlicum

3

2 2.1

PLANBESCHRIJVING

HUIDIGE SITUATIE Binnen het plangebied werd een veehouderij gevoerd. De activiteiten met betrekking tot het houden van vee zijn circa twee jaar geleden beëindigd. Ook de andere agrarische activiteiten zijn beëindigd. Daarnaast is, zoals vergund, een las- en constructiebedrijf aanwezig. Dit betreft de nevenfunctie binnen de inrichting. Binnen de inrichting zijn de stallen en diverse loodsen aanwezig, daarnaast is er een bedrijfswoning. Onderstaand is de huidige indeling weergegeven.

Figuur 3 1: Berging, machineloods en werkplaats 2: Voormalige veestal 3: Silo 4: Voormalig stal en opslag ruimte 5: Bedrijfswoning ;

Huidige situatie binnen het plangebied Loofaert 63

2

1 2

2

3

4 5

Ten noorden en oosten van het plangebied is agrarische grond gelegen, ten westen is een agrarisch bedrijf gelegen met als functieaanduiding detailhandel.

Ruimtelijke onderbouwing, Loofaert 63 te Berlicum

4

2.2

VOORGENOMEN ONTWIKKELING De ontwikkeling omvat het omzetten van de bestemming op de locatie naar ‘bedrijf’. Daarnaast worden de voormalige loodsen en stallen ingericht ten behoeve van opslagunits. Het gaat om totaal 20 te realiseren units. De huidige nevenfunctie in de vorm van het las- en constructiebedrijf blijft behouden. Dit wordt echter de hoofdtak van het bedrijf. De ruimte ten behoeve van het las- en constructiebedrijf heeft een oppervlakte van 250 m2.

Figuur 4

Voor de opslagunits wordt verder de nadere functieaanduiding ‘bedrijfsverzamelgebouw’ opgenomen. Iedere unit heeft een oppervlakte van maximaal 40 m2. Onderstaand is de toekomstige situatie weergegeven (zie ook bijlage 1).

Indeling plangebied

Type bedrijvigheid De bebouwing dit vrijkomt heeft een oppervlakte van 582 m2. Deze bebouwing wordt herontwikkeld tot te verhuren units. Het voornemen is om de units aan te bieden aan particulieren die op zoek zijn naar een plaats om hun klassieke auto of boot te stallen maar eraan ook te kunnen sleutelen, statische opslag plus. Bij het merendeel van de opslagplaatsen is

Ruimtelijke onderbouwing, Loofaert 63 te Berlicum

5

het niet mogelijk om daar bijvoorbeeld wekelijks aan de auto te komen sleutelen. Het betreft uitsluitend stalling. De te realiseren units krijgen om deze reden een omvang van flinke garage, van ongeveer 40 m2. Dan is voldoende ruimte om aan het voertuig te kunnen sleutelen. Volgens bedrijven en milieuzonering heeft een autogarage een milieucategorie van 2. Mochten de units niet allemaal aan particulieren verhuurd kunnen worden, dan zullen deze overige units verhuurd worden aan ZZP’ers die thuis te weinig ruimte hebben om alle materialen op te staan. Hierbij te denken aan stukadoors en elektriciens. Zij zullen geen werkzaamheden op de locatie uitvoeren. Waarom op deze locatie De vraag is gesteld waarom de voorgenomen ontwikkeling niet op een bedrijventerrein kan, maar op de voorliggende locatie een plek heeft. Ten eerste heeft dit te maken met de beoogde doelgroep. Dit betreft particulieren. Deze hechten meer waarde aan de omgeving waar zij een deel hun tijd spenderen. Het klussen aan de auto of boot is een hobby, sociale contacten spelen ook een rol. Een landelijke omgeving past hier beter bij dan de over het algemene killere industrieterreinen. Dit maakt dat de ontwikkeling passend in het gebied, gezien de kleinschaligheid van de activiteiten.

Daarbij is er op een industrieterrein vaak woning aanwezig, gebruikers van de units vinden het belangrijk dat er goed toezicht is op de units, zodat de auto’s en boten niet gestolen kunnen worden. Daarnaast is het niet wenselijk om deze activiteit, het hobbymatig klussen, in te plaatsen op een industrieterrein, gezien de schaarste van dergelijke terreinen. Die kan beter benut worden voor zwaardere activiteiten. Verder zijn er in de omgeving reeds meerdere locaties bestemd als nietagrarische bedrijvigheid. Ten westen de locatie ligt een groencentrum, ten oosten van de locatie bevindt zich een autogarage en ten noordoosten is een hondenpension gelegen. In de omgeving is reeds sprake van functiemening, waarmee de ontwikkeling naar een niet-agrarische functie passend is in het gebied. Daarnaast zijn er de kosten voor de huurders. Bij verplaatsing zal naar een industrieterrein zal er grond aangekocht moeten worden en een geheel nieuw gebouw opgericht moeten worden. Dit wordt vertaald naar de kosten voor de huur van een unit. Op een industrieterrein zal deze hoger zijn dan op de huidige locatie. En omdat de doelgroep hobbyisten zijn, zonder winstoogmerk, zijn kosten een belangrijke overweging.

Ruimtelijke onderbouwing, Loofaert 63 te Berlicum

6

Tot slot geldt dat de gebouwen op de locatie nog in goede staat zijn. Als het asbest van de daken is reeds vervangen en een deel van de daken is voorzien van zonnepanelen. Met het verplaatsen van de functie naar een bedrijventerrein zal deze bebouwing gesloopt moeten worden. Het hergebruiken van de gebouwen voor de gewenste functie is hierbij een duurzame oplossing. Tot slot wordt de inrichting landschappelijk ingepast. Onderstaand is een uitsnede van de toekomstige inpassing weergegeven. Zie ook bijlage 2. Figuur 5 Toekomstige inrichting plangebied Loofaert 63

Ruimtelijke onderbouwing, Loofaert 63 te Berlicum

7

3

BELEIDSTOETS

3.1

RIJKSBELEID

3.1.1

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 23 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In deze structuurvisie wordt een samenhangende visie gegeven op het Nederlands Rijk tot 2040. Kernwoorden in het SVIR zijn concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. De belangrijkste verandering is het terugtreden van de rijksoverheid op het gebied van ruimtelijke ordening. Lagere overheden, waaronder provincies en gemeenten krijgen een grotere rol volgens het principe ‘decentraal, tenzij…’. De gebruiker moet weer centraal komen te staan. Het Rijksbeleid richt zich daarom op het vereenvoudigen van de regelgeving en heeft dertien rijksbelangen benoemd waar het Rijk de verantwoordelijkheid houdt. Het Rijk verwacht dat medeoverheden zich eveneens inzetten voor meer eenvoud en integratie op het gebied van ruimtelijke regelgeving. Hierdoor zal de bestuurlijke druk afnemen en ontstaat ruimte voor regionaal maatwerk. De verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal laat het Rijk over aan de provincies. Het Rijk versterkt de samenhang tussen de verschillende modaliteiten en tussen ruimtelijke ontwikkelingen en mobiliteit. Het Rijk heeft drie doelen geformuleerd en per doel een aantal nationale belangen.

