19. D Spurkstraat 61a
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing Ontwikkeling Spurkstraat 61a Den Dungen
1
Titel: Datum: Projectnummer: Adviesbureau: Auteurs: Contactpersoon: (Post)adres: Telefoon: E-mail: Website:
Ruimtelijke onderbouwing Ontwikkeling Spurkstraat 61a Den Dungen 26-10-2022 2021.176 Wintraecken Advies B.V. Teun van de Camp Msc. en mr. David Wintraecken David Wintraecken Harry Bolsiuslaan 13 5481 BN Schijndel (073) 850 51 29 / (06) 146 488 29 info@wintraeckenadvies.nl www.wintraeckenadvies.nl
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en/of Wintraecken Advies.
2
INHOUDSOPGAVE 1.
INLEIDING ....................................................................................................................................... 5 1.1 Achtergrond en doel van het plan .................................................................................................. 5 1.2 Ligging en begrenzing van de planlocatie ..................................................................................... 7 1.3 Vigerend bestemmingsplan ........................................................................................................... 8 1.4 Leeswijzer .................................................................................................................................... 12
2.
BESCHRIJVING BESTAANDE SITUATIE .................................................................................... 13 2.1 Huidige situatie omgeving ............................................................................................................ 13 2.2 Planlocatie ................................................................................................................................... 13
3.
VISIE OP HET PLAN EN LANDSCHAPPELIJKE INPASSING .................................................... 15 3.1 Visie op het plan .......................................................................................................................... 15 3.2 Landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering .................................................................. 15
4.
BELEIDSTOETS ........................................................................................................................... 16 4.1 Inleiding ........................................................................................................................................ 16 4.2 Rijksbeleid .................................................................................................................................... 16 4.3 Provinciaal beleid ......................................................................................................................... 20 4.4 Gemeentelijk beleid ..................................................................................................................... 27
5.
MILIEU-HYGIËNISCHE EN PLANOLOGISCHE VERANTWOORDING ...................................... 33 5.1 M.e.r.-beoordeling ........................................................................................................................ 33 5.2 Archeologie en cultuurhistorie ..................................................................................................... 35 5.3 Flora en fauna en stikstof(depositie) ............................................................................................ 38 5.5 Waterparagraaf ............................................................................................................................ 39 5.6 Bodem .......................................................................................................................................... 40 5.7 (Ondergrondse) infrastructuur / kabels en (buis)leidingen .......................................................... 41 5.8 Bedrijven en milieuzonering ......................................................................................................... 42 5.9 Akoestiek ..................................................................................................................................... 44 5.10 Luchtkwaliteit .............................................................................................................................
45 5.11 Externe veiligheid....................................................................................................................... 48 5.12 Verkeer en parkeren .................................................................................................................. 51 5.13 Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen en spuitzones ..................................................... 51
3
6.
JURIDISCHE PLANOPZET ........................................................................................................... 54
7.
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID ........................................................................................ 55
8.
MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID .............................................................................. 56
9.
CONCLUSIE .................................................................................................................................. 57
Bijlagen 1. GV Advies, Landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering, 11-04-2022 2. Verslagen omgevingsdialoog omwonenden 3. Verslagen omgevingsdialoog met Natuurgroep Gestel en Het Groene Hart
4
1. INLEIDING 1.1 Achtergrond en doel van het plan Initiatiefnemer heeft het planvoornemen om de bestaande situatie ter plaatse van het adres Spurkstraat 61a te Den Dungen te herbestemmen. De aanwezige bedrijfswoning wordt herbestemd tot een burgerwoning. De vigerende bestemmingen op de planlocatie betreffen grotendeels ‘Bedrijf’ en voor een klein deel ‘Agrarisch’. Deze worden samen gewijzigd in de bestemming ‘Wonen’. Ten aanzien van de aanwezige oppervlakte aan bijgebouwen wenst initiatiefnemer 140 m2 aan aanwezige bijgebouwen intact te houden. Hiertoe zijn in overleg met gemeente Sint-Michelsgestel voorwaarden opgesteld welke een verbetering van de inrichting en uitstraling van de planlocatie garanderen. Het behoud van het bijgebouw met carport kan en zal niet los worden gezien van de verwijdering van buitenopslag / containers en landschappelijke inpassing van de planlocatie. In de huidige situatie betreft de planlocatie een bedrijf met bedrijfswoning ten behoeve van de bedrijfsvoering van het installatiebedrijf. Ten dienste van deze functie zijn tevens enkele bijgebouwen aanwezig. Het genoemde bedrijf is reeds beëindigd. Onderhavig planvoornemen betreft kortgezegd de wijziging van het bestaande bestemmingsvlak en bouwvlak en de bestemmingswijziging in ‘Wonen’, gecombineerd met een tenietdoening van de buitenopslag.
Het totaalplan wordt voorzien van landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering.. Gemeente Sint-Michielsgestel heeft in overleg met initiatiefnemer – onder voorwaarden – akkoord gegeven aan het planvoornemen. Hierna opgesomd waarom en onder welke voorwaarden de gemeente onderhavig planvoornemen akkoord bevonden heeft: • De ontwikkeling van het wijzigen van de bestemming van ‘Bedrijf’ naar ‘Wonen’ past binnen de wijzigingsvoorwaarden van de regels van het vigerende bestemmingsplan. Ondanks dat dit actualisatieplan formeel geen wijzigingsplan is, worden deze voorwaarden als leidraad gebruikt voor ontwikkelingen. Hieronder zijn de voorwaarden opgenomen waaraan initiatiefnemer moet voldoen; • Er is sprake van winst voor het milieu. Zodra het perceel is herbestemd naar ‘Wonen’, is nieuwe bedrijfsvoering namelijk uitgesloten op het perceel. Concreet verdwijnt er een bedrijfsbestemming uit het buitengebied. • Er vindt ruimtelijke kwaliteitswinst plaats. Door het herbestemmen van deze locatie wordt onder andere de overtollige bedrijfsbebouwing gesloopt. In de toekomstige situatie blijft in beginsel maximaal 100 m² aan bijgebouwen bestaan, conform de regels behorende bij de bestemming ‘Wonen’ van het bestemmingsplan Buitengebied. Het is bij een woonbestemming, afhankelijk van het achtererf, mogelijk
5
•
•
met vergunningsvrij bouwen 150 m² aan bijgebouwen toe te staan. Op dit moment bevat het perceel een schuur van ± 90 m² en een gebouw (voormalig carport) van ± 40 m². Tot slot staan er enkele losse bouwwerken aan de achterzijde van het perceel. Wij staan enkel toe dat u de twee schuren in tact houdt. Het totaal van de bebouwing blijft in de toekomstige situatie daarmee onder de 150 m². De overige bebouwing moet wel worden verwijderd; Door het bestemmingsvlak ‘Wonen’ een logische vorm en ligging te geven, vindt gemeente dat er sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. Gemeente stelt voor het bouwvlak aan de straatzijde gelijk te trekken met Spurkstraat 61. De vrijkomende vierkante meters kan initiatiefnemer benutten om de bestaande bebouwing beter in te passen. Momenteel valt namelijk een klein deel van de bebouwing (± 40 m²) buiten de bestemming ‘Bedrijf’ en het bijbehorend bouwvlak. Belangrijke voorwaarde is dat het oppervlak van het bouwvlak niet toeneemt; Initiatiefnemer kan er voor kiezen het bestemmings- en bouwvlak niet van vorm te veranderen, maar enkel de bestemming te wijzigen naar ‘Wonen’. De voorwaarden voor het wijzigen van de bestemming ‘Bedrijf’ in de bestemming ‘Wonen’ zijn opgenomen in de regels bij de 2e Actualisatie van het bestemmingsplan Buitengebied Sint-Michielsgestel. Initiatiefnemer moet er rekening mee houden dat alle overtollige bebouwing wordt gesloopt.
