CConstaterende datsint-michielsgestel
Koppel je AI →
Document · PDF

3.4 LIP Boomstraat 35 te Gemonde

Gemeenteraad 29 juni 2023, gemeente sint-michielsgestelBij agendapunt: 12.4.3 - Bijlage 3 Inrichtingsplannen 1e en 2e actualisatie12.152 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Planvoornemen Boomstraat 35 Gemonde

1

Titel:

Ruimtelijke onderbouwing planvoornemen Boomstraat 35 Gemonde

Datum: Projectnummer: Status / versie:

5 december 2017 2017.126 Definitief / 05-12-2017

Initiatiefnemer: (Post)adres:

De heer A.H.M. van Oorschot Boomstraat 35 5291ND Gemonde

Adviesbureau: Contactpersoon: (Post)adres:

Wintraecken Advies B.V. mr. D. (David) Wintraecken Harry Bolsiuslaan 13 5481 BN Schijndel (073) 850 51 29 / (06) 146 488 29 info@wintraeckenadvies.nl www.wintraeckenadvies.nl

Telefoon: E-mail: Website:

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en/of Wintraecken Advies.

2

Inhoudsopgave 1. Inleiding ........................................................................................................... 5 1.1 Planvoornemen ............................................................................................. 5 1.2 Planlocatie ................................................................................................... 5 1.3 Doel ruimtelijke onderbouwing ....................................................................... 6 1.4 Vigerend bestemmingsplan ............................................................................ 7 1.5 Leeswijzer .................................................................................................. 10 2. Planbeschrijving .............................................................................................. 11 3. Ruimtelijke structuur, beeldkwaliteit en landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering ........................................................................................... 11 3.1 Ruimtelijke structuur en beeldkwaliteit .......................................................... 11 3.2 Landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering ........................................ 12 4. Ruimtelijk beleidskader ....................................................................................

14 4.1 Inleiding .................................................................................................... 14 4.2 Rijksbeleid ................................................................................................. 14 4.3 Provinciaal beleid ........................................................................................ 14 4.4 Gemeentelijk beleid..................................................................................... 18 5. Milieu- en ruimtelijke waardentoets ................................................................... 21 5.1 Inleiding .................................................................................................... 21 5.2 Geluid ....................................................................................................... 21 5.3 Milieuzonering / hinderlijke bedrijvigheid ....................................................... 22 5.4 Externe veiligheid, kabels en leidingen .......................................................... 25 5.5 Kabels en (buis)leidingen ............................................................................. 26 5.6 Milieueffectrapportage ................................................................................. 27 5.7 Bodem .......................................................................................................

28 5.8 Water ........................................................................................................ 29 5.9 Lucht ......................................................................................................... 30 5.10 Flora en fauna .......................................................................................... 32 5.11 Historische kwaliteit .................................................................................. 34 5.12 Verkeer en parkeren .................................................................................. 36 6. Uitvoeringsaspecten ......................................................................................... 37 6.1 Economische uitvoerbaarheid ....................................................................... 37 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................. 37 7. Slotconclusie................................................................................................... 38

3

Bijlagen 1. Perceelsinrichting nieuwe situatie 2. De Roever Omgevingsadvies, Akoestisch onderzoek industrielawaai, splitsing boederij (wonen) Boomstraat 35 Gemonde, documentnummer: 20170870/C01/TO, 26-10-2017

4

1. Inleiding 1.1 Planvoornemen Initiatiefnemer wil de woonfunctie van het pand aan de Boomstraat 35a beëindigen en dit pand, inclusief de bijbehorende garage, na overlijden slopen. Daarvoor in de plaats wil initiatiefnemer de woning aan de Boomstraat 35 splitsen in twee wooneenheden. Per saldo blijft het aantal woningen gelijk. Daarnaast ziet het planvoornemen op het verplaatsen van een deel van het bestemmings-/bouwvlak van Boomstraat 35a naar het – bezien vanaf de Boomstraat – linker gedeelte van het perceel. Dit om hier het oprichten van een bijgebouw (een garage o.i.d.) mogelijk te maken. De inrichtingstekening in bijlage 1 geeft dit weer. Hiertoe moeten de huidige bestemmings-/bouwvlakken dan qua vorm gewijzigd worden. De gemeente heeft principemedewerking toegezegd aan het planvoornemen, onder voorwaarde dat de maximale maat aan bijgebouwen niet mag worden overschreden. Dit maximum bedraagt 100 m2 per woning. Voor de bestaande bebouwing (bestaande werktuigenloods en schapenstal inclusief houtopslag) wordt maatwerk toegepast. Een en ander dient planologisch-juridisch geregeld te worden in de eerstvolgende (tweede) actualisatieronde van het bestemmingsplan “Buitengebied”.

De initiatiefnemer dient dan wel een ‘goede ruimtelijke onderbouwing’ aan te leveren, waaruit blijkt dat het bouwplan geen negatieve ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische gevolgen heeft voor de planlocatie en de directe omgeving ervan. Onderhavig notitie voorziet hierin.

1.2 Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Boomstraat 35 en 35a te Gemonde. Het pand aan de Boomstraat 35 betreft een karakteristieke, beeldbepalende langgevelboerderij, omgeven door agrarische gronden. In het linker gedeelte van de boerderij vinden de eigenlijke woonfuncties plaats. Pand Boomstraat 35a ligt direct achter de boerderij en heeft ook een woonfunctie/-bestemming. Uit landschappelijk en stedenbouwkundig oogpunt is de huidige situatie niet ideaal. Rechtsachter op het perceel zijn ook nog een bestaande werktuigenloods en schapenstal inclusief houtopslag aanwezig. Op de navolgende foto’s (bron: Google) is een en ander te zien.

5

1.3 Doel ruimtelijke onderbouwing In de ruimtelijke onderbouwing wordt aandacht besteed aan de ruimtelijke en milieuhygiënische effecten van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling. Uit de ruimtelijke onderbouwing moet dus blijken hoe het bouwplan zich verhoudt – zowel in negatieve als positieve zin – tot de aanwezige functies en waarden op de planlocatie en de directe omgeving ervan. In dit kader worden, behalve het ruimtelijk-planologische beleid en de landschappelijke toets, alle ruimtelijke en milieukundige aspecten nader beschouwd. Alvorens het bouwplan kan worden gerealiseerd, dient aan een aantal deels juridische randvoorwaarden te worden voldaan. Het betreft daarbij met name de volgende vier voorwaarden: 1. het motiveren van de afwijking van de geldende bestemming middels het opstellen van de ‘goede ruimtelijke onderbouwing’ als basis voor het verlenen van de omgevingsvergunning; 2. het met de ruimtelijke onderbouwing aantonen van de ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid; 3. het in procedure brengen van de actualisatie van het bestemmingsplan “Buitengebied” met daarin opgenomen een passende bestemming voor de plangronden aan de Boomstraat 35 / 35a te Gemonde; 4. het aanvragen en verlenen van de noodzakelijke omgevingsvergunning.

Met deze ruimtelijke onderbouwing wordt derhalve een planologisch-juridische basis gelegd om het bouwplan te kunnen realiseren.

