CConstaterende datsint-michielsgestel
Koppel je AI →
Document · PDF

35. Onderzoek spuitzones Spekstraat Den Dungen

Overige evenementen 15 juni 2023, gemeente sint-michielsgestelBij agendapunt: 1.2 - Bijlagen behorende bij toelichting13.336 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

E

| N ADROMI

Spuitzone onderzoek Spekstraat Den Dungen

Adromi

AP

7078-

.

:

Rapportage inzake ruimtelijk acceptabele afstanden

B.V.

Reeweg 146 3343

;

GROEP

HENDRIK-IDO-AMBACHT

684

55

55

0786845559

algemeen@adromi.nl waowadromi.nl

KvK 230.825.46

Gemeente Sint-Michielsgestel

Projectnummer:

_ wil/R202317/2302c

Status

definitief

Datum

315-2023

Auteur

(geanonimiseerd) D ]

Geaccordeerd:

(geanonimiseerd) |

te Rotterdam

BTW8050.63.286.8.01 IBAN NL7SRABO0385477481

Spuitzone onderzoek Spekstraat Den Dungen

|

Inhoudsopgave 1.

Inleiding. 1.1.

_ Ruimtelijk acceptabele afstanden …

1.2. 1.3.

2.

Gebruik gewasbeschermingsmiddelen _ Representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden..

14.

Context rapportage..

15.

_ Opzet rapportage .

Locatie, 2.1.

Project/ocatie en omgeving..

2.2.

Agrarisch grondgebruil

2.3.

Water.

2.4.

_ Résumé

3.

feitelijke situatie

Representatieve invulling maximale planologische situatie 3.1. 3.2.

Algemeen. _ Bestemmingsregeling betrokken gronden.…

3.3.

(Bouw)plan.

3.4.

_ Activiteitenbesluit milieubeheer .

3.5.

_ Résumé representatieve invulling van de maximale planologische situatie …

4.

Spuitzones 4.1.

EFSA-model

…

42.

_ Invoergegevens .

4.3.

_

S.

Resultaten

EFSA.

Uitspraken Afdeling bestuursrechtspraak spuitzones.. 5.1.

6.

omgeving en (bouw)plan…

Bijzondere kwetsbaarheid..

5.2.

_ Cumulatie, aggregatie en interactie..

5.3.

_ Opbouw EFSA-model...

5.4.

_ Afscherming...

55.

Voorzorg

Conclusie en aanbevelingen.…

Bijlagen…

Adromi 8..

wil/R202317/2302c

Pagina 2 van 42

Spuitzone onderzoek Spekstraat Den Dungen 1

|

Inleiding

Onderhavige onderzoekrapportage is opgesteld in opdracht van de gemeente Sint-Michielsgestel in verband met een zienswijze die i ontvangen naar aanleiding van het ontwerp bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Michielsgestel, 3° actualisatie’.

Dit bestemmingsplan

omvat onder meer het

voornemen om aan de Spekstraat in Den Dungen een aantal ruimte voor ruimte woningen te bestemmen. De eigenaar/gebruiker van nabij deze geprojecteerde woningen gelegen landbouwpercelen vreest voor toekomstige beperkingen.

Dit omdat er nieuwe woonbestemmingen

zullen worden toegevoegd welke op een afstand van 50 meter of minder zijn gelegen tot aan de bij hem in gebruik zijnde landbouwgronden.

Verwezen wordt naar figuur 1 voor de desbetreffende

percelen.

Figuur 1: overzicht andbouwpercelen — blauw omlijnd(bron:

ingediende zienswijze AROM)

Gelet hierop is onderhavig onderzoek uitgevoerd naar de ruimtelijke aanvaardbaarheid van deze nieuwe woonbestemmingen in relatie tot toepassing van gewasbeschermingsmiddelen op deze agrarische gronden

Adromi 8..

wil/R202317/2302c

Pagina 3 van 42

Spuitzone onderzoek Spekstraat Den Dungen 11.

|

_ Ruimtelijk acceptabele afstanden

In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Aangezien de afstand welke (minimaal) aangehouden moet worden tot gevoelige objecten niet concreet in een regeling is voorgeschreven, dient op grond van de Wet ruimtelijke ordening te worden beoordeeld of sprake is van een aanvaardbaar risico op drift (onbedoelde verspreiding van gewasbeschermingsmiddelen buiten het behandelde perceel via de lucht). Hierbij dient blijkens vaste rechtspraak rekening te worden gehouden met een representatieve invulling van de bestemde gebruiksmogelijkheden van agrarische gronden.

Daar waar dit risico op drift te groot is, dient gekozen te worden voor

bestemmingen welke reguliere / langdurige menselijke aanwezigheid uitsluiten (de zogenaamde spuitzone). Uit jurisprudentie blijkt verder dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische percelen waar gewasbeschermingsmiddelen

mogen worden gebruikt!, in het algemeen niet onredelijk vindt. Indien een kortere afstand wordt aangehouden tussen een gevoelige functie en gronden waar sprake kan zijn van toepassing van gewasbeschermingsmiddelen, dan dient een planologisch besluit volgens genoemde rechtspraak te voorzien in een deugdelijke motivering middels een zogenaamd ‘locatiespecifiek onderzoek’.

De afstand van 50 meter is blijkens een uitspraak uit 20022 gebaseerd op het toenmalige beleid van de provincie Gelderland voor de goedkeuring van ruimtelijke ontwikkelingen waarbij nieuwe gevoelige functies nabij boomgaarden en boomteeitpercelen werden bestemd (de ‘Handreiking bestemmingsplannen’). Ten tijde van dat beleid gold op grond van artikel 13 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1963, het daarop gebaseerde Lozingenbesluit open teelt en veehouderij en de bijbehorende Regeling testmethoden driftarme doppen Lozingenbesluit open teelt en veehouderij, een verplichting om driftreductie toe te passen van minimaal 50%.

Op grond van het huidige Activiteitenbesluit dient standaard een

driftreducerende techniek te worden gehanteerd van minimaal 75%, een norm die kortom de helft

strenger is geworden?, waardoor bedoelde afstand van 50 meter thans minstens kan worden gehalveerd tot 25 meter.

Hierbij s ook van belang dat bedoelde 50 meter werd gehanteerd in een tijd

dat gewasbeschermingsmiddelen werden toegelaten welke al geruime tijd vanwege herbeoordelingen zijn uitgefaseerd, terwijl nieuwe middelen met een lagere potentiële schadelijkheid en lagere persistentie hiervoor in de plaats zijn gekomen Deze afstand van 50 meter (cq. een kortere afstand, gelet op voorgaande redenering) is dan in ieder geval voldoende om te spreken van een ruimtelijk aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De betrokken afstand dient in principe te worden aangehouden tussen het perceel waarop gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast en locaties van de gevoelige functie waar reguliere menselijke aanwezigheid niet is uitgesloten (zoals een speeltuin, een tuin bij een woning

e.d.)

? ABRVS 30 maart 2016 ECLI:NL:RVS:2016:855

2 ABRVS 24 juli 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE5754

? Zie ook paragraaf 3.3.

Adromi 8..

wil/R202317/2302c

Pagina 4 van 42

Spuitzone onderzoek Spekstraat Den Dungen

|

Onderhavige onderzoeksrapportage beoogt te voorzien in genoemd locatiespecifiek onderzoek ter onderbouwing dat een kortere afstand als ruimtelijk aanvaardbaar kan worden beschouwd. Van belang hierbij is, dat blijkens de Afdelingsuitspraken van 30 maart 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:855 Houten) en van 6 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1741 Wijchen) heeft overwogen dat het zogenaamde

PRI rapport: omtrent driftblootstelling afdoende wetenschappelijke basis ontbeert en dat blijkens de uitspraak van 19 oktober 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3023 Beuningen} het EFSA-model (vooralsnog op onderdelen) wetenschappelijke onderbouwing zou missen. bevestigd (ECLI:NL:RVS:2022:3387 Lentsesteeg Rheden).

In de uitspraak van 23 november 2022 Er is ook sprake van andere recente

uitspraken waarin de Afdeling bestuursrechtspraak genoemde afstand van 50 meter niet benoemt en evenmin nog uitvoering van locatiespecifiek onderzoek van belang lijkt te vinden. Dit betreft de uitspraken van 2 november 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3160 Hooghoutseweg 27 Biezenmortel) en 25 januari 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:269 Zilkerbinnenweg 14 e.0.). Een en ander

1.2.

komt verder aan de orde in hoofdstuk

5.

