CConstaterende datSimpelveld
Koppel je AI →
Document · PDF

VII-18 Bijlage 5 Toelichting Vov.pdf

Raadsvergadering 8 juli 2021, gemeente SimpelveldBij agendapunt: Raadsvoorstel Samenvoegen van de gemeentelijke verordeningen tot een Verordening fysieke leefomgeving en een Verordening openbare orde en veiligheid13.357 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Hoofdstuk 7 Andere voorwerpen betreffende de huishouding van de gemeente Collecteren en venten De artikelen ten aanzien van collecteren en venten zijn opgenomen in deze verordening, omdat deze de fysieke leefomgeving niet wijzigen en als doel hebben de openbare orde en veiligheid te dienen.

Artikel 7.1 Collecteren Dit artikel is aangepast aan de modelverordening van de VNG. Hierdoor wordt enerzijds meer duidelijkheid gecreëerd voor de toepassingspraktijk, omdat niet altijd duidelijk was, wat hieronder werd verstaan, is lid 1 uitgebreid met openbare leden- en donateurs werving. Tevens is in lid 3 een extra uitzondering toegevoegd op de vergunningplicht van lid 1, voor een instelling die is ingedeeld in het vastgestelde collecte- en wervingsrooster. Feitelijk wordt dit rooster landelijk vastgesteld door het CBF-Toezichthouder goede doelen, dat gemeentelijk wordt aangevuld. Doorgaans gaan inzamelingsacties uit van volkomen betrouwbare instellingen. Incidenteel komt het voor dat bij de inzamelaar niet de charitatieve doelstelling vooropstaat, maar een ander (commercieel) belang. Hierbij wordt bij de burger de indruk gewekt dat de opbrengst naar het goede doel gaat, terwijl dit maar voor een klein deel het geval is. Dit is een van de overwegingen waarom de inzamelingsvergunning wordt behouden. Dit geeft een handhavingsgrondslag. Ook de volgende redenen spelen hierbij een belangrijke rol: 7.4 Snuffelmarkt Omdat de snuffelmarkt een bevoegdheid is van de burgemeester, is er voor gekozen deze in deze verordening op te nemen. De Omgevingswet, alsook de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, kennen de burgemeester namelijk niet apart als bevoegd gezag.

Daarnaast is een snuffelmarkt vaak een evenement, zodat de waarborgen zijn gelegen in de openbare orde en veiligheid. 7.5 Crossterreinen Bij het reguleren van auto- en motorsportactiviteiten, crossen en dergelijke buiten de weg moet onderscheid worden gemaakt tussen speciaal daarvoor ingerichte terreinen, zoals circuits, en overige terreinen, zoals natuurgebieden, parken, plantsoenen of andere voor recreatief gebruik beschikbare terreinen. De eerst bedoelde terreinen vallen doorgaans onder de Wabo; voor de overige terreinen kan een gemeente zelf regels stellen, zoals in de dit artikel. Dit artikel is van belang voor die terreinen die thans niet genoemd zijn in categorie 19.1, onder g, van het Bor, bijvoorbeeld een terrein dat niet is ingericht voor motorwedstrijden en activiteiten en terreinen die hiervoor slechts eenmalig of zeer incidenteel worden gebruikt. In een gemeentelijke regeling met betrekking tot dit soort motorterreinen zal de werkingssfeer ten opzichte van de Wabo/Omgevingswet in ieder geval moeten zijn afgebakend. Bij een aanwijzingsbesluit kunnen alleen regels worden gesteld ter bescherming van de belangen die dit voorschrift dient. Behalve het belang van de openbare orde zijn dat milieubelangen en het belang van de veiligheid van het publiek of de deelnemers. Pagina 19 van 27

Artikel 7.6 Beperking verkeer in natuurgebieden en dergelijke Dit artikel betreft een gedraging waarvoor in combinatie met de Wet OM-afdoening een feitcode is vastgesteld, waardoor de boa’s (alsook de politie) hiervoor een bekeuring kan uitdelen. Om deze bevoegdheid te houden onder vigeur van de Omgevingswet, is het van belang deze bepaling in een gemeentelijke verordening te behouden. Onder een ‘natuurgebied’ wordt verstaan een gebied dat door een overheid, een terreinbeherende vereniging of een ander privaat rechtspersoon in eigendom of in gebruik is met het oog op beheer in functie van herstel, ontwikkeling en instandhouding van de biodiversiteit. Voorbeelden zijn o.a. een (beschermd) landschap, landschapspark, natuurreservaat, bossen, etc.