6

Zoals in het verdere vervolg van deze ruimtelijke onderbouwing zal blijken, heeft het bouwplan geen negatieve ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische gevolgen voor de planlocatie en de directe omgeving ervan.

1.4 Vigerend bestemmingsplan Op grond van het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied” geldt voor de planlocatie de bestemming ‘Wonen’ met een bestemmings-/bouwvlak voor Boomstraat 35 en voor Boomstraat 35a. De planlocatie is dubbelbestemd als zijnde ‘Waarde - Archeologie 4’. Verder is nog een aantal gebiedsaanduidingen van toepassing: ‘bebouwingsconcentratie’, ‘historrish landschappelijk gebied’, ‘beschermingsgebied natte natuurparel’ en ‘vrijwaringszone – molenbiotoop’. Het omliggende agrarische gebied heeft de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’. Op de uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan “Buitengebied” – zie navolgende afbeelding – is de ligging van de planlocatie aan de Boomstraat 35 / 35a weergegeven.

Per bestemmings-/bouwvlak is één burgerwoning toegestaan. Het inruilen van de woning Boomstraat 35a tegen een extra woning in de boerderij op nummer 35 is derhalve in strijd met het bestemmingsplan. Het realiseren van een tweede woning in de boerderij c.q. op het perceel Boomstraat 35 geschied in feite via ‘splitsing’, al neemt per saldo het aantal woningen niet toe, maar vindt er dus een uitruil plaats met de woning Boomstraat 35a. Zoals uit voorliggende ruimtelijke onderbouwing blijkt, wordt aan de splitsingsvoorwaarden/-criteria, als genoemd in artikel 23.10.1 wordt echter voldaan.

7

23.10.1 Woningsplitsing Het splitsen van de woning in twee wooneenheden is toegestaan, indien voldaan is aan de volgende voorwaarden:

a.

het een karakteristieke boerderij betreft;

b.

kenmerkende architectonische eigenschappen dienen te worden behouden;

c.

de wijziging mag geen onevenredige beperking opleveren van de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven;

d.

splitsing is alleen toegestaan als deze past binnen het gemeentelijk woningbouwprogramma;

e.

de overtollige gebouwen dienen eerst te worden afgebroken tot een oppervlakte welke per woning maximaal is toegestaan, te weten 100 m² alvorens tot splitsing mag worden overgegaan;

f.

door de komst van de nieuwe woningen er geen milieuhygiënische belemmeringen optreden;

g.

ten aanzien van de sloop van het op het moment van de ter visie legging van het ontwerpbestemmingsplan aanwezige surplus aan vrijstaande (bij)gebouwen gelden de volgende bepalingen:

1.

het maximaal toegestane oppervlak aan bijgebouwen van 100 m² worden verhoogd mits de bebouwing, welke niet als woning wordt gebruikt, wordt gesloopt. De verhoging bedraagt 50 procent van het te slopen surplus aan bebouwing. Het maximaal toegestane oppervlakte van bijgebouwen mag na afbraak niet meer bedragen dan 200 m²;

2.

er dient sprake te zijn van een goede landschappelijke inpassing van de nieuwe bijgebouwen;

3.

cultuurhistorisch waardevolle objecten mogen niet worden gesloopt;

h.

de inhoud van de karakteristieke boerderij mag niet worden vergroot;

i.

de inhoud van de karakteristieke boerderij moet vóór de splitsing ten minste 900 m³ bedragen;

j.

de inhoud van de woningen bedraagt na splitsing ten minste 400 m³ per woning;

k.

de inhoud van de gesplitste woningen mag niet worden vergroot;

l.

de bestaande natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, aardkundige en/of abiotische waarden niet onevenredig worden aangetast;

m. de ontwikkeling dient hydrologisch neutraal te zijn.

Hiervoor is reeds opgemerkt dat het planvoornemen tevens ziet op het verplaatsen van een deel van het bestemmings-/bouwvlak van Boomstraat 35a naar het – bezien vanaf de Boomstraat – linker gedeelte van het perceel. Verwezen wordt naar de inrichtingstekening in bijlage 1. Hiervoor dienen dan wellicht de huidige bestemmings-/bouwvlakken dan qua vorm gewijzigd te worden. Er ontstaat dan een landschappelijk en stedenbouwkundig verantwoorder en logischer kavelverdeling. Het bestemmingsplan biedt nu reeds in artikel 23.10.6 via een wijzigingsbevoegdheid de mogelijkheid om de bestemming ‘Wonen’ te wijzigen in ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’ ten behoeve van vormverandering van het bouwvlak:

8

23.10.6 Het wijzigen van de bestemming Wonen in Agrarisch (- met waarden) ten behoeve van vormverandering Het wijzigen van de bestemming Wonen ten behoeve van de vormverandering van het bouwvlak in de bestemming Agrarisch (- met waarden) is toegestaan, indien voldaan is aan de volgende voorwaarden:

a.

het bestaande bouwvlak niet wordt vergroot;

b.

de verandering noodzakelijk is vanuit verkeerskundig, danwel akoestisch danwel stedenbouwkundig oogpunt;

c.

de bestaande natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden gelijk danwel verbeterd worden;

d.

aandacht wordt besteed aan de verschillende deelaspecten namelijk water, landschappelijke inpassing, cultuurhistorie, natuur en landschap, milieu, verstening en veiligheid.

Zoals uit voorliggende ruimtelijke onderbouwing blijkt, wordt aan de wijzigingsvoorwaarden/-criteria, als genoemd in de artikelen 23.10.1 en 23.10.6 voldaan. Hierbij wordt wel opgemerkt dat ten behoeve van het (bouw)plan in kwestie op onderdelen maatwerk moet worden toegepast. Zo is duidelijk dat het voornemen is gericht op de nieuwe perceelsindeling en -inrichting zoals weergegeven op de bijgevoegde tekening (bijlage 1). De voor ‘Waarde – Archeologie 4’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische waarden, in concreto terreinen met een hoge verwachting voor de periode Neolithicum tot Middeleeuwen en/of terreinen met een middelhoge verwachting. Met onderhavig planvoornemen vindt een afwijking van de huidige regelgeving plaats. Op dit moment is er namelijk maximaal één woning toegestaan aan de Boomstraat 35. Ten behoeve van het kunnen oprichten van een bijgebouw bij de toekomstige linker boerderijwoning dienen de bestemmings-/bouwvlakken van vorm te worden veranderd. Hiertoe dient het vigerende bestemmingplan dus te worden herzien. Aanduidingen: waarden en kwaliteiten Voor de planlocatie c.q. het plan geldt dat landschappelijke en natuurwaarden en kwaliteiten, de beleving van het buitengebied en een vitaal platteland behouden blijven.