_ Gebruik gewasbeschermingsmiddelen

Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen dient plaats te vinden in overeenstemming met de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Blijkens artikel 47 en 20 van deze wetjo. de Verordening

528/2012/EU mogen middelen alleen worden gebruikt op grond van een (vereenvoudigde) toelating, welke onder voorschriften / beperkingen kan worden verleend door het College toelating gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb). Blijkens genoemde Verordening mogen op de Europese markt alleen middelen worden toegelaten waarvan voldoende is vastgesteld dat deze geen gevaar vormen voor de volksgezondheid. Daarbij wordt naast blootstelling via consumptie ook blootstelling bij toepassing van gewasbeschermingsmiddelen beoordeeld, zowel voor wat betreft toepassers als omwonenden, waaronder mensen met een bijzondere kwetsbaarheid (punt 24 van bijlage VI van de verordening). Voor wat betreft die laatste groep wordt de bescherming van zwangeren en kleine kinderen concreet benoemd (punt 3 van de considerans van de verordening) Het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) beoordeelt volgens internationale afspraken en de in genoemde verordening verankerde criteria of gewasbeschermingsmiddelen en biociden — bij juist gebruik — veilig zijn voor mens, dier en milieu en of ze werkzaam zijn. Op grond van deze beoordeling besluit het college of het middel in Nederland verkocht en gebruikt mag worden.

Daarbij stelt het ook duidelijke voorschriften verplicht, die

minimaal op het etiket moeten staan (het zogenaamde wettelijk gebruiksvoorschrift). Het gebruiksvoorschrift schrijft niet alleen de toepassingswijze voor (professioneel en/of particulier gebruik, aantal toepassingen per jaar, toepassingsintervallen, veiligheidstermijn - d.w.z.

minimale

termijn tussen toepassing en oogst etc.), maar hierin is ook gelimiteerd voor welke doelstellingen en voor welke teelten een middel mag worden ingezet.

+ Wageningen University & Research, rapport ‘Driftblootstelling van omstanders en omwonenden door boomgaard bespuitingen” (PRI-rapport 609, mei 2015)

Adromi 8..

wil/R202317/2302c

Pagina 5 van 42

Spuitzone onderzoek Spekstraat Den Dungen

|

Voorgaande betekent dat in het kader van onderhavige rapportage geen rekening behoeft te worden gehouden met toegelaten gewasbeschermingsmiddelen welke als schadelijk voor de volksgezondheid mogen worden beschouwd bij toepassing volgens het gebruiksvoorschrift. In onderhavige rapportage wordt overigens enkel het professionele gebruik van gewasbeschermingsmiddelen beschouwd in bedrijfsmatige context. Particulier gebruik en professionele inzet van gewasbescherming in niet agrarisch cq. openbaar gebied (zoals op laanbomen, parkvegetatie, sportvelden en begraafplaatsen) is niet beschouwd 13.

_ Representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden

Op basis van rechtspraak dient bij het bepalen van de invloed van toepassing van gewasbeschermingsmiddelen op het woon- en leefklimaat te worden uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden. Deze invulling dient representatiefte zijn in die zin dat in principe geen rekening hoeftte worden gehouden met een ingrijpende, of anderszins niet voor de hand liggende, omschakeling in de bedrijfsactiviteiten. De invulling dient daarentegen maximaal te zijn in relatie tot de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. dem dient rekening te worden gehouden met een maximale invulling van de beoogde gevoelige bestemmingen. Doel van deze aanpak is een worstcase benadering waarbij rekening wordt gehouden met de bestemde exploitatiemogelijkheden zonder dat dit mag leiden tot een woon- en leefklimaat dat niet aanvaardbaar is, gelet op hiermee mogelijk samenhangende gezondheidseffecten (ook op de lange termijn) 14.

_ Context rapportage

In onderhavig rapport is gebruik gemaakt van het verspreidingsmodel van de European Food Safety Authority (EFSA-model). Dit EFSA-model kan worden beschouwd als het Europese standaard verspreidingsmodel. Het EFSA-model is gebaseerd op diverse publicaties van wetenschappelijk onderzoek naar drift (onbedoelde verspreiding van gewasbeschermingsmiddelen bij toepassing daarvan) voor passanten en omwonenden

alsook op publicaties over de blootstellingsrisico’s voor

personen werkzaam op het gewasperceel zelf (al dan niet bij toepassing van die gewasbeschermingsmiddelen of bij andere werkzaamheden zoals oogsten).

Het EFSA model i

ontworpen om invulling te geven aan een beoordeling volgens de eisen en randvoorwaarden welke

zijn vastgelegd in genoemde Verordening 528/2012/EU Het model beschouwt zowel de directe blootstelling aan drift via inademing (inhalatie) en opname via de huid (dermaal) als indirecte blootstelling in de vorm van opname via de mond van aan drift blootgestelde objecten.

Met het model kunnen de effecten op volwassenen alsook op kinderen in

beeld gebracht worden. Kinderen ouder dan één jaar en jonger dan drie jaar worden daarbij als de meest kwetsbare categorie beschouwd. Het model biedt evenwel geen inzicht in cumulatieve effecten van blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen noch houdt het model rekening met eventuele gecombineerde werking

Adromi 8..

wil/R202317/2302c

Pagina 6 van 42

Spuitzone onderzoek Spekstraat Den Dungen

|

(zoals cumulatie, synergisme of antagonisme) tussen gewasbeschermingsmiddelen onderling. Het model biedt evenmin inzicht in mogelijke blootstellingseffecten op mensen met een andere bijzondere kwetsbaarheid. Het EFSA-model is hiervoor niet ontworpen, aangezien het aansluit bij

internationale standaarden omtrent blootstelling aan stoffen*. Het model is ontworpen om de maximale blootstellingsgrenswaarden die zijn vastgesteld voor afzonderlijke werkzame stoffen in gewasbeschermingsmiddelen als uitgangspunt te bepalen op basis van de fysische eigenschappen van een middel. via voedsel in beeld te brengen.

Het model biedt niet de mogelijkheid om blootstelling

Hiervoor heeft EFSA andere modellen ontworpen.

Met het EFSA-model is het tot slot niet mogelijk om afscherming van drift middels een haag of een scherm

te modelleren

Het EFSA-model kan worden beschouwd als stand der wetenschap.

Het model zal uit de aard der zaak

onderhevig zijn aan wijzigingen indien nieuwe wetenschappelijke inzichten daar aanleiding voor geven.

Met het rekenmodel zijn meerdere gewasbeschermingsmiddelen beoordeeld welke als representatief kunnen worden beschouwd voor de invulling van de maximale planologische situatie 15.

Opzet rapportage

In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op het projectperceel en de omgeving daarvan, waarbij de aandacht uitgaat naar omliggende gronden waar bedrijfsmatig (professioneel gebruik) gewasbeschermingsmiddelen kunnen worden toegepast. In hoofdstuk 3 wordt nader ingegaan op de n deze context relevante regelgeving in relatie tot de vraag wat dient te worden beschouwd als de representatieve invulling van de maximale planologische situatie.

Dat wordt uit de aard der zaak bepaald aan de hand van het geldende planologische regime

Echter, ook de relevante milieuregelgeving en daarmee samenhangend regelgeving ten aanzien van oppervlaktewater is in die context relevant. De wettelijke gebruiksvoorschriften van het Ctgb komen aan de orde in hoofdstuk 4, bij de behandeling van de gewasbeschermingsmiddelen welke als representatief worden beschouwd voor de bepaling van de zogenaamde spuitzone. In hoofdstuk 5 komen de uitkomsten van de modelberekeningen aan de orde.

Hoofdstuk 6 bevat de conclusies ten aanzien van de aan te houden

acceptabele afstanden

* Zoals 0.m. ook wordt gehanteerd door de European Chemicals Agency (Echa).

Adromi B.V.

wil/R202317/2302c

Pagina 7 van 42

Spuitzone onderzoek Spekstraat Den Dungen

|

2.

Locatie, omgeving en (bouw)plan

21.