Artikel 7.7 Verbod verbranden afvalstoffen of op andere wijze stoken van vuur Omdat dit een feitcode betreft ingevolge de Wet OM-afdoening, waarvoor de politie of boa’s een bekeuring kunnen uitschrijven, is deze bepaling in deze verordening geplaatst. De wetgeving voor het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen is geregeld in de artikelen 10.2, lid 1, en 10.63, lid 1 van de Wet milieubeheer. Artikel 10.63, eerste lid, van de Wm beperkt zich alleen tot de bescherming van het milieuhygiënische belang. Indien het college de openbare orde- en veiligheidsaspecten wil reguleren is het verlenen van een (tweede) ontheffing op grond van een gemeentelijke verordening noodzakelijk. Dit artikel (7.7) heeft aldus een aanvullende werking. Benadrukt wordt dat voor het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen altijd een ontheffing nodig is op grond van artikel 10.63, eerste lid, van de Wm. Het college kan een ontheffing verlenen, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet. Met andere woorden, het college kan een ontheffing weigeren op grond van milieuhygiënische argumenten. Bij het verbranden van afvalstoffen zijn echter vaak openbare orde- en veiligheidsaspecten van belang. Artikel 10.63, eerste lid, van de Wm biedt geen mogelijkheid om de ontheffing te weigeren, indien de openbare orde en veiligheid in het geding is.

Bovendien kunnen de voorschriften verbonden aan een dergelijke ontheffing alleen dienen ter bescherming van het belang van het milieu. Dit artikel vult daarom voor wat betreft deze aspecten de Wm aan. Het huidige artikel 10.2, lid 1 Wm bepaalt: Het is verboden zich van afvalstoffen te ontdoen door deze - al dan niet in verpakking - buiten een inrichting te storten, anderszins op of in de bodem te brengen of te verbranden. Onder vigeur van de Omgevingswet (artikel 2.45, onder AC Invoeringswet Omgevingswet) komt deze bepaling te luiden: Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen te storten, anderszins op of in de bodem te brengen of te verbranden. Het huidige artikel 10.63, lid 1 Wm bepaalt: Burgemeester en wethouders kunnen, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, ontheffing verlenen van het in artikel 10.2, eerste lid, gestelde verbod om zich van afvalstoffen te ontdoen door deze buiten een inrichting te verbranden, voor zover het geen gevaarlijke afvalstoffen betreft. Op de ontheffing, bedoeld in de vorige volzin, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Onder vigeur van de Omgevingswet (artikel 2.45, onder AC Invoeringswet Omgevingswet) komt dit artikel te luiden: Burgemeester en wethouders kunnen, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, ontheffing verlenen van het in artikel 10.2, eerste lid, gestelde verbod om huishoudelijke afvalstoffen te verbranden, voor zover het geen gevaarlijke afvalstoffen betreft

