2. B Groenstraat ong. L1556 (naast 25)
Tekst van het document
d z
Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van oprichting Ruimte-voor-Ruimte woning aan
-
de Groenstraat (ong.) te Berlicum
3 w
z r
z &
E È
< E
a E
z :
>
< u
g >
f “" w “
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd)
> a <
Wintraecken Advies planologisch adviesbureau
Titel:
Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van oprichting Ruimte-voor-Ruimte
woning
aan de Groenstraat
(ong.) te
Berlicum
Datum:
20-04-2023
Projectnummer:
2021.109
Adviesbureau:
_ (geanonimiseerd) N Advies B.v.
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuidigd en/of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enig andere manier,
(geanonimiseerd) zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en/of—Adv[es BV.
Wintraecken Advies planologisch adviesbureau
Wintraecken Advies Planologisch adviesbureau
N
Inhoudsopgave 1. Inleiding.
1.1 Achtergrond en doel van het plan . 1.2 Ligging en begrenzing
1.3
planlocatie
_ Vigerend bestemmingsplan
….
…
1.4 Leeswijzer.. 2. Bestaande situatie en planbeschrijving 2.1
Bestaande
situatie
….
2.2 Planbeschrijving
3.
Ruimtelijke
structuur,
beeldkwaliteit
en
landschappelijke
kwaliteitsverbetering …
inpassing
en .
3.1 Ruimtelijke structuur en beeldkwaliteit 3.2 Landschappelijke 3.3 4.
inpassing en ruimtelijke kwaliteitsverbetering
Conclusie .
Beleidskader.
4.1 Inleiding …
4.2 Rijksbeleid … 43
Provinciaal
beleid
4.4 Gemeentelijk beleid 5. Archeologie en cultuurhistorie .
6. Flora en fauna en stikstofdepositie… 7.
Water
…
8. Milieu-hygiënische verantwoording
8.1 Inleiding … 8.2 M.e.r.-beoordeling
….
8.4 Geluid (wegverkeerslawaai) 8.5 Milieuzonering 8.6
…
(geur en industrielawaai)
Luchtkwaliteit
8.7 Volksgezondheid
in relatie tot veehouderijen en spuitzones….
8.8 Externe veiligheid, kabels en leidingen 9. Mobiliteit: verkeer en parkeren
.
10. Juridische opzet 11. Uitvoeringsaspecten
Wintraecken Advies planologisch adviesbureau
3
11.1
Economische
uitvoerbaarheid
11.2 Maatschappelijke 12.
uitvoerbaarheid
Slotconclusie ….
Bijlagen 1.
Certificaat
2.
Geert Vink Advies, 27 juni 2022
3.
Bureau voor Archeologie, Rapport 1027. Groenstraat naast 25, Berlicum, gemeente Sint-Michielsgestel: een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm
sWu bNk
bouwtitel
van
Landschappelijke
inpassing Groenstraat Berlicum, versie 1.5,
boringen in de verkennende fase,
Selectieadvies
16-12-2021
PVE
Selectieadvies evaluatierapport proefsleuven Evaluatierapport proefsleuven, ADC ArcheoProjecten, 02-08-2022 Natuurlink, EQ2121,
Ecologische quickscan
Groenstraat ong. Berlicum,
rapportnummer:
10-10-2022
“
MILON, Stikstofdepositietoets voor het realiseren van een woning aan Groenstraat te Berlicum, projectnummer: 2021141-2, 24-02-2021
6.
MILON, nummer:
7.
20211141,
MILON, Verkennend mer:
8.
Watertoets ter plaatse van de Groenstraat (ong.) te Berlicum,
20211141,
project-
25-02-2021
bodemonderzoek Groenstraat ong. te Berlicum, projectnum-
08-03-20201
De Roever Omgevingsadvies, Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, straat naast 25 Berlicum, referentie: 20210188.v01, 11-02-2021
Groen-
9. Omgevingsdialoog omwonenden 10. Omgevingsdialoog Natuurgroep Gestel en Het Groene Hart.
Wintraecken Advies planologisch adviesbureau
4
1. Inleiding 1.1 Achtergrond Het planvoornemen
en doel van
het plan
betreft het oprichten van één woning
Ruimte-voor-Ruimte,
in het kader van de regeling
op een thans braakliggend, agrarisch
perceel.
De ontwikkeling
vindt plaats ter hoogte van de Groenstraat, behorende tot het grondgebied van de kern Berlicum, gemeente Sint-Michielsgestel; perceel gemeente Berlicum, sectie L, nummer 1556. Voor het oprichten van een woning in het kader van de regeling Ruimte-voorRuimte ter plaatse van agrarisch bestemde gronden zonder bouwvlak, geldt dat deze
conform
het vigerende bestemmingsplan
Het planvoornemen
niet is toegestaan.
om een Ruimte-voor-Ruimte woning
op te richten is reeds in 2020
aan de gemeente Sint-Michielsgestel voorgelegd. Initiatiefnemer beargumenteerde dat de oprichting van de woning aan de Groenstraat juist van meerwaarde is voor het land(schapp)elijke gebied ter plaatse. De locatie is gelegen in één van de drie gemeentelijke kernrandzones.
In onderhavig
geval betreft het de kernrandzone ‘Oostzijde Berli-
cum / Middelrode’. Binnen deze kernrandzone is, conform het beleid zoals opgesteld in de gemeentelijke Structuurvisie Buitengebied, de oprichting van woningen onder voorwaarden mogelijk. Kernrandzones zijn bebouwingsconcentraties die van grote betekenis zijn voor de ruimtelijke relatie en de samenhang tussen stedelijk en landelijk gebied. In-
passing van stedelijke functies als wonen en werken is hier mogelijk als het groene karakter van de zone gewaarborgd blijft. Gezien de ligging hoeven nieuwe economische dragers die passen binnen het verbredingsbeleid niet bij voorbaat geweigerd te worden. De gemeente heeft derhalve d.d. 5 januari 2021 besloten om principemedewerking te
verlenen aan het bouwplan om één Ruimte-voor-Ruimte woning toe te voegen op perceel
L 1556.
In het buitengebied
mogen,
conform
het provinciale beleid, zoals onder meer opgeno-
men in de Interim Omgevingsverordening, geen nieuwe burgerwoningen worden opgericht. Een uitzondering op dit beleidsuitgangspunt is de Ruimte-voor-Ruimte regeling. Deze regeling is van toepassing op onderhavige planlocatie, omdat het perceel is gelegen in een binnen de gemeentelijke Structuurvisie Buitengebied aangeduide ‘kernrand-
zone’. De belangrijkste voorwaarde en toetsingscriterium om in aanmerking te kunnen komen voor de bouw van een nieuwe woning in het buitengebied is dat het bouwperceel moet zijn gelegen
in bebouwingsconcentratie
of kernrandzone.
Doordat ter plaatse van
de planlocatie aan de Groenstraat geen landschapsvenster of zichtlijn in het gedrang komt, is de oprichting van een woning passend binnen de beleidskaders. In hoofdstuk 3 (Ruimtelijke structuur, beeldkwaliteit en landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering) en hoofdstuk 4 (Beleidskader) wordt nog nader ingegaan
op de wijze waarop
de
woning in de bestaande situatie wordt ingepast en op welke manier dit passend is binnen de vigerende beleidsregels. Aansluitend op beargumentering
van de gemeente
om
de oprichting van de woning toe
te staan, zijn de volgende voorwaarden opgesteld: a. Er wordt een bouwtitel gekocht bij de Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor ruimte;
Wintraecken Advies planologisch adviesbureau
5
b.
Er wordt een dialoog gevoerd
met de omgeving.
Ook wordt een dialoog gevoerd
met relevante belanghebbenden, waaronder ten minste Het Groene Hart en Nac.
tuurgroep Gestel; Er wordt in de ruimtelijke onderbouwing aandacht besteed aan alle milieu-planologische aspecten, waarmee wordt onderbouwd dat er sprake is van een goede
ruimtelijke ordening in het algemeen en een goed woon- en leerklimaat in het bijzonder. De locatie ligt bijvoorbeeld binnen de geluidsgezoneerde Groenstraat. Aangetoond moet worden dat voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde van 48dB Wet geluidhinder. Een akoestisch onderzoek is hierbij noodzakelijk. Een bo-
demonderzoek is eveneens noodzakelijk; d.