Projectlocatie en omgeving

Het projectgebied heeft betrekking op gronden gelegen tussen de kern van Den Dungen aan de westzijde en de Zuid-Willemvaart aan de oostzijde. Het gebied kenmerkt zich door functiemenging, waarbij er sprake is van woningen, reguliere bedrijven en enkele agrarische bedrijven. De overige eronden zijn overwegend in gebruik voor agrarische doeleinden. De locaties die zijn gelegen zijn kadastraal bekend als: gemeente Den Dungen, sectie G, nummers: -

1375 en 1376 (gedeeltelijk) - Spekstraat 3a - herbestemming bestaande agrarische bedrijfswoning;

- _ 1438- Spekstraat naast 3a - één nieuwe woning;

-

1422 (gedeeltelijk) - Spekstraat t.0. 3a - twee nieuwe woningen;

-

1420 en 1421 (gedeeltelijk) - Spekstraat 6 - herbestemming bestaande agrarische bedrijfswoning;

-

653 en 210-- Spekstraat 9 - twee nieuwe woningen en herbestemming bestaande agrarische bedrijfswoning;

Overige ontwikkelingen hebben geen betrekking op gronden gelegen binnen 50 meter tot de gewaspercelen van de indiener van de zienswijze. Verwezen wordt naar figuur 2

Adromi B.V.

wil/R202317/2302c

Pagina 8 van 42

Spuitzone onderzoek Spekstraat Den Dungen

Figuur 2: Situering projectgebied (bron:

2.2.

|

Kadaster/ ruimtelijkeplannen)

_ Agrarisch grondgebruik

Verwezen wordt naar figuur 3 voor een overzicht van de basisregistratie gewaspercelen. Hieruit blijkt dat sprake is van diverse tuinbouw- en akkerbouwgewassen. Daarnaast is sprake van een appelboomgaard en diverse graspercelen. Bedoelde basisregistratie vormt een momentopname en geeft enkel een indicatie van bestaand agrarisch grondgebruik.

Adromi B.V.

wil/R202317/2302c

Pagina 9 van 42

Spuitzone onderzoek Spekstraat Den Dungen

|

| ‘ \

Figuur3: Basisregistratie gewaspercelen 2022, woonbestemmingen globaal rood omlijnd, groen betreft grasland, geel gewaspercelen (bron: 23.

PDOK]

Water

Blijkens de Legger Wateren van het waterschap de Dommel is sprake van een primaire watergang, de Dungensesloot, gelegen aan de westzijde van de Spekstraat. Verder is sprake van een secundaire watergang BEDO-1115 ten zuiden van de nieuwe woonbestemming op de Spekstraat naast 34 (perceel

1438). Zie hiervoor figuur 4. Blijkens de legger Wateren van het Waterschap Aa en Maas is in zijn beheersgebied geen sprake van relevante jaarrond watervoerende watergangen langs de diverse percelen. Ten oosten is op enige

afstand de primaire watergang 2060330 en 2060310 gelegen. Verwezen wordt naar figuur 5. De locatie is niet gelegen in grondwaterbeschermingsgebied.

Adromi B.V.

wil/R202317/2302c

Pagina 10 van 42

Spuitzone onderzoek Spekstraat Den Dungen

|

Figuur4: uitsnede legger Waterschap de Dommel (bron: WSD)

Figuur5: Uitsnede Legger wateren Aa en Maas, (bron: waterschap Aa en Maas)

Adromi B.V.

wil/R202317/2302c

Pagina 11 van 42

Spuitzone onderzoek Spekstraat Den Dungen 24.

|

_ Résumé feitelijke situatie

Samenvattend is feitelijk sprake van de volgende relevante omstandigheden: - _ Een ontwikkeling waarbij deels sprake is van bestaande woningen en deels nieuwe woningen; - _ Akkerbouw, tuinbouw en boomgaarden in de omgeving van de verschillende [ocaties; - _ Watergangen langs enkele woonpercelen. Bij de beoordeling van driftblootstelling dient evenwel te worden uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale planologische situatie.

Dit aspect zal in het volgende hoofdstuk aan de orde

komen.

Adromi B.V.

wil/R202317/2302c

Pagina 12 van 42

Spuitzone onderzoek Spekstraat Den Dungen 3. 3.1.

|

Representatieve invulling maximale planologische situatie _ Algemeen

Zoals aangegeven dient bij de bepaling van het risico op milieuhinderte worden uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale planologische situatie.

Hiervoor is uiteraard primair het

bestemmingsplan relevant dat geldt voor de betrokken agrarisch in gebruik zijnde gronden. Echter ook bij de invulling van de (toekomstige) hindergevoelige functies dient te worden uitgegaan van de representatieve maximale planologische situatie, n de gegeven omstandigheden de nieuwe woonfuncties.

Ter verdere bepaling van de maximale representatieve invulling dient ook te worden ingegaan op de regelgeving welke relevant is bij toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Dit betreft de milieuregelgeving welke is opgenomen in het Activiteitenbesluit milieubeheer ten aanzien van de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Tot slot zijn de al genoemde wettelijke gebruiksvoorschriften van het Ctgb relevant.

Deze

gebruiksvoorschriften komen niet aan de orde in dit hoofdstuk maar in hoofdstuk 4 waar nader wordt ingegaan op het (representatieve) gebruik van concrete gewasbeschermingsmiddelen 32.

Bestemmingsregeling betrokken gronden

Voor de gronden geldt het bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Michielsgestel’ van 25 januari 2013 Dit plan is aansluitend meerdere malen geactualiseerd en herzien: ‘Actualisatieplan Buitengebied’ — 24 augustus 2015 “Actualisatie Buitengebied Sint-Michielsgestel’ — 17 december 2015 ‘Buitengebied Sint-Michielsgestel, herstelplan’

— 14 september 2017

‘Buitengebied Sint-Michielsgestel 2° actualisatie’ — 14 juni 2018 Verwezen wordt naar figuur 6 Daarnaast is zoals aangegeven de onderhavig ontwerp bestemmingsplan 'Buitengebied SintMichielsgestel, 3e actualisatie’ met ingang van 16 december 2022 in procedure gebracht (versiedatum 13 december 2022)

3.2.1.

Omliggende gronden

De omliggende agrarische gronden zijn aangeduid voor ‘agrarisch', ‘besloten gebied’ ‘historisch landschappelijk gebied’ en ‘reconstructiewetzone — verwevingsgebied’ alsook deels voor ‘archeologische verwachtingswaarde 2 en 'Waarde — archeologie 4’ Op grond van de aanduiding voor agrarisch is in principe een breed agrarisch grondgebruik toegelaten Echter vanwege de aanduidingen voor ‘besloten gebied’ en ‘historisch landschappelijk gebied’ is omzetting naar boomteelt en sierteelt gekoppeld aan een wabo-aanlegvergunningenstelsel (artikel

3.8.1 onder b van de planregels).

De aanleg van nieuwe boomgaarden is evenwel niet verboden®. Voor

$ Dit is overigens wel de bedoeling van het ontwerp bestemmingsplan, zie paragraaf 3.3.

Adromi 8..

wil/R202317/2302c

Pagina 13 van 42

Spuitzone onderzoek Spekstraat Den Dungen

|

teeltondersteuning kan een seizoensgebonden vergunning worden verleend tot een hoogte van 3

meter (en 5 meter voor hagelnetten). Naast agrarisch grondgebruik mogen gronden met deze bestemming ook worden gebruikt voor agrarisch natuurbeheer en/of landschapsbeheer, extensieve recreatie en ontsluitingen (voor zover gelegen binnen een bouwvlak zijn er meer functies toegelaten, maar dat is hier niet aan de orde). Op grond van de aanduidingen voor archeologie wordt een archeologische verwachtingswaarde beschermd, De grens ligt hier op 0,3 respectievelijk 0,5 m -MV. Bij diepere bodemingrepen dient deze verwachtingswaarde te worden onderzocht.

+e 9 +

+

*# A e

X

f

f

KM

EAK

K++ ki k K E

x x

x x

-

4

DC

e ® < y e e G LZ

, LAE

4

£

f#

+

i

+ +A x x

x

n _

Figuur 6: uitsnede ‘Buitengebied Sint-Michielsgestel’, met daarin zichtbaar de betreffende nieuwe woonbestemmingen van het ontwerp

3.2.2.

‘Buitengebied Sint-Michielsgestel, 3e actualisatie”

Conclusie

Er is sprake van een brede agrarische bestemming.

In de context van onderhavige rapportage kan

worst case worden uitgegaan van teelt in boomgaarden, aangezien dat een teelt is waarbij opwaarts

of zijwaarts kan worden gespoten, hetgeen het grootste risico op drift geeft.

Adromi B.V.

wil/R202317/2302c

Pagina 14 van 42

Spuitzone onderzoek Spekstraat Den Dungen 3.3.

|

(Bouw)plan

Naast de betrokken woonbestemmingen omvat het ontwerp bestemmingsplan ook de herbestemming van agrarische bouwvlakken tot regulier agrarisch gebied (wegbestemmen bouwvlakken).

