3.28 LIP Oud Laar M1113 te Berlicum
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing Woningbouw Oud Laar te Berlicum Gemeente Sint-Michielsgestel Definitief
Ruimtelijke onderbouwing Woningbouw Oud Laar te Berlicum Gemeente Sint-Michielsgestel Definitief
Rapportnummer:
211x05408.067458_1
Datum:
17 maart 2015
Contactpersoon opdrachtgever:
Mevrouw A. van der Ven
Projectteam BRO:
Arjan van Dooren
Trefwoorden:
--
Bron foto kaft:
BRO, Abstract
Beknopte inhoud:
--
BRO Hoofdvestiging Postbus 4 5280 AA Boxtel Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 F +31 (0)411 850 401 E info@bro.nl
Inhoudsgave
pagina
1. INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Leeswijzer
3 3 4
2. GEBIEDSPROFIEL 2.1 Omgeving plangebied 2.2 Ligging initiatieflocatie 2.3 Projectprofiel 2.4 Gewenste situatie 2.5 Landschappelijke inpassing
5 5 6 7 7 8
3. BELEIDSANALYSE 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid
17 17 19 26
4. MILIEUASPECTEN 4.1 Inleiding 4.2 Vormvrije m.e.r.-beoordeling
33 33 33 33 34 34 35 36 40 41 43 45 46 47
4.2.1 Inleiding 4.2.2 Beoordeling noodzakelijkheid m.e.r.-beoordeling 4.3 Bedrijven en milieuzonering 4.4 Bodem 4.5 Water 4.6 Geluid 4.7 Luchtkwaliteit 4.8 Geurhinder 4.9 Kabels en leidingen 4.10 Externe veiligheid 4.11 Verkeer en parkeren
Inhoudsopgave
1
5. WAARDEN 5.1 Inleiding 5.2 Archeologie 5.3 Landschappelijke en cultuurhistorische waarde 5.4 Flora- en fauna
49 49 49 50 50
6.
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
59
7.
SAMENVATTING EN CONCLUSIE
61
BIJLAGEN Bijlage 1: Bodemonderzoek Bijlage 2: HNO-tool Bijlage 3: Akoestisch onderzoek Bijlage 4: Geurhinderonderzoek Bijlage 5: Archeologisch onderzoek Bijlage 6: Bewijslast Ruimte-voor-Ruimte
2
Inhoudsopgave
1.
INLEIDING
1.1 Aanleiding Aan de weg Oud Laar in Berlicum bevindt zich een perceel van ongeveer 5 hectare. De initiatiefnemer is voornemens om op het perceel twee woningen te realiseren. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de provinciale regeling Ruimte voor Ruimte. De belangrijkste voorwaarden van de Ruimte voor Ruimte regeling zijn: beëindiging van intensieve veehouderijen, sloop van 1000 m² aan bedrijfsbebouwing welke in gebruik waren ten behoeve van de intensieve veehouderij en het inleveren van 3.500 kg fosfaatrechten. De initiatiefnemer kan niet direct aan deze voorwaarden voldoen, maar kan toch deelnemen door de kosten voor de sloop van stallen, het uit de markt nemen van de fosfaatrechten en de beëindiging van een intensieve veehouderij op zich te nemen. Op een andere locatie in Brabant wordt een intensieve veehouderij beëindigd. Deze agrarische ondernemer wenst deel te nemen aan de Ruimte-voor-Ruimteregeling zonder daar woningen voor te realiseren. De keuze om geen woningen te ontwikkelen kan verschillende redenen hebben. Het recht om zo’n woning te bouwen kan deze ondernemer dan verkopen, waardoor andere mensen een woning kunnen bouwen. In principe betalen deze mensen dan de sloop- en saneringskosten van de intensieve veehouderij. De initiatiefnemer kan de woningen realiseren door de sloop en sanering van een intensieve veehouderij te financieren.
Uiteraard dient er per woning voldoende stalruimte gesloopt te zijn (minimaal 1.000 m²) en 3.500 kg fosfaat uit de markt te zijn genomen. Om de woningen te realiseren dient er een planologisch-juridische procedure doorlopen te worden. De gemeente Sint-Michielsgestel heeft aangegeven dat zij willen gaan werken met een zogenaamde actualisatie van het bestemmingsplan. Meerdere initiatieven zullen samen de bestemmingsplanprocedure doorlopen. Zo hoeft de gemeente SintMichielsgestel maar 1 procedure te doorlopen voor meerdere initiatieven. De gemeente Sint-Michielsgestel heeft op 21 november 2013 aangegeven dat zij een positief besluit hebben genomen omtrent deze ontwikkeling. Uiteraard dienen nog een aantal zaken onderzocht, onderbouwd en/of genuanceerd te worden. In deze ruimtelijke onderbouwing wordt het initiatief op alle aspecten onderbouwd. De ruimtelijke onderbouwing wordt als bijlage opgenomen in het bestemmingsplan waarmee de procedure wordt doorlopen.
Hoofdstuk 1
3
1.2 Leeswijzer De ruimtelijke onderbouwing bestaat uit een aantal onderdelen. In hoofdstuk 2 wordt het gebied en het plan (project) beschreven. De beleidsanalyse wordt in hoofdstuk 3 weergegeven. Het project is getoetst aan alle relevante milieutechnische aspecten. De beschrijving daarvan is in hoofdstuk 4 weergegeven. In hoofdstuk 5 worden de effecten van de ontwikkelingen op de waarden beschreven. Tenslotte is in hoofdstuk 6 een samenvatting en een conclusie opgenomen.
4
Hoofdstuk 1
2.
GEBIEDSPROFIEL
2.1 Omgeving plangebied Berlicum is een dorp in de gemeente Sint-Michielsgestel, gelegen op minder dan 10 km ten zuidoosten van ’s-Hertogenbosch. In zuidelijke richting van Berlicum is Middelrode gelegen. Aan de westkant liggen de dorpjes Maaskantje en Den Dungen, die tezamen worden gescheiden van Berlicum door de Zuid-Willemsvaart. Langs de Zuid-Willemsvaart is de N279 gelegen, de weg van ’s-Hertogenbosch naar Helmond loopt. Het betreffende perceel (initiatieflocatie) ligt in het buitengebied, ten oosten van Berlicum en Middelrode. De locatie wordt ontsloten door de verharde weg Oud Laar. Figuur 1 illustreert het plangebied. De initiatieflocatie is op ongeveer 250 meter afstand van de bebouwde kom van Middelrode gelegen. Oud Laar is een oud agrarisch bebouwingslint met veel langgevelboerderijen. De straat heeft een meanderend karakter en sluit aan op Laar. De laanbeplanting van deze weg is nog grotendeels intact. Verder zijn de agrarische erven door de gedeeltelijke aanplant van bomen en struiken landschappelijk ingepast, wat ten goede komt aan de omgevingswaarde van het gebied. De initiatieflocatie maakt onderdeel uit van de kernrandzone Berlicum en Middelrode. Een kernrandzone is een gedeelte van het buitengebied dat grenst aan de bebouwde kom, met daarin relatief veel bebouwing die over het algemeen op korte afstand van elkaar ligt.
In de kernrandzone loopt het dal van de Wambergse Loop, het zuidoostelijke deel van deze kernrandzone ligt deels op verhogingen in het landschap. De watergangen en wegenstructuur hebben een grillig verloop. Het gebied is relatief open, met name in het voormalige beekdal. In de omgeving zijn verschillende agrarische bedrijven aanwezig, waaronder rundveehouderijen, akkerbouwbedrijven en kwekers. Op de gronden wordt voornamelijk maïs en gras geteeld. Tot slot grenst er een sportcomplex aan de weg (Oud Laar), waar onder andere voetbalvereniging ‘BMC’ gebruik van maakt.