Het parkeren voor de nieuwe woning moet op eigen terrein plaatsvinden. In het plan moete rekening worden gehouden met dirie parkeerplaatsen bij de woning,
omdat in de openbare ruimte in de directe omgeving geen ruimte beschikbaar is om te parkeren, zonder dat dit de verkeerdoorstroming- en veiligheid in gevaar e.
brengt; Voor het aansluiten van de woning
op het (druk)riool
is er een uitbreiding van het
huidige drukrioolsysteem nodig. Voor de nieuwe woning is een nieuwe pompunit nodig. Met het plaatsen van de pompunit op particulier terrein is het vestigen van een erfdienstbaarheid verplicht. De locatie van de pompunit moet de gemeente worden bepaald;
in overleg
met
f.
Regenwater mag niet op de riolering worden geloosd. Voorzieningen op eigen terrein moeten het regenwater opvangen om het te laten infiltreren;
g.
Voor de nieuwe woning is een aansluiting op de Groenstraat nodig. De inrit moet in overleg met de gemeente bepaald worden. Er mogen geen bomen voor worden
gekapt. Langs de Groenstraat ligt een sloor (B-watergang). Kruising van deze sloot ten behoeve van de inrit mag de waterhuishouding van het gebied niet negatief beïnvloeden. Voor de aanleg van schap nodig.
h.
een duiker is toestemming
van het water-
Het beoogde perceel voor de Ruimte voor Ruimte woning is kleiner dan het totale kadastrale perceel L1556. De bereikbaarheid van dit achterliggend perceel is aan aandachtspunt;
i
De woning moet landschappelijk en stedenbouwkundig goed worden ingepast. Er wordt aansluiting gezocht bij de randvoorwaarden uit de structuurvisie.
Initiatiefnemer ziet onderhavige ontwikkeling mede als kans om aanwezige natuur- en land(schapp)elijke waarden en kwaliteiten te behouden en versterken. Een ander heeft een plek gekregen in een opgesteld landschappelijk inpassingsplan (zie bijlage 2 en pa-
ragraaf 3.2). Om het plan daadwerkelijke te kunnen realiseren, dient initiatiefnemer het plan te onderbouwen met een toelichting waaruit blijkt dat het (bouw)plan geen negatieve ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische gevolgen heeft voor de planlocatie en de directe omgeving ervan.
Onderhavig
notitie voorziet hierin.
Alvorens het plan kan worden gerealiseerd, dient derhalve aan een aantal deels juridische randvoorwaarden te worden voldaan. Het betreft daarbij de volgende drie voorwaarden:
Wintraecken Advies planologisch adviesbureau
6
1.
het motiveren
van de afwijking van de geldende
bestemming
middels het opstellen
van de goede ruimtelijke onderbouwing als basis voor het verlenen van de omge2.
vingsvergunning; het met de ruimtelijke onderbouwing aantonen en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid;
3.
het in procedure brengen van het bestemmingsplan;
4.
het indienen van de aanvraag
van de ruimtelijk-fysieke,
logistieke
omgevingsvergunning.
Zoals in het verdere vervolg van deze ruimtelijke onderbouwing
zal blijken, heeft het
bouwplan geen negatieve ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische gevolgen voor de planlocatie en de directe omgeving ervan. Met de ruimtelijke onderbouwing wordt daarmee een planologische en juridische basis gelegd om het plan te kunnen realiseren.
1.2 Ligging en begrenzing
planlocatie
De planlocatie waar de nieuwe woning
wordt opgericht,
kent geen bebouwing.
De planlo-
catie bevindt zich ten zuidoosten de kern Berlicum, in het buitengebied. Op navolgende luchtfoto is de planlocatie met de zoeklocatie voor woningbouw weergegeven
(bron:
maps.google.nl).
Navolgende luchtfoto geeft een indicatieve weergave van de ligging van de (bouw)planlocatie.
etauw:
dieaieve postie
Wintraecken Advies planologisch adviesbureau
7
1.3
Vigerend
bestemmingsplan
Op grond van het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied Sint-Michielsgestel 2e actualisatie” geldt voor de planlocatie de bestemming ‘Agrarisch’, Voorts zijn de dubbelbestemmingen ‘Waarde - Archeologie 1’ en ‘Waarde - Archeologie 4' op de planlocatie van kracht. Verder zijn nog de gebiedsaanduidingen ‘besloten gebied’, ‘historisch landschap-
pelijk gebied’ en ‘reconstructiewetzone - verwevingsgebied’ van toepassing. Binnen deze bestemmingen
woning niet toegestaan. bestemmingsplan.
en aanduidingen
Het bouwplan
Op de uitsnede van de verbeelding van
is het toevoegen van een nieuwe burger-
is derhalve primair op dit punt in strijd met het
het bestemmingsplan
“Buitengebied
Sint-Mi-
chielsgestel” (welke nog vigeert vanuit de periode 2013)- zie navolgende afbeelding zijn de ligging en globale begrenzing van de planlocatie rood omlijnd aangegeven.
C
Plantocatie Enkelbestemming Agrarisch
Dubbelbestemming Waarde - Archeologie 1
Dubbelbestemming Waarde - Archeologie 4
Gebiedsaanduiding besloten gebied
Gebiedsaanduiding
EDB historisch landschappelijk gebied Gebiedsaanduiding reconstructiewetzone
-
verwevingsgebied
De voor Agrarisch aangewezen
co y
gronden zijn bestemd voor:
agrarisch gebruik;
een grondgebonden
bedrijf;
tot en met r: niet van toepassing;
wonen
in een bedrijfswoning;
de uitoefening van een aan
huis gebonden
beroep in de bedrijfswoning,
met dien
verstande dat het oppervlak ten behoeve van de beroepsmatige activiteiten,
maximaal 100 m? van het vloeroppervlak per woning bedraagt en uitgevoerd wordt door de bewoner;
Wintraecken Advies planologisch adviesbureau
8
u.
een bed&breakfast accommodatie
en voor maximaal
in een bedrijfswoning met maximaal
5 kamers
10 personen. Dit is inclusief de aanwezige accommodatie middels een afwijking verleend
in bij-
5
gebouwen die door het bevoegd gezag den; tot en met w: niet van toepassing;
kan wor-
x.
ter plaatse van de aanduiding 'besloten gebied', het behoud, herstel en ontwikke-
y.
ling van de waarden, sloten gebied; niet van toepassing;
z.
ter plaatse van de aanduiding 'historisch landschappelijk gebied’, het behoud,
in het bijzonder voor het op de verbeelding aangeduide
be-
herstel en ontwikkeling van de waarden, in het bijzonder voor het op de verbeelding aangeduide historisch landschappelijk gebied;
cc. en bb: niet van toepassing; aa. ter plaatse van de aanduiding 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied', een verwevingsgebied; bb. tot en met ee: niet van toepassing;
ff. het bewerken van ter plaatse geproduceerde producten; gg. verkoop van zelf voortgebrachte of streekeigen producten als nevenactiviteit tot maximaal 100 m2; hh. de instandhouding
van de in bijlage 1 van de planregels beschreven
cultuurhisto-
rische en architectonische waarden van de als 'cultuurhistorisch waardevol object' aangeduide bouwwerken; jj.
agrarisch natuurbeheer en/of landschapsbeheer; extensief dagrecreatief medegebruik;
kk. paden, wegen en parkeervoorzieningen ook ten behoeve van aangrenzende
be-
stemmingen; I. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; mm. tot en met pp; niet van toepassing.
De voor
‘Waarde - Archeologie 1' aangewezen
gronden zijn, behalve voor de daar voor-
komende bestemming, mede bestemd voor: a. de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische waarden, in concreto terreinen van kleinere bewoningskernen en de
ondergrond van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen De voor ‘Waarde - Archeologie 4' aangewezen komende bestemming, mede bestemd voor:
a.
gronden
en kastelen.
zijn, behalve voor de daar voor-
de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische waarden, in concreto terreinen met een hoge verwachting voor de periode Neolithicum tot Middeleeuwen en/of terreinen met een middelhoge verwachting.
Strijdigheid (bouw)plan met bestemmingsplan Ter plaatse van de planlocatie geldt een agrarische bestemming
zonder bouwvlak c.q.
zonder mogelijkheid om een (burger)woning op te richten.