Voor deze nationale belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil zij resultaten boeken op de middellange termijn (2028). De doelen en nationale belangen zijn: 1. Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland. De bijbehorende nationale belangen zijn: a. een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale

Ruimtelijke onderbouwing, Loofaert 63 te Berlicum

8

bereikbaarheid van de stedelijke regio’s met een concentratie van topsectoren; b. ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame)energievoorziening en de energietransitie; c. ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen; d. efficiënt gebruik van de ondergrond. 2. Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat. De bijbehorende nationale belangen zijn: a. een robuust hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio’s inclusief de achterlandverbindingen; b. betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem; c. het in stand houden van het hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen om het functioneren van het mobiliteitssysteem te waarborgen. 3. Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. De bijbehorende nationale belangen zijn: a. verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s; b. ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling c. ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten; d.

ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten; e. ruimte voor militaire terreinen en activiteiten; f. zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. 3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vormt het sluitstuk van rijkszijde van het nieuwe stelsel van ruimtelijke ordening, zoals dat in 2008 met de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking is getreden. Kern van de nieuwe Wro is dat overheden hun ruimtelijke belangen vooraf kenbaar maken en aangeven langs welke weg zij de belangen denken te realiseren. Rijk en provincies bemoeien zich voortaan uitsluitend met wat daadwerkelijk van nationaal respectievelijk provinciaal belang is. Ook moeten rijk en provincies duidelijk maken of de borging van een belang gevolgen heeft voor ruimtelijke besluitvorming door de gemeenten. De eerste tranche, dat in januari 2010 voor advies naar de Raad van State gezonden is, bevat een beleidsneutrale omzetting van bestaand beleid. De kaders zijn afkomstig uit PKB’s Nota Ruimte, Derde Nota Waddenzee, Ruimtelijke onderbouwing, Loofaert 63 te Berlicum

9

Structuurschema Militaire Terreinen en Project Mainportontwikkeling Rotterdam. De tweede tranche bevat beleid dat doorwerkt tot in de ruimtelijke plannen van andere overheden. Op 30 juni 2011 zijn alle ontwerpstukken van het Barro als bijlage bij de nieuwe Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) gepubliceerd. In het Barro zijn opgenomen: het Project Mainportontwikkeling Rotterdam; militaire terreinen en –objecten; de Wadden; de kust (inclusief primaire kering); de grote rivieren; Rijksvaarwegen Hoofdwegen en landelijke spoorwegen Elektriciteitsvoorziening Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen; Natuurnetwerk Nederland; Primaire waterkeringen buiten het kustfundament IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte) Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde Ruimtereservering parallelle Kaagbaan Op 30 december 2011 is het Barro in werking getreden. Het Barro is ook wel bekend als de AMvB Ruimte. Inmiddels zijn meerdere wijzigingen in Barro doorgevoerd, op 1 december 2020 is de geconsolideerde versie vastgesteld. 3.1.3

Nationaal Waterbeleid In het kader van dit bestemmingsplan geldt onder andere onderstaand beleid op het gebied van water. In het jaar 2000 is de Europese ‘Kaderrichtlijn water’ (KRW) in werking getreden. De KRW heeft tot doel de oppervlaktewateren – waaronder ook overgangswater en kustwater – en het grondwater in de Europese Unie te beschermen en te verbeteren en het duurzaam gebruik van water te bevorderen. Op 10 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2016-2021 vast gesteld. Dit project geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. De klimaatverandering en de daarmee samenhangende stijging van de zeespiegel, nattere winters en hogere neerslagentiteiten in de zomerperioden vragen een ander waterbeheer in de 21e eeuw en meer ruimte voor water. Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten spraken in het Nationaal Bestuursakkoord Water-Actueel (2008) (NBW) af dat de regionale watersystemen in 2015 op orde moeten zijn. Samenwerking en afstemming tussen de overheden is hierbij erg belangrijk. In het NBW is afgesproken dat water een medesturend aspect is binnen de ruimtelijke Ruimtelijke onderbouwing, Loofaert 63 te Berlicum

10

ordening en dat het watersysteem ‘op orde’ moet worden gebracht. Dit betekent dat het watersysteem robuust en veerkrachtig moet zijn en moet voldoen aan de normen voor wateroverlast, nu en in de toekomst. De watertoets vormt hierbij een waarborg voor de inbreng van water in de ruimtelijke ordening. Een bijlage bij het NWP is het stroomgebiedbeheerplan (SGBP) voor de Maas. Dit beheerplan geeft onder meer een beschrijving van het stroomgebied Maas, de doelen voor de oppervlakteen grondwaterlichamen en een samenvatting van de maatregelen die genomen gaan worden. 3.1.4

Het Nationaal Milieubeleidsplan 4 (NMP4) In 2001 verscheen de kabinetsnota ‘Een wereld en een wil: werken aan duurzaamheid’, beter bekend als het vierde Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4). In dit beleidsplan licht het kabinet het te voeren milieubeleid toe. Het NMP4 wil een einde maken aan het afwentelen van milieulasten op de generaties na ons en op mensen in arme landen. Want met de huidige manier van produceren en consumeren schuiven we nog steeds onze milieulasten door naar anderen. Volgens het NMP4 moet het lukken binnen 30 jaar te zijn overgestapt naar een duurzaam functionerende samenleving.

3.1.5

Conclusie rijksbeleid Het plangebied is niet gelegen in een gebied waarvoor op basis van het rijksbeleid een relevante ruimtereservering geldt. Daarnaast wordt niet in een ontwikkeling voorzien die raakt aan een van de nationale belangen. Geconcludeerd kan worden dat rijksbeleid geen belemmeringen geeft voor onderhavig plan.

3.2

PROVINCIAAL BELEID

3.2.1

Structuurvisie 2010 – partiele herziening 2014 De Structuurvisie 2010 – Herziening 2014 is op 7 februari 2014 door de Provinciale Staten van de provincie Noord-Brabant vastgesteld. Met dit document legt de provincie de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid tot 2025 vast. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. De autonome ontwikkelingen in het landelijk gebied (agrarische bedrijven die stoppen versus schaalvergroting en intensivering) vragen om ontwikkelingsruimte in het landelijk gebied. De provincie wil daar meer dan voorheen ruimte aan bieden, maar wel met aandacht voor een versterking van de landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van Brabant. Daarnaast gaat de provincie in op de intrinsieke ruimtelijke kwaliteiten die Noord-Brabant heeft. Ook hieruit komen opgaven voort die om een

Ruimtelijke onderbouwing, Loofaert 63 te Berlicum

11

ruimtelijke keuze op provinciaal niveau vragen. De opgaven zijn de volgende: ruimtelijke kwaliteit staat onder druk; veranderend klimaat; achteruitgang biodiversiteit; veranderend landelijk gebied; toenemende behoefte aan duurzame energie; toenemende concurrentie tussen economische regio’s; afnemende bevolkingsgroei; toenemende mobiliteit. Trends en ontwikkelingen Voor onderhavig plan is voornamelijk het aspect veranderd landelijk gebied van belang. Het Brabantse landelijke gebied verandert snel. De land- en tuinbouw in Noord-Brabant zit in een belangrijke transitiefase. De wereldmarkt en het Europese beleid (o.a. de POP-plattelandsontwikkeling 2013) bepalen dit voor een groot deel. Er zijn twee verschillende ontwikkelingsrichtingen te onderscheiden. De eerste is de ontwikkeling van een gebiedseconomie met een verdergaande menging van functies en verbreding van agrarische activiteiten met streekproducten, zorgverblijven, recreatief verblijf en landschapsbeheer. Deze ontwikkeling sluit aan op de toenemende vragen vanuit de samenleving (de stad) om het buitengebied meer te kunnen gebruiken voor andere functies. Maar ook bij de behoefte aan het behoud van voorzieningen die belangrijk zijn voor de leefbaarheid van het landelijk gebied voor haar bewoners. Een tweede ontwikkelingsrichting in het landelijk gebied is een toenemende specialisatie met schaalvergroting van de landbouw.