Deze is momenteel deels gelegen buiten het bouwvlak.
Gemeente heeft tevens voorwaarden voor het wijzigen van de bestemming ‘Bedrijf’ in ‘Wonen’ opgesteld. Het wijzigen van de bestemming ‘Bedrijf’ met een bouwvlak en bedrijfswoning in de bestemming ‘Wonen’ is toegestaan, indien onder andere voldaan is aan de volgende voorwaarden: a. het bedrijf dient te zijn beëindigd; b. de wijziging mag geen onevenredige beperking opleveren van de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende agrarische bedrijven; c. de wijziging dient milieuhygiënisch aanvaardbaar te zijn; d. de bestaande natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden niet onevenredig worden aangetast; e. er dient een legale bedrijfswoning op het bouwvlak aanwezig te zijn; f. ingeval de bedrijfswoning cultuurhistorisch waardevol is, dient minimaal 400 m³ te worden ingezet voor wonen; g. de oppervlakte van het bouwvlak dient te worden verkleind ten behoeve van de wijziging naar Wonen; h. de overige gronden van deze bestemming worden bestemd overeenkomstig de aangrenzende gebiedsgerichte bestemmingen; i. alle overtollige bebouwing gesloopt moet worden;
6
j. de ontwikkeling dient hydrologisch neutraal te zijn. Om te komen tot een haalbaar plan dient aan bepaalde (rand)voorwaarden te worden voldaan. Deze zijn onderscheiden in ruimtelijke randvoorwaarden en voorwaarden ten aanzien van het vervolgtraject. Doelstelling van onderhavige rapportage is om de realisatie van het onderliggende (bouw)plan planologisch en juridisch mogelijk te maken. Uit deze ruimtelijke onderbouwing blijkt dat het plan geen negatieve ruimtelijk-fysieke en milieu-hygiënische gevolgen heeft voor de planlocatie en de directe omgeving ervan. In dit kader zijn de ruimtelijke en milieuhygiënische effecten van de ontwikkeling nader beschouwd. Ook blijkt hoe het plan zich verhoudt tot de aanwezige functies, waarden en kwaliteiten binnen de planlocatie en de directe omgeving ervan. Kortom, de ruimtelijke onderbouwing onderbouwt dat het (bouw)plan past binnen het betrokken gebied. Alvorens het plan kan worden gerealiseerd, dient aan een aantal deels juridische randvoorwaarden te worden voldaan. Het betreft daarbij de volgende voorwaarden: 1. het motiveren van de afwijking van de geldende bestemming middels het opstellen van de goede ruimtelijke onderbouwing als basis voor het verlenen van de omgevingsvergunning; 2. het met de ruimtelijke onderbouwing aantonen van de ruimtelijk-fysieke en milieuhygiënische aanvaardbaarheid.
1.2 Ligging en begrenzing van de planlocatie De planlocatie ligt aan Spurkstraat 61a, ten zuidoosten van de kern Den Dungen. Op navolgende luchtfoto (maps.google.nl) zijn de globale ligging van de planlocatie aangegeven.
7
1.3 Vigerend bestemmingsplan De planlocatie valt binnen de grenzen van het bestemmingsplan “Buitengebied SintMichielsgestel” en heeft hierin de bestemmingen ‘Agrarisch’ en ‘Bedrijf’’ met dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’, de gebiedsaanduidingen ‘bebouwingsconcentratie’, ‘historisch landschappelijk gebied’ en ‘reconstructiewetzone – verwevingsgebied’. Ter plaatse van de bedrijfsbestemming is een bouwvlak en de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – installatiebedrijf’ van kracht.. Bouwvlakken zijn binnen de bestemmingen aanwezig om aan te duiden waar bouwwerken mogen worden opgericht. Verder is ook de bestemming ‘Agrarisch’ van kracht op de planlocatie. Een en ander is ook weergegeven op navolgende uitsnede van de verbeelding behorende bij het vigerende bestemmingsplan (bron: ruimtelijkeplannen.nl). Hierbij aangetekend geldt dat de verbeelding is ontleend aan het bestemmingsplan “Buitengebied Sint-Michielsgestel”, maar dat voor de vigerende regels, welke na het kaartbeeld zijn uitgewerkt, zijn overgenomen van het plan “Buitengebied Sint-Michielsgestel, 2e actualisatie”, welke enkel in regels een actualisatie is van het bestemmingsplan “Buitengebied Sint-Michielsgestel”.
8
De voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. een agrarische bedrijfsuitoefening; b. niet van toepassing; c. een grondgebonden bedrijf; d. tot en met g: niet van toepassing; h. ter plaatse van de aanduiding 'bebouwingsconcentratie', een bebouwingsconcentratie; i. tot en met s: niet van toepassing; t. wonen in een bedrijfswoning; u. de uitoefening van een aan huis gebonden beroep in de bedrijfswoning, met dien verstande dat het oppervlak ten behoeve van de beroepsmatige activiteiten, maximaal 100 m2 van het vloeroppervlak per woning bedraagt en uitgevoerd wordt door de bewoner; v. een bed&breakfast accommodatie in een bedrijfswoning met maximaal 5 kamers en voor maximaal 10 personen. Dit is inclusief de aanwezige accommodatie in bijgebouwen die door het bevoegd gezag middels een afwijking verleend kan worden; w. tot en met bb: niet van toepassing; cc. ter plaatse van de aanduiding 'historisch landschappelijk gebied', het behoud, herstel en ontwikkeling van de waarden, in het bijzonder voor het op de verbeelding aangeduide historisch landschappelijk gebied; dd. en ee: niet van toepassing; ff. ter plaatse van de aanduiding 'reconstructiewetzone – verwevingsgebied', een verwevingsgebied; gg. tot en met jj: niet van toepassing; kk. het bewerken van ter plaatse geproduceerde producten; ll.
