3.31 LIP Sint Lambertusweg 8d, 9 en 9a te Gemonde
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing Diepenbroek 1, Sint Lambertusweg 8d, 9 en 9a Gemeente Sint-Michielsgestel 2e concept
Ruimtelijke onderbouwing Diepenbroek 1, Sint Lambertusweg 8d, 9 en 9a Gemeente Sint-Michielsgestel 2e concept
Rapportnummer:
211x04550.079000_1_3
Datum:
1 concept: 28 februari 2014
ste e
2 concept: 28 mei 2014 Contactpersoon opdrachtgever: Fam. Van den Heuvel- Van Houtum Fam. Van Houtum Projectteam BRO:
Martijn Gerards, Jeroen Miellet
Trefwoorden:
-
Bron foto kaft:
Hollandse hoogte 3
Beknopte inhoud:
-
BRO Hoofdvestiging Postbus 4 5280 AA Boxtel Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 F +31 (0)411 850 401
Inhoudsopgave
1. INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Situering plangebied
3 3 3
2. PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie 2.2 Toekomstige situatie
5 5 7 7 11 11 12
2.2.1 Diepenbroek 1 2.2.2 Sint Lambertusweg 8d, 9 en 9a 2.2.3 Landschappelijke inpassing 2.3 Geldend bestemmingsplan
19 19
3. BELEIDSANALYSE 3.1 Provinciaal beleid
19 22 26
3.1.1 Structuurvisie 2014 Noord-Brabant 3.1.2 Verordening Ruimte Noord-Brabant 2014 3.2 Gemeentelijk beleid
29 29 29 29 32 36 37 38 44 45 46
4. MILIEUHYGIENISCHE EN PLANOLOGISCHE VERANTWOORDING 4.1 Flora en fauna 4.2 Archeologie en cultuurhistorie 4.3 Cultuurhistorie 4.4 Waterparagraaf 4.5 Vormvrije m.e.r.-beoordeling 4.6 Bodem 4.7 Bedrijven en milieuzonering 4.8 Akoestiek 4.9 Luchtkwaliteit 4.10 Externe veiligheid
Inhoudsopgave
1
5. UITVOERBAARHEID 5.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
49 49
5.1.1 Afstemmingsoverleg gemeente - initiatiefnemer voor in procedure brengen 5.1.2 Wettelijk (voor)overleg 5.2 Financiële uitvoerbaarheid
49 49 49
BIJLAGEN Bijlage 1: Brief gemeente gegrond verzoek Bijlage 2: Bodemonderzoek
2
Inhoudsopgave
1.
INLEIDING
1.1 Aanleiding De initiatiefnemers, de familie Van Houtum en de familie Van den Heuvel-Van Houtum zijn voornemens om een zorgvoorziening van 500 m² te starten op het adres Diepenbroek 1. Vanwege de omvang van 500 m² (> dan 400 m²) was dit voor de gemeente uitsluitend mogelijk door een koppeling te maken met de Sint Lambertusweg 8d, 9 en 9a. Hier zou dan een kwaliteitsverbetering optreden om de 100 m² extra zorgvoorziening mogelijk te maken. Diepenbroek 1 is in het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ bestemd als ‘Wonen’. Sint Lambertusweg 8d, 9 en 9a zijn bestemd als ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’ met de voor dit plan relevante aanduiding ‘intensieve veehouderij’. De beoogde ontwikkelingen zijn niet toegestaan binnen de bestaande bestemmingen. De gemeente Sint-Michielsgestel heeft op 13 september 2011 in het kader van ‘afwaartse beweging’ medegedeeld een positieve grondhouding ten aanzien van het plan te hebben en in principe medewerking te verlenen aan het opstellen van een ruimtelijke onderbouwing. In samenspraak met de gemeente zijn op 26 oktober 2011 de uitgangspunten voor de ruimtelijke onderbouwing overeengekomen. Deze ruimtelijke onderbouwing wordt in het door de gemeente Sint-Michielsgestel op te stellen ‘actualisatieplan’ opgenomen. De voorliggende rapportage voorziet in de ruimtelijke onderbouwing.
Tevens vragen wij om in het actualisatieplan, op basis van het gegrond verklaarde beroep, voor Sint Lambertusweg 8d de functieaanduiding “bebouwingsconcentratie” (BBC) op te nemen (zie bijlage 1).
1.2 Situering plangebied Het plangebied bestaat uit de separaat van elkaar liggende percelen behorend bij de adressen Diepenbroek 1, Sint Lambertusweg 8d, 9 en 9a. Deze adressen bevinden zich in het buitengebied van de gemeente Sint-Michielsgestel aan de zuidzijde van de kern Gemonde. De percelen Sint Lambertusweg 8d, 9 en 9a behoren bij één agrarische onderneming bestaande uit een varkens- en stierenbedrijf. In figuur 1.1 zijn de percelen weergegeven.
Hoofdstuk 1
3
A
A 1
8d
9a 9
Figuur 1.1: Ligging en begrenzing plangebied
4
Hoofdstuk 1
2.
PLANBESCHRIJVING
2.1 Huidige situatie Diepenbroek 1 Het perceel Diepenbroek 1 is gekocht op 4 april 2007. Op deze locatie bevinden zich de gebouwen van een voormalige agrarische onderneming. Dit agrarische bedrijf is door de voormalige eigenaar op genoemde datum door de verkoop beëindigd. Het voormalige agrarische bedrijf bestaat uit een woning en twee (bij)gebouwen. Daarnaast is er nog een ongebruikte bouwvergunning voor het realiseren van een agrarisch bedrijfsgebouw.
A
B Oude situatie
A
B
Nieuwe situatie Figuur 2.1: oude en nieuwe situatie Diepenbroek 1 (bosschages zijn inmiddels weer aangegroeid)
Hoofdstuk 2
5
Na de aankoop heeft mevrouw H. van den Heuvel-van Houtum het initiatief genomen om de bestaande bijgebouwen te restaureren. Bij het uitvoeren van deze restauratie bleken er meer werkzaamheden nodig dan aanvankelijk voorzien. Door de gemeente is daarbij kenbaar gemaakt dat er voor deze uitgevoerde werkzaamheden een vergunning moest worden aangevraagd. Ter voldoening aan dit verzoek zijn hiervoor bouwtekeningen opgesteld en op 25 augustus 2008 bij de gemeente ingediend. De aanwezige bebouwing bestaat uit: de bedrijfswoning, een bijgebouw behorend bij de woning en het (bij)gebouw met o.a. stalruimte voor de paarden. Van de vergunning voor het realiseren van de landbouwschuur is geen gebruik gemaakt. Op het terrein zijn drie gebouwen aanwezig (zie figuur 2.1): Woning; Bijgebouw A (behorend bij de woning) met een oppervlak van circa 124m² en een nokhoogte van 6,5 meter; Bijgebouw B met een oppervlak van circa 374 m² en een hoogte van 6,0 meter. Bijgebouw A en bijgebouw B zijn recent gerestaureerd (niet passend binnen bestaande vergunning). Tevens is de initiatiefneemster in het bezit van een vergunning voor het realiseren van een schuur met een oppervlak van 107 m² en een hoogte van 7,2 meter.