Het ontwerp bevat geen regels ter beperking van het gebruik van

gewasbeschermingsmiddelen op deze gronden. Van belang hierbij is verder, dat tevens een aantal bestaande agrarische bedrijfswoningen zullen worden herbestemd als reguliere burgerwoning. Deze wijziging van de planologische status van deze woningen heeft in principe geen gevolgen voor de mate van bescherming die deze woningen toekomt tegen een risico op driftblootstelling. Immers, dit zou enkel het geval zijn indien dit uitdrukkelijk is

vastgelegd in een wettelijke regeling’, hetgeen niet het geval is voor wat betreft driftblootstellingsrisico. Dit betekent dat deze woningen ondanks statuswijziging een ongewijzigde potentiële beperking zullen blijven vertegenwoordigen voor de exploitatiemogelijkheden van omliggende agrarische gronden. Via onderhavig ontwerp bestemmingsplan is het tevens de bedoeling om naast boomteelt en sierteelt ook nieuwe fruitteelt afhankelijk te stellen van een wabo-aanlegvergunningplicht met het o0g op de bescherming van landschap en natuur (artikel 3.8.2 van het ontwerp). 34.

_ Activiteitenbesluit

milieubeheer

Als een bedrijf geen relevante bestrijdingsmiddelen zou toepassen (biologische productie en/of met

zogenaamde laag risico stoffen®, alternatieve bestrijding van plagen), dan hoeft uit de aard der zaak ook geen spuitzone te worden aangehouden. Echter in het kader van dit onderzoek dient het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen als maximale representatieve invulling van de planologische mogelijkheden te worden beschouwd. Relevant hierbij is verder dat biologische gewasbeschermingsmiddelen ook toelating van het Ctgb nodig hebben voor professionele toepassing, waarbij voor die middelen eveneens maximaal acceptabele blootstellingsnormen gelden. Bij bedrijfsmatige toepassing van gewasbeschermingsmiddelen dient te worden voldaan aan het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Hierbij geldt verder dat bepaalde gewasbeschermingsmiddelen enkel

voor professionele toepassingen zijn toegelaten en niet voor huis-, tuin- en keukengebruik.

In een

dergelijke hobbymatige context zal verder hoogstens sprake zijn van individuele handmatige bespuitingen, niet van integrale behandeling van een perceel (rijbehandeling met een spuitmachine). 3.4.1.

Driftreductie

In artikel 3.78a, lid 1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer is vastgelegd dat in ieder geval een driftreductie moet worden bereikt van 75%, bepaald volgens Meetprotocol voor het vaststellen van de

7 Zoals bijvoorbeeld wel het geval s voor andere milieuaspecten, zoals: 1}

voor geluid: geluidgevoelige objecten, gelegen op industrieterrein in de zin van de Wet geluidhinder, woningen gelegen op bedrijventerrein (0.m. artikel 2.17, lid 3 Activiteitenbesluit milieubeheer);

2}

voor risico: beperkt kwetsbare objecten die onderdeel uitmaken van een risicovolle inrichting (artikel 1,

3)

lid 2 Besluit externe veiligheid inrichtingen); voor geur: woningen behorende tot een veehouderij (artikel 3, lid 2 Wet geurhinder en veehouderij)

3 Gewasbeschermingsmiddel dat blijkens toelating voldoet aan de criteria van bijlage II, punt 5 van Verordening EU/1107/2009.

Adromi B.V.

wil/R202317/2302c

Pagina 15 van 42

Spuitzone onderzoek Spekstraat Den Dungen

|

driftreductie van neerwaartse en op- en zijwaartse spuittechnieken, versie van 1 juli 2017 (artikel

3.783, lid 2 Activiteitenbesluit milieubeheerjo. artikel 3.81 Activiteitenregeling - Rarim)?. In het Activiteitenbesluit milieubeheer wordt ook het toepassen van een emissiescherm (artikel 3.79, lid 7 onder b ten 2°) of vanggewas (artikel 3.80a, lid 2, onder a) als alternatief gezien voor het aanhouden van een teeltvrije zone, zodat dit effectief als een driftbeperkende maatregel kan worden gezien 3.4.2.

Teeltvrije zone

Op grond van het Activiteitenbesluit worden aanvullende beperkingen gesteld aan de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen op korte afstand van oppervlaktewater, in de vorm van een teeltvrije zone en/of aanvullende driftreducerende technieken.

Uitgaande van artikel 3.80 van het Activiteitenbesluit milieubeheer dient voor diverse laagblijvende teelten (neerwaarts spuiten) te worden uitgegaan van een teeltvrije zone van 1 meter overeenkomstig artikel 3.80, lid 1 onder b van het Activiteitenbesluit milieubeheer, mits een driftreductie wordt bereikt van 90%. Zou gekozen worden voor een standaard driftreductie van 75%, dan dient een teeltvrije zone van 1,50 meter te worden aangehouden. Voor handmatige spotsgewijze onkruidbestrijding met afscherming geldt in principe geen teeltvrije zone.

Er is zoals aangegeven sprake van watergangen langs de perceelgrens van enkele nieuwe woonbestemmingen en agrarisch bestemde gronden.

Langs die watergangen dient rekening te

worden gehouden met een teeltvrije zone.

3.4.3.

Vanggewas en scherm

Een vanggewas is in het Activiteitenbesluit milieubeheer gedefinieerd als zijnde “een barrière van bomen, struiken of andere gewassen, die het verwaaien van spuitvloeistof bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen of bladmeststoffen naar een oppervlaktewaterlichaam beperkt” Een emissiescherm wordt in het Activiteitenbesluit gedefinieerd als: "scherm ter beperking van het verwaaien van spuitvloeistofbij het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen of bladmeststoffen”. Uit artikel 3.82, lid 1a jo. artikel 3.79 lid 5 en 3.80, lid 2 van de Activiteitenregeling dient een scherm of vanggewas minimaal 50 centimeter hoger te zijn dan de gewashoogte. In het kader van onderhavige rapportage wordt ervan uitgegaan dat (nog) geen scherm of vanggewas wordt toegepast, maar dat driftreductie volgens het Activiteitenbesluit milieubeheer plaatsvindt. Dit omdat geen vanggewas of scherm aanwezig is rondom de overige agrarisch bestemde percelen.

° Door toepassing van bijvoorbeeld een tunnelspuit, een dwarsstroomspuit of axiaalspuit met schermen aan de installatie zelf of driftarme doppen. Het Activiteitenbesluit bevat op dit punt een aanvullende regeling voor wat betreft de toe te passen spuitdoppen (artikel 3.83, lid 4 Activiteitenbesluit milieubeheer).

Adromi B.V.

wil/R202317/2302c

Pagina 16 van 42

Spuitzone onderzoek Spekstraat Den Dungen 35.

|

Résumé representatieve invulling van de maximale planologische situatie

Samenvattend kan -worst case- worden uitgegaan van: -

Teelt in boomgaarden op de agrarisch bestemde gronden in de omgeving (opwaarts of zijwaarts spuiten, integrale machinale gewasbehandeling) en geen tussengelegen jaarrond watervoerende watergangen;

- _ Driftreductie van 75% overeenkomstig het Activiteitenbesluit milieubeheer (worst case wordt modelmatig uitgegaan van 50% driftreductie); In volgend hoofdstuk wordt ingegaan op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in het licht van de door het Ctgb vastgestelde wettelijke gebruiksvoorschriften.

Adromi B.V.

wil/R202317/2302c

Pagina 17 van 42

Spuitzone onderzoek Spekstraat Den Dungen 4 41.

|

Spuitzones _ EFSA-model

Voor de beoordeling van de onderhavige situatie is gebruik gemaakt van het zogenaamde EFSArekenmodel. Op 17 oktober 2014 heeft de European Food Safety Authority (EFSA) een handreiking vastgesteld voor de beoordeling van blootstelling aan pesticiden. Op 24 april 2015 is een herziening hiervan gepubliceerd.

In januari 2022 is de geüpdatete handreiking gepubliceerd met bijbehorende

(online) versie van de EFSA-OPEX calculator. Deze openbaar beschikbare calculator kan worden gebruikt voor een beoordeling van de driftblootstelling bij het gebruik van bestrijdingsmiddelen (bespuiten van gewassen).

Het EFSA-

rekenmodel biedt de mogelijkheid om de maximale blootstelling te bepalen van medewerkers, omwonenden, passanten en personen die recreatief verblijven op en in de nabijheid van terreinen waar bestrijdingsmiddelen worden toegepast.

De handreiking en het rekenmodel n

tot stand

gekomen op basis van bijdragen van experts uit alle Europese landen op basis van tal van onderzoeksgegevens en studies. Het rekenmodel is gebaseerd op meerdere modellen en databases. Voor de omwonenden

is gebruik

gemaakt van BREAM! in het geval van landbouwgronden en van Lloyd et al. (1987)! in het geval van boomgaarden.