verkoop van zelf voortgebrachte of streekeigen producten als nevenactiviteit tot maximaal 100 m2; mm. niet van toepassing; nn. agrarisch natuurbeheer en/of landschapsbeheer; oo. extensief dagrecreatief medegebruik; pp. paden, wegen en parkeervoorzieningen ook ten behoeve van aangrenzende bestemmingen; qq. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; rr. tot en met tt: niet van toepassing. Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen: a. gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden opgericht;
9
b. voldoende parkeergelegenheid binnen het bouwvlak wordt gerealiseerd zoals bedoeld in artikel 38, lid 38.2. De voor ‘Bedrijf’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: y. tot en met x: niet van toepassing; z. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf – installatiebedrijf, een installatiebedrijf; aa. tot en met oo: niet van toepassing; pp. wonen in een bedrijfswoning; qq. niet van toepassing; rr. de uitoefening van een aan huis gebonden beroep in de bedrijfswoning, met dien verstande dat het oppervlak ten behoeve van de beroepsmatige activiteiten, maximaal 100 m2 van het vloeroppervlak per woning bedraagt en uitgevoerd wordt door de bewoner; ss. een bed&breakfast accommodatie in een bedrijfswoning voor maximaal 10 personen verdeeld over maximaal 5 kamers met maximaal 5 kamers en voor maximaal 10 personen. Dit is inclusief de aanwezige accommodatie in bijgebouwen die door het bevoegd gezag middels een afwijking kan worden verleend; tt. ter plaatse van de aanduiding 'bebouwingsconcentratie', een bebouwingsconcentratie; uu. tot en met xx: niet van toepassing; yy. ter plaatse van de aanduiding 'historisch landschappelijk gebied', het behoud, herstel en ontwikkeling van de waarden, in het bijzonder voor het op de verbeelding aangeduide historisch landschappelijk gebied; zz. tot en met fff: niet van toepassing; ggg.
ter plaatse van de aanduiding 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied', een verwevingsgebied; hhh. niet van toepassing; iii. extensief dagrecreatief medegebruik; jjj. paden, wegen en parkeervoorzieningen; kkk. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; lll. alleen detailhandel die rechtstreeks verband houdt met het ter plaatse uitgeoefende bedrijf is toegestaan. mmm. ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’, een bouwvlak waarbinnen bebouwing onder voorwaarden is toegestaan. Buiten het bouwvlak is bebouwing niet toegestaan behoudens de afwijkingsmogelijkheden in artikel 7.4;
10
Het wijzigen van de bestemming ‘Bedrijf’ met een bouwvlak en bedrijfswoning in de bestemming ‘Wonen’ is toegestaan, indien onder andere voldaan is aan de volgende voorwaarden: a. het bedrijf dient te zijn beëindigd; b. de wijziging mag geen onevenredige beperking opleveren van de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende agrarische bedrijven; c. de wijziging dient milieuhygiënisch aanvaardbaar te zijn; d. de bestaande natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden niet onevenredig worden aangetast; e. er dient een legale bedrijfswoning op het bouwvlak aanwezig te zijn; f. ingeval de bedrijfswoning cultuurhistorisch waardevol is, dient minimaal 400 m³ te worden ingezet voor wonen; g. de oppervlakte van het bouwvlak dient te worden verkleind ten behoeve van de wijziging naar Wonen; h. de overige gronden van deze bestemming worden bestemd overeenkomstig de aangrenzende gebiedsgerichte bestemmingen; i. alle overtollige bebouwing gesloopt moet worden; j. de ontwikkeling dient hydrologisch neutraal te zijn.
De voor ‘Waarde – Archeologie 4’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische waarden, in concreto terreinen met een hoge verwachting voor de periode Neolithicum tot Middeleeuwen en/of terreinen met een middelhoge verwachting. Strijdigheid planvoornemen met vigerend bestemmingsplan en mogelijkheden tot planherziening Onderhavig planvoornemen ziet op de bestemmingswijziging van de bestaande bedrijfslocatie met bedrijfswoning aan de Spurkstraat 61a te Den Dungen van de bestemmingen ‘Bedrijf’ en ‘Agrarisch’ in ‘Wonen’. Deze wijziging zal gepaard gaan met een verwijdering van de bestaande buitenopslag en een kwaliteitsverbetering binnen de planlocatie. Het bouwvlak en bestemmingsvlak krijgen het formaat van de bestaande bestemming bedrijf, gereduceerd met de strook aan de voorzijde – en aangevuld met enkele vierkante meters van de bestaande bestemming ‘Agrarisch’ – aangezien daar reeds bebouwing aanwezig is, welke voor toekomst behouden za blijven. Wel is het evident dat enkel de schuur en voormalige carport aan de oostzijde van het perceel behouden mogen blijven.
11
In de ruimtelijke onderbouwing wordt aandacht besteed aan de ruimtelijke en milieuhygiënische effecten van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling. Uit de ruimtelijke onderbouwing moet dus blijken hoe het initiatief zich verhoudt – zowel in negatieve als positieve zin – tot de aanwezige functies en waarden op de planlocatie en de directe omgeving ervan. In dit kader worden, behalve het ruimtelijk-planologische beleid en de stedenbouwkundige toets, alle ruimtelijke en milieukundige aspecten nader beschouwd. 1.4 Leeswijzer In de volgende hoofdstukken wordt aandacht besteed aan de verschillende aspecten van de ruimtelijke onderbouwing. Hoofdstuk 1 bevat de inleiding. In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van de bestaande situatie. Hoofdstuk 3 geeft de visie op het plan in relatie tot de planlocatie en de directe omgeving. Hoofdstuk 4 behandelt het beleidskader. Het hoofdstuk 5 gaat in op de ruimtelijk-fysieke en milieu-hygiënische aspecten. De juridische aspecten worden toegelicht in hoofdstuk 6, de onderdelen economische uitvoerbaarheid in hoofdstuk 7 en de maatschappelijke uitvoerbaarheid in hoofdstuk 8. Hoofdstuk 9 tot slot bevat de conclusie.
12
2. BESCHRIJVING BESTAANDE SITUATIE 2.1 Huidige situatie omgeving De planlocatie ligt even ten zuidoosten van de kern Den Dungen, aan de Spurkstraat 61a. De Zuid-Willemsvaart ligt even ten noordoosten van de planlocatie. De omgeving van de planlocatie is landelijk van karakter met hier en daar enkele agrarische bedrijven en burgerwoningen. Zie navolgende afbeelding voor een impressie (bron: maps.google.nl)
De Spurkstraat is een landelijke weg welke met name gebruikt wordt door bestemmingsverkeer. 2.2 Planlocatie Momenteel is er een installatiebedrijf met bedrijfswoning aanwezig binnen de planlocatie, waartoe ook enkele opstallen behoren. Navolgende luchtfoto geeft een weergave van het bestaande gebruik en de indeling van de planlocatie, bezien vanaf de oostzijde. De rood doorkruiste opslagruimtes zullen worden verwijderd.
13
Onderstaande afbeelding betreft een weergave van de planlocatie bezien vanaf de Spurkstraat (bron: maps.google.nl – streetview). De woning aan de Spurkstraat 61a, behoort tot een twee-onder-een kapwoning, samen met Spurkstraat 61 (links op de foto).