Pagina 20 van 27

Het begrip afvalstoffen is gebaseerd op artikel 1.1 van de Wet milieubeheer. Dit begrip wordt met de inwerkingtreding van de Omgevingswet, naar de huidige stand van de wet, niet geschrapt. In de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet staan de begrippen gedefinieerd. Onder afvalstoffen verstaat deze bijlage: afvalstoffen waarop de Wet milieubeheer van toepassing is. Artikel 7.8, 7.9 en 7.10 Verstrooien van as De as van iemand die gecremeerd is mag worden verstrooid op het daartoe door de gemeente aangewezen strooiveld of boven open zee (art. 66a Wet op de lijkbezorging). Maar ook mag de nabestaande die de zorg voor de asbus op zich heeft genomen zelf een ‘dierbaar’ plekje zoeken voor de verstrooiing. Dit wordt ‘incidentele asverstrooiing’ genoemd. Op grond van artikel 66b Wet op de lijkbezorging kan het college hiervoor een vergunning verlenen. Om hieraan regels te stellen heeft de VNG hiervoor modelbepalingen gemaakt, waarmee de gemeente uitsluitsel kan geven of de as op een gekozen plekje verstrooid mag worden. Indien een gemeentelijke verordening niets regelt over asverstrooiing mag de verstrooiing in principe overal plaatsvinden, tenzij andere regels zich er tegen verzetten. Indien men wil verstrooien op het grondgebied van een andere eigenaar dan de gemeente moet toestemming worden gevraagd aan die eigenaar.

Zo mag verstrooien in een achtertuin alleen als de eigenaar daar toestemming voor heeft gegeven. Uit de Nota van Toelichting bij de artikel 66 en verder van de Wet op de lijkbezorging staat vermeld dat nabestaanden bij incidentele asverstrooiing de voorwaarden in acht dienen te nemen die gemeenten uit een oogpunt van openbare orde of veiligheid aan de verstrooiing stellen in de Algemene Plaatselijke Verordening. Hiermee is het doel van de regels aldus niet de fysieke leefomgeving, waardoor dit artikel niet in het omgevingsplan thuishoort, en daarmee niet is opgenomen in de Verordening fysieke leefomgeving. Daarnaast worden deze regels uitputtend geregeld in de Wet op de lijkbezorging, waardoor deze regels op grond van artikel 1.4 Omgevingswet, niet in het omgevingsplan kunnen worden opgenomen.

Hoofdstuk 8 Afvalstoffen Dit hoofdstuk gaat over afvalstoffen en vervangt de Afvalstoffenverordening gemeente Simpelveld 2017. De Afvalstoffenverordening vindt haar grondslag in artikel 10.23 van de Wet milieubeheer. In artikel 10.23 van de Wet milieubeheer staat vermeld dat de gemeenteraad een afvalstoffenverordening moet vaststellen in het belang van de bescherming van het milieu. De Afvalstoffenverordening bevat regels over het scheiden en inzamelen van huishoudelijk afval en andere afvalstromen. Nu de wet specifiek verwijst naar een ‘afvalstoffenverordening’ is deze term tussen haakjes achter de titel van hoofdstuk 8 opgenomen. De wet milieubeheer zal niet volledig opgaan in de Omgevingswet (naar de huidige stand van de wet). Artikel 10.23 van de Wet milieubeheer zal op grond van artikel 2.10 en 2.45 van de Invoeringswet Omgevingswet wel worden gewijzigd in die zin dat de gemeenteraad de keuze heeft tussen opneming van de regels in een afvalstoffenverordening of het omgevingsplan. 4 Wij hebben er voor gekozen de regels met betrekking tot afvalstoffen niet in

4

In artikel 154b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet wordt gemeenten de mogelijkheid geboden om bij verordening te bepalen dat een bestuurlijke boete kan worden opgelegd voor overtreding van bij algemene maatregel van bestuur (zie artikel 3 van het Besluit bestuurlijke boete overlast in de openbare ruimte) bepaalde voorschriften die op grond van artikel 10.23 Wm in de afvalstoffenverordening zijn opgenomen. Als gevolg van de voorgestelde wijziging wordt de mogelijkheid gecreëerd om bij gemeentelijke verordening te bepalen dat een bestuurlijke boete ook kan worden opgelegd voor overtreding van afvalvoorschriften die zijn opgenomen in het omgevingsplan.