Hoofdstuk 2
5
2.2 Ligging initiatieflocatie De initiatieflocatie is gelegen aan Oud Laar te Berlicum in de gemeente SintMichielsgestel. (figuur 2.1).
Figuur 2.1: Ligging initiatieflocatie
6
Hoofdstuk 2
2.3 Projectproffiel m een omva ang van circa a 5 hectare. In de huidigee situatie Het percceel betreft een gebied met is het pe erceel in gebruik als gras sland. De inittiatiefnemer is gedeeltelijk eigenaar vvan deze grond. H Het stuk gron nd aan de ac chterzijde is en blijft in gebruik g als grasland. Hett perceel wordt aa an de noord--oostzijde en de zuid-wesstzijde ontslo oten op Oud Laar. Het eiigendom van de in nitiatiefneme er is globaal weergegeve w n in figuur 2..2.
Globale G weergave eigendom in nitiatiefnemer Ontsluiting O agra arisch perceel
Figuur 2.2 2 Eigendom initiatiefnemer (globaal)
2.4 G Gewenste situatie s De initiattiefnemer he eeft de wens om op het b betreffende perceel p twee woningen tee realiseren. Hiervoor wil de initiatiefnem mer gebruik maken van de Ruimte voor v Ruimterregeling. Om deze e regeling to oe te passen n dient per w woning een bouwtitel b te worden aanggekocht. Het eige endom van de initiatiefnemer, zoals w weergegeven n in figuur 2 is eveneens de locatie waar de woninge en worden gerealiseerd. De situering g, de landschappelijke innpassing en de sttedenbouwku undige randv voorwaarden n van de wo oningen zijn na grondige analyse
Hoofdstuk 2
7
tot stand d gekomen. In de volgen nde paragraa af is de analy yse beschrevven en de landschappelijke inpassing we eergegeven.
2.5 Landschap L ppelijke in npassing
Figuur 2.3 Luchtfoto L locatie e
Aanleid ding Aan de weg Oud La aar in Berlicu um bevindt zich z een perceel van onggeveer 5 hectare. De eel van dit perceel p twee woningen te e realiseinitiatieffnemer is voornemens o m op een de ren. Hie ervoor wordt gebruik gem maakt van de provinciale regeling r Ruim mte voor Ruimte. Beleid en e regelgeving in het bu uitengebied zijn z er op ge ericht dat onttwikkelingen geen afbreuk mogen m doen aan de ruim telijke kwalitteit. Elke ontw wikkeling dieent landscha appelijk te worden ingepast, en moet gep paard gaan met m een aan ntoonbare enn uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige e en potentiële e kwaliteiten van bodem , water, natu uur, landschap, of cultuurhis storie of van n extensieve e recreatieve e mogelijkheeden van he et gebied waarop de ontwikke eling haar we erking heeft1. 1
Hoofdstu uk 3 verordening Ruimte 2014 provincie Braba ant
8
Hoofdstuk 2
Hierbij wordt vaak (een diffuus) onderscheid gemaakt tussen de landschappelijke inpassing van een initiatief waaronder hoofdzakelijk de aanleg van (opgaande) erfbeplanting wordt verstaan, en de zogenaamde ‘kwaliteitsverbetering’. Gemeente Sint- Michielsgestel stelt dat het toevoegen van woningen en bijgebouwen extra verstening betekent en dat daarom bij de uitwerking van het plan dient te worden aangetoond dat deze verstening wordt gecompenseerd door een landschappelijke kwaliteitsverbetering. Hiervoor worden de volgende suggesties gedaan;
de versterking van het groen in dit gebied, bijvoorbeeld het inzetten van een beplantingsstructuur aan de voorzijde van het perceel zoals in de structuurvisie (Structuurvisie Buitengebied) wordt gesuggereerd; de woningen zo dicht als mogelijk bij de bestaande woning aan Oud Laar 9 te worden gerealiseerd, clustering van de bebouwing; de bestaande zichtlijn mag niet worden gefrustreerd.
De gemeente geeft aan dat ze voor elk specifiek geval zal beoordelen op welke wijze de kwaliteit van de omgeving kan worden verbeterd, in plaats van dat ze generieke standaarden gebruikt. In de landschappelijke inpassing gaan we in op de karakteristiek van het landschap, vervolgens zoomen we in op de locatie en de uitwerking van het initiatief.
Hoofdstuk 2
9
Kenschets landschap
Figuur 2.4 Uitsnede geomorfologische kaart 45, projectlocatie rood omcirkelt
Berlicum maakt deel uit van een afwisselend landschap van zandontginningen. Veelal zijn de besloten zandontginningen ouder dan de jonge zandontginningen. De beken zoals de Aa en de Wambergse Loop hebben een bepalende invloed gehad op de wijze van ontginning. Op de hoge, droge delen vestigden de mensen zich en van daaruit brachten ze het nog woeste landschap in cultuur. Berlicum is vermoedelijk ontstaan op de dekzandrug tussen het beekdal van de Wambergse Loop en het grotere dal van de Aa. Rondom het dorp lagen de akkers, de nattere beekdalen werden gebruikt als hooi- en weideland. In verloop van de tijd werden de ontginningstechnieken steeds beter en konden ook de lastigste gebieden in cultuur worden gebracht waardoor met name de (natte)heidelandschappen werden ontsloten en verkaveld. In het gebied is met name het onderscheid tussen de oude besloten (grillige) zandontginningen met de jonge open (rationele) zandontginningen zichtbaar. Locatie De projectlocatie maakt deel uit van een gebied van origine oude besloten zandontginningen, dit is duidelijk te zien door de grillige loop van de weg en de (weliswaar) onderbroken laanbeplanting. Hier liep in het verleden de Wambergse Loop, maar door ruilverkaveling en kanalisatie is deze invloed niet meer in het veld ter herkennen.
10
Hoofdstuk 2
Figuur 2.5 Kaartbeeld behorende bij deelgebied Oostzijde Berlicum/Middelrode, Structuurvisie Buitengebied Sint-Michielsgestel
In de Structuurvisie Buitengebied Sint – Michielsgestel (2012) is aangegeven dat de projectlocatie in de kernrandzone van Berlicum ligt. Hierin staat een beschrijving van de karakteristiek en de te behouden ruimtelijk kwaliteiten genoemd; ‘De kernrandzone Berlicum/Middelrode ligt op een gevarieerde, geaccidenteerde ondergrond. Door het gebied loopt het dal van de Wambergse Loop, de loop zelf is gekanaliseerd. Het zuidoostelijke deel ligt deels op verhogingen in het landschap, en de watergangen en wegenstructuur hebben een grillig verloop. De kernrandzone vormt geen ruimtelijke eenheid, onder andere doordat de bebouwing niet door één weg wordt ontsloten. Het gebied is relatief open, met name in het voormalige beekdal. Het deel rond Laar en Oude Ploeg dat op een dekzandrug ligt is besloten er van aard. Laanbeplanting is sporadisch aanwezig, pas in het verlengde van de groenstraat zijn acacia’s en eiken langs de weg geplant. Er zijn veel verschillende functies te vinden, waaronder kwekerijen. Een opvallend element is het hertenkamp aan de Oude Ploeg, en het Jezusbeeld op de karakteristieke kruising Oude Ploeg, Groenstraat en Laar. Te behouden ruimtelijke kwaliteiten: Groene en landelijke uitstraling;
Hoofdstuk 2
11
Relatieve openheid in het dal van de Wambergse Beek; Grillige verkavelingsstructuur; Beslotenheid rond Laar/Oude Ploeg ( op de dekzandrug); Zichtrelatie kernrand en buitengebied; Natuurlijke begrenzing van de kernrand door de Wambergse Beek; Landschappelijke kamertjesstructuur; Laanbeplantingen.’
