CConstaterende datsint-michielsgestel
Koppel je AI →
Document · PDF

18. D Spekstraat ong. G1422 (tegenover 3a)

Gemeenteraad 29 juni 2023, gemeente sint-michielsgestelBij agendapunt: 12.2 - Bijlagen behorende bij toelichting15.796 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Ruimtelijke onderbouwing Toelichting Spekstraat ongenummerd Den Dungen

Herontwikkeling Vinkelsestraat 135, 139 en 139a

Gemeente Sint-Michielsgestel

Gemeente ‘s-Hertogenbosch

1

Colofon Rapport: Ruimtelijke onderbouwing Spekstraat ongenummerd Den Dungen Rapportnummer: 2021.1207 Status: Ontwerp Datum: 26 oktober 2022 Projectlocatie Spekstraat ongenummerd 5275 JG Den Dungen Opdrachtnemer Reland Bezoekadres: Burg. Verdijkplein 1 5835 AR Beugen Correspondentieadres: Postbus 186 5830 AD Boxmeer www.reland.nl Projectleiding Reland 085 043 1949 info@reland.nl

© oktober 2022 Reland

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd door middel van druk, fotokopie, microfilm, geluidsband, elektronisch of op welke andere wijze dan ook, en evenmin in een geautomatiseerd gegevensbestand worden opgeslagen, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Reland. Aan de inhoud van dit rapport kunnen geen rechten worden ontleend. Reland verwerpt elke aansprakelijkheid voor een ander gebruik van deze tekst dan voor de situatie waarvoor deze wordt uitgebracht. De informatie in deze tekst is onder voorbehoud en kan worden veranderd zonder voorafgaande kennisgeving.

2

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding ................................................................................................................ 1 1.1

Aanleiding ............................................................................................................ 1

1.2

Begrenzing plangebied ........................................................................................ 1

1.3

Leeswijzer ............................................................................................................ 1

Hoofdstuk 2 Huidige situatie omgeving .................................................................................... 2 2.1

Inleiding ................................................................................................................ 2

2.2

Ruimtelijke structuur ............................................................................................ 2

2.3

Functionele structuur ........................................................................................... 3

2.4

Geldend bestemmingsplan .................................................................................. 3

Hoofdstuk 3 Planbeschrijving ................................................................................................... 5 3.1

Ontwikkeling ......................................................................................................... 5

3.2

Stedenbouwkundige verantwoording .................................................................... 5

3.3

Landschappelijke inpassing ................................................................................. 7

HOOFDSTUK 4 Beleidskader .................................................................................................. 8 4.1

Rijksbeleid ............................................................................................................ 8

4.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) ..................................................................... 8 4.1.2 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte .............................................................. 8 4.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening .................................................... 9 4.1.4 Ladder voor duurzame verstedelijking ............................................................. 10 4.2

Provinciaal beleid ............................................................................................... 10

4.2.1 Structuurvisie Ruimtelijke Ordening, Noord-Brabant ....................................... 10 4.2.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant ................................................ 12 4.3

Gemeentelijke beleid ......................................................................................... 14

4.3.1 Structuurvisie – Sint-Michielsgestel 2025 en aanvulling structuurvisie Buitengebied 2015 .................................................................................................... 14 4.3.2 Structuurvisie - buitengebied in ontwikkeling Sint Michielsgestel .................... 15 4.3.3 Woonvisie 2016-2021 en Uitvoeringsnota Woningbouw 2016 ........................ 19 HOOFDSTUK 5 Omgevingsaspecten .................................................................................... 20 5.1

Milieu .................................................................................................................. 20

5.1.1 M.e.r. plicht ....................................................................................................... 20 5.1.2 Bodem .............................................................................................................. 20

3

5.1.3 Lucht ................................................................................................................. 21 5.1.4 Geur ................................................................................................................. 23 5.1.5 Geluid ............................................................................................................... 25 5.1.6 Externe veiligheid ............................................................................................. 27 5.1.7 Bedrijven- en milieuzonering ............................................................................ 29 5.1.8 Kabels en leidingen .......................................................................................... 31 5.1.9 Spuitzones gewasbescherming ....................................................................... 31 5.2

Water.................................................................................................................. 32

5.2.1 Beleid ............................................................................................................... 32 5.2.2 Toekomstige waterhuishoudkundige situatie ................................................... 34 5.3

Natuur ................................................................................................................ 35

5.3.1 Gebiedsbescherming ....................................................................................... 35 5.3.2 Soortenbescherming ........................................................................................ 36 5.4

Archeologie ........................................................................................................ 37

5.5

Landschap en cultuurhistorie ............................................................................. 39

5.6

Verkeer............................................................................................................... 40

5.6.1 Mobiliteit ........................................................................................................... 40 5.6.2 Parkeren ........................................................................................................... 40 HOOFDSTUK 6 Uitvoerbaarheid ............................................................................................ 41

BIJLAGEN Bijlage I Bijlage II Bijlage III Bijlage IV Bijlage V Bijlage VI Bijlage VII Bijlage VIII Bijlage IX

6.1

Economische uitvoerbaarheid ........................................................................... 41

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid ..................................................................... 41

– Landschappelijke inpassing – Verkennend bodemonderzoek – Akoestisch onderzoek – Watertoets – QuickScan Flora en Fauna – Archeologisch onderzoek – Omgevingsdialoog – Erfbeplantingsplan – Certificaten ruimte-voor-ruimte titels

4

Hoofdstuk 1.1

1 Inleiding

Aanleiding De initiatiefnemer is eigenaar van een perceel ter plaatse van Spekstraat ongenummerd (ten noorden van nummer 6) in Den Dungen. De initiatiefnemer wenst het perceel in ontwikkeling te brengen ten behoeve van de realisatie van twee woningen middels de zogenaamde Ruimte-voor-Ruimteregeling. Deze wens heeft de initiatiefnemer op 14 november 2019 middels een principeverzoek en op 30 juli 2020 met een aanvullende onderbouwing kenbaar gemaakt bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sint-Michielsgestel. Op 8 december 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sint-Michielsgestel een positief principeakkoord afgegeven voor de voorgenomen ontwikkeling. Om de Ruimte-voor-Ruimtewoningen te kunnen realiseren en de bestemming te kunnen wijzigen in de bestemming ‘Wonen’, middels opname in het, in voorbereiding zijnde, gemeentelijk veegplan dient een ruimtelijke onderbouwing te worden opgesteld, welke dan bij de planstukken van het veegplan wordt gevoegd. Onderliggend document betreft de ruimtelijke onderbouwing en hierin wordt het plan toegelicht, gemotiveerd en onderbouwd.

1.2

Begrenzing plangebied Het plangebied is gelegen aan de Spekstraat ongenummerd (ten noorden van nummer 6) in Den Dungen, in het buitengebied van de gemeente Sint-Michielsgestel. Het plangebied is gelegen op het perceel dat kadastraal bekend staat als gemeente Den Dungen, sectie G, perceelnummer 266 en heeft een oppervlakte van circa 10.485 m2.