Pagina 21 van 27

de Verordening fysieke leefomgeving op te nemen, omdat de artikelen gedeeltelijk betrekking hebben op strafbare feiten die op grond van de Wet OM-afdoening als een feitcode zijn aangemerkt. De Wet OM-afdoening vereist dat deze feiten in een gemeentelijke verordening staan vermeld. De (Invoeringswet) Omgevingswet bevat geen wijzigingen van de Wet OM-afdoening. Nu de Verordening fysieke leefomgeving is bedoeld als bouwsteen voor het omgevingsplan en het omgevingsplan als grondslag voor strafbare feiten niet staat genoemd in de Wet OM-afdoening, wordt de afvalstoffenverordening behouden als onderdeel van deze verordening. Daarmee is gewaarborgd dat de boa’s (alsook de politie) een bekeuring kunnen uitschrijven voor handelen in strijd met deze regels.

De volgende artikelen bevatten feitcodes:  artikel 8.8: verbod ter inzameling aanbieden aan niet bevoegde inzameldienst of op verkeerde dagen/tijdstippen;  artikel 8.9: Verbod ter inzameling aanbieden huishoudelijke afvalstoffen door anderen dan gebruikers van percelen en andere dagen/tijdstippen;  artikel 8.10: Verbod afzonderlijk ter inzameling aanbieden;  artikel 8.11: Verbod huishoudelijke afvalstoffen anders dan voorgeschreven ter inzameling aanbieden;  artikel 8.14: bedrijfsafvalstoffen aan te bieden aan de inzameldienst;  artikel 8.15: bedrijfsafvalstoffen onjuist aanbieden  artikel 8.16: dumpingen  artikel 8.17: straatafval achter laten  artikel 8.18: Voorkomen van zwerfafval bij ter inzameling gereed staande afvalstoffen  artikel 8.21: Zwerfafval bij vervoeren, laden en lossen of overige werkzaamheden  artikel 8.23: Afgifte autowrakken afkomstig uit een huishouden Bovendien laat de wetgever de gemeenteraad op dit punt uitdrukkelijk de keuze om de afvalstoffenverordening te behouden. Dit is begrijpelijk omdat de afvalstoffenverordening hoofdzakelijk de manier van inzamelen van de huishoudelijk afval reguleert. Hiermee wordt de fysieke leefomgeving niet feitelijk gewijzigd. Bovendien wijzigen de regels gelet op de klimaatdoeleinden periodiek.

Het opnemen van deze regels in een omgevingsplan zou ertoe leiden dat aanpassingen procedureel lastiger zijn door te voeren (rechtsmiddelen/planschade). Ook naar aard zijn deze artikelen niet geschikt voor opnemen in het omgevingsplan, omdat Rd4 grotendeels verantwoordelijk is voor het inzamelen van afvalstoffen. Er zouden te veel juridische haken en ogen zitten aan het opnemen van deze taak in het omgevingsplan, alleen al vanwege planschadeverhaal (onder werking van het Omgevingsweg, nadeelcompensatie genoemd). De verordening leent zich beter om regionale afspraken te verwerken in de regels. Artikel 8.1 Definities In het belang van de eenvoud wordt slechts in beperkte mate gebruik gemaakt van begripsbepalingen. Ten eerste zijn geen definities van begrippen gegeven als deze begrippen al op grond van artikel 1.1 van de Wm zijn gedefinieerd. Deze begrippen gelden al onverkort voor de toepassing van deze verordening. Er zijn daarom niet opnieuw definities in de verordening opgenomen. Voorbeelden van in de wet gedefinieerde begrippen die ook in deze verordening worden gebruikt zijn afvalstoffen, huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen. Het begrip inzameling is door de Wm gedefinieerd en daarom zonder begripsbepaling opgenomen in deze verordening.