Belangrijk is de zichtrelatie tussen Oud Laar en het buitengebied in zuidoosten loopt. Landschappelijk inpassing en verbetering
Figuur 2.6 Afbeelding inpassingsplan op middelgrote schaal
Door de bouw van de nieuwe woningen wordt deze relatie niet verbroken. Het ‘venster’ wat vanaf de Oud Laar ervaren kan worden heeft een lengte van ongeveer 450 meter voordat de weg afbuigt richting het zuid(oosten). De nieuwe percelen worden direct naast elkaar gesitueerd zodat de massa geclusterd wordt en er zo min mogelijk verstoring van het zicht naar achtergelegen landschap ontstaat. Tussen het perceel van de bestaande
12
Hoofdstuk 2
woning ten noorden van het meest noordelijk gelegen te ontwikkelen kavel komt een vrije ruimte van 11 meter (tevens niet eigendom). De gezamenlijke frontbreedte van de percelen bedraagt een kleine 70 meter, waardoor er nog 380 strekkende meter overblijft waar tussen weg en landerijen geen massa aanwezig is die de beleving van het achterliggende landschap belemmert. De woningen passen qua omvang, oriëntatie en positionering in de context; de woningen in besloten zandontginningslandschappen bestaan voornamelijk uit langgevelboerderijen van één laag hoog met een kap. Meestal liggen de woningen met de lange zijde naar de weg en beslaan ze ongeveer de helft van de kavelbreedte. Beide woningen liggen daarom met de lange zijde naar de weg. Om de landschappelijke contrasten nog meer te versterken zou het wenselijk zijn om de onderbroken, eenzijdige laanbeplanting aan de noordelijke zijde van de Oud Laar aan te vullen. De berm aan de overzijde is niet in eigendom van de initiatiefnemer maar wel in eigendom van de gemeente. Door enkele eiken en elzen op te nemen ontstaat een aaneengesloten groenstructuur. De gemeente heeft aangegeven bereid te zijn haar medewerking hieraan te verlenen. De woningen krijgen maximaal een inhoudsmaat van 1.000 m³ en de mogelijkheid om een bijgebouw van 100 m² te maken.
De (bij)gebouwen dienen op maximaal 4 meter van de achtergevels van de woningen gesitueerd te worden. Bijgebouwen en garages zijn in dit gebied op de meeste woningbouwpercelen op korte afstand van-, of aan de woning gebouwd. Voor de inrichting en inpassing van de kavels dient de landschappelijke onderlegger en geschiedenis als inspiratie. De projectlocatie ligt deels in het voormalige beekdal van de Wambergse Loop en deels op de oude akkers van Berlicum.
Hoofdstuk 2
13
Projectlocatie geprojecteerd op de geo omorfologische kaart (links) en n de bodemkaaart (rechts). Op p de geomorfolo oart is het groene e vlak het voorm malige beekdal, alleen een dee el van het noorddelijke perceel ligt buiten het da al. gische kaa Op de bod demkaart is te zien dat de loccatie op laarpod dzolgronden en enkeergrondenn ligt wat duidt op gebruik voo or akkerbouw w
De kave els worden circa c 34,5 m meter breed en e 50 meterr diep. Ze woorden omge even door een gre eppel met va ariabele bree edte; in het voormalige beekdal is dde greppel breder b en heeft fla auwere talud dhellingen d an daarbuite en. Mogelijk is hier de ggrondwaters stand ook hoger2. Bijkomende voordeel va an de greppe els is dat er geen hekkenn nodig zijn als erfafng en dat er nieuwe eco ologische bettekenis word dt toegevoeggd aan het la andschap scheidin doordatt de taluds ee en habitat bie eden aan verschillende vegetatietype v en. v wo ordt gerefere eerd aan de agrarische geschiedenis g s van het geb bied door Op de voorerven de aanlleg van beukenhagen ro ondom de tw wee percelen n en een liggusterhaag tu ussen de twee pe ercelen. Door de twee errven volledig met beuken nhagen te om mzomen onts staat een consiste ent beeld – ongeacht o de privacywens sen van de bewoners. Daarnaa ast zullen so olitaire bome en en/of kleiine boomgro oepen wordeen aangeplan nt op het woonerff. Een passe ende sortime entskeuze wordt w in overrleg met de gemeente nader n bepaald. Er is no og geen definitieve vorm geving van de d woningen n bekend. Voolgens de welstandsw nota gelden ‘de eige en stijlkenme erken’ als criterium zolan ng die maar passen in de e ‘groene omgevin ng’. Als omg gevingscriterrium geldt da at de grote vlakken v in eeen groene omgeving o dienen te t passen.
Omdat O de om mgeving een gevarieerde architectuurr heeft moge en nieuwe ingrepen van omvang een eige n gezicht he ebben. Een samenhang s tussen hooffdgebouw en bijge ebouw, c.q. bijgebouw b en n omgeving is s hierbij wel een wens.
2
grondwa atertrap IV: Gem middeld Hoogstte Grondwaters stand tussen de e 40 en 80 centtimeter beneden n maaiveld, Gemiddelld Laagste Gron ndwaterstand di eper dan 120 centimeter.
14
Hoofdstuk 2
In de architectuur van de woningen kan mogelijk extra uiting worden gegeven aan het verschil in relatieve ligging (in het voormalige beekdal of daarbuiten) door de woningen bijvoorbeeld qua stijl aan elkaar verwant te maken, maar een andere kleurstelling te kiezen.
Figuur 2.7 Afbeelding inpassingsplan op lage schaal
Conclusie Door de toevoeging van twee nieuwe woningen aan Oud Laar wordt de zichtrelatie tussen de weg en de landerijen ten oosten daarvan slechts versmalt, niet verbroken (op het traject dat door de passant qua beleving wordt afgelegd langs Oud Laar wordt slecht 15% nieuwe aaneengesloten semi-transparante massa toegevoegd). De nieuwe woningen passen qua massa, oriëntatie en hoogte in het landschap van de besloten zandontginningen. De erven kennen een karakteristieke en herkenbare erfindeling, en door de aanleg van solitaire bomen, boomgroepen worden nieuwe landschapselementen toegevoegd.
Hoofdstuk 2
15
De watergang rondom de percelen geeft uiting aan de historische ondergrond en refereert aan de ligging in het voormalige beekdal van de Wambergse Loop.
16
Hoofdstuk 2
3.
BELEIDSANALYSE
3.1 Rijksbeleid Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (vastgesteld op 13 maart 2012) staan de plannen van de Rijksoverheid voor ruimte en mobiliteit. Het Rijk stelt dat er een aanpak dient te ontstaan waarmee Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig maakt. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan de decentrale overheden (provincie en gemeenten) en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem van ruimtelijke ordening. Daarnaast kan een Rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien: een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt. Bijvoorbeeld ruimte voor militaire activiteiten en opgaven in de stedelijke regio’s rondom de mainports, brainports, greenports en valleys; over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan. Bijvoorbeeld voor biodiversiteit, duurzame energie, watersysteemherstel of werelderfgoed; een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend is en ofwel een hoog afwentelrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is. Bijvoorbeeld de hoofdnetten van weg, spoor, water en energie, maar ook de bescherming van gezondheid van inwoners.