Wintraecken Advies planologisch adviesbureau
9
1.4 Leeswijzer In de volgende hoofdstukken wordt aandacht besteed aan de verschillende aspecten van de ruimtelijke onderbouwing. In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van de bestaande situatie. Hoofdstuk 3 geeft de visie op het plan in relatie tot de planlocatie en de directe omgeving. Hoofdstuk 4 behandelt het beleidskader. De hoofdstukken 5 tot en
met 9 gaan in op de ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aspecten. De juridische aspecten worden toegelicht in hoofdstuk 10 en de onderdelen economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid in hoofdstuk 11. Hoofdstuk 12 tenslotte bevat de slotconclusie.
Wintraecken Advies planologisch adviesbureau
10
2. Bestaande 2.1
Bestaande
situatie en planbeschrijving situatie
De planlocatie is op het moment in gebruik als locatie waar naaldbomen (kerstbomen) worden verbouwd. Onderstaande foto's bevestigen dit gebruik (bronnen: maps.google.nl en MILON bv (rapportage Watertoets))
De bebouwing
in de directe omgeving
wordt in feite louter gevormd
door burgerwonin-
gen. De achterzijde van het ruimte perceel sluit aan op de woonkern Berlicum. Navolgende luchtfoto’s geven de planlocatie in relatie tot de omgeving weer en tonen aan dat de planlocatie is gelegen ten zuidoosten van Berlicum (bron: maps.google.nl).
11
Berlicum’
©OD Globale ligging planlocatie
[L]
Plantocatie
12
2.2 Planbeschrijving Achtergrond
Ruimte-voor-Ruimte
regeling
De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats in het kader van de Ruimte-voor-Ruimte regeling. Deze regeling biedt de mogelijkheid om, in ruil voor de sloop van agrarische bedrijfsgebouwen die in gebruik zijn of waren voor de intensieve veehouderij, de bouw van
woningen op passende locaties toe te staan. Met de sloop wordt zowel een ruimtelijke kwaliteitswinst
als
milieuwinst
behaald.
Er gelden specifieke regels voor deze plannen, vooralsnog vastgelegd in de ‘Beleidsregel Ruimte-voor-Ruimte 2006". Zo geldt onder andere dat per woning tenminste 1.000 m? agrarische bedrijfsgebouwen is gesloopt en dat op de desbetreffende locatie milieuwinst is bereikt. De Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte-voor-Ruimte heeft de ingeleverde mili-
eurechten van agrarische bedrijven en de daarbij uit te geven bouwtitels in beheer. In het kader van de aanpak van de mestproblematiek hebben agrariërs in reconstructiegebieden
in Noord-Brabant een sloopvergoeding
van de provincie ontvangen
om
hun vee-
houderijbedrijf te beëindigen en de leegkomende stallen te slopen. Om die uitgekeerde stallensloopsubsidies terug te verdienen, is de provincie Noord-Brabant met private partijen een publiek-private samenwerking aangegaan op grond waarvan de Ontwikkelingsmaatschappij
Ruimte-voor-Ruimte CV is opgericht,
circa 2.700 woningbouwkavels eigen woning realiseren.
Ruimte voor Ruimte CV heeft tot doel
in Noord-Brabant te ontwikkelen waarop particulieren hun
De ontwikkeling van Ruimte-voor-Ruimte kavels is direct gerelateerd aan concreet te slopen staloppervlak. Voor de sloop van 1.000 m? stallen en het uit de markt halen van
minimaal 3.500 kg fosfaat mag één Ruimte voor Ruimte-kavel worden ontwikkeld. Om aan te tonen dat er inderdaad per te ontwikkelen woningbouwkavel sloopt zijn, stelt de provincie conform
afspraken
1.000 m? stallen ge-
met de Ontwikkelingsmaatschappij
Ruimte-voor-Ruimte dossiernummers ter beschikking van aanvragen voor sloopsubsidie in het kader van de beëindigingsregeling. Randvoorwaarden
Ruimte-voor-Ruimte
Bij het ontwerpen van de woning dienen de randvoorwaarden in acht te worden genomen die gelden voor Ruimte voor Ruimte ontwikkelingen. Zo dienen de inhoud, typologie, architectuur van de woning en de tuin passend zijn in haar omgeving en dient de nieuwe woning door een landschappelijke (erf)beplanting ingepast te worden in het om-
ringende landschap. Dit betekent, onder voorbehoud van maatwerk, onder andere dat: . het een vrijstaande en grondgebonden burgerwoning betreft op een vrije kavel; e e
de nieuwe de nieuwe
woning woning
direct ontsluit op bestaande wegen; er niet voor mag zorgen dat de bebouwingsconcentratie dicht-
.
slibt en doorzichten c.q. zichtlijnen behouden blijven; de nieuwe woning op een vrij gelegen kavel wordt gerealiseerd. Hierbij geldt als uitgangspunt dat de frontbreedte minimaal 30 meter is, direct aan het bebouwingslint gemeten vanaf de belendende bestaande eigendommen. Op basis van
stedenbouwkundige argumenten afgeweken; e
de nieuwe duele
woning
kan hier gemotiveerd
geen seriematige bouw
met circa 10% van worden
kent, maar zich kenmerkt door indivi-
bouw.
Wintraecken Advies planologisch adviesbureau
13
Uitgangspunten
integraal
ontwerp
Een integraal ontwerp is vereist voor zowel de nieuwe woning als voor de kavel en de tuin. Het integrale ontwerp dient ter goedkeuring te worden voorgelegd waarbij de inhoud aan onderstaande aspecten is gegeven. De beeldkwaliteitseisen dienen als kader voor
de
welstandstoets.
Passend in het landschap Het belangrijkste criterium is dat de woning waarin dit tot uitdrukking dient te komen:
past in het landschap.
Er zijn twee aspecten
1.
de situering en de vormgeving van de nieuwe woning, de kavel en de tuin dienen
2.
het landschap, de directe omgeving, maar ook elkaar te versterken; de keuze van de architectuur en het materiaalgebruik van de nieuwe woning,
maar ook de vormgeving en beplanting van de tuin, dienen aan te sluiten op het betreffende landschap. Typologie van de woning
De typologie van de nieuwe woning dient aan te sluiten bij de omliggende woningen. In het gehele buitengebied van Sint-Michielsgestel treft men burgerwoningen aan die bestaan uit slechts één bouwlaag met kap. Daarom dienen de nieuwe woningen hierbij aan te sluiten. Uitzonderingen
op deze regel zijn mogelijk,
indien de ruimtelijke context van
de nieuwbouw daar aanleiding toe geeft. Typologie en architectuur tuin
‘Vertuining’ van het platteland dient te worden voorkomen. Daarom is het opstellen van een tuinontwerp verplicht. In het tuinontwerp wordt duidelijk dat tuin/kavel en nieuwe woning door een landschappelijke (erf)beplanting dienen te zijn ingepast in het omringende
landschap. Te denken
valt aan bosschages,
houtwallen, kavelrandbeplantingen,
lanen, boomgaarden, poelen, sloten met oevervegetaties, bloemenweiden etc. een landschappelijke beplanting bestaat uit inheemse soorten die geschikt zijn op de aanwezige bodemsoort. Binnen deze landschappelijke structuren is uiteraard ondergeschikt een verdere invulling met tuin- en sierelementen
mogelijk.
De landschappelijke
inpassing dient
zo te zijn dat op de ruime kavel doorzichten naar het landschap blijven bestaand. Vertaling
randvoorwaarden
In dit stadium
van
en uitgangspunten
het planproces
naar bouwplan
kan in zijn algemeenheid
worden
gesteld dat de be-
oogde Ruimte voor Ruimte-woning dient te voldoen aan de gegeven randvoorwaarden en uitgangspunten. Tevens dient bij de bouwplanuitwerking aansluiting gezocht te worden bij de bestaande woningen in de omgeving. Op onderdelen is eventueel maatwerk gewenst.