14
3. VISIE OP HET PLAN EN LANDSCHAPPELIJKE INPASSING 3.1 Visie op het plan Het planvoornemen betreft het wijzigen van een bestemmingsvlak en bouwvlak aan de Spurkstraat 61a te Den Dungen van Bedrijf in Wonen. Ten aanzien van deze bedrijfslocatie geldt dat er reeds een bedrijfsbeëindiging heeft plaatsgevonden. Een belangrijke toegevoegde waarde van onderhavige ontwikkeling is dat de planlocatie van het rommelige karakter wordt ontdaan door bijvoorbeeld het verwijderen van de buitenopslag / containers en de kwaliteitsverbetering van het terrein in welk kader een landschappelijk inpassingsplan is opgesteld. De woning aan de Spurkstraat 61a blijft voor de toekomst behouden. 3.2 Landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering Door GV Advies is een landschappelijk inpassingspan opgesteld (zie bijlage 1). De ruimtelijke structuur en beeldkwaliteit van de planlocatie en omgeving nemen toe en de planlocatie behoudt het land(schapp)elijke karakter. Onderliggend initiatief doet geen afbreuk aan de representativiteit van de locatie. Verder blijft de ruimtelijke beeldkwaliteit van het gebied in stand. Zodoende is het initiatief niet van negatieve invloed op het ruimtelijke omgevingskader en levert het evenmin een negatieve invulling aan de waarborging van de land(schapp)elijke karakteristiek en identiteit ter plaatse.
Geconcludeerd kan worden dat het planvoornemen bijdraagt aan een ruimtelijke en visuele koppeling met de omgeving en daarmee een positieve functionele invulling vormt. De voorgestane ontwikkeling steunt de waarborging van de land(schapp)elijke uitgangspunten en daarmee de ruimtelijke karakteristiek en identiteit ter plaatse.
15
4. BELEIDSTOETS 4.1 Inleiding Wat betreft de verantwoordelijkheidstoedeling en bevoegdheidsverdeling zijn het Rijk, de provincies en de gemeenten verantwoordelijk voor hun eigen belangen. Er kan slechts sprake zijn van bemoeienis van Rijk of provincie met de gemeente, indien dat noodzakelijk is vanwege een nationaal respectievelijk provinciaal belang. Rijk en provincies beschikken in de Wet ruimtelijke ordening over dezelfde bevoegdheden als gemeenten om hun eigen ruimtelijke belangen te kunnen uitvoeren. Daarnaast kunnen het Rijk en de provincies algemeen verbindende regels uitvaardigen en aanwijzingen geven om hun belangen veilig te stellen. Het beleid van de gemeente Sint-Michielsgestel vormt dus het kader waarbinnen de functionele en ruimtelijke ontwikkeling wordt vastgesteld. De ruimtelijke ontwikkelingsplannen van Rijk, provincie en regio vormen randvoorwaarden voor het gemeentelijke beleid. Voor zover relevant voor de plannen worden in de volgende paragrafen het Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid toegelicht. 4.2 Rijksbeleid Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Toetsingskader De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. In Nederland staan we voor een aantal dringende maatschappelijke opgaven.
Denk aan periodes van droogte, afgewisseld met extreme regenval, de zeespiegelstijging, de overgang naar duurzame energie en de ruimte die nodig is voor windmolens en zonnepanelen. Of de bouw van 1 miljoen nieuwe woningen om het woningtekort op te lossen, de groei en het bereikbaar houden van steden en plekken voor distributiecentra. Denk ook aan het versterken van onze natuur en biodiversiteit, het behoud van ons landschap en de vitaliteit van onze landbouw. Dit zijn voorbeelden van grote, ingewikkelde opgaven. Deze opgaven kunnen niet meer apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen we staan, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke keuzes we maken en welke richting we meegeven aan decentrale keuzes. Die keuzes hangen samen met de toekomstbeelden van de fysieke leefomgeving, de maatschappelijke opgaven en economische kansen die daarbij horen. Met de Nationale Omgevingsvisie geeft het Rijk een langetermijnvisie om de grote opgaven aan te pakken.
16
Om samen ons land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. De NOVI is tot stand is gekomen in nauwe samenwerking met provincies en gemeenten, waterschappen, maatschappelijke partijen en burgers. Hoe werkt de NOVI? Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. De NOVI maakt bij het maken van keuzes gebruik van drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies, Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal, en Afwentelen wordt voorkomen. Belangrijkste keuzes in de NOVI een klimaatbestendige inrichting van Nederland. Dat betekent dat we Nederland zo inrichten dat ons land de klimaatveranderingen aankan. Daarvoor is nodig dat we functies meer in evenwicht met natuurlijke systemen (bodem en water) inpassen. Een voorbeeld hiervan is het op termijn verhogen van grondwaterstanden in veenweidegebieden; de verandering van de energievoorziening. Bij de inpassing van duurzame energie hebben we oog voor omgevingskwaliteit.
Een voorbeeld hiervan is dat we eerst kijken naar ongebruikte daken om zonnepanelen op te plaatsten; de overgang naar een circulaire economie, waarbij we tegelijk goed kunnen blijven concurreren en een aantrekkelijk vestigingsklimaat bieden. Een voorbeeld is het aanpassen van productieprocessen en het gebruik van reststoffen in het haven- en industriegebied; de ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. Hiermee sturen we op een goed bereikbaar netwerk van steden. We gebruiken zo de ambities en mogelijkheden in steden en regio’s in heel Nederland. Voorbeelden van regionale uitwerking hiervan zijn de verstedelijkingsstrategieën, waarin vooruitgekeken wordt hoe verschillende ruimtelijke functies in en rondom steden het beste ingepast kunnen worden; het bij elkaar plaatsen van zogenaamde logistieke functies (bijvoorbeeld distributiecentra, datacenters) om hiermee de openheid en de kwaliteit van het landschap te behouden. We maken daarbij gebruik van een voorkeursvolgorde logistieke functies; het toekomstbestendig maken van het landelijk gebied in goed evenwicht met de natuur en landschap. We werken bijvoorbeeld aan de overgang naar de kringlooplandbouw zodat gebruik van de grond meer wordt afgestemd op de natuurlijke water- en bodemsystemen. Uitvoering van de NOVI
17
Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe het Rijk samen met medeoverheden en de samenleving uitvoering geeft aan de NOVI. In de Uitvoeringsagenda staat een overzicht van instrumenten voor de verschillende beleidskeuzes uit de NOVI. Het Rijk werkt de NOVI uit in algemene rijksregels, bestuurlijke afspraken, beleidsprogramma’s, inzet van financiële middelen en kennisontwikkeling en werkt gebiedsgericht met Omgevingsagenda’s en NOVI-gebieden. Doorwerking plan(locatie) Aspecten als water, veiligheid, cultuurhistorie en ruimtelijke kwaliteit vormen onderdeel van de planologische toets. De planlocatie is niet gelegen in een gebied waarvoor een relevante ruimtereservering geldt. Daarnaast wordt niet in een ontwikkeling voorzien die raakt aan een van de nationale belangen. Daarmee is het plan niet in strijd met het rijksbeleid. Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de Nationale Omgevingsvisie. Aan de ladder voor duurzame verstedelijking wordt navolgend getoetst.
Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 lid 2 Bro) Toetsingskader Met de inwerkingtreding op 1 oktober 2012 van artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) – de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ – geldt voor alle juridisch verbindende ruimtelijke plannen van decentrale overheden die (planologisch) nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken een bijzonder procesvereiste. Het procesvereiste van het doorlopen van de Ladder is gebaseerd op één van de nationale belangen als opgenomen in de SVIR, opgesteld door het Rijk. Dit nationale belang houdt in dat, ten behoeve van een goed systeem van ruimtelijke ordening, een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten plaats dient te vinden. Deze zorgvuldige afweging heeft tot doel om, vanuit een oogpunt van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, planologisch ongewenste versnippering en een onaanvaardbare leegstand te voorkomen. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. Artikel 3.1.6, tweede lid, luidt nu als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een
18
motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In artikel 1.1.1 onder i van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. De Laddertoets geldt alleen voor ‘nieuwe’ stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was of kon worden gerealiseerd. Daarnaast volgt uit jurisprudentie dat wanneer het een functiewijziging betreft, moet worden beoordeeld of er sprake is van een naar aard en omvang zodanige functiewijziging dat desalniettemin gesproken kan worden van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarbij moet ook het ruimtebeslag betrokken worden.
In de nieuwe Ladder is het woord 'regionale' niet meer aanwezig. De Ladder bepaalt niet nader voor welk gebied de behoefte in beeld moet worden gebracht. Het is primair aan het bevoegd gezag om op basis van het ruimtelijk verzorgingsgebied van de stedelijke ontwikkeling te bepalen tot welk gebied de beschrijving van de behoefte zich moet uitstrekken. De aard en omvang van de stedelijke ontwikkeling bepaalt op welk niveau de afweging moet worden gemaakt. De toelichting van het bestemmingsplan moet een beschrijving bevatten van de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Daarbij is het niet relevant of de planlocatie binnen of buiten bestaand stedelijk gebied ligt. In beide gevallen dient de plantoelichting een beschrijving van de behoefte te bevatten. In artikel 1.1.1 onder h van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip 'bestaand stedelijk gebied' vastgelegd. Als bestaand stedelijk gebied wordt aangemerkt: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.
19
Uit de definitie volgt dat er sprake moet zijn van een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing. In de Nota van Toelichting wordt opgemerkt dat de kwalificatie bestaand stedelijk gebied afhangt van de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het bestemmingsplan en de aard van de omgeving. Doorwerking plan(locatie) Onderliggende ontwikkeling voorziet het plan niet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. De in het plan voorziene ontwikkeling kan dan ook niet worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in deze bepaling van het Bro, zodat artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet van toepassing is. Gezien het voorgaande vormt de ladder voor duurzame ontwikkeling geen belemmering voor de voorgestane ontwikkeling. Conclusie Er is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder voor duurzame verstedelijking. Daardoor is de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing. 4.3 Provinciaal beleid Omgevingsvisie Noord-Brabant en Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant Toetsingskader Het provinciale ruimtelijke beleid staat de realisering van de plannen niet in de weg.
Hoofddoelstellingen van de Omgevingsvisie Noord-Brabant en de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant zijn ‘zuinig ruimtegebruik’ met daaraan gekoppeld de ‘concentratie van verstedelijking’. De accenten moeten hierbij liggen op ‘inbreiding’ en ‘herstructurering’. Concentratie van verstedelijking De provincie stuurt op concentratie van verstedelijking: het is belangrijk dat er verschil bestaat en blijft bestaan tussen de steden en dorpen. De stedelijke structuur bestaat uit de steden en dorpen in Noord-Brabant en is onderverdeeld in ‘concentratiegebieden’ en ‘overig stedelijk gebied’. In concentratiegebieden wordt de bovenlokale groei van verstedelijking opgevangen. Daarnaast moet hier een hoog voorzieningenniveau geboden worden, waardoor de (suburbane) kernen en dorpen buiten het concentratiegebied het huidige (landelijke) karakter behouden. In overig stedelijk gebied is grootschalige verstedelijking ongewenst. Wel kan hier voor de eigen behoefte gebouwd worden. Naast concentratie van verstedelijking wil de provincie binnen de stedelijke structuur het volgende bereiken:
20
• • • •
zorgvuldig ruimtegebruik; meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit; betere verknoping van stedelijke ontwikkelingen aan de infrastructuur; versterking van de economische kennisclusters.
Voor onderhavig initiatief spelen de elementen ‘zorgvuldig ruimtegebruik’ en ‘meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit’ een rol. Zorgvuldig ruimtegebruik De provincie wil dat de kansen voor functiemenging, inbreiding, herstructurering en zo nodig transformatie in het stedelijk gebied goed worden benut, inclusief de mogelijkheden voor intensivering en meervoudig ruimtegebruik. Hierdoor is minder ruimte nodig voor stedelijke uitbreidingen. Het ‘aansnijden van nieuwe ruimte’ voor verstedelijking wordt in samenhang bezien met deze mogelijkheden. Door meer aandacht te schenken aan beheer en onderhoud van het bestaand stedelijke gebied worden in de toekomst ingrijpende herstructureringen voorkomen. Meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit Karakteristieke verschillen tussen dorpen en steden vervagen. Uitbreidingswijken en werklocaties in steden en dorpen gaan steeds meer op elkaar lijken. De provincie wil dat nieuwe ontwikkelingen meer inspelen op het karakter en de kwaliteit van de plek. Door bij stedelijke ontwikkelingen uit te gaan van het verschil in omvang en karakter van de verschillende kernen, wordt het contrast tussen stad en dorp behouden. Dit versterkt de identiteit en aantrekkelijkheid van kernen en hun relatie met het omliggende landschap.
Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant Het beleid uit de Omgevingsvisie Noord-Brabant is verwerkt in de regels die zijn opgenomen in de Omgevingsverordening Noord-Brabant van de provincie. De onderwerpen die in de verordening staan komen dus uit de provinciale omgevingsvisie. Daarin staat welke belangen de provincie wil behartigen en hoe ze dat wil doen. De verordening is daarbij één van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen. In de verordening is een aantal aspecten opgenomen die van toepassing zijn op onderhavig plan. Deze zullen hierna worden besproken. De provincie wil de ruimtelijke kwaliteit van Noord-Brabant bevorderen. Dit betekent dat nieuwe ontwikkelingen een bijdrage moeten leveren aan de kernkwaliteiten van NoordBrabant. De provincie biedt ontwikkelingsruimte in het buitengebied, mits een ontwikkeling bijdraagt aan een versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Nieuwe ontwikkelingen bieden een
21
kans voor behoud en ontwikkeling van het landschap. Het ontwikkelen van landschap reikt verder dan het behouden wat er is, ontwikkelen van het landschap gaat ook om het toevoegen van nieuwe ruimtelijke kwaliteiten. De provincie onderscheidt een zestal mogelijk van toepassing zijnde thema’s waarin beleidsuitgangspunten zijn opgenomen. Deze thema’s zijn tevens in kaart gebracht. Onderstaande tabel illustreert welke thematische kaarten in principe van toepassing zijn op de planlocatie en welke niet. Thema / kaartnaam Instructieregels voor gemeenten: basiskaart Instructieregels voor gemeenten: aardkundige, cultuurhistorische en groenblauwe waarden Instructieregels voor gemeenten: natuur en stiltegebieden Instructieregels voor gemeenten: water en geluidszone provinciale wegen Instructieregels voor gemeenten: specifieke agrarische ontwikkelingen Instructieregels voor waterschappen: watersystemen, veiligheid en -berging
Van toepassing Ja Ja Nee Ja Ja Nee
Instructieregels voor gemeenten: basiskaart Binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels voor gemeenten: basiskaart’ is de planlocatie aangeduid als ‘Landelijk gebied’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.