Het Rijk kiest drie doelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028): het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland; het verbeteren en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Uit bovenstaande drie doelen zijn de dertien nationale belangen naar voren gekomen. Deze zijn geografisch weergegeven via de Nationale hoofdstructuur. Het plangebied is niet binnen een Nationale Hoofdstructuur gelegen. Het initiatief voldoet aan de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De provincie NoordBrabant heeft de algemene kaders uit deze structuurvisie uitgewerkt in concrete regels in onder andere de Verordening ruimte. De gemeente dient met het opstellen van beleid rekening te houden met deze nota’s.
Hoofdstuk 3
17
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. In het SVIR wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'neetenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling. Met deze ontwikkeling zijn geen kaders noodzakelijk ten behoeve van nieuwe ontwikkelingen waarbij Nationale belangen gemoeid zijn. Het Barro heeft dan ook geen invloed op dit initiatief. Ladder voor duurzame ontwikkeling Per 1 oktober 2012 is in artikel 3.1.6 een lid 2 ingevoegd waarin een motiveringsplicht is opgenomen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen in bestemmingsplannen.
In de toelichting van het bestemmingsplan moet hiervoor een verantwoording plaatsvinden aan de hand van een drietal opeenvolgende treden (de “ladder duurzame verstedelijking”). De eerste trede is een toets met betrekking tot de regionale behoefte van de stedelijke ontwikkeling. Letterlijk is de vraag in de handreiking is alsvolgt geformuleerd: “Is er een regionale behoefte?”. In dit geval zou de vraag met nee moeten worden beantwoord. De ontwikkeling vindt plaats op basis van de provinciale Ruimte-voor-Ruimteregeling. Hiermee wordt beoogd om de verstening van de provincie tegen te gaan door onder sloopen saneringsvoorwaarden en het inleveren van fosfaatrechten een beter woon- en leefmilieu te creëren. In ruil voor de sloop en beëindiging van een intensieve veehouderij kunnen dan een of meer woningen worden gerealiseerd. In de handreiking3 is het volgende opgenomen: De stappen zijn geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen. Dat zou voorbij gaan aan de specifieke lokale omstandigheden, die van invloed zijn op de inpassing van ruimtevragende functies en het regionale maatwerk dat de overheden moeten kunnen leveren.
De stappen die worden gevraagd, bewerkstelligen dat de wens om een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk te maken, nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied, maar ook met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte, en voor de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. In dit geval betreft het een specifieke lokale omstandigheid en het initiatief van een particulier op basis van de eerder genoemde Ruimte-voor-Ruimteregeling. Deze regeling gaat niet uit van een behoefte tot nieuwe woningen, maar het bereiken van een goed woonen leefklimaat in de provincie Noord-Brabant. Het ruimte- en milieubeslag van een inten3
http://ladderverstedelijking.minienm.nl/
18
Hoofdstuk 3
sieve veehouderij zijn vele malen groter en hebben in de meeste gevallen een grotere impact dan enkele woningen. Door specifiek op zoek te gaan naar potentiele plekken binnen een gemeente (bebouwingsconcentratie) wordt een zorgvuldige afweging gemaakt op welke plekken een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is. De markt en initiatiefnemers zijn daarna aan zet om mogelijk invulling te geven aan deze plekken. Hierdoor wordt kwaliteitsverbetering bereikt in het landelijk gebied. Doordat initiatiefnemers de investering willen aangaan om woningen op deze plek te realiseren, kan er vanuit worden gegaan dat de markt dit bepaald en daarmee vraag is naar dit type woningen. Een dergelijke investering vraagt om een plek voor de woning die niet bereikt kan worden in het stedelijk gebied. De ontwikkeling past daarmee binnen de ladder voor duurzame ontwikkeling.
3.2 Provinciaal beleid Structuurvisie De Structuurvisie Ruimtelijke ordening (vastgesteld door Provinciale Staten d.d. 1 oktober 2010) geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). Voor het plangebied zijn twee uitsneden gemaakt welke hierna zijn weergegeven. Op 7 februari 2014 hebben de provinciale staten de structuurvisie 2010, partiële herziening 2014 vastgesteld. Hierin is een aantal wijzigingen opgenomen ten aanzien van de Structuurvisie 2010. Voor de initiatieflocatie is een uitsnede gemaakt en is weergegeven in figuur 3.1. Op de kaart zijn vier ruimtelijke structuren geordend. Iedere structuur geeft een aantal belangrijke maatschappelijke ontwikkelingen aan. Tezamen vormen deze structuren de provinciaal ruimtelijke structuur. De structuren geven de hoofdlijnen aan voor ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden in combinatie van functies. Iedere structuur biedt een aantal functies met randvoorwaarden die door de provincie zijn opgedragen. De vier structuren zijn: 1. De groenblauwe structuur; 2. Landelijk gebied; 3. Stedelijke structuur; 4. Infrastructuur;
Hoofdstuk 3
19
Figuur 3.1 Uitsnede Structuurvisie Ruimtelijke Ordening
Gemengde landelijk gebied De initiatieflocatie is gelegen in de zone gemengd landelijk gebied (figuur 4.1). De gebieden die zijn aangemerkt als gemengd landelijk gebied is een gebied waarbinnen verschillende functies in evenwicht met elkaar worden ontwikkeld. Agrarische functies worden in samenhang met andere functies (in de omgeving) uitgeoefend. In het gemengd landelijk gebied wordt voldaan aan de vraag naar kleinschalige stedelijke voorzieningen, recreatie, toerisme en ondernemen in een groene omgeving. Daarnaast wil de provincie ook dat er ruimte beschikbaar blijft om de agrarische productiestructuur te behouden en te versterken. Aan gemeenten wordt daarom gevraagd deze primair agrarische gebieden te beschermen. Dat betekent dat (stedelijke) functies die ten koste gaan van de ruimte voor agrarisch gebruik of die strijdig zijn met de landbouw in die gebieden geweerd worden. Hierdoor blijft er ruimte gereserveerd voor agrarische ontwikkelingen. In de gemengde plattelandseconomie is naast ruimte voor de land- en tuinbouw ook ruimte voor de ontwikkeling van niet-agrarische functies, zoals toerisme, recreatie, kleinschalige bedrijvigheid, zorgfuncties etcetera. Dit kan door verbreding van agrarische acti-
20
Hoofdstuk 3
viteiten maar ook als zelfstandige functie, met name op vrijkomende locaties. Rondom steden, dorpen en natuur is er in de meeste gevallen feitelijk sprake van een gemengde plattelandseconomie. In de gebieden rondom steden en dorpen is daarbij meer ruimte voor de ontwikkeling van functies die zich richten op de inwoners van die kernen, in de gebieden rondom de groenblauwe structuur is de ontwikkeling van functies meer afgestemd op het ondernemen in een groene omgeving en de versterking van natuur- en landschapswaarden. Een klein gedeelte valt binnen de zone “zoekgebied voor verstedelijking”. Zolang binnen deze gebieden nog geen verstedelijking heeft plaatsgevonden, is daar feitelijk het perspectief van gemengd landelijk gebied aanwezig. De aanduiding zoekgebied verstedelijking geeft aan dat het transformeren van buitengebied naar stedelijk gebied (wonen, werken, voorzieningen, stedelijk groen) afweegbaar is als dat nodig is om in de stedelijke ruimtebehoefte te voorzien. Beleid Binnen het gemengd landelijk gebied is multifunctioneel gebruik uitgangspunt. Uitzondering hierop zijn de primair agrarische gebieden, die door de gemeente zijn vastgelegd. Binnen die gebieden, waartoe in ieder geval de vestigingsgebieden glastuinbouw behoren, worden (stedelijke) functies die de ruimte voor agrarische ontwikkeling beperken of functies die strijdig zijn met de landbouwfunctie geweerd.