Artikel 1.1 van de Wm verstaat onder inzameling: verzameling van afvalstoffen, met inbegrip van de voorlopige sortering en de voorlopige opslag van afvalstoffen, om deze daarna te vervoeren naar een afvalverwerkingsinstallatie. Dit begrip is letterlijk overgenomen van de Kaderrichtlijn afvalstoffen. Inzameling is het begin van het afvalstoffenbeheer. Onder afvalstoffenbeheer verstaat de richtlijn immers: Pagina 22 van 27

inzameling, vervoer, nuttige toepassing en verwijdering van afvalstoffen, met inbegrip van het toezicht op die handelingen en de nazorg voor de stortplaatsen na sluiting en met inbegrip van activiteiten van handelaars of makelaars. Artikel 8.2 Doelstelling In dit artikel is het met het hoofdstuk te dienen doel vermeld. Dit artikel is toegevoegd, om duidelijk te maken waarop dit hoofdstuk betrekking heeft. Door de samenvoeging van alle verordeningen, schept dit duidelijkheid over de juridisch plaatsing van de artikelen. De doelstelling volgt uit de wettelijke grondslag van de verordening. De toepassing van bevoegdheden op basis van deze verordening zullen derhalve telkens in dat kader moeten plaatsvinden. Doelmatig afvalstoffenbeheer is onderdeel van de bescherming van het milieu. Het begrip afvalstoffenbeheer is gedefinieerd in de Kaderrichtlijn afvalstoffen als: “inzameling, vervoer, nuttige toepassing en verwijdering van afvalstoffen, met inbegrip van het toezicht op die handelingen en de nazorg voor de stortplaatsen na sluiting en met inbegrip van activiteiten van handelaars of makelaars”. Artikel 8.4 Afzonderlijke inzameling Scheiden van de volgende bestanddelen van huishoudelijk afval is op grond van artikel 1 van het Besluit gescheiden inzameling huishoudelijke afvalstoffen (Besluit giha) de norm: a. bioafval; b. papier; c. metaal; d. kunststof; e. glas; f.

textiel (treedt in werking met ingang van 1 januari 2025); g. gevaarlijke afvalstoffen (treedt in werking met ingang van 1 januari 2025); h. afgedankte elektrische en elektronische apparatuur. Dit artikel geeft uitvoering aan de opdracht van artikel 3 van het Besluit GIHA om de verordening aan te passen om te voldoen aan de artikelen 1 en 2 van het Besluit GIHA Artikel 8.16 Dumpingsverbod Lid 1 In het eerste lid worden bewust de termen stof en voorwerp gebruikt en niet alleen de term afvalstof, omdat niet altijd duidelijk is of de desbetreffende stoffen of voorwerpen afvalstoffen zijn. Artikel 10.25, onder a, van de Wm is de grondslag voor het opnemen van een dergelijk artikel in de Afvalstoffenverordening. Dit artikel komt met de inwerkingtreding van de Omgevingswet niet te vervallen. Lid 2 In artikel 8.16, lid 2 van deze verordening is opgenomen (ondanks de algemene bepaling van artikel 1.9 Hogere wetgeving) dat hogere wet- en regelgeving in de weg kan staan aan overtreding van het dumpingsverbod. Dit is hier expliciet opgenomen voor de kenbaarheid van zowel de burger als de ambtelijke organisatie. Dumpingen kunnen ook in strijd zijn met regels krachtens de Wet bodembescherming, de Waterwet of het Besluit bodemkwaliteit. Deze zullen onder vigeur van de Omgevingswet in deze wet opgaan.

Artikel 8.16 en 8.17 Dumpingen en straatafval De tekst van de verboden in deze artikelen zijn in overeenstemming met de feitcodes van het Openbaar Ministerie. Deze wijken daarmee af van de model-afvalstoffenverordening (versie maart 2021). Artikel 8.19 Afvalbakken in of nabij bedrijven voor verbruiken van eet- en drinkwaren