1.3

Leeswijzer Deze ruimtelijke onderbouwing bestaat uit zes hoofdstukken en enkele bijlagen. Na dit inleidende hoofdstuk volgt in hoofdstuk 2 een beschrijving van de huidige situatie. In hoofdstuk 3 wordt de gewenste situatie beschreven. Vervolgens is in hoofdstuk 4 een toets op het relevante Rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid beschreven. Hoofdstuk 5 beschrijft de milieutechnische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Tot slot voorziet hoofdstuk 6 in de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

1

Hoofdstuk 2.1

2 Huidige situatie omgeving

Inleiding In dit hoofdstuk is een beschrijving gegeven van de omgeving waarin het plangebied zich bevindt. De beschrijving richt zich op de huidige structuren, kenmerken, functies en waarden van de omgeving van het plangebied.

2.2

Ruimtelijke structuur Het plangebied is gelegen aan de Spekstraat ongenummerd in Den Dungen, in het buitengebied van de gemeente Sint-Michielsgestel. Het plangebied is gelegen binnen het perceel dat kadastraal bekend staat als gemeente Den Dungen, sectie G, perceelnummer 266 en heeft een grootte van circa 10.485 m2. Het plangebied en haar ligging is weergegeven in figuur 1. Het plangebied bevindt zich op circa 200 meter ten oosten van de kern Den Dungen. De grond waarop het plangebied ligt is momenteel in gebruik als agrarisch productieland (maisteelt). Op de gronden bevindt zich geen bebouwing. Aan weerszijden van de Spekstraat bevinden zich laanbomen en watergangen (sloten). De Spekstraat heeft door haar afwisseling van burgerwoningen en agrarische percelen een halfopen-karakter.

Figuur 1. Ligging en afbakening plangebied

(plangebied rood omkaderd).

2

2.3

Functionele structuur De omgeving van het plangebied wordt met name gekenmerkt door de aanwezige burgerwoningen en de nabijheid van de kernen Den Dungen en Maaskantje. Naast burgerwoningen bevinden zich in het gebied ook een drietal agrarische bouwvlakken, niet zijnde intensieve veehouderijen. Het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf ligt op een afstand van 75 meter ten zuiden van het plangebied (Spekstraat 6). De agrarische bedrijfsgebouwen bij dit bedrijf zijn echter reeds gesaneerd. Daarnaast is op een afstand van circa 110 meter ten westen van het plangebied een melkveebedrijf gelegen (Paterstraat 46). Conform de actuele vergunning worden er echter geen dieren meer gehouden op deze locatie. Het derde agrarische bedrijf ligt op circa 290 meter ten zuidoosten van het plangebied en betreft een voormalige varkenshouderij waar bedrijfsmatig geen dieren meer worden gehouden (Spekstraat 9). Naast de agrarische bedrijven zijn er tevens een tuincentrum (detailhandel) en een bouwbedrijf in de omgeving gevestigd. De locatie van het tuincentrum is op dit moment in herontwikkeling t.b.v. de realisatie van twee woningen.

LEGENDA Plangebied Burgerwoning Agrarisch bedrijf Bedrijf

Kern Den Dungen Figuur 2. Functionele structuur in de omgeving.

2.4

Geldend bestemmingsplan Voor het plangebied zijn de bestemmingsplannen ‘Buitengebied Sint-Michielsgestel’ (vastgesteld 25-01-2013) en ‘Buitengebied Sint-Michielsgestel 2e actualisatie’ (vastgesteld 14-06-2018) vigerend. In figuur 3 op de volgende pagina is een uitsnede van het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Michielsgestel’ weergegeven. Voor het plangebied geldt de enkelbestemming ‘Agrarisch’. Binnen deze

3

enkelbestemming is het op dit moment niet mogelijk om woningen te realiseren. Naast de enkelbestemming zijn er ook een aantal gebiedsaanduidingen op het plangebied gelegen, namelijk: - ‘archeologische verwachtingswaarde 2’; - ‘reconstructiewetzone – verwevingsgebied’; - ‘bebouwingsconcentratie’; - ‘besloten gebied’; - ‘historisch landschappelijk gebied’. Met name de ligging binnen een bebouwingsconcentratie is van belang voor het ontwikkelen van Ruimte-voor-Ruimtekavels, in figuur 4 is dan ook een uitsnede van het bestemmingsplan weergegeven waarop deze bebouwingsconcentratie is uitgelicht.

Figuur 3. Uitsnede bestemmingsplan ‘Buitengebied SintMichielsgestel’ (plangebied rood omkaderd).

Figuur

4.

Uitsnede

bestemmingsplan

‘Buitengebied

Sint-Michielsgestel’

–

Bebouwingsconcentratie uitgelicht (plangebied rood omkaderd).

4

Hoofdstuk 3.1

3 Planbeschrijving

Ontwikkeling Het is de wens van de initiatiefnemer om de gronden in ontwikkeling te brengen ten behoeve van woningbouw in het kader van de Ruimte-voor-Ruimteregeling. De initiatiefnemer wenst twee kavels te realiseren binnen het eerder aangewezen plangebied. Om tot een goede ruimtelijke afweging te komen voor de wijze waarop de twee Ruimte-voor-Ruimtekavels dienen te worden geprojecteerd, is er een stedenbouwkundige analyse en -schets opgesteld. Daarop zijn duidelijk de kenmerken en waarden van het halfopen-landschap in relatie tot de twee woningen zichtbaar gemaakt

3.2

Stedenbouwkundige verantwoording Uit de structuurvisie van Den Dungen blijkt dat ter plaatse van het plangebied een of twee woningen ingepast kunnen worden met inachtneming van voldoende openheid van het landschap. Het concrete landschappelijke uitgangspunt is dat er vanaf de Spekstraat een zichtrelatie blijft met het open landschap aan weerszijden van de Spekstraat. Op basis van bezoek aan de locatie en met behulp van de luchtfoto is verder ‘ingezoomed’ op de gewenste zichtlijnen. Geconcludeerd is dat aan de westzijde van de Spekstraat, tegenover de bestaande bebouwing, voldoende ruimte bestaat voor de realisatie van twee grote kavels, dusdanig dat de zichtrelaties niet verstoord wordt. Naar aanleiding van het onderzoek naar de zichtlijnen en de landschappelijke openheid aan weerskanten van de Spekstraat komt een deelgebied naar voren, dat ruim genoeg is om twee grotere kavels uit te geven. Het bedoelde gebied heeft een totaal oppervlak van ca. 65 m x 53 m. Het gebied ten westen van de voor woningbouw geschikte kavels kan uitgegeven worden, bijvoorbeeld als woonweides of een boomgaard en zal onbebouwd blijven. De voorkeur gaat uit naar het vormgeven van de twee woningen als individuele eenheden aan de Spekstraat. Wat betreft kavelvorm, inrichting van de voortuin, de oriëntatie en de architectuur van de panden is het immers gepast als hier een gedifferentieerd beeld ontstaat.

Het verschil tussen een pand met een langsgevel en een pand met een dwarsgevel is een goede basis voor het tot stand brengen van de gewenst differentiatie. De voorkeur gaat uit naar groene erfscheidingen die haaks staan op de Spekstraat.

5

Figuur 5. Stedenbouwkundige opzet.