Dat doet zich in Noord-Brabant vooral voor bij glastuinbouw, intensieve veehouderij, rundveehouderij, akkerbouw, vollegronds tuinbouw en boomteelt. Het wordt in toenemende mate lastiger om deze twee ontwikkelingen in het landelijk gebied met elkaar te combineren. Het leidt tot confrontaties tussen ontwikkelingen onderling en tussen de grootschaligheid en het fijnmazige en afwisselende landelijk gebied van Noord-Brabant. De opgave is om de ontwikkelingen in het landelijke gebied zodanig vorm te geven dat er sprake is van een duurzaam en vitaal platteland. Structurenkaart Het plangebied ligt in het kader van de Structuurvisie in de Groenblauwe mantel (zie onderstaand figuur).

Ruimtelijke onderbouwing, Loofaert 63 te Berlicum

12

De groenblauwe structuur omvat de samenhangende gebieden in NoordBrabant, waaronder de ecologische hoofdstructuur, waar natuur- en waterfuncties behouden en ontwikkeld worden. De structuur bestaat voornamelijk uit beken en andere waterlopen en uit bos- en natuurgebieden. Daarnaast liggen ook gebieden met een andere functie (zoals agrarisch of recreatie) binnen de groenblauwe structuur, als die gebieden van belang zijn voor de natuur- en waterfuncties. Behoud en ontwikkeling van natuurwaarden in én buiten natuurgebieden is hier belangrijk. Daarnaast biedt de groenblauwe structuur ruimte aan een natuurlijk en robuust watersysteem. Niet alleen voor een goed waterbeheer (waaronder hoogwaterbescherming en waterberging) maar ook voor de ontwikkeling van de natuur. Gemengde plattelandseconomie In de gemengde plattelandseconomie is naast ruimte voor de land- en tuinbouw ook ruimte voor de ontwikkeling van niet-agrarische functies, zoals toerisme, recreatie, kleinschalige bedrijvigheid, zorgfuncties etcetera. Dit kan door verbreding van agrarische activiteiten maar ook als zelfstandige functie, met name op vrijkomende locaties. Rondom steden, dorpen en natuur is er in de meeste gevallen feitelijk sprake van een gemengde plattelandseconomie.

In de gebieden rondom steden en dorpen is daarbij meer ruimte voor de ontwikkeling van functies die zich richten op de inwoners van die kernen, in de gebieden rondom de groenblauwe structuur is de ontwikkeling van functies meer afgestemd op het ondernemen in een groene omgeving en de versterking van natuur- en landschapswaarden. Figuur 6 Uitsnede Structurenkaart Structuurvisie 2010 – partiele herziening 2014

Het voorliggende plan past binnen de kaders van het provinciale beleid zoals dat is vastgelegd in de structuurvisie. Het beleid uit de structuurvisie Ruimtelijke onderbouwing, Loofaert 63 te Berlicum

13

is vertaald naar de regels zoals deze zijn vastgelegd in de Interim omgevingsverordening. Dit voorliggende plan is concreet getoetst aan deze regels uit de Interim omgevingsverordening, zie verderop in deze paragraaf. 3.2.2

Omgevingsvisie Noord-Brabant Op 14 december 2018 heeft de provincie Noord-Brabant de Omgevingsvisie Noord-Brabant "De kwaliteit van Brabant" vastgesteld. De omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Dat gaat om ambities op gebied van de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. Met de omgevingsvisie wil de provincie vast aansluiten bij en gaan werken volgens de uitgangspunten van de nieuwe Omgevingswet. Samen met andere overheden, initiatiefnemers en andere betrokken partijen wordt actief gezocht naar praktijken waarin deze nieuwe manier van werken centraal staat. De Omgevingsvisie gaat over twee vragen: Hoe moet de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit zien? Wat moet in 2030 voor elkaar zijn om dat toekomstperspectief te verwezenlijken? De doelstelling die Noord-Brabant heeft voor 2050 is dat zij in dat jaar welvarend, verbonden en klimaatproof zijn.

De welvaart wil de provincie bereiken door te investeren in een gezonde en sterke concurrentiepositie door het goede vestigingsklimaat voor bedrijven en kenniswerkers, maar ook door de voortrekkersrol in de transitie naar een innovatieve en duurzame economie. De provincie ziet welvaart niet alleen als economische bestaanszekerheid, maar ook als geluk, gezondheid en veiligheid van mensen. In dat kader stelt de provincie dat in 2050 bestaande problemen in de fysieke leefomgeving zijn opgelost en dat het robuuste natuurnetwerk uitstekend functioneert. Dankzij investeringen in natuur, verdrogingsbestrijding, bodem, waterkwaliteit, een groene (natuurrijke) inrichting van woon- en werkgebieden en het terugdringen van emissies uit landbouw en industrie wil de provincie zowel de menselijke leefomgeving als die voor flora en fauna verbeteren. Dit leidt tot een goed welbevinden en een grote soortenrijkdom.

Ruimtelijke onderbouwing, Loofaert 63 te Berlicum

14

Voor wat betreft de verbondenheid is het streven van de provincie dat Brabant de centrale ligging uitstekend weet te benutten door goede verbindingen op zowel fysiek als op sociaal-maatschappelijk (digitaal) gebied. Daarbij is een van de doelen dat de logistieke bedrijvigheid nog steeds een topsector is, maar dan op een schonere en slimmere manier. Daarnaast bieden nog zichtbare historische waarden, erfgoed en landschappelijke verscheidenheid een verbinding met het verleden. Deze elementen dienen te blijven behouden voor een aantrekkelijke omgeving als uitloopgebied voor de inwoners van steden en dorpen en voor recreatie. Met betrekking tot het streven klimaatproof te zijn wil de provincie in 2050 geheel energieneutraal zijn. Dit willen zij bereiken door alleen nog duurzame energie te gebruiken. Daarnaast wil de provincie verdere klimaatverandering tegengaan door de uitstoot van koolstofdioxide en de uitstoot van methaan uit de landbouw fors terug te dringen. Daarnaast wil de provincie goed om kunnen gaan met de klimaatverandering en de effecten daarvan. Hierbij staat duurzaam, gezond en klimaatbestendig bouwen centraal. Daarnaast dient voldoende ruimte beschikbaar te zijn om water op te vangen en vast te houden in tijden van droogte en om wateroverlast te voorkomen.