Buiten de primair agrarische gebieden ontwikkelen functies zich in evenwicht met elkaar en de omgeving. In de kernrandzones is een toenemende menging van wonen, voorzieningen en kleinschalige bedrijvigheid mogelijk. Bestaande ontwikkelingsmogelijkheden van in het gebied voorkomende functies worden gerespecteerd. Ontwikkelingen houden rekening met hun omgeving en dragen bij aan een versterking van de gebiedskwaliteiten. Conclusie Uit de doelstellingen die de provincie weergeeft in de structuurvisie blijkt dat de functie wonen in dit gebied (gemengd landelijk gebied en (gedeeltelijk) zoekgebied verstedelijking) passend is op de gewenste locatie. In het gemengd landelijk gebied wordt ruimte geboden voor het met elkaar combineren van bestaande en nieuwe functies. De realisatie van nieuwe woningen is, onder voorwaarden, mogelijk. Hierbij is het wel belangrijk dat dergelijke functies passen binnen de omgeving en dat ze de ruimtelijke kwaliteit niet aantasten. In hoofdstuk 2 is de landschappelijke inpassing opgenomen en beschreven. Het gemeentelijk beleid vormt een uitwerking op detailniveau waarin is aangegeven welke functies op welke plek en onder welke voorwaarden mogelijk zijn. In paragraaf 3.3 is dit beschreven. Tot slot dienen de belangen van omliggende functies in acht genomen te worden. De omliggende functies mogen niet belemmerd worden door de nieuwe functie.
In hoofdstuk 4 is deze toets beschreven.
Hoofdstuk 3
21
Verordening Ruimte Op 19 maart 2014 is de Verordening ruimte van de provincie Brabant in werking getreden. In deze Verordening is aangegeven hoe men omgaat met ruimtelijke ontwikkelingen in Brabant. De Verordening Ruimte is een middel om een ruimtelijke visie op Brabant te realiseren. De Verordening Ruimte geeft weer hoe de provincie om wil gaan met ontwikkelingen in Brabant. Deze regels zijn gerelateerd aan de doelstellingen en het provinciaal belang dat de provincie heeft weergegeven in de structuurvisie. Het plangebied is gelegen binnen de structuur “Gemengd Landelijk Gebied” en de aanduiding “Beperkingen veehouderij”.
Figuur 3.2 Uitsnede Verordening ruimte 2014 themakaart: agrarische ontwikkelingen en windturbines
Het initiatief betreft geen veehouderij, waardoor de aanduiding “Beperking Veehouderij” niet van toepassing is voor het initiatief. Voor de structuur “Gemengd Landelijk Gebied” zijn regels opgenomen ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder Ruimte-voor-Ruimtewoningen.
22
Hoofdstuk 3
Voor het initiatief is artikel 3.1 en artikel 7.8 van toepassing. Artikel 3.1 betreft de zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit. Hieronder worden de regels weergegeven met daarachter een motivatie. 1. De toelichting bij een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling bevat een verantwoording dat: a. het plan bijdraagt aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving; Met de landschappelijke inpassing zoals weergegeven in hoofdstuk 2 wordt invulling gegeven aan de zorg voor de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. Aan de basis van de landschappelijke inpassing heeft een zorgvuldige analyse plaatsgevonden en is gebruik gemaakt van de bestaande landschappelijke elementen. Getracht is om het landschapsbeeld te behouden en waar mogelijk te versterken. Tevens is door de aankoop van twee Ruimte-voor-Ruimtetitels de sloop van minimaal 2.000 m² aan stalruimte (t.b.v. intensieve veehouderij) en het uit de markt nemen van minimaal 7.000 kg aan fosfaatrechten gegarandeerd, wat een extra kwaliteitsverbetering betekent. b. toepassing is gegeven aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Zie punt 2. 2. Het principe van zorgvuldig ruimtegebruik als bedoeld in het eerste lid houdt in ieder geval in dat: a.
een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied gebruik maakt van een bestaand bouwperceel, tenzij in deze verordening uitdrukkelijk anders is bepaald; In dit geval is geen sprake van een bestaand bouwperceel. In artikel 7.8, lid 1 is aangegeven dat de realisatie van een woning kan plaatsvinden wanneer het plangebied binnen een bebouwingsconcentratie binnen gemengd landelijk gebied is gelegen. Het initiatief voldoet hieraan (zie ook paragraaf 3.3 gemeentelijk beleid). Een bestaand bouwperceel is dan ook niet noodzakelijk om deze ontwikkeling mogelijk te maken. b. uitbreiding van het op grond van het geldende bestemmingsplan toegestane ruimtebeslag slechts is toegestaan mits de financiële, juridische of feitelijke mogelijkheden ontbreken om de beoogde ruimtelijke ontwikkeling binnen dat toegestane ruimtebeslag te doen plaatsvinden; Artikel 7.8 heft deze regel op, omdat met dit artikel de realisatie van een Ruimte-voorRuimtewoning mogelijk maakt. c. ingeval van stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking); In paragraaf 3.1 is een toets aan de ladder voor duurzame verstedelijking beschreven. Hieruit blijkt dat het initiatief past binnen dit beleid.
Hoofdstuk 3
23
d. een bestemmingsplan buiten bestaand stedelijk gebied bepaalt dat gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen het bestaande bouwperceel; Er is geen sprake van een bestaand bouwperceel. Artikel 7.8 zorgt ervoor dat het initiatief van deze voorwaarde uitgezonderd is. 3. Ten behoeve van het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit bevat de toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid een verantwoording waaruit blijkt dat: a. in het bestemmingsplan rekening is gehouden met de gevolgen van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling voor de in het plan begrepen gronden en de naaste omgeving, in het bijzonder wat betreft de bodemkwaliteit, de waterhuishouding, de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, de cultuurhistorische waarden, de ecologische waarden, de aardkundige waarden en de landschappelijke waarden; In hoofdstuk 2, 4 en 5 wordt ingegaan op deze aspecten. Hieruit blijkt dat rekening is gehouden met deze aspecten. b.
de omvang van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling, de omvang van de bebouwing en de beoogde functie, past in de omgeving gelet op de bestaande en toekomstige functies in de omgeving en de effecten die de ontwikkeling op die functies heeft; De landschappelijke inpassing is gebaseerd op een analyse op de omgeving en daarbij is het gemeentelijk beleid betrokken dat een eerste afweging heeft gemaakt op de mogelijkheden voor een ruimtelijke ontwikkeling op deze plek (zie paragraaf 3.3). Hieruit kan geconcludeerd worden dat de ontwikkeling passend is in de omgeving. c. een op de beoogde ruimtelijke ontwikkeling afgestemde afwikkeling van het personen- en goederenvervoer is verzekerd, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor, inclusief openbaar vervoer, een en ander onder onverminderd hetgeen in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en elders in deze verordening is bepaald. De percelen worden ontsloten door wegvak Oud Laar. 4. Het eerste tot en met derde lid is niet van toepassing op een uitwerking van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder b, van de wet. In dit geval is geen sprake van een uitwerkingsplan. Deze voorwaarde is dan ook niet van toepasing. Artikel 7.8 betreft de regeling met betrekking tot de realisatie van Ruimte-voorRuimtewoningen. Hieronder worden de regels weergegeven met daarachter een motivatie.