6

3.3

Landschappelijke inpassing Op basis van het bestaande landschap en rekening houdend met de landschappelijke zichtrelatie worden de woningen aan de Spekstraat landschappelijk ingepast. Hierbij is de zuidelijke kavel minder diep zodat de zichtlijn ten zuiden van het plangebied bewaard blijft. De twee kavels worden haaks op de historische Spekstraat voorzien van inheemse beplanting. Noordelijk van deze kavels ligt een weiland welke omzoomd is met een robuuste singel, deze dient als inspiratie en kapstok om aan te sluiten op de directe omgeving. Dit wordt vertaald in het aanbrengen van een overeenkomstige singel aan de zuidzijde van het zuidelijke kavel. Hierdoor krijgt de landschappelijke zichtrelatie een natuurlijke begeleiding die past in z’n directe omgeving. De kavels worden onderling gescheiden d.m.v. een hoge beukenhaag. De noordelijke kavelgrens wordt ook voorzien van een hoge beukenhaag omdat dit kavel al grenst aan de bestaande singel. Het einde van de kavels wordt gemarkeerd met solitaire landschapsbomen die de zichtrelatie van de kavels met het landschap en de kerktoren begeleiden. Achter de kavels ligt een 5m brede ecologische waterbergingszone met een flauw talud.

Figuur 6. Landschappelijk inpassingsplan.

7

HOOFDSTUK 4.1

4 Beleidskader

Rijksbeleid 4.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) naar de Tweede Kamer gestuurd. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan grote opgaven waardoor Nederland de komende 30 jaar verandert. Nederland staat voor een aantal urgente maatschappelijke opgaven, die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal spelen. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. Nederland heeft een lange traditie van aanpassen. Deze opgaven worden benut om vooruit te komen en tegelijkertijd het mooie van Nederland te behouden voor de toekomstige generaties. De NOVI biedt perspectief om deze grote opgaven aan te pakken, om samen Nederland mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Omgevingskwaliteit is het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Met inachtneming van maatschappelijke waarden en inhoudelijke normen voor bijvoorbeeld gezondheid, veiligheid en milieu. In dat samenspel van normen, waarden en collectieve ambities, stuurt de NOVI op samenwerking tussen alle betrokken partijen.

Bij kleinschalige ontwikkelingen op lokaal niveau dient rekening gehouden te worden met een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving. Wanneer aan deze voorwaarden wordt voldaan is een kleinschalig initiatief passend binnen de nationale omgevingsvisie NOVI. Uit hoofdstuk 5 blijkt dat de genoemde milieuaspecten geen belemmering vormen voor het planvoornemen. Daarnaast draagt de aankoop van twee ruimte-voor-ruimte titels (welke vrijkomen na de sanering van een intensieve veehouderij op een locatie elders) en de landschappelijke inpassing van het perceel bij aan een aantrekkelijkere leefomgeving. Er bestaan vanuit de Nationale omgevingsvisie NOVI geen belemmeringen voor het initiatief. 4.1.2 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In deze structuurvisie wordt een samenhangende visie gegeven op het Nederlands Rijk tot 2040. Kernwoorden in het SVIR zijn concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. De belangrijkste verandering is het terugtreden van de Rijksoverheid op het gebied van ruimtelijke ordening. Lagere overheden, waaronder provincies en gemeenten krijgen een grotere rol volgens het principe ‘decentraal, tenzij…’. De gebruiker moet weer centraal komen te staan. Het Rijksbeleid richt zich daarom op het vereenvoudigen van de regelgeving.

Hierdoor zal de bestuurlijke druk afnemen en ontstaat ruimte voor regionaal maatwerk. De verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal laat het Rijk over aan de provincies. Het Rijk versterkt de samenhang tussen de verschillende modaliteiten en tussen ruimtelijke ontwikkelingen en mobiliteit.

8

Het Rijk heeft drie streefdoelen geformuleerd waaraan 13 nationale belangen zijn gekoppeld. Het Rijk heeft voor heel Nederland twee nationale doelen gesteld (nummer 4 en nummer 8). Daarin wordt gesteld dat efficiënt gebruik van de ondergrond van belang is (zorgvuldig ruimtegebruik) en het verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water), bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s. De overige doelen en belangen zijn geografisch weergegeven in de Nationale hoofdstructuur. Het plangebied is niet binnen deze Nationale Hoofdstructuur gelegen. Hierdoor zijn in dit geval alleen de algemene regels van belang. Conclusie De bestemmingswijziging van slechts één perceel is niet van nationaal belang en leidt tevens niet tot een grootschalige ontwikkeling welke van nationaal belang zou kunnen zijn. Er kan worden gesteld dat de SVIR geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling. 4.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. In het SVIR wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau.

Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'neetenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling. In dit geval wordt gebruik gemaakt van een separate planologische procedure, de ontwikkeling wordt buiten het bestemmingsplan om mogelijk gemaakt doordat de ontwikkeling passend is binnen het provinciale beleid. Voor het overige worden er geen toevoegingen of overwegingen gemaakt om extra mogelijkheden of een gradatie in mogelijkheden op te nemen. Het Barro is dan ook niet relevant voor deze ontwikkeling. Conclusie Er worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt in onderhavig bestemmingsplan die in strijd zijn met één van de nationale belangen. Daarnaast is de ontwikkeling van kleinschalige aard waardoor verdere toetsing aan het Barro niet noodzakelijk is.

9

4.1.4 Ladder voor duurzame verstedelijking De Ladder voor duurzame verstedelijking (Ladder) is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik, met een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag wanneer er nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. Deze systematiek is opgenomen in artikel 3.1.6 Bro. De Ladder voor duurzame verstedelijking is in principe een uitwerking van Nationaal belang 4 uit de SVIR (efficiënt gebruik van de ondergrond, oftewel zorgvuldig ruimtegebruik). De Ladder is ervoor bedoeld dat zorgvuldig wordt nagedacht over nieuwe ontwikkelingen en de plek van de nieuwe ontwikkeling. Zo gaat bijvoorbeeld inbreiding voor uitbreiding. Voor nieuwe stedelijke functies geldt daarom dat de ladder doorlopen dient te worden om te bepalen of sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. In eerste instantie is het van belang om te bepalen of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Jurisprudentie heeft ervoor gezorgd dat dit begrip steeds verder gedefinieerd werd en zelfs in sommige gevallen kwantitatief kan zijn. De Ladder voor stedelijke ontwikkeling rekent een ontwikkeling van woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen als een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is, dit is voor de ontwikkeling van één woning dus niet het geval.

Conclusie De realisatie van twee Ruimte-voor-Ruimtewoningen wordt niet gezien als Ladderplichtig. De ladder voor duurzame verstedelijking is daarom niet van toepassing op deze ontwikkeling.