Op navolgende uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ is de globale ligging van het nieuwe bestemmingsvlak Wonen opgenomen. Uitgangspunt van de ontwikkeling is dat de nieuwe woning aansluit bij de bestaande rooilijn van de
woning aan de Groenstraat 25. De wijziging wordt oppervlakteneutraal uitgevoerd. Dat wil zeggen dat aan de achterzijde van het perceel agrarische bestemming zonder bouwvlak wordt toegevoegd, om de toevoeging het perceel te compenseren.
van de woonbestemming
Wintraecken Advies planologisch adviesbureau
aan de voorzijde van
14
De uitgevoerde onderzoeken
(zie de hoofdstukken
5 t/m 9 en de bijlagen) dekken
de
planlocatie en de directe omgeving ervan. ES
++
EE
S
N
D
D ë
N
í
ë
!’+
D +
+0x++ +o-$-oogo)‘-r+ ++ ++
+-K++
A
++
+A
++
+
B
+
‚. 3<…x… N
KA
x+.x»+„‚‚x.ox
.a.
_X
SDE
444444
4+
+
+
+
E4
*
+ +
KR N
»+ïooX+4’(&»! SO
++44444441444 ++xo+
oo*oo
AL
++444+
.x„x» 6 +
+
s K++x
0$|»04K0
+
++
++
4454
3
+94
444
4904
K t S
AP4
3
+ K
44A g 4
+
N
3‘…; j WE 4j
?‘I;Z‘‚ K E OLEIOE
e @ K++X+ 14 + +
h4
KM KK ++ g KE
aA
O
Kisk1 4 1 06 K
+e
&
+
4
g
>++%++ E
e
$ 4494 9 4 Ka
K
+e
X
KK
DEA
9E
SE
II
EN
A
AAA
4444494
H p +--+
144
x
p
de vergunningaanvraag.
a
VIGE EN +944+K14K%
EE
De definitieve uitwerking van het bouwontwerp
IOE
f
+w 4
t
O
)
vindt te zijner tijd plaats in het kader van
De juridische vertaling van de bouw- en gebruiksmogelijkheden
Wintraecken Advies Planologisch adviesbureau
15
wordt verankerd
in de bij de 3° Actualisatie van
het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ be-
horende verbeelding en regels. Voor nu kan ook al worden vermeld dat de ontsluiting zal plaatsvinden op de Groenstraat en dat het eigen terrein zal voorzien in voldoende parkeergelegenheid (zie ook hoofdstuk
9). Voor de planlocatie c.q. het plan geldt dat land(schapp)elijke en natuurwaarden en kwaliteiten, de beleving van het buitengebied en een vitaal platteland behouden blijven. De
aanwezige waarden en kwaliteiten van de planlocatie en de directe omgeving worden gerespecteerd en waar mogelijk versterkt. De ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygienische aanvaardbaarheid van de voormelde plankeuzes worden gemotiveerd in de
hoofdstukken 5 tot en met 9. Paragraaf 3.1 gaat nader in op de gevolgen van de gewenste ontwikkeling voor de bestaande ruimtelijke structuur en beeldkwaliteit. Paragraaf 3.2 behandelt de landschappelijke
inpassing en ruimtelijke kwaliteitsverbetering.
De ruimtelijke impact van het plan en de oppervlakte van de planlocatie zijn dermate gering dat er geen sprake is van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. Voor de planlocatie c.q. het plan geldt verder dat er geen sprake is van een monumentale status of een anderszins vastgelegde beeldbepalende kwaliteit.
Uit deze ruimtelijke onderbouwing
blijkt dat het bouwplan zich verhoudt — zowel in nega-
tieve als positieve zin - tot de aanwezige functies en waarden op de planlocatie en de directe omgeving ervan. In dit kader worden, behalve het ruimtelijk-planologische beleid
en de landschappelijke toets, alle ruimtelijke en milieu-hygiënische aspecten
nader be-
schouwd.
Wintraecken Advies planologisch adviesbureau
16
3. Ruimtelijke structuur, beeldkwaliteit en landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering 3.1 Ruimtelijke structuur en beeldkwaliteit In deze paragraaf wordt aangegeven wat de gevolgen van de gewenste ontwikkeling zijn voor de bestaande ruimtelijke structuur en beeldkwaliteit. Gelet op het feit dat de planlocatie aansluit op de Beekstraat,
Ploeg, Oude
Ploeg en
Groenstraat, waar stedelijke uitbreiding mogelijk is, is de woning passend als overgang van de woonkern Berlicum naar de kernrandzone/buitengebied. Qua typologie zou een woning
vergelijkbaar kunnen
zijn met de woningen
in Coudenborgh
en de tegenoverlig-
gende woning aan Groenstraat. De relatief open structuur van de omgeving wordt met onderhavige ontwikkeling behouden. Omdat
de woning
evenwijdig
aan
het bebouwingslint aan de Groenstraat
komt te
liggen, is er geen beperking van zichtlijnen vanuit de kernrand naar het buitengebied. De laanstructuur langs de Groenstraat zou met laanbeplantingen aan dit perceel uitgebreid kunnen worden. Het perceel zelf is direct ontsloten aan hoofdweg. De nader te ontwerpen woning
zou aan alle gestelde kwalificaties kunnen
voldoen:
vrijstaande grondgebon-
den woning, een frontbreedte van het perceel van 30 meter, geen seriematige maar individuele bouw, en een woning welke ten minste 10 meter uit perceelsgrens is gelegen. Naast de woning worden er geen nieuwe opstallen, stallen of andere bedrijfsactiviteiten opgericht, waardoor de achterzijde en zichtlijnen vrij blijven. De ontwikkeling van
dit
perceel past binnen het bestaande beleid, en daarmee samengaande uitgangspunten. Het door de provincie gekenmerkte gemengd landelijk gebied of kernrandzones zijn van grote betekenis voor de relatie tussen stedelijk en landelijk gebied. De natuurwaarden en open structuur tussen Berlicum en Middelrode blijven behouden, ruimtelijke kwaliteit
in dit gebied wordt verbeterd. Zichtlijnen worden in stand gehouden, en de kwaliteit van de linten verbeterd. Het ontwikkelen van Ruimte voor Ruimte-woningen is mogelijk onder voorwaarden, en ‘naar aard en schaal’ passend in de omgeving. Vergelijkbaar met recent ontwikkelde woningen in de directe omgeving, maar dan ruimer opgezet. Onder-
staande afbeelding geeft een indruk van de wijze waarop de woning bestaande lintbebouwing kan worden opgericht.
Wintraecken Advies planologisch adviesbureau
passend binnen de
17
Een ander argument om het perceel te ontwikkelen, is dat op deze exacte locatie lange tijd een woning gestaan heeft. Het gebied behoort tot de oudste woonkernen van Berlicum. De eerste bebouwing dateert van circa 1250. Daarna is sprake van bebouwing
vóór 1545. Zie onderstaande scan ter bevestiging.
Wintraecken Advies planologisch adviesbureau
18
Belver
Vele ccuwen later, omstreeks 1250, ontstond op het Berlicumse grondgebied een andere nederzetting. In
de nabijheid van het huidige kruisbeeld aan de
Groenstraat is nu nog het driehoekig gebied van de
kern ‘Belver' 1e herkennen. Dit was de
gemeenschappelijke ruimte voor de boerderijen, die er omheen werden gebouwd. Van daaruit werd een
ander gebicd van Berlicum ontgonnen.
[B. Het gebied Belver.
In
onderstaand
artikel
staat
vermeld
dat
vanaf
1916
(geanonimiseerd) en Ar-
nolda (geanonimiseerd) N eigenaren zijn. Dit zijn de ouders van de oma, (geanonimiseerd) van de Veerdonk, van de initiatiefnemer. Het adres van de woning was eerst C 159 (C voor wijk C en huisnummer
159),
later is dit Groenstraat 23 geworden.
Wintraecken Advies Planologisch adviesbureau
19
C
159,
Groe
Oude Ploeg 15 AL vóór 1545
Willems
des
de linkerzijde o ontgonnen. Rond er een huis met erven
een
de zes
huis,
ki
scl
verkopen het
Jansz. voor f
zijn Hendrikus
va
De exacte vorm van de woning is ons nog niet bekend, maar gezien de getaxeerde schade van fl.42.000,- moet het een grotere boerderij geweest zijn. Dit bedrag was het hoogste bedrag in de schadelijsten van die tijd. Op verschillende kaarten uit de periode 1850 - 1955 (zie onderstaand) zijn steeds twee rechthoekige gebouwdelen zichtbaar, ten
Noorden van loop Wambergse
Beek, aan de Groenstraat (toen Groene Straat geheten).