De aanwezige waarden en kwaliteiten van de planlocatie en de directe omgeving worden gerespecteerd en waar mogelijk versterkt. De ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieuhygiënische aanvaardbaarheid van de voormelde plankeuzes worden gemotiveerd in de hoofdstuk 5. Paragraaf 3.1 gaat nader in op de gevolgen van de gewenste ontwikkeling voor de bestaande ruimtelijke structuur en beeldkwaliteit. Paragraaf 3.2 behandelt de landschappelijke inpassing en ruimtelijke kwaliteitsverbetering. Met betrekking tot de ligging van de planlocatie binnen een ‘vrijwaringszone – molenbiotoop’ geldt dat met het plan geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het huidige en/of het toekomstige functioneren van de molen als werktuig door windbelemmering en/of de waarde van de molen als landschapselement. Hierbij geldt tevens dat op kortere afstand van de molen reeds diverse woningen zijn gelegen welke van vergelijkbare of hogere hoogte zijn dan onderhavige woning(en). De ruimtelijke impact van het plan en de oppervlakte van de planlocatie zijn dermate gering dat er geen sprake is van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden

9

van het gebied. Voor de planlocatie c.q. het plan geldt verder dat er geen sprake is van een monumentale status of een anderszins vastgelegde beeldbepalende kwaliteit. Uit deze ruimtelijke onderbouwing blijkt dat het bouwplan zich verhoudt – zowel in negatieve als positieve zin – tot de aanwezige functies en waarden op de planlocatie en de directe omgeving ervan. In dit kader worden, behalve het ruimtelijk-planologische beleid en de landschappelijke toets, alle ruimtelijke en milieu-hygiënische aspecten nader beschouwd.

1.5 Leeswijzer In de volgende hoofdstukken wordt aandacht besteed aan de verschillende aspecten van het bestemmingsplan. Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van het plan. Hoofdstuk 3 behandelt de gevolgen van het plan voor de ruimtelijke structuur en beeldkwaliteit en gaat in op de onderwerpen landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering. Hoofdstuk 4 vervolgens gaat in op het ruimtelijk-planologische beleidskader. Voor een beschrijving van de milieu-hygiënische en ruimtelijke aspecten wordt verwezen naar hoofdstuk 5. De onderdelen economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid worden toegelicht in hoofdstuk 6. Hoofdstuk 7 bevat de slotconclusie.

10

2. Planbeschrijving Het pand aan de Boomstraat 35 betreft een karakteristieke, beeldbepalende langgevelboerderij. De splitsing ervan is daarmee expliciet gericht op het behoud van deze karakteristieke, beeldbepalende bebouwing. Sloop en constructieve aanpassingen zijn niet aan de orde. Het behouden van karakteristieke, waardevolle gebouwen voor de toekomst, staat ook bij de gemeente Sint-Michielsgestel hoog in het vaandel. Om het behoud van de langgevelboerderij te verzekeren, moet de kostenfinanciering voor het onderhoud gewaarborgd zijn. Door een dergelijk pand in twee wooneenheden te splitsen, vindt er een verdeling van onderhoud en kosten plaats. Op deze manier is het behoud en onderhoud van het pand voor de toekomst min of meer verzekerd. Het voorliggende plan betreft feitelijk de splitsing van een karakteristieke boerderij in twee wooneenheden. Daarmee streeft het plan zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik na. Geen uitbreiding, wel inbreiding, transformatie, herontwikkeling, verdichting en behoud van een karakteristieke, beeldbepalende langgevelboerderij. Met het beëindigen van de woonfunctie van het pand aan de Boomstraat 35a en het op termijn c.q. na overlijden slopen ervan ontstaat tevens een landschappelijk en stedenbouwkundig gezien logischer en verantwoorder situatie.

De ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid van de voormelde plankeuzes worden gemotiveerd in de hoofdstuk 5. Paragraaf 3.1 gaat nader in op de gevolgen van de gewenste ontwikkeling voor de bestaande ruimtelijke structuur en beeldkwaliteit. Paragraaf 3.2 behandelt de landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering.

3. Ruimtelijke structuur, beeldkwaliteit en landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering 3.1 Ruimtelijke structuur en beeldkwaliteit In deze paragraaf wordt aangegeven wat de gevolgen van de gewenste ontwikkeling zijn voor de bestaande ruimtelijke structuur en beeldkwaliteit. De beoogde ruimtelijke ingreep aan de Boomstraat voorziet in niet een verandering van de ruimtelijke structuur ter plaatse van het planlocatie. Het plan is verder niet of nauwelijks van invloed op de parkeervoorzieningen, (groen)inrichting en infrastructuur. Bij onderhavig initiatief is geen sprake van nieuwbouw van woningen. Hergebruik van bestaande bebouwing wordt nagestreefd. Met de realisatie van de woningsplitsing wordt het karakter van de bestaande langgevelboerderij behouden en blijft het pand met haar karakter dus passend bij de omgeving. Derhalve is stedenbouwkundige inpassing in deze niet van toepassing. Bij het hergebruik is het van belang dat de beide woningen voldoen aan de regels en uitgangspunten, zoals opgesteld in diverse beleidsstukken van Rijk, provincie en ge-

11

meente. Uit hoofdstuk 3 van deze ruimtelijke onderbouwing blijkt reeds dat met onderhavige ontwikkeling hieraan wordt voldaan. Extra inpassingsmaatregelen ten behoeve van de splitsing van de langgevelboerderij zijn niet nodig. Tot slot is het zo dat in onderhavige situatie sprake is van bestaande bebouwing en welstandscriteria niet aan de orde zijn. Door het hergebruik zal een interne verbouwing plaatsvinden (dus geen herbouw of vormaanpassing van het hoofdgebouw) van een pand dat reeds aan de eisen voldoet. Voor het oprichten van het nieuwe bijgebouw zullen de welstandseisen wel van toepassing zijn. Met onderliggend initiatief, dus inclusief het opheffen van de woonfunctie van het pand aan de Boomstraat 35a en het op termijn slopen van dit pand, ontstaat een representatieve locatie die de ruimtelijke beeldkwaliteit van het gebied onvoorwaardelijk in stand houdt en door de voorgenomen inpassing, vormgeving en bouwstijl van de beoogde bebouwing zelfs verbetert. Op deze wijze heeft het initiatief een toegevoegde waarde voor het ruimtelijke omgevingskader en levert het daarmee tevens een positieve invulling aan de waarborging van de stedenbouwkundige en landschappelijke karakteristiek en identiteit ter plaatse.

Geconcludeerd kan worden dat het plan bijdraagt aan een ruimtelijke en visuele koppeling met de bestaande omliggende bebouwing en daarmee een positieve functionele invulling vormt. De voorgestane ontwikkeling steunt de waarborging van de stedenbouwkundige, landschappelijke en architectonische uitgangspunten en daarmee de ruimtelijke karakteristiek en identiteit ter plaatse.