4.2

Provinciaal beleid 4.2.1 Structuurvisie Ruimtelijke Ordening, Noord-Brabant Op 1 oktober 2010 hebben Provinciale Staten de structuurvisie ruimtelijke ordening voor de provincie Noord-Brabant vastgesteld. Sinds de vaststelling van de Structuurvisie RO in 2010 hebben PS diverse besluiten genomen die een verandering brengen in de provinciale rol en sturing, of van provinciaal beleid. Deze besluiten zijn vertaald in de ‘Structuurvisie RO 2010 – partiële herziening 2014’ welke op 2 juli 2014 is vastgesteld. De Structuurvisie geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De Structuurvisie is een uitvloeisel van de Wro en is één van de vier strategische plannen van de provincie. Hierin worden de provinciale ruimtelijke belangen benoemd en de wijze waarop de provincie deze belangen behartigt. Ook de instrumenten die de provincie inzet om deze doelen te bereiken, staan in de structuurvisie beschreven. De provincie heeft in de structuurvisie 14 ruimtelijke belangen geformuleerd: 1. Regionale contrasten; 2. Een multifunctioneel landelijk gebied; 3. Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem;

10

4. Een betere waterveiligheid door preventie; 5. Koppeling van waterberging en droogtebestrijding; 6. Duurzaam gebruik van de ondergrond; 7. Ruimte voor duurzame energie; 8. Concentratie van verstedelijking; 9. Sterk stedelijk netwerk: BrabantStad; 10. Groene geledingszones tussen steden; 11. Gedifferentieerd aanbod aan goed bereikbare recreatieve vrijetijdsvoorzieningen; 12. Economische kennisclusters; 13. (Inter)nationale bereikbaarheid; 14. Beleefbaarheid stad en land vanaf de hoofdinfrastructuur. De ruimtelijke belangen zijn voor een groot deel geografisch gevisualiseerd in de structurenkaart waardoor helder wordt welke belangen de provincie op welke plek plaatst. Structurenkaart Onderhavige locatie is op de structurenkaart behorende bij de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening gelegen binnen de hoofdzone ‘Gemengd landelijk gebied’ (zie figuur 7).

Figuur 7. Uitsnede structurenkaart 'Structuurvisie 2010 - Partiële herziening 2014'. Plangebied rood omkaderd.

11

Gemengd landelijk gebied De provincie beschouwt het hele landelijk gebied als een gebied waarbinnen een menging van functies aanwezig is: het gemengd landelijk gebied. De mate van menging varieert daarbij van de gebieden waarbinnen meerdere functies in evenwicht naast elkaar bestaan tot gebieden waar de land- en tuinbouw de dominante functie is. Binnen het gemengd landelijk gebied is multifunctioneel gebruik het uitgangspunt. In de gemengde plattelandseconomie is naast ruimte voor de land- en tuinbouw ook ruimte voor de ontwikkeling van niet-agrarische functies, zoals toerisme, recreatie, kleinschalige bedrijvigheid, zorgfuncties et cetera. Dit kan door verbreding van agrarische activiteiten maar ook als zelfstandige functie, met name op vrijkomende locaties. Rondom steden, dorpen en natuur is er in de meeste gevallen feitelijk sprake van een gemengde plattelandseconomie. In de gebieden rondom steden en dorpen is daarbij meer ruimte voor de ontwikkeling van functies die zich richten op de inwoners van die kernen. Ontwikkelingen zoals wonen, werken, (historische) landgoederen, recreatie en toerisme, passen qua aard, schaal en functie bij de omgeving en houden rekening met de omgevingskwaliteiten. 4.2.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant In de structuurvisie is het provinciale belang voor de verschillende gebieden en functies in de provincie Noord-Brabant aangegeven.

Deze provinciale belangen worden geborgd door de regels die opgenomen zijn in de Interim omgevingsverordening NoordBrabant. De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is vastgesteld op 25 oktober 2019 en geconsolideerd op 15 april 2022. Onderliggend plan is getoetst aan deze omgevingsverordening. Allereerst gelden er voor ieder plan de algemene regels uit artikel 3 uit de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Artikel 3 voorziet in een zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit (3.5), zorgvuldig ruimtegebruik (3.6), meerwaardecreatie (3.8) en kwaliteitsverbetering van het landschap (3.9). De Interim omgevingsverordening maakt onderscheid in een aantal instructieregels voor gemeenten voor bepaalde thema’s, namelijk: -

Stedelijke ontwikkeling en erfgoed; Natuur en stiltegebieden; Grondwaterbescherming, waterveiligheid en -berging; Basiskaart Landelijk gebied; Specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen.

Om deze instructieregels voor gemeenten duidelijk weer te geven voor locaties, zijn er bijbehorende kaarten opgesteld. Ook voor de beleidsbeoordeling van onderhavig plangebied en bijbehorende ontwikkeling zijn deze kaarten van belang. Onderhavig plangebied is volgens de structurenkaart binnen de hoofdzone ‘landelijk gebied’ gelegen waardoor de ‘basiskaart landelijk gebied’ van belang is. Daarnaast blijkt uit de kaart ‘Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling’ dat het plangebied is gelegen binnen de contour ‘Verstedelijking afweegbaar’.

12

Figuur 8. Uitsnede structuurkaart Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Plangebied rood omkaderd.

Uit figuur 8 blijkt dat het plangebied gelegen is binnen het landelijk gebied. Binnen het landelijk gebied is ruimte voor een menging van functies. Zo zijn hier naast agrarische ontwikkelingen tevens ontwikkelingen op het gebied van natuur, recreatie, wonen en bedrijvigheid mogelijk. De voorgenomen ontwikkeling binnen het plangebied betreft de realisatie van twee Ruimte-voor-Ruimte woningen met ieder één bijgebouw. De nieuwvestiging van woningen in het landelijk gebied wordt onder bepaalde voorwaarden mogelijk gemaakt door de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. In artikel 3.79 ‘ruimte-voor-ruimte kavel’ is namelijk beschreven dat een bestemmingsplan kan voorzien in een of meerdere ruimte-voor-ruimtekavels in Landelijk gebied als deze ontwikkeling: • door of vanwege de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte plaatsvindt, gelet op de in het verleden behaalde aanzienlijke winst van omgevingskwaliteit; • op een aanvaardbare locatie plaatsvindt als bedoeld in Artikel 3.78 Maatwerk met als doel omgevingskwaliteit, derde Lid; en • past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied, bedoeld in Artikel 3.77. De Ruimte voor Ruimte regeling is een beleidsregel van de provincie Noord-Brabant. Met deze regeling is het mogelijk om in ruil voor de sloop van bedrijfsbebouwing ten behoeve van intensieve veehouderijbedrijven een nieuwe woning te ontwikkelen.

Agrarische ondernemers ontvangen een financiële vergoeding voor het slopen van

13

stallen, schuren of overige (agrarische) bedrijfsbebouwing. Op deze manier wordt het gebied ontdaan van ongewenste bedrijfsbebouwing en wordt verval voorkomen. Het doel van de Ruimte voor Ruimte regeling is kwaliteitsverbetering van het landschap. Met name het verbeteren van de ruimtelijke en milieukundige kwaliteit in het buitengebied. De Ruimte-voor-Ruimtewoningen worden ontwikkeld op de locatie aan de Spekstraat ongenummerd. Hiervoor worden twee Ruimte-voor-Ruimtetitels van de Ontwikkelmaatschappij Ruimte voor Ruimte gebruikt die vrijkomen bij de sanering van een intensieve veehouderij elders in de Provincie Brabant, welke staat voor de bedoelde winst van de omgevingskwaliteit. De locatie is gelegen in een bebouwingsconcentratie in de buurt van de kern van Den Dungen en maakt onderdeel uit van het ‘Zoekgebied verstedelijking’. In hoofdstuk 5 wordt aangetoond dat het een planologisch aanvaardbare plek betreft. De woningen zullen landschappelijk worden ingepast conform het inrichtingsplan zoals beschreven in hoofdstuk 3 en bijlage I. Het toevoegen van twee woningen geeft door de gekozen situering geen aanzet voor een stedelijke ontwikkeling. De ontwikkeling van de Ruimte-voor-Ruimtewoningen op deze plek voldoet hiermee aan de voorwaarden behorende bij artikel 3.80 van de Interim omgevingsverordening ruimte.