De gemeente en initiatiefnemer werken in de voorliggende Ruimtelijke onderbouwing samen aan een goede oplossing voor het perceel, in combinatie met de percelen aan Sint-Lambertusweg 8d, 9, 9a ten behoeve van een juiste juridisch-planologische verankering. Sint-Lambertusweg 8d, 9 en 9a Aan de Sint Lambertusweg 8d, 9, 9a bevinden zich in de huidige situatie twee woningen en een gekoppelde intensieve veehouderij met vleesstieren (nr. 9, 9a) en varkens (nr. 8d). De bedrijfsgebouwen op het adres 8d zijn in gebruik voor opslag van o.a. caravans (circa 750 m²). Onder de bebouwing en deels naast de bebouwing zijn mestputten aanwezig. De bedrijfsgebouwen op het adres 9 en 9a zijn in gebruik voor het agrarische bedrijf, statische opslag en een bouwbedrijf dat wordt geëxploiteerd door de bewoner. Tevens worden er bedrijfsgebouwen gebruikt voor prefabricatie van o.a. houten containerboxen en bijbehorende opslag. De gemeente Sint-Michelsgestel heeft dit prefabricatiebedrijf beoordeeld als een bedrijf met milieucategorie 2 (brief d.d. 03 augustus 2012). Conform het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ zijn bedrijven tot deze categorie als nevenactiviteit toegestaan. De werkzaam-
6
Hoofdstuk 2
heden van het bouwbedrijf en prefabricage vinden plaats in bestaande agrarische bebouwing. Er zijn en worden geen nieuwe gebouwen gerealiseerd. Buiten op het terrein vindt enige opslag plaats van houtproducten. Het prefabricagebedrijf staat te boek als een sociale werkplaats voor personen met een arbeidshandicap en langdurig werklozen.
2.2 Toekomstige situatie 2.2.1 Diepenbroek 1 Zorgactiviteit De initiatiefnemers zijn voornemens om een zorgactiviteit te starten op het adres Diepenbroek 1. Deze zorgactiviteit richt zich op personen met een beperking op verschillende gebieden. De werkzaamheden van de zorgactiviteit vinden plaats binnen de reeds bestaande bebouwing in het plangebied. Visie Er wordt gewerkt vanuit de rehabilitatie visie. De Individuele Rehabilitatie Benadering(IRB) is een methodiek die zich toespitst op ieders individuele manier van rehabiliteren. Bij de Individuele Rehabilitatie Benadering die gebaseerd is op de rehabilitatietheorie van de Boston Universiteit is de basisfilosofie dat personen met een beperking vaardigheden en hulpbronnen nodig hebben om in een door hen gekozen omgeving te kunnen functioneren op een niveau dat hen en de omgeving tevreden stelt (Farkas en Anthonyo 1989). Elk zorgbehoeftige mens heeft recht op individuele, op maat gesneden begeleiding. De zorgactiviteit geeft in een kleinschalige en veilige omgeving, volgens de hoogst mogelijke kwaliteitsnormen, invulling aan dit recht. Bij de zorgactiviteit is elke persoon, met of zonder beperking, gelijkwaardig. Er wordt zorg op maat geleverd in een kleinschalige, veilige omgeving waar gekeken wordt naar het individuele traject van de cliënt Hierbij staat de cliënt en zijn/haar wensen en mogelijkheden centraal en wordt o.a.
de omgang en de verzorging van dieren en het buiten bezig zijn in de natuur als middel ingezet. Het doel hierbij is perspectief te verbeteren voor de zorgvragers. Cliënten moeten zich thuis en op hun plek voelen en zichzelf kunnen zijn. Kwalitatief goede (vraaggestuurde) zorg om het welzijn van de cliënten te bevorderen. Het uitgangspunt hierbij is het bieden van dagbestedingsmogelijkheden / opvang / zorg / therapie / begeleiding en/of school- en arbeidsintegratie met een hoge kwaliteitsnorm. Er worden verschillende middelen ingezet, waaronder dieren. De belangrijkste dieren die ingezet worden zijn de paarden. Hiervoor is gekozen vanwege de goede aansluiting met de doelgroep. Paarden bieden veel mogelijkheden om het contact met personen therapeutisch in te zetten.
Hoofdstuk 2
7
Doelgroep De volgende doelgroepen kunnen terecht de zorgactiviteit: Personen met psychische of sociale problemen: personen die door (tijdelijke) psychische problematiek ondersteuning nodig hebben bij het functioneren in de maatschappij; Personen met een verstandelijke handicap: personen met een laag intelligentieniveau en soms daaraan gekoppelde gedragsproblematiek; (ex) verslaafden; personen die door verslavingsproblematiek geen aansluiting vinden in de sociale en werkende maatschappij; (ex) gedetineerden; personen die na het plegen van een delict hun vrijheid hebben moeten inleveren en (in de meeste gevallen) begeleiding behoeven bij de nieuwe kans in de maatschappij; Ouderen: personen ouder dan 55 jaar die ondersteuning behoeven bij een zinvolle daginvulling en dementerende ouderen (personen veelal ouder dan 55 jaar die geïndiceerd zijn in het spectrum dementie); Personen met autisme: jongeren en volwassenen met een stoornis uit het autistisch spectrum, al dan niet gepaard met andere beperkingen; Personen met een niet aangeboren hersenletsel; personen die dor een ongeval of ziekte hersenletsel ebben opgelopen waardoor zij beperkingen ondervinden bij het functioneren in de maatschappij.
Personen die bijvoorbeeld een hersenbloeding hebben gehad of personen met het syndroom van Korsakov; Personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt, zoals langdurig werklozen, personen die langdurig werkloos zijn en die het eerst komende jaar geen baan in het vooruitzicht hebben waardoor zij in aanmerking komen voor een re-integratie traject; Jongeren met leer- en of opvoedingsproblemen uit de jeugdzorg: jongeren in de leeftijdsgroep tot 18 jaar die op verschillende terreinen extra zorg, ondersteuning, begeleiding e.d. behoeven. Binnen de jeugdzorg zijn verschillende doelgroepen te onderscheiden, zoals jeugdigen die jeugdhulpverlening nodig hebben, jeugdigen met een licht verstandelijke beperking en jongeren die vrijgesteld van de leerplicht en door de leerplichtambtenaar zijn door verwezen als (tijdelijke) vervanging van school en als opstap naar leer-/werktrajecten; Jongeren uit het speciaal onderwijs: jongeren die vanwege een verstandelijke beperking en/of gedragsproblematiek speciaal onderwijs volgen, bijvoorbeeld op een ZMLK-school of een ZMOK-school; Personen die in een burn-out zijn geraakt: personen die door werk en/of privé leven last hebben van burn-out verschijnselen waardoor (volledig) werken (tijdelijk) niet mogelijk is; Kinderen: Kinderen met of zonder beperking zijn ook welkom op de zorgactiviteit voor dagopvang.
Personen uit verschillende doelgroepen zijn welkom. Deze combinaties zorgen voor de positieve wisselwerking tussen diverse personen met verschillende beperkingen en hulpvragen. De initiatiefneemster beschikt over ruime ervaring en affiniteit met alle boven-
8
Hoofdstuk 2
staande doelgroepen. Daarnaast passen bovenstaande doelgroepen uitstekend bij het aanbod van de zorgactiviteit. De zorgactiviteit vindt plaats in de bestaande bebouwing. In de bebouwing kunnen diverse activiteiten plaatsvinden. Zo kan er ingespeeld worden op de zorgvragers die op dat moment aanwezig zijn waardoor er zorg op maat geleverd wordt. In gebouw A zijn de volgende faciliteiten aanwezig: Een keuken/kantine/activiteitenruimte; Garderobe/ sanitaire voorzieningen; Kantoor/ Werkruimte; Terras; Spreekruimtes/therapie ruimte/slaapkamers; Berging/opslagruimte; Er is een therapieruimte aanwezig die tevens kan worden gebruikt als spreekkamer. Achter gebouw A is een terras waar de cliënten van de tuin en het uitzicht kunnen genieten. In gebouw B zijn de volgende faciliteiten aanwezig Stallen/boxen/binnenbak/poetsplaats; Activiteitenruimte; Opslagruimtes (machines/werktuigen); Garderobe/sanitaire voorzieningen; Ruimte waar de landbewerkingsmachines staan; Gelegenheid waar de deelnemers bij slecht weer binnen activiteiten kunnen ondernemen. Parkeren Het onderhavige plan betreft een kleinschalige zorgfunctie. De functie kleinschalige zorgfunctie komt niet voor in het CROW. Wel kan worden vergeleken met andere zorgfuncties als gezondheidscentrum. Het onderhavige plan sluit echter niet aan bij deze wijze van berekenen van het CROW.