Tevens wordt Lloyd et al. (1987) in EUROPOEM!? gebruikt vanwege de representatieve omstandigheden.

EUROPOEM werd ontwikkeld om de blootstelling te beoordelen van

bestrijdingsmiddelen op de toepassers ervan en is ook als basis gebruikt voor het EFSA-model. In het EFSA-model is een toepassingsmethode gekoppeld aan bepaalde gewassen: boomgaarden, andere opgaande gewassen of teelten met ondersteunende voorzieningen kunnen worden gemodelleerd als een vorm van ‘upward spraying’ en lagere gewassen, zoals diverse akker- en tuinbouwgewassen, heesters, groenten, knol- en bolgewassen, sierteeltgewassen en bloemen kunnen

19 Gebaseerd op meerdere studies: Butler Ellis MC, Lane AG, O'Sullivan CM, Miller PCH and Glass CR, 2010a. Bystander exposure to pesticide spray drift: new data for model development and validation Biosystems Engineering, 107, 162-168. Butler Ellis MC and

Miller PCH, 2010. The Silsoe Spray Drift Model: a model of spray drift for the assessment of non-target exposures to pesticides. Biosystems Engineering, 107, 169-177. Glass CR, Mathers JJ, Harrington P, Miller PCH, Butler Ellis C and Lane A, 2010.

Generation of field data for

bystander exposure and spray drift with arable sprayers. Aspects of Applied Biology, 99, 271-276 Glass CR, MathersJ, Hetmanski MT, Sehnalova M and Fussell R/, 2012. Development of techniques to measures vapour concentrations of pesticides to determine potential bystander & resident exposure. Aspects of Applied Biology, 114, 79-86. Kennedy MC, Butler Ellis MC and Miller PCH, 2012. Probabilistic risk assessment of bystander and resident exposure to spray drift from an agricultural boom sprayer. Aspects of Applied Biology, 114, 87-90.

*! Lloyd GA, Bell G/, Samuels SW, Cross JV and Berry AM, 1987. Orchard sprayers: comparative operator exposure and spray dríft study. Agricultural Science Service, Agricultural Development and Advisory Service,

Ministry of Agriculture Fisheries and Food, UK

22 Van Hemmen JJ, 2008, Addendum to the TNO Report V7333: effective personal protective equipment (PPE) Default setting of PPE for registration purposes of agrochemical and biocidal pesticides.

Covering the literature

published in the period 2005 to early 2008. TNO Quality of Life, TNO Chemistry, Food & Chemical Risk Analysis, Chermnical Exposure assessment, Zeist, The Netherlands

Adromi B.V.

wil/R202317/2302c

Pagina 18 van 42

Spuitzone onderzoek Spekstraat Den Dungen

|

worden gemodeleerd als ‘downward spraying’. Onkruidbestrijding vormt uit de aard der zaak een vorm van ‘downward spraying’ aangezien daarbij het te telen gewas zelf niet wordt behandeld 411

Driftreductie

In het model kan verder rekening gehouden worden met toepassing van driftreducerende technieken, welke in de onderhavige situatie ook verplicht zijn vanwege gebruiksvoorschriften en/of het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Het EFSA-model hanteert een lagere driftreductie van óf 0% óf 50%

In tegenstelling tot de 75% of 90% waar het Activiteitenbesluit in Nederland toe verplicht, hetgeen van

belang is bij de beoordeling van de berekeningsresultaten van dit model3.

Immers gelet op de

driftreductie die het Activiteitenbesluit verplicht stelt, zal het EFSA-model leiden tot een overschatting van de driftblootstelling. 4.1.2.

Invloed van wind

Verder wordt in het model rekening gehouden met de factor wind, hetgeen is gebaseerd op de ‘Code

of practice for using plant protection products’!* van het Britse Department for Environment, Food and Rural Affairs.

In voornoemd document wordt onderscheid gemaakt in verschillende ‘spraying

conditions’, te weten acceptabel, ideaal, risicovol etc. BREAM en gevolglijk het EFSA-model maken

gebruik van een windsnelheid van 2,7 m/s*, wat in de Code of practice als bovengrens geldt voor acceptabele spuitcondities. Uit artikel 3.83, lid 5 van het Activiteitenbesluit volgt een verbod op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij een windsnelheid groter dan 5 m/s. Hieruit volgt dat er situaties kunnen voorkomen waarbij bestrijdingsmiddelen worden gespoten bij een hogere windsnelheid dan in het EFSA-rekenmodel wordt beschouwd.

In Nederland ligt de jaargemiddelde windsnelheid tussen de

2,2 m/s landinwaarts tot 5,6 m/s aan de kust!®. Een windsnelheid van 2,7 m/s, zoals in het EFSA-model wordt gehanteerd, kan als representatief worden gehanteerd voor een scenario waarin langdurige blootstelling dient te worden beschouwd, mede in aanmerking nemend dat bij hogere windsnelheden de blootstelling /ager zal zijn. Immers bij

een maximale windsnelheid van 5 m/s77 volgens het Activiteitenbesluit wordt drift verspreid over een

groter oppervlak, waardoor verdunning optreedt en de belasting op een individuele locatie afneemt!®.

*3 EFSA, Guidance on the assessment of exposure of operators, workers, residents and bystanders in risk assessment for plant protection products, EFSA Journal 2014;12(10):3874, 25

H https://www.hse.gov.uk/pesticides/using-pesticides/codes-of-practice/code-of-practice-for-using-plantprotection-products.htm, paragraaf 4.7.3 ’ Circa 2 bft

’6KNMI, Klimaatviewer 1991-2020, https://www.knmi.nl/klimaat-viewer/grafieken-tabellen/meteorologischestations/stations-maand/stations-maand_1991-2020, voor Den Dungen kunnen de meetdata van weerstation

Gilze Rijen als representatief worden beschouwd en kan worden uitgegaan van gemiddelde windsnelheden tussen 3,2 en 4,5 m/s, zie verder de windkaart https://www.knmi.nl/klimaat-viewer/grafiekentabellen/klimaattabellen-per-station/gilze-rijen/klimaattabel

schiphol

1991-2020

#7 Circa 3 bft

*8 Ook bij hogere windsnelheden dient te worden voldaan aan de vereiste driftreductie, zodat bij hogere windsnelheden geen grotere drift mag ontstaan dan bij lagere windsnelheden, terwijl de maximale dosis per toepassing/teeltseizoen ook is gemaximeerd in de gebruiksvoorschriften.

Adromi B.V.

wil/R202317/2302c

Pagina 19 van 42

Spuitzone onderzoek Spekstraat Den Dungen

|

Het EFSA-model rekent daarbij standaard driftblootsteling uit vanuit een meewindsituatie.

Ook op dît

vlak leidt deze conservatieve aanname uit het EFSA-model qua windbelasting tot een overschatting van de driftblootstelling. 42.

Invoergegevens

Op basis van het toelatingenregister van het Ctgb is duidelijk dat bij de betrokken teelt(en) tal van gewasbeschermingsmiddelen kunnen worden toegepast. In een representatieve situatie zal preventief kunnen worden gespoten tegen schimmelziekten en zal periodiek worden gespoten tegen onkruiden. Hierbij zullen voor een teeltseizoen meestal maar één of twee min of meer vaste middelen nodig zijn Verder zal sprake zijn van een meer gerichte bestrijding van insecten. Toepassing van gewasbescherming zal hierbij meer ad hoc zijn, waarbij de keuze van het middel ook meer afhankelijk is van de soort plaag. Op dit vlak is daarom een selectie gemaakt van diverse middelen die als representatief kunnen worden

beschouwd

42.1.

Teppeki

voor de betrokken

TEPPEKI (toelatingsnummer:

situatie.

12757N expiratiedatum:

1 mei 2024)is een in water dispergeerbaar

granulaat dat wordt gebruikt voor de bestrijding van luizen voor een breed scala aan gewassen,

waaronder in boomgaarden’3.

Voor de invoer van de gegevens in het EFSA-model, is uitgegaan van de volgende gegevens?:: - _ Werkzame stof: flonicamid (50%) -

Opwaarts spuiten

- _ Spuittechniek: DRT 50

- _ Watervolumeschaal: 500 tot 1.000 |/ha'®

- _ Halfwaardetijd (DTo): 2,6 dagen*” - _ Acceptable Operator Exposure Level (AOEL): 0,025 mg/kg bw/day?! - _ Dermale opname actieve stof: 7,46% concentraat en 13% verdunning - _ Orale en inhalatoire opname actieve stof: 100% (worst case - standaardwaarde)

-

Dampdruk: 2,55x10%Pa (25°C}2!