Het provinciaal beleid vormt dan ook geen belemmering voor het planvoornemen.

4.3

Gemeentelijke beleid 4.3.1 Structuurvisie – Sint-Michielsgestel 2025 en aanvulling structuurvisie Buitengebied 2015 Op 8 december 2011 is de Structuurvisie – Sint-Michielsgestel 2025 vastgesteld. Deze structuurvisie biedt het kader voor de ruimtelijke ontwikkeling in brede zin van de gemeente op de middellange termijn tot 2025. De structuurvisie geeft inzicht in de ruimtelijke ontwikkelingen op korte, middellange en lange termijn. De structuurvisie fungeert als instrument van gemeentelijk ruimtelijk beleid en is het toetsingskader voor ruimtelijke plannen. Bij de uitwerking van de structuurvisie staan voor de gemeente enkele belangrijke kernwaarden voorop: -

Verdieping van de strategische visie “Zieners van 2025”; Behoud en versterken van bestaande kwaliteiten voor onze gemeente; Regierol voor de gemeente Sint-Michielsgestel; Transparantie en toegankelijkheid van ruimtelijke keuzes.

De gemeente Sint-Michielsgestel heeft het gemeentelijk beleid m.b.t. de ruimte-voorruimte regeling in de Structuurvisie Buitengebied geconcretiseerd. Op twee manieren is de ontwikkeling van ruimte-voor-ruimte woningen mogelijk: Op locaties waar gesloopt wordt binnen bebouwingsconcentraties (ruimte-voorruimte direct). De woning(en) komen dan ter plaatse van de te slopen schuren. Op aangewezen locaties waar woningen kunnen worden toegevoegd passend binnen de stedenbouwkundige en landschappelijke structuur (ruimte-voor-

14

ruimte indirect). De sloop van stallen vindt dan elders plaats. In de Structuurvisie Buitengebied zijn 17 bebouwings-concentraties aangewezen met daarbinnen de mogelijkheden voor de realisering van ruimte- voor-ruimte woningen. De Structuurvisie Buitengebied (2010) voorziet voorts in nadere voorwaarden aan de woning, de situering en de inpassing. De Structuurvisie Buitengebied in ontwikkeling voorziet voorts in nadere voorwaarden aan de woning, de situering en de inpassing. De Spekstraat is in die structuurvisie aangewezen als bebouwingsconcentratie. Ter plaatse is geen sprake van een agrarisch bedrijf en zijn geen stallen aanwezig. Om Ruimte-voor-Ruimtewoningen te kunnen realiseren dient, in overeenstemming met de aanvulling structuurvisie 2015, een bouwtitel te worden aangekocht bij de Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte-voor-Ruimte. Wanneer aan de voorwaarden kan worden voldaan van de structuurvisie Buitengebied in Ontwikkeling is de realisatie van Ruimte-voor-Ruimtewoningen mogelijk. Conclusie De structuurvisie Buitengebied en de aanvulling 2015 geven mogelijkheden om woningen te realiseren in het kader van de Ruimte-voor-Ruimteregeling. Het initiatief voldoet aan de randvoorwaarden, doordat het in een bebouwingsconcentratie is gelegen en de bouwtitel afkomstig is van de Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte-voorRuimte.

De structuurvisie en de aanvulling zijn echter niet concreet ten aanzien van de ruimtelijke randvoorwaarden om een plek als acceptabel. daarvoor is structuurvisie Buitengebied in Ontwikkeling van belang. 4.3.2 Structuurvisie - buitengebied in ontwikkeling Sint Michielsgestel Op 13-02-2012 is de ‘Structuurvisie - buitengebied in ontwikkeling’ vastgesteld. De structuurvisie is tweeledig, enerzijds wordt het wensbeeld van de gemeente weergegeven (visie, ruimtelijke kwaliteit) en anderzijds biedt het ruimte voor nieuwe ontwikkelingen onder bepaalde voorwaarden. De kern van het document is ruimtelijke kwaliteit. De ruimtelijke kwaliteit wordt verbeterd en versterkt doordat initiatieven hier aan bijdragen. Dat wil zeggen mensen die een initiatief willen ontwikkelen helpen ook mee om het wensbeeld te realiseren (investering in ruimtelijke kwaliteit). Binnen de structuurvisie kan de gemeente strategieën inzetten. Daarnaast kunnen door de gecombineerde inzet van de regeling Ruimte voor Ruimte en het toestaan van nieuwe economische dragers meerdere knelpunten tegelijk worden aangepakt. Ook de wijze waarop de gemeente wenst om te gaan met verevening hoort bij de strategie. De prioriteit van de gemeente Sint-Michielsgestel ligt bij het realiseren van groenprojecten en het versterken van karakteristieke landschapsstructuren.

Een groen-met-rood koppeling zorgt ervoor dat er in de bebouwingsconcentraties kansen worden geboden voor functies die niet gerelateerd zijn aan het buitengebied, maar wel naar aard en omvang passen in een bebouwingsconcentratie. Afronding van laanbeplanting, groene aankleding en verbetering van zichtlijnen zijn enkele voorbeelden van kwaliteitsimpulsen in het buitengebied van de gemeente Sint-Michielsgestel. In de structuurvisie worden mogelijkheden geboden voor de realisatie van nieuwe woningen

15

doormiddel van de Ruimte-voor-Ruimteregeling. Voor de realisatie van nieuwe woningen gelden de volgende algemene randvoorwaarden Randvoorwaarden nieuwe woningen 1. de kavel is op een planologisch aanvaardbare locatie gelegen; Deze randvoorwaarde is bepaald in het provinciale beleid. In ieder geval wil dit zeggen dat de locatie binnen een bebouwingsconcentratie moet liggen en zich moet verhouden tot de bestaande en te bereiken kwaliteiten. De locatie ligt binnen bebouwingsconcentratie Spekstraat (zie figuur 9). De gemeente heeft een aantal plekken aangewezen als zogenaamde zoeklocaties. Deze plekken zijn aangemerkt als potentiële planologisch aanvaardbare locaties. De term geeft aan dat na een eerste scan, gesteld wordt dat deze plekken in aanmerking kunnen komen voor e realisatie van één of meerdere Ruimte-voor-Ruimtewoningen. In hoofdstuk 2 en 3 is uitgebreid ingegaan op de ruimtelijke structuren en kwaliteiten van dit gebied. Uit de stedenbouwkundige/landschappelijke studie is gebleken dat voor deze zoeklocatie 2 woningen mogelijk zijn. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. 2. de bouw van de woning dient te passen binnen de ruimtelijke structuur van de gemeente; De stedenbouwkundige invulling van deze plek sluit aan op de bestaande stedenbouwkundige structuur van de Spekstraat. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. 3.

