CConstaterende datsint-michielsgestel
Koppel je AI →
Document · PDF

3.9 LIP Haanwijk 5 te Sint-Michielsgestel

Overige evenementen 15 juni 2023, gemeente sint-michielsgestelBij agendapunt: 1.4.3 - Bijlage 3 - Inrichtingsplannen 1e en 2e actualisatie8.622 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

RUIMTELIJKE ONDERBOUWNG Ontwikkeling Haanwijk 5 Sint-Michielsgestel

1

Titel:

Ruimtelijke onderbouwing Ontwikkeling Haanwijk 5 Sint-Michielsgestel

Datum: Projectnummer: Status / Versie:

5 december 2017 2017.125 Definitief / 05-12-2017

Initiatiefnemer: Adres:

De heer Kleijn Haanwijk 5 Sint-Michielsgestel

Adviesbureau: Contactpersoon: (Post)adres:

Wintraecken Advies B.V. mr. D. (David) Wintraecken Harry Bolsiuslaan 13 5481 BN Schijndel (073) 850 51 29 / (06) 146 488 29 info@wintraeckenadvies.nl www.wintraeckenadvies.nl

Telefoon: E-mail: Website:

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en/of Wintraecken Advies.

2

Inhoudsopgave 1. Inleiding ........................................................................................................... 4 1.1 Aanleiding en planvoornemen ......................................................................... 4 1.2 Planlocatie ................................................................................................... 4 1.3 Doel ruimtelijke onderbouwing ....................................................................... 5 1.4 Vigerend bestemmingsplan ............................................................................ 6 1.5 Leeswijzer .................................................................................................. 13 2. Beeldkwaliteit en landschappelijk inpassing ........................................................ 14 2.1 Ruimtelijke structuur en beeldkwaliteit .......................................................... 14 2.2 Landschappelijke inpassing en ruimtelijke kwaliteitsverbetering ........................ 15 3. Ruimtelijk beleidskader .................................................................................... 17 3.1 Inleiding .................................................................................................... 17 3.2 Rijksbeleid .................................................................................................

17 3.3 Provinciaal beleid ........................................................................................ 17 3.4 Gemeentelijk beleid..................................................................................... 21 4. Milieu- en ruimtelijke waardentoets ................................................................... 22 4.1 Inleiding .................................................................................................... 22 4.2 Kabels en (buis)leidingen ............................................................................. 22 4.3 Bodem ....................................................................................................... 23 4.4 Water ........................................................................................................ 24 4.5 Flora en fauna ............................................................................................ 25 4.6 Mer-beoordeling ......................................................................................... 26 4.7 Historische kwaliteit .................................................................................... 28 5. Uitvoeringsaspecten ......................................................................................... 29 5.1 Economische uitvoerbaarheid .......................................................................

29 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................. 29 6. Slotconclusie................................................................................................... 30

3

1. Inleiding 1.1 Aanleiding en planvoornemen De gemeente Sint-Michielsgestel is in principe bereid om ter plaatse van de planlocatie aan Haanwijk 5 te Sint-Michielsgestel, in de eerstvolgende actualisatie van het “Actualisatieplan Buitengebied”, de bestemming ‘Natuur’ te wijzigen in ‘Wonen’ ten behoeve van het realiseren van een pergola / carport. De initiatiefnemer dient dan wel een ‘goede ruimtelijke onderbouwing’ aan te leveren, waaruit blijkt dat het plan geen negatieve ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische gevolgen heeft voor de planlocatie en de directe omgeving ervan. Onderhavig notitie voorziet hierin. De principemedewerking van de gemeente is onder de volgende voorwaarden / criteria verleend: • De strook grond waarop de pergola wordt gerealiseerd, aangekocht wordt van Stichting Het Noordbrabants Landschap. De grond waarop de pergola wordt gerealiseerd is niet in eigendom bij initiatiefnemer, de eigenaar van de woning Haanwijk 5, maar bij Stichting Het Noordbrabants Landschap. Om de pergola planologisch mogelijk te maken moet initiatiefnemer de gronden aankopen van de Stichting Het Noordbrabants Landschap om zo de bestemming ‘Natuur’ te kunnen wijzigen naar ‘Wonen’. • Compensatie van de EHS plaatsvindt. De locatie is gelegen binnen de Ecologische HoofdStructuur (EHS).

Voor de EHS geldt op basis van Rijksbeleid de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kernmerken en waarden van het gebied. Hiertoe geldt het zogenaamde ‘nee, tenzij’-principe. Dit betekent dat voor plannen, projecten of handelingen die toegestaan zijn en wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten zo veel mogelijk mitigerende maatregelen worden genomen om de inbreuk op de kenmerken en waarden van de EHS te beperken. Overblijvende effecten moeten worden gecompenseerd. Medewerking van de provincie is derhalve noodzakelijk. • De totale oppervlakte aan bijgebouwen en bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, op het perceel past binnen de regels van het bestemmingsplan. Binnen de bestemming ‘Wonen’ mag de gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen maximaal 100 m2 bedragen en aan bouwwerken, geen gebouwen zijnde 10 m 2. Op het perceel is reeds 100 m2 aan bijgebouwen aanwezig. Dit betekent dat nog maximaal 10 m2 aan bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals een pergola mag worden gerealiseerd. Met deze ruimtelijke onderbouwing wordt gemotiveerd dat het plan c.q. het bouwplan voldoet aan voormelde voorwaarden / criteria en geen negatieve ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische gevolgen heeft voor de planlocatie en de directe omgeving ervan.

1.2 Planlocatie De reeds verharde planlocatie is gelegen aan Haanwijk 5 te Sint-Michielsgestel, maakt onderdeel uit van de op-/inrit van de woning Haanwijk 5 en wordt aan de andere zijde begrensd door natuurgronden.

4

Navolgende afbeelding betreft een luchtfoto met daarop de actuele situatie van de rood omlijnde planlocatie.

1.3 Doel ruimtelijke onderbouwing In de ruimtelijke onderbouwing wordt aandacht besteed aan de ruimtelijke en milieuhygiënische effecten van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling. Uit de ruimtelijke onderbouwing moet blijken hoe het bouwplan zich verhoudt – zowel in negatieve als positieve zin – tot de aanwezige functies en waarden op de planlocatie en de directe omgeving ervan. In dit kader worden, behalve het ruimtelijk-planologische beleid en de landschappelijke toets, alle ruimtelijke en milieukundige aspecten nader beschouwd. Alvorens het bouwplan kan worden gerealiseerd, dient aan een aantal deels juridische randvoorwaarden te worden voldaan. Het betreft daarbij met name de volgende vier voorwaarden: 1. het motiveren van de afwijking van de geldende bestemming middels het opstellen van de ‘goede ruimtelijke onderbouwing’ als basis voor het verlenen van de omgevingsvergunning; 2. het met de ruimtelijke onderbouwing aantonen van de ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid;

5

3. het in procedure brengen van de actualisatie van het bestemmingsplan “Buitengebied” met daarin opgenomen een passende bestemming voor de plangronden aan de Haanwijk 5; 4. het aanvragen en verlenen van de noodzakelijke omgevingsvergunning. Met deze ruimtelijke onderbouwing wordt derhalve een planologisch-juridische basis gelegd om het bouwplan te kunnen realiseren. Zoals in het verdere vervolg van deze ruimtelijke onderbouwing blijkt, heeft het bouwplan geen negatieve ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische gevolgen voor de planlocatie en de directe omgeving ervan.