Of er dient per 100 m² bvo te wordend bereken of per behandelkamer. Het totale oppervlak aan bebouwing ten behoeve van de zorgfunctie bedraagt circa 400 m². De bebouwing die wordt aangewend voor de zorgfunctie biedt echter ook plaats aan een kleine binnenbak, stalruimte etc. Door het aantal pp te berekenen per 100 m² bvo wordt niet het daadwerkelijke parkeerbehoefte berekend. Indien wordt vergeleken met een gezondheidscentrum kan per behandelkamer worden berekend. Het onderhavige plan bestaat uit één behandelkamer. Bij één behandelkamer dient minimaal 2,2 tot maximaal 2,7 parkeerplaatsen te worden gerealiseerd. Echter, in het onderhavige plan, met name bij paardentherapie, kan het voorkomen dat meerdere cliënten tegelijkertijd worden behandeld.
Hoofdstuk 2
9
Figuur 2.2: toekomstige parkeersituatie Diepenbroek 1
10
Hoofdstuk 2
Ten behoeve van het onderhavige plan wordt derhalve maatwerk toegepast. In het onderhavige plan worden maximaal 6 personen tegelijkertijd behandeld. Vanwege de specifieke doelgroep komen cliënten met busjes vanuit de zorginstelling of met openbaar vervoer. De locatie aan de Diepenbroek 1 is goed bereikbaar via het openbaar vervoer (NS Station in Boxtel en de buurtbus) en voor cliënten die via het CIZ een vervoersindicatie hebben. De 4 op het terrein aanwezige parkeerplaatsen (zie figuur 2.2) zijn meer dan afdoende. Ten behoeve van de woningen dienen bovendien 2 parkeerplaatsen aanwezig te zijn. Het totaal aantal parkeerplaatsen bedraagt derhalve 6. Het plangebied heeft voldoende ruimte om deze parkeerplaatsen te kunnen realiseren. 2.2.2 Sint Lambertusweg 8d, 9 en 9a De agrarische activiteiten worden op beide percelen in de vorm van een gemengd (grondgebonden en niet-grondgebonden) agrarisch bedrijf voortgezet. De intensieve veehouderijactiviteiten worden op voorwaarde van de gemeente middels het intrekken van vergunningen beëindigd. Hiermee verdwijnt een intensieve veehouderij uit extensiveringsgebied en wordt het woon- en leefklimaat in de omgeving significant verbeterd. ` Sint Lambertusweg 8d, 9 en 9a Naast de agrarische activiteiten (zonder iv-tak) wordt het bouwbedrijf (bedrijf aan huis) en het productiebedrijf (nevenactiviteit) voortgezet.
Ook de exploitatie van de opstallen ten behoeve van statische opslag wordt voortgezet. Conform het bestemmingsplan “Buitengebied” wordt voor de locaties St. Lambertusweg 9a en 9 gezamenlijk een maximumoppervlak van 400 m² aan nevenactiviteiten (nr. 9 en 9a) en 1000 m² aan statische opslag (combinatie nr.9, 9a en 8d) in bestaande bebouwing toegestaan. 2.2.3 Landschappelijke inpassing Het perceel aan Diepenbroek 1 is reeds landschappelijk ingepast. Een nadere inpassing komt de kwaliteit van het landschap niet ten goede. De landschappelijke inpassing wordt derhalve ter plaatse van het nog niet ingepaste perceel 8d gerealiseerd. Bovendien wordt een intensieve veehouderij beëindigd waardoor een milieuvervuilend bedrijf verdwijnt en het woon- en leefklimaat ter plaatse en in de nabije omgeving significant verbetert. Het perceel Sint Lambertusweg 8d wordt conform figuur 2.3 landschappelijk ingepast. De mestput (172 m²) wordt verwijderd en het perceel wordt beplant en de reeds aanwezige maar verwaarloosde waterplas wordt hersteld.
Hoofdstuk 2
11
Figuur 2.3: landschappelijke inpassing Sint Lambertusweg 8d
2.3 Geldend bestemmingsplan Voor het plangebied vigeert het bestemmingsplan Buitengebied (vastgesteld op 16 december 2010). Voor de verschillende locaties van het plangebied zijn de volgende relevante bestemmingen van toepassing (zie ook figuur 2.3):
12
Hoofdstuk 2
Diepenbroek 1 Het merendeel van het plangebied waarin de bebouwing zich bevindt is bestemd als ‘Wonen’. Een klein deel van de noordelijk gelegen schuur bevindt zich binnen de bestemming ‘Agrarische met waarden – Landschapswaarden’. De bouwvlakken ‘Wonen’ zijn door middel van een zogenoemde verbinding met elkaar gekoppeld. Ook het zuidelijk gelegen bouwvlak ligt deels binnen de bestemming ‘Agrarisch met waarden - Landschapswaarden’. De huidige omvang van de schuur is derhalve niet geheel binnen het bouwvlak gelegen. Gronden bestemd als ‘Wonen’ zijn bestemd voor: Wonen; Beroep aan huis (maximaal 100 m² van het vloeroppervlak per woning bedraagt en uitgevoerd wordt door de bewoner); Bed and Breakfast. Diepenbroek 1 betreft een voormalig agrarisch bedrijf waarvan de achterste schuur en een bouwvergunning ten behoeve van een landbouwschuur de overblijfselen zijn. Het bedrijf is echter gestopt met de bedrijfsvoering. Het bouwvlak bevat derhalve niet de aanduiding ’specifieke vorm van wonen – vrijkomende agrarische bebouwing’. Omdat het een voormalig agrarisch bedrijf betreft, is met de gemeente overeengekomen om de mogelijkheden te volgen die in het bestemmingsplan “buitengebied” geboden worden conform de aanduiding ’specifieke vorm van wonen – vrijkomende agrarische bebouwing’.
Deze aanduiding biedt initiatiefnemers de mogelijkheid om te schakelen naar de bestemming “Bedrijf” of “Recreatie” en de voormalige agrarische bedrijfswoning en bebouwing hiervoor te gebruiken. In onderhavig geval wordt gebruikt gemaakt van deze bevoegdheid voor een “Bedrijf” ten behoeve van de zorgactiviteit. Het plangebied bevindt zich buiten bebouwingsconcentratie Sint Lambertusweg. Ondanks dat de locatie grenst aan deze bebouwingsconcentratie kan ten behoeve van de realisatie van het onderhavige plan geen gebruik gemaakt worden gemaakt van de in het bestemmingsplan opgenomen extra verruiming van de functiemogelijkheden binnen bebouwingsconcentraties. Kortom, het plan (circa 500 m² bebouwing voor een bedrijf met een maatschappelijke functie) is niet direct mogelijk binnen de vigerende bestemming en tevens niet binnen de wijzigings- en afwijkingsmogelijkheden. Om toch meer dan 400 m² te mogen exploiteren heeft de gemeente de initiatiefnemers voorgesteld om de koppeling te maken met Sint Lambertusweg 8d, 9 en 9a. De intensieve veehouderij wordt opgeheven, een ondergrondse mestput op het perceel Sint Lambertusweg 8d wordt verwijderd en perceel 8d wordt landschappelijk ingepast ten behoeve van een kwaliteitsverbetering van het landschap.
Hoofdstuk 2
13
Figuur 2.3: uitsnede bestemmingsplan ‘Buitengebied’
Sint Lambertusweg 9 en 9a Ter plaatse van het plangebied vigeren de volgende bestemmingen en aanduidingen: Enkelbestemming ‘Agrarisch’; Functieaanduiding ‘Intensieve veehouderij’; Gebiedsaanduiding ‘Historisch landschappelijk gebied’; Gebiedsaanduiding ‘Besloten gebied’; Relatieteken met Sint Lambertusweg 8d.