3.2 Landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering Ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied moeten landschappelijk worden ingepast en moeten, daar waar een waardevermeerdering van de gronden plaatsvindt, op enigerlei wijze worden gecompenseerd. Uit een landschappelijk inpassingsplan dient te blijken dat de voorgestane ruimtelijke ontwikkeling, natuur- en landschappelijke waarden ter plaatse niet schaden. Een landschappelijk inpassingsplan voorziet in een ontwikkeling in natura, waarmee aan de voorwaarden wordt voldaan die de provincie en gemeente stellen aan ontwikkelingen in het buitengebied. Daarnaast moet eventueel, in het kader van de extra kwaliteitsverbetering, het effect op de financiële waarde van de gronden binnen de planlocatie verantwoord worden. Op basis van een dergelijke berekening kan worden aangetoond wat de meer- of minderwaarde is van een nieuwe ontwikkeling. Er is bijvoorbeeld sprake van meerwaarde als een agrarische of natuurbestemming wordt gewijzigd naar een stedelijke functie (wonen of bedrijvigheid). Van deze meerwaarde dient een percentage te worden gecompenseerd. Het kan dan zijn dat er een financiële bijdrage wordt geleverd aan een gemeentelijk groenfonds. De gemeente Sint-Michielsgestel heeft categorieën van ontwikkelingen aangegeven en per categorie aangegeven welke kwaliteitsverbetering noodzakelijk is.

Voor ontwikkelingen in categorie 1 is geen bijdrage in landschappelijke kwaliteitsverbetering benodigd. Van initiatieven in categorie 2 wordt enkel landschappelijke inpassing gevraagd. Acties die vallen onder categorie 3 dienen naast een landschappelijke inpassing ook een extra kwaliteitsverbetering te leveren, bijvoorbeeld in de vorm van een financiële bijdrage.

12

Onder categorie 1 valt onder meer de volgende ontwikkelingen: • vestiging van of splitsing in meerdere wooneenheden in monumentale/karakteristieke/cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. De voorgenomen ontwikkeling aan de Boomstraat behelst een aanpassing van een bestaande beeldbepalende langgevelboerderij. De bestaande woonboerderij wordt gesplitst binnen een geldend bestemmingsvlak ‘Wonen’. Daarbij is er uit financieel en praktisch oogpunt gekozen voor een splitsing van de boerderij in twee wooneenheden. De splitsing valt onder categorie 1. Derhalve is een landschappelijke bijdrage niet benodigd.

13

4. Ruimtelijk beleidskader 4.1 Inleiding Wat betreft de verantwoordelijkheidstoedeling en bevoegdheidsverdeling zijn het Rijk, de provincies en de gemeenten verantwoordelijk voor hun eigen belangen. Er kan slechts sprake zijn van bemoeienis van Rijk of provincie met de gemeente, indien dat noodzakelijk is vanwege een nationaal respectievelijk provinciaal belang. Rijk en provincies beschikken in de nieuwe Wet ruimtelijke ordening over dezelfde bevoegdheden als gemeenten om hun eigen ruimtelijke belangen te kunnen uitvoeren. Daarnaast kunnen het Rijk en de provincies algemeen verbindende regels uitvaardigen en aanwijzingen geven om hun belangen veilig te stellen.

4.2 Rijksbeleid De voorliggende planontwikkeling sluit aan bij de doelstellingen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) / AMvB Ruimte om te komen tot de bevordering van krachtige dorpen en steden en duurzaam en zuinig ruimtegebruik. Het voldoet aan de eis om ruimtelijke ontwikkelingen integraal te bezien en zorgvuldig om te gaan met de leefomgeving. Aspecten als water, veiligheid, cultuurhistorie en ruimtelijke kwaliteit vormen onderdeel van de planologische toets. Daarmee is het initiatief niet in strijd met het rijksbeleid.

4.3 Provinciaal beleid Verordening ruimte Noord-Brabant 2014 Het beleid uit de Structuurvisie ruimtelijke ordening is verwerkt in de regels die zijn opgenomen in de Verordening ruimte Noord-Brabant 2014 van de provincie. De onderwerpen die in de verordening staan komen dus uit de provinciale structuurvisie. Daarin staat welke belangen de provincie wil behartigen en hoe ze dat wil doen. De verordening is daarbij één van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen. In de verordening ruimte is een aantal regels opgenomen die van toepassing zijn op onderhavig bestemmingsplan. Deze zullen hierna worden besproken. Telkens wordt een conclusie getrokken over in hoeverre onderhavig bestemmingsplan aansluit bij de beleidskaders in de verordening ruimte. De provincie wil de ruimtelijke kwaliteit van Noord-Brabant bevorderen. Dit betekent dat nieuwe ontwikkelingen een bijdrage moeten leveren aan de kernkwaliteiten van Brabant. De provincie biedt ontwikkelingsruimte in het buitengebied, mits een ontwikkeling bijdraagt aan een versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Nieuwe ontwikkelingen bieden een kans voor behoud en ontwikkeling van het landschap. Het ontwikkelen van landschap reikt verder dan het behouden wat er is, ontwikkelen van het landschap gaat ook om het toevoegen van nieuwe ruimtelijke kwaliteiten. Niet alle thematische kaarten zijn relevant voor onderhavig plan.

Onderstaande tabel illustreert welke thematische kaarten in principe van toepassing zijn op het plangebied en welke niet.

14

Kaartnaam Stedelijke ontwikkeling Agrarische ontwikkeling en windturbines Water Natuur en landschap Cultuurhistorie

Van toepassing Nee Ja Nee Ja Ja

Agrarische ontwikkeling en windturbines Binnen het kaartbeeld ‘agrarische ontwikkeling en windturbines’ is het plangebied aangeduid als ‘beperkingen veehouderij’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.

Met betrekking tot de Beperkingen veehouderij geldt het volgende. In afwijking van artikel 5.1, eerste lid onder c (bescherming Natuur Netwerk Brabant), artikel 6.3 en artikel 7.3 (veehouderij) bepaalt een bestemmingsplan ter plaatse van de aanduiding ‘beperkingen veehouderij’ dat uitbreiding van, vestiging van en omschakeling naar een veehouderij niet zijn toegestaan. Van belang is het om te stellen dat de gewenste ontwikkeling aan de Boomstraat geen betrekking heeft op een veehouderij of agrarisch bedrijf. Derhalve zijn de regels die vallen onder de noemer ‘beperkingen veehouderij’ niet van toepassing op onderhavige ontwikkeling. Natuur en landschap Binnen het kaartbeeld ‘natuur en landschap’ is het plangebied aangeduid als ‘attentiegebied Natuur Netwerk Brabant’ en ‘groenblauwe mantel’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.

Een bestemmingsplan gelegen in het Natuur Netwerk Brabant strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de

15

onderscheiden gebieden, stelt regels ter bescherming van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden en houdt daarbij rekening met de overige aanwezige waarden en kenmerken, waaronder de cultuurhistorische waarden en kenmerken en bepaalt dat, zolang het Natuur Netwerk Brabant niet is gerealiseerd, de bestaande bebouwing en de bestaande planologische gebruiksactiviteit zijn toegelaten. Als ecologische waarden en kenmerken gelden de natuurbeheertypen, zoals vastgelegd op de beheertypenkaart en de ambitiekaart van het natuurbeheerplan. Een bestemmingsplan kan bepalen dat het oprichten van kleinschalige bebouwing en bouwwerken ten behoeve van de natuurbestemming of het recreatieve medegebruik daarvan, zijn toegestaan, mits dit geen aantasting geeft van de ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant. De Verordening ruimte bepaalt binnen gebieden met de aanduiding ‘attentiegebied Natuur Netwerk Brabant’ geen fysieke ingrepen mogelijk zijn met een negatief effect op de waterhuishouding van het hierbinnen gelegen Natuur Netwerk Brabant. Deze ingrepen zijn in casu ook niet aan de orde. Het plan heeft geen betrekking op het oprichten van nieuwe bouwwerken. Ook vindt er geen uitbreiding van de huidige bebouwing plaats.