1.4 Vigerend bestemmingsplan Voor de planlocatie vigeert het bestemmingsplan “Buitengebied” (onherroepelijk d.d. 2501-2013). De planlocatie is in dit bestemmingsplan bestemd voor ‘Natuur’ en dubbelbestemd voor ‘Waarde – Archeologie 4’ en ‘Waarde – Natte natuur’. Daarnaast is een aantal gebiedsaanduidingen van toepassing op de planlocatie, te weten: • historisch landschappeljk gebied; • leefgebied van dassen; • reconstructiewetzone – extensiveringsgebied; • vrijwaringszone – schootsveld; • leefgebied van struweelvogels; • leefgebied van kwetsbare soorten; • besloten gebied. Navolgende afbeeldingen betreffen betreffen achtereenvolgens twee uitsnedes van de verbeelding van het vigerende bestemingsplan op de eerste en een luchtfoto waarop de ligging en globale begrenzing van de planlocatie rood omlijnd is aangegeven.

6

Relevante vigerende planregels: 14.1 Bestemmingsomschrijving De voor Natuur aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.

het behoud, herstel en/of de ontwikkeling van natuurwaarde en/of ecologische waarde;

b.

…;

c.

…;

d.

…;

e.

…;

f.

…;

g.

…;

h.

ter plaatse van de aanduiding 'historisch landschappelijk gebied', het behoud, herstel en ontwikkeling van de waarden, in het bijzonder voor het op de verbeelding aangeduide historisch landschappelijk gebied;

i.

…;

j.

…;

k.

ter plaatse van de aanduiding 'leefgebied van dassen', het behoud, herstel en ontwikkeling van de waarden, in het bijzonder voor het op de verbeelding aangeduide leefgebied van dassen;

7

l.

ter plaatse van de aanduiding 'leefgebied van struweelvogels', het behoud, herstel en ontwikkeling van de waarden, in het bijzonder voor het op de verbeelding aangeduide leefgebied van struweelvogels;

m. ter plaatse van de aanduiding 'leefgebied van kwetsbare soorten', het behoud, herstel en ontwikkeling van de waarden, in het bijzonder voor het op de verbeelding aangeduide leefgebied van kwetsbare soorten; n.

…;

o.

…;

p.

…;

q.

…;

r.

…;

s.

…;

t.

ter plaatse van de aanduiding 'reconstructiewetzone – extensiveringsgebied', een extensiveringsgebied;

u.

…;

v.

…;

w.

extensief dagrecreatief medegebruik;

x.

paden en wegen;

y.

water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

14.2 Bouwregels Op deze gronden mag niet worden gebouwd. 14.3 Afwijking van de bouwregels Het bevoegd gezag kan een afwijking verlenen voor: 14.3.1 Bouwwerken van geringe omvang ten behoeve van extensief dagrecreatief medegebruik Het oprichten van bouwwerken van geringe omvang ten behoeve extensief dagrecreatief medegebruik is toegestaan indien voldaan is aan de volgende voorwaarden:

a.

de maximale oppervlakte bedraagt 10 m²;

b.

de maximale bouwhoogte bedraagt 3 meter, met uitzondering van vogelwachterhuisjes waarvan de maximale bouwhoogte 5 meter mag bedragen;

c.

de maximale bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt 2 meter.

14.4 Specifieke gebruiksregels Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik voor:

a.

vergraven, egaliseren, graven van sloten, dempen van sloten/poelen, rooien, omzetting van grasland/bouwland naar boomteelt en/of sierteelt, verandering perceelsindeling binnen de gronden met de aanduiding 'historisch landschappelijk gebied'.

8

31.1 Bestemmingsomschrijving De voor Waarde – Archeologie 4 aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor:

a.

de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische waarden, in concreto terreinen met een hoge verwachting voor de periode Neolithicum tot Middeleeuwen en/of terreinen met een middelhoge verwachting.

31.2 Bouwregels 31.2.1 In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen mag niet worden gebouwd, anders dan ten behoeve van deze bestemming, met uitzondering van:

a.

ver-/nieuwbouw van bestaande gebouwen, waarbij de bestaande oppervlakte van het gebouw niet wordt vergroot of veranderd en niet dieper dan ter plaatse van de bestaande fundering wordt gebouwd;

b.

de bouw van een bijgebouw of de uitbreiding van een bestaand hoofdgebouw met ten hoogste 100 m²;

c.

activiteiten waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist;

d.

de gebouwen zoals bedoeld in 23.2.1 sub f en het zwembad zoals bedoeld in 23.2.1 sub g;

e.

activiteiten welke niet gepaard gaan met ingrepen in de bodem, dieper dan 0,5 meter;

f.

bouwen binnen het bouwvlak, tenzij er sprake is van onherroepelijke archeologische resten of dat er sprake is van een cultuurhistorisch waardevol object of monument, niet zijnde het object ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen nieuw Herlaer'.

31.3 Afwijking van de bouwregels Het bevoegd gezag kan een afwijking verlenen van het bepaalde in 31.2 en toestaan dat in de andere bestemmingen gebouwen worden gebouwd mits wordt voldaan aan één van de volgende voorwaarden:

a.

de aanvrager van de omgevingsvergunning blijkens archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat op de betrokken bouwlocatie geen archeologische waarden aanwezig zijn;

b.

de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overlegd waarin wordt aangetoond dat de archeologische waarden van het terrein naar het oordeel van de burgemeester en wethouders in voldoende mate wordt veiliggesteld;

c.

de betrokken archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade wordt voorkomen door aan de afwijking regels te verbinden, gericht op: 1.

het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;

2.

het doen van opgravingen;

3.

het begeleiden van de bodemverstorende ingrepen door een archeologisch deskundige.

31.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden 31.4.1 Verbod

9

Het is verboden op of in de gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden van het bevoegd gezag de volgende werken en/of werkzaamheden te verrichten ingeval het gaat om ingrepen buiten het bouwvlak en/of ingrepen binnen het bouwvlak daar waar sprake is van onherroepelijke archeologische resten of als het gaat om een cultuurhistorisch waardevol object of monument en/of ingrepen die gelijk of groter zijn dan 100 m² en dieper dan 0,5 meter:

a.

afgraven, ophogen, vergraven, diepploegen, egaliseren, indrijven;

b.

draineren, onderbemalen, stuwen, graven sloten;

c.

planten, omzetten grasland/bouwland naar boomteelt en/of sierteelt;

d.

verharden oppervlakte van meer dan 100 m², leidingen leggen;

e.

aanleg tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen.

31.4.2 Uitzonderingen Het verbod als bedoeld in 31.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden:

a.

die betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer;

b.

die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;

c.

die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning;

d.

ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - nieuw herlaer'.

31.4.3 Toelaatbaarheid De werken of werkzaamheden als bedoeld in 31.4.2 zijn slechts toelaatbaar, mits:

a.

werken en werkzaamheden van ondergeschikte betekenis dan wel die behoren tot het op de bestemming van de gronden gerichte normale onderhoud en beheer;

b.

werken en werkzaamheden, die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.