Op basis van deze doelstellingen heeft de provincie vier hoofdopgaven geformuleerd: Werken aan de Brabantse energietransitie; Werken aan een klimaatproof Brabant; Werken aan de slimme netwerkstad; Werken aan een concurrerende, duurzame economie. Deze opgaven worden niet los van elkaar gezien, maar zijn vanuit de basis met elkaar verbonden. Hierbij wordt gekeken vanuit een gebiedspecifieke benadering om de kansen en bedreigingen van de opgaven te benoemen en rekening te houden met de kansen vanuit andere hoofdopgaven. 3.2.3

Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant De Interim omgevingsverordening betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Interim omgevingsverordening is daarbij een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, die op grond van de Omgevingswet wordt vastgesteld en die verplicht is voor provincies. Naar verwachting treedt de Omgevingswet op 1 januari 2023 in werking. De Interim

Ruimtelijke onderbouwing, Loofaert 63 te Berlicum

15

omgevingsverordening vervangt zes provinciale verordeningen en heeft de status van: Milieuverordening gebaseerd op artikel 1.2. Wet milieubeheer Verordening wegen gebaseerd op artikel 57 Wegenwet en artikel 2A Wegenverkeerswet Verordening Ontgronden gebaseerd op artikel 5, tweede lid, en artikel 7, tweede lid, Ontgrondingenwet Verordening natuurbescherming gebaseerd op diverse artikelen uit de Wet natuurbescherming Verordening ruimte gebaseerd op artikel 4.1. Wet ruimtelijke ordening Verordening water gebaseerd op diverse artikelen in de Waterwet De Verordening luchtvaart en de vastgestelde Luchtvaartbesluiten bevatten voor een deel ook regels voor de fysieke leefomgeving. Het onderdeel luchtvaart is nog niet in de Interim omgevingsverordening verwerkt. Dit wordt bij de definitieve omgevingsverordening betrokken. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid zoals de omgevingsvisie. Er heeft voor de Interim verordening geen expliciete afweging plaatsgevonden of de inzet van de verordening voor een bepaald onderwerp gecontinueerd moet worden. In beginsel zijn de huidige regels met het huidige beschermingsniveau gehandhaafd.

In het algemeen geldt daarbij dat de inzet van de verordening in de provincie Noord-Brabant is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor het vanuit provinciale belangen nodig is om regels in te zetten of waarvoor het vanuit de wet verplicht is om regels te stellen in de verordening. De locatie ligt binnen de Groenblauwe mantel in het ‘Landelijk gebied’. Vestiging niet-agrarische functies in Landelijk gebied Ten aanzien van de herbestemming van de locatie van agrarisch naar bedrijf, zijn in artikel 3.73 van de Interim omgevingsverordening NoordBrabant de volgende regels opgenomen: Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in de vestiging van een niet-agrarische functie op een bestaand bouwperceel als aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. de vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken: 1. een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving; 2. welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; Ruimtelijke onderbouwing, Loofaert 63 te Berlicum

16

3. hoe de vestiging bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied. b. er vindt geen splitsing plaats van het bouwperceel; c. overtollige bebouwing wordt gesloopt; d. de vestiging heeft geen betrekking op: 1. een kantoor met baliefunctie; 2. lawaaisport; 3. mestbewerking. Lid 2 Het bestemmingsplan dat de vestiging mogelijk maakt, borgt dat de functie, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting en stelt daartoe regels: a. over een bij de omgeving passende omvang en publieksaantrekkende werking; b. welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan; c. dat opslag en stalling plaatsvindt in gebouwen; d. dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de maximaal toegestane omvang. Lid 3 Als een binnen de omgeving passende omvang geldt voor: a. bedrijvigheid, dat deze kleinschalig is en past binnen een gemengde omgeving waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein; b. een detailhandelsvoorziening, een omvang van het verkoopvloeroppervlak van ten hoogste 200 m²; c. een voorziening ten dienste van vrije tijd en zorg, een omvang van de bebouwing van ten hoogste 1 hectare. Ten aanzien van de regels kan het volgende gesteld worden: Ad 1a. De activiteiten zijn passend binnen de omgeving.

De huidige functie ten behoeve van het las en constructiebedrijf zijn thans aanwezig. Daarnaast is de verhuur van de units een bijpassende activiteit. Dit blijkt ook aan de toetsing aan het gemeentelijke beleid. Toetsing van de genoemde aspecten heeft plaats gevonden in hoofdstuk 4. Hieruit blijkt dat er geen belemmeringen zijn. Ten behoeve van de ontwikkeling is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Dit plan is als bijlage 2 bij deze toelichting gevoegd.

Ruimtelijke onderbouwing, Loofaert 63 te Berlicum

17

Ad 1b. Er is geen sprake van een splitsing van het bouwperceel.

Ad 1c. Er is geen sprake van overtollige bebouwing.

Ad 1d. Er is geen sprake van de genoemde functies. Ad 2a. De gemeente heeft reeds ingestemd met de beoogde activiteiten en omvang hiervan. In haar principebesluit is zijn ingegaan op de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. De passendheid van de ontwikkeling in het gebied is getoetst in paragraaf 3.3.1.

Ad 2b. De gebruiksactiviteiten worden door de gemeente in de planregels vastgelegd.

Ad 2c. De units welke gebruikt kunnen worden als opslagruimte zijn allemaal inpandig.

Ad 2d. De activiteiten vinden plaats binnen het huidige perceel. Er is geen sprake van verplaatsing dan wel uitbreiding van de bebouwing. Ad 3a. De bedrijvigheid is kleinschalig van aard.

Ad 3b. Er is geen sprake van detailhandel en verkoop. Ad 3c. Er is geen sprake van een voorziening ten dienste van vrije-tijd en zorg. 3.2.4

Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021 In het Provinciale Milieu- en Waterplan (PMWP) is vastgelegd hoe de provincie Noord-Brabant de komende jaren gaat werken aan een duurzaam schone en veilige fysieke leefomgeving. Doelen van het PMWP betreffen:

Ruimtelijke onderbouwing, Loofaert 63 te Berlicum

18

Voldoende water voor mens, plant en dier; Schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); Bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s; Verduurzaming van onze grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening. Onderhavige locatie heeft de functie ‘Water voor de groenblauwe mantel’. De groenblauwe mantel bestaat uit gemengd landelijk gebied met belangrijke nevenfuncties voor natuur en water. De mantel draagt bij aan de bescherming van de waarden in de EHS, de ecologische verbindingszones en de wateren met een functie voor waternatuur. De mantel heeft daarnaast óók een onafhankelijke betekenis voor biodiversiteit, water en landschap. Ook groene gebieden door en nabij de stedelijke omgeving zijn onderdeel van de groenblauwe mantel. De mantel biedt mogelijkheden voor recreatie en multifunctioneel landgebruik. Het Waterplan heeft geen gevolgen voor onderhavig initiatief. Figuur 7 Uitsnede provinciaal Milieu- en waterplan 2016-2021

3.3

GEMEENTELIJK BELEID

3.3.1

Structuurvisie buitengebied Sint-Michielsgestel De gemeente Sint-Michielsgestel heeft de Structuurvisie buitengebied SintMichielsgestel vastgesteld. Deze structuurvisie is tweeledig, enerzijds wordt het wensbeeld van de gemeente weergegeven (visie, ruimtelijke kwaliteit) en anderzijds biedt het ruimte voor nieuwe ontwikkelingen onder bepaalde voorwaarden. De kern van het document is ruimtelijke kwaliteit. De ruimtelijke kwaliteit wordt verbeterd en versterkt doordat initiatieven hieraan bijdragen.