Wintraecken Advies Planologisch adviesbureau
20
Kaart 1850 - 1886
Kaart
1869 - 1898:
In 1944 is de woning dus afgebrand, en is op kaarten alleen nog de kippenschuur zichtbaar. Vanaf 1978 is een deel van de bebouwing verdwenen, staat nog een enkel kleine gebouw, waarschijnlijk de hooimijt van de opa van de initiatiefnemer.
Wintraecken Advies Planologisch adviesbureau
21
Kaart 1956 — 1977
Kaart 1978 - 1987
Wintraecken Advies Planologisch adviesbureau
22
De hoofdmassa en hoofdvorm van de nieuwe bebouwing worden afgestemd op de bestaande bebouwing in de directe omgeving, maar vormen wel een eigen architectonische eenheid. Er wordt voor wat betreft de beeldkwaliteit van de nieuwe gebouwen en de maatvoering aangesloten bij de stedenbouwkundige en land(schapp)elijke uitgangspun-
ten van de gemeente Sint-Michielsgestel. Dit alles conform Door de grootte van de planlocatie blijft de afstand van recte omgeving gelegen opstallen voldoende groot.
het welstandsbeleid.
perceel
L 1556 tot de in de di-
Het initiatief heeft daarmee een toegevoegde waarde aan het ruimtelijke omgevingskader en levert daarmee tevens een positieve invulling aan de waarborging van de
land(schapp)elijke stedenbouwkundige
karakteristiek en identiteit ter plaatse.
Met het realiseren van het bouwplan wordt verder zoveel als mogelijk rekening gehouden met het uitgangspunt om te komen tot duurzaam bouwen.
Geconcludeerd
kan worden dat het bouwplan bijdraagt aan een ruimtelijke en visuele
koppeling met de bestaande omliggende bebouwing en daarmee een positieve functionele invulling vormt. Er vindt als het ware een logische koppeling plaats met de be-
staande bebouwing in de directe omgeving. De voorgestane ontwikkeling steunt de waarborging van de land(schapp)elijke, stedenbouwkundige en architectonische en daarmee
de ruimtelijke karakteristiek en identiteit ter plaatse.
Bij het definitieve ontwerp van de woning worden de randvoorwaarden in acht genomen die gelden voor Ruimte voor Ruimte ontwikkelingen en welke planologisch-juridisch worden vormgegeven op de verbeelding (bouwvlakken) en in de planregels van het bestemmingsplan. Zo dienen de inhoud, typologie, architectuur van de woning en de tuin pas-
send dient te zijn in de omgeving en dient de nieuwe woning door een landschappelijke (erf)beplanting ingepast te worden in het omringende landschap. De beeldkwaliteitseisen dienen als kader voor de welstandstoets. Voor regenwaterberging plaatsen is voldoende ruimte op de percelen.
Geconcludeerd
kan worden dat het toevoegen van een woning
lijke en visuele koppeling
met de bestaande
omliggende
en aanleg
parkeer-
bijdraagt aan een ruimte-
bebouwing
en daarmee
een po-
sitieve functionele invulling vormt. De voorgestane ontwikkeling steunt de waarborging van de stedenbouwkundige, land(schapp)elijke en architectonische uitgangspunten en daarmee de ruimtelijke karakteristiek en identiteit ter plaatse.
3.2 Landschappelijke betering Landschappelijke
inpassing
en ruimtelijke kwaliteitsver-
inpassing
Uit een landschappelijk inpassingsplan dient te blijken dat de voorgestane
ruimtelijke
ontwikkeling de natuur- en landschappelijke waarden ter plaatse niet schaden. Een landschappelijk inpassingsplan voorziet in een ontwikkeling in natura, waarmee aan de voorwaarden wordt voldaan die de provincie en gemeente stellen aan ontwikkelingen in het buitengebied.
Wintraecken Advies planologisch adviesbureau
23
Met het landschappelijk inpassingsplan wordt aangesloten op de bestaande situatie en de potentiële waarden en kwaliteiten in en rond de planlocatie. Deze zijn door middel van een bureaustudie en een veldbezoek geïnventariseerd. Verantwoord is hoe de gewenste ontwikkeling op een duurzame manier in de bestaande situatie kan worden geïntegreerd. Gestreefd is naar een inpassing in het omringende landschap van de tuin en de nieuwe woning door een combinatie van erfbeplanting en landschapsbeplanting.
De initiatiefnemer heeft door GV Advies een landschappelijk inpassingsplan, inclusief inrichtingstekening, laten opstellen. Dit inpassingsplan is als bijlage 2 bij deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd. Het kaartbeeld is navolgend ingevoegd.
A Indieatieve postitie woning en bijgebouw 81 Bosje (inheemse beplanting, 50 m2) 82 Gemengde haag (inheemse beplanting, 100 mI) om aan te sluiten op de ecologische verbindingstructuur in de omgeving € Bestaande teelt (kerstbomen) met cen uitsterfoeleid voor geleidelke overgang naar een meer divers, landschappelijk aantrekhelik imichtingsbeelde
1-
Indicatieve positi inrit plangebied-
combinatie
met
bestaande
inrit
Waarschijnlijk
van achterterrein
Cherstbomenveld):
Afbankelijk van de defitieve
ontsluitingsweg(en)
en maatvoering
van de
weg
zulen de maatregelen rondom landschappelijke inpassing (zoals de positie van de bomen, bosje n gemengde haag) verplaatst kunnen worder Maatvoering
plantmateriaal en stuks
Waterbersing Sinnen plangebied is ruïmte eigen
Op basis van enkele reguliere uitgangspunten
terrein
wat
bljfe geljk:
voor weterberging op
onderdeel is van initiatief:
is een indicatieve impressie opgenomen
van de toekomstige positionering van de woning op de inrichtingstekening. Ruimtelijke kwaliteitsverbetering Bij (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap,
als bedoeld
in artikel 3.9 Interim
Omgevingsverordening Brabant, kan in het bijzonder worden gedacht aan concrete tegenprestaties gericht op de verbetering van de volgende landschapsaspecten: bodem (aardkunde) en water, natuur- en landschapselementen, cultuurhistorische elementen inclusief archeologie, recreatieve toegankelijkheid van het landschap, sloop en ontste-
ning. Investeringen in het landschap betreffen nieuw te ontwikkelen structuren en elementen en/of het herstel van bestaande structuren en elementen. Ook kan een koppeling worden gelegd met de realisering van de ecologische hoofdstructuur en ecologische verbindingszones. Bij hergebruik van voormalige agrarische en niet-agrarische bedrijfslo-
caties is sloop van overtollige bebouwing uitgangspunt. Naast een goede
landschappelijke
inpassing is voor onderhavig
sel geen (extra) ruimtelijke kwaliteitsverbetering noodzakelijk.
Wintraecken Advies planologisch adviesbureau
planvoornemen
in begin-
Deelname aan de
24
Ruimte-voor-Ruimte schap.
regeling draagt namelijk reeds bij aan een investering
in het land-
Bij de stedenbouwkundige en landschappelijke inrichting van de planlocatie zal wel degelijk rekening worden gehouden c.q. is wel degelijk rekening gehouden met de aanwezige
ruimtelijke kwaliteiten en structuren in het gebied zelf en in de naaste omgeving, waaronder mede begrepen de ontwikkeling van een groene geleding ten behoeve van ecologische en landschappelijke verbindingen, door deze in de planontwikkeling te betrekken. Na realisatie van het plan ontstaat er, zeker wat betreft beeldkwaliteit, een samenhangende ruimtelijke structuur. Tevens vindt er met het plan een koppeling plaats met de omliggende woonfuncties en aanwezige infrastructurele voorzieningen. Op deze wijze,
maar ook door toepassing te geven aan de noodzakelijke landschappelijke kwaliteitsverbetering, wordt bij de planuitwerking van de stedenbouwkundige en land(schapp)elijke inrichting rekening gehouden met de aanwezige ruimtelijke kwaliteiten en structuren in het gebied zelf en in de naaste omgeving, waaronder mede begrepen de ontwikkeling
van een groene geleding ten behoeve van ecologische en landschappelijke verbindingen. Duidelijk is dat bij het ontwerpen
van het bouwplan
zoveel als mogelijk aansluiting ge-
zocht wordt bij de huidige stedenbouwkundige en landschappelijke omgevingskarakteris tiek en uitgangspunten. Zodoende kan de ruimtelijke beeldkwaliteit van het gebied in stand gehouden worden en door de inpassing, vormgeving en bouwstijl van de beoogde bebouwing
3.3
kan de ruimtelijke beeldkwaliteit zelfs verbeterd worden.