33.1 Bestemmingsomschrijving De voor Waarde – Natte natuur aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor:

a.

het behoud en versterking van de aanwezige specifieke bodemopbouw en specifieke waarden;

b.

de bescherming en het behoud van de op en/of in de gronden voorkomende natuurwaarden;

c.

de bescherming en instandhouding van de op en/of in deze gronden voorkomende ecologische waarden.

33.2 Bouwregels 33.2.1 In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen mag niet worden gebouwd, anders dan ten behoeve van deze bestemming, met uitzondering van:

a.

de gebouwen zoals bedoeld in 23.2.1 sub f en het zwembad zoals bedoeld in 23.2.1 sub g;

10

b.

bouwen binnen het bouwvlak, tenzij er sprake is van onherroepelijke archeologische resten of dat er sprake is van een cultuurhistorisch waardevol object of monument, niet zijnde het object ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen nieuw Herlaer'.

33.2.2 Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd, met uitzondering van:

a.

de gebouwen zoals bedoeld in 23.2.1 sub f en het zwembad zoals bedoeld in 23.2.1 sub g.

b.

bouwen binnen het bouwvlak, tenzij er sprake is van onherroepelijke archeologische resten of dat er sprake is van een cultuurhistorisch waardevol object of monument, niet zijnde het object ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen nieuw Herlaer'.

33.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden 33.3.1 Verbod Het is verboden op of in de gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden van het bevoegd gezag de volgende werken en/of werkzaamheden te verrichten ingeval het gaat om ingrepen buiten het bouwvlak en/of ingrepen binnen het bouwvlak daar waar sprake is van onherroepelijke archeologische resten of als het gaat om een cultuurhistorisch waardevol object of monument:

a.

afgraven, ophogen, vergraven, egaliseren, diepploegen, indrijven;

b.

draineren, onderbemalen, dammen, stuwen, graven van sloten, dempen van sloten, dempen van poelen, aanbrengen oeverbeschoeiing;

c.

planten, rooien, omzetten grasland naar bouwland, omzetten van grasland/bouwland naar boomteelt en/of sierteelt;

d.

verharden van oppervlakte van meer dan 100 m², leidingen leggen, veranderen perceelsindeling.

33.3.2 Uitzonderingen Het verbod als bedoeld in 33.3.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden:

a.

die betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer;

b.

die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;

c.

die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning;

d.

ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - nieuw herlaer'.

33.3.3 Toelaatbaarheid De werken of werkzaamheden als bedoeld in 33.3.2 zijn slechts toelaatbaar, mits:

a.

werken en werkzaamheden van ondergeschikte betekenis dan wel die behoren tot het op de bestemming van de gronden gerichte normale onderhoud en beheer;

b.

werken en werkzaamheden, die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.

11

Planvoornemen vs. afwijking(en) vigerend bestemmingsplan In artikel 14.2 van het vigerende bestemmingsplan is bepaald dat er niet mag worden gebouwd op gronden met de bestemming ‘Natuur’. In artikel 14.3 / 14.3.1 is echter bepaald dat het bevoegd gezag hiervan kan afwijken ten behoeve van bouwwerken van geringe omvang ten behoeve van extensief dagrecreatief medegebruik. De volgende voorwaarden zijn dan van toepassing: • de maximale oppervlakte bedraagt 10 m²; • de maximale bouwhoogte bedraagt 3 meter, met uitzondering van vogelwachterhuisjes waarvan de maximale bouwhoogte 5 meter mag bedragen; • de maximale bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt 2 meter. Onderhavige pergola / carport staat wellicht niet direct ten dienste van extensief dagrecreatief medegebruik, maar voldoet wel aan de hierbij gestelde voorwaarden. In zoverre is er – derhalve voor zover van toepassing – slechts sprake van een geringe strijdigheid met de vigerende bestemmingsplanmogelijkheden. In artikel 31.2.1 is geregeld dat ter plaatse van de planlocatie niet mag worden gebouwd, anders dan ten behoeve van deze bestemming, met uitzondering van de bouw van een bijgebouw of de uitbreiding van een bestaand hoofdgebouw met ten hoogste 100 m². (Nader) archeologisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.

Een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is ook niet nodig. In artikel 31.4 / 31.4.1 is namelijk bepaald dat pas een dergelijke omgevingsvergunning nodig is als het gaat om ingrepen die gelijk of groter zijn dan 100 m² en dieper dan 0,5 meter. Daarvan is geen sprake. Uit het bepaalde in artikel 33.2 / 33.2.1 / 33.2.2 blijkt dat niet mag worden gebouwd op gronden binnen de (dubbel)bestemming ‘Waarde – Natte natuur’. Echter, hoewel het bouwplan op dit punt strijdig is met het bestemmingsplan, is de ruimtelijke impact ervan marginaal te noemen. Wellicht is ook nog een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden nodig op grond van artikel 33.3 / 33.3.1. In artikel 33.3.1 is namelijk bepaald dat het verboden is op of in de gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden van het bevoegd gezag de volgende werken en/of werkzaamheden te verrichten ingeval het gaat om ingrepen buiten het bouwvlak en/of ingrepen binnen het bouwvlak daar waar sprake is van onherroepelijke archeologische resten of als het gaat om een cultuurhistorisch waardevol object of monument: a. afgraven, ophogen, vergraven, egaliseren, diepploegen, indrijven; b.

draineren, onderbemalen, dammen, stuwen, graven van sloten, dempen van sloten, dempen van poelen, aanbrengen oeverbeschoeiing; c. planten, rooien, omzetten grasland naar bouwland, omzetten van grasland/bouwland naar boomteelt en/of sierteelt; d. verharden van oppervlakte van meer dan 100 m², leidingen leggen, veranderen perceelsindeling. Uit deze ruimtelijke onderbouwing blijkt verder dat het bouwplan zich verhoudt – zowel in negatieve als positieve zin – tot de aanwezige kwaliteiten en waarden op de planlocatie en de directe omgeving ervan. In dit kader worden, behalve het ruimtelijkplanologische beleid en de landschappelijke toets, alle relevante ruimtelijke en milieuhygiënische aspecten nader beschouwd.

12

1.5 Leeswijzer In de volgende hoofdstukken wordt aandacht besteed aan de verschillende aspecten van de ruimtelijke onderbouwing. Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de beeldkwaliteit en landschappelijke inpassing. Hoofdstuk 3 gaat in op het ruimtelijk-planologische beleidskader. Voor een beschrijving van de milieu-hygiënische en ruimtelijke aspecten wordt verwezen naar hoofdstuk 4. De onderdelen economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid worden toegelicht in hoofdstuk 5. Hoofdstuk 6 bevat de slotconclusie.

13

2. Beeldkwaliteit en landschappelijk inpassing 2.1 Ruimtelijke structuur en beeldkwaliteit De initiatiefnemer is voornemens om de inrit deels te overkappen met een pergola /carport. Dit bouwplan c.q. bouwwerk heeft geen noemenswaardige gevolgen voor de bestaande ruimtelijke structuur en beeldkwaliteit. Het plan heeft primair een functioneel karakter en heeft verder geen negatieve invloed op de infrastructuur en parkeervoorzieningen binnen en buiten de planlocatie. De vormgeving en uitstraling van het bouwwerk worden afgestemd op de aanwezige bebouwing in de omgeving, maar vormt op zich wel een eigen architectonische eenheid. De navolgende afbeeldingen betreffen impressies van het bouwwerk.