De maximaal toegelaten dosering alsmede de hoeveelheid behandelingen per jaar bedraagt maximaal

0,14 kg/ha per middeldosis met 3 behandelingen per 12 maanden en een tussenliggend interval van 21 dagen!s. 42.2.

Roundup

Roundup (toelatingsnummer: 6483N expiratiedatum: 15 december 2024) is een met water mengbaar concentraat en veel toegepaste herbicide.

Het middel wordt zowel pleksgewijs toegepast als voor het

3 Ctgb, gebruiksvoorschrift TEPPEKI, 2 augustus 2019 2 Betreft de hoogste halfwaardetijd van een van de metabolieten van flonicamid, TENA-AM. Zie volgende voetnoot voor bronvermelding.

?! European Food Safety Authority (EFSA).(2010). Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance flonicamid.

Adromi B.V.

EFSA Journal; 8(5):1445

wil/R202317/2302c

Pagina 20 van 42

Spuitzone onderzoek Spekstraat Den Dungen

|

integraal doodspuiten. In onderhavige rapportage is worstcase uitgegaan van integrale behandeling voorafgaand aan het seizoen en níet van spotsgewijze toepassing, Voor de invoer van de gegevens in het EFSA-model, is uitgegaan van de volgende gegevens bij onbedekte teelt??:

- _ Werkzame stof: 360 g/l ofwel 36% glyfosaat (CAS-nummer 1071-83-6) - _ Neerwaarts spuiten

-

Spuittechniek:

DRT 50

- _ Watervolumeschaal: 200-400 |/ha - _ Halfwaardetijd (DTso): 500 dagen

-

Acceptable Operator Exposure Level (AOEL): 0,1 mg/kg bw/day?2

- _ Dermale opname actieve stof: 1% voor concentraat en 1% voor verdunning - _ Orale en inhalatoire opname actieve stof: 20%

-

Dampdruk: 1,31x10%

Pa (25°C)

Voor de toepassing van Roundup binnen akkerbouwgewassen, fruitgewassen en sierteeltgewassen

geldt het wettelijk gebruiksvoorschrift2? op grond waarvan deze maximaal 6 I/ha mag worden toegepast per behandeling. Het maximaal aantal toepassingen per teeltcyclus bedraagt 1x per 12 maanden. Er geldt geen interval tussen de toepassingen. 4.2.3.

VSM Captan 80 WG

Voor het spuiten van VSM Captan 80 WG? (toelatingsnummer 15585, expiratiedatum: 1 juni 2024) als in water dispergeerbaar granulaat geldt een wettelijk gebruiksvoorschrift dat gebruik toelaat voor de onbedekte teelt van diverse gewassen, waaronder teelt in boomgaarden. tegen schimmels (schurft in fruitbomen).

Het betreft een midde!

De werkzame stof is captan. Daarbij is relevant dat het

middel ook buiten de volbladperiode wordt toegepast, waardoor drift groter kan zijn

Voor de invoer van de gegevens in het EFSA-model, is uitgegaan van de volgende gegevens®: - _ Werkzame stof: captan 80% - _ Opwaarts spuiten

-

Spuittechniek: DRT SO

- _ Watervolumeschaal: 300 tot 1.000 |/ha - _ Halfwaardetijd (DT;0): 5,7 dagen - _ Acceptable Operator Exposure Level (AOEL): 0,25 mg/kg bw/day - _ Dermale opname actieve stof: 0,8% concentraat en 12% verdunning - _ Orale en inhalatoire opname actieve stof: 100% (worst case - standaardwaarde)

-

Dampdruk: 4,2x10°Pa (20°C)

2 EFSA, EFSA (European

Food Safety Authority), 2015. Conclusion

risk assessment of the active substance glyphosate.

on the peer review of the pesticide

EFSA Journal 2015; 13 (11):4302, 107 pp.

doi:10.2903/j.EFSA.2015.4302

2 Ctgb, Gebruiksvoorschrift Roundup, W.17 11 november 2016 ++ Ctgb, gebruiksvoorschrift VSM Captan 80 WG 15585 N, 2 maart 2018 European Food Safety Authority (EFSA].(2020). Peer review of the pesticide risk assessment of the active substance captan, EFSA Journal;18(9:6230

Adromi B.V.

wil/R202317/2302c

Pagina 21 van 42

Spuitzone onderzoek Spekstraat Den Dungen

|

De maximale dosering verschilt hierbij per gewas, maar representatief voor boomgaarden is een

maximale toepassing van 1,5 kg/ha n 5 toepassingen per jaar met een interval van 10 dagen? 4.24.

Switch

Switch (toelatingsnummer: 12819 expiratiedatum: 31 oktober 2023) is een in water dispergeerbaar granulaat en wordt als fungicide gebruikt voor een breed scala aan gewassen, waaronder de fruitteelt

Gebruik van het middel is niet toegelaten in grondwaterbeschermingsgebieden?5. Voor de invoer van de gegevens in het EFSA-model, is uitgegaan van de volgende gegevens:

- _ Werkzame stoffen: fludioxoniP7 25% en cyprodinil? 37,5% -

Opwaarts spuiten Spuittechniek: DRT 50

- _ Watervolumeschaal: 250 tot 1.200 |/ha

- _ Halfwaardetijd (DTso) o fludioxonil: 148 dagen o cyprodinil: 43 dagen - _ Acceptable Operator Exposure Level (AOEL) o fludioxonil: 0,03 mg/kg bw/day

o

cyprodinil: 0,59 mg/kg bw/day

- _ Dermale opname actieve stof o fludioxonil: 0,5% concentraaten 6% verdunning o cyprodinil: 0,3% concentraat en 1,7% verdund - _ Orale en inhalatoire opname actieve stof: 100% (worst case - standaardwaarde) Dampdruk

o o

fludioxonil: 4,7 -5,1 x 10%Pa (25°C) cyprodinil: 3,9x 107 (25°C)

Voor boomgaarden bedraagt de maximale middeldosis per behandeling 0,8 kg/ha. Er zijn maximaal 3 behandelingen per 12 maanden toegelaten met een tussenliggend interval van 10 dagen 4.3.

_

Resultaten

EFSA

De effecten van drift van de hiervoor genoemde gewasbeschermingsmiddelen zijn via het EFSA-model in beeld gebracht. 4.3.1.

Rekenafstanden

De driftblootstelling kan voor neerwaarts spuiten worden berekend op afstanden van 2-3 meter, S meteren 10 meter, gerekend uit de rand van het behandelde gewas.

Voor opwaarts spuiten kan de

driftblootstelling worden berekend op afstanden van 5 en 10 meter. Het EFSA-model biedt inzicht hoe gewasbeschermingsmiddelen via blootstelling aan drift via verschillende routes door het menselijk organisme kunnen worden opgenomen: - _ Inhalatoir, dus door inademing van aërosolen en dampen;

2 Ctgb, gebruiksvoorschrift Switch, 21 september 2018 77 European Food Safety Authority (EFSA) (2007). Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance fludioxonil.

EFSA Journal; 110, 1-85

8 Eyropean Food Safety Authority (EFSA) (2005]. Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance cyprodinil.

Adromi B.V.

EFSA Journal; 51, 1-7

wil/R202317/2302c

Pagina 22 van 42

Spuitzone onderzoek Spekstraat Den Dungen -

|

Oraal, bijvoorbeeld doordat dingen in de mond worden gestoken welke zijn blootgesteld aan

gewasbeschermingsmiddelen (met name relevant voor kinderen die meer handmondbewegingen maken en eerder geneigd zijn dingen in de mond te stoppen); - _ Dermaal, dus via de huid.

De blootstelling aan dampen wordt berekend aan de hand van Britse?? en Duitse methoden®°. De hand-mondblootstelling voor kinderen is gebaseerd op de Modified Californian Method?!*? en data van de Environmental Protection Agency van de Verenigde Staten (2001)°?. In het EFSA-model is voor onderhavige onderzoek de maximale blootstelling per jaar van kinderen van

1 tot 3 jaar in een woonsituatie’* bepalend, omdat kinderen gevoeliger zijn voor blootstelling aan gevaarlijke stoffen. Voor kinderen jonger dan één jaar is door de EFSA verondersteld dat blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen lager is, aangezien diverse blootstellingsroutes uit het rekenmodel, zoals hand-mond contact, voor deze groep niet plausibel worden geacht.

Dit punt komt nog nader, in

paragraaf 5.1, aan de orde. Op basis van het EFSA-rekenmodel heeft het Ctgb alle in Nederland toegelaten bestrijdingsmiddelen aan een herbeoordeling onderworpen.