Conclusie
Geconcludeerd
kan worden dat het toevoegen van een woning
bijdraagt aan een ruimte-
lijke en visuele koppeling met de bestaande omliggende bebouwing en daarmee een positieve functionele invulling vormt. De voorgestane ontwikkeling steunt de waarborging
van de landschappelijke en architectonische uitgangspunten en daarmee de ruimtelijke karakteristiek en identiteit ter plaatse. De juridische vertaling van de bouw-
en gebruiksmogelijkheden
wordt verankerd
in het
in de verbeelding en de regels van het bestemmingsplan. De ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid van de voormelde plankeuzes worden gemotiveerd
in de
hoofdstukken
5 tot en
9.
Wintraecken Advies planologisch adviesbureau
25
4.
Beleidskader 4.1
Inlei
Wat betreft de verantwoordelijkheidstoedeling en bevoegdheidsverdeling zijn het Rijk, de provincies en de gemeenten verantwoordelijk voor hun eigen belangen. Er kan slechts
sprake zijn van bemoeienis van Rijk of provincie met de gemeente, indien dat noodzakelijk is vanwege een nationaal respectievelijk provinciaal belang. Rijk en provincies beschikken in de Wet ruimtelijke ordening over dezelfde bevoegdheden hun eigen ruimtelijke belangen te kunnen uitvoeren.
Daarnaast kunnen en aanwijzingen
het Rijk en de provincies algemeen
geven
om
hun
Het beleid van de gemeente
belangen
als gemeenten
om
verbindende regels uitvaardigen
veilig te stellen.
Sint-Michielsgestel vormt dus het kader waarbinnen de
functionele en ruimtelijke ontwikkeling wordt vastgesteld. De ruimtelijke ontwikkelingsplannen van Rijk, provincie en regio vormen randvoorwaarden voor het gemeentelijke
beleid. Voor zover relevant voor de plannen worden in de volgende paragrafen het Rijks‚ provinciaal en gemeentelijk beleid toegelicht.
4.2 Rijksbeleid De voorliggende
planontwikkeling
sluit aan bij de doelstellingen uit de Structuurvisie In-
frastructuur en Ruimte (SVIR) en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) / AMvB Ruimte om te komen tot de bevordering van krachtige dorpen en steden en duurzaam en zuinig ruimtegebruik. Het voldoet aan de eis om ruimtelijke ontwikkelingen integraal te bezien en zorgvuldig om te gaan met de leefomgeving. Aspecten als wa-
ter, veiligheid, cultuurhistorie en ruimtelijke kwaliteit vormen onderdeel van de planologische toets. Daarmee is het initiatief niet in strijd met het rijksbeleid. Ladder voor duurzame
verstedelijking
(artikel 3.1.6 lid 2 Bro)
Toetsingskader Met de inwerkingtreding op 1 oktober 2012 van artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening
(Bro) - de ‘Iladder voor duurzame
verstedelijking’ — geldt voor alle juri-
disch verbindende ruimtelijke plannen van decentrale overheden die (planologisch) nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken een bijzonder procesvereiste. Het procesvereiste van het doorlopen van de Ladder is gebaseerd op één van de nationale belangen
als opgenomen
in de SVIR, opgesteld door het Rijk. Dit nationale belang
houdt in dat, ten behoeve van een goed systeem van ruimtelijke ordening, een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten plaats dient te vinden. Deze zorgvuldige afweging heeft tot doel om, vanuit een oogpunt van zuinig en zorgvuldig
ruimtegebruik,
planologisch
ongewenste
versnippering en een onaanvaardba-
re leegstand te voorkomen. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. Artikel 3.1.6, tweede
lid, luidt nu als volgt:
Wintraecken Advies planologisch adviesbureau
26
De toelichting bij een bestemmingsplan
dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk
maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden
voorzien.
De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In artikel 1.1.1 onder i van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd:
ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, detailhandel,
of van kantoren,
woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.
In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voor woningbouwlocaties geldt volgens de overzichtsuitspraak dat 'in beginsel' sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan
11 woningen gerealiseerd worden. Voor wonen is daarmee gen sprake is van een stedelijke ontwikkeling.
de lijn dat er vanaf 12 wonin-
De Laddertoets geldt alleen voor ‘nieuwe’ stedelijke ontwikkelingen.
Beoordeeld
moet
dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was of kon worden gerealiseerd. Daarnaast volgt uit jurisprudentie dat wanneer het een functiewijziging be-
treft, moet worden beoordeeld of er sprake is van een naar aard en omvang zodanige functiewijziging dat desalniettemin gesproken kan worden van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
Daarbij
moet ook et ruimtebeslag
betrokken
worden.
In de nieuwe Ladder is het woord 'regionale' niet meer aanwezig. De Ladder bepaalt niet nader voor welk gebied de behoefte in beeld moet worden gebracht. Het is primair aan het bevoegd
gezag
om
op basis van
het ruimtelijk verzorgingsgebied
van
de stedelijke
ontwikkeling te bepalen tot welk gebied de beschrijving van de behoefte zich moet uitstrekken. De aard en omvang van de stedelijke ontwikkeling bepaalt op welk niveau de afweging moet worden gemaakt. De toelichting van het bestemmingsplan moet een beschrijving bevatten van de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Daarbij is het niet relevant of de planlocatie binnen of buiten bestaand stedelijk gebied ligt. In beide gevallen dient de plantoelichting een
beschrijving van de behoefte te bevatten.
In artikel 1.1.1 onder h van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip 'bestaand stedelijk gebied' vastgelegd. Als bestaand stedelijk gebied wordt aangemerkt: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening,
bedrijvigheid,
detailhandel of horeca,
alsmede de daarbij behorende openbare
of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Uit de definitie volgt dat er sprake moet zijn van een stedenbouwkundig bebouwing.
samenstel van
In de Nota van Toelichting wordt opgemerkt dat de kwalificatie bestaand
stedelijk gebied afhangt van de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het bestemmingsplan en de aard van de omgeving.
Wintraecken Advies planologisch adviesbureau
27
Beoordeling Gelet op de onderliggende ontwikkeling voorziet het plan niet in een woningbouwlocatie als bedoeld in artikel eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro (AbRS 18 december 2013, nummer (geanonimiseerd) De in het plan voorziene ontwikkeling kan dan ook
niet worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in deze bepaling van het Bro, zodat artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet van toepassing is. Gezien het voorgaande vormt de ladder voor duurzame ontwikkeling geen belemmering voor de voorgestane ontwikkeling. Conclusie
Er is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling
in de zin van de ladder voor duurzame
verstedelijking. Daardoor is de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing.
4.3
Provinciaal
beleid
Toetsingskader Omgevingsvisie Noord-Brabant In voorbereiding op de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft de provincie de Omgevingsvisie
Noord-Brabant vastgesteld
(14 december 2018).
Deze omgevingsvisie
bevat de visie van het provinciale bestuur op de Brabantse leefomgeving van de toekomst (2050). Naar de uitgangspunten van de Omgevingswet zijn daarbij geen routes naar de gestelde doelen vastgelegd, omdat daarmee een beter samenspel en draagvlak kunnen ontstaan. De Omgevingsvisie zal onder meer de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening gaan vervangen.
De Omgevingsvisie kent één basisopgave: vingskwaliteit’.