Met onderliggend initiatief blijft de ruimtelijke beeldkwaliteit van het gebied onvoorwaardelijk in stand en zal door de voorgenomen inpassing, vormgeving en bouwstijl van de beoogde bebouwing zelfs verbeteren. Op deze wijze heeft het initiatief een toegevoegde waarde voor het ruimtelijke omgevingskader en levert het daarmee tevens een positieve invulling aan de waarborging van de stedenbouwkundige en landschappelijke karakteristiek en identiteit ter plaatse.

14

Het algemene ruimtelijke uitgangspunt van gemeenten is er verder op gericht om te komen tot ‘duurzaam bouwen’. Duurzaam bouwen verhoogt de gebruikswaarde (functioneel), belevingswaarde (vorm) en de toekomst (tijd) voor de bebouwde omgeving. Duurzaam bouwen is in dit geval te onderscheiden in stedenbouwkundig en bouwkundig duurzaam bouwen. Een goed stedenbouwkundig plan draagt bij aan een duurzame toekomst en voorkomt onder andere verloedering en leegstand. Stedenbouwkundige duurzaamheid komt tot uitdrukking in de ruimtelijke opzet en inpassing van de bebouwing. Ruimtelijke kwaliteit vormt de voorwaarde voor een goed woon- en leefmilieu. Belangrijk hierbij is het om de stedenbouwkundige structuur op een goede manier kenbaar te maken en te behouden. Bouwkundige duurzaamheid laat zich onder andere uitdrukken in: • duurzaam materiaalgebruik; • slimme energetische concepten (welke resulteren in energiebesparende maatregelen); • afvalreductie. Geconcludeerd kan worden dat het bouwplan bijdraagt aan een ruimtelijke en visuele koppeling met de bestaande bebouwing en daarmee een positieve – hoofdzakelijk functionele – invulling vormt. De voorgestane ontwikkeling steunt de waarborging van de stedenbouwkundige, landschappelijke en architectonische uitgangspunten en daarmee de ruimtelijke karakteristiek en identiteit ter plaatse.

2.2 Landschappelijke inpassing en ruimtelijke kwaliteitsverbetering Ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied moeten landschappelijk worden ingepast en moeten, daar waar een waardevermeerdering van de gronden plaatsvindt, op enigerlei wijze worden gecompenseerd. Dat staat in artikel 3.2 van de Verordening ruimte Noord-Brabant. Uit een landschappelijk inpassingsplan dient te blijken dat de voorgestane ruimtelijke ontwikkeling, natuur- en landschappelijke waarden ter plaatse niet schaden. De planlocatie is reeds verhard met klinkers. Het bouwplan betreft het oprichten van een pergola / carport tegen een bestaand bijgebouw aan. Het bouwplan c.q. bouwwerk heeft geen noemenswaardige gevolgen voor de bestaande ruimtelijke structuur en beeldkwaliteit. Bovendien zal het bouwwerk een groene, natuurlijke afscherming krijgen (zie de navolgende afbeeldingen). Daarmee is de gewenste landschappelijke inpassing gegarandeerd.

15

Behalve landschappelijke moet eventueel, in het kader van de (extra) ruimtelijke kwaliteitsverbetering, het effect op de financiële waarde van de gronden binnen de planlocatie verantwoord worden. Op basis van een dergelijke berekening kan worden aangetoond wat de meer- of minderwaarde is van een nieuwe ontwikkeling. Er is bijvoorbeeld sprake van meerwaarde als een agrarische of natuurbestemming wordt gewijzigd naar een stedelijke functie (wonen of bedrijvigheid). Van deze meerwaarde dient een percentage te worden gecompenseerd. Het kan dan zijn dat er een financiële bijdrage wordt geleverd aan een gemeentelijk groenfonds. Strikt genomen, is voor het onderliggende plan een dergelijke bijdrage noodzakelijk. Hierbij wordt wel opgemerkt dat de ruimtelijke impact van het plan en de oppervlakte van de planlocatie minimaal zijn.

16

3. Ruimtelijk beleidskader 3.1 Inleiding Wat betreft de verantwoordelijkheidstoedeling en bevoegdheidsverdeling zijn het Rijk, de provincies en de gemeenten verantwoordelijk voor hun eigen belangen. Er kan slechts sprake zijn van bemoeienis van Rijk of provincie met de gemeente, indien dat noodzakelijk is vanwege een nationaal respectievelijk provinciaal belang. Rijk en provincies beschikken in de nieuwe Wet ruimtelijke ordening over dezelfde bevoegdheden als gemeenten om hun eigen ruimtelijke belangen te kunnen uitvoeren. Daarnaast kunnen het Rijk en de provincies algemeen verbindende regels uitvaardigen en aanwijzingen geven om hun belangen veilig te stellen.

3.2 Rijksbeleid De voorliggende planontwikkeling sluit aan bij de doelstellingen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) / AMvB Ruimte om te komen tot de bevordering van krachtige dorpen en steden en duurzaam en zuinig ruimtegebruik. Het voldoet aan de eis om ruimtelijke ontwikkelingen integraal te bezien en zorgvuldig om te gaan met de leefomgeving. Aspecten als water, veiligheid, cultuurhistorie en ruimtelijke kwaliteit vormen onderdeel van de planologische toets. Daarmee is het initiatief niet in strijd met het rijksbeleid.

3.3 Provinciaal beleid Verordening ruimte Noord-Brabant Het beleid uit de Structuurvisie ruimtelijke ordening is verwerkt in de regels die zijn opgenomen in de Verordening ruimte Noord-Brabant. De onderwerpen die in de verordening staan komen dus uit de provinciale structuurvisie. Daarin staat welke belangen de provincie wil behartigen en hoe ze dat wil doen. De verordening is daarbij één van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen. In de Verordening ruimte 2014 is een aantal regels opgenomen die van toepassing zijn op onderhavige planontwikkeling. Deze zullen hierna worden behandeld. Telkens wordt een conclusie getrokken over in hoeverre de planontwikkeling aansluit bij de beleidskaders. De provincie wil de ruimtelijke kwaliteit van Brabant bevorderen. Dit betekent dat nieuwe ontwikkelingen een bijdrage moeten leveren aan de kernkwaliteiten van Brabant. De provincie biedt ontwikkelingsruimte in het buitengebied, mits een ontwikkeling bijdraagt aan een versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Nieuwe ontwikkelingen bieden een kans voor behoud en ontwikkeling van het landschap. Het ontwikkelen van landschap reikt verder dan het behouden wat er is, ontwikkelen van het landschap gaat ook om het toevoegen van nieuwe ruimtelijke kwaliteiten.

17

Niet alle thematische kaarten zijn relevant voor onderhavig plan. Onderstaande tabel illustreert welke thematische kaarten in principe van toepassing zijn op de planlocatie en welke niet. Kaartnaam Stedelijke ontwikkeling Agrarische ontwikkelingen en windturbines Water Natuur en landschap Cultuurhistorie

Van toepassing Nee Ja Nee Nee Ja

Agrarische ontwikkelingen en windturbines Binnen het kaartbeeld ‘agrarische ontwikkelingen en windturbines’ is de planlocatie aangeduid als ‘beperkingen veehouderij’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.