bouw van woningen is in de groene hoofdstructuur niet toegestaan; De locatie is niet gelegen binnen de Groene Hoofdstructuur. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. 4. cultuurhistorische, landschappelijke en ecologische waarden moeten behouden dan wel versterkt worden. De milieuhygiënische en waterhuishoudkundige situatie ter plaatse moet zoveel mogelijk verbeterd worden; Uit Hoofdstuk 2 en 3 blijkt dat de te bereiken kwaliteiten (m.n. zichtrelaties) behouden en versterkt worden. door de landschappelijke inpassing wordt bovendien bijgedragen aan de landschappelijke kwaliteiten. Uit Hoofdstuk 5 blijkt dat sprake is van een goede milieuhygiënische situatie, bovendien worden er voorzieningen getroffen om er voor te zorgen dat de ontwikkeling hydrologisch neutraal wordt ontwikkeld. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. 5. de agrarische ontwikkelingsmogelijkheden van bedrijven in de nabijheid van de woning worden niet beknot; Uit paragraaf 5.1.4 en 5.1.7 blijkt dat er geen belemmering ontstaat voor omliggende (agrarische) bedrijven. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. 6. een goede landschappelijke en architectonische inpassing van de woning in de omgeving dient gewaarborgd te zijn doormiddel van een beeldkwaliteitsplan dan wel een vergelijkbaar instrument. Hieraan is uitvoering gegeven, zoals te lezen is in hoofdstuk 2 (analyse) en hoofdstuk 3 ruimtelijke vertaling van nieuwe situatie).

De landschappelijke inpassing en het

16

beeldkwaliteitsplan worden doormiddel van een voorwaardelijke publiekrechtelijk geborgd. Aan deze voorwaarde wordt voldaan,

verplichting

In de Structuurvisie is voor elke bebouwingsconcentratie een gebiedsvisie opgesteld. Deze beschermd de te behouden ruimtelijke kwaliteiten en geeft mogelijkheden voor de versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Conform de Structuurvisie ‘buitengebied in ontwikkeling’ ligt de beoogde ontwikkeling binnen de bebouwingsconcentratie ‘Spekstraat’ (zie figuur 9). De Spekstraat ligt als een schil van bebouwings- en beplantingsmassa’s parallel aan de dorpsrand van Den Dungen. Tussen de kern en het lint ligt een relatief open gebied dat halverwege wordt doorsneden door de Paterstraat. Binnen de bebouwingsconcentraties gelden aanvullende randvoorwaarden. Op basis van stedenbouwkundige en landschappelijke kenmerken en -kwaliteiten wordt bekeken op welke plek binnen een bebouwingsconcentratie een woning toegevoegd kan worden. Hiervoor zijn ruimtelijke randvoorwaarden ten aanzien van de kavelgrootte, locatie, schaal en ontwerp opgesteld. Op de visiekaart van de bebouwingsconcentratie ‘Spekstraat’ is een aantal zoeklocaties en zichtlijnen/-relaties opgenomen (figuur 9). De aanwezigheid van de zichtlijnen is belangrijk voor het bepalen van een plek als een planologisch aanvaardbare locatie. daarvoor hoeft de plek niet persé aangewezen te zijn als zoeklocatie.

Wanneer een ontwikkeling zich verhoudt tot de kwaliteiten en daarin een bijdrage levert, kan een plek ook als planologisch aanvaardbare locatie worden aangewezen, ook als is deze niet aangewezen als zoeklocatie. In dit geval is de locatie aangewezen als zoeklocatie en is het mogelijk om één of meerdere woningen op de plek te realiseren, mits deze zich verhouden tot de aangewezen kwaliteiten. In dit geval is de zichtlijn daar één van.

Figuur 9. Bebouwingsconcentratie Spekstraat – Structuurvisie Buitengebied in Beweging Sint Michielsgestel (plangebied rood omcirkeld)

17

In sommige gevallen is een perceel aangewezen als een zoeklocatie én loopt er een zichtlijn/-relatie over het perceel. De realisatie van twee woningen op deze plek is mogelijk, mits er rekening wordt gehouden met de zichtlijn. Extra bebouwing kan de zichtlijn accentueren en daarmee sterker maken. De gemeente heeft ook specifieke randvoorwaarden gesteld ten aanzien van de kavels. Door die randvoorwaarden te projecteren op deze plek, is onderzocht en beoordeeld dat op deze plek twee woningen mogelijk zijn. Randvoorwaarden aan kavelgrootte, locatie, schaal en ontwerp De gemeente is van mening dat de inhoud, typologie, architectuur van de woning en de tuin passend dient te zijn in haar omgeving en de nieuwe woning door een landschappelijke (erf)beplanting is ingepast in het omringende landschap. Dit betekent dat: 1. de inhoud van de nieuwe woningen maximaal 850m³ mag bedragen; 2. het een vrijstaande en grondgebonden burgerwoning betreft op een vrij kavel; 3. de nieuwe woning sluit direct aan op bestaande wegen; 4. de nieuwe woning er niet voor mag zorgen dat de bebouwingsconcentratie dicht slibt en doorzichten c.q. zichtlijnen behouden blijven; 5. de nieuwe woning wordt op een vrijgelegen kavel gerealiseerd. Hierbij geldt als uitgangspunt dat de frontbreedte minimaal 30 meter is, direct aan het bebouwingslint gemeten vanaf de belendende bestaande eigendommen.

Op basis van stedenbouwkundige argumenten kan hier gemotiveerd maximaal 10% van worden afgeweken; 6. 10 meter uit de perceelsgrens onbebouwd blijft (hier geen huis en opstallen toegestaan) en de rooilijn aan de voorzijde afgestemd wordt op de rooilijn van de bestaande bebouwing; 7. de nieuwe woning geen seriematige bouw kent, maar zich kenmerkt door individuele bouw. Bovenstaande randvoorwaarden zijn meegenomen in de ruimtelijke studies en zijn geprojecteerd op de locatie. Door de gekozen situering van de kavels wordt de zichtlijn ten zuiden van de kavels behouden én voldoen de kavels aan de minimale frontbreedte. Door de gekozen situering van de hoofdgebouwen (breedte- en lengterichting) en de locatie van de bijgebouwen is er geen sprake van seriematige/repeterende bouw. Tot slot wordt de achtergevelrooilijn van beide kavels niet verder naar achter gelegd dan is aangegeven op de kaart ‘bebouwingsconcentratie Spekstraat’ uit de Structuurvisie. Uit de toepassing van deze randvoorwaarden op de plek is gebleken dat er ruimte is om twee woningen te realiseren. Met dit plan is invulling gegeven aan de randvoorwaarden. Conclusie Door de kwalitatieve randvoorwaarden centraal te stellen is de plek, die doormiddel van de aanduiding “zoeklocatie” in potentie al als planologisch aanvaardbaar kan worden beschouwd, zorgvuldig invulling gegeven.