Een bestemmingsplan dat is gelegen in de Groenblauwe mantel strekt tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden. Daarbij worden regels gesteld ter bescherming van de ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden. De toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid, bevat een verantwoording over de wijze waarop de nodige kennis over de aanwezige ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken is vergaard. Verder staat artikel 6.7, derde lid, onder b, van de Verordening ruimte expliciet de splitsing in meerdere woonfuncties toe: 6.7 Wonen

1.

Een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel bepaalt dat: a.

alleen bestaande burgerwoningen, bedrijfswoningen of solitaire recreatiewoningen zijn toegestaan;

b.

zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen, al dan niet solitaire recreatiewoningen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen is uitgesloten.

2.

….

3.

In afwijking van het eerste lid kan een bestemmingsplan voorzien in: a.

de bouw van een woning ter vervanging van een bestaande woning binnen het daartoe aangewezen bouwperceel, mits is verzekerd dat:

b.

I.

de bestaande woning feitelijk wordt opgeheven;

II.

overtollige bebouwing wordt gesloopt.

de vestiging van of de splitsing in meerdere woonfuncties in cultuurhistorisch waardevolle bebouwing indien dit is gericht op het behoud of herstel van deze bebouwing, waarbij artikel 3.1, tweede lid, onder a (verbod op nieuwvestiging) niet van toepassing is.

16

Artikel 3.2 Verordening ruimte Kwaliteitsverbetering van het landschap Artikel 3.2 van de Verordening ruimte van de provincie Noord-Brabant stelt dat een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk maakt, bepaalt dat een ruimtelijke ontwikkeling die op grond van dat plan mogelijk is, gepaard gaat met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap, cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied of de omgeving. Zoals hiervoor reeds uiteengezet in paragraaf 3.2 heeft de gemeente Sint-Michielsgestel categorieën van ontwikkelingen opgesteld en per categorie aangegeven welke kwaliteitsverbetering noodzakelijk is. Voor ontwikkelingen in categorie 1 is geen bijdrage in landschappelijke kwaliteitsverbetering benodigd. Van initiatieven in categorie 2 wordt enkel landschappelijke inpassing gevraagd. Acties die vallen onder categorie 3 dienen naast een landschappelijke inpassing ook een extra kwaliteitsverbetering te leveren, bijvoorbeeld in de vorm van een financiële bijdrage. Onder categorie 1 valt onder meer de volgende ontwikkelingen: • vestiging van of splitsing in meerdere wooneenheden in monumentale/karakteristieke/cultuurhistorisch waardevolle bebouwing.

De voorgenomen ontwikkeling aan de Boomstraat behelst een aanpassing van een bestaande beeldbepalende langgevelboerderij. De bestaande woonboerderij wordt gesplitst binnen een geldend bestemmingsvlak ‘Wonen’. Daarbij is er uit financieel en praktisch oogpunt gekozen voor een splitsing van de boerderij in twee wooneenheden. De splitsing valt onder categorie 1. Derhalve is een landschappelijke bijdrage niet benodigd. Tot slot kan worden opgemerkt dat er per saldo geen nieuwe woning wordt toegevoegd en dat de ontwikkeling alleen al om deze reden niet kan worden beschouwd als (een aanzet voor) een stedelijke ontwikkeling in die zin dat er een samenhangende ruimtelijke structuur van stedelijke functies ontstaat. Cultuurhistorie Binnen het kaartbeeld ‘cultuurhistorie’ is het plangebied aangeduid als ‘cultuurhistorisch vlak’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.

Ter plaatse van de aanduiding ‘cultuurhistorisch vlak’ geldt dat een bestemmingsplan mede is gericht op behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden. Plannen, projecten of handelingen zijn niet toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken en waarden van het

17

gebied aantasten. Dit betekent dat het bestemmingsplan moet voorzien in een beschermende regeling zoals een vergunningstelsel en waar nodig verbodsbepalingen. Een bestemmingsplan dat voor een locatie waarop deze aanduiding van toepassing is, wordt opgesteld stelt zodoende regels op ter bescherming van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden. Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant stellen een beschrijving vast van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de als cultuurhistorische vlakken aangewezen gebieden als onderdeel van de Cultuurhistorische Waardenkaart. Slotconclusie provinciaal beleid Onderhavig planvoornemen wordt mogelijk gemaakt met gebruikmaking van de binnen de kaders van het vigerende provinciale ruimtelijke beleid. Er wordt geen afbreuk gedaan aan de kernkwaliteiten die ter plaatse van de planlocatie zijn aangeduid op de diverse themakaarten van de provincie. Met de ontwikkeling blijven landschappelijke kwaliteiten, de beleving van het buitengebied en een vitaal platteland behouden. De aanwezige kwaliteiten van de planlocatie en de directe omgeving worden gerespecteerd en waar mogelijk versterkt. De ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid van het initiatief worden verder gemotiveerd in de hoofdstuk 5.

Paragraaf 3.1 gaat nader in op de gevolgen van de gewenste ontwikkeling voor de bestaande ruimtelijke structuur en beeldkwaliteit en paragraaf 3.2 behandelt de landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering.

4.4 Gemeentelijk beleid Het planologisch-juridische beleidskader van het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied” is reeds in paragraaf 1.4 aan bod gekomen. In het verdere vervolg van deze paparagraaf worden de gevolgen van de beleidslijnen uit achtereenvolgens de ‘Structuurvisie buitengebied Sint-Michielsgestel’ en de ‘Structuurvisie Sint-Michielsgestel 2025’ beschreven. Structuurvisie buitengebied Sint-Michielsgestel (2011) De planlocatie is gelegen in de kernrandzone / bebouwingsconcentratie ‘SintLambertusweg / Boomstraat’. Op de hierna volgende uitsnede van de kaart van deze bebouwingsconcentratie is de ligging van de planlocatie weergegeven.

18

Kernrandzones zijn bebouwingsconcentraties die van grote betekenis zijn voor de ruimtelijke relatie en de samenhang tussen stad en land. Inpassing van stedelijke functies als wonen en werken is hier mogelijk als het groene karakter van de zone gewaarborgd blijft. Gezien de ruimtelijke structuur dienen nieuwe functies met een grote impact op de omgeving voorkomen te worden. Het realiseren van een tweede woning in de boerderij c.q. op het perceel Boomstraat 35 geschied in feite via ‘splitsing’, al neemt per saldo het aantal woningen niet toe, maar vindt er een uitruil plaats met de woning Boomstraat 35a. Uit landschappelijk en stedenbouwkundig oogpunt is de huidige situatie niet ideaal. Met de voorgenomen planontwikkeling aan de Boomstraat wordt de woonfunctie/-bestemming van het pand aan de Boomstraat 35a afgehaald. De aanwezige karakteristieke bebouwing aan de Boomstraat 35 blijft daarmee behouden. Dit betekent dat de visie van de gemeente voor de betreffende kernrandzone wordt gerespecteerd. Met onderhavige splitsing, en verdeling van kosten en onderhoud is het in goede staat behouden van de beeldbepalende langgevelboerderij voor de komende jaren gewaarborgd. Structuurvisie Sint-Michielsgestel 2025 (2011) Op de hierna volgende uitsnede van de kaart ‘Structuurvisie Sint-Michielsgestel 2025’ is de globale ligging van het plangebied rood omcirkeld aangegeven.