14
Hoofdstuk 2
Gronden bestemd als ‘Agrarisch’ zijn bestemd voor: een agrarische bedrijfsuitoefening; ter plaatse van de aanduiding 'relatie', is één gekoppeld bouwvlak toegestaan; ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij', een intensieve veehouderij; ter plaatse van de aanduiding 'besloten gebied', het behoud, herstel en ontwikkeling van de waarden, in het bijzonder voor het op de verbeelding aangeduide besloten gebied; ter plaatse van de aanduiding 'historisch landschappelijk gebied', het behoud, herstel en ontwikkeling van de waarden, in het bijzonder voor het op de verbeelding aangeduide historisch landschappelijk gebied. Afwijking van gebruiksregels Nevenactiviteiten buiten de bebouwingsconcentraties Buiten de bebouwingsconcentraties zijn de volgende nevenactiviteiten toegestaan: agrarisch-technische bedrijven zonder grote verkeersaantrekkende werking, tot een maximale oppervlakte van 400 m²; statische opslag tot een maximale oppervlakte van 1000 m², mits het geen handelsactiviteiten betreft; zorgfuncties en/of maatschappelijke functies tot een maximale oppervlakte van 400 m²; bij cumulatie van meerdere vormen van nevenactiviteiten/verbrede landbouw dan wel aan huis gebonden beroepen mag het totale daarvoor te gebruiken bruto vloeroppervlak niet meer bedragen dan 400 m² behalve wanneer sprake is van een combinatie met statische opslag of een minicamping.
In die gevallen is een maximale oppervlakte van 1000 m² respectievelijk 5000 m² toegestaan. indien voldaan is aan de volgende voorwaarden: de agrarische bedrijvigheid als hoofdfunctie aanwezig is en blijft; de aanwezige landschappelijke en ecologische kwaliteiten mogen niet worden aangetast; op basis van een erfbeplantingsplan dient de landschappelijke inpassing verzekerd te zijn; de werkzaamheden dienen door de bewoner te worden uitgeoefend. Kortom, het bouwbedrijf kan worden gezien als ‘bedrijf aan huis’. Het uitoefenen van de nevenactiviteiten in de vorm van het productiebedrijf en de statische opslag zijn niet direct mogelijk binnen de bestemming ‘Agrarisch’. Door gebruik te maken van de afwijkingsmogelijkheid kunnen nevenactiviteiten/verbrede landbouw dan wel aan huis gebonden bedrijf gecombineerd met statische opslag gecumuleerd worden tot 1.000 m². De agrarische functie blijft als hoofdfunctie behouden.
Hoofdstuk 2
15
Sint Lambertusweg 8d Ter plaatse van het plangebied vigeren de volgende bestemmingen en aanduidingen: enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden; gebiedsaanduiding ‘Historisch landschappelijk gebied’; relatieteken met Sint Lambertusweg 9 en 9a; door relatieteken tevens aanduiding ‘intensieve veehouderij’; bebouwingsconcentratie1. Gronden bestemd als ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’ zijn bestemd als: een agrarische bedrijfsuitoefening; ter plaatse van de aanduiding 'relatie', is één gekoppeld bouwvlak toegestaan; ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij', een intensieve veehouderij; ter plaatse van de aanduiding 'historisch landschappelijk gebied', het behoud, herstel en ontwikkeling van de waarden, in het bijzonder voor het op de verbeelding aangeduide historisch landschappelijk gebied. Afwijking van gebruiksregels Nevenactiviteiten binnen de bebouwingsconcentraties.
Binnen de bebouwingsconcentraties zijn de volgende nevenactiviteiten toegestaan: niet aan het buitengebied gebonden bedrijven in de vorm van de categorie 1 en 2 bedrijven conform de in bijlage 4 opgenomen Lijst van Bedrijfsactiviteiten tot een maximale oppervlakte van 400 m²; agrarisch-verwante bedrijven en agrarisch-technische bedrijven, waarbij de bedrijven met een grote verkeersaantrekkende werking zoals loon- en grondverzetbedrijven zich uitsluitend kunnen vestigen in de bebouwingsconcentraties aan grote doorgaande wegen; statische opslag tot een maximale oppervlakte van 1000 m², mits het geen handelsactiviteiten betreft; verblijfsrecreatie (minicamping en/of trekkershutten) met een maximale oppervlakte van 1 hectare, grenzend aan een agrarisch bouwvlak of een bouwvlak met een andere bestemming met eenvoudige voorzieningen op het bouwvlak; groepsaccommodatie tot een maximale oppervlakte van 400 m²; een bed & breakfast accommodatie in bijgebouwen met maximaal 5 kamers voor maximaal 10 personen; dagrecreatieve voorzieningen, zoals een speeltuin en verhuur van fietsen tot een maximale oppervlakte van 400 m²; horeca ten dienste van extensieve recreatie, zoals een theetuin en een ijs/snackverkooppunt tot maximaal 100 m²; zorgfuncties en/of maatschappelijke functies tot een maximale oppervlakte van 400 m²;
1
Zie bijlage 1. Vanwege het gegrond verklaarde beroep dient 8d in het actualisatieplan binnen een bebouwingsconcentratie te worden gelegd.
16
Hoofdstuk 2
bij cumulatie van meerdere vormen van nevenactiviteiten/verbrede landbouw dan wel aan huis gebonden beroepen mag het totale daarvoor te gebruiken bruto vloeroppervlak niet meer bedragen dan 400 m² behalve wanneer sprake is van een combinatie met statische opslag of een minicamping. In die gevallen is een maximale oppervlakte van 1000 m² respectievelijk 5000 m² toegestaan. indien voldaan is aan de volgende voorwaarden: de agrarische bedrijvigheid als hoofdfunctie aanwezig is en blijft; de agrarische functie van aangrenzende, niet bij het bedrijf behorende gronden en bebouwing mag niet onevenredig worden aangetast; door de wijziging geen onevenredig grotere verkeersbelasting op aangrenzende wegen en paden plaatsvindt; er dient te zijn voorzien in voldoende parkeergelegenheid binnen het bouwvlak; de aanwezige landschappelijke en ecologische kwaliteiten mogen niet worden aangetast; op basis van een erfbeplantingsplan dient de landschappelijke inpassing verzekerd te zijn; alleen nevenfuncties die conform het bestemmingsplan voortgezet kunnen worden als vervolgfunctie zijn toegestaan; de werkzaamheden dienen door de bewoner te worden uitgeoefend. Kortom, door gebruik te maken van de afwijkingsmogelijkheid is statische opslag mogelijk als nevenactiviteit tot 1000 m². De agrarische hoofdfunctie blijft behouden.
Conclusie De basis van het initiatief ofwel de realisatie van de zorgactiviteit aan de Diepenbroek 1 omvat een maatschappelijk gewenste ontwikkeling. De zorg neemt in toenemende mate een vooraanstaande positie in de hedendaagse maatschappij. Deze zorg bevindt zich niet meer uitsluitend in het stedelijk gebied, maar maakt door zijn veranderende verschijningsvorm steeds meer gebruik van het buitengebied. Om aan de vraag naar de verschillende vormen van zorg te kunnen voldoen is het van belang om juist initiatieven vanuit de samenleving te faciliteren en ruimte te bieden zodat de private sector een deel van de zorg taken uit handen kan nemen van de overheid. Tevens zullen dergelijke initiatieven bijdragen aan de werkgelegenheid in de gemeente, en in het bijzonder de plattelandseconomie. Kortom het onderhavige plan betreft een maatschappelijke gewenste ontwikkeling dat bijdraagt aan de toenemende vraag naar zorg gerelateerde diensten. De realisatie van de zorgactiviteit wordt gecombineerd met het voortzetten van een bedrijf aan huis (bouwbedrijf), de nevenactiviteit productiebedrijf waar mensen met een arbeidshandicap te werk worden gesteld en statische opslag (stimulering plattelandseconomie, meer werkgelegenheid, arbeidsparticipatie). Deze ontwikkeling is niet direct mogelijk op basis van het geldende bestemmingsplan.