24
Hoofdstuk 3
1. In afwijking van artikel 7.7 eerste lid (wonen), kan een bestemmingsplan dat is gelegen in een bebouwingsconcentratie binnen gemengd landelijk gebied voorzien in de nieuwbouw van één of meer woningen mits de toelichting daaromtrent een verantwoording bevat. In dit document wordt het project verantwoord. 2. Gedeputeerde Staten stellen nadere regels ten aanzien van bestemmingsplannen, als bedoeld in het eerste lid, in verband met het beleid om ruimtelijke kwaliteit te verbeteren door in ruil voor de sloop van agrarische bedrijfsgebouwen in combinatie met realisering van milieuwinst ter plaatse de bouw van woningen op passende locaties toe te staan. In dit geval vindt geen sloop op locatie of milieuwinst op locatie plaats. De initiatiefnemer heeft twee bouwtitels aangeschaft. Dat wil zeggen dat hij de sloop en saneringskosten voor een intensieve veehouderij op zich heeft genomen en op die manier het recht om een woning te mogen realiseren toegeëigend. Uiteraard dient hiervoor eerst een planologisch-juridische procedure te worden doorlopen (bestemmingsplan). 3. Als nadere regels bedoeld in het tweede lid worden aangemerkt de regels uit de Beleidsregel ruimte-voor-ruimte 2006. Aan deze voorwaarde wordt voldaan.
De initiatiefnemer zorgt voor de bewijslast doormiddel van het aanvoeren van een dossier waarmee wordt aangetoond dat de initiatiefnemer voldoet aan de Ruimte-voor-Ruimteregeling. De bewijslast is als bijlage 6 aan deze ruimtelijke onderbouwing toegevoegd. 4. Uit de verantwoording bedoeld in het eerste lid blijkt dat: a. het bestemmingsplan de nodige voorwaarden bevat om een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woningen te verzekeren waarbij artikel 3.2 (kwaliteitsverbetering van het landschap) niet van toepassing is; In hoofdstuk 2 is de landschappelijke inpassing opgenomen en beschreven. b. is verzekerd dat is voldaan aan de op grond van het tweede lid nader gestelde regels; Zoals beschreven bij punt 3 is in bijlage 6 van deze ruimtelijke onderbouwing de bewijslast toegevoegd waarmee is aangetoond dat de initiatiefnemer voldoet aan de Ruimtevoor-Ruimteregeling. c. er geen sprake is van (een aanzet voor) een stedelijke ontwikkeling. Het betreft een particulier initiatief, dat niet zorgt voor een aanzet van een stedelijke ontwikkeling (uitbreiding van een kern).
Hoofdstuk 3
25
Conclusie De realisatie van woningen is volgens het provinciaal beleid mogelijk onder bepaalde voorwaarden. Zo is het van belang dat er rekening gehouden wordt met omliggende functies en landschappelijke waarden. Het initiatief past binnen de beleidsregels van de provincie doordat de locatie in het gemengd landelijk gebied is gelegen.. Er wordt namelijk gestreefd na een gemengde plattelandseconomie waarbij ruimte is voor de ontwikkeling van niet agrarische functies, waaronder de realisatie van nieuwe woningen. In principe dienen nieuwe woningen gerealiseerd te worden op plekken waar dat ruimtelijk (stedenbouwkundig en landschappelijk) acceptabel is. In de meeste gevallen heeft de gemeente bebouwingsconcentraties aangewezen binnen haar grondgebied waarin zij hebben aangegeven of woningbouw passend is. Dat is naast, het ruimtelijk aspect, ook afhankelijk van de reeds aanwezige functies binnen bebouwingsconcentraties. Er kan gesteld worden dat aan alle voorwaarden, zoals gesteld in de Verordening ruimte 2014 wordt voldaan. Een randvoorwaarde is wel dat de nieuwe woningen op een goede landschappelijke manier worden ingepast.
3.3 Gemeentelijk beleid Bestemmingsplan Buitengebied Het vigerende bestemmingsplan op en rond de initiatieflocatie betreft het bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Sint-Michielsgestel, dat is vastgesteld op 16 december 2010. In het vigerend bestemmingsplan heeft de initiatieflocatie de bestemming agrarisch, met een Dubbelbestemming Waarde - Archeologie - 4 en een gebiedsaanduiding reconstructiewetzone – extensiveringsgebied. De voor agrarisch aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. een agrarische bedrijfsvoering; b. agrarisch gebruik; c. een grondgebonden bedrijf; d. ter plaatse van de aanduiding 'reconstructiewetzone – extensiveringsgebied', een extensiveringsgebied. Archeologische verwachting Terreinen binnen de gemeente Sint-Michielsgestel waar de archeologische waarden nog onbekend zijn, worden in drie categorieën ingedeeld: gebieden met een hoge, middelhoge of lage verwachtingswaarde (IKAW). Volgens het bestemmingsplan worden negen categorieën onderscheiden, afgestemd op de archeologische bestemmingswaarde van een perceel. De initiatieflocatie is volgens het bestemmingsplan gelegen binnen een terrein met een aanduiding Dubbelbestemming Waarde - Archeologie - 4. Dit betekent dat de locatie in de categorie middelhoge/ hoge verwachtingswaarde valt.
26
Hoofdstuk 3
In het bestemmingsplan gelden aparte regels voor de aanduiding Dubbelbestemming Waarde - Archeologie - 4. De voor aanduiding Dubbelbestemming Waarde - Archeologie – 4 aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor: a. de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische waarden, in concreto terreinen met een hoge verwachting voor de periode Neolithicum tot Middeleeuwen en/of terreinen met een middelhoge verwachting. De aanduiding Dubbelbestemming Waarde - Archeologie – 4, betekent dat er een kans bestaat dat archeologische vondsten kunnen worden gedaan. Volgens het bestemmingsplan is nieuwe woningbouw niet mogelijk. Er is geen wijzigingsbevoegdheid of ontheffing opgenomen omtrent het ontwikkelen van een nieuw bouwvlak op een agrarische bestemming zonder bouwvlak. Dit betekent dat er een aparte planologisch-juridische procedure gevoerd moet worden om deze ontwikkeling mogelijk te maken. Structuurvisie Het document is tweeledig, enerzijds wordt het wensbeeld van de gemeente weergegeven (visie, ruimtelijke kwaliteit) en anderzijds biedt het ruimte voor nieuwe ontwikkelingen onder bepaalde voorwaarden. De kern van het document is ruimtelijke kwaliteit. De ruimtelijke kwaliteit wordt verbeterd en versterkt doordat initiatieven hier aan bijdragen.
Dat wil zeggen dat mensen die een initiatief willen ontwikkelen ook meehelpen om het wensbeeld te realiseren (investering in ruimtelijke kwaliteit). In de structuurvisie van de gemeente zijn een aantal ontwikkelingsrichtingen opgenomen voor de toekomst. Een ontwikkelingsrichting voor initiatieven binnen bebouwingsconcentraties en een ontwikkelingsrichting voor initiatieven buiten bebouwingsconcentraties. De initiatieflocatie is gelegen binnen de bebouwingsconcentratie; Kernrandzone A (zie pag. 14). De functies die acceptabel zijn in kernrandzone A, zijn in onderstaande tabel opgesomd. Te behouden kwaliteiten van het gebied: Groene en landelijke openstraling; Relatieve openheid in het dal van de Wambergse Beek; Grillige verkavelingsstructuur; Beslotenheid rond Laar/Oude Ploeg; Zichtrelatie kernrand en buitengebied; Natuurlijke begrenzing van de kernrand door de Wambergse Beek; Landschappelijke kamertjesstructuur; Laanbeplantingen.