‘werken aan veiligheid, gezondheid en omge-
Elke ruimtelijke ontwikkeling moet
- ongeacht de omvang
- hieraan
bij-
dragen. In vier hoofdopgaven worden nadere accenten gelegd: werken aan de Brabantse energietransitie; werken aan een klimaatproof Brabant;
PUNP
werken werken
Doorwerking
aan een slimme netwerkstad; aan een concurrerende, duurzame
economie.
plan(gebied
Onderhavig plan betreft de bouw van één Ruimte voor Ruimte-woning. Deze relatief kleinschalige ontwikkeling draagt op de volgende wijze bij aan de 'grote' hoofdopgaven. « ad 1. De energietransitie houdt enerzijds in het verminderen van het energieverbruik en anderzijds de verduurzaming van de energie. De nieuwe woning binnen de planlocatie zal minstens aan de in het Bouwbesluit en het gemeentelijke duur-
zaamheidsbeleid opgenomen energieprestatie-eisen moeten voldoen. Nadere uitwerking hiervan zal plaatsvinden in het kader van het bouwplan voor de woning. Daar komt dan ook de verduurzaming van de energie aan bod, bijvoorbeeld door het aanleggen van een eigen energievoorziening.
e
ad 2. Eén van de onderdelen van een klimaatproof Brabant is het zorgen voor een
Wintraecken Advies planologisch adviesbureau
28
klimaatbestendige
en waterrobuuste inrichting. Onderhavig
plan wordt gereali-
seerd op een plek die hoog en droog genoeg is. Door infiltratie van het hemelwater ter plaatse wordt voorkomen dat er een versnelde afvoer naar de directe omgeving plaatsvindt. Het ontwerp van de woning en de inrichting van het woonperceel kunnen voorts een bijdrage leveren aan de klimaatadaptatie. Dit wordt in het
bouwplan nader uitgewerkt. e
ad 3. Een duurzame verstedelijking draagt bij aan het komen tot een slimme netwerkstad. Uitbreiding van het bestaand stedelijk gebied is alleen wenselijk vanuit kwalitatieve overwegingen en bij een concrete marktvraag. De woning wordt ge-
realiseerd op basis van het Ruimte voor Ruimte-principe, wat betekent dat er elders in de provincie reeds stallen zijn gesloopt. ‘ontstening’ van het buitengebied. «
ad
4. Onderdeel
van
een
concurrerende
en
Per saldo is er dus sprake van
duurzame
economie
is het voorzien
in
een aantrekkelijk vestigingsklimaat. De woning wordt zorgvuldig ingepast binnen de huidige bebouwings- en landschapsstructuur. Het initiatief doet daarmee geen afbreuk aan de huidige kwaliteiten en is passend binnen het huidige vestigingsklimaat.
Conclusie
Het plan geeft invulling aan de opgaven
van de Omgevingsvisie
Noord-Brabant.
Toetsingskader Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Het beleid uit de Omgevingsvisie Noord-Brabant is verwerkt in de regels die zijn opgeno-
men in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant van de provincie. De onderwerpen die in de verordening staan komen dus uit de provinciale omgevingsvisie. Daarin staat welke
belangen
de
provincie
wil
behartigen
en
hoe
ze dat wil
doen.
De
verordening
is
daarbij één van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen. In de verordening is een aantal aspecten opgenomen die van toepassing zijn op onderhavig plan. Deze zullen hierna worden besproken. De provincie wil de ruimtelijke kwaliteit van Noord-Brabant bevorderen. Dit betekent dat nieuwe ontwikkelingen een bijdrage moeten leveren aan de kernkwaliteiten van NoordBrabant. De provincie biedt ontwikkelingsruimte in het buitengebied, mits een ontwikkeling bijdraagt aan een versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Nieuwe ontwikkelingen bie-
den een kans voor behoud en ontwikkeling van het landschap. Het ontwikkelen van landschap reikt verder dan het behouden wat er is, ontwikkelen van het landschap gaat ook om het toevoegen van nieuwe ruimtelijke kwaliteiten. De provincie onderscheidt een achttal thema's waarin beleidsuitgangspunten zijn opgenomen. Deze thema's zijn tevens in kaart gebracht. Onderstaande tabel illustreert welke thematische kaarten in principe van toepassing zijn op de planlocatie en welke niet.
Wintraecken Advies planologisch adviesbureau
29
Thema
/ kaartnaam
Van toepassing
Milieubescherming
Nee
Landbouw
Ja
Stedelijke ontwikkeling en erfgoed
Nee
Natuur en stiltegebieden Grondwaterbescherming, waterveiligheid en -berging Basiskaart Landelijk gebied.
Nee Nee Ja
Specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen
Ja
Watersystemen,
Ja
-veiligheid en -berging
Rechtstreeks werkende regels: landbouw
Binnen het kaartbeeld ‘Rechtstreeks werkende regels: landbouw’ is de planlocatie aangeduid als ’Landelijk gebied’ en ‘Verbod uitbreiding veehouderij’. Dit is geïllustreerd in navolgend
kaartbeeld. Planlocatie
Landelijk gebied Thema:
landbouw
Verbod uitbreiding veehouderij Thema:
landbouw
Onderhavige planlocatie is gelegen in het ‘Landelijk gebied’ van de provincie NoordBrabant. Binnen de provincie wordt onderscheid gemaakt in het landelijke en het stedelijke gebied. Binnen deze eerste aanduiding is onder voorwaarden een stedelijke ontwikkeling mogelijk. De andere aanduiding betreft ‘Verbod uitbreiding veehouderij’.
Deze heeft enkel invloed op bestaande veehouderijbedrijven. Onderhavig plan betreft de oprichting van een woning in het buitengebied van de kern Berlicum. De uitgangspunten en regeling ten aanzien van het verbod op uitbreidingen van veehouderijen hebben hier geen invloed op, en andersom doet onderhavig planvoornemen geen afbreuk aan deze
beleidsregels.
Wintraecken Advies Planologisch adviesbureau
30
Binnen de primair agrarische gebieden
is de provincie terughoudend
met de (verdere)
ontwikkeling van niet-agrarische functies. De land- en tuinbouw heeft in deze gebieden het primaat. Artikel 3.80 van de Interim Omgevingsverordening
Noord-Brabant geeft de voorwaarden
waaronder binnen de planlocatie het toevoegen van een Ruimte-voor-Ruimte woning mogelijk is. Met artikel 3.80 is aansluiting gezocht bij de regels uit de ‘Beleidsregel ruimte-voor-ruimte 2006' van de provincie Noord-Brabant. Het beleidsartikel omvat het volgende. Lid
1
Een bestemmingsplan
van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in één of meer-
dere ruimte-voor-ruimtekavels, ieder ten behoeve van de bouw van één woning, indien: a.
er sprake is van een aanzienlijke winst van de omgevingskwaliteit;
b.
de ruimte-voor-ruimtekavel bouwingsconcentratie ligt;
c. d.
een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woning is verzekerd; er geen sprake is van (een aanzet voor) een stedelijke ontwikkeling behoudens in
op een
planologisch aanvaardbare
locatie in een be-
geval de locatie ligt binnen Verstedelijking afweegbaar. Lid
2
Er is sprake van een aanzienlijke winst van de omgevingskwaliteit als per ruimte-voorruimtekavel is aangetoond dat is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. een of meer veehouderijen gericht op het houden van varkens of pluimvee zijn in
het geheel beëindigd waarbij alle bedrijfsgebouwen ten dienste van deze veehouderij, niet zijnde de bedrijfswoning, zijn gesloopt; b.
de onder a. bedoelde veehouderijen zijn direct voorafgaand aan de beëindiging gedurende een periode van drie jaar onafgebroken in bedrijf geweest;
c.
de onder a. bedoelde veehouderijen zijn gevestigd binnen Beperkingen Veehouderij of op een locatie die vanwege omliggende waarden en functies niet geschikt is voor de uitoefening van een veehouderij;
d.
er tenminste 1000 m? bedrijfsgebouwen ten dienste van de onder a. bedoelde veehouderij, niet zijnde de bedrijfswoning, zijn gesloopt met een minimum van 200 m? op iedere beëindigingslocatie veehouderij;
e.
de ten behoeve van
de onder a. bedoelde
veehouderijen geregistreerde
rechten
betreffende de fosfaatproductie in een gezamenlijke omvang van tenminste 3.500 kg uit de markt zijn genomen door doorhaling van de bij de Dienst Regelingen geregistreerde rechten, waarbij per beëindigingslocatie een minimum van 700 kg aan rechten
betreffende de productie van fosfaat aanwezig
is;
f.
de rechten, bedoeld onder e. moeten vanaf het moment van beëindiging van de bedrijfsvoering tot aan het moment van uit de markt nemen geregistreerd staan op naam van de veehouderij die beëindigd;
g.
de omgevingsvergunning
h.
beëindigingslocatie veehouderij is ingetrokken; een passende herbestemming is gelegd op de locatie als onder a. bedoeld die in ieder geval het houden van vee en het bouwen van nieuwe bedrijfsgebouwen uit-
milieu voor de onder a. bedoelde veehouderij
op iedere
sluit;
i.
in redelijkheid niet op andere wijze is voorzien in de beëindiging van de onder a. bedoelde veehouderij.