22
Onderhavige planlocatie is gelegen in het ‘Landelijk gebied’ van de provincie Noord-Brabant. Binnen de provincie wordt onderscheid gemaakt in het landelijke en het stedelijke gebied. Binnen deze eerste aanduiding is onder voorwaarden een stedelijke ontwikkeling mogelijk. Binnen de primair agrarische gebieden is de provincie terughoudend met de (verdere) ontwikkeling van niet-agrarische functies. De land- en tuinbouw heeft in deze gebieden het primaat. Tevens dient bij stedelijke ontwikkelingen in het landelijke gebied worden voorzien in een kwaliteitsverbetering. Artikel 3.9 ‘kwaliteitsverbetering landschap’ zegt hierover het volgende: Lid 1 Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk Gebied bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. Lid 2 Het bestemmingsplan motiveert dat de verbetering past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied én op welke wijze de uitvoering is geborgd door dat: a. dit financieel, juridisch en feitelijk is geborgd in het plan; of b. de afspraken uit het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 6.2 Regionaal samenwerken, worden nagekomen. Lid 3 Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan mede de volgende aspecten omvatten: a. de op grond van deze verordening verplichte landschappelijke inpassing; b.
het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land; c. het behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen; d. het wegnemen van verharding; e. het slopen van bebouwing; f. de realisering van het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones; g. het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Lid 4 Ingeval er toepassing wordt gegeven aan het tweede lid onder b geldt dat een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds is verzekerd én over de besteding van dat fonds periodiek verslag wordt gedaan in het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 6.2 Regionaal samenwerken.
23
Doorwerking plan(locatie) Onderhavig planvoornemen behelst onder meer de bestemmingswijziging van ‘Bedrijf’ en ‘Agrarisch’ in ‘Wonen’ in het landelijk gebied. Binnen de kaders van de provinciale regelgeving is de oprichting van een nieuwe stedelijke functie mogelijk, mits voldaan wordt aan de voorwaarden zoals opgesteld in artikel 3.9 van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (ontwerp). Deze regels stellen voorwaarden aan de kwaliteit van de planlocatie in relatie tot de omgeving. Met onderhavig planvoornemen wordt hier aan voldaan. Dit blijkt uit deze ruimtelijke onderbouwing en dan met name uit het landschappelijke inpassingsplan dat als bijlage 1 is toegevoegd en waarvan de belangrijkste onderdelen reeds in hoofdstuk 3 zijn omschreven. Instructieregels voor gemeenten: aardkundige, cultuurhistorische en groenblauwe waarden Binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels voor gemeenten: aardkundige, cultuurhistorische en groenblauwe waarden’ is de planlocatie aangeduid als gebied van ‘Cultuurhistorische waarden’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.
Een omgevingsplan van toepassing op een locatie aangeduid als een gebied met ‘Cultuurhistorische waarden’ is mede gericht op het behoud, het herstel of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken zoals beschreven in de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart. Tevens zijn er ter plaatse regels opgesteld ter bescherming van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden en bebouwing. Dit heeft bijvoorbeeld een plek gekregen binnen de regelgeving van het bestemmingsplan (aanduiding of dubbelbestemming). Voorts zijn ter plaatse alleen
24
activiteiten en functies mogelijk die geen afbreuk doen aan de aanwezige cultuurhistorische waarden en kenmerken of deze versterken. Doorwerking plan(locatie) Onderhavig planvoornemen behelst onder meer de bestemmingswijziging van ‘Agrarisch’ en ‘Bedrijf’’ in ‘Wonen’ in het landelijk gebied. Met het plan wordt een bestaande woning behouden en herbestemd. Er zijn geen bouw- of graafwerkzaamheden gemoeid met onderhavige bestemmingswijziging. Derhalve blijven toegekende cultuurhistorische waarden in tact. Instructieregels voor gemeenten: water en geluidszone provinciale wegen Binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels voor gemeenten: water en geluidszone provinciale wegen’ is de planlocatie aangeduid als ‘Voorkomen grondwaterverontreiniging’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.
Een omgevingsplan gelegen binnen de aanduiding ‘Voorkomen grondwaterverontreiniging’ bepaalt dat voorafgaand aan het verrichten van een bouwactiviteit voor een gebouw of gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt, inclusief een daaraan grenzende tuin of een aangrenzend terrein, onderzocht wordt of er sprake is van een mobiele verontreinigingssituatie door raadpleging van een bodeminformatiesysteem, voorafgaand bodemonderzoek of het overleggen van een beschikking, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of een mogelijke verspreiding van een
25
verontreiniging, geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is. Doorwerking plan(locatie) Onderhavige planuitvoering betreft een bestemmingswijziging zonder dat hier bouw- of graafwerkzamheden aan ten grondslag liggen. Derhalve worden gronden niet geroerd en zullen in eerste instantie geen onderzoeken op het gebied van bodemkwaliteit of de hydrologische situatie plaatsvinden. Instructieregels voor gemeenten: specifieke agrarische ontwikkelingen Binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels voor gemeenten: specifieke agrarische ontwikkelingen’ is de planlocatie aangeduid als en ‘Stalderingsgebied’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.
De aanduiding ‘stalderingsgebied’ heeft enkel invloed op bestaande agrarische bedrijven. Onderhavig plan betreft een bestemmingswijzing en de verplaatsing van een bestemmingsvlak wonen met bouwvlak. De uitgangspunten en regeling ten aanzien van staldering heeft hier geen invloed op, en andersom doet onderhavig planvoornemen geen afbreuk aan deze beleidsregels.
26
Doorwerking plan(locatie) De aanduidingen binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels gemeenten: specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen’ zijn niet van toepassing op onderhavige ontwikkeling. Conclusie Onderhavige ontwikkeling doet geen afbreuk aan het bestaande landelijke karakter ter plaatse, maar tracht deze juist te versterken. Het stedelijke karakter van deze functie is minimaal en passend bij de omgeving. In deze paragraaf zijn de belangen en regels van de provincie Noord-Brabant behandeld. Er is verantwoord op welke wijze er met dit plan wordt voldaan of wordt tegemoet gekomen aan de randvoorwaarden die de provincie in haar beleid heeft opgenomen. De planontwikkeling heeft geen nadelige gevolgen voor de ambities die de provincie nastreeft en heeft geformuleerd in de Omgevingsvisie Noord-Brabant en de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Er wordt met onderhavige ontwikkeling derhalve geen afbreuk gedaan aan de beleidsdoelstellingen en ambities, zoals opgenomen in de structuurvisie en de verordening. De ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid van onderhavige ontwikkeling wordt gemotiveerd in de hoofdstuk 5.