Hoofdstuk 3
27
28
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 3
29
Op vrijkomende agrarische bedrijfskavels (bouwvlakken), kan te allen tijde gebruikt worden gemaakt van de regeling ‘ruimte-voor-ruimte’, of de regeling ‘ruimte-voor-ruimteverbreed’. Ruimte-voor-Ruimte-regeling Agrarische ondernemers die meedoen aan de Ruimte-voor-Ruimteregeling, maar niet in de mogelijkheid zijn om deze op de plek waar de stallen zijn gesloopt te realiseren, kunnen dit recht verkopen. Deze rechten worden over het algemeen gekocht door de Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte (ORR). Zij kunnen deze rechten binnen de provincie Brabant verkopen aan mensen die een woning in het buitengebied willen realiseren. Deze woningen kunnen alleen in bebouwingsconcentraties of kernrandzones worden gebouwd. Deze rechten zijn verhandelbaar en worden door meerdere partijen gekocht en aangeboden. De dorpsrand van Berlicum heeft een natuurlijke en fraaie afronding gevonden in de loop van de Wambergse Beek. Verstening in oostelijke richting, verder het landelijke gebied in, is niet wenselijk en dient voorkomen te worden. In het zuidoostelijke deel van de kernrandzone A (rondom het sportcomplex) vormt extra bebouwing een verstoring van de relatie tussen het beekdal van de Aa, en de Heeswijkse bossen. Kernrandzones zijn bebouwingsconcentraties die van grote betekenis zijn voor de ruimtelijke relatie en de samenhang tussen stedelijk en landelijk gebied.
Inpassing van stedelijke functies als wonen en werken zijn hier mogelijk als het groene karakter van de zone gewaarborgd blijft (zie de visiekaart van kernrandzone A Berlicum/Middelrode) Onderstaande informatie betreft de toelichting op de visiekaart met bijbehorende tabel. De initiatieflocatie is gedeeltelijk gelegen binnen een open gebied (in zuid oostelijke richting), waarbij agrarische landerijen gekenmerkt worden door de afwezigheid van massa’s bebouwing en/of opgaand groen. Open gebieden worden gedefinieerd door massa’s aan de randen. De groene cirkel geeft een samenhangende open eenheid weer. Aan de noordwestelijke zijde van de initiatieflocatie is bepaald dat er eventueel ruimte is voor woningbouw. De rode woningen illustreren woningen op basis van een concreet initiatief, zoals bij deze situatie het geval is. Er is een zoeklocatie voor twee woningen op het betreffende perceel aangemerkt. In overleg is het mogelijk om woningen te realiseren, mits de landschappelijke kwaliteiten behouden blijven, zoals de zichtrelatie vanaf de dorpskern naar het landelijk gebied (zie hiervoor de visiekaart). De witte pijl, die vanaf de dorpsrand door het betreffende perceel loopt, is een zichtrelatie. Dit is een landschappelijke kwaliteit die behouden dient te blijven. Toevoeging van massa’s betekent niet direct dat de zichtrelatie in het geding komt. Een nieuwe woning
30
Hoofdstuk 3
dient landschappelijk te worden ingepast in het omringende landschap, waarbij doorzichten (de zichtrelatie) behouden blijven. In de tabel op pagina 28 wordt weergegeven welke functies acceptabel zijn in het gebied. Er zijn zeven zoeklocaties voor woningen aangemerkt. Uit de structuurvisie blijkt dat twee woonlocaties op het initiatiefperceel zijn gevestigd. Het toepassen van de regeling Ruimte-voor-Ruimte is mogelijk binnen de gemeente. Er kan worden gesteld dat het initiatief binnen het beleid past van de structuurvisie voor bebouwingsconcentraties. Conclusie gemeentelijk beleid Volgens het vigerende bestemmingsplan is er geen wijzigings- of ontheffingsbevoegdheid opgenomen om woningbouw op dit perceel mogelijk te maken. Dat betekent dat er een aparte planologisch-juridische procedure gevoerd moet worden om deze ontwikkeling te realiseren. In dit geval wordt er deel genomen aan de actualisatie van het bestemmingsplan, dat gezien kan worden als een partiële herziening van het bestemmingsplan. Volgens de gemeentelijke structuurvisie is het initiatief passend, mits voldaan wordt aan een aantal voorwaarden. Ten eerste is het plangebied gelegen binnen een archeologisch waardevol gebied. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen alleen plaats vinden als uit archeologisch onderzoek is gebleken dat er geen archeologische vondsten worden verstoord.
Als het college van B&W besluit om in principe medewerking te verlenen aan de ontwikkeling van woningen op dit perceel, zal er een archeologisch onderzoek uitgevoerd moeten worden. Doordat de initiatieflocatie zich in een bebouwingsconcentratie bevindt, biedt dit extra kansen voor niet aan het buitengebied gerelateerde functies, zoals woningen. De structuurvisie heeft twee zoeklocaties voor woningbouw op het perceel aangewezen. Dit geeft aan dat uit een eerste scan is gebleken dat woningbouw op deze plek onder voorwaarden acceptabel is. Zo dient bebouwing aan de rand van de bebouwingsconcentratie plaats te vinden en dient de zichtrelatie vanaf de dorpskern naar het landelijk gebied behouden te blijven. Verder is het zaak dat de woningen landschappelijk ingepast dienen te worden. Belangrijke punten voor dit initiatief vanuit het gemeenschappelijk beleid zijn: Archeologisch onderzoek; Landschappelijke inpassing.
Hoofdstuk 3
31
32
Hoofdstuk 3
4.
MILIEUASPECTEN
4.1 Inleiding Er bestaat een duidelijke relatie tussen het milieubeleid en de ruimtelijke ordening. De laatste decennia groeien het ruimtelijk- en milieubeleid naar elkaar in de vorm van omgevingsbeleid. De milieukwaliteit is derhalve een belangrijke afweging bij de ontwikkeling van ruimtelijke functies. In dat verband dient bij de afweging bij de ontwikkeling van het al dan niet toelaten van bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen te worden onderzocht welke milieuaspecten daarbij een rol (kunnen) spelen. In dit hoofdstuk wordt onder meer ingegaan op de volgende milieuaspecten: bedrijven en milieuzonering, bodem, water en luchtkwaliteit.
4.2 Vormvrije m.e.r.-beoordeling 4.2.1 Inleiding Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 20094. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen me.r.- (beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling (door middel van een vormvrije m.e.r.beoordeling) nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een MER nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een MER nodig.
4
HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 (Commissie tegen Nederland)
Hoofdstuk 4
33
4.2.2 Beoordeling noodzakelijkheid m.e.r.-beoordeling Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is dient bepaald te worden of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst D van het Besluit m.e.r. overschrijdt, of de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. Drempelwaarden Lijst D In het plangebied worden twee woningen gerealiseerd. De realisatie van woningen (stedelijk ontwikkelingsproject) valt onder bijlage D, 11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. In deze bijlage is opgenomen dat het plan m.e.r.-beoordelingsplichtig is wanneer de activiteit betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer omvat, of; 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000m² of meer. In dit geval blijft de ontwikkeling ruim onder de drempelwaarden, waardoor een m.e.r.beoordeling niet noodzakelijk is. Milieugevolgen In dit hoofdstuk zijn de verschillende milieueffecten beschouwd, zoals geluid en luchtkwaliteit. Hieruit blijkt dat er door de ontwikkeling geen sprake zal zijn van nadelige milieugevolgen. Conclusie Zoals beschreven in de voorafgaande alinea’s zijn er geen 'belangrijke nadelige milieugevolgen’ te verwachten. Daarom is het niet noodzakelijk een m.e.r.-beoordeling uit te voeren.