Pagina 23 van 27

In dit artikel wordt het woord ‘inrichting’ gebruikt zonder te verwijzen naar de Wet milieubeheer. Dit is een bewuste keuze. Artikel 8.19 sluit aan bij artikel 2.13 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, maar heeft het meer toegespitst op de problematiek van zwerfafval en wijkt daarom op een aantal punten van dat artikel af. Dit is een toegestane aanvulling van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Na inwerkingtreding van de Ow vervalt het Activiteitenbesluit Milieubeheer. Voor de materie geregeld in artikel 2.13 , geldt dat deze is opgenomen als onderdeel van de zogenoemde bruidsschat (artikel 7.1 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet) die een onderdeel uitmaakt van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente (artikel 22.53 in paragraaf 22.3.3 Zwerfafval van de bruidsschat behorende bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet). De verplichting om voor een afvalbak zorg te dragen, bedoeld in artikel 8.19 van deze verordening blijft wel bestaan. Het maakt daarbij niet meer uit dat er wordt verwezen naar een inrichting. Enerzijds omdat het een beperkte groep inrichtingen gaat, namelijk waar eeten drinkwaren worden verkocht (horeca). Voor ‘inrichting’ kan aldus onder werking van de Omgevingswet het woord ‘bedrijf’ (waar eet- en drinkwaren worden verkocht) worden gelezen.

Hoofdstuk 9 Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen Dit hoofdstuk regelt grotendeels gevallen, waarvoor de burgemeester moet worden aangemerkt als het ‘bevoegde bestuursorgaan’. Zijn bevoegdheid treft namelijk de voor het publiek openstaande gebouwen (zoals veruit de meeste seksinrichtingen) en de daarbij behorende erven, als bedoeld in artikel 174, lid 1 van de Gemeentewet. Artikel 174, lid 3 van de Gemeentewet bepaalt dat de burgemeester belast is met de uitvoering van verordeningen voor zover deze betrekking hebben op het in het eerste lid bedoelde toezicht. Hieronder vallen ook vergunningplichten. Op grond van artikel 2.1, lid 2, onder c van het Omgevingsbesluit, mogen de bepalingen op grond van artikel 174. Lid 3 van de Gemeentewet niet in een omgevingsplan worden opgenomen, waardoor deze regels in deze verordening zijn opgenomen. Wel is het college ook bevoegd als het gaat om escortbedrijven en prostitutiebedrijven, voor zover die zich richten op de straatprostitutie (tenzij de openbare orde en veiligheid in het geding is (artikel 172, lid 1 Gemeentewet). Het college kan zijn bevoegdheid ter zake mandateren aan de burgemeester op grond van artikel 168, eerste lid, van de Gemeentewet.

Dit hoofdstuk heeft voorts betrekking op onderwerpen die waarschijnlijk op termijn in of krachtens de Wet regulering sekswerk (Wrp) in afwijking van de (algemene) bepalingen van deze verordening geregeld (moeten) worden. Om niet binnen afzienbare termijn opnieuw substantiële materiële wijzigingen aan te hoeven brengen in de betreffende regelgeving – en om de ontvlechting daarvan te zijner tijd te vergemakkelijken – is ervoor gekozen vooruitlopend op de verwachte inwerkingtreding van de Wrp deze materie nu veelal in lijn met de Wrp te regelen. Om deze reden kent dit hoofdstuk afwijkingen ten opzichte van de artikelen in hoofdstuk 1 (beslistermijn, intrekkingsgronden, weigeringsgronden, etc.). Artikel 9.12 Sekswinkel Er is voor gekozen sekswinkels niet onder het begrip ‘seksinrichting’- (en daarmee de vergunningplicht) te brengen. Hieraan ligt de gedachte ten grondslag dat de vestiging van sekswinkels doorgaans afdoende zal kunnen worden gereguleerd langs de weg van het bestemmingsplan en dat het – ter bescherming van de openbare orde of de woon- en leefomgeving – niet nodig is deze bedrijven als regel aan voorafgaand toezicht te

Pagina 24 van 27

onderwerpen. Op grond van dit artikel kan er echter wel worden ingegrepen door per gebied of locatie een verbod in te stellen, als de openbare orde en veiligheid in het geding is.