4.4 Gemeentelijk beleid Het planologisch-juridische beleidskader van het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Michielsgestel’ en ‘Buitengebied Sint-Michielsgestel, 2e actualisatie’ zijn reeds in paragraaf 1.3 aan bod gekomen. In het verdere vervolg van deze paparagraaf worden de gevolgen van de beleidslijnen uit achtereenvolgens de ‘Structuurvisie buitengebied SintMichielsgestel’, de ‘Structuurvisie Sint-Michielsgestel 2025’ en het gemeentelijke beleid ten aanzien van klimaat en duurzaamheid behandeld. Structuurvisie buitengebied Sint-Michielsgestel (2011) Wonen is een niet aan het buitengebied gebonden functie en dus eigenlijk niet gewenst. Door verschillende omstandigheden zijn er stallen leeg komen te staan en vindt er op die manier niet alleen een verrommeling plaats, maar verandert ook de economische en leefbaarheidssituatie in het buitengebied. Stallen werden gebruikt door niet gewenste activiteiten, zoals bijvoorbeeld de wietteelt. Om die verrommeling tegen te gaan en de economische en leefbaarheidssituatie op peil te houden is er een aantal regelingen in het leven geroepen. Met deze regelingen zijn er mogelijkheden geschapen om de niet aan het buitengebied gerelateerde functies (bijvoorbeeld wonen) toch mogelijk te
27
maken. Een voorbeeld hiervan is de Ruimte-voor-Ruimte regeling. Via kwaliteitswinst is het mogelijk om deze functies te verwezenlijken. Uiteindelijk zijn deze regelingen in het provinciaal beleid verwerkt. Het beleid geeft een kader voor de mogelijkheden tot hergebruik van agrarische locaties. Om de aan het buitengebied gerelateerde functies niet te belemmeren is er voor gekozen om, onder voorwaarden, nieuwe functies voornamelijk in bebouwingslinten, -concentraties en kernrandzones plaats te laten vinden vanwege hun vaak reeds gemengde karakter. Onderhavige planlocatie behoort tot een van die bebouwingsconcentraties. De belangrijkste voorwaarde om niet aan het buitengebied gebonden functies te realiseren is dat zij moeten zorgen voor een kwaliteitsverbetering van het buitengebied. Een functie kan niet gerealiseerd worden zonder dat er een kwaliteitsslag is gemaakt. Het doel van de structuurvisie is immers om de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied te verbeteren. De gemeente Sint-Michielsgestel heeft in deze visie een wensbeeld neergelegd met betrekking tot het buitengebied. Om dit wensbeeld te realiseren is er een kans voor niet aan het buitengebied gerelateerde functies.
Onder voorwaarden dat deze functies een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied en daarmee een bijdrage leveren aan het wensbeeld van de gemeente kunnen deze functies plaatsvinden/gerealiseerd worden. Onderhavige planlocatie behoort tot de gemeentelijke bebouwingsconcentratie ‘Spurkstraat/Hoek’. In de bebouwingsconcentraties zijn ruimere mogelijkheden voor agrarisch nevenactiviteiten in vergelijking met de rest van het buitengebied, mits deze samengaan met een verbetering van het landschap. Er is een analyse gemaakt van de ruimtelijke kwaliteiten, het type bebouwingsconcentratie (karakter) en functies in de omgeving. Op basis van die analyse is een locatiekeuze gemaakt waar nieuwe, niet aan het buitengebied gerelateerde, functies onder voorwaarden gerealiseerd kunnen worden. Dit betekent niet dat er op een willekeurige plek in een bebouwingsconcentratie een woning of een andere niet aan het buitengebied gebonden functie gerealiseerd kan en mag worden. In deze visie is een afweging gemaakt op basis van de reeds aanwezige kwaliteiten van de linten en hun omgeving. Initiatieven in het overige buitengebied (dus buiten de bebouwingsconcentraties) zijn niet per definitie onmogelijk. Maatwerk en flexibiliteit zijn hierbij belangrijke kernwoorden.
Per bebouwingsconcentratie is een beschrijving van het de huidige situatie en het beleid gegeven, en is een toekomstvisie, inclusief visiekaart gemaakt. De bebouwingsconcentratie ‘Spurkstraat/Hoek’ bezit geen kernkwaliteiten welke de planontwikkeling in de weg staan. Echter heeft de oprichting bestemmingswijziging tot een burgerwoning vooralsnog geen directe plek in de Structuurvisie: de planlocatie betreft geen
28
‘zoekgebied’ voor een woning ‘Buitengebied in Ontwikkeling’. Uit onderstaand kaartbeeld is echter wel af te lezen dat oprichting van een woning aan de achterzijde van de Spurkstraat 61a, het huidige bebouwingslint niet verstoord wordt en feitelijk een nieuw puzzelstuk is binnen de reeds ontstane bebouwingsconcentratie. In de structuurvisie worden de volgende mogelijkheden tot versterking van de ruimtelijke kwaliteit van de bebouwingsconcentratie ‘Spurkstraat/Hoek’ genoemd: - Ontstening van agrarische bedrijven /verkleinen van de korrelgrootte van bedrijfskavels; - Het terugbrengen van een achtergevelrooilijn door ontstening van diep in het landschap liggende kavels; - Het aanbrengen van nieuwe kavelbeplantingen dwars op het lint; - Het herstellen van de zichtrelatie Spurkstraat-Spekstraat door het verwijderen van de kavelbeplantingen aan de Baarsend; - Het op strategische plaatsen verwijderen van opstallen en beplantingen om doorzichten te creëren; - Het wegplanten van grote opstallen; - Het versterken van de laanstructuur, door het opnieuw aanplanten van karakteristieke soorten waar de beplanting is weggevallen; - Op vrijkomende agrarische kavels kan te allen tijde gebruikt worden gemaakt van de regeling ‘ruimte-voor-ruimte’, of de regeling ‘ruimte-voor-ruimte-verbreed’, deze dienen het historische karakter van het lint te ondersteunen in vorm en oriëntatie.
De transformatie van agrarisch lint naar woonlint heeft hier reeds plaatsgevonden. In de visie op ‘Spurkstraat / Hoek’ ligt de nadruk om deze transformatie naar ‘woonlint’, waarin de historische kenmerken de boventoon gaan voeren, verder te ontwikkelen. Dit kan beperkingen opleveren voor de aanwezige agrariërs, maar vormt ook een uitgebreider restrictiekader voor toekomstige ontwikkelingen in het lint. Bij het toestaan van nieuwe economische dragers is het van groot belang dat het historisch lint herkenbaar en intact blijft. Dit betekent dat ontwikkelingen kleinschalig zijn met geringe ruimtelijke impact. De afwisseling van bebouwing, en doorzichten naar het achterliggende landschap is karakteristiek. Woningen en opgaand groen kunnen worden toegevoegd op plaatsen waar deze karakteristiek versterkt kan worden. Nieuwe woningen moeten met de lange zijde naar de weg liggen. Het consequent doorzetten van de laanbeplanting draagt bij aan een heldere ruimtelijke geleding. De visie is gericht op ontstening en de transformatie naar woonlint. Nieuwe economische dragers met een grote impact op de ruimtelijke structuur dienen te worden vermeden.