De conclusie van het Ctgb was, dat zich bij geen van de

toegelaten bestrijdingsmiddelen een risico voordoet voor omwonenden®. Vanaf 1 januari 2016 worden de EUROPOEM-modellen niet meer gebruikt voor de beoordeling van bestrijdingsmiddelen, maar is het Ctgb overgeschakeld op het EFSA-model Hierbij is er steeds van uitgegaan dat de teeltpercelen (gronden waarop bestrijdingsmiddelen worden

toegepast) niet door de toekomstige bewoners zal worden betreden®, maar dat enkel de blootstelling aan drift in het plangebied zelf relevant is. De uitkomsten van de modelberekening zijn bij deze

rapportage gevoegd”.

2° CRD (The Chemical Regulation Directorate, UK), 2008. Bystander Exposure Guidance. * Martin , Westphal D, Erdtmann-Vourliotis M, Dechet F, Schulze-Rosario C, Stauber F, Wicke H and Chester G, 2008. Guidance for exposure and risk evaluation for bystanders and residents exposed to plant protection products during and after application Journal für Verbraucherschutz und Lebensmittelsicherheit, 3, 272-281.

*1 Fuller R, Klonne D, Rosenheck L, Eberhart D, Worgan J and Ross /, 2001. Modified California Roller for measuring transferable residues on treated turfgrass.

Bulletin of Environmental Contamination and Toxicology,

67, 787-794.

*2 Rosenheck L, Cowell J, Mueth M, Eberhart D, Klonne D, Norman C and Ross /, 2001.

Determination of a

standardized sampling technique for pesticide transferable turf residues. Bulletin of Environmental Contamination and Toxicology, 67, 780-786.

*3 US EPA (US Environmental Protection Agency), 2001. Science Advisory Council for Exposure, policy number 12, recommended revisions to the standard operating procedures (SOPs) for residential exposure assessments. Office of Pesticide Programs, Health Effects Division, Washington, DC, USA.

** Met name verblijf / spelen in de tuin. * Ctgb, brief d.d. 21 oktober 2015 aan de Staatssecretaris van het ministerie lenM, nummer 20L5LO0210t49, de achterliggende berekeningen zijn opgevraagd, maar niet verkregen.

3 ‘Entry into treated crops’

hierbij behoort het ook niet specifiek/noodzakelijkerwijs tot de woonsituatie ter

plaatse als de gewaspercelen conform de groenbestemming en/ofde bestemming voor zouden

worden

cultuur en ontspanning

betreden

? Een overzicht van de uitkomsten is in de bijlage toegevoegd als .pdf‚ maar de desbetreffende Excel-bestanden van de berekeningen met het EFSA-model behoren uitdrukkelijk ook tot onderhavige rapportage.

Adromi B.V.

wil/R202317/2302c

Pagina 23 van 42

Spuitzone onderzoek Spekstraat Den Dungen 4.3.2.

|

Uitkomsten

Tabellen hierna tonen de resultaten van het EFSA-model voor omwonenden van spuitzones, gebruikmakende van de invoergegevens uit paragraaf 4.2 De Acceptable Operator Exposure Level (AOEL) is in eerste instantie bedoeld voor de toepasser van gewasbeschermingsmiddelen, maar deze norm is ook gangbaar voor omwonenden. van dit onderzoek wordt deze norm dus gebruikt.

Ook in het kader

Bij percentages onder de 100% per

gewasbeschermingsmiddel wordt het blootstellingsniveau als acceptabel beschouwd. Het EFSA-model geeft resultaten voor zowel kinderen als volwassenen, maar omdat kinderen gevoeliger zijn voor blootstelling aan giftige stoffen (lager lichaamsgewicht, hogere opnamekans via hand / objecten / mond), worden de AOEL-waarden voor kinderen als bepalend geacht. Opwaarts spuiten is beschouwd voor de afstanden 5 meter en 10 meter, met uitzondering van de herbiciden, die uit de aard der zaak enkel neerwaarts spuitend worden toegepast.

Tobel 1: Berekende percentages van de ‘Acceptable Operator Exposure Level' (AOEL) waaraan een omwonend kind van 1 tot3 jaar kan worden blootgesteld zonder schadelijke gezondheidseffecten

Boomgaard (opwaartse toediening)

ITEPPEKI

Flonicamid

Roundup Glyfosaat VSM

Captan

switch

80

WG

Captan

Fludioxonil Cyprodinil

ITotaal

(50% driftreductie

36

34

Zoals blijkt vindt in ieder geval vanaf een afstand van 5 meter geen overschrijding van de AOEL plaats uitgaande van teelt in boomgaarden. De opgetelde percentuele blootstelling bedraagt bij wijze van indicatie 36% van het toelaatbare

maximum

Daarbijis in deze berekeningen een aanzienlijke marge gehanteerd (50% driftreductie in plaats van 75%, lagere gemiddelde windsnelheden, alleen meewindsituatie etc.) Hierbij moet tot slot worden opgemerkt dat teelt en gewasbehandeling met verschillende middelen uit de aard der zaak nooit gelijktijdig plaatsvinden en derhalve n zoverre niet voor cumulatieve drifthoeveelheden kunnen zorgen

Adromi B.V.

wil/R202317/2302c

Pagina 24 van 42

Spuitzone onderzoek Spekstraat Den Dungen 5.

|

Uitspraken Afdeling bestuursrechtspraak spuitzones

Op 19 oktober 20223 (Beuningen) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak een uitspraak gedaan waarin blootstelling aan stoffen in de context van de ruimtelijke ordening en het gebruik van het EFSA-model in het bijzonder aan de orde is gesteld. Aansluitend is deze uitspraak bevestigd in de uitspraak

Lentsesteeg Rheden*3. Op basis van het advies van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak’° komt de Afdeling bestuursrechtspraak in de uitspraak Beuningen tot de conclusie dat geen sprake kan zijn van goede

ruimtelijke ordening voor wat betreft driftblootstelling omdat sprake is van (te grote) wetenschappelijke onzekerheid over: - _ Effecten van blootstelling aan stoffen van mensen met een bijzondere kwetsbaarheid; - _ Cumulatieve en geaggregeerde blootstelling aan stoffen; - _ De factoren die in het EFSA-model gehanteerd worden voor bijvoorbeeld druppelverspreiding en nalevering van emissies door uitdamping; -

Verspreiding van drift nabij hoogbouw;

- _ Het driftreducerende effect van een windhaag. Op dit punt is van belang dat het EFSA-model de stand der wetenschap vertegenwoordigt, zowel als het gaat om de gehanteerde blootstellingsnormering als wanneer het gaat om driftverspreiding.

Gelet

hierop kan dít model ondanks de uitspraak nog steeds worden benut om de mate van driftblootstelling te beoordelen die maximaal kan optreden. Aansluitend lijkt de Afdeling zowel beide genoemde uitspraken alsook eerdere jurisprudentie weer te

hebben herroepen in de uitspraken van 2 november 2022° (Hooghoutseweg 27 Biezenmortel) en 25 januari 2023° (Zilkerbinnenweg 14 e.0.). Immers in beide uitspraken speelt de afstand van 50 meter tot gewaspercelen geen rol meer n de afwegingen.

De uitspraak Zilkerbinnenweg 14 baseert zich daarbij niet op locatiespecifiek onderzoek,

maar verwijst naar globaal onderzoek van RIVM (ogenschijnlijk heeft de Afdeling willen verwijzen naar

het zogenaamde OBO-rapport van RIVM3). De uitspraak Hooghoutseweg 27 Biezenmortel is gedaan zonder verwijzing naar enig onderzoek. Met zulke inhoudelijk strijdige uitspraken op zeer korte tijd na elkaar, zonder dat nader inzicht wordt gegeven in de vraag of inderdaad een breuk is beoogd met de lang staande jurisprudentie over - kort gezegd — locatiespecifiek onderzoek voor gevoelige ontwikkelingen binnen 50 meter tot gewaspercelen, betekent in ieder geval dat gesproken kan worden van een hoge mate van onzekerheid over de stand van de rechtspraak inzake blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen

* ECLI:NL:RVS:2022:3023

°9 ECLI:NL:RVS:2022:3387

*9 STAB 41286, 30 september 2021 # ECL:NL:RVS:2022:3160

*2 ECLI:NL:RVS:2023:269

*3 RIVM Rapport 2019-0052 Onderzoek Blootstelling Omwonenden (OBO) Bestrijdingsmiddelen en omwonenden Samenvattend rapport over blootstelling en mogelijke gezondheidseffecten

Adromi B.V.

wil/R202317/2302c

Pagina 25 van 42

Spuitzone onderzoek Spekstraat Den Dungen

|

bij ruimtelijke ontwikkelingen. Hierdoor kunnen moeilijk keuzen worden gemaakt over of locatiespecifiek onderzoek nog nodig is en zo ja waar dit onderzoek nog precies aan zou moeten worden voldoen.