4.3 Bedrijven en milieuzonering Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygienische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige gebieden zoals woonwijken. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering van de VNG5. Bedrijven zijn hierin opgenomen in een tabel, die is ingedeeld in milieucategorieën, waarbij per bedrijf is aangegeven wat de afstand tot een rustige woonwijk dient te zijn (de zogenaamde afstandentabel). Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. Er kan (enigszins) van afgeweken worden in situaties waarin geen sprake is van een rustige woonwijk. In het algemeen wordt door middel van het aanbrengen van een zonering tussen bedrijvigheid en woonbebouwing de 5
Bedrijven en milieuzonering, editie 2009
34
Hoofdstuk 4
overlast ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden. In deze ruimtelijke onderbouwing wordt onderscheid gemaakt tussen veehouderijbedrijven en andere bedrijven. Voor veehouderijbedrijven is een ander zoneringsregime (Wet geurhinder en veehouderij, Wgv) van toepassing. In paragraaf 4.7 wordt ingegaan op de zonering afkomstig uit de Wgv. Binnen het plangebied worden twee woningen gerealiseerd in het kader van de Ruimtevoor-Ruimteregeling. Voor woningen zijn geen hindercontouren opgenomen in de VNGlijst. In de directe omgeving zijn geen bedrijven gelegen met een hindercontour. Het dichtstbijzijnde bedrijf met een hindercontour is op circa 370 meter gelegen en betreft een eiergroothandel (SBI-code 4632 en 4633). De aan te houden indicatieafstand betreft 30 meter (vanwege geluid). Er wordt voldaan aan deze afstand. Naast de groothandel in eieren, is in de directe omgeving een sportpark gelegen. Het dichtstbijzijnde sportveld betreft een voetbalveld en is op een afstand van circa 120 meter gelegen. Conform de VNG-lijst dient 50 meter te worden aangehouden. Aan deze afstand wordt voldaan. Het plangebied is niet binnen een hindercontour gelegen, waardoor het initiatief geen bedrijven belemmerd. Anderzijds is het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied acceptabel door de ligging buiten de zoneringen.
4.4 Bodem In het kader van de bestemmingsplanprocedure vormt de bodemkwaliteit bij ontwikkeling van ruimtelijke functies een belangrijke afweging. Ten aanzien van de percelen heeft er een bodemonderzoek plaatsgevonden6. Het rapport is als separate bijlage aan dit bestemmingsplan toegevoegd. In deze paragraaf zijn conclusies en aanbevelingen van het rapport weergegeven. Conclusie en aanbevelingen In opdracht van BRO heeft Aeres Milieu B.V. in januari 2014 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie Oud Laar te Berlicum. Gebaseerd op de verzamelde gegevens uit het vooronderzoek is de onderzoekslocatie als “onverdacht” beschouwd.
6
Verkennend bodemonderzoek Oud Laar te Berlicum, rapportnummer AM13386, Aeres milieu B.V. Roermond 30 januari 2014
Hoofdstuk 4
35
Uit de analyseresultaten blijkt dat in de bovengrond en de ondergrond geen verhoogde gehalten zijn gemeten ten opzichte van de (berekende) achtergrondwaarde. Het freatisch grondwater is licht verontreinigd met barium en zink. De resultaten van dit bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een aanvullend of nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling. Het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie is niet multifunctioneel toepasbaar. Het wordt daarom afgeraden het freatisch grondwater te gebruiken voor consumptie, besproeiing of proceswater.
4.5 Water Per 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets te doorlopen. Hierin dient inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente wateradvies in te winnen bij de waterbeheerder. De gemeente en het waterschap kunnen praktische afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. Nieuwe ontwikkelingen Onderhavig plan betreft de realisatie van twee woningen, incl. bijgebouwen in het kader van de Ruimte-voor-Ruimteregeling. Hierdoor wordt het areaal aan oppervlakteverharding vergroot met circa 400 m² per aan bebouwing (woningen + bijgebouwen). Daarnaast wordt nog wat oppervlakte verhard ten aanzien van parkeren en ontsluiting. Per kavel wordt uitgegaan van circa 100 m² aan oppervlakteverharding t.b.v. parkeren en ontsluiting. In totaal is dan sprake van circa 600 m² aan verharding. In de huidige situatie kan het water dat op deze plek valt infiltreren of op een natuurlijke wijze opgenomen worden in het hydrologische systeem. Beleidskader Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Provinciaal plan van NoordBrabant, het Waterbeheersplan 2010-2015 van waterschap Aa & Maas, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water.
Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit).
36
Hoofdstuk 4
Daarnaast is de ‘Beleidsbrief regenwater en riolering’ nog relevant. Hierin staat hoe het beste omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de drietrapsstrategieën. Waterschap Aa en Maas Beleidsnota uitgangspunten Watertoets Sinds 1 februari 2008 gebruikt Waterschap Aa en Maas bij advisering over de watertoets acht uitgangspunten: wateroverlastvrij bestemmen; gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater; doorlopen van de afwegingsstappen: hergebruik-infiltratie-buffering-afvoer; hydrologisch neutraal ontwikkelen; water als kans; meervoudig ruimtegebruik; voorkomen van vervuiling; waterschapsbelangen. Het waterschap heeft een beleidsnota opgesteld als vervolg op de beleidsnota uitgangspunten watertoets Aa en Maas. De ontwikkelingen in het denken over water, maken het noodzakelijk om een zevende uitgangspunt aan deze principes toe te voegen, te weten: ‘wateroverlastvrij bestemmen’. Bij dit uitgangspunt wordt al voldaan aan extreme situaties (NBW-norm). De voorkeur gaat uit naar het ontwikkelen op locaties die als gevolg van hun ligging ‘hoog en droog genoeg’ zijn en daarmee voldoen aan de NBW-norm voor de toekomstige functie, zodat ’wateroverlastvrij bestemd’ wordt.
Indien dit niet mogelijk of wenselijk is zal gezocht moeten worden naar compenserende of mitigerende maatregelen die het gewenste beschermingsniveau tegen wateroverlast helpen realiseren. Bij nieuwbouw in het plangebied zijn de afwegingsstappen: hergebruik, infiltratie, buffering, afvoer via oppervlaktewater en afvoer via riolering doorlopen. Er zal een gescheiden rioolstelsel worden aangelegd. Het regenwater zal hierbij worden geloosd op een binnen de plangrenzen aan te leggen voorziening. Samenwerking met de waterbeheerder De waterparagraaf dient door de gemeente te worden voorgelegd aan het waterschap Aa & Maas. Kenmerken huidige watersysteem Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Sint-Michielsgestel. In de huidige situatie heeft het plangebied een agrarische bestemming met een omvang van circa 3.450 m². In de huidige situatie is het perceel in gebruik als agrarische grond. In de huidige situatie is geen verharding aanwezig. In de toekomstige situatie wordt circa verharding 600 m² aan verharding gerealiseerd..
Hoofdstuk 4
37
Bodem en grondwater De bodem in het plangebied bestaat uit Hoge zwarte enkeerdgronden met leemarm en zwak lemig fijn zand (zEZ21). De Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) ligt op een diepte van circa 40-80 centimeter beneden maaiveld. De Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (GLG) ligt op een diepte van 100 tot 120 centimeter onder maaivel. Dergelijke grondwaterstanden komen overeen met Grondwatertrap (GT) VI7. Een groot deel van het plangebied is, gezien de grondslag en de lage grondwaterstand, een infiltratiegebied. Het plangebied is gelegen op droge grond waarin het water makkelijk kan infiltreren. Oppervlaktewater In het plangebied zelf is geen oppervlaktewater aanwezig in de vorm van watergangen. Het perceel waarop het plangebied is gelegen wordt deels omringd door sloten (zie figuur 4.1).