Voor gebieden waarop de aanduiding ‘beperkingen veehouderij’ van toepassing is, gelden (vergaande) beperkingen voor veehouderij. De aanduiding is enkel van toepassing op veehouderijen die voldoende gronden hebben om (hun activiteiten) uit te breiden. Voor de planlocatie c.q. het plan geldt dat het hier niet om een veehouderij handelt. De aanduiding ‘beperkingen veehouderij’ is daarmee niet van belang voor de planlocatie c.q. het plan. Water Binnen het kaartbeeld ‘water’ is het plangebied aangeduid als ‘reservering waterberging’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.

18

Een bestemmingsplan ter plaatse van de aanduiding ‘reservering waterberging’ strekt mede tot behoud van het waterbergend vermogen van dat gebied. De toelichting bij een bestemmingsplan bevat een verantwoording over de wijze waarop de geschiktheid van het gebied voor waterberging behouden blijft, indien dat bestemmingsplan voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling. Een en ander verdient aandacht in de waterparagraaf behorende tot een bestemmingsplan binnen een als zodanig aangeduid gebied. Voor de planlocatie c.q. het plan geldt dat er geen uitbreiding van verhard oppervlak plaatsvindt, aangezien de planlocatie reeds is verhard met klinkers. Wat betreft hydrologie heeft het bouwplan derhalve geen (negatieve) effecten en is daarmee hydrologisch neutraal. Natuur en landschap Binnen het kaartbeeld ‘natuur en landschap’ is de planlocatie grotendeels aangeduid als ‘attentiegebied Natuur Netwerk Brabant’ en ‘groenblauwe mantel’ en voor een klein gedeelte als ‘Natuur Netwerk Brabant. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.

Binnen de groenblauwe mantel hanteert de provincie een ‘ja, mits’ benadering. De ‘mits’ is daarbij vooral gericht op de voorwaarde dat een ontwikkeling een positieve bijdrage levert aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken in het gebied. Deze voorwaarde wordt in het algemeen aan ontwikkelingen binnen de groenblauwe mantel gesteld en geeft daarmee verplichte invulling van de verplichte verbetering van de kwaliteit van het landschap zoals opgenomen in artikel 3.2. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen de mantel zijn dus mogelijk, mits ze gunstig zijn voor de natuur- en landschapswaarden en het bodem- en watersysteem. De waarden in de groenblauwe mantel zijn vaak gekoppeld aan het bodem-watersysteem (zoals de aanwezigheid van een kwel), aan landschapselementen (zoals houtwallen en heggen), of aan het voorkomen van bijzondere planten en dieren. Ten aanzien van het attentiegebied Natuur Netwerk Brabant geldt dat stromingen in het grondwatersysteem kunnen veranderen door verandering van bodemopbouw of het doorboren van lagen (bij grondverzet of diepploegen). Voor activiteiten die een negatief effect op de (grond)waterstand in een natte natuurparel kunnen hebben, is een vergunning nodig.

In het provinciale beleid is dan ook opgenomen dat het waterschap betrokken wordt bij de beoordeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning. Ook bij een verzoek tot grenswijziging van een attentiegebied Natuur Netwerk Brabant moet het betreffende waterschapsbestuur worden gehoord. De Verordening ruimte bepaalt dat binnen gebieden met de aanduiding attentiegebied Natuur Netwerk Brabant geen fysieke ingrepen mogelijk zijn met een negatief effect op de waterhuishouding van het hierbinnen gelegen Natuur Netwerk Brabant.

19

De overheid is het begrip Natuur Netwerk Nederland (NNN) gaan gebruiken in plaats van Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Natuur Netwerk Brabant (NNB) is het NNN dat in Noord-Brabant ligt. Het NNB bestaat uit de EHS en de ecologische verbindingszones. Met deze wijziging wordt de benaming EHS en ecologische verbindingszone in deze verordening aangepast naar Natuur Netwerk Brabant (NNB). Een bestemmingsplan gelegen in het Natuur Netwerk Brabant strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden, stelt regels ter bescherming van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden en houdt daarbij rekening met de overige aanwezige waarden en kenmerken, waaronder de cultuurhistorische waarden en kenmerken en bepaalt dat, zolang het Natuur Netwerk Brabant niet is gerealiseerd, de bestaande bebouwing en de bestaande planologische gebruiksactiviteit zijn toegelaten. Als ecologische waarden en kenmerken gelden de natuurbeheertypen, zoals vastgelegd op de beheertypenkaart en de ambitiekaart van het natuurbeheerplan. Een bestemmingsplan kan bepalen dat het oprichten van kleinschalige bebouwing en bouwwerken ten behoeve van de natuurbestemming of het recreatieve medegebruik daarvan, zijn toegestaan, mits dit geen aantasting geeft van de ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant.

In artikel 5.1, vierde lid, Verordening ruimte 2014 (actualisatie 2017) is onder meer bepaald dat nieuwvestiging is toegestaan, ‘mits de nieuwvestiging geen aantasting geeft van de ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant’. Voor de planlocatie c.q. het plan geldt dat landschappelijke en natuurwaarden en kwaliteiten, de beleving van het buitengebied en een vitaal platteland behouden blijven. De aanwezige waarden en kwaliteiten van de planlocatie en de directe omgeving worden gerespecteerd en waar mogelijk versterkt. De ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieuhygiënische aanvaardbaarheid van het ruimtelijke initiatief worden verder gemotiveerd in de hoofdstuk 4. In hoofdstuk 2 is reeds nader verantwoord welke gevolgen de ontwikkeling heeft voor het landschap en de ruimtelijke kwaliteit. Cultuurhistorie Binnen het kaartbeeld ‘cultuurhistorie’ is de planlocatie aangeduid als ‘cultuurhistorisch vlak’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.

Ter plaatse van de aanduiding ‘cultuurhistorisch vlak’ geldt dat een bestemmingsplan mede is gericht op behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden. Plannen, projecten of handelingen zijn niet toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied aantasten. Dit betekent dat het bestemmingsplan moet voorzien in een bescher-

20

mende regeling zoals een vergunningstelsel en waar nodig verbodsbepalingen. Een bestemmingsplan dat voor een locatie waarop deze aanduiding van toepassing is, wordt opgesteld stelt zodoende regels op ter bescherming van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden. Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant stellen een beschrijving vast van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de als cultuurhistorische vlakken aangewezen gebieden als onderdeel van de Cultuurhistorische Waardenkaart. De ruimtelijke impact van het plan en de oppervlakte van de planlocatie zijn dermate minimaal dat er geen sprake is van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. Voor de planlocatie c.q. het plan geldt verder dat er geen sprake is van een monumentale status of een anderszins vastgelegde beeldbepalende kwaliteit. Slotconclusie provinciaal beleid Onderhavig planvoornemen wordt mogelijk gemaakt met gebruikmaking van de kaders van het vigerende provinciale ruimtelijke beleid. Er wordt geen afbreuk gedaan aan de kernkwaliteiten die ter plaatse van de planlocatie zijn aangeduid op diverse themakaarten van de provincie.

3.4 Gemeentelijk beleid Het planologisch-juridische beleidskader van het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied” is reeds in paragraaf 1.4 aan bod gekomen. Bezien vanuit dit beleidsmatige perspectief heeft het oprichten van de pergola / carport, wat betreft omvang en ruimtelijke impact, geen relevantie voor de beleidslijnen, ambities en uitgangspunten, zoals verwoord in de ‘Structuurvisie buitengebied Sint-Michielsgestel’ en de ‘Structuurvisie SintMichielsgestel 2025’ beschreven. Wel nog goed om te vermelden is dat de planlocatie niet is gelegen in een aangewezen bebouwingsconcentratie.