Bovendien stelt de gemeente als voorwaarde dat de intensieve veehouderij gesaneerd (ontstening, verbetering milieukwaliteit, verbetering leefbaarheid) wordt en dat sprake is van kwaliteitsverbetering van het
Hoofdstuk 2
17
landschap (landschappelijke inpassing). Dit alles dient juridisch-planologisch te worden verankerd. Het gehele plan wordt door middel van de voorliggende ruimtelijke onderbouwing op genomen in het gemeentelijke ‘actualisatieplan’ en op deze wijze juridisch-planologisch verankerd.
18
Hoofdstuk 2
3.
BELEIDSANALYSE
3.1 Provinciaal beleid 3.1.1 Structuurvisie 2014 Noord-Brabant In de structuurvisie RO benoemt de provincie haar provinciale ruimtelijke belangen en de wijze waarop zij deze behartigt. De structuurvisie is opgebouwd uit een ‘Deel A Visie en sturing’, waarin de ruimtelijke visie, de belangen en de sturingsfilosofie is opgenomen. De ruimtelijke visie is uitgewerkt in dertien provinciale ruimtelijke belangen. 1. Regionale contrasten; 2. Een multifunctioneel landelijk gebied; 3. Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; 4. Een betere waterveiligheid door preventie; 5. Koppeling van waterberging en droogtebestrijding; 6. Ruimte voor duurzame energie; 7. Concentratie van verstedelijking; 8. Sterk stedelijk netwerk: BrabantStad; 9. Groene geledingszones tussen steden; 10. Goed bereikbare recreatieve voorzieningen; 11. Economische kennisclusters; 12. (int er)nationale bereikbaarheid; 13. Beleefbaarheid stad en land vanaf de hoofdinfrastructuur. De wijze waarop de provincie deze ruimtelijke belangen behartigt is uitgewerkt in vier manieren van sturen: regionaal samenwerken, ontwikkelen, beschermen en stimuleren. In ‘Deel B Structuren en beleid’ staat op welke wijze de provincie stuurt op de functies in Noord-Brabant. Daarvoor zijn vier ruimtelijke structuren opgesteld: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur.
Het plangebied bevindt zich in een zone dat is aangewezen als ‘Groenblauwe mantel’ (Diepenbroek en Sint Lambertusweg 8d) en ‘Gemengd landelijk gebied’ (Sint Lambertusweg 9 en 9a) (zie figuur 3.1).
Hoofdstuk 3
19
Gemengd landelijk gebied
Groenblauwe mantel
Figuur 3.1: uitsnede kaart ‘Structuurvisie Ruimte’
Gemengd landelijk gebied Binnen het gemengd landelijk gebied is multifunctioneel gebruik uitgangspunt. Buiten de primair agrarische gebieden ontwikkelen functies zich in evenwicht met elkaar en de omgeving. In de kernrandzones is een toenemende menging van wonen, voorzieningen en kleinschalige bedrijvigheid mogelijk. Rondom natuurgebieden vinden ontwikkelingen plaats op vrijkomende locaties die passen in een groene omgeving. Bestaande ontwikkelingsmogelijkheden van in het gebied voorkomende functies worden gerespecteerd. Ontwikkelingen houden rekening met hun omgeving en dragen bij aan een versterking van de gebiedskwaliteiten. Groenblauwe mantel Binnen de groenblauwe mantel is de agrarische sector een grote en belangrijke grondgebruiker. Het is nodig deze positie te behouden en/of een ontwikkeling in grondgebonden agrarisch gebruik te bevorderen. Er zijn ook diverse recreatieve en toeristische bedrijven binnen de groenblauwe mantel aanwezig.
20
Hoofdstuk 3
Nieuwe ontwikkelingen binnen de groenblauwe mantel zijn mogelijk, als deze bestaande natuur-, bodem- en waterfuncties respecteren of bijdragen aan een kwaliteitsverbetering van deze functies of het (cultuurhistorisch waardevolle) landschap. De versterking van de binnen de groenblauwe mantel aanwezige leefgebieden voor plant- en diersoorten vraagt daarbij specifieke aandacht.
Figuur 3.2: uitsnede verordening ruimte Noord Brabant
Hoofdstuk 3
21
3.1.2 Verordening Ruimte Noord-Brabant 2014 Provinciale Staten hebben op 7 februari 2014 de Verordening ruimte 2014 vastgesteld, en de Verordening is per 19 maart in werking getreden. In de verordening staan onderwerpen uit de provinciale structuurvisie, waarbij is aangegeven welke belangen de provincie wil behartigen en hoe ze dat wil doen. Deze verordening bestaat uit kaartmateriaal en regels waarmee gemeenten rekening moeten houden bij het opstellen van ruimtelijke plannen. De verordening bevat regels voor: stedelijke ontwikkeling; cultuurhistorie; agrarische ontwikkeling en windturbines; water; natuur en landschap. De verordening wijst het gebied waarin het plangebied zich bevindt aan als ‘Gemengd landelijk gebied’, ‘Beperkingen veehouderij’ en (zie figuur 3.2). Bevordering ruimtelijke kwaliteit (art. 3) Zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit (art. 3.1) 1. De toelichting bij een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling bevat een verantwoording dat: a. het plan bijdraagt aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving, waaronder in ieder geval een goede landschappelijke inpasbaarheid; b. toepassing is gegeven aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Akkoord: het onderhavige plan vindt plaats op bestaande bouwvlakken in het buitengebied.
Er wordt gebruik gemaakt van bestaande bebouwing. Bovendien wordt in het onderhavige plan ontsteend en wordt geen gebruik gemaakt van een aanwezige bouwvergunning (voor de realisatie van een stal/schuur. De deelgebieden worden, daar waar de gebieden nog niet zijn ingepast, landschappelijk ingepast. 2. Het principe van zorgvuldig ruimtegebruik als bedoeld in het eerste lid houdt in ieder geval in dat: a. een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied gebruik maakt van een bestaand bouwperceel, tenzij in deze verordening uitdrukkelijk anders is bepaald; Akkoord: zie bovenstaand. b. uitbreiding van het op grond van het geldende bestemmingsplan toegestane ruimtebeslag slechts is toegestaan mits de financiële, juridische of feitelijke mogelijkheden ontbreken om de beoogde ruimtelijke ontwikkeling binnen dat toegestane ruimtebeslag te doen plaatsvinden; Akkoord: er vindt geen uitbreiding plaats.
22
Hoofdstuk 3
c.
ingeval van stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking); Akkoord: het onderhavige plan wordt gerealiseerd binnen bestaande bebouwing op bestaande percelen. d. een bestemmingsplan buiten bestaand stedelijk gebied bepaalt dat gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen binnen het bouwperceel worden opgericht en daarbinnen worden geconcentreerd. Akkoord: het onderhavige plan wordt gerealiseerd binnen bestaande bebouwing op bestaande percelen. 3. Ten behoeve van het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit bevat de toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid een verantwoording waaruit blijkt dat: a. in het bestemmingsplan rekening is gehouden met de gevolgen van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling voor de in het plan begrepen gronden en de naaste omgeving, in het bijzonder wat betreft de bodemkwaliteit, de waterhuishouding, de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, de cultuurhistorische waarden, de ecologische waarden, de aardkundige waarden en de landschappelijke waarden; Akkoord: Het plan houdt rekening met de gevolgen van de beoogde ontwikkeling voor de in het plan begrepen gronden en omgeving. In hoofdstuk 4 wordt getoetst aan de bovengenoemde algemeen en verplichte onderdelen. b.
de omvang van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling, de omvang van de bebouwing en de beoogde functie, past in de omgeving gelet op de bestaande en toekomstige functies in de omgeving en de effecten die de ontwikkeling op die functies heeft, waaronder de effecten vanwege milieuaspecten en volksgezondheid; Akkoord: de omvang van het plan past in de omgeving. Bovendien vindt het onderhavige plan plaats binnen bestaande bebouwing op een bestaand bebouwd perceel. Ook wordt het plan in hoofdstuk 4 getoetst aan de overige, algemeen verplichte onderdelen. Tot slot wordt het plan volgens afspraken in het kader van de afwaartse beweging landschappelijk ingepast. c. een op de beoogde ruimtelijke ontwikkeling afgestemde afwikkeling van het personen- en goederenvervoer is verzekerd, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor, inclusief openbaar vervoer, een en ander onder onverminderd hetgeen in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en elders in deze verordening is bepaald. Akkoord: het onderhavige plan betreft een kleinschalig plan. Het plan heeft geen invloed op de verkeersafwikkelende werking van het omliggende wegennetwerk.