19

Te zien is dat de planlocatie niet is gelegen binnen een belangrijke kernwaarde, toegekend door gemeente Sint-Michielsgestel binnen deze structuurvisie. De Structuurvisie Sint-Michielsgestel 2025 heeft weinig tot geen (beleidsmatige) betekenis voor het plan en de planlocatie. Klimaat en duurzaam De gemeente Sint-Michielsgestel wil zich naar de toekomst toe klimaatbestendig en duurzaam ontwikkelen. De gemeente Sint-Michielsgestel verlangt daarom van iedere bouwer een bijdrage in het milieuverantwoord bouwen. Uit ruimtelijk oogpunt bezien, is het belangrijk om te komen tot ‘duurzaam bouwen’. Duurzaam bouwen verhoogt de gebruikswaarde (functioneel), de belevingswaarde (vorm) en de toekomst (tijd) voor de bebouwde omgeving. Duurzaam bouwen is in dit geval te onderscheiden in stedenbouwkundig en bouwkundig duurzaam bouwen. Slotconclusie gemeentelijk beleid Uit deze ruimtelijke onderbouwing blijkt dat de landschappelijke en ecologische waarden en de milieu-hygiënische en waterhuishoudkundige situatie behouden, versterkt of verbeterd worden. Belangrijk gegeven is dat de ontwikkelingsmogelijkheden van de nabij gelegen agrarische en niet-agrarische bedrijven niet worden beknot. De karakteristieke langgevelboerderij blijft gehandhaafd met een passende architectuurstijl die aansluit bij het karakter van de omgeving.

Met de splitsing wordt het behoud van een bij de omgeving passend bouwwerk in de vorm van een boerderijwoning voor de komende jaren gewaarborgd.

20

5. Milieu- en ruimtelijke waardentoets 5.1 Inleiding De ruimtelijke ontwikkeling dient praktisch uitvoerbaar te zijn. In dit kader is het noodzakelijk om aandacht te besteden aan alle ruimtelijke en milieu-hygiënische (deel)aspecten. Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid en ruimtelijke ordening. De beleidsvelden groeien naar elkaar toe en het onderscheid is vaak ook niet meer goed aan te geven. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de afweging van het al dan niet toelaten van bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Tevens is het van belang milieubelastende functies, zoals bedrijfsactiviteiten, ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies, zoals woningen. Dit hoofdstuk gaat in op de milieu-hygiënische en ruimtelijke aspecten die van belang zijn voor de voorgenomen ontwikkelingen. De resultaten van de kwalitatieve onderzoeken naar de milieukundige haalbaarheid worden beschreven en er wordt aan de andere – ruimtelijk relevante – waarden en omgevingsaspecten, zoals verkeer, parkeren en mobiliteit, getoetst. De thema’s die aan bod komen, hebben direct of indirect betrekking op de voorgenomen planontwikkeling.

5.2 Geluid Doelstelling en (wettelijk) beleidskader Bij de realisatie van geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen, in de nabijheid van wegen dient in het bestemmingsplan aandacht besteed te worden aan de akoestische omstandigheden. De gevels van de woningen ondervinden namelijk een geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer in de omgeving. De verplichting tot uitvoering van een akoestisch onderzoek is vastgelegd in de Wet geluidhinder. De Wet geluidhinder bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. De Wet geluidhinder geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan, indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidzone van een bestaande geluidbron of indien het plan een nieuwe geluidbron mogelijk maakt. De Wet geluidhinder bepaalt in hoeverre het bouwen op een locatie is toegestaan, het Bouwbesluit bevat onder meer eisen die aan de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie van het gebouw worden gesteld. Deze worden onder meer bepaald door de hoogte van de geluidbelasting, het type buitengeluid en de gebruiksfunctie.

Motivering en conclusies geluid voor bouwplan Wegverkeerslawaai De volgende objecten worden in Wet geluidhinder beschermd: • woningen; • andere geluidgevoelige gebouwen; • geluidgevoelige terreinen.

21

Wegverkeerslawaai Woningen worden als geluidgevoelig bestempeld. In onderhavige situatie is reeds sprake van een woning. De bestaande woonfunctie van het pand wijzigt niet derhalve, er wordt enkel een nieuwe woning toegevoegd. Verder geldt dat de verkeersintensiteit op de Boomstraat relatief laag is en dat de boerderij op enige afstand van de Boomstraat is gelegen. Om deze redenen wordt nader akoestisch onderzoek naar de invloed van het wegverkeerslawaai niet noodzakelijk geacht. Spoorweglawaai In de directe omgeving van de planlocatie is geen actieve spoorlijn gelegen. Nader onderzoek naar de gevolgen van spoorweglawaai is derhalve niet noodzakelijk. Vliegtuiglawaai De planlocatie is niet gelegen nabij een (militair) vliegveld. Nader onderzoek naar de gevolgen van vliegtuiglawaai is derhalve niet noodzakelijk. Stiltegebieden Blijkens de kaarten, behorend bij de Milieuverordening Noord-Brabant, is de planlocatie niet gelegen in of nabij een stiltecentrum. Algehele conclusie Vanuit akoestisch oogpunt levert het bouwplan geen belemmeringen op.

5.3 Milieuzonering / hinderlijke bedrijvigheid Doelstelling en (wettelijk) beleidskader Het doel van milieuzonering is om te komen tot een optimale kwaliteit van de leefomgeving. Instrumenten van ruimtelijke ordening en milieu kunnen elkaar daarbij ondersteunen. Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen, onderscheidt de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in haar brochure Bedrijven en Milieuzonering (editie 2009) twee omgevingstypen: 1. omgevingstype rustige woonwijk of rustig buitengebied; 2. omgevingstype gemengd gebied. Ad. 1 Een ‘rustige woonwijk’ is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een ‘rustig buitengebied’ (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied. Ad. 2 Een ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.

Vervolgens worden in de brochure, op basis van een aantal factoren (geur, stof, geluid en gevaar), richtafstanden genoemd tussen verschillende bedrijfstypen en omgevingstype ‘rustige woonwijk’ of ‘rustig buitengebied’, waarmee gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening kunnen houden. Indien sprake is van het omgevingstype ‘gemengd

22

gebied’, dan kunnen de richtafstanden – zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat en het functioneren van bedrijven – met één afstandsstap worden verlaagd. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een intensieve veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object, bijvoorbeeld een woning. De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. De Regeling geurhinder en veehouderij is gepubliceerd op 18 december 2006. Op 9 februari 2017 heeft de gemeenteraad van Sint-Michielsgestel de ‘Verordening geurhinder en veehouderij 2017 gemeente Sint-Michielsgestel’ en de ‘Beleidsregel geur en ruimtelijke plannen 2017 gemeente Sint-Michielsgestel’ vastgesteld. Voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het buitengebied mag de voor- en achtergrondbelasting niet meer bedragen dan 10 odour units en mag de afstand niet meer bedragen dan 25 meter.