21

4. Milieu- en ruimtelijke waardentoets 4.1 Inleiding De ruimtelijke ontwikkeling dient praktisch uitvoerbaar te zijn. In dit kader is het noodzakelijk om aandacht te besteden aan alle ruimtelijke en milieu-hygiënische (deel)aspecten. Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid en ruimtelijke ordening. De beleidsvelden groeien naar elkaar toe en het onderscheid is vaak ook niet meer goed aan te geven. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de afweging van het al dan niet toelaten van bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Tevens is het van belang milieubelastende functies, zoals bedrijfsactiviteiten, ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies, zoals woningen. De ruimtelijke impact van het voor privégebruik oprichten van een pergola / carport tegen een bestaand bijgebouw is dermate minimaal dat op voorhand kan worden gesteld dat het initiatief op geen enkele van (negatieve) invloed is op de aspecten wegverkeerslawaai, milieuzonering, externe veiligheid, luchtkwaliteit, parkeren en verkeer. Er is immers geen sprake van het oprichten van een geluidgevoelig object en ook geen sprake van het realiseren van een functie welke gevoelig is vanuit milieuzoneringsoogpunt.

Van nieuwvestiging van een woning c.q. de realisatie van een woonfunctie is derhalve geen sprake. Ten overvloede kan hier aan worden toegevoegd dat in de nabijheid van het plangebied geen (agrarische) bedrijvigheid voorkomt welke een mogelijke belemmering vormt voor het initiatief (en vice versa). De voorgenomen functiewijziging vormt zelf geen extern veiligheidsrisico. Voor wat betreft externe veiligheid zijn er naar de omgeving toe geen belemmeringen. Het bouwplan zelf biedt verder geen mogelijkheden om luchtkwaliteitsoverschrijdingen teniet te doen, noch staat het plan het bereiken van de algemene doelstelling voor luchtkwaliteit in de weg. Het bouwplan houdt geen juridisch relevante verslechtering in voor de luchtkwaliteit. Ook wat betreft mobiliteit en infrastructuur vinden er geen (negatieve) veranderingen plaats. Zo zal de parkeersituatie niet wijzigen en vindt de ontsluiting ook in de nieuwe situatie plaats op Haanwijk en zal na realisatie van het bouwplan het aantal verkeersbewegingen niet toenemen ten opzichte het huidige niveau. Dit hoofdstuk gaat verder in op de overige milieu-hygiënische en ruimtelijke aspecten die van belang zijn voor de voorgenomen ontwikkelingen. De resultaten van de kwalitatieve onderzoeken naar de milieukundige haalbaarheid worden beschreven en er wordt aan de andere – ruimtelijk relevante – waarden en omgevingsaspecten getoetst.

De thema’s die aan bod komen, hebben direct of indirect betrekking op de voorgenomen planontwikkeling.

4.2 Kabels en (buis)leidingen Transport van gevaarlijke stoffen vindt plaats over de weg, het spoor, het water en door buisleidingen. Tijdens het transport kunnen dingen misgaan waardoor de gevaarlijke

22

lading kan ontbranden of exploderen of waardoor er bijvoorbeeld giftige gassen ontsnappen via een lek of breuk. Bij risicovolle buisleidingen kan gedacht worden aan (hogedruk) transport van aardgas, maar ook van olie, benzine, kerosine, chemische producten en industriële gassen. Deze stoffen kunnen giftig, licht ontvlambaar of brandbaar zijn. Buisleidingen lopen meestal ondergronds, maar kunnen soms ook bovengronds voorkomen. De grootste kans op een beschadiging aan een buisleiding ontstaat door graafwerkzaamheden. Denk hierbij aan werkzaamheden aan gas-, olie- en waterleidingen in de grond, of kabels voor stroom, TV, telefoon en internet. De risicokaart toont alle aardgasleidingen vanaf een diameter van 50 mm en een druk van 16 bar, alle buisleidingen voor brandbare vloeistoffen vanaf een diameter van 100 mm en alle overige buisleidingen waarvan geldt dat er een overschrijding van de wettelijke norm is op 5 meter afstand van de buis. Deze wettelijke norm is het plaatsgebonden risico 10 -6. Het Besluit Externe Veiligheid Buisleidingen (Bevb) is op 1 januari 2011 in werking getreden. In het Besluit externe veiligheid buisleidingen zoals dit per 1 januari 2011 geldt, staan veiligheidseisen voor de exploitant en de gemeente. Exploitanten hebben een zorgplicht en moeten ervoor zorgen dat hun buisleidingen veilig zijn.

Gemeenten moeten buisleidingen in hun bestemmingsplan opnemen en bij nieuwbouw zorgen voor genoeg afstand tot de buisleidingen. Motivering en conclusies kabels en leidingen voor bouwplan(locatie) De planlocatie is reeds verhard met klinkers. Het bouwplan brengt verder slechts minimale grondwerkzaamheden met zich mee en betreft daarmee in hoofdzaak het oprichten van een pergola / carport. Besluit externe veiligheid buisleidingen De risicokaart toont geen aanwezigheid van een (hoge druk) gasleiding op korte afstand van de planlocatie. Overige kabels en (buis)leidingen Nutsbedrijven eisen dat kabels en leidingen in het openbaar gebied (komen te) liggen. De initiatienemer van onderliggend bouwplan is verplicht zorg te dragen voor een door gemeente en nutsbedrijven geaccordeerde wijze van aansluiting. De kleinere leidingen worden voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden middels een KLIC-melding in kaart gebracht. Overige zonering Er zijn in en nabij de planlocatie geen waterkeringen, straalpaden, invliegfunnels of molenbiotopen aanwezig waarvan de aanwezigheid van invloed kan zijn op de ontwikkelingen in de planlocatie.

4.3 Bodem Doelstelling en (wettelijk) beleidskader Het doel van de bodemtoets bij ruimtelijke plannen is de bescherming van de bodem. Een bodemonderzoek moet worden uitgevoerd om te kunnen beoordelen of de bodem geschikt is voor de geplande functie en of er sprake is van een eventuele saneringsnoodzaak. Artikel 9 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat bij een ruimtelijk plan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor

23

is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De Woningwet bepaalt dat alleen nog voor bouwwerken die specifiek bedoeld zijn voor het verblijf van mensen, een bodemtoets uitgevoerd moet worden. Het betreft hier bouwwerken waarin dagelijks gedurende enige tijd dezelfde mensen verblijven, bijvoorbeeld om te wonen en werken, onderwijs te geven of te genieten. Voorbeelden van bouwwerken waar sprake is van structureel verblijf door mensen zijn woningen, scholen, kantoren maar ook recreatiewoningen en sportkantines. Motivering en conclusies bodem voor bouwplan(locatie) De planlocatie is reeds verhard met klinkers en brengt slechts minimale grondwerkzaamheden met zich mee. Onderhavig plan-voornemen brengt derhalve geen of nauwelijks bodem- en sloopwerkzaamheden met zich mee. De gronden zullen derhalve niet of nauwelijks worden geroerd. In het verleden hebben reeds kwantitatieve en kwalitatieve bodemonderzoeken plaatsgevonden. De voorgestane ontwikkeling brengt verder geen hoger vervuilingsrisico met zich mee. Bij de geplande oprichting van de pergola / carport worden alleen nietuitloogbare bouwmaterialen toegepast. Dit om eventuele verontreiniging van de bodem (grond en grondwater) te voorkomen.