Ruimtelijke onderbouwing, Loofaert 63 te Berlicum

19

De gemeente Sint-Michielsgestel valt in de Meierij; dit gebied wordt getypeerd door het kleinschalige en afwisselend kampenlandschap met, verspreide bebouwing, kleine essen en struwelen, akkers en grasland, afwateringssloten, veel houtsingels en laanbeplantingen (hoofdzakelijk populieren). Plaatselijk in de kleine beekdalen (Dungensche Loop, Beeksche Waterloop) ook knotbomen, houtwallen en beemdgronden. Landbouw, recreatie en natuur zijn de drie hoofdfuncties die aan het buitengebied worden toebedeeld. Het gemeentelijk beleid voor het buitengebied richt zich dan ook in eerste instantie op de ontwikkeling van deze functies. De gemeente ziet wel kansen voor vestiging van nietagrarische bedrijven op vrijkomende agrarische bedrijfslocaties. Eén van de meest voorkomende ontwikkelingen in het buitengebied is namelijk het vrijkomen van agrarische bedrijfsgebouwen door het teruglopen van het aantal landbouwbedrijven en door de verdergaande rationalisatie in de landbouw. Het hergebruik van vrijkomende agrarische bebouwing in het overig buitengebied dient in eerste instantie te passen binnen de drie hoofdfuncties die aan het buitengebied worden toebedeeld, te weten landbouw, recreatie en natuur (en landschap). Functieverruiming blijft hier een bijzaak en ontstening is en blijft het centrale doel.

Naast ruimte voor de drie hoofdfuncties worden er beperkt aanvullende mogelijkheden geschapen voor statische opslag van goederen en aan-huis-gebonden beroepen en bedrijven omdat deze functies nauwelijks impact hebben op de omgeving. Belangrijke uitgangspunten bij het hergebruik van vrijkomende agrarische bebouwing buiten bebouwingsconcentraties zijn de volgende, hierbij is kort weergegeven of hieraan voldaan wordt: Functieverandering is alleen van toepassing op fysiek bestaande, legale vrijgekomen en vrijkomende gebouwen in het buitengebied; De bebouwing is thans aanwezig, er wordt nu geruime tijd geen vee meer gehouden. De activiteit dient qua aard, milieubelasting, uitstraling en intensiteit te passen binnen de omgeving; De ontwikkeling vindt plaats binnen bestaande bebouwing. De activiteiten die plaats vinden betreft bedrijvigheid in maximaal milieucategorie 2. Het voornemen is om de units aan te bieden aan particulieren die op zoek zijn naar een plaats om hun klassieke auto of boot te stallen maar eraan ook te kunnen sleutelen, statische opslag plus. Als blijkt dat de vraag niet voldoende is om alle units op deze wijze te verhuren worden de units verhuurd aan ZZP’ers die de units gebruiken voor opslag. Zij mogen op de locatie geen werkzaamheden uitvoeren.

Ruimtelijke onderbouwing, Loofaert 63 te Berlicum

20

De bedrijvigheid in de omgeving heeft een vergelijkbare dan wel hogere milieucategorie. Het las- en constructiebedrijf is bestaand en wordt ongewijzigd voorgezet. Alle agrarische activiteiten komen te vervallen, het bouwvlak wordt verkleind en het perceel wordt verder landschappelijk ingepast. Er mag door de nieuwe activiteit geen overlast of hinder worden veroorzaakt; Er is geen sprake van hinder en overlast. Lokaal vindt er een verbetering plaats doordat het houden van vee niet meer mogelijk zal zijn. Zie ook navolgend hoofdstuk. Er vindt geen beperking plaats van bestaande agrarische bedrijven. Belangrijke (toekomstige) agrarische ontwikkelingen mogen niet worden gehinderd; De toekomstige functie voldoet aan de gestelde eisen. Agrarische bedrijven worden niet gehinderd. Er wordt voldaan aan de richtafstanden (zie navolgend hoofdstuk voor nadere onderbouwing). Het hergebruik voor andere niet-agrarische functies wordt niet toegestaan in het landbouwontwikkelingsgebied; De locatie is niet gelegen in een landbouwontwikkelingsgebied. Nieuwe activiteiten mogen geen onevenredige verkeersaantrekkende werking hebben. Getoetst wordt op de verkeersintensiteit en het vrachtverkeer in relatie tot het wegennet, de veiligheid, de overlast voor mens en natuur en de parkeerdruk, gebaseerd op de verkeersindices; Er is geen sprake van onevenredige verkeersaantrekkende werking.

Dit is nader toegelicht in 4.12. Parkeren, laden en lossen dient op eigen terrein plaats te vinden. De parkeergelegenheid wordt landschappelijk ingepast met behulp van gebiedseigen beplanting; Hier wordt aan voldaan, zie bijlage 1 situatietekening voor de ligging van de parkeerplaatsen. Buitenopslag en opslag in kassen is niet toegestaan; Er zal geen sprake zijn van buitenopslag. De bestaande buitenopslag wordt beëindigd. Er vindt geen aantasting plaats van (potentiële) landschappelijke, cultuurhistorische of natuurlijke waarden. Ook de effecten op de waarden in de wijdere omgeving worden hierbij meegewogen; Hier wordt aan voldaan, zie voor de onderbouwing hoofdstuk 4. De activiteiten zijn niet strijdig met de overige rechtsregels, zoals de milieu-, horeca- en stankwetgeving; In hoofdstuk vier wordt nader onderbouwd dat hier aan wordt voldaan. De bebouwing wordt aan de hand van een erfbeplantingsplan landschappelijk ingepast met behulp van gebiedseigen beplanting; Hier wordt aan voldaan, zie bijlage 2 voor de landschappelijke inpassing. Ruimtelijke onderbouwing, Loofaert 63 te Berlicum

21

Bestaande bebouwing mag worden vervangen door nieuwe bebouwing mits het totale bedrijfsvloer oppervlakte (BVO) niet wordt vergroot; Recentelijk zijn twee omgevingsvergunningen verleend. De eerste vergunning is voor het aanpassen en vergroten van het bedrijfsgebouw ten behoeve van het constructiebedrijf. Initiatiefnemer heeft de vergunning voor de vergroting aangevraagd omdat er behoefte was binnen de bedrijfsvoering om een kraan te plaatsen een het dak. Daarvoor is een minimale hoogte van het gebouw nodig. Het bestaande gebouw had deze hoogte niet. Verder wat het oude gebouw niet geïsoleerd en was het niet voorzien van verwarming. In het nieuwe gebouw is sprake van veel betere arbeidsomstandigheden. Bovendien is in de toekomstige situatie buitenopslag niet meer toegestaan. Inpandig is meer ruimte nodig om het materiaal op te slaan. Dit heeft ertoe geleid dat het gebouw vergroot is tot een omvang van 249,7 m2. Een vergroting van ongeveer 45 m2. Verder is er een omgevingsvergunning verleend voor het vervangen van het bijgebouw. Dit gebouw heeft eenzelfde oppervlakte dan het oude gebouw dat er stond, te weten 188,2 m 2. Er is geen sprake geweest van vergroting.