Motivering en conclusies milieuzonering en hinderlijke bedrijvigheid voor bouwplan Geurhinder (Wgv) Het agrarische bedrijf aan de Boomstraat 37 ligt op circa 100 meter. In de directe omgeving van het plangebied zijn derhalve geen (intensieve) veehouderijen en andersoortige agrarische bedrijven gelegen. Gesteld kan worden dat de individuele hinder van veehouderijen geen belemmeringen oplevert. De cumulatieve geurbelasting bedraagt minder dan 3 odour units, wat neerkomt op een ‘goed’ woon- en verblijfsklimaat. Aan het gestelde in de ‘Verordening geurhinder en veehouderij 2017 gemeente SintMichielsgestel’ en de ‘Beleidsregel geur en ruimtelijke plannen 2017 gemeente SintMichielsgestel’ kan worden voldaan. De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling vindt plaats buiten de geurcontouren van 14,0 ouE/m3 van alle veehouderijen in de omgeving. Als norm voor de afstanden geldt 50 meter. Binnen 50 meter van de ruimtelijke ontwikkelingen liggen geen veehouderijen. Voor de achtergrondbelasting bestaan geen normen, maar kan de mate van geurhinder worden beoordeeld op basis van geurhinderpercentages. Deze percentages zijn bedoeld om een vertaalslag te maken tussen de waarden voor de geurbelasting en de milieukwaliteit. De percentages zijn afkomstig uit het ‘Geuronderzoek stallen intensieve veehouderij’ (PRA Odournet, 2001).

De geursituatie beschrijven wij in termen van milieukwaliteit, onderverdeeld in acht categorieën van ‘zeer goed’ tot ‘extreem slecht’. Deze termen zijn afkomstig uit de ‘GGD-richtlijn geurhinder (oktober 2002)’. Dit is beschreven in bijlage 7 van de Handreiking bij de Wet geurhinder en veehouderij. De voorziene ruimtelijke ontwikkeling vindt plaats in een gebied met een ‘goed’ woon- en verblijfsklimaat (op basis van de achtergrondbelasting). De voorgrondbelasting, afstanden en achtergrondbelasting vormen geen knelpunt voor de ruimtelijke ontwikkeling.

23

Milieuzonering (categorie-indeling bedrijven) Ten behoeve van het planvoornemen heeft De Roever Omgevingsadvies een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd. Hieronder zijn de conclusies uit het onderzoek letterlijk overgenomen. De integrale rapportage is als bijlage 2 opgenomen.

Het perceel tegenover de planlocatie heeft de bestemming ‘Maatschappelijk’ met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van maatschappelijk – kinderdagverblijf’. Voor ‘kinderopvang’ geldt een grootste richtafstand voor geluid van 30 meter. De feitelijke afstand is ruim 20 meter. De richtafstand wordt derhalve niet gehaald, maar vanwege het feit dat de planlocatie reeds een woonbestemming heeft en dat er feitelijk ook wordt gewoond, kan worden gesteld dat een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd is. In dit onderzoek zijn de geluidniveaus door het kinderdagverblijf aan de Boomstraat 18 te Gemonde op de twee te realiseren wooneenheden aan de Boomstraat 35 te Gemonde berekend. Getoetst is of ter plaatse van de te realiseren wooneenheden sprake is van een acceptabel woon- en verblijfsklimaat en of wordt voldaan aan de grenswaarden voor geluid uit het Activiteitenbesluit voor het afwijken van de desbetreffende richtafstand. Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau Uit het onderzoek is gebleken dat aan de richtwaarden uit stap 2 van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering en de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit wordt voldaan. Gesteld kan worden dat sprake is van een acceptabel woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van de te realiseren wooneenheden.

Maximaal geluidniveau Uit het onderzoek is gebleken dat aan de richtwaarden uit stap 2 van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering en de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit wordt voldaan. Gesteld kan worden dat sprake is van een acceptabel woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van de te realiseren wooneenheden. Indirecte hinder Uit het onderzoek is gebleken dat aan de richtwaarden uit stap 2 van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering en de voorkeursgrenswaarde uit de schrikkelcirculaire van 29 februari 1996 wordt voldaan. Gesteld kan worden dat sprake is van een acceptabel woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van de te realiseren wooneenheden. Gelet op het voorgaande zijn er geen belemmeringen om de afwijking van de richtafstanden toe te staan.

In en nabij het plangebied zijn verder geen andere bedrijven gelegen die conform de richtafstanden uit de voormelde VNG-brochure een belemmering zouden kunnen vormen voor de planvorming (en andersom). Naast de ruimtelijke ordeningaspecten is verder het Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer (Barim/Wm/Bor) van toepassing. In dit besluit zijn voorschriften opgenomen waaraan de bedrijven zich dienen te houden om schade, gevaar of hinder naar de omgeving te voorkomen of zo veel mogelijk te beperken. Op basis van bovenstaande constatering kan worden gesteld dat in de nabijheid van het plangebied geen sprake is van bedrijvigheid welke een mogelijke belemmering vormt voor het initiatief. Daarnaast levert het initiatief ook geen belemmering op voor omliggende bedrijven en woonfuncties.

24

Bezien vanuit het oogpunt van ‘inwaartse milieuzonering’ komt er in de nabijheid van de planlocatie dus geen bedrijvigheid voor welke een mogelijke belemmering vormt voor het onderliggende initiatief. Daarnaast levert het initiatief, vanuit het oogpunt van ‘uitwaartse zonering, ook geen belemmering op voor omliggende bedrijven. Dit betekent dat er vanuit de aspecten milieuzonering en hinderlijke bedrijvigheid geen belemmeringen zijn voor het plan. Verder kan nog worden vermeld dat het pand – zonder splitsing – mogelijk te duur wordt voor onderhoud. Hierdoor zou het pand op den duur mogelijk in slechte staat kunnen gaan verkeren. Dit zorgt niet alleen voor een verslechtering van de beeldkwaliteit in het gebied, maar tevens voor een verslechtering van het woon- en leefklimaat.

5.4 Externe veiligheid, kabels en leidingen Doelstelling en (wettelijk) beleidskader Het externe veiligheidsbeleid is bedoeld om de risico’s voor de omgeving ten aanzien van handelingen met gevaarlijke stoffen te beperken en te beheersen. De wetgeving is gericht op het gebruiken, opslaan en productie van gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen, als wel het transport van gevaarlijke stoffen. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zijn de richtlijnen ten aanzien van inrichtingen opgenomen. Daarnaast zijn er richtlijnen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. In deze regelgeving is de verplichting opgenomen om in ruimtelijke plannen de ontwikkelingen te toetsen op het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Externe veiligheid heeft dus betrekking op situaties waar iets mis zou kunnen gaan met gevaarlijke stoffen, waardoor mensen gevaar lopen. Voorbeelden van risicobronnen en risicovolle activiteiten zijn: productie, gebruik of opslag en transport van gevaarlijke stoffen (LPG-tankstations en fabrieken, routes voor gevaarlijke stoffen, leidingen). Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat een onbeschermd individu overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit plaatsgebonden risico wordt vertaald naar een risicocontour rondom een risicobron (bijvoorbeeld een inrichting of een weg).