In het navolgende wordt in ieder geval nader ingegaan op de factoren welke genoemd zijn in de uitspraak Beuningen, met uitzondering van het aspect hoogbouw wat in de gegeven situatie geen rol speelt.

5.1.

_ Bijzondere kwetsbaarheid

Het EFSA-model beschouwt de blootstelling van kinderen jonger dan 3 jaar maar ouder dan 1 jaar als bepalend voor blootstelling van mensen met een bijzondere kwetsbaarheid.

De reden hiervoor is

meerledig: - _ Inalgemene zin zijn kinderen meer kwetsbaar dan volwassenen omdat zij in de groei zijn en hun stofwisseling hierop is ingericht; - _ Kinderen in deze leeftijdscategorie hebben ten opzichte van oudere kinderen en volwassenen de verhoudingsgewijs grootste blootstelling (laag lichaamsgewicht bij gelijkblijvende

blootstellingshoeveelheid); - _ Kinderen in deze leeftijd zijn zelfstandig mobiel, waardoor sprake zal zijn van een groter blootstellingsrisico ten opzichte van kinderen jonger dan 1 jaar; - _ Vanwege de hogere zelfstandigheid zullen deze kinderen meer fysieke inspanningen leveren en een dito relatief hogere inhalatoire opname kennen dan kinderen jonger dan 1 jaar; - _ Kinderen uit deze leeftijdscategorie kennen relatief veel hand-mondcontact en mondcontact met objecten die blootgesteld kunnen zijn geweest aan gewasbeschermingsmiddelen. In lijn hiermee is blootstelling van deze categorie zowel representatief voor jongere kinderen omdat inhalatoire blootstelling (welke de grootste factor vormt bij kinderen jonger dan 1 jaar) verwaarloosbaar is in vergelijking met de potentiële orale en dermale blootstelling waaraan kinderen

uit van 1 tot 3 jaar (modelmatig) worden blootgesteld, als representatief voor mensen met een bijzondere kwetsbaarheid zoals zwangeren, tabaksafhankelijken en mensen met een ziekte, zowel vanwege het hogere lichaamsgewicht (waardoor blootstelling verhoudingsgewijs veel lager is) als vanwege de omstandigheid dat de factor orale blootstelling ook voor deze categorieën geen rol van betekenis speelt

5.2.

_ Cumulatie, aggregatie en interactie

In de vastgestelde Acceptable Exposure Levels (maximaal toelaatbaar blootstellingsniveau) s niet specifiek rekening gehouden met cumulatieve of elkaar versterkende effecten.

Tegelijkertijd wordt bij

het vaststellen van het maximaal toelaatbare blootstellingsniveau uit voorzorg wel rekening gehouden met een extra onzekerheidsmarge. Hoewel cumulatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, hebben de verschillende bestrijdingsmiddelen vaak een ander aangrijpingspunt op het metabolisme van een insect, een schimmel of een plant.

Daarnaast spelen factoren zoals oplosbaarheid een rol bij

de vraag bij welke organen e.d. een stof na opname in het lichaam terecht kan komen. In lijn daarmee ligt niet voor de hand dat er sprake zal zijn van (volledige) cumulatieve effecten op het menselijke organisme.

Adromi B.V.

wil/R202317/2302c

Pagina 26 van 42

Spuitzone onderzoek Spekstraat Den Dungen

|

Onderzoek naar cumulatieve blootstelling is in zeer beperkte mate beschikbaar, onder meer vanwege

de complexiteit van de onderlinge werkingen van relevante stoffen‘ ook al zou gelden dat voor iedere individuele stof het maximaal toelaatbare blootstellingsniveau niet zou worden overschreden. In de omgeving zullen verschillende bestrijdingsmiddelen kunnen worden gebruikt. Toekomstige bewoners zullen dan mogelijk blootgesteld worden aan al deze middelen. Ook vindt opname plaats

van diverse gewasbeschermingsmiddelen via reguliere etenswaren, waarover het RIVM in 2018°

2020° en 2022 rapporten heeft gepubliceerd. Het EFSA hanteert voor blootstelling aan residuen in voedsel de zogenaamde Monte Carlo Risk Assessment (MCRA) systematiek welke mede door RIVM is ontwikkeld®s.

De beoordelingssystematiek op dit vlak komt erop neer dat cumulatieve blootstelling door stoffen op te tellen die op hetzelfde orgaan werking hebben.

Hierbij werd opgemerkt dat bij de bepaling van

cumulatieve blootstelling aan alle in de teelt voorkomende gewasbeschermingsmiddelen eerst een overzicht benodigd is van alle aangrijpingspunten in het lichaam. Hetzelfde geldt uiteraard ten aanzien

van het aspect interactie/synergisme bij blootstelling aan diverse stoffen. In onderhavige rapportage is de gewogen blootstelling aan alle stoffen bij elkaar opgeteld (zie tabel 1) Dit is een aanzienlijke overschatting ten opzichte van de MCRA systematiek aangezien hierdoor wordt uitgegaan van de aanname dat alle stoffen uitsluitend hetzelfde aangrijpingspunt hebben op het organisme, wat in de praktijk niet het geval is In deze context is verder relevant dat niet alle middelen gelijktijdig ullen worden verspoten, waardoor veelal geen sprake zal zijn van volledig cumulatieve blootstelling:

de ene stof zal al door het lichaam

zijn afgescheiden of afgebroken vooraleer blootstelling aan een andere stof kan plaatsvinden door een opvolgende gewasbehandeling. Ook op dit vlak is gekozen voor een worst case benadering waarbij wel is uitgegaan van een situatie dat sprake zal zijn van gelijktijdige blootstelling aan alle onderzochte middelen

53.

_ Opbouw EFSA-model

De belangrijkste inputfactoren in het EFSA-OPEX model zijn: - _ De maximale blootstellingsnorm voor een stof (dus n feite de chemisch-biologische giftigheid/schadelijkheid); -

De driftgevoeligheid van een stof (fysische eigenschappen, met name de vluchtigheid).

Met andere woorden: de fysische eigenschappen van een stof en de blootstellingsnorm voor (schadelijkheid van) een stof vormen een gegeven voor het model

* Cumulatie zal een rol spelen in relatie tot blootstelling aan tal van stoffen (verbrandingsgassen, depositie van industriële bedrijvigheid, uittredende stoffen van bouwmaterialen, meubels en gebruiksvoorwerpen, voedingsmiddelen, genotsmiddelen, medicijnen, cosmetica, bekleding, verpakkingen etc.

*3 RIVM, 2018 Cumulative exposure to residues of plant protection products via food n the Netherlands * RIVM, 2020 Cumulative dietary exposure to pesticides in the Netherlands *7 RIVM, 2022 Gelijktijdige blootstelling aan verschillende gewasbeschermingsmiddelen via voedsel *8 EFSA, Proposal for a data model for probabilistic cumulative dietary exposure assessments of pesticides in line with the MCRA software, 19-04-2018, EFSA Journal 2018-15(4);1375

Adromi B.V.

wil/R202317/2302c

Pagina 27 van 42

Spuitzone onderzoek Spekstraat Den Dungen

|

Daarnaast zijn er de absorptiefactoren en de halfwaardetijd (DT50) als inputfactoren in het EFSAmodel. De DT50 is een maat voor de tijd waarbij 50% van de initiële concentratie van de stof is vergaan. De absorptiefactoren zetten de geschatte blootstelling op de huid (dermal), in de mond (oral) en in de longen (inhalation) om naar de systemische blootstelling (i.e. de inwendige blootstelling in het lichaam). De absorptiefactoren en de DT50 worden afgeleid uit toxicologische/experimentele onderzoeken, indien deze gegevens beschikbaar zijn. Er zijn ook nog inputfactoren welke volgen uit de gebruiksvoorschriften van het Ctgb, namelijk het type middel, het minimale watervolumeschaal (in hoeveelheid water het middel wordt opgelost) en de maximale toedieningshoeveelheid van de actieve stof. Tenslotte is er é&n inputfactor welke als constante waarde wordt beschouwd vanwege de afwezigheid van beschikbare gegevens van deze factor voor de verschillende middelen/actieve stoffen.

Dit is het

“initieel losneembaar bladresidu” (hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel op behandeld gewas

waaraan mensen nog kunnen worden blootgesteld)’®. Deze factor is evenwel alleen relevant bij betreding van het behandelde gewas en dus niet relevant voor situaties waarin geen betreding van gewaspercelen plaatsvindt. 5.3.1.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12805316/2