Van uitloging van (gevaarlijke) stoffen in de bodem zal geen sprake zal zijn. Bodembedreigende handelingen vinden derhalve niet plaats; de bodemkwaliteit wordt niet bedreigd. Het aspect bodemkwaliteit levert geen belemmeringen op voor het bouwplan. Nader verkennend bodemonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.

4.4 Water Doelstelling en (wettelijk) beleidskader Bij de watertoets gaat het om het verantwoorden van de waterhuishoudelijke aspecten bij ruimtelijke plannen en besluiten. Met behulp van de watertoets wordt er naar gestreefd om het waterhuishoudkundig aspect in combinatie met het ruimtelijke beleid toe te passen op de beoogde planlocatie, waarbij op basis van de voorgenomen ontwikkelingen gezocht is naar een hydrologisch neutrale oplossingsrichting. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 5.1.3 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit besluit verplicht tot het opnemen van ‘een beschrijving van de wijze waarop in het bestemmingsplan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding’ in de toelichting van ruimtelijke plannen van provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten in het kader van de Wro. Vanuit verschillende overheidsniveaus zijn beleid en uitgangspunten geformuleerd voor wat betreft de omgang met afstromend hemelwater. De belangrijkste uitgangpunten hierbij zijn het hydrologisch neutraal ontwikkelen en het doorlopen van de volgorde ‘hergebruik-vasthouden-berging-afvoer’. Het waterschap heeft een beleidsnota met uitgangspunten ten behoeve van de watertoets.

Hierbij staan de volgende principes centraal: • wateroverlastvrij bestemmen; • gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater; • doorlopen van de afwegingsstappen: ‘hergebruik - infiltratie - buffering - afvoer’; • hydrologisch neutraal bouwen;

24

• • • •

water als kans; meervoudig ruimtegebruik; voorkomen van vervuiling rekening houden met waterschapsbelangen.

De voornoemde principes liggen in lijn met het landelijke beleid ten aanzien van de watertoets. Gestreefd dient te worden naar een waterhuishoudkundig minimaal gelijkwaardige situatie. Het belangrijkste gegeven is het geohydrologisch compenseren van een eventuele toename van verharde oppervlakte, waardoor hemelwater versneld kan worden afgevoerd. Motivering en conclusie water voor bouwplan(locatie) Er vindt geen uitbreiding van verhard oppervlak plaats, aangezien de planlocatie reeds is verhard met klinkers. Wat betreft hydrologie heeft het bouwplan derhalve geen (negatieve) effecten en is daarmee hydrologisch neutraal. Het aspect water staat de beoogde planontwikkeling niet in de weg.

4.5 Flora en fauna Doelstelling en (wettelijk) beleidskader Soortenbescherming: Flora- en faunawet Doelstelling van de Flora- en faunawet is de bescherming en het behoud van in het wild levende planten- en diersoorten. Het uitgangspunt van de wet is het ‘nee, tenzijprincipe’. Dit betekent dat geen schade mag worden aangebracht aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan. Soms is het optreden van schade aan beschermde dieren en planten echter onvermijdelijk. In die situaties is het nodig om vooraf te bekijken of hiervoor een vrijstelling geldt of dat een ontheffing moet worden aangevraagd. In de Flora- en faunawet geldt dus een verbod op activiteiten met een schadelijk effect op beschermde soorten. Bij het opstellen van een ruimtelijk plan dient dan ook uitgezocht te worden of er in dit kader belemmeringen aanwezig zijn. In 2005 is echter met het gewijzigde Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten het beschermingsregime versoepeld. Met deze aangepaste regelgeving is niet meer altijd een ontheffing nodig voor het uitvoeren van werkzaamheden in de openbare ruimte. Voor regulier voorkomende werkzaamheden en ruimtelijke ontwikkelingen geldt nu een vrijstellingsregeling. In de Flora- en faunawet is ook een zorgplicht opgenomen.

De zorg houdt in ieder geval in dat handelen met nadelige gevolgen voor de flora en fauna, voor zover dit in redelijkheid kan worden verlangd, achterwege blijft of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan worden gemaakt. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er ontheffing of vrijstelling is verleend. In het kader van de zorgplicht moet altijd met het volgende rekening worden gehouden: •

•

bij het verwijderen van beplanting, slopen van bebouwing en overige verstorende werkzaamheden moet men bedacht zijn op de aanwezigheid van broedvogels. Bij voorkeur worden de werkzaamheden buiten het broedseizoen (buiten 15 maart – 15 juli) uitgevoerd; bij het verwijderen van beplanting, maar ook bijvoorbeeld bij opslagplaatsen van puin, stapels stenen e.d. moet men, in het bijzonder in de periode van 1 november – 15 april, bedacht zijn op de aanwezigheid van overwinterende amfibieën.

25

Wanneer amfibieën worden aangetroffen, worden deze in vervangend overwinteringgebied geplaatst. Gebiedenbescherming: Natuurbeschermingswet 1998 Om de Europese biodiversiteit te behouden en te herstellen wordt gestreefd naar de ontwikkeling van een groot Europees netwerk van beschermde natuurgebieden (‘Natura 2000’). Om dit te bereiken zijn onder meer de Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992) opgesteld. Op basis van deze Europese richtlijnen zijn alle lidstaten, dus ook Nederland, verplicht om beschermde habitats, soorten en hun leefgebieden in stand te houden of te herstellen. In de Natuurberschermingswet 1998 zijn de Habitatricthlijn en Vogelrichtlijn opgenomen en deze wet regelt onder andere de aanwijzing van Natura 2000-gebieden. Wet natuurbescherming (Wnb) Vanaf 1 januari 2017 geldt de nieuwe Wet natuurbescherming (Wnb). In het Decentralisatieakkoord Natuur (PS2011-778) is afgesproken dat de wetgever de decentralisatie van rijkstaken in het landelijk gebied naar provincies formaliseert. Met de Wnb geeft het Rijk invulling aan de decentralisatieafspraken uit het Decentralisatieakkoord Natuur en het Natuurpact (PS2013-797). De Wnb is daarmee het sluitstuk van de decentralisatie van het natuurbeleid.

Het huidige wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet, wordt vervangen door deze wet. Voordat de Wnb in werking treedt, wil de provincie, om dat te borgen, een aantal regels in de Omgevingsverordening vaststellen. Het betreft regels voor gebieden, soorten en houtopstanden, inclusief de verplichtingen die in de Wet Natuurbescherming zijn opgenomen. Conclusie flora en fauna voor bouwplan(locatie) Door het in werking treden van de Flora- en faunawet heeft de natuurtoets een sterker karakter gekregen in de ruimtelijke ordening. De Flora- en faunawet schrijft voor dat bij ruimtelijke ingrepen geen schade toegebracht mag worden aan beschermde dier- en plantensoorten. De planlocatie zal wat bebouwing, vorm en omvang betreft niet worden gewijzigd. Sloopwerkzaamheden vinden niet plaats. De kans is daarmee nihil dat er binnen de planlocatie verblijfplaatsen van beschermde dier- en plantensoorten aanwezig zijn of worden verstoord. Voor grondgebonden zoogdieren en vogels (algemeen) heeft de planlocatie door het ontbreken van schuilmogelijkheden en broedplaatsen (houtopstanden) niets te betekenen. De aanwezigheid van standplaatsen (flora) of vaste rust- of verblijfplaatsen (fauna) van strikter beschermde soorten kan dus redelijkerwijs worden uitgesloten.