De maatgevende grens is de 10-6 contour, dit is de kans van 1 op 1 miljoen dat een onbeschermd persoon omkomt per jaar. Groepsrisico Het groepsrisico is de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico is bedoeld om een inschatting te maken ten aanzien van de maatschappelijke ontwrichting in het geval van een calamiteit. Voor het groepsrisico geldt een oriëntatiewaarde in de verantwoording (dit betekent dat er gemotiveerd van mag worden afgeweken). Elke verandering van het groepsrisico in het invloedsgebied van een risicobron moet verantwoord worden. Hierbij moet ingegaan worden op de wijze waarop deze verandering in het groepsrisico is betrokken bij de besluitvorming. Tevens moeten kwalitatieve aspecten beoordeeld worden, zoals zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Motivering en conclusies externe veiligheid voor bouwplan Externe veiligheid inrichtingen Op basis van de Risicokaart van de provincie Noord-Brabant kan worden geconcludeerd dat in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichting ligt. Het plan-

25

gebied ligt derhalve niet binnen PR-contouren en GR-invloedsgebieden van risicovolle (Bevi)inrichtingen. Externe veiligheid vervoer Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de Regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Met het inwerking treden van het BEVT vervalt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute.

Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 meter vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Het plangebied ligt binnen de 200 meter zone van de Boomstraat. Deze weg is echter niet beschouwd in onderzoek naar vervoersstromen van gevaarlijke stoffen over provinciale wegen in Noord-Brabant (Arcadis, 2010). Dit wijst erop dat hierover geen significant vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De weg heeft dan ook geen PR 10-6 contour. Ook is het groepsrisico lager dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Een en ander heeft dan ook geen (nieuwe of nadelige) gevolgen voor het veiligheidsrisico. Dit houdt in dat voor dit aspect geen knelpunt aanwezig is. De oriënterende waarde van het groepsrisico wordt niet overschreden. Er ontstaan geen groter veiligheidsrisico en ook geen extra belemmeringen naar de omgeving toe. Algehele conclusie Gesteld kan worden dat het voorgenomen bouwplan zelf geen extern veiligheidsrisico vormt. Voor wat betreft externe veiligheid zijn er naar de omgeving toe geen belemmeringen te verwachten. Uitgebreid onderzoek naar externe veiligheid is na deze quickscan dan ook niet nodig.

5.5 Kabels en (buis)leidingen Transport van gevaarlijke stoffen vindt plaats over de weg, het spoor, het water en door buisleidingen. Tijdens het transport kunnen dingen misgaan waardoor de gevaarlijke lading kan ontbranden of exploderen of waardoor er bijvoorbeeld giftige gassen ontsnappen via een lek of breuk. Bij risicovolle buisleidingen kan gedacht worden aan (hogedruk) transport van aardgas, maar ook van olie, benzine, kerosine, chemische producten en industriële gassen. Deze stoffen kunnen giftig, licht ontvlambaar of brandbaar zijn. Buisleidingen lopen meestal ondergronds, maar kunnen soms ook bovengronds voorkomen.

26

De grootste kans op een beschadiging aan een buisleiding ontstaat door graafwerkzaamheden. Denk hierbij aan werkzaamheden aan gas-, olie- en waterleidingen in de grond, of kabels voor stroom, TV, telefoon en internet. De risicokaart toont alle aardgasleidingen vanaf een diameter van 50 mm en een druk van 16 bar, alle buisleidingen voor brandbare vloeistoffen vanaf een diameter van 100 mm en alle overige buisleidingen waarvan geldt dat er een overschrijding van de wettelijke norm is op 5 meter afstand van de buis. Deze wettelijke norm is het plaatsgebonden risico 10 -6. Het Besluit Externe Veiligheid Buisleidingen (Bevb) is op 1 januari 2011 in werking getreden. In het Besluit externe veiligheid buisleidingen zoals dit per 1 januari 2011 geldt, staan veiligheidseisen voor de exploitant en de gemeente. Exploitanten hebben een zorgplicht en moeten ervoor zorgen dat hun buisleidingen veilig zijn. Gemeenten moeten buisleidingen in hun bestemmingsplan opnemen en bij nieuwbouw zorgen voor genoeg afstand tot de buisleidingen. Motivering en conclusies kabels en leidingen voor bouwplan(locatie) Besluit externe veiligheid buisleidingen De risicokaart toont geen aanwezigheid van een (hoge druk) gasleiding op korte afstand van de planlocatie. Overige kabels en (buis)leidingen Nutsbedrijven eisen dat kabels en leidingen in het openbaar gebied (komen te) liggen.

De initiatienemer van onderliggend bouwplan is verplicht zorg te dragen voor een door gemeente en nutsbedrijven geaccordeerde wijze van aansluiting. De kleinere leidingen worden voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden middels een KLIC-melding in kaart gebracht. Overige zonering Met betrekking tot de ligging van de planlocatie binnen een ‘vrijwaringszone – molenbiotoop’ geldt dat met het plan geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het huidige en/of het toekomstige functioneren van de molen als werktuig door windbelemmering en/of de waarde van de molen als landschapselement. Hierbij geldt tevens dat op kortere afstand van de molen reeds diverse woningen zijn gelegen welke van vergelijkbare of hogere hoogte zijn dan onderhavige woning(en). Er zijn in en nabij de planlocatie verder geen waterkeringen, straalpaden of invliegfunnels aanwezig waarvan de aanwezigheid van invloed kan zijn op de ontwikkelingen in de planlocatie.

5.6 Milieueffectrapportage Doelstelling en (wettelijk) beleidskader Het voorkomen van aantasting van het milieu is van groot maatschappelijk belang. Het is daarom zaak om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. Om hier in de praktijk vorm aan te geven is de milieueffectrapportage ontwikkeld (zie met name hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer). Gemeenten en provincies moeten vanaf 1 april 2011 ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een milieueffectrapportage (m.e.r.) nodig is, via een zogenaamde m.e.r.beoordeling. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een MER nodig is.

27

Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een m.e.r. nodig. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is dus altijd nodig als een besluit of plan wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst en die onder de drempelwaarden liggen. Motivering en conclusies MER voor bestemmings-/bouwplan In de bijlage bij het Besluit MER is opgenomen welke activiteiten m.e.r.-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden (1) of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst D van het Besluit m.e.r. overschrijdt, (2) of de ontwikkeling in een gevoelig gebied ligt en (3) of er belangrijke milieugevolgen zijn. 1. In het plangebied worden per saldo geen extra woningen mogelijk gemaakt. Er is daarmee geen sprake van een overschrijding van de drempelwaarden uit lijst C en D van het Besluit m.e.r. Een m.e.r.-beoordeling is immers pas noodzakelijk voor de bouw van meer dan 2.000 woningen in aaneengesloten gebied (lijst D, categorie 11.2). 2.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12892340/1