Hoofdstuk 10 Slotbepalingen Artikel 10.2 Toezichthouders De Algemene plaatselijke verordening 2020, Verordening winkeltijden 2018, Verordening speelhalautomaten 2001 en Parkeerverordening Simpelveld 1995 kennen een algemene verwijzing naar daartoe door het bevoegde bestuursorgaan aangewezen toezichthouders. De algemene verwijzing van deze verordeningen is overgenomen in artikel 10.2. Dit geldt niet voor hoofdstuk 8, dat voortvloeit uit de Afvalstoffenverordening 2017, waar uitdrukkelijk wordt verwezen naar de bevoegdheid op grond van artikel 5.10, derde lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Deze systematiek volgt uit artikel 18.1a van de Wm en artikel 5.10, derde lid, onder a, Wabo, zodat dit apart is benoemd in artikel 10.2, onder b. Onder vigeur van de Omgevingswet zal artikel 5.10 Wabo echter komen te vervallen. Toezichthouders kunnen dan worden aangewezen op grond van artikel 18.6 van de Omgevingswet. De Wabo vervalt weliswaar, maar op het moment van de inwerkingtreding van de Ow zijn niet meteen alle toezichthouders die op grond van die wet zijn aangewezen opnieuw aangewezen. De verwijzing naar de Wabo blijft daarom staan, naast de nieuwe wetgeving. Artikel 10.3 Binnentreden Algemeen Het is soms noodzakelijk dat personen die belast zijn met het toezicht op de naleving dan wel de opsporing van overtredingen bepaalde plaatsen kunnen betreden.

In artikel 5:15 van de Awb is deze bevoegdheid aan toezichthouders toegekend voor alle plaatsen, met uitzondering van het binnen treden van woningen zonder toestemming van de bewoners. De woning geniet extra bescherming op basis van artikel 12 van de Grondwet, dat het zogenaamde ‘huisrecht’ regelt. Het betreden van de woning zonder toestemming van de bewoner is daarom met veel waarborgen omkleed. Op het betreden van een woning met toestemming van de bewoner zijn deze waarborgen niet van toepassing, al gelden daar wel de, zij het wat beperktere, vormvoorschriften van de Awbi. De bevoegdheid voor het binnentreden zonder toestemming van de bewoner kent drie elementen: 1. de bevoegdheid tot binnentreden dient bij of krachtens de wet te zijn verleend; 2. de personen aan wie de bevoegdheid is verleend dienen bij of krachtens de wet te worden aangewezen, en 3. er dienen bepaalde vormvoorschriften in acht te worden genomen. Wettelijke grondslag bevoegdheid Zowel het verlenen van de bevoegdheid tot het binnentreden als het aanwijzen van de personen die mogen binnentreden dient bij of krachtens de wet te gebeuren. Artikel 149a van de Gemeentewet geeft de raad de bevoegdheid om bij verordening personen aan te wijzen die woningen mogen binnentreden zonder toestemming van de bewoner.

Het moet dan gaan om personen die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van de overtreding van bij verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen. In dit artikel wordt gebruikgemaakt van deze bevoegdheid. Voor enkele bepalingen in deze verordening wordt de bevoegdheid om een woning zonder toestemming van de bewoner te betreden rechtstreeks ontleend aan een bijzondere wet. Het betreft artikel 5.30 en 5.31 en de op artikel 437ter van het WvSr gebaseerde gemeentelijke helingvoorschriften. Artikel 552 van het WvSv bepaalt dat de in artikel 141 bedoelde Pagina 25 van 27