Voorliggend plan maakt geen verdere vergroting van het Detailhandel of groothandel is niet toegestaan, uitgezonderd huisverkoop van eigen geproduceerde waren, als vorm van verbrede landbouw of als kleinschalig artistiek en/of ambachtelijke product. Huisverkoop dient plaats te vinden in de bestaande bebouwing en betreft maximaal 100 m²; Er is geen sprake van detail- of groothandel. Voor nieuwe initiatieven dienen diverse onderzoeken verricht te worden, waarin diverse waarden en milieuaspecten worden getoetst; Toetsing heeft plaatsgevonden in hoofdstuk 4. Er zijn geen belemmeringen. Functieverruiming kan gepaard gaan met een verplichte sloop van overtollige bebouwing en een extra compensatie in natura of storting in een fonds; Er is geen sprake van overtollige bebouwing. De huidige bebouwing wordt intern aangepast ten behoeve van de beoogde functies. Mestsilo’s, kuilplaten, erfverharding tellen niet mee als vrijkomende bebouwing, maar moeten wel gesloopt worden; De bestaande sleufsilo wordt in gebruik genomen als parkeerplaats. Hergebruik is niet toegestaan op de locaties waarvan de agrarische bestemming kan worden gehandhaafd voor de opvang van te verplaatsen agrarische bedrijven en buiten de locaties waar sloop van bedrijfsgebouwen heeft plaatsgevonden met gebruikmaking van de Regeling Beëindiging Veehouderijen (RBV) en de regeling Ruimte-voorRuimte (RvR).

Er is geen gebruik gemaakt van deze regelingen. Ruimtelijke onderbouwing, Loofaert 63 te Berlicum

22

Het beoogde plan is passend binnen de structuurvisie. Middels landschappelijke inpassing wordt daarnaast bijgedragen aan de landschappelijke waarden van het gebied. 3.3.2

Aanvulling structuurvisie Buitengebied Sint-Michielsgestel Op 16-07-2015 heeft de gemeente Sint-Michielsgestel een aanvulling vastgesteld op de eerdere structuurvisie Buitengebied Sint-Michielsgestel. Sinds de vaststelling van de structuurvisie hebben zich enkele ontwikkelingen voorgedaan die vroegen om nader beleid. Deze aanvulling heeft betrekking op de ruimte-voor-ruimte regeling en de regeling kwaliteitsverbetering van het landschap. De provincie Noord-Brabant heeft eerder kaders bepaald rondom kwaliteitsverbetering van het landschap. Zogenaamde ‘rode’ ontwikkelingen in het buitengebied dienen gepaard te gaan met een fysieke kwaliteitsverbetering van het gebied of de omgeving. Zo’n kwaliteitsverbetering kan betrekking hebben op bodem, water, natuur, landschap, cultuurhistorie en/of extensieve recreatie. Het bestemmingsplan die ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk maakt, moet de kwaliteitsverbetering financieel, juridisch en feitelijk borgen en aan laten sluiten (m.n. landschappelijk) bij het ruimtelijk beleid van de gemeente. De ontwikkelende partij heeft de keuze de fysieke kwaliteitsverbetering zelf op eigen terrein te realiseren, dan wel de verplichting over te dragen aan de gemeente via een fondsbijdrage. De gemeente Sint-Michielsgestel heeft vervolgens gezamenlijk met de regio een nader afsprakenkader uitgewerkt.

Het idee is dat ontwikkelingen met een grote impact het meest moeten investeren in kwaliteitsverbetering. Rekening houdend met de mogelijke impact op de omgeving worden drie categorieën van ruimtelijke ontwikkelingen (met de bijbehorende noodzakelijke kwaliteitsverbetering) onderscheiden: -

Categorie 1: geen impact, geen tegenprestatie verplicht;

-

Categorie 2: beperkte impact, landschappelijke inpassing, passend bij een goede ruimtelijke ordening;

-

Categorie 3: grote impact, landschappelijke inpassing ‘plus’, passend bij een goede ruimtelijke ordening en in verhouding staand tot de waardeontwikkeling.

Doordat er sprake is van een bestemmingswijziging is er sprake van een ontwikkeling van categorie 3.

Ruimtelijke onderbouwing, Loofaert 63 te Berlicum

23

Berekening kwaliteitsverbetering De kwaliteitsverbetering dient in verhouding te staan tot de waardeontwikkeling als gevolg van de bestemmingsverandering. Hierbij wordt voor niet-planmatige ontwikkelingen uitgegaan van minimaal 20% van de grondwaardevermeerdering als gevolg van de bestemmingsverandering. In onderstaande tabel wordt weergegeven wat de waardeontwikkeling is als gevolg van de bestemmingsverandering en welke investeringsverplichting hiermee gepaard gaat. Berekening kwaliteitsverbetering Loofaert 63 Uitgangspunten 1 Agrarische grond (onbebouwd) 2 Agrarisch bedrijf (bouwvlak, excl. agrarische bedrijfswoning) 3 Ondersteunenden voorzieningen bij agrarisch bouwvlak 3 Agrarische bedrijfswoning 4 Bedrijven (bebouwd) 5 Bedrijven (onbebouwd) 17 Groen / natuur / bos / water Oppervlakte plangebied:

€ 7,00 € 20,00 € 10,00 € 70,00 € 150,00 € 75,00 € 1,40

10382

Waarde huidige situatie: Agrarisch bouwvlak Woning

Oppervlakte 9.382 1.000

Waarde per m2 € 20,00 € 70,00 Totale waarde:

Waarde: € 187.640 € 70.000,00 € 257.640

Oppervlakte 972 3.323 5.345 742

Waarde per m2 € 150,00 € 75,00 € 7,00 € 1,40 Totale Waarde:

€ 145.800,00 € 249.225,00 € 37.415,00 € 1.038,80 € 433.478,80

Waarde toekomstige situatie Bedrijf bebouwd Bedrijf onbebouwd Agrarisch Groen

Toename waarde:

€ 175.838,80

Te investeren bedrag:

20% van waardevermeerdering

€ 35.167,76

Investering: De investering welke gepleegd wordt bedraagt: Aanplant Onderhoud

€ 4.751,22 € 15.466,60

Totaal

€ 20.217,83

Uit de voorgaande berekening blijkt dat de het te investeren bedrag € 35.167,76 bedraagt (wat 20% van de waardevermeerdering van het perceel is). Ten behoeve van de ontwikkeling wordt het perceel landschappelijke ingepast. De investering welke gepaard gaat met de ontwikkeling en de instandhouding van deze inpassing komt voor een periode van 10 jaar op een bedrag van €20.217,83 (zie voor de berekening de bijlagen). Dit bedrag is lager dan de investeringsverplichting. Met de gemeente worden afspraken gemaakt over het restbedrag van € 14.949,93. Hiermee is voldaan aan de beleidskader van de gemeente Sint-Michielsgestel. 3.3.2

Actualisatieplan Buitengebied Voor de locatie zijn twee bestemmingsplannen van toepassing, dit betreffen: “Buitengebied Sint-Michelsgestel”, zoals vastgesteld op 25-012013 en “Actualisatie Buitengebied Sint-Michelsgestel”, zoals vastgesteld op 17-12-2017. Ruimtelijke onderbouwing, Loofaert 63 te Berlicum

24

Op basis van deze bestemmingsplannen heeft het perceel de bestemming “Agrarisch met waarden – Landschapswaarden”. Dit perceel kent een bouwvlak. Aan dit bouwvlak is de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – constructie- en lasbedrijf’ toegekend. Daarnaast is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ van toepassing. Tot slot zijn toegekend de gebiedsaanduidingen ‘overige zone – leefgebied van dassen’ en ‘reconstructiewetzone – verwevingsgebied’. Binnen het vigerende bestemmingsplan zijn geen afwijkings- of wijzigingsbevoegdheden opgenomen welke voorliggend plan mogelijk kunnen maken. Hiertoe is onderhavig herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk.

Ruimtelijke onderbouwing, Loofaert 63 te Berlicum

25

4 4.1

MILEUHYGIENISCHE EN PLANOLOGISCHE VERANTWOORDING

MER-BEOORDELING Ten behoeve van het plan is een MER-beoordeling niet noodzakelijk. De activiteiten komen niet voor in lijst C en/of D behorend bij het Besluit milieueffectrapportage.

4.2

ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in bestemmingsplannen aandacht te worden besteed aan de aspecten archeologie en cultuurhistorie. In juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Deze wet vormt – samen met de nieuwe Omgevingswet – het nieuwe kader voor bescherming van het cultuurhistorisch erfgoed. Op grond van het overgangsrecht in de Erfgoedwet blijven bepaalde onderdelen van de Monumentenwet 1988 (waaronder de vergunningplicht voor monumenten, de bescherming van stads- en dorpsgezichten en de regelingen voor archeologie) ongewijzigd van toepassing tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Op grond van artikel 3.1.6 lid 5 van het Besluit ruimtelijke ordening moeten gemeenten bij het opstellen van bestemmingsplannen in de toelichting een beschrijving geven van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten (archeologische waarden) rekening is gehouden.

4.2.1

Archeologie Het archeologiebeleid van de gemeente Sint-Michielsgestel is verwerkt in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Michielsgestel’. Voor de planlocatie is daarna nog een actualisatieplan vastgesteld. Op de locatie is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ van toepassing. Bij werkzaamheden dieper dan 50 centimeter en een oppervlakte van meer dan 100 m2 dient op voorhand een archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden. Het voorgenomen plan gaat echter niet gepaard met werkzaamheden welke dieper zijn dan 50 centimeter, het voorgenomen plan leidt dan ook niet tot negatieve effecten met betrekking tot Ruimtelijke onderbouwing, Loofaert 63 te Berlicum

26

archeologie. De dubbelbestemming blijft daarnaast ongewijzigd en behouden. Tot slot geldt er ook een algemene meldingsplicht (art. 5.10 van de Erfgoedwet) wanneer er zaken van belang gevonden worden. 4.2.2

Cultuurhistorie De provincie Noord-Brabant ziet het Brabantse erfgoed als belangrijk onderdeel van haar identiteit en wil het plaats geven in de verdere ontwikkeling van Brabant. Daarom heeft de provincie haar ruimtelijke erfgoed opgenomen op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). De Meierij Het plangebied is gelegen binnen de regio ‘De Meierij’. De Meierij bestaat uit verschillende dekzandruggen, beekdalen en dekzandvlaktes. Daarnaast wordt De Meierij gekenmerkt door een kleinschalig mozaïek van oude en jonge ontginningslandschappen en woeste gronden. Een van de beeldbepalende aspecten van De Meierij is de populierenteelt, aanvankelijk vooral in de vorm van weg- of perceelrandbeplanting, later ook in de vorm van populierenbosjes. De Meierij wordt gekarakteriseerd door veel kleine dorpen, met ieder hun eigen karakter en relatie met het landschap. De indeling in agrarische gebruikseenheden (akkers, graslanden en woeste gronden) is op veel plaatsen nog goed herkenbaar. In combinatie met de dorpen en buurtschappen en de plaatselijk aanwezige kleinschaligheid verleent dit het gebied een grote landschappelijke en cultuurhistorische waarde. De provincie heeft de volgende ontwikkelingsstrategie bepaald voor De Meierij: Behoud door ontwikkeling of versterking van de samenhang van de dragende structuren van de regio.

De cultuurhistorische waarden van De Meierij in hun samenhang ontwikkelen, beschermen en toeristisch-recreatief ontsluiten. Het duurzaam en in samenhang behouden van het bodemarchief. De locatie is verder niet gelegen in een nader aangeduid cultuurhistorisch landschap. Door de inrichting landschappelijk in te passen, wordt aangesloten bij de cultuurhistorische inrichting van de omgeving. Hierbij is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik binnen de bestaande bebouwing. Het aspect cultuurhistorie is geen belemmering voor de voorgenomen wijziging van de locatie.

Ruimtelijke onderbouwing, Loofaert 63 te Berlicum

27

4.3

NATUURBESCHERMING Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met eventuele ecologische waarden in of nabij het projectgebied. De voorgenomen ontwikkelingen mogen geen negatieve effecten hebben op de aanwezige beschermde soorten zoals aangewezen in de Wet natuurbescherming. Indien hiervan sprake is moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Tevens mogen de ontwikkelingen geen negatieve effecten hebben op de aangewezen Natura 2000-gebieden. Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebiedsen soortenbescherming. Soortenbescherming In het plangebied vinden niet direct werkzaamheden plaats welke kunnen leiden tot negatieve effecten met betrekking tot beschermde soorten. Bij de vergroting van een gebouw, in het kader van de Omgevingsvergunning hiervoor, is dit aspect bekeken. Er is geoordeeld dat er geen nadelige gevolgen zijn voor eventuele beschermde soorten. Het wijzigen van de gebruiksmogelijkheden heeft geen nadelige gevolgen voor beschermde flora en fauna. Gebiedsbescherming In Nederland is gebiedsbescherming geregeld middels de Wet natuurbescherming, waarin alle gebiedsbeschermende internationale afspraken en richtlijnen zijn geïmplementeerd. Met betrekking tot gebiedsbescherming is de situering ten opzichte van de Natura 2000gebieden van belang.