Hoofdstuk 3
23
Kwaliteitsverbetering van het landschap (art. 3.2) 1. Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk maakt, bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap, cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied of de omgeving; 2. De toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid bevat een verantwoording: a. van de wijze waarop de in het eerste lid bedoelde verbetering financieel, juridisch en feitelijk is geborgd; b. dat de in het eerste lid bedoelde verbetering past binnen de hoofdlijnen van het te voeren ruimtelijk beleid voor dat gebied. 3. De in het eerste lid bedoelde verbetering kan mede betreffen: a. de landschappelijke inpassing van bebouwing, voor zover expliciet vereist op grond van deze verordening; b. het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land; c. activiteiten, gericht op behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen; d. het wegnemen van verharding; e. het slopen van bebouwing; f. een fysieke bijdrage aan de realisering van de ecologische hoofdstructuur en ecologische verbindingszones. 4.
Indien een kwaliteitsverbetering als bedoeld in het eerste lid niet is verzekerd, wordt het bestemmingsplan slechts vastgesteld indien een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds is verzekerd en wordt over de werking van dat fonds regelmatig verslag gedaan in het regionaal ruimtelijk overleg. Dit plan valt onder de afwaartse beweging. Een intensieve veeteelttak wordt gesaneerd. Er wordt ontsteent door mestputten te verwijderen en iv-tak te beëindigen aan de Sint Lambertusweg 9 en 9a en geen gebruik te maken van een reeds in bezit zijnde bouwvergunning voor de realisatie van een schuur/stal op de locatie Diepenbroek 1. In het kader van de afwaartse beweging zijn ook afspraken gemaakt over de landschappelijke inpassing. Het onderhavige plan wordt op die delen waar het plangebied nog niet landschappelijk is ingepast, landschappelijk ingepast. Afgesproken is dat de landschappelijke verbetering gerealiseerd zou worden op het perceel Sint Lambertusweg 8d en wel door het herstellen van de verwaarloosde waterplas met bijbehorende beplanting. De landschappelijke inpassing is opgenomen in paragraaf 2.2.3. De landschappelijke inpassing wordt juridisch verzekerd door het op te nemen in de overeenkomst tussen de gemeente en de initiatiefnemer.
24
Hoofdstuk 3
Groenblauwe mantel (art. 6) Bescherming van de groenblauwe mantel (art. 6.1) 1. Een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel: a. strekt tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden; b. stelt regels ter bescherming van de ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden. 2. De toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid, bevat een verantwoording over de wijze waarop de nodige kennis over de aanwezige ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken is vergaard. Niet-agrarische functies (art. 6.10) 1. Een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel kan voorzien in een vestiging van een niet-agrarische functie, anders dan bepaald in de artikelen 6.7 tot en met artikel 6.9 mits: a. de totale omvang van het bouwperceel van de beoogde ontwikkeling ten hoogste 5.000 m² bedraagt; Akkoord: het bestemmingsvlak wordt niet groter dan 5000m². b. de ontwikkeling onder toepassing van artikel 6.1, eerste lid (bescherming groenblauwe mantel), gepaard gaat met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken; Akkoord: conform artikel 3. c.
is verzekerd dat overtollige bebouwing wordt gesloopt; Akkoord: er is geen overtollige bebouwing. Op het adres Diepenbroek 1 wordt geen gebruik gemaakt van een aanwezige bouwvergunning voor de realisatie van een stal/schuur. Bovendien wordt op het adres SintLambertusweg de mestput verwijderd. d. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een bedrijf, behorend tot de milieucategorie 3 of hoger; Akkoord: de maatschappelijke functie betreft geen categorie 3 of hoger. e. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot twee of meer zelfstandige bedrijven; Akkoord: de zorgactiviteit blijft 1 zelfstandig bedrijf. f. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een al dan niet zelfstandige kantoorvoorziening met een baliefunctie; Akkoord: van een kantoor met baliefunctie is geen sprake. g. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot al dan niet zelfstandige detailhandelsvoorziening met een verkoopvloeroppervlakte van meer dan 200 m²; Akkoord: van een detailhandelsvoorziening is geen sprake. h. is aangetoond dat de ruimtelijke ontwikkeling ook op langere termijn past binnen de op grond van deze verordening toegestane omvang; Akkoord: de maatschappelijke functie betreft een kleinschalige ontwikkeling.
Hoofdstuk 3
25
i.
de beoogde activiteit niet leidt tot een grootschalige ontwikkeling. Akkoord: de maatschappelijke functie betreft een kleinschalige ontwikkeling.
Gemengd landelijk gebied (art. 7) Beschrijving gemengd landelijk gebied (art. 7.1) 1. Een bestemmingsplan gelegen in gemengd landelijk gebied onderscheidt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening gebieden waar: a. een gemengde plattelandseconomie wordt nagestreefd met daarbij passende bestemmingen; b. een in hoofdzaak agrarische economie wordt nagestreefd met daarbij passende bestemmingen. Conclusie Het onderhavige plan wordt conform het provinciale beleid gerealiseerd. De zorgactiviteit aan Diepenbroek wordt conform artikel 6.10 gerealiseerd. Ten behoeve van de nevenactiviteiten aan Sint-Lambertusweg biedt de verordening en structuurvisie geen specifiek beleid en regelgeving. Nevenactiviteiten zijn echter zondermeer toegestaan op bestaande agrarische bedrijfspercelen. Het onderhavige plan wordt landschappelijk ingepast. Omdat het perceel aan Diepenbroek 1 en Sint-Lambertusweg 9/9a reeds geheel zijn ingepast, is met de gemeente afgesproken dat de landschappelijk inpassing gaat plaatsvinden op het adres SintLambertusweg 8d. Bovendien gaat op dit perceel ontstening plaatsvinden door het verwijderen van de mestputten op het adres Sint-Lambertusweg 8d en het niet gebruik maken van een bouwvergunning van een stal op het adres Diepenbroek 1. De landschappelijke inpassing is opgenomen in paragraaf 2.2.3 ‘Landschappelijke inpassing’.
Bovendien wordt de landschappelijke inpassing opgenomen in de met de initiatiefnemer af te sluiten overeenkomst zodat wordt voldaan aan het provinciale beleid.
3.2 Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk beleid ten behoeve van het buitengebied van Sint-Michielgestel is opgenomen in de structuurvisie ‘Buitengebied in ontwikkeling’ en in het bestemmingsplan Buitengebied. In de structuurvisie zijn ruimere mogelijkheden opgenomen om andere bedrijfsfuncties te starten. Hierin wordt onderscheid gemaakt tussen VAB-locaties binnen bebouwingsconcentratie (Sint Lambertusweg 8d (zie bijlage 1)) en VAB-locaties buiten bebouwingsconcentraties (Diepenbroek 1 en Sint Lambertusweg 9 en 9a). Binnen bebouwingsconcentraties betreft het 800 m², buiten bebouwingsconcentraties betreft het 400 m². In het onderhavige plan is aan Diepenbroek 500 m² aanwezig. Het betreft derhalve maatwerk. In ruil voor sloop van een ondergrondse mestkelder op het adres Sint Lamber-
26
Hoofdstuk 3
tusweg 8d kan in het plangebied aan Diepenbroek 1 100 m² meer bebouwing blijven staan. De opheffing van de intensieve veehouderij en de nevenactiviteiten op het adres Sint Lambertusweg 9 en 9a worden gecontinueerd conform het bestemmingsplan (en het doorlopen van de noodzakelijke omgevingsvergunningen). Daarmee is het plan conform het gemeentelijk beleid.