opsporingsambtenaren en de ambtenaren die krachtens artikel 142 zijn belast met de opsporing van de bij de artikelen 437, 437bis of 437ter van het WvSr strafbaar gestelde feiten, toegang tot elke plaats hebben waarvan redelijkerwijs vermoed kan worden dat zij wordt gebruikt door een handelaar als bedoeld in laatstgenoemde artikelen. Vormvoorschriften In de Awbi zijn de vormvoorschriften opgenomen die een persoon die een woning wil betreden in acht moet nemen. Hij dient: - zich te legitimeren (artikel 1); - mededeling te doen van het doel van het binnentreden (artikel 1); - te beschikken over een schriftelijke machtiging (artikel 2); - verslag te maken van het binnentreden (artikel 10). De in artikel 1 opgenomen voorschriften gelden voor iedere binnentreding, dus ook indien dit gebeurt met toestemming van de bewoner. De artikelen 2 tot en met 11 van de Awbi gelden alleen als zonder toestemming van de bewoner wordt binnengetreden. Degene die binnentreedt, dient te beschikken over een machtiging. In deze machtiging is aangegeven in welke woning binnengetreden kan worden. De Awbi gaat daarbij in beginsel uit van een machtiging voor één woning.

Zo nodig kunnen in de machtiging echter maximaal drie andere afzonderlijk te noemen woningen worden opgenomen (zie de Regeling vaststelling model machtiging tot binnentreden (http://wetten.overheid.nl/BWBR0018484/2005-08), voor een model voor de machtiging). In artikel 3 van de Awbi wordt aangegeven wie een machtiging tot binnentreden kunnen afgeven: de procureur-generaal bij het gerechtshof, de officier van justitie en de hulpofficier van justitie hebben een algemene bevoegdheid hiertoe gekregen. Hiernaast kan ook de burgemeester bevoegd zijn machtigingen te verlenen. Dit is het geval indien het binnentreden in de woning in een ander doel is gelegen dan in het kader van strafvordering (bijvoorbeeld bij woningontruimingen). De bevoegdheid machtigingen om binnen te treden af te geven, kan niet worden gemandateerd. In artikel 5:27 van de Awb is voor het binnentreden zonder toestemming van de bewoner bij de uitoefening van bestuursdwang een andere regeling opgenomen. De bevoegdheid tot het afgeven van de machtiging is daar, naast de in de Awbi genoemde functionarissen, bij hetzelfde bestuursorgaan gelegd dat de bestuursdwang toepast. Dit betekent dat een college dat bestuursdwang wil uitoefenen, ook de eventueel benodigde machtiging moet afgeven.

Artikel 2, derde lid, van de Awbi voorziet in de bevoegdheid om in uitzonderlijke omstandigheden zonder machtiging en zonder toestemming de woning binnen te treden. Dit is het geval in situaties waarbij ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen of goederen dreigt, zoals bij de ontdekking op heterdaad van een geweldsdelict in een woning of de aanwezigheid in een woning van een bewapend persoon die van zijn wapen gebruik zou kunnen maken. Men kan ook denken aan gevallen waarin de belangen van de bewoner ernstig worden aangetast, zoals bij de ontdekking op heterdaad van een inbraak in de woning. Als de opsporingsambtenaar de bewoner, bijvoorbeeld als gevolg van diens afwezigheid, niet om toestemming tot binnentreden kan vragen, is hij bevoegd om ter bescherming van diens belangen zonder machtiging binnen te treden. Onder deze omstandigheden bestaat er dus steeds de noodzaak om terstond op te treden en is binnentreden zonder toestemming én zonder machtiging gerechtvaardigd. Op het binnentreden van een woning zonder toestemming van de bewoner, blijft ook bij spoedeisende gevallen de Awbi zo veel mogelijk van toepassing. Het spoedeisende karakter van de situatie is derhalve voornamelijk van invloed op het hebben van een machtiging.

Dat betekent dat deze bevoegdheid slechts kan worden uitgeoefend door personen die bij of krachtens de wet bevoegd zijn verklaard zonder toestemming van de bewoner binnen te treden.

Pagina 26 van 27

Van binnentreden zonder toestemming van de bewoner dient na afloop een verslag opgemaakt te worden (artikel 10 van de Awbi, zie de circulaire van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 15 augustus 1994, 452425/294 voor een voorbeeldverslag).

Pagina 27 van 27

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Simpelveld&id=3f016c4b-e61e-4670-bbbc-3d44aee02726