Bij negatieve effecten kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluide en trillingen. Op de planlocatie wordt de mogelijkheid tot het voeren van een veehouderij beëindigd. Ten opzichte van de huidige situatie vinden er geen handelingen plaats welke kunnen leiden tot significant negatieve effecten op de omliggende natuurgebieden. De afstand tot de Natura 2000gebieden bedraagt ten minste 6,7 kilometer, het dichtstbij gelegen gebied betreft het Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek. Dit maakt dat de meeste effecten uit te sluiten zijn. Verder geldt dat de stiktofdepositie veroorzaakt door een mogelijke veehouderij komt te vervallen. In de plaats hiervan is er voornamelijk sprake van verkeersbewegingen. De stikstofuitstoot verzoorzaakt door de nieuwe situatie leidt niet tot stikstofdepositie, dit maakt dat significant negatieve effecten op voorhand zijn uitgesloten. Zie hiertoe ook de uitgevoerde AERIUS-berekening, welke als bijlage 3 bij deze onderbouwing zijn gevoegd. Ruimtelijke onderbouwing, Loofaert 63 te Berlicum

28

Natuurnetwerk Brabant Het Natuurnetwerk Brabant (NNB) is een samenhangend netwerk van natuurgebieden en landbouwgebieden met natuurwaarden van (inter) nationaal belang. Het doel van NNB-beleid is het veiligstellen van ecosystemen en het realiseren van leefgebieden met goede condities voor de biodiversiteit. Voor het NNB geldt op basis van het Rijksbeleid (Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant verstoren. In onderstaand figuur is een uitsnede weergegeven van het natuurbeheerplan van de provincie Noord-Brabant. Op 125 meter van het plangebied is aan de oostzijde een gedeelte NNB gelegen. Het NNB is op voldoende afstand gelegen, het plan leidt niet tot oppervlakteverlies of versnippering van het gebied. Het Natuurnetwerk Brabant wordt niet aangetast door de ontwikkeling. Figuur 8 Natuurnetwerk Brabant in planomgeving

4.4

WATERPARAGRAAF Bij elke ruimtelijke ontwikkeling is de opstelling van een waterparagraaf verplicht gesteld, mede in relatie tot de watertoets. In deze paragraaf wordt verwoord hoe er in het plan met de aspecten water en ruimte rekening wordt gehouden, in relatie tot enerzijds het waterbeleid en anderzijds de waterhuishouding.

Ruimtelijke onderbouwing, Loofaert 63 te Berlicum

29

4.4.1

Beleid en regelgeving Aa en Maas Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap Aa en Maas. Het Waterschap Aa en Maas heeft het Waterbeheerplan 2022-2027 vastgesteld. Het waterbeheerplan 2022-2027 van het waterschap Aa en Maas maakt inzichtelijk wat het waterschap de komende jaren gaat doen. Het doel is om het watersysteem en de afvalwaterketen op orde te houden. Binnen het beheergebied is het waterschap verantwoordelijk voor het waterbeheer, het waterkeringenbeheer en het transporteren en zuiveren van afvalwater. De beleidsuitgangspunten en principes die zij daarbij hanteren staan in het plan. De volgende programma’s door het waterschap opgesteld: 1. Waterveiligheid: in 2050 is het hele watergebied voldoende beschermd ten overstromingen vanuit de Maas en vanuit het regionale watersysteem. 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem: In 2050 hebben we een klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar watersysteem. 3. Afvalwaterketen: In 2050 is de zuivering van afvalwater energie- en klimaatneutraal. Aanvullend op het waterbeheerplan hebben de drie Brabantse waterschappen sinds 1 maart 2015 de beschikking over één gezamenlijke verordening. Dit betreft de zogenaamde Brabant Keur. Als onderdeel van dit harmonisatietraject hanteren de waterschappen dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen, waarbij het verhard oppervlak toeneemt.

Voor de locatie is de watertoets uitgevoerd. Deze is bijgevoegd als bijlage 4. Binnen het plangebied wordt het hemelwater volledig afgekoppeld en zal infiltreren in de bodem. Geconcludeerd kan worden dat er met het voorliggend initiatief geen waterschapsbelangen in het geding zijn. Er is derhalve geen belemmering aanwezig vanuit het aspect water.

4.4,2

Verbreed gemeentelijk rioleringsplan 2020 - 2024 Het Verbreed gemeentelijk rioleringsplan (VGRP) is een beleidsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken weergeeft. Door middel van het VGRP legt de gemeente vast wat zij wil bereiken en wat de rol van burgers en bedrijven is ten aanzien van afval-, hemel-, en grondwater. De Wet milieubeheer schrijft voor een VGRP geen geldigheidsduur voor, hierin wordt de gemeente vrijgelaten. Om het zorgproces voor de riolering gaande te houden hebben we gekozen voor een geldigheidsduur van vijf jaar: 2020 tot en met 2024. De riolering ligt echter veel langer dan deze Ruimtelijke onderbouwing, Loofaert 63 te Berlicum

30

planperiode onder de grond. Om deze reden is dit VGRP opgesteld met een doorkijk over de gehele levensduur van de riolering. De rioolheffing en de lange termijn doelstellingen zijn gebaseerd op deze doorkijk, om zo te komen tot een doelmatige invulling van de gemeentelijke zorgplichten, tegen zo laag mogelijke lasten voor de burger. Met dit plan wordt geen extra water geloosd op de riolering. Er zijn geen gevolgen voor het stelsel. Met de ontwikkeling wordt geen nieuwe verharding toegevoegd. De ondergrens van de 250 m2 zoals gehanteerd in het gemeentelijke beleid wordt hiermee niet overschreden. Er is geen extra waterberging noodzakelijk.

4.5

BODEM Met betrekking tot het aspect bodem zijn er geen belemmeringen. De gebouwen welke gebruikt zullen worden als units, zijn geen objecten waar langere tijd mensen verblijven. Hiertoe is het uitvoeren van een bodemonderzoek niet noodzakelijk. Daarnaast zijn er geen calamiteiten bekend welke tot bodemverontreiniging hebben kunnen leiden.

4.6

(ONDERGRONDSE) INFRASTRUCTUUR Leidingen Voorafgaand aan het grondverzet zal een zogenaamde Klic-melding plaatsvinden om duidelijkheid te verkrijgen over de eventueel aanwezige kabels en leidingen. Hoogspanningsleiding Op een afstand van circa 3 kilometer ligt een hoogspanningslijn. Gelet op de afstand tussen het plangebied en deze lijn vormt dit aspect geen belemmering.

4.7

BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING Om te bepalen welke bedrijfsactiviteiten uit oogpunt van milieuhinder kunnen worden toegestaan, kan gebruik worden gemaakt van de systematiek van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009). In de VNG-brochure is een bedrijvenlijst opgenomen, die informatie geeft over de milieukenmerken van verschillende typen bedrijven. In de lijst is op basis van een aantal factoren (waaronder geluid, geur en gevaar) een indicatie gegeven van de afstand tussen bedrijven en hindergevoelige functies waarmee gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening kunnen houden. Het doel van milieuzonering is tweeledig:

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12892226/1