Gebleken is dat met behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteiten ruimte is ontstaan om twee woningen te realiseren. De randvoorwaarden met betrekking tot maximale bouwmogelijkheden, beeldkwaliteitsplan en landschappelijke inpassing zijn bovendien juridisch geborgd, waardoor voldaan

18

wordt aan het gemeentelijk beleid zoals is beschreven in de structuurvisie, de aanvulling van de structuurvisie en de structuurvisie Buitengebied in Ontwikkeling. 4.3.3 Woonvisie 2016-2021 en Uitvoeringsnota Woningbouw 2016 Op 1 juli 2016 is de ‘Woonvisie 2016 – 2021’ in werking getreden. In deze woonvisie legt de gemeente Sint-Michielsgestel de prioriteiten van het woonbeleid voor de komende jaren vast. De ‘Uitvoeringsnota Woningbouw 2016’ bevat een verdere uitwerking van de Woonvisie. De Uitvoeringsnota wordt jaarlijks geactualiseerd. De beoogde woningen worden mogelijk gemaakt middels de Provinciale ruimte-voorruimte regeling. De ontwikkeling vindt derhalve niet plaats op basis van het gemeentelijk woningbouwprogramma. De beoogde ontwikkeling komt niet ten laste van de plancapaciteit waardoor het plan geen afbreuk doet aan de ambities en de doelstellingen zoals verwoord in de Woonvisie 2016-2021 en de Uitvoeringsnota Woningbouw 2016.

19

HOOFDSTUK 5.1

5 Omgevingsaspecten

Milieu In deze paragraaf wordt ingegaan op de relevante milieuaspecten en bekeken in hoeverre er sprake is van belemmeringen voor de voortgang van het plan. 5.1.1 M.e.r. plicht Een ruimtelijke ontwikkeling kan leiden tot een m.e.r.(beoordelings)-plicht. Om te bepalen of een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is dient bepaald te worden of de ontwikkeling voorkomt in lijst C of lijst D van het Besluit, of de drempelwaarden worden overschreden, of de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. In het plangebied worden twee woningbouwmogelijkheden toegevoegd. Het realiseren daarvan komt niet voor in bijlage C van het besluit m.e.r.. Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen. Op grond van categorie D11.2 geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht voor onder andere de aanleg of wijziging van ‘een stedelijk ontwikkelingsproject’, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen bevat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Volgens de nota van toelichting bij het Besluit m.e.r. kan het bij een stedelijk ontwikkelingsproject gaan om “bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan”.

Aangezien in dit geval sprake is van een gebied dat aanzienlijk kleiner is dan 100 ha en het plan aanzienlijk minder dan 2.000 woningen omvat, is geen sprake van een m.e.r.-beoordelingsplicht. Vormvrije m.e.r.-beoordeling Aanvullend op het voorgaande is op 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Daarin is een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Die geldt nu voor iedere activiteit die is opgenomen op de D-lijst, ongeacht of de activiteit onder of boven de drempelwaarde van de D-lijst valt. Woningbouw kan vallen onder onderdeel D (11.2): “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” Het voorliggende initiatief betreft slechts de nieuwbouw van twee Ruimte-voor-Ruimtewoningen. Een dergelijk kleinschalig initiatief betreft geen stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage. Als gevolg hiervan hoeft voor de ontwikkeling van de woningen dan ook geen vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden doorlopen. 5.1.2 Bodem In het kader van de Wro dient aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de nieuwe functie. De mate waarin beoordeling van de bodemkwaliteit aan de orde

20

is, is met name afhankelijk van aard en omvang van de functiewijzing. Omdat met de voorgestane ontwikkeling (realiseren van twee Ruimte-voor-Ruimtewoningen) langer dan twee uur kan worden verbleven op deze plek, is in het kader van het aspect bodem, sprake van een gevoelige bestemming. Een bodemonderzoek dient aan te tonen dat sprake is van een acceptabele kwaliteit van de bodem. In bijlage II van deze onderbouwing is het rapport opgenomen dat het bodemonderzoek beschrijft. In deze paragraaf is uitsluitend de conclusie opgenomen. Tijdens de veldinspectie op de locatie zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreiniging of bronnen van verontreiniging. In het opgeboorde bodemmateriaal zijn zintuiglijk geen bijzonderheden waargenomen. Uit de analyseresultaten blijkt dat in de bovengrond en in de ondergrond geen gehalten zijn gemeten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarde. Het freatisch grondwater is licht verhoogd met barium, nikkel en naftaleen. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling (bestemmingswijziging en woningbouw). Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond mogelijk niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast.

Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit en het Tijdelijk Handlingskader PFAS van toepassing. Het freatisch grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie is niet multifunctioneel toepasbaar. Het wordt daarom afgeraden het freatisch grondwater te gebruiken voor consumptie, besproeiing of proceswater. 5.1.3 Lucht Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regeling rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden uit lid 2 van dat artikel (waaronder het vaststellen van ruimtelijke plannen) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a) er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b) een plan leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c) een plan draagt ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d) een plan past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen.

21

De in dit bestemmingsplan opgenomen ontwikkeling valt onder sub c van voornoemde voorwaarden en de daarbij behorende ‘Regeling NIBM’. Op basis hiervan vormen luchtkwaliteitseisen dus geen belemmering om het onderhavige bestemmingsplan door de gemeenteraad te laten vaststellen. Vervolgens zijn er twee mogelijkheden om aannemelijk te maken, of een project leidt tot een toename van de luchtverontreiniging die de NIBM-grens (3% van de jaargemiddelde grenswaarde van NO2 en PM10. In praktijk een jaargemiddelde bijdrage van 1,2 µg/m³) wel/niet overschrijdt: 1. Aannemelijk maken dat een project binnen de grenzen van een categorie uit de Regeling NIBM valt. Er is dan geen verdere toetsing nodig, het project is in ieder geval NIBM. 2. Als een project niet behoort tot een aangewezen categorie: op een andere manier aannemelijk maken dat een project niet leidt tot een toename groter dan de 3% grens. Hiervoor kunnen berekeningen nodig zijn. Ook als een project boven de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM uitkomt, is het mogelijk om alsnog via berekeningen aan de tonen, dat de 3% grens niet wordt overschreden. Ad 1: De Regeling NIBM geeft invulling aan de volgende categorieën: a.

woningbouw- en kantoorlocaties, en ook een combinatie daarvan Woningbouw ≤ 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg; ≤ 3.000 woningen (netto) bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Kantoorlocaties ≤ 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 1 ontsluitingsweg; ≤ 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Combinatie van woningen en kantoren, bij 1 ontsluitingsweg: 0,0008 *aantal woningen + 0,000012 *bruto vloeroppervlak kantoren in m2 ≤ 1,2. Combinatie van woningen en kantoren, bij minimaal 2 ontsluitingswegen: 0,0004 *aantal woningen + 0,000006 *bruto vloeroppervlak kantoren in m2 ≤ 1,2. b. inrichtingen. Hieronder vallen landbouwinrichtingen en spoorwegemplacementen. Inrichtingen • akkerbouw- of tuinbouwbedrijven met open grondteelt. • inrichtingen die alleen of in hoofdzaak bestemd zijn voor witloftrek of teelt van eetbare paddestoelen of andere gewassen in een gebouw. • permanente en niet-verwarmde opstanden van glas of van kunststof voor het telen van gewassen • permanente en verwarmde opstanden van glas of van kunststof voor het telen van gewassen, mits niet groter dan 2 hectare. • kinderboerderijen. spoorwegemplacementen:

22

De toename van het aantal dieseltractie-uren bedraagt niet meer dan 7500 uur op jaarbasis, als gevolg van de aanleg of uitbreiding van een spoorwegemplacement of door een wijziging van de activiteiten op het spoorweg emplacement. Als een project past binnen de (getalsmatige) grenzen van één van de voornoemde categorieën uit de ‘Regeling NIBM’, dan is het project in ieder geval NIBM. Onderhavig project valt onder het ‘3% criterium’ op basis van de categorie: ‘Woningbouw: de realisatie van < 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg. De ontwikkeling is dan ook niet in betekende mate van invloed op de omgeving. Dat betekent, dat een luchtkwaliteitsonderzoek niet noodzakelijk is en er voor wat betreft luchtkwaliteit geen belemmeringen zijn voor de voorgestane ontwikkeling. Om te bepalen of er ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat is de achtergrondwaarde voor fijnstof en stikstofdepositie bepaald met behulp van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN). Voor fijnstof (PM10) geldt een grenswaarde van 40 µg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie en 50 µg/m3 voor de daggemiddelde concentratie. De waarde voor fijnstof (PM10) ter plaatse van de planlocatie bedraagt circa 18,39 µg/m3.