Wintraecken Advies planologisch adviesbureau
31
Lid
3
In afwijking van het tweede lid kan een bestemmingsplan voorzien in een ruimte-voorruimtekavel als deze wordt ontwikkeld door of vanwege de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte gelet op de in het verleden behaalde aanzienlijke winst van omge-
vingskwalliteit door toepassing van de Regeling beëindiging veehouderijtakken. Lid 4
Het derde lid vervalt indien uit door Gedeputeerde
Staten
bijgehouden
dat er in totaal 3500 ruimte voor ruimte kavels door of vanwege
gegevens blijkt
de Ontwikkelingsmaat-
schappij ruimte voor ruimte zijn ontwikkeld.
Tevens dient bij stedelijke ontwikkelingen in het landelijke gebied worden voorzien in een kwaliteitsverbetering. Artikel 3.9 ’kwaliteitsverbetering landschap’ zegt hierover het volgende: Lid
1
Een bestemmingsplan
dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk Ge-
bied bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. Lid
2
Het bestemmingsplan
motiveert dat de verbetering past binnen de gewenste ontwikke-
ling van het gebied én op welke wijze de uitvoering is geborgd door dat: a. dit financieel, juridisch en feitelijk is geborgd in het plan; of b. de afspraken uit het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken,
worden
nagekomen.
- id3
Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan mede de volgende aspecten omvatten:
a. b.
de op grond van deze verordening verplichte landschappelijke inpassing; het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stadland;
noan
het behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen; het wegnemen van verharding; het slopen van bebouwing;
o
het aanleggen
de realisering van het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones;
van extensieve recreatieve mogelijkheden.
Lid 4
Ingeval er toepassing
wordt gegeven aan
het tweede
lid onder b geldt dat een passende
financiële bijdrage in een landschapsfonds is verzekerd én over de besteding van dat fonds periodiek verslag wordt gedaan in het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken. Doorwerking
plan(gebied,
Wintraecken Advies planologisch adviesbureau
32
Onderhavig
woning
planvoornemen
behelst de oprichting van een
nieuwe
Ruimte
voor Ruimte
in het landelijk gebied. Binnen de kaders van de provinciale regelgeving is de op-
richting van een nieuwe woning mogelijk, mits voldaan wordt aan de voorwaarden zoals opgesteld in de artikelen 3.9 en 3.80 van de Interim Omgevingsverordening. Deze regels hebben onder meer betrekking op het volume, oppervlakte en vormgeving van de wo-
ning en stellen voorwaarden aan de kwaliteit van de planlocatie in relatie tot de omgeving. Met onderhavig lijke onderbouwing.
planvoornemen
wordt hier aan voldaan.
Artikel 3.79 van de Interim omgevingsverordening
Dit blijkt uit deze ruimte-
geeft de voorwaarden waaronder bin-
nen de planlocatie het toevoegen van een Ruimte-voor-Ruimte worden mogelijk is. Met artikel 3.79 is aansluiting kan gezocht bij de regels uit de 'Beleidsregel ruimte-voor-
ruimte 2006' van de provincie Noord-Brabant. Uit de verantwoording dient te blijken dat: * het bestemmingsplan de nodige voorwaarden bevat om een goede landschappee
lijke inpassing van de te bouwen woning te verzekeren; is verzekerd dat is voldaan aan de nader gestelde regels;
e
er geen sprake is van (een aanzet voor) een stedelijke ontwikkeling.
Hierna wordt — steeds vetgedrukt - gemotiveerd dat voldaan is/wordt aan de gestelde voorwaarden in artikel 3.79 van de Interim omgevingsverordening: ud1:
a.
er sprake is van een aanzienlijke milieu- en ruimtelijke kwaliteitswinst;
Naast een goede landschappelijke inpassing is voor onderhavig planvoornemen in beginsel géén (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap noodzakelijk. Achterliggende gedachte hierbij is dat deelname aan de Ruimte-voor-Ruimte namelijk reeds bijdraagt aan een investering in het landschap.
Bij zowel
regeling
het ontwerpen van het bouwplan als bij het opstellen van het landschapgsplan, inclusief
van deze onderbouwing).
de
landschaps-/inrichtingsschets,
Zodoende
is zoveel als mo-
kan de ruimtelijke (beeld)kwaliteit van het ge-
bied in stand gehouden worden en door de inpassing, vormgeving en bouwstijl van de beoogde
bebouwing
kan de ruimtelijke (beeld)kwaliteit zelfs verbeterd
De ruimtelij voormelde plankeuzes worden
b.
de ruimte-voor-ruimtekavel
gemotiveerd
worden.
ische aanvaardbaarheid van de in de hoofdstukken 5 tot en met 9.
op een planologisch aanvaardbare
locatie in een bebouwingscon-
centratie ligt; De planlocatie is gelegen op korte afstand van de bestaande woonkern cum en maakt deel uit van een zogeheten kernrandzone.
van
Berli-
Verder is hiervoor in paragraaf 3.1 reeds vermeldt dat de onderhavige Ruimte-voorRuimte ontwikkeling voldoet aan de volgende uitgangspunten en randvoorwaarden, zoals
vermeld
in de
hoofdstukken
2 en
3.
Wintraecken Advies planologisch adviesbureau
33
c
een goede
landschappelijke inpassing van de te bouwen
woning
is verzekerd;
Een landschappelijk inpassingsplan, inclusief landschaps-/inrichtingsschets, maakt onderdeel uit van voorliggende paragraaf 3.2 en bijlage2.
d.
ruimtelijke onderbouwing. Verwezen
wordt naar
er geen sprake is van (een aanzet voor) een stedelijke ontwikkeling. De voorziene ontwikkeling kan niet worden aangemerkt als een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro, zodat artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet van toepassing is. De Interim omgevingsverordening omschrijft het begrip 'stedelijke ontwikkeling’ als volgt: ‘nieuw ruimtebeslag dan wel uitbreiding of wijziging van bestaand ruimtebeslag ten behoeve van een samenhangende ruimtelijke structuur van stedelijke functies’. Het voorgenomen bouwplan voldoet niet aan deze omschrijving. In het verlengde van de constatering dat er op grond van het Bro geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling is er volgens de Interim omgevingsverordening ook geen sprake van een stedelijke ontwikkeling of een aanzet daartoe.
Lid
2:
Er is sprake van een aanzienlijke winst van de omgevingskwalit it als per ruimte-voor-ruimtekavel is aangetoond dat is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. een of meer veehouderijen gericht op het houden van varkens of pluimvee zijn in het geheel be-
eindigd waarbij alle bedrijfsgebouwen ten dienste van deze veehouderij, niet zijnde de bedrijfswob.
ning, zijn gesloopt; de onder a. bedoelde veehouderijen zijn direct voorafgaand aan de beëindiging gedurende periode van drie jaar onafgebroken in bedrijf geweest;
c
de onder a. bedoelde veehouderijen zijn gevestigd binnen Beperkingen Veehouderij of op een lo-
een
catie die vanwege omliggende waarden en functies niet geschikt is voor de uitoefening van een veehouderij; er tenminste 1000 m? bedrijfsgebouwen ten dienste van de onder a. bedoelde veehouderij, niet zijnde de bedrijfswoning, zijn gesloopt met een minimum van 200 m? op iedere beëindigingsloca-
tie veehouderij; e.
f. g.
de ten behoeve van de onder a. bedoelde veehouderijen geregistreerde rechten betreffende de fosfaatproductie n een gezamenlijke omvang van tenminste 3.500 kg uit de markt zijn genomen door doorhaling van de bij de Dienst Regelingen geregistreerde rechten, waarbij per beëindigingslocatie een minimum van 700 kg aan rechten betreffende de productie van fosfaat aanwezig is;