29
Op onderstaande visiekaart zijn de kwaliteiten aangeduid.
Voor de ontwikkelingen in bebouwingsconcentratie ‘Spurkstraat/Hoek’ dient ten minste aansluiting te worden gezocht bij de visie op deze bebouwingsconcentrie. Hierin worden de volgende te behouden ruimtelijke kwaliteiten onderscheiden: • Te behouden ruimtelijke kwaliteiten: o Groene en historische uitstraling van het lint; o De karakteristieke afwisseling tussen langgevelboerderijen, beplantingen en doorzichten het landschap in; o De historische laanbeplanting; o De erf,-, en kavelbeplantingen; o De korte afstand tussen weg en bebouwing; o De zichtlijnen of doorzichten het landschap in Als verstoringen in de ruimtelijke kwaliteit worden gezien: • Grootschalige bedrijven met aaneengesloten of geclusterde bebouwingsmassa’s; • Aaneengesloten verhardingen; • Bebouwingsmassa’s die diep het landschap insteken en het doorzicht beperken; • Onderbrekingen in de laanstructuur; • Grote opstallen in open gebieden; • Onderbroken zichtrelatie met het landschap door aaneengesloten massa’s bebouwing en beplanting langszij het lint.
30
De planlocatie belemmert niet de openheid en zichtlijnen. De nieuwe natuur, zoals opgenomen in het inpassingsplan, is vanuit het openbaar gebied voldoende waarneembaar en beleefbaar dan wel openbaar toegankelijk. Voor de planlocatie c.q. het plan geldt dat land(schapp)elijke en natuurwaarden en kwaliteiten, de beleving van het buitengebied en een vitaal platteland behouden blijven. De aanwezige waarden en ruimtelijke kwaliteiten van de planlocatie en de directe omgeving worden gerespecteerd en waar mogelijk versterkt. De ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieuhygiënische aanvaardbaarheid van het ruimtelijke initiatief worden gemotiveerd in de opgestelde ruimtelijke onderbouwing. De gevolgen van de planontwikkeling voor de bestaande ruimtelijke structuur en beeldkwaliteit komen aan bod alsmede de landschappelijke inpassing en ruimtelijke kwaliteitsverbetering. De beoogde bestemmingswijziging zorgt niet in een verandering van de ruimtelijke structuur en beeldkwaliteit ter plaatse van de planlocatie. Met onderliggend initiatief ontstaat een representatieve locatie die de ruimtelijke beeldkwaliteit van het gebied in stand houdt en, door de voorgestelde aanpassingen, verbetert.
Op deze wijze heeft het initiatief een toegevoegde waarde voor het ruimtelijke omgevingskader en levert het daarmee tevens een positieve invulling aan de waarborging van de stedenbouwkundige en land(schapp)elijke karakteristiek en identiteit ter plaatse. Structuurvisie Sint-Michielsgestel 2025 (2011) Op de hierna volgende uitsnede van de kaart ‘Structuurvisie Sint-Michielsgestel 2025’ is de globale ligging van de planlocatie rood omcirkeld aangegeven.
Te zien is dat de planlocatie niet is gelegen binnen een belangrijke kernwaarde, toegekend door gemeente Sint-Michielsgestel binnen deze structuurvisie. De Structuurvisie Sint-
31
Michielsgestel 2025 heeft weinig tot geen (beleidsmatige) betekenis voor het bouwplan en de planlocatie. Wel is de planlocatie gelegen aan de hoofdroute van de bestaande groenstructuur in het landelijk gebied. In hoofdstuk 3 is waarneembaar dat initiatiefnemer in het landschappelijk inpassingsplan een groene aanvulling op locatie invult en dat de bestaande groenstructuur in het straatbeeld daarbij overeind blijft. Slotconclusie gemeentelijk beleid De planlocatie aan de Spurkstraat is vanwege de ligging in een bebouwingsconcentratie in beginsel bij uitstek geschikt voor de tranformatie van bedrijfslocatie naar woonlocatie. Een bestaande woning wordt van bestemming gewijzigd, waardoor het behoud van kernkwaliteiten zoals zichtlijnen en de aanwezig openheid, behouden blijven. Uit deze ruimtelijke onderbouwing blijkt tevens dat de land(schapp)elijke en ecologische waarden en de milieu-hygiënische en waterhuishoudkundige situatie behouden, versterkt of verbeterd worden. Belangrijk gegeven is dat de ontwikkelingsmogelijkheden van de nabij gelegen agrarische en niet-agrarische bedrijven niet worden beknot. De voorgestane ontwikkeling steunt de waarborging van de stedenbouwkundige, land(schapp)elijke en architectonische uitgangspunten en daarmee de ruimtelijke karakteristiek en identiteit ter plaatse.
Uit de ruimtelijke onderbouwing blijkt dat het bouwplan zich verhoudt – zowel in negatieve als positieve zin – tot de aanwezige functies en waarden binnen de planlocaties en de directe omgeving ervan. In dit kader worden, behalve het ruimtelijk-planologische beleid en de landschappelijke toets, alle ruimtelijke en milieuhygiënische aspecten nader beschouwd Met het realiseren van het plan wordt verder zoveel als mogelijk rekening gehouden met het uitgangspunt om te komen tot duurzaam bouwen.
32
5. MILIEU-HYGIËNISCHE EN PLANOLOGISCHE VERANTWOORDING 5.1 M.e.r.-beoordeling Toetsingskader Het Besluit Mer is per 1 juli 2017 gewijzigd. De nieuwe beoordelingssystematiek moet worden toegepast en worden omschreven. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die onder de drempelwaarden van kolom 2 vallen moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Dit houdt in dat er voorafgaand aan de vaststelling van een bestemmingsplan een aparte merbeoordelingsbeslissing moet worden genomen dat geen MER nodig is. Dit beslissingsdocument moet vervolgens in de bijlage van de toelichting opgenomen worden. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een m.e.r. nodig. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is dus altijd nodig als een besluit of plan wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst en die onder de drempelwaarden liggen. Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling gelden twee voorwaarden: 1.
het gaat over één of meer activiteiten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r.; 2. de omvang van al die activiteit(en) ligt onder de drempelwaarde (kolom 2 van de Dlijst). Bij besluiten en plannen over activiteiten die niet op de D-lijst staan, is de vormvrije m.e.r.beoordeling dus niet nodig. In de bijlage bij het Besluit MER is opgenomen welke activiteiten m.e.r.-plichtig zijn (de Clijst) en welke activiteiten m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling kan aandacht worden besteed aan het volgende: • een globale beschrijving van de ingreep-effectrelaties en dosis-effectrelaties van de voorgenomen activiteit; • wat zijn maatgevende effecten van de voorgenomen activiteit? Is er sprake van emissies (bijvoorbeeld van geluid, lucht), verkeersaantrekkende werking e.d.? • wat is het ruimtebeslag? • wat is de afstand van de activiteit(en) tot gebieden die gevoelig zijn?