Dat betekent dat dit ruim beneden de gestelde grenswaarden volgens de Wet milieubeheer ligt en er ter plaatse van de woning dus sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Voor stikstofdioxide (NO2) geldt een grenswaarde van 40 µg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie en 200 µg/m3 voor de uurgemiddelde concentratie. De waarde voor stikstofdioxide (NO2) ter plaatse van de planlocatie bedraagt circa 15,13 µg/m3. Dat betekent dat ook de hoeveelheid stikstofdioxide beneden de gestelde grenswaarden volgens de Wet milieubeheer ligt en er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling van de realisatie van twee Ruimte-voor-Ruimtewoningen valt onder de in de Regeling NIBM opgenomen lijst met categorieën van gevallen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. De ontwikkeling is dan ook niet in betekenende mate van invloed op de kwaliteit van de lucht. De Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland tonen daarnaast aan dat de achtergrondwaarden ruim beneden de norm blijven. Daarmee kan geconcludeerd worden dat de luchtkwaliteit in het plangebied aanvaardbaar is. 5.1.4 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt sinds 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen.

De Wgv is bedoeld om mensen te beschermen tegen geuroverlast vanuit veehouderijbedrijven.

23

In principe bepaalt de Wgv de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijbedrijven op het gebied van geurbelasting. In de Wgv wordt alleen de ontwikkeling of belemmering van veehouderijbedrijven gereguleerd en vormt daarmee het toetsingskader van de veehouderijbedrijven. De wet vormt geen toetsingskader van de toelaatbaarheid van andere functies. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening (Wro), is aangegeven dat sprake dient te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Het is daarom noodzakelijk om tweeledig naar dit aspect te kijken. Enerzijds mag de ontwikkeling niet leiden tot een belemmering van veehouderijbedrijven en anderzijds dient sprake te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (in dit geval een Ruimte-voor-Ruimtewoning). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met een verspreidingsmodel. In de Wgv is een definitie opgenomen voor geurgevoelige objecten. Deze definitie in combinatie met verschillende uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State[1] heeft tot gevolg dat gesteld kan worden dat alle bebouwing waar mensen kunnen verblijven en ook als zodanig bestemd is als gevoelig object beschouwd kunnen worden. Hierdoor kan gesteld worden dat de te realiseren Ruimte-voorRuimtewoningen als geurgevoelig aangemerkt kunnen worden.

In dit geval worden er twee geurgevoelige objecten toegevoegd. In de directe omgeving van het plangebied zijn drie veehouderijen gelegen: twee melkveehouderijen aan de Spekstraat 6 Paterstraat 46 en een paardenhouderij aan de Spekstraat 9 welke op een afstand van respectievelijk 75, 110 en 290 meter van de planlocatie zijn gelegen. Gezien deze afstand (> 50 meter) en het feit dat de planlocatie momenteel omgeven wordt door burgerwoningen, vormt de ontwikkeling geen onevenredige belemmering voor omliggende agrarische bedrijven. Naast toetsing op basis van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen, dient er ook aangetoond te worden dat ter plaatse van het plangebied een acceptabel woon- en leefklimaat heerst. In figuur 10 is een uitsnede weergegeven van de geurkaart (achtergrondbelasting) van de omgevingsdienst Zuidoost-Brabant.

[1]

Waaronder Zaaknr:200909701/1/R1, Datum:1 september 2010

24

Figuur 10. Uitsnede geurkaart ODZOB. Planlocatie rood omcirkeld.

Uit de ‘Verordening geurhinder en veehouderij 2017 gemeente Sint-Michielsgestel’ blijkt dat de gemeente een achtergrondbelasting van 7,0 ou/m3 als algemeen acceptabel acht voor de gebieden die worden aangemerkt als bebouwingsconcentraties. Ter plaatse van de planlocatie bedraagt de geurbelasting tussen de 0 en 3 ou/m3 en wordt het woonen leefklimaat op het gebied van de achtergrondbelasting als ‘zeer goed’ beoordeeld. De achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied ligt beneden de gemeentelijke norm waardoor gesteld kan worden dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Hierbij dient er opgemerkt te worden dat conform het Bestand Veehouderij Bedrijven er op de locatie aan de Spekstraat 9 geen dieren meer gehouden worden. De aanwezigheid van de geurcontour ten zuiden van de planlocatie is op dit moment dus niet actueel. Gelet op bovenstaande kan worden geconcludeerd dat in de omgeving van de Spekstraat ongenummerd in Den Dungen niemand onevenredig in zijn belangen geschaad wordt en dat ter plaatse van de woning een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd wordt. 5.1.5 Geluid In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (weg)verkeerslawaai, aangetoond dient te worden dat sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ten aanzien van

25

het aspect akoestiek. Wanneer dat aan de hand is dient een akoestisch onderzoek uitgevoerd te worden. Dit geldt voor alle straten en wegen, met een uitzondering van: − −

Wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen; Wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt.

In dit geval wordt binnen de invloedssfeer van de Spekstraat, een weg met een maximum snelheid van 60 km/uur, een nieuw geluidsgevoelig object toegevoegd. Er is dan ook een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Hieronder is de conclusie van dit onderzoek opgenomen. Het volledige rapport van dit onderzoek is te vinden in bijlage III. Spekstraat De voorkeursgrenswaarde wordt op de voorgevel van de meest noordelijke woning overschreden. De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. De geluidbelasting ten gevolge van de Spekstraat is maximaal 49 dB (incl. aftrek art. 110g Wgh). Bij de gemeente Sint Michielsgestel kan een verzoek worden ingediend voor het verlenen van een hogere waarde. In de voorliggende situatie kan als ontheffingscriterium worden aangedragen dat de nieuwe woningen een open plaats tussen de bestaande bebouwing opvullen. Het treffen van maatregelen aan de bron in de vorm van een andere wegverharding zou kunnen worden overwogen. Hiermee is een geluidreductie van maximaal 5 dB te realiseren. De geluidbelasting kan daarmee worden teruggebracht tot de voorkeursgrenswaarde of lager. De kosten voor dergelijke maatregelen worden geraamd op €60.000,- (200 m * 6m * €50,-) en stuiten daarmee op bezwaren van financiële aard. Indien een hogere waarde wordt vastgesteld, kan de gemeente aan deze ontheffing aanvullende voorwaarden stellen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12892244/1