Hoofdstuk 3
27
28
Hoofdstuk 3
4.
MILIEUHYGIENISCHE EN PLANOLOGISCHE VERANTWOORDING
4.1 Flora en fauna Bij ruimtelijke planvorming is een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. Door de realisatie van een ruimtelijk plan kan namelijk het leefgebied van beschermde flora en fauna worden beschadigd of verloren gaan. In het onderhavige plan vinden geen fysieke wijzigingsplaats. De bebouwing voor de functies die door middel van het onderhavige bestemmingsplan worden geregeld zijn reeds gerealiseerd. bovendien worden geen gebouwen gesloopt. Het onderhavige plan heeft derhalve geen invloed op het leefgebied van (beschermde) flora en fauna en vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.
4.2 Archeologie en cultuurhistorie Als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen mogen archeologisch resten in de grond niet worden beschadigd. De gemeente Sint-Michielsgestel heeft de archeologische verwachtingswaarden opgenomen in het bestemmingsplan buitengebied. Alle drie delen van het plangebied zijn gelegen in een zone die is bestemd als ‘Waarde - archeologie 4’. Binnen dergelijke gebieden dient een onderzoek te worden uitgevoerd indien meer dan 100 m² in de grond wordt geroerd. In het onderhavige plan wordt niet in de grond geroerd. Een onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Wel blijft de dubbelbestemming ‘Waarde - archeologie 4’ over het plangebied behouden om ook in de toekomst de mogelijke archeologische resten te beschermden. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.
4.3 Cultuurhistorie Wetgeving en beleid Het monumentenbeleid wordt in Nederland de komende jaren aangepast. De monumentenzorg wordt gemoderniseerd zodat de cultuurhistorische waarde van een object in het proces van de ruimtelijke ordening moet worden geïnventariseerd en geanalyseerd. Ook andere vormen van cultuurhistorie krijgen een belangrijke plek in het te ontwikkelen beleid. Het erfgoed heeft een maatschappelijke betekenis; het biedt kennis over het verleden en zorgt ervoor dat personen weten wie ze zijn en waar ze vandaan komen. Daarnaast versterkt cultuurhistorie en erfgoed de ruimtelijke kwaliteit en biedt het inspiratie voor de inrichting van de ruimte.
Hoofdstuk 4
29
Met een gemoderniseerd monumentenstelsel wordt op rijksniveau de impuls gegeven om goed te zorgen voor het erfgoed, zodat het optimaal bijdraagt aan kwaliteit van de ruimte en daarmee aan de kwaliteit van het leven. Dat geldt voor gebouwde objecten, maar ook voor gebieden met cultuurhistorische waarden. Daarnaast worden cultuurhistorische waarden één van de wegingsfactoren bij het vaststellen van een bestemmingsplan. Bij wijzigingen van het bestemmingsplan wordt het effect van die verandering op de cultuurhistorische waarden afgewogen tegen andere belangen. In Nederland bestaan er meerdere soorten monumenten: rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten, provinciale monumenten en beeldbepalende panden in beschermde stads- en dorpsgezichten. In de Monumentenwet zijn de rechten en plichten van de verschillende monumenten bepaald. Aanwezige monumenten en waardevolle elementen Rijksmonumenten In het plangebied zijn geen rijksmonumenten aanwezig. Gemeentelijke monumenten In het plangebied zijn geen gemeentelijke monumenten aanwezig. Overige waardevolle panden en/of M.I.P. panden In het plangebied zijn overige waardevolle panden en/of M.I.P. panden niet aanwezig. Aanwezigheid cultuurhistorische structuren In november 2008 bracht het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de nota ‘Een lust, geen last’ uit. Hiermee wil het Rijk komen naar een modernisering van de Monumentenzorg.
Belangrijk element in de voorstellen voor het nieuwe stelsel is dat de cultuurhistorie vroeg in het ontwikkelingsproces wettelijk geborgd wordt. Cultuurhistorische waarden vormen één van de wegingsfactoren bij het vaststellen of wijzigen van een bestemmingsplan. Landschap en cultuurhistorie vormen zo een inspirerende kracht in ruimtelijke procedures in plaats van een beperkende voorwaarde. Hoewel het bovenstaande een eerste stap is om te komen tot een definitieve wijziging van de woningwet, kunnen we er in onze bestemmingsplannen rekening mee houden. Cultuurhistorische structuren zijn voor vrijwel alle provincies inzichtelijk gemaakt en te raadplegen via de digitale cultuurhistorische waardenkaarten. De cultuurhistorische waardenkaart (CHW-kaart) van de provincie Noord Brabant laat zien welke cultuurhistorische interessante en waardevolle patronen en objecten zich in het plangebied bevinden. Elke tijdsperiode heeft haar weerslag gehad op de vorming van de gebouwde omgeving. Lijnen, punten en vlakken uit het verleden zijn soms nog aflees-
30
Hoofdstuk 4
baar in het huidige (dorps)landschap. De CHW-kaart brengt deze cultuurhistorische waardevolle patronen en objecten in beeld. Bij de toekenning van een waardering van de patronen en objecten wordt gebruik gemaakt van criteria die betrekking hebben op: Cultuurhistorische waarden: het belang van de structuur, het vlak of de lijn in culturele, sociaal-economische, geografische, landschappelijke, technische of functionele zin; Historisch-ruimtelijke of stedenbouwkundige waarden: het belang van de structuur, het vlak of de lijn voor de geschiedenis van de ruimtelijke ordening en/of stedenbouw, wegens bijzondere samenhang van functies of hoogwaardige kwaliteiten op basis van een herkenbaar ruimtelijk/stedenbouwkundig concept, of wegens bijzondere inrichtingsprincipes (verkaveling, openbare ruimte); Situationele waarden: het belang van de structuur, het vlak of de lijn wegens bijzondere samenhang van kwaliteiten van bebouwde en onbebouwde ruimten in relatie tot hun stedelijke of landschappelijke omgeving en/of wegens de hoogwaardige kwaliteit van de bebouwing en hun groepering; Gaafheid/herkenbaarheid: het belang van de structuur, het vlak of de lijn wegens de herkenbaarheid van de (oorspronkelijke) historisch-ruimtelijke structuur, bebouwing en functionele opzet als geheel, wegens de architectonische gaafheid van de bebouwing en/of wegens de structurele en/of visuele gaafheid
van de stedelijke of landschappelijke omgeving; Zeldzaamheid: het belang van de structuur, het vlak of de lijn vanwege de unieke verschijningsvorm en/of het uitzonderlijk belang van het gebied wegens één of meer van de genoemde kwaliteiten. Op de CHW-kaart is in het onderhavige plangebied te zien dat de percelen in het plangebied in verschillende cultuurhistorische vlakken zijn gelegen. De zones ‘Dommeldal bij Sint-Michielgestel’ (St. Lambertusweg 9 en 9a) en ‘Het Groene Woud’ (alle drie percelen) zijn gelegen over het plangebied. Dommeldal bij Sint-Michielgestel Het Dommeldal tussen Boxtel en Sint-Michielsgestel is een goed bewaard gebleven beekdal met graslanden, broekbosjes en oude meanders. Het beekdal gaat in het oosten over in de grote akkercomplexen van Gemonde en in het westen in de landgoederen Zegenwerp en Venrode. De volgende strategie geldt voor het Dommeldal bij Sint-Michielgestel: Planologische bescherming van de waarden/kenmerken; De onregelmatige kleinschalige percelering; Het mozaïek waarin akkertjes, graslanden en broekbosjes elkaar afwisselen; De afgesneden meanders; De broekbosjes; De korenmolen de Genenberg; De historische boerderijen bij Gemonde;
Hoofdstuk 4
31
De dijken en dijkrestanten; Het (micro)reliëf.