Mogelijk maakt het perceel zelf onderdeel uit van het leefgebied van strikter beschermde soorten als uilen en vleermuizen. Het oppervlak van de planlocatie is echter dermate gering dat op voorhand geen sprake kan zijn van een wezenlijk / essentieel leefgebied. Beschermde soorten in deze context zijn reeds gewend aan menselijke activiteit en de daarbij behorende objecten. Negatieve effecten op eventueel aanwezige beschermde soorten in de omgeving kunnen redelijkerwijs worden uitgesloten. Slotconclusie is dat ecologische waarden de beoogde planontwikkeling niet in de weg staan.

4.6 Mer-beoordeling Doelstelling en (wettelijk) beleidskader Het voorkomen van aantasting van het milieu is van groot maatschappelijk belang. Het is daarom zaak om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. Om hier in de praktijk vorm aan te geven is de milieueffectrapportage ontwikkeld (zie met name hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer).

26

Gemeenten en provincies moeten vanaf 1 april 2011 ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een milieueffectrapportage (m.e.r.) nodig is, via een zogenaamde m.e.r.beoordeling. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een MER nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een m.e.r. nodig. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is dus altijd nodig als een besluit of plan wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst en die onder de drempelwaarden liggen.

Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling gelden twee voorwaarden: 1. het gaat over één of meer activiteiten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r.; 2. de omvang van al die activiteit(en) ligt onder de drempelwaarde (kolom 2 van de D-lijst). Bij besluiten en plannen over activiteiten die niet op de D-lijst staan, is de vormvrije m.e.r.-beoordeling dus niet nodig. Motivering en conclusies m.e.r.-beoordeling voor bouwplan(locatie) In de bijlage bij het Besluit MER is opgenomen welke activiteiten m.e.r.-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling kan aandacht worden besteed aan het volgende: • een globale beschrijving van de ingreep -effectrelaties en dosis-effectrelaties van de voorgenomen activiteit; • wat zijn maatgevende effecten van de voorgenomen activiteit? Is er sprake van emissies (bijvoorbeeld van geluid, lucht), verkeersaantrekkende werking e.d.? Wat is het ruimtebeslag? • wat is de afstand van de activiteit(en) tot gebieden die gevoelig zijn? • zijn er met betrekking tot de activiteit indicatieve invloedsafstanden bekend? (bijvoorbeeld uit het 'groene boekje') • waarvoor zijn de gebieden gevoelig? Heeft de voorgenomen activiteit daar invloed op?

27

Uit de (overige) relevante milieuparagrafen van deze ruimtelijke onderbouwing blijkt dat het bij dit plan niet gaat om ‘belangrijke nadelige gevolgen’ waarbij een m.e.r.beoordeling uitgevoerd dient te worden.

4.7 Historische kwaliteit Doelstelling en (wettelijk) beleidskader Doel van het archeologische onderzoek is het waar nodig beschermen van archeologische waarden en het streven naar behoud van de waarden in de bodem (in situ). De essentie van het archeologische onderzoek is het verkrijgen van gegevens over de archeologische resten in de bodem teneinde in een vroeg stadium een goede afweging te kunnen maken van alle bij een ruimtelijk besluit betrokken belangen. Het archeologische onderzoek is verankerd in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg uit 2007. De uitgangspunten van de wet zijn: • archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren en alleen opgraven als behoud in de bodem (in situ) niet mogelijk is; • de initiatiefnemer van een ruimtelijke ontwikkeling moet in een vroegtijdig stadium aangeven hoe met eventuele archeologische waarden bij bodemverstorende ingrepen zal worden omgegaan. Dit houdt in een verplichting tot vooronderzoek bij werkzaamheden die de grond gaan verstoren; • bodemverstoorders betalen archeologisch onderzoek en mogelijke opgravingen. De kosten voor noodzakelijke archeologische werkzaamheden komen ten laste van de initiatiefnemer. Bij de afweging of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is, dient nagegaan te worden of er binnen of rondom de planlocatie cultuurhistorische waarden aanwezig zijn.

Het eventueel aanwezig zijn van deze waarden wil niet per definitie zeggen dat een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling niet realiseerbaar is, maar geeft wel aan dat zorgvuldig omgaan met deze waarden vereist is. Motivering en conclusies historische kwaliteit voor bouwplan(locatie) Op de planlocatie rust de dubbelbestemming ‘Waarde - archeologie 4’ welke tot doel heeft het behoud, herstel en ontwikkeling van de waarden, in het bijzonder voor het op de verbeelding aangeduide archeologische verwachtingswaarde. In artikel 31.2.1 van het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied” is geregeld dat ter plaatse van de planlocatie niet mag worden gebouwd, anders dan ten behoeve van deze bestemming, met uitzondering van de bouw van een bijgebouw of de uitbreiding van een bestaand hoofdgebouw met ten hoogste 100 m². (Nader) archeologisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. De ruimtelijke impact van het plan en de oppervlakte van de planlocatie zijn dermate minimaal dat er geen sprake is van aantasting van de wezenlijke cultuurhistorische kenmerken en waarden van het gebied, zoals ‘historische landschappelijk gebied’. Tot slot kan worden vermeld dat de planlocatie geen monumentale status of een anderszins vastgelegde beeldbepalende kwaliteit bezit. Geconcludeerd kan worden dat de aspecten archeologie en cultuurhistorie de realisatie van het bouwplan niet in de weg staan.

28

5. Uitvoeringsaspecten 5.1 Economische uitvoerbaarheid Exploitatie Behoudens kosten voor ambtelijke voorbereiding en begeleiding zijn er voor de uitvoerbaarheid van de voorgestane ontwikkeling geen andere kosten voor de gemeente in de exploitatiesfeer. De ontwikkeling bevindt zich op eigen terrein van de initiatiefnemer en komt buiten de directe invloedssfeer van de gemeente tot stand. Alle kosten verbonden aan de realisatie van het plan komen voor rekening van de initiatiefnemer. Planschade Om de economische uitvoerbaarheid te waarborgen, dient inzicht te worden verkregen of in onderhavige situatie sprake is van planschade. Eventuele tegemoetkomingen in de planschade die uit het bestemmingsplan voortvloeien, zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Hiertoe wordt met de gemeente Sint-Michielsgestel een overeenkomst gesloten. Om bovenstaande te waarborgen, wordt voor zowel de exploitatie als de eventuele planschade een anterieure en planschadeovereenkomst gesloten tussen de gemeente en de initiatiefnemer.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De procedures tot en met de vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wet geregeld. Aangegeven is dat in eerste instantie tussen gemeente en verschillende instanties, waar nodig, overleg over het plan moet worden gevoerd, alvorens het ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Daarnaast is er de gelegenheid om in het voortraject belanghebbenden te laten inspreken conform de gemeentelijke verordening. Pas daarna wordt de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan opgestart (artikel 3.8 Wro). Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Verder is er een landelijke voorziening waar in elektronische vorm de ruimtelijke visies, plannen, besluiten, verordeningen of algemene maatregelen van bestuur van gemeenten, provincies en Rijk, voor een ieder volledig toegankelijk en raadpleegbaar zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12805495/1