Het Groene Woud Het Groene Woud is aangewezen als Nationaal Landschap. Kenmerkend is de opbouw van het gebied in beekdalen en dekzandplateaus en de inrichting die nauw gerelateerd is aan de terreingesteldheid. Kleinschalige middeleeuwse ontginningslandschappen worden afgewisseld met uitgestrekte bossen, heidevelden, zandverstuivingen en jonge ontginningen. Specifieke elementen zijn laanstructuren, kastelen en buitenplaatsen en watermolens. De volgende strategie geldt voor Het Groene Woud: Het behoud van de kleinschalige karakteristieken; Eisen stellen aan de uitbreidingen van dorpskernen; De economische dragers afstemmen op de cultuurhistorische identiteit van het Groene Woud; Het vergroten van de cultuurhistorische waardering door het vergroten van de beleving. In het onderhavige plan wordt een intensieve veehouderij beëindigd, wordt de bestaande bebouwing gebruikt voor overige functies en wordt een bestaande schuur behorend bij een voormalige agrarische onderneming (Diepenbroek 1, thans een woning) in gebruik genomen door een zorggerelateerd bedrijf. Er worden geen landschappelijke / cultuurhistorische structuren gewijzigd door de gewijzigde functie. Bovendien worden de percelen die nog niet landschappelijke zijn ingepast, daar alsnog van voorzien conform de landschappelijke inpassing zoals opgenomen in hoofdstuk ‘planopzet’.
Rekening houdend met de landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten in het plangebied en omgeving. Cultuurhistorische ‘lijnen’ De wegen Sint Lambertusweg en Diepenbroek zijn respectievelijk aangeduid als wegen met een ‘redelijk hoge’ en een ‘hoge’ cultuurhistorische waarde. De wegen worden echter intact gehouden het onderhavige plan heeft geen invloed op mogelijke cultuurhistorische waarden van de wegen.
4.4 Waterparagraaf Bij alle ruimtelijke ingrepen is het verplicht de watertoets te doorlopen. Hierin dient inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente wateradvies in te winnen bij de waterbeheerder. De gemeente en het waterschap kunnen praktische afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen.
32
Hoofdstuk 4
Beleidskader Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Provinciaal Waterplan van Noord-Brabant, het Waterbeheersplan 2010-2015 van waterschap De Dommel, het Nationaal Waterplan, het rapport Waterbeleid voor de 21ste eeuw, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Daarnaast is de ‘Beleidsbrief regenwater en riolering’ nog relevant. Hierin staat hoe het beste omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Waterschap De Dommel: Beleidsnota uitgangspunten Watertoets Het onderhavige plan biedt ruimte aan herbouw van een woning. Op het plan, in relatie tot duurzaam omgaan met water, zijn de volgende beleidsuitgangspunten van het waterschap De Dommel van toepassing: Gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater: het streven is het schone regenwater af te koppelen. Hierbij wordt het vuile water via de riolering afgevoerd en blijft het schone regenwater in het ideale geval binnen het projectgebied.
Voor de afweging van de wijze waarop met het afgekoppelde schone hemelwater moet worden omgegaan gelden de volgende afwegingsstappen: hergebruik – infiltratie – buffering - afvoer. Hydrologisch Neutraal bouwen: bij nieuwe ontwikkelingen dient de hydrologische situatie minimaal gelijk te blijven aan de uitgangssituatie. De Gemiddeld Hoogste Grondwaterstang (GHG) mag niet verlaagd worden en het waterpeil sluit aan bij optimale grondwaterstanden. Water als kans: de belevingswaarde van water kan bijvoorbeeld voor meerwaarde zorgen. Meervoudig ruimtegebruik: omdat de vierkante meters duur zijn, wordt aangeraden naar meervoudig grondgebruik te kijken. Op deze manier kan het ‘verlies’ van vierkante meters door de ruimtevraag van water beperkt worden. Voorkomen van vervuiling: nieuwe bronnen van verontreiniging dienen zoveel mogelijk voorkomen te worden. Wateroverlastvrij bestemmen: bij dit uitgangspunt wordt al voldaan aan extreme situaties (NBW-norm2). De voorkeur gaat uit naar het ontwikkelen op locaties die als gevolg van hun ligging ‘hoog en droog genoeg’ zijn en daarmee voldoen aan de NBWnorm voor de toekomstige functie, zodat ’wateroverlastvrij bestemd’ wordt. Indien dit niet mogelijk of wenselijk is zal gezocht moeten worden naar compenserende of miti-
2
Het Nationaal Bestuursakkoord Water (2003): door het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) vastgestelde werknormen voor het bepalen aan welke bui het type grondgebruik getoetst wordt volgens de normen.
Hoofdstuk 4
33
gerende maatregelen die het gewenste beschermingsniveau tegen wateroverlast helpen realiseren. Gemeentelijk Waterplan Sint-Michielsgestel De gemeente Sint-Michielsgestel heeft in 2004 een gemeentelijk Waterplan opgesteld. Hierin wordt in het toekomstperspectief omschreven dat de gemeente een ‘groene gemeente’ dient te blijven. Voor het watersysteem geldt dat zoveel mogelijk moet worden aangesloten bij het natuurlijke systeem en de aanwezige natuurlijke veerkracht van het watersysteem. De groene principes kunnen op grond van de huidige situatie en het vigerend beleid in de gemeente Sint-Michielsgestel worden vertaald naar een aantal watergerelateerde thema’s. Deze thema’s vormen de kapstok waaraan uiteenlopende gebiedsgerelateerde aspecten kunnen worden opgehangen en geven daarmee een praktische ordening: Hoog water: binnen dit thema gaat het om het functioneren van het watersysteem in relatie tot het primaire belang “droge voeten”. Droge voeten heeft betrekking op het voorkomen van overstromingen en het hebben van voldoende ontwateringsdiepte om een veilig en gezond woonmilieu te kunnen garanderen. Door ophoging van het plangebied, in combinatie met het creëren van voldoende waterberging vindt dit thema doorwerking in het plan. Schoon water: hierbij gaat het om de kwaliteit van grond- en oppervlaktewater en waterbodem.
Bij de beoogde ontwikkeling wordt relatief schoon hemelwater behouden in het plangebied door het plaatselijk te bergen en/of te infiltreren in de bodem. Natuurlijk water: het vasthouden en plaatselijk bergen van hemelwater dat in het plangebied valt, sluit ook aan bij het thema natuurlijk water. Op deze wijze wordt een situatie gecreëerd die dichtbij de natuurlijke situatie staat. Daarnaast worden watergangen voorzien van flauwe, tamelijk natuurvriendelijke oevers. Mooi water: dit thema speelt in om de belevingswaarde van water. In het plan krijgt water een zichtbare en beleefbare plek in de openbare ruimte. Huidige waterhuishoudkundige situatie In het onderhavige plan vinden geen fysieke wijzigingen plaats. De nieuwe functies worden uitgevoerd in de bestaande (voormalige) agrarische bedrijfsbebouwing. Het plan wordt derhalve hydrologisch neutraal uitgevoerd.
34
Hoofdstuk 4
Oppervlaktewater In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Ook in de nabije omgeving zijn geen leggerwatergangen (in beheer zijnde bij het Waterschap Dommel). Er hoeft derhalve geen rekening te worden gehouden met keurstroken/ onderhoudspaden van watergangen. Figuur 4.2: uitsnede keurkaart Waterschap de Dommel
Keurbescherming Het deel van het plangebied aan Sint Lambertusweg 9 en 9a is gelegen in een zone dat is aangeduid als attentiegebied. Aangezien in het plangebied geen verharde oppervlakken worden toegevoegd vormt dit aspect geen belemmering. Rioleringsaspecten De huidige bebouwing aan de Sint Lambertusweg en Diepenbroek is in de huidige situatie aangesloten op het bestaande gemengde rioleringsstelsel. In de toekomst wijzigt hier niets aan. Indien de gemeente kosten moet maken ten behoeve van wijzigingen aan het riool worden deze inrekening gebracht.
Hoofdstuk 4
35
4.5 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 20093. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen me.r.- (beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een MER